CIE-INDEX

Over de doden niets dan goeds

Over Theo van Gogh en vrije meningsuiting in een geglobaliseerde wereld*

(KifKif Mediawatch, 2004)

Sinds Pim Fortuyn is Nederland in de ban van het (extreem-)rechtse gedachtegoed. Een gedachtegoed dat met de moord op regisseur Theo van Gogh nog extra legitimiteit meent te hebben verworven. Nederland is voor de tweede maal geschokt. De moord op de snedige en provocatieve columnist wordt meteen wereldnieuws als een clash tussen moslims, extremisme, terreur en de open Nederlandse samenleving. De gevolgen van deze moord op de groepsrelaties tussen moslims en niet-moslims in Nederland zijn dan ook verstrekkend: een golf van aanslagen op religieuze gebouwen volgt en polariseert verder de diverse groepen in de Nederlandse samenleving.

In dit artikel analyseert Kif Kif MediaWatch de berichtgeving over de moord vanuit een internationaal perspectief met specifieke aandacht voor Vlaanderen en Nederland. MediaWatch gaat hierbij op zoek naar het interpretatiekader dat de media hanteren m.b.t. de gebeurtenissen en de maatschappelijke gevolgen hiervan. Hiervoor bestudeert ze de berichtgeving van de kwaliteitskranten in beide regio’s in de periode van 2 tot 14 november 2004. Dat de impact en de gevolgen ervan in Nederland en Vlaanderen verschillen, sluit een wederzijdse beïnvloeding en gelijkaardige evoluties en denkpatronen niet uit. De recente lokale gebeurtenissen zijn immers niet los te koppelen van de enorme verschuivingen op wereldschaal in de laatste vijftien jaar. Eerst komen dus noodzakelijkerwijs enkele bedenkingen.

 

1.  Achtergronden

1.1 Internationale context, vrije meningsuiting en het medialandschap

De internationale context, waartegen de huidige lokale gebeurtenissen zich aftekenen, wordt gekenmerkt door het spanningsveld tussen globalisering (van media, politiek, …) en (het succes van) nationalisme (ook regionalismen, succes extreem-rechts, …), m.a.w. het terugplooien op en constructie van de eigen identiteit. Beide, op het eerste gezicht tegenstrijdige, elementen beïnvloeden en versterken elkaar, over de nationale grenzen heen.

De bipolaire wereld blijft na de val van de Berlijnse Muur bestaan. Het communisme als focus nummer één van het Westen wordt snel vervangen door de Arabische wereld. De Eerste Golfoorlog kan gezien worden als een testcase voor dit nieuwe interpretatiekader dat intussen gemeengoed is geworden. Dit interpretatiekader “bouwt voort op een reeds bestaand beeldencomplex waarin ‘islam’, ‘fanatiek’, ‘terreur’ en ‘anti-westers’ haast vaste associaties zijn geworden.”[1] De globalisering van het medialandschap zorgt bovendien voor een bliksemsnelle, wereldwijde verspreiding en aanvaarding van dit beeld. Maar niet elk beeld of elke stem komt hiervoor in aanmerking.

De massamedia gaan gepaard met het ontstaan van communicatieve economieën, met als meest bepalende factoren macht en verkoopbaarheid. Deze gevolgen van de liberalisering van het medialandschap bemoeilijken veeleer het recht op vrije meningsuiting, dan het te stimuleren. Hoewel onder artikel 19 van de Universele verklaring van de Rechten van de Mens eenieder het recht heeft op vrijheid van mening en meningsuiting is in de praktijk vrije meningsuiting niet voor iedereen een verworven recht. Zeker in onze maatschappij vereist vrije meningsuiting voor iedereen toegang tot de vrije en onafhankelijke media. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren, op te sporen, te ontvangen en door te geven. Dit recht is echter niet absoluut en wordt begrensd door de regels van het fatsoen. Dit houdt in dat onder andere oorlogspropaganda, laster en eerroof en uitingen van racisme[2] veroordeeld kunnen worden. Belangrijk om te onthouden is dat lang niet iedereen zijn stem gehoord krijgt en ook dat de media de toegang controleren tot zichzelf, het medium bij uitstek om het recht op vrije meningsuiting op te eisen.
 

