Inleiding:
De nieuwe Marokkaanse familiewetgeving
Precies een jaar
geleden, op 5 februari van 2004, is het nieuw Marokkaans
Familiewetboek (“Nouveau Code de la Famille”)
in werking getreden. Hiermee gaf Marokko aan de rest van de Arabische
en islamitische wereld (op Turkije en Tunesië na) een primeur door het
hervormen van het familierecht (de ‘Moudawana’,
ook wel de wet op het Persoonlijk Statuut genoemd) dat zijn
fundamenten vindt in het islamitisch of
Shari’arecht. De hervorming wordt in Marokko als revolutionair
voorgesteld vooral omdat voorheen aan de
Moudawana niet kon geraakt worden (Ait
Zai, Bennani &
Bachour, 2003; Steunpunt Allochtone
meisjes en vrouwen, 2004). De Marokkaanse vrouwenbeweging is de jonge
koning , Mohammed VI, dan ook zeer
erkentelijk voor het grote talent dat hij aan de dag heeft gelegd om
haar eisen naar meer gelijkheid rechtvaardig af te wegen tegenover
mannelijke privileges in een overwegend islamitische samenleving. Door
een moderne interpretatie van het Shari'arecht
voor te staan via het instrument van de
ijtihad (interpretatie van de religieuze teksten) heeft hij
de ketenen van de Moudawana
rondom de Marokkaanse vrouw losser gemaakt.
Met het
gelijkheidsprincipe wordt in de nieuwe Marokkaanse codex al meer
rekening gehouden; nochtans is een volledige gelijkberechtiging nog
ver te zoeken.
Voor veel
Marokkaanse vrouwen in België – die meestal ook over de dubbele
nationaliteit beschikken – en voor Belgische vrouwen gehuwd met iemand
van Marokkaanse origine, vormde de Moudawana
door zijn discriminerende bepalingen een groot struikelblok voor
de vrouw. De toepassing van dit Marokkaans familierecht stopte niet
aan de grenzen van Marokko. Verstoting, gedwongen huwelijken,
voogdijschap, kindontvoeringen, statuut voor niet-erkende kinderen en
het niet erkennen van Belgische rechterlijke beslissingen
(echtscheiding, hoederecht) door Marokko en vice
versa zorgden voor veel ambiguë rechtssituaties (Buskens,
1999; Combe, 2001;
Foblets, 1998 en 2002) en voor conflicten tussen beide
rechtssystemen.
Deze
ongelijkheid in rechte tussen man en vrouw in het Marokkaanse
familierecht zorgde ook voor diplomatieke fricties tussen beide landen
waardoor de toepassing van bepaalde bilaterale akkoorden die een
oplossing zouden moeten bieden voor bovengenoemde rechtsconflicten in
verband met huwelijk en echtscheiding maar niet van de grond kwamen.
De Codex
Internationaal Privaatrecht (nieuwe IPR-codex)
van 16 juli 2004 die een aantal bepalingen bevat over bijv.
verstoting, polygamie probeert een antwoord te geven op deze
wetsconflicten.
1 Van
Moudawana naar
Nouveau Code de la Famille
De oude
Moudawana (letterlijk: Persoonlijk Statuut
) werd in 1957 door de toenmalige Koning Mohamed
V afgekondigd, kort na de onafhankelijkheid van het Koninkrijk en werd
omwille van zijn religieuze inspiratie als sacraal bestempeld en dus
niet voor wijziging vatbaar.
De ongelijkheid
en discriminaties van vrouwen en meisjes in de
Moudawana (polygamie, verstoting, voogdijschap, hoederecht over
de kinderen, enzovoort) en de ongenaakbaarheid van deze laatste werd
als een grote onrechtvaardigheid aangevoeld en door de vrouwenbeweging
reeds in de jaren ‘70 herhaaldelijk aan de kaak gesteld en bevochten,
soms met risico voor eigen leven. In de jaren ’80 en ’90 wordt de
vrouwenbeweging meer gestructureerd en onder meer gesteund door het
links politiek front en andere maatschappelijke actoren zoals
mensenrechtenorganisaties. Hierdoor wint de maatschappelijke strijd om
de positieverbetering van de vrouw in het familierecht hoe langer hoe
meer aan belang en barst het maatschappelijk debat hieromtrent los. Om
de islamisten het gras voor de voeten weg
te maaien, werd de hervorming verdedigd vanuit een islamitisch
referentiekader dat wel degelijk ruimte biedt voor herinterpretatie en
maatschappelijke evolutie (Naciri &
Nusair, 2003). Voor deze
laatsten immers kwam raken aan het
familierecht neer op het in vraag stellen van de Islam dat zijn
verlengde kent in de maatschappelijke organisatie en in het
persoonlijk en moreel gedrag van haar individuen.
