CIE-INDEX

De Boekenbeurs: Het verschil tussen fictie en propaganda

[De Israëlische Ambassade op de Antwerpse Boekenbeurs]

door Ramsey NASR

[Opinie, gepubliceerd in De Standaard, 8 nov 2005; tekst beschikbaar (m.i.v. replieken in De Morgen) op:
http://www.antwerpenblogt.be/blog/?author=44 [2011: niet langer beschikbaar]

De boekenbeurs: voor elk wat wils. Er zijn strips, romans, thrillers, signerende zangeressen, boeken over koken, Tolstoj en over je eigen vagina – alles wat gepubliceerd kan worden, vind je hier. De grenzen van de literatuur worden daarbij soms behoorlijk opgerekt, maar is dat erg? Natuurlijk niet. Het dient ter promotie van lezen. Van lectuur of literatuur.

Wat pas erg zou zijn, is wanneer op een boekenbeurs schaamteloos politiek bedreven zou worden. Een standje van – ik noem maar wat – Tibetaanse monniken die middels flyers, gruwelijke foto’s en boeken willen protesteren tegen hun Chinese bezetters. Of een standje van holocaustontkenners. Of de ambassade van Israël. Dat alles kan natuurlijk niet.

Toch staat de Israëlische ambassade er. En ze bedrijft politieke propaganda. Met schaamteloze gebruikmaking van literatuur.

Ongeveer een jaar geleden, vlak voor ik stadsdichter van Antwerpen werd, kreeg ik te horen dat politiek en literatuur twee zaken zijn die bij openbare gelegenheden strikt gescheiden moeten blijven. Het één mocht geen platform worden voor het ander. En daar moesten we streng in zijn: ook zaken die door de internationale gemeenschap als vanzelfsprekend worden beschouwd - zoals de uitvoering van VN-resoluties - kan men in openbare gevallen maar beter voor zich houden.

Persoonlijk vind ik het nog een tikkeltje erger wanneer op een boekenbeurs een regering is vertegenwoordigd die flyers en brochures verstrekt waarin niet alleen het internationaal recht straal wordt genegeerd, maar tevens propaganda wordt bedreven. ‘Welkom in Avonturenland’, zo leest men op de boekenbeurs in brochures van het Israëlisch ministerie voor Toerisme. In dat land vindt men nog ‘mensen die bezield zijn met de idealistische pioniersgeest van het land.’ Kortom: ‘Plezier voor iedereen!’ Het staat er echt.

Dit soort reclame is triest te noemen voor een land dat elke dag met de vreselijke gevolgen van zijn eigen bezettingsbeleid wordt geconfronteerd. Vervelender wordt het wanneer men landkaarten aantreft van Israël zonder Palestijnse gebieden. Op vrijwel geen van deze kaarten staan de grenzen van 1967 aangegeven. De bezette gebieden, officieel Palestina in spe, vormen voor Israël gewoon de laatste aanwinst van hun land – en van niemand anders. Palestijnse steden en dorpen zijn op de landkaarten van deze boekenbeurs grotendeels weggevaagd. De stad van mijn vader is er niet op terug te vinden, maar wel de illegale nederzetting die op de landerijen van mijn familie werd gebouwd. Dat Israël die gestolen stukken land nooit wil teruggeven is op zich geen geheim. Geen gelegenheid gaat voorbij of er wordt door de Israëlische regering op gewezen dat bezet Oost-Jeruzalem nooit meer afgestaan zal worden en dat de nederzettingen zullen blijven bestaan, VN-resoluties of niet. Maar dat de boekenbeurs een uitstalraam is geworden voor deze ideeën is nieuw voor me.

Eerlijk gezegd vind ik de Vlaamse boekenbeurs niet de geschikte plek voor misleidende brochures met kaarten van een volledig geannexeerd (‘herenigd’) Jeruzalem. Evenmin lees ik op deze plek van literatuur graag boekjes waarin uitvoerig de geschiedenis en glorie van het land wordt beschreven zonder ook maar éénmaal het woord Palestijn te noemen; maar waarin wel als besluit wordt gemeld: ‘Er is alles aan gedaan om de informatie zo volledig mogelijk te geven.’

Tot zover de brochures van het Israëlisch ministerie voor Toerisme. Van een ander ministerie, dat van Buitenlandse Zaken, ligt er ook een informatief boekje op de boekenbeurs. Hier wordt een kunststukje volbracht. Enerzijds wil men namelijk de argeloze lezer overtuigen dat er in Israël nooit Arabieren, laat staan Palestijnen hebben gewoond. Anderzijds moeten die wel de schuld kunnen krijgen van het mislukte vredesproces. Hoe doet men dat? Heel eenvoudig. Men begint het verhaal in 1077 v.Chr. en meldt gewoon nergens het bestaan van andere inwoners dan zichzelf. Pas vanaf 1947 blijken er ook nog Arabieren te zijn. Verderop volgt dan een lijst, van 1948 tot nu, met Palestijnse terroristische aanslagen. Palestijnen: ze zijn er niet - en als ze er zijn, plegen ze aanslagen. In hetzelfde boekje wordt ook uitgelegd waarom de bezette gebieden beter bezet blijven. Nee, het is goed dat de ambassade van Israël een plekje heeft gekregen op de boekenbeurs. Zet ze alleen in het vervolg op de afdeling Fictie.