1.2 Vrije meningsuiting als wapen van (extreem-)rechts

De slogan van het Vlaams Blok in de jaren ’90, “wij zeggen wat u denkt”, lijkt nu nagenoeg door elke partij overgenomen te zijn. Meer zelfs, de ‘politiek correcten’ (meestal politiek links), zijn verantwoordelijk voor de huidige malaise omdat ze de problemen verzwijgen. Dus streven Bart Somers, Marino Keulen en anderen naar taboe-doorbreking. In één klap neemt men de hele probleemdefiniëring van het Blok over: het ligt aan de (moslim) migranten. In Nederland liggen de zaken niet veel anders, het gehypete poldermodel lijkt een roemloze dood tegemoet te gaan. Ook de LPF beroept zich op het recht op vrije meningsuiting om consequent ‘de moslims’ als dreiging, schuldigen, probleem of minderwaardig af te schilderen. De VVD situeert eveneens de verantwoordelijkheid van ‘het probleem’ eenzijdig bij ‘de moslims’. Hierbij wordt opgekomen voor de eigen stem en niet voor vrije meningsuiting als principe.

Onder de dreiging van de gerechtelijke veroordeling en in de hoop enkele politici van andere partijen te lokken, richt het Vlaams Blok het ‘Comité voor de Vrije Meningsuiting’ op. De veroordeling door het Hof van Beroep is voor het Blok zelfs het signaal om een vroege verkiezingscampagne op te starten met als centraal thema het recht op vrije meningsuiting (om racisme te prediken). Daarbij gemakshalve negerend dat dit recht helemaal niet absoluut is. Ook Van Gogh werd vervolgd wegens antisemitisme maar dat verhinderde hem niet om zich te beroepen op zijn ‘recht’ hiertoe. LPF-minister Hermans deelt buttons uit in het parlement met de boodschap voor “Vrije Meningsuiting”.

De (extreem-)rechtse partijen monopoliseren anno 2004 het concept vrije meningsuiting zowel naar inhoud als naar strategie. Deze partijen beroepen zich op de vrijheid van meningsuiting om minderheden als enige schuldigen voor te stellen. Het is van belang om hierbij in rekening te brengen dat extreem-rechtse partijen:

a.  intussen niet meer de stem van een minderheid zijn;[3]

b.  een mening vertolken die vandaag eerder mainstream is;

c.  hun mening vlot doorheen de mainstream-media zien circuleren ;

d.  zich toch beroofd voelen van hun recht op vrije meningsuiting.

Hierbij stellen ze dat dit recht absoluut zou zijn en dus zou gelden voor om het even welk discours (behalve voor het discours van bepaalde moslims, zie verder). Het zou daarenboven net antidemocratisch zijn om grenzen aan de vrije meningsuiting te stellen. Vrije meningsuiting is echter maar mogelijk als de randvoorwaarden hiervoor aanwezig zijn, zoals redelijkheid, respect, nuancering en het nodige engagement ten aanzien van de democratie. Deze grenzen zijn net noodzakelijk om vrije meningsuiting en democratie mogelijk te maken. Het recht op de vrije meningsuiting is per definitie niet absoluut en voorziet dus mogelijke inperkingen zolang deze democratisch beslist en niet willekeurig toegepast worden. De grenzen van het fatsoen, zoals het verbod op racisme en discriminatie maar ook smaad en eerroof, zijn dus, zoals de geest van het mensenrecht voorschrijft, een gevolg van de democratie. In Nederland en Vlaanderen raakt dit aspect onderbelicht in het publieke debat: de vrije meningsuiting wordt als onbeperkt voorgesteld. De rechtse stemmen buiten dit ten volle uit en hanteren het recht op vrije meningsuiting als een wapen tegen minderheden. Meer nog, ze beheersen het debat als het gaat over democratie, vrijheid van meningsuiting en integratie. Er bestaat m.a.w. momenteel geen taboe op het voorstellen van de moslim als probleem, het aankaarten van racisme wordt daarentegen steeds meer het echte taboe in de Lage Landen.