De sociale druk
werd zo opgevoerd en de spanning nam in die mate toe dat Koning
Hassan II, de
voormalige vorst, in 1993 besloot een aantal veranderingen door te
voeren om de rust te laten weerkeren. Hoewel deze veranderingen niet
fundamenteel van aard waren en meer met procedure te maken hadden, was
het toch een belangrijk signaal omdat het het
sacraal karakter van de Moudawana ophief.
Pas in 1998 werd
de verbetering van de rechtspositie van de vrouw als beleidsprioriteit
opgenomen door de toenmalige premier Abderrahmane
Youssoufi. Hij ontwikkelde een nationaal
actieplan voor de integratie en ontwikkeling van de vrouw waarin haar
emancipatie op verschillende terreinen, zoals onderwijs,
gezondheidszorg, economische en juridische positie (hervorming
Moudawana) moest gerealiseerd worden. Dit
actieplan werd niet overal even enthousiast onthaald. Vooral de
conservatieve en islamistische krachten in
de samenleving hebben alles gedaan om het plan te boycotten, ook via
petities opgezet in het buitenland met de Marokkaanse diaspora, en met
succes. Na de massamanifestatie in Casablanca
in maart 2000 tegen het plan (de voorstanders van het plan betoogden
in Rabat en waren minder talrijk) werd het afgevoerd en werd de
problematiek over de rechtspositie van de vrouw in handen gegeven van
de nieuw aangetreden koning Mohamed
VI.
Zich bewust
zijnde van de gevoeligheid van de thematiek richtte de koning een
commissie op die zich over de Moudawana
moest buigen en via de methode van de ijtihad
( de herlezing van de religieuze teksten in het licht van de
maatschappelijke evoluties) een advies moest formuleren aan de koning
die dan uiteindelijk zou trancheren (zie Verslag Congres
Casablanca).
Ondertussen
heeft de vrouwenbeweging niet stilgezeten en heeft ze de uitkomst van
de deliberatie van de commissie via allerlei manieren proberen te
beïnvloeden onder andere door een internationaal colloquium te
organiseren met de extra aanwezigheid van de Marokkaanse vrouwelijke
diaspora (West-Europa, Canada,
VSA, …) in Casablanca.
De vrouwen klaagden het feit aan dat de
Moudawana nog altijd hun persoonlijk statuut regelde hoewel
ze soms decennia lang in het buitenland verbleven en vaak ook de
nationaliteit hadden verkregen van het nieuwe vaderland. De grote
media-aandacht die hiermee gepaard ging, leerde aan de Marokkaanse
samenleving dat de discriminaties van de
Moudawana tot ver buiten het Marokkaanse territorium
doorwerkten (zie ook infra) en dat ook
voor die transnationale problemen een oplossing moest gezocht worden.
Uiteindelijk zou
de koning trancheren in het belang van de vrouw en de samenleving en
kondigde hij in zijn openingsrede voor het parlement op 10 oktober
2003 de langverwachte hervorming aan. In zijn hoedanigheid van ‘leider
der gelovigen’ (Amir Al
Mouminine), zoals hij zelf argumenteerde,
heeft hij getracht de evoluties in de samenleving en de noden van de
moderniteit te verzoenen met een islamitisch levens- en
referentiekader. Door haar levensomstandigheden te verbeteren en naar
meer gelijkheid te streven voor de vrouw, komt dit niet alleen haar
ten goede maar vaart de globale samenleving daar wel bij.
De parlementaire
discussie – over deze toch wel omvangrijke hervorming – is nog
betrekkelijk vlot verlopen. Hoewel er meer dan 100 amendementen werden
ingediend, is de tekst zoals hij door de koning werd voorgesteld,
relatief intact gebleven en uiteindelijk met unanimiteit in de
plenaire zitting van beide kamers gestemd. De
islamisten, die de grootste oppositiepartij in het parlement
vormen, hebben zich tamelijk rustig gehouden tijdens de parlementaire
debatten – de bomaanslagen van 16 mei 2003 in
Casablanca indachtig waardoor ze een deel van hun
geloofwaardigheid hadden verloren – en keurden de hervorming mee goed.