Op deze manier wordt onze boekenbeurs echter wel tot een forum voor het verspreiden van propaganda.

Maar het kan dus allemaal nog schandelijker. Want opgesteld tussen dit materiaal met lachende Israëlische kinderen en cijfers van zelfmoordaanslagen ligt inderdaad fictie: het literaire werk van Israëlische auteurs als A.B. Yehoshua, David Grossman en Amos Oz. Deze drie schrijvers – Israëls grootste romanciers - worden in eigen land geregeld voor landverrader uitgemaakt vanwege de opiniestukken die ze in Israëlische kranten schrijven. In deze stukken laten ze niet af hun regering fel te kritiseren, juist omwille van het bezettingsbeleid tegen de Palestijnen. Het zijn moedige schrijvers die er alles aan doen om de propaganda en oorlogshitsing in hun land te bestrijden. Afgelopen vrijdag nog, tijdens de boekenbeurs dus, zei Yehoshua in NRC Handelsblad dat de verjoodsing van Jeruzalem moet worden stopgezet: ‘Natuurlijk hebben de joden niet het recht heel Jeruzalem te claimen, we waren hier altijd een minderheid.’ En ook, over het terrorisme: ‘Hoe is het toch mogelijk dat vaders en moeders hun zonen op dat soort missies sturen. We hebben hun toch iets verschrikkelijks aangedaan dat het zover is gekomen. (...) Wij maken van terroristen monsters, maar zo zijn die jongens en meisjes niet geboren en opgegroeid. Wij hebben ze echt gek gemaakt.’

Uitgerekend deze schrijvers, die gedrieën het literair geweten van een natie vormen, liggen hier te pronken als ware ambassadeurs van Israël. Mag dat? Op dit ene kraampje van de boekenbeurs wordt geen literatuur maar een politiek gepromoot. Dat heet propaganda.

Enkele vragen daarbij - voor elk wat wils:
 

  1. Wie heeft de ambassade van Israël toestemming gegeven hier te staan?
  2. Waarom geen Israëlische uitgeverijen uitgenodigd, in plaats van een ambassade?
  3. Waarom is Israël het enige land dat zijn regering op de boekenbeurs vertegenwoordigd ziet?
  4. Kunnen volgend jaar ook Groot-Brittannië, Litouwen en Iran hun vakantieplekjes en ideologieën aanprijzen? Blijft er dan nog wel plek over voor boeken?
  5. Heeft de Israëlische ambassade toestemming gekregen van Yehoshua, Grossman en Oz voor dit misleidend gebruik van hun literaire werk? Zijn ze überhaupt op de hoogte?

Graag een antwoord. Hoewel de meeste brochures die ik inzag werden uitgegeven door het ministerie voor toerisme, zou ik deze vragen liever niet behandeld zien door mijn schepen voor toerisme, maar door hen die werkelijk betrokken zijn: de organisator van de boekenbeurs, boek.be, en al zijn subsidiënten. Is men daar op de hoogte van deze feiten, en zo ja, is men het ermee eens?

Uiteindelijk zoek ik vooral een antwoord op de wezenlijkste vraag:

Wat is de waarde nog van literatuur wanneer romans en gedichten gehanteerd mogen worden als kneedbare voorwerpen, en wanneer de verbeelding wordt misbruikt om een land of ideologie te ondersteunen? Is literatuur echt bedoeld om een bezetting te rechtvaardigen of een volk te helpen ontkennen?

Yehoshua, Grossman en Oz hebben tot nu toe getracht het Israëlisch-Palestijns conflict vooral te vermijden in hun verhalende werk. Dat thema bleef voorbehouden voor hun essays, hun opiniestukken. Het is zoals gewoonlijk – al beweert men nog zo graag het tegendeel – juist de politiek die er zijn voordeel mee wil halen, door het één te gebruiken als platform voor het ander. Politieke propagandisten, van onder welke steen ze telkens ook vandaan komen gekropen, zouden beter worden vervangen door romanciers, zoals Amos Oz die in de Volkskrant (21-9-’05) opmerkte:

 ‘Ik geloof dat het je verplaatsen in de ander niet alleen een esthetische eis is voor de romanschrijver, maar een morele opdracht voor iedereen. (...) Daarin kan de literatuur een rol vervullen. Ik denk dat we door het lezen van romans ons andere mensen voorstellen, maar we kunnen niet echt romans lezen tenzij we al bereid zijn ons die anderen voor te stellen. Dat zal ten slotte niet ieder conflict oplossen. (...) Niettemin is de literatuur een gids, ook in de politiek. Ze helpt ons ons in de ander te verplaatsen.’

De Israëlische ambassade verplaatst zich louter in zichzelf. Ze heeft niets te zoeken, laat staan op de boekenbeurs.

CIE-INDEXWeb master: Herman De Ley Update: 6 juni 2011