 



2.  Discours rond de moord op Theo van Gogh

In dit klimaat wordt in Amsterdam de controversiële regisseur Theo van Gogh vermoord. Een daad die onder geen beding goed te praten is en door gerecht en samenleving krachtig moet veroordeeld worden. Moord is nooit een legitieme daad in een democratische maatschappij. De verontwaardiging en de schokgolf die door Nederland raast, is dan ook enorm. Sommigen spreken van een oorlogssituatie, anderen van een identiteitscrisis. Nederland verenigt zich in het idee dat een hoeksteen van de democratie, de vrije meningsuiting, ernstig beschadigd is.
 

2.1.  Over de doden niets dan goeds

“Theo van Gogh was een moedig, aimabel en humoristisch mens”[4]; “een gulle lieve man”; “Hij was een fijn klankbord, was altijd kritisch, maar stond voor je klaar als je hem nodig had”[5]; “Een markant figuur met uitgesproken, omstreden standpunten, en een voorvechter van het vrije debat”...[6]

Het mediabeeld over de filmregisseur kan men als volgt samenvatten: Theo van Gogh is een goede ziel die opkomt voor een basiswaarde van onze democratie: de vrije meningsuiting. Toegegeven, hij was af en toe pittig, soms beledigend maar met de woorden van Cohen, burgemeester van Amsterdam: ,,dat mag in dit land”.[7] Het lijkt erop dat zijn wereldbeeld mediarealiteit aan het worden is. Van Gogh zag zichzelf als een strijder voor de vrije meningsuiting, de vijand was bekend: de islam. Zijn verwijten ten aanzien van ‘de islam’ waren niet min: “de islam is achterlijk”, of de moslims zijn “de vijfde colonne van geitenneukers die onze samenleving bedreigen”. Eerder was de joodse gemeenschap het slachtoffer van Van Goghs gebrek aan subtiliteit en respect. Kritiek en processen vanwege racisme bleven dan ook niet uit. Toch bleef hij zich beroepen op het recht op vrije meningsuiting om zijn beledigende, racistische, islamofobe of polariserende uitspraken te verantwoorden. Dat zijn columns op vele muren botsten bij uitgevers, was de verantwoordelijkheid van ‘de islam’ en de ‘politiek correcten’ en niet het gevolg van de onfatsoenlijke manier waarop zijn boodschap was geformuleerd. Hij was ervan overtuigd dat zijn recht op vrije meningsuiting ernstig was geschaad. Nochtans bleef hij met zijn site ‘de gezonde roker’, in columns voor Metro, in verscheidene (televisie-)interviews en in zijn films een heel arsenaal aan kanalen gebruiken om zijn onverholen en vaak islamofobe uitlatingen te verspreiden. Van Gogh was samen met Ayaan Hirsi Ali een controversiële, polariserende en invloedrijke stem in het politieke debat en een opiniemaker m.b.t. het islamofobe discours. Dankzij zijn ‘charmes’ en de vaardigheid en vertrouwdheid met het medium, wist hij de media te hanteren en uit te spelen.

Toch zag hij zichzelf als een onmachtige strijder in een donkere wereld vol politiek correcten en moslims die de democratie ‘bedreigen’. De berichtgeving naar aanleiding van de moord neemt het zelfbeeld van Van Gogh over en projecteert dit op de samenleving. In dit beeld zijn de islam en de koran het grote gevaar voor ‘onze superieure samenleving’. Deze retoriek van Van Gogh wordt door de media integraal overgenomen: het afgeven op moslims wordt verheven tot het toonbeeld van vrije meningsuiting. In één haal worden islamofobe en racistische uitspraken een geoorloofde en legitieme vorm van vrije meningsuiting en worden ze betiteld als gewoon ‘provocerend’ of ‘uitdagend’.[8]
 