2 De
belangrijkste hervormingen van de nieuwe familiecodex
Zoals in de
speech van de Marokkaanse koning duidelijk naar voren kwam, vormt het
streven naar gelijkheid tussen man en vrouw in het gezin het
kernprincipe van het nieuw familierecht (zie ook
Buskens, 1999; Combe, 2001;
Foblets, 1998).
Het huwelijk is
niet enkel een sacraal verbond gericht op duurzaamheid en kuisheid,
maar een affectieve, harmonieuze relatie tussen twee gelijkwaardige
partners.
Gelijkheid komt
onder meer tot uiting in een gedeelde verantwoordelijkheid binnen het
gezin daar waar voorheen de man/echtgenoot alleen de
verantwoordelijkheid van het gezin droeg en ‘chef de famille’ was. Verantwoordelijkheid delen
houdt in dat er gelijke rechten en plichten zijn en dat er een
gelijkwaardigheid tussen de partners bestaat waardoor de vrouw geen
gehoorzaamheid meer aan de man verplicht is en hem niet meer om het
minste (bijvoorbeeld voor een familiebezoek of om reis te gaan)
toestemming moet vragen (afschaffing van de gehoorzaamheidsplicht).
Gelijke plichten houdt onder meer in dat de echtgenote vanaf nu ook
mee instaat voor de huishoudelijke lasten en het onderhoud van de
kinderen.
Een belangrijke
hinderpaal voor de vrijheid van vrouwen was het instituut van de
voogdij en vooral van de huwelijksvoogdij. In sommige Arabische en
islamitische landen gaat die beperking zover, dat vrouwen zich niet
vrij van de ene plaats naar de andere kunnen begeven zonder dat ze
begeleid worden door een mannelijk lid van de familie.
Wat de
huwelijksvoogd betreft wordt deze verplichting vanaf nu afgeschaft.
Voor de Marokkaanse vrouwenbeweging was dit echt een bevrijding want
al kon een vrouw één van de hoogste ambten in het land bekleden of de
beste chirurg zijn, om te kunnen huwen werd de aanwezigheid van haar
voogd (meestal haar vader, eventueel broer of oom) vereist anders kon
ze geen geldig huwelijk aangaan met de man van haar keuze. De
meerderjarige vrouw zal voortaan zelf en onafhankelijk beslissen of ze
een voogd wil aanduiden bij het aangaan van haar huwelijk en zij mag
hem vrij kiezen.
De
huwelijksleeftijd werd voor beide seksen op 18 jaar (leeftijd
meerderjarigheid) gebracht daar waar ze voorheen voor het meisje 15
jaar was. Op deze manier worden vroegtijdige en gedwongen (want
minderjarige) huwelijken sterk aan banden gelegd vooral omdat in
sommige afgelegen gebieden jonge meisjes zelfs nog jonger werden
uitgehuwelijkt zonder enige vorm van controle en sanctie.
De polygamie –
die nog slechts een kleine 5 % vertegenwoordigt – blijft als instituut
behouden als toegeving aan de islamisten,
die een grote invloed hebben in het parlement. Toch is deze
huwelijksvorm, onder invloed van de vrouwenbeweging die om de
afschaffing ervan vroeg, sterk aan banden gelegd. Een man kan slechts
een tweede huwelijk aangaan indien hij daartoe door de rechter wordt
gemachtigd en indien hij bepaalde strikte voorwaarden naleeft. Hij zal
met uitzonderlijke en objectieve redenen voor de dag moeten komen;
bijvoorbeeld indien zijn echtgenote geen kinderen kan krijgen.
De rechter zal
nagaan of er geen onbillijkheid of (materieel) nadeel is opgetreden
ten aanzien van de eerste vrouw en hun gemeenschappelijke kinderen.
Daarnaast dient de echtgenoot zijn eerste vrouw op de hoogte te
brengen van zijn voornemen om een tweede huwelijk aan te gaan en de
nieuwe echtgenote moet weten dat hij reeds getrouwd is en kinderen
heeft. Indien de eerste vrouw niet akkoord is, kan ze op basis van het
tweede huwelijk van haar echtgenoot de echtscheiding aanvragen; dit
kon ze vroeger niet zo gemakkelijk tenzij ze het had laten stipuleren
in haar huwelijkscontract.
Ook op het vlak
van de ontbinding van het huwelijk zijn een aantal nieuwigheden te
constateren en wordt de gelijkheid tussen man en vrouw en de
billijkheid zoveel mogelijk nagestreefd. Het recht om het huwelijk te
laten ontbinden komt vanaf nu toe aan zowel de man als de vrouw en
gebeurt – niet onbelangrijk! – onder rechterlijk toezicht. De rechter
zal voor elk geval dat hem wordt voorgelegd eerst trachten te
bemiddelen en te verzoenen; ontbinding wordt beschouwd als een
ultimum remedium.
De verstoting
als vorm van ontbinding (nog altijd het mannelijk prerogatief) blijft
behouden als toegeving aan de religieuze waarden maar wordt net als
polygamie aan banden gelegd. Onder de
Moudawana kon de man zijn vrouw verstoten zonder veel
formaliteiten (zelfs mondeling) en zonder dat zij het als eerste wist
omdat haar aanwezigheid niet vereist was. Hij kon de verstoting bij
een bevoegde ambtenaar (‘adûl’)
laten registreren zonder controle op enig misbruik. Het nieuw
familierecht wil het aantal misbruiken beperken en meer
verantwoordelijkheid bij de man leggen. Hij zal voorafgaandelijk
toestemming moeten vragen aan de rechter, die op zijn beurt zijn
echtgenote zal horen en trachten te bemiddelen. Belangrijk is ook dat
de rechter de graad van misbruik door de man zal kunnen nagaan en de
rechten van de vrouw en de kinderen inzake onderhoud en levenstandaard
zal kunnen waarborgen.
Over de
aanvaarding van een Marokkaanse verstoting in de Belgische rechtsorde
werd een levendig debat gevoerd in de Senaatscommissie voor Justitie
naar aanleiding van het debat over het Wetboek van Internationaal
Privaatrecht, meer bepaald over het fameuze artikel 57 van hetzelfde
Wetboek (zie Belgische Senaat, doc. nr.
3-27/1-7, pag.114-128). Vooral vanuit vrouwelijke parlementaire hoek
werd een verstoting, uitgesproken in meestal een islamitisch land, als
een schending van vrouwenrechten ervaren die de toets van de Belgische
openbare rechtsorde niet kon doorstaan. Vanuit een zeker realisme dat
men deze rechtsorde niet aan de rest van de wereld kan opdringen en
diplomatieke overwegingen indachtig, heeft de wetgever een compromis
aangereikt dat rekening houdt met de rechten van de verdediging van de
vrouw.
Voor de
echtgenote die van haar man wil scheiden, wordt het initiatiefrecht
uitgebreid (droit
d’option) en de procedure
vereenvoudigt in geval van scheiding op basis van feiten (huiselijk
geweld, echtgenoot voorziet niet in haar onderhoud, ongewettigde
afwezigheid van haar man, enzovoort). Tot op heden moest de vrouw aan
de hand van een zware (getuigen)procedure aantonen dat haar echtgenoot
haar nadeel berokkende.
In de nieuwe
codex wordt ook een nieuwe vorm van echtscheiding geïntroduceerd,
namelijk de echtscheiding door onderlinge toestemming waarbij de
echtgenoten hun huwelijksrelatie op gezamenlijk verzoek kunnen laten
ontbinden.
Op het gebied
van huwelijksvermogensrecht wordt bij ontbinding rekening gehouden met
de goederen en middelen verworven tijdens het huwelijk ook al is er
geen huwelijkscontract opgemaakt. In geval van onenigheid zal de
rechter oordelen naar billijkheid, rekening houdend met alle
bewijsmateriaal dat hem wordt voorgelegd.
Wat de kinderen
en hun rechten in het kader van echtelijke moeilijkheden betreft,
heeft Marokko voor het eerst voorrang gegeven aan internationale
bepalingen ter bescherming van de rechten van kinderen
(Kinderrechtenverdrag, Conventie van Den Haag van 1980) in het
nationaal recht. In geval van kindontvoeringen na een echtscheiding
zal Marokko meehelpen met justitie om het kind opnieuw bij de ouder te
brengen die het hoederecht heeft gekregen van de rechter.