2.2.  Het vrije woord is vermoord

De VTM-reporter omschrijft tijdens het middagjournaal van dinsdag 2 november 2004 de moord als: “Het recht op vrije meningsuiting is brutaal vermoord”[9]. Theo van Gogh is met andere woorden de personificatie van het recht op vrije meningsuiting. Hij is het vrije woord. De filmregisseur wordt het symbool bij uitstek van de vrije meningsuiting en bijgevolg ook het symbool van de Nederlandse democratie. De mensen die tijdens het leven van Van Gogh met de nodige reserves reageerden, verklaren zichzelf nu plots allemaal tot ‘beste vriend’, collega-martelaars of vrijheidsstrijders voor de democratie. Kritiek kan niet. Dit wordt na zijn dood het dominante interpretatiekader in de media. Exemplarisch hiervoor is dat zowel de VRT als VTM op 2 november in hun journaal van 19 uur uitgebreid inzoomen op een boeket bloemen bij de plaats van de moord. Op het bijhorende briefje staat te lezen: “Een vrijheidsstrijder is vermoord”. De vlijmscherpe en bijwijlen giftige tong en pen van de filmmaker, de laatste jaren voornamelijk ten aanzien van ‘de moslims’, wordt steeds eufemistisch voorgesteld als het recht op vrije meningsuiting.

Op het VRT-journaal van 13.00 u spreekt minister-president Balkenende de volgende woorden: “Theo van Gogh was iemand met uitgesproken standpunten die zich mengde in het publieke debat. Hij was een markant voorvechter van het vrije woord”.[10] Burgemeester Cohen roept de Amsterdammers op “om luid en duidelijk te zeggen hoe belangrijk het vrije woord is.”[11] Van Goghs verworven symboolwaarde en martelaarsschap wordt een vereiste voor elke samenleving. Vermoord betekent vergeven. Zo pakt de ‘linkse’ krant van Vlaanderen, De Morgen, op de voorpagina van Bis op 6 november 2004 uit met: “Dringend gezocht: Rechtse auteur in Vlaanderen. Theo van Gogh met niemand te vergelijken.”


2.3. De barbaarse vijand, de islamitische terreurorganisatie

Als een barbaar begon hij op Van Gogh in te hakken”. “De dader loste wel twintig schoten, vatte vervolgens zijn mes met beide handen en hanteerde het alsof hij een autoband stuk probeerde te steken”.[12]

In De Morgen wordt dit “met messteken bewerkt”.[13] De dader met een grijsblauw mutsje op zijn hoofd, een korte baard, een donkere broek en een beige mantel wordt al snel een moslimextremist[14]. Meteen is ook het motief van de dader vastgelegd: islamfundamentalisme. Hierbij wordt de illusie gecreëerd dat het woord moslimfundamentalisme uit een neutraal (moslim, synoniem voor Arabier) en een negatief woord (fundamentalisme) bestaat. Door de hegemonie van het dominante discours wordt echter het concept 'moslim' gekoppeld aan problemen, fundamentalisme en extremisme. Dit extremisme kenmerkt zich als vijandig ten aanzien van ‘onze’ waarden: zoals de gelijkheid van man en vrouw, scheiding van kerk en staat en de vrije meningsuiting. “De moord op Van Gogh zat er aan te komen”, zei Hirsi Ali, “de bloedzuster van Theo van Gogh”[15]: “Ik weet hoe de Arabische wraakcultuur werkt”.[16] De inwisselbaarheid van termen als moslimfundamentalisme, islamcultuur, Arabische cultuur, moslimmannen, terrorisme en extremisme in het dominante discours spreekt boekdelen.

Het interpretatiekader wordt meteen vernauwd tot cultuur. Het is de cultuur van de dader die hem aanzet tot deze gruwelijke daad. De racistische taal van Van Gogh, het rechtse en polariserende klimaat in Nederland, het eventueel labiele karakter van de dader, sociaal-economische en politieke motieven of het internationale discours over de islam zijn allemaal elementen die a priori uitgesloten worden door het gehanteerde interpretatiekader. “De verdachte van de moord op Theo van Gogh heeft vanuit radicaal-islamitische overtuiging gehandeld”, zegt de Nederlandse hoofdofficier van Justitie De Wit in Amsterdam.[17] De schuld en het motief van deze moreel verwerpelijke daad is bijgevolg te situeren bij ‘de islam’: “Het is ongelooflijk. Iemand vermoorden uit naam van een god die niet bestaat. Dat dit kan in Nederland anno 2004”. Er volgen een resem veralgemeningen en het probleem neemt gigantische proporties aan. De socioloog Herman Vuijsje stelt in De Volkskrant:

De cijfers zijn er. Niet meer dan 5 procent van de moslims in Nederland is radicaal. Maar dat zijn er toch nog zo’n vijftigduizend. Van die mensen hoeft er maar één een mes en een pistool te pakken om Nederland in een diepe crisis te storten, zo bleek gisteren”.[18]

De titel van socioloog verleent dit standpunt extra legitimiteit. Ineens wordt Nederland bevolkt en bedreigd door vijftigduizend potentiële moordenaars in naam van de islam. Dit gebeurt op basis van weinig wetenschappelijke en uitermate generaliserende en soms zelfs flagrant onjuiste uitspraken.