Wat het
hoederecht in het algemeen betreft, wordt in volgorde het kind
toevertrouwd aan de moeder, de vader of de grootmoeder langs
moederskant. In geval van verhuis of hertrouwen zal de moeder het
hoederecht over haar kinderen niet verliezen, in tegenstelling tot
vroeger. Ook hier krijgt de rechter een meer actieve rol door het kind
toe te vertrouwen aan de meest geschikte ouder of bloedverwant om voor
het kind te zorgen.
Zowel voor de
zoon als de dochter wordt in de nieuwe codex het keuzerecht om de
hoederechtouder te kiezen op 15 jaar, daar waar het voor de zoon
vroeger 12 jaar was.
Het
afstammingsrecht van het kind langs vaderszijde wordt expliciet erkend
in het geval er geen officieel huwelijk aan de geboorte is
voorafgegaan om redenen van ‘overmacht’. De bewijsmiddelen om de
afstamming voor de rechter te bewijzen worden uitgebreid, dus ook
gerechtelijke expertise (DNA-test) wordt gebruikt. Voorheen bestond er
geen wettelijke erkenningsprocedure voor
kinderen buiten het huwelijk. Enkel een archaïsche
getuigenisverklaring van 12 mannelijke getuigen, die bovendien heel
moeilijk te vinden waren, kon uitsluitsel geven.
Om de toepassing
van dit nieuw familierecht zo nauwgezet en zo rechtvaardig mogelijk te
laten verlopen, werd een zeer actieve rol aan de rechter en het
openbaar ministerie toebedeeld om te waken over de verschillende
belangen en vooral die van de kinderen. De oprichting van
familierechtbanken in heel het land met de nodige kennis en expertise
omtrent dit nieuw recht dient de uniformiteit en de efficiënte
uitvoerbaarheid ervan.
3 De “MRE”:
Marokkaanse onderdanen in het buitenland worden niet vergeten
Volgens de
statistieken van maart 2003 van de Directie der Consulaire Zaken van
het Marokkaans Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt het aantal
Marokkanen verblijvend in het buitenland, zogenaamde MRE (Marocains
Résidents à
l’Etranger), geschat op 2 185 894 in Europa, 231 962 in de
Arabische landen, 155 432 op het Amerikaans continent, 5355 in Afrika
en 3350 in Azië en Oceanië.
Sinds einde de
jaren ’70, begin jaren 80 zijn het niet meer de alleenstaande jonge
Marokkaanse mannen die vanuit hun herkomstland emigreren naar de
geïndustrialiseerde wereld om geld te verdienen en een beter leven op
te bouwen. Steeds meer heeft men naast de oude ‘migranten’ te maken
met gezinshereniging en gezinsvorming vanuit Marokko. Hoewel een
definitieve terugkeer naar het land van herkomst voor de meerderheid
een uitgesloten zaak is, blijft een zekere familiale en culturele band
bestaan met Marokko.
Dit verblijf van
Marokkaanse onderdanen in het buitenland – ook al hebben heel wat
onder hen ondertussen de nationaliteit van de verblijfsstaat verworven
– laat zijn sporen tevens na in het Marokkaans familierecht (Moudawana,
le droit
du Statut Personnel).
De oude
Moudawana hield nauwelijks rekening
met de specifieke migratiecontext van families verblijvend in het
buitenland. Dit is vooral zo in de westerse landen die ook in het
familierecht als referentiekader grondwettelijke en universele rechten
en vrijheden hanteren, in plaats van een op religieuze voorschriften
gebaseerde codex (Shari’arecht).
Dit stelde heel
wat van deze personen – vooral vrouwen en kinderen – in het kader van
echtelijke moeilijkheden en andere familiale situaties voor grote
problemen en ambigue rechtssituaties (niet erkende echtscheidingen
door Marokko of door België in geval van verstoting, niet respecteren
van voogdijbeslissingen met kindontvoeringen als gevolg, gedwongen
huwelijken, geen rechten voor buitenechtelijke kinderen, enzovoort).
De nieuwe
familiecodex houdt rekening met de burgers in het buitenland en
introduceert voor de eerste keer enkele bepalingen die specifiek
gericht zijn tot laatstgenoemden om deze onrechtvaardige situaties te
milderen of ongedaan te maken.