De dader wordt geleidelijk aan een detail in het hele verhaal. Hoofdthema worden ‘de moslims’. Het aandeel van de dader in het hele discours vermindert gaandeweg, terwijl de beschuldigingen aan het adres van de moslims, aanvankelijk uitspraken van enkelen, het leidmotief worden in het discours van media, politiek en maatschappij. “Moslims zullen moeten accepteren dat in een democratie ook het geloof voor kritiek vatbaar is, dat geldt voor de islam niet minder dan voor het christendom”[19], schrijft de Volkskrant. Kortom, er wordt gesuggereerd dat moslims per definitie niet omkunnen met kritiek en dat het probleem van samenleven zich net daar zou situeren. Dit komt duidelijk tot uiting in de hardnekkige suggestie in de media dat de film ‘Submission’ de directe aanleiding zou zijn voor de moord op Van Gogh[20].


2.4.  Het gelijk van de bevolking: “We blijven zeggen wat we willen. Lang leve de dialoog”

Een golf van racisme steekt na de moord de kop op. “In Den Haag moest de politie wel tot arrestaties overgaan. Manifestanten uitten er beledigingen aan het adres van moslims”.[21]Mensen zijn boos, ik incluis! Als dit racistisch is, dan maar een racist. En dan nog wat. Terug met de doodstraf!”. Het openlijke racisme van een deel van de bevolking wordt onmiddellijk goedgesproken.

De condoleanceregisters op het internet puilden gisteren al uit met zeer emotioneel en puur racistisch scheldproza, waarbij oproepen om maar meteen de hele Marokkaanse bevolking in kampen op te sluiten nog tot de vriendelijker suggesties behoorden. Misschien begrijpelijk, maar allerminst productief”.[22]

Volgens Yves Desmet legitimeert een moord dus een tijdelijk racisme, zelfs een racisme dat herinneringen oproept aan één van de donkerste periodes van het Europese vasteland. Enkele sites sluiten de condoleanceregisters vanwege de grote aantallen racistische berichten, de meeste laten dit staan.

Zoals al eerder aangehaald, is er een onevenwicht in de toegang tot media tussen diverse groepen in de samenleving. De ‘allochtoon’ kan zijn mening nauwelijks in de mainstreammedia uiten, terwijl racistische uitlatingen vrij spel krijgen. Daarnaast is er xenofobie merkbaar in uitlatingen van een aanzienlijk deel van de bevolking. Dit racisme, evengoed terug te vinden bij een deel van de moslims, wordt hier evenwel door de media gretig verspreid. Elke afwijkende mening van een moslim of kritiek van allochtonen op autochtonen in de media zal niet getolereerd worden door een aanzienlijk deel van de autochtonen. Dit onevenwicht is met betrekking tot de ‘moslims’ geofficialiseerd. Op talloze websites mogen tal van autochtonen platvloerse, opruiende, racistische meningen verkondigen, waarvoor een moslim zou kunnen opgepakt worden. Een voorbeeld: “Hebben jullie niet door dat de grote meerderheid in Nederland het BEU is? Stop het tolereren, het gedogen, het sussen! Het is tijd voor actie!!”.[23] Een zeer opmerkelijke uitspraak op een moment dat scholen in brand vliegen.