De nieuwe codex
zal in ieder geval voor alle Marokkanen in binnen- en buitenland
gelden. Voor de gezinnen die onder twee rechtssystemen vallen zal het
introduceren van een zekere gelijkheid tussen de seksen in het gezin
en de gedeelde verantwoordelijkheid voor kinderen en huishouding een
verbetering betekenen en het Marokkaans recht dichter brengen bij de
meeste Europese nationale wetgevingen (Elmadmad,
2004).
Een eerste
bepaling van toepassing op de MRE stipuleert dat Marokkanen in het
buitenland een huwelijk geldig naar Marokkaans recht kunnen sluiten
voor buitenlandse lokale autoriteiten (gemeentehuis) voor zover ze
rechtsbekwaam zijn, er geen huwelijksbeletselen zijn, en er
toestemming is in hoofde van beide partners. Bovendien mogen ze geen
afstand hebben gedaan van de bruidschat en moet het huwelijk worden
afgesloten in het bijzijn van twee moslimgetuigen en de voogd indien
noodzakelijk (artikel 14 Nieuwe familiecodex).
Vanaf nu kunnen
personen met een (Belgo-)Marokkaanse
nationaliteit een geldig huwelijk naar Marokkaans recht sluiten op het
Belgisch gemeentehuis zonder het huwelijk te moeten overdoen op het
Marokkaans consulaat. De voorwaarde is wel dat er twee moslimgetuigen
aanwezig zijn en de consulaire autoriteiten een kopie van de
huwelijksakte krijgen die ze op hun beurt door zullen sturen naar de
Marokkaanse autoriteiten.
Voor het
huwelijk tussen (Belgo-)Marokkaanse
burgers en vreemdelingen is er in principe niets veranderd; de
discriminatie tussen man en vrouw blijft als het gaat om een huwelijk
tussen een Marokkaanse vrouw en een partner van Belgische origine. De
Belg moet bekeerd zijn tot de Islam vooraleer hij met een Marokkaanse
kan huwen omdat het voor een vrouw verboden is volgens het
Shari’arecht en de
Moudawana om te huwen met een niet-moslim terwijl een
man wel mag huwen met een vrouw van het Boek (een christen of een
joodse). Dit gegeven blijft problematisch en overschrijdt zelfs het
Marokkaans geval daar het voor alle moslimvrouwen in een migratie- en
interculturele context geldt die een vreemdeling huwen en daar samen
kinderen met krijgen. Het huwelijk wordt niet erkend, bovendien hebben
de kinderen geen officieel statuut en krijgen zij de nationaliteit van
hun moeder niet om eventueel te erven langs
grootvaderskant.
Artikel 128 van
de nieuwe Codex bepaalt dat rechterlijke beslissingen uitgesproken
door buitenlandse rechtbanken in het kader van echtscheiding (tussen
Marokkanen onderling of tussen Marokkanen en vreemdelingen) kunnen
worden uitgevoerd in Marokko indien deze rechtbanken gespecialiseerd
zijn in familierecht en voor zover de echtscheidingsbeslissing niet in
strijd is met het nieuw Marokkaans familierecht.
Dit artikel is
voor (Belgo-)Marokkanen, maar vooral voor
Marokkaanse vrouwen, van groot belang. Tot nog toe duurde het jaren
(soms meer dan een decennium) voordat een Marokkaanse vrouw van haar
Marokkaanse man gescheiden was omdat een echtscheiding die ze hier had
verkregen van een Belgische rechter met het hoederecht over haar
kinderen niet automatisch werd aanvaard door de Marokkaanse
autoriteiten. Dit had als dramatisch gevolg dat ze een nieuwe
kostelijke procedure in Marokko moest beginnen en vanuit haar
Belgische verblijfplaats met alle ongemakken
vandien deze moest opvolgen. Indien de vrouw was hertrouwd voor
de echtscheiding in Marokko was uitgesproken, kon ze bovendien bij
aankomst in Marokko voor bigamie aangehouden worden. In geval van
ontvoering van haar kinderen door de vader naar Marokko, was het
ontzettend moeilijk en vereiste het jarenlang diplomatiek getouwtrek
voor ze haar kinderen terugkreeg omdat de vader volgens de
Moudawana de wettelijke voogd was
van zijn kinderen en het recht had ze bij zich te hebben.