Maar laat 1 ding toch duidelijk zijn, wat er vandaag gebeurd is, is toch ook racisme?”. Racisme in de maatschappij wordt met andere woorden geminimaliseerd of afgeschoven op ‘de Ander’. Vacature presteert het zelfs om in het interview met Ayaan Hirsi Ali het aloude probleem van de allochtonen en discriminatie op de arbeidsmarkt toe te schrijven aan de islam: “Ook in ons land zijn moslimvrouwen vandaag nog steeds zwaar ondervertegenwoordigd op de arbeidsmarkt. In hoeverre zou u de oorzaak daarvan bij de islam leggen?”. Dat Ayaan Hirsi Ali hierop bevestigend antwoordt, hoeft niet te verbazen.[24]

Deze deels emotionele reactie van de bevolking wordt verder gevoed door politici en media. De oorlogsverklaring van Zalm is meer demagogie dan een politiek wijze beslissing. Het internationale discours en de strijd tegen terreur vullen het plaatje in. Uitdrukkingen als  “uitroeien van wortel van het kwaad” zijn schering en inslag. In meerdere mate enkele dagen na de aanslag, en dan is het geen emotionele reactie meer te noemen. Steeds vaker treden uitdrukkingen en denkpatronen op, die rechtstreeks terug te vinden zijn in mediaberichtgeving.


2.5.  Jihad in Nederland

De verwijzingen naar 9-11 en de aanslagen in Madrid blijven niet lang achterwege. De Morgen titelt zijn bijlage ‘Reporter’ op 6 november: “Na 9/11 kwam dus 11/2”. In dezelfde krant maakt journalist Martin Sommer de volgende bedenking: “Misschien is deze moord wel onze 11 september. Alleen zijn wij zulke onnozele halzen dat we het niet in de gaten hebben(…)”.[25] In het VTM-journaal van 3 november geeft de journalist ter plaatse op de vraag naar het motief van de dader enkel aan, dat de moord exact 911 dagen na de aanslag op de Twin Towers plaatsvond. De Standaard bericht dat de opdracht voor de moord wellicht uit Spanje afkomstig is. De link met Al-Qaeda wordt even snel gevonden. De Morgen stelt het als volgt:

Volgens de Nederlandse regering weerspiegelt de brief de ideologie van Takfir wa'l Hijra. Die aan Al-Qaeda verbonden fundamentalistische moslimorganisatie zegt dat afvallige moslims die partij kiezen voor de vijanden van de islam, mogen worden gedood”.[26]

De moordenaar van Van Gogh wordt één actor van een gigantisch terroristisch netwerk in Europa. Een eenmalige éénmansactie lijkt bij voorbaat uitgesloten. Hij is slechts één van de 50.000 potentiële terroristen: “Volgens VVD-fractieleider Van Aartsen is er sprake van een jihad in Nederland”. “Ik begrijp dat er een netwerk achter zit. Deze mensen hebben ons de oorlog verklaard.”[27]   

Er wordt bovendien gesuggereerd dat het om een strak georganiseerd netwerk zou gaan:

Gehersenspoelde jeugd klaar voor nieuw geweld. Zelfmoordcommando’s in Nederland. Nederland wordt bedreigd door een brigade islamitische martelaren bestaande uit jongeren die zijn opgeleid om zelfmoordacties te plegen. Een harde kern van rekruten is geworven in allochtonenwijken van de grote steden”.[28]

Al snel maakt De Telegraaf gewag van het bestaan van een dodenlijst waarop de namen zouden staan van kamerleden Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders, minister Verdonk, burgemeester Cohen van Amsterdam en wethouder Aboutaleb. Dit bericht wordt meteen overgenomen door NOS, De Standaard, Het Laatste Nieuws, Het Belang van Limburg, De Morgen en vele andere media. De minister-president reageert geschokt:

Er knapt wat in de samenleving als mensen op deze manier worden bedreigd. In ons land kan geen plaats zijn voor mensen die denken dat zij het zich kunnen permitteren door te gaan met bedreigingen, met geweld, met mensen de mond snoeren”.[29]

Later echter ontkent de hoofdcommissaris van Amsterdam het bestaan van een dergelijke dodenlijst.[30]

Toch blijven berichten opduiken die een wereldwijde en goed functionerende organisatie suggereren. De Morgen van 13 november wijdt twee volle pagina’s aan: “In kaart gebracht: de organisatie achter de moord op Theo van Gogh”. Mohammed B. wordt geportretteerd als een lid van een organisatie met internationale banden, de Hofstadtgroep genoemd. De grafische voorstelling van de organisatie wekt het beeld dat de moord op van Gogh beraamd is door een zeer goed in losse cellen georganiseerd netwerk. Vreemd genoeg wordt in hetzelfde artikel vermeld dat “Mohammed B. zich niet echt manifesteert in de Hofstadtgroep.” Dit verhindert De Morgen echter niet om het hele artikel te wijden aan de vermeende banden met het GIA-netwerk en de Martelaren voor Marokko en Trabelsi. Het doorslaggevende argument wordt dan gevonden in de contacten van Trabelsi met Bin Laden. MediaWatch ziet de grove lijn als volgt en citeert:

1.“Er bestaat een duidelijke link tussen de Hofstadtgroep en de Martelaren voor Marokko, de terroristen die een nieuw bloedbad in Madrid voorbereidden maar nu achter de tralies zitten.”

Hierna volgt een beschrijving van de geplande acties van deze groepering. (3 alinea’s)

2. “De vermoedelijke leider van de Martelaren voor Marokko is de Algerijn Mohammed Achraf.” Hierna volgt een beschrijving van de geplande acties van Achraf en het netwerk dat hij opbouwde. Er wordt hierbij verwezen naar de “uitstekende relaties met een Spaanse GIA-cel en één van de verdachten van de Cassablanca-aanslag”. Dit gebeurt op basis van één gezamenlijke aanwezigheid van Achraf, Mohammed B. en andere verdachten van de aanslagen in Madrid en de VS. (4 alinea’s)

3. “Al bij de eerste aanhoudingen op 18 en 19 oktober bleek dat er rechtstreekse sporen van Achraf naar Nederland liepen.” Het ‘bewijs’ hiervoor is een telefoongesprek tussen Mohammed B. en Achraf en enkele ontmoetingen tussen Mohammed B. en een zekere Mourad Yala. Doorheen de volgende drie alinea’s worden enkele personen uit het netwerk van Achraf gelicht en gekoppeld aan Mohammed B. en Shamir Azzouz. Het bewijs is geleverd: het gaat inderdaad om een ‘goed uitgebouwd en stevig netwerk’. Nu nog de link met Al-Qaeda.

4. “Van Achraf loopt er ook een lijn naar België.”  Eén van de leden van Achrafs cel was Mohamed Khouni Boualem, alias Abdallah. Abdallah ‘was drie jaar geleden al eens opgepakt in de Belgische zaak Trabelsi. (…) het ging om een vermoedelijke logistieke cel van de aan Al-Qaeda gelieerde Groupe Salafiste pour la Prédication et le Combat (GSPC), een GIA-afscheuring. Eén van de GSPC-verdachten, Mohamed Belaziz, had in de zomer van 2001 bezoek gekregen van Trabelsi.

5. “Trabelsi werd vorig jaar tot tien jaar veroordeeld in België voor het beramen van een terroristische aanslag. Tijdens de rechtszaak bleek dat hij rechtsreeks met Osama Bin Laden communiceerde en onder meer de militaire basis van Kleine Brogel viseerde”

De grafische voorstelling die De Morgen hanteert, suggereert een gigantisch, internationaal sterk uitgebouwd terroristisch netwerk. Mohammed B. is lid van de Hofstadtgroep, de Hofstadtgroep is verbonden met de Martelaren voor Marokko en een nieuw GIA-netwerk, dit GIA-netwerk is verbonden met Trabelsi, die op zijn beurt de link vormt met Al-Qaeda. De moord op Van Gogh is een gevolg van deze organisatie, aldus de titel van het artikel: “In kaart gebracht: de organisatie achter de moord op Theo van Gogh”. Hoewel het artikel stelt dat Mohammed B. niet echt actief betrokken was bij de Hofstadtgroep, blijkt dit helemaal niet uit de grafische voorstelling van het “netwerk rond Mohammed Bouyeri”. Terwijl bijvoorbeeld de Spaanse onderzoeksrechter na de aanslagen in Madrid duidelijk stelt dat “een rechtstreeks verband tussen de Martelaren voor Marokko en de moord op Theo van Gogh nog niet bewezen was”, suggereert De Morgen blijkbaar zonder tastbaar bewijs hardnekkig verbanden.