Tot slot
De koninklijke
beslissing om de Moudawana te
hervormen tot een familiewetboek en ze te onderwerpen aan het
parlementair debat en amendering heeft een revolutie teweeg gebracht
in de geschiedenis van het Marokkaanse familierecht. Op deze manier
werd de Moudawana bijna helemaal
gedesacraliseerd en zal ze voortaan aan de normale wetgevende
procedure worden onderworpen rekening houdend met maatschappelijke
evoluties en universele mensenrechten tegen een islamitische
achtergrond die openstaat voor een veranderende samenleving.
Tevens nieuw is
de uitdrukkelijke aandacht van de Marokkaanse vorst geweest voor de
Marokkaanse onderdanen vast verblijvend in het buitenland en die onder
de oude Moudawana vaak te maken
hadden met onrechtvaardige hinkende rechtssituaties. Hopelijk brengt
de “Nouveau Code de la Famille” hierin
verandering voor diegenen die in België verblijven.
Zoals met elke
baanbrekende wetgeving zal de toepassing van dit nieuw familierecht
tijd en geduld vragen omdat ze ook rekening dient te houden met een
maatschappelijke mentaliteitswijziging.
Sensibilisering
van de gehele bevolking en vorming van alle betrokken actoren zijn van
essentieel belang voor het welslagen van dit toch wel revolutionair te
noemen project.
______________________________
Bibliografie
Ait
Zai,
N., Bennani,
F. & Bachour, S. (2003).
Dalil pour l’Egalité dans la
Famille au Maghreb.
Rabat :
Editions Collectif
95.
Buskens,
L. (1999). Islamitisch recht en familiebetrekkingen in Marokko.
Amsterdam : Bulaaq.
Centrum voor
Gelijkheid en Racismebestrijding (2003). Familierecht en personen
met een vreemde nationaliteit in België.
Brussel: Centrum voor
Gelijkheid en Racismebestrijding.
Combe,
J. (2001). La condition de la femme marocaine.
Paris :l' Harmattan.
Elmadmad,
K. (2004). La Communauté marocaine à l’Etranger et les Dispositions
du Projet du Code de la Famille. Paper
Congres in Barcelona,
2004.
Naciri,
R. & Nusair, I. (2003). L’intégration
des droits des femmes du Moyen-Orient et de l’Afrique du Nord dans le
Partenariat euro-méditerranéen.
Kopenhagen : Réseau
euro-méditerranéen des droits de l’homme.
Foblets,
Marie-Claire (ed.)
(1998).
Marokkaanse migrantenvrouwen in gezinsgeschillen: wat zijn passende
juridische oplossingen? Antwerpen: Maklu.
Foblets,
Marie-Claire
(2002). Le statut personnel musulman devant les tribunaux en Europe.
Une reconnaissance
conditionelle.
In : Pousson-Petit, J. (ed.),
L’identité de la personne humaine. Etude de droit français et de droit
comparé. Brussel : Bruylant.
Steunpunt
Allochtone meisjes en vrouwen (2004).
Marokkaanse
Vrouwen van hier en
ginder,
Congrès international des Femmes Marocaines, d’ici et d’ailleurs pour
l’ Égalité, september 2003, Casablanca.
Revue
juridique, politique et économique du Maroc (1996). Actes du
colloque international ‘Femmes et Migrations’, 1996, Rabat.
Zie
http://www.alter.be/moudawana/nl/doc.php voor documenten
over de studiedag over de Moudawana op 16
november 2004 in Brussel met steun van Federaal Ministerie voor
Gelijke Kansen.
Zie
de website van de WLUML, Women Living
under Muslim
Law), voor een algemene commentaar op de Moudawana en over de rechten van de vrouw
in het Islamitisch familierecht. Op de Franstalige
site:
http://wluml.org/french/newsfulltxt.shtml?cmd[157]=x-157-120975
]
Belgische
Senaat, Buitengewone Zitting 2003, Doc.
nr.3-27, Wetsvoorstel houdende het Wetboek van Internationaal
Privaatrecht van 7 juli 2003, ingediend door mevrouw Jeanine Leduc,
de heer Philippe
Mahoux, de dames Myriam
Vanlerberghe en
Nathalie de T’ Serclaes.