 

3. Het interpretatiekader

Doorheen de mediaberichtgeving over de moord ontwikkelt zich zeer snel een beperkend interpretatiekader van de feiten. Hierin worden allerlei rollen ingeschreven - dader, slachtoffer, held, slechterik – waarrond allerlei populaire associaties worden geweven. Hieronder een samenvatting.


3.1.  De puinhopen van Paars

Deze gebeurtenis (de moord op Theo van Gogh) laat zien welk klimaat we hebben laten ontstaan. Welke mensen we hebben toegelaten en hun gang hebben laten gaan. Hoe we het veel te lang hebben laten rotten”.[31] De verantwoordelijken hiervoor zijn in eerste instantie de vertegenwoordigers van het politiek correct denken. Zij zouden immers taboes hebben opgetrokken waardoor de problemen van de multiculturele samenleving niet bespreekbaar waren en bijgevolg niet aangepakt werden. Hierdoor lieten zij teveel (immigranten) toe, waren zij ‘te open’ en ‘te tolerant’ voor de ‘uitwassen van de islam’. “Dertig jaar lang zijn de Nederlandse moslims met een mengeling van onverschilligheid en tolerantie bejegend”.[32] Hierdoor zijn moslims niet geïntegreerd: zij aanvaarden de vrijheid van meningsuiting niet, zij onderdrukken hun vrouw en zij aanvaarden de scheiding tussen kerk en staat niet. Samengebald luidt de beschuldiging als volgt: de opeenvolgende Nederlandse regeringen hebben een gedoogbeleid gevoerd ten aanzien van de vijanden van de democratie: de moslims.

 “Dat zij sinds 11/9 worden aangesproken op hun loyaliteit ten aanzien van de democratische waarden kan door hen als vernederend worden ervaren - maar is legitiem. Moslims zullen moeten accepteren dat in een democratie ook het geloof voor kritiek vatbaar is, dat geldt voor de islam niet minder dan voor het christendom[33], stelt de Volkskrant.


3.2.  De helden van de democratie en de vrije meningsuiting

In naam van de democratie en de vrije meningsuiting hebben Pim Fortuyn, Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali hiertegen geageerd. Nederland is vol, de islam is achterlijk en vrouwonderdrukkend, de vijfde colonne van de islam bedreigt Nederland. Hun taak was het “de wreedheid van de islam jegens vrouwen bloot te leggen'’. De film ‘Submission’ wordt in deze optiek gezien als een film die “zo aangrijpend illustreert wat meisjes en vrouwen in naam van de islam wordt aangedaan”. [34] Hun kritiek wordt gezien als een voorbeeld bij uitstek van vrije meningsuiting. De vaak racistische, islamofobe, polariserende en generaliserende uitlatingen worden gemakshalve met de mantel der liefde toegedekt en krijgen het etiket vrije mening opgeplakt.
 

3.3. De lange tenen van de islam

Moslims zijn niet geïntegreerd en kunnen daarom niet omgaan met de vrije meningsuiting.

“Ze (Hirsi Ali) kreeg niet alleen tonnen kritiek uit de moslimgemeenschap maar ook van progressieve Nederlanders, in naam van ‘het respect voor de culturen’. Hirsi Ali vroeg waarom christenen hun geloof vrijpostig mogen bekritiseren en daar waardering voor krijgen, maar moslims als enige reactie haatboodschappen, bedreigingen en fatwa’s zouden moeten ontvangen”.[35]

Kortom, moslims reageren steeds agressief op de vrije meningsuiting en dat is te wijten aan de ‘aard van de islam’. De islam is volgens Wilders en Spruyt immers

“onverenigbaar met de Nederlandse cultuur. Zij menen dat dit geloof zich niet verdraagt met de democratische rechtsstaat en dat het met zijn ‘torenhoge minaretten in Rotterdam’ imperialistisch is. Steeds meer moslima’s dragen volgens hen een hoofddoekje als symbool van een afwijzing van het Westen.”[36]

De aanwezigheid van moslims en ‘de islam’ in Nederland lijkt de kern van het probleem te zijn. De extreem-rechtse polarisering, het stijgende racisme in Nederland en de dualisering van de maatschappij worden niet in de analyse betrokken. Er is helemaal geen sprake van racisme als mogelijke factor in het geheel van oorzaken voor een dergelijke radicalisering met dodelijk geweld als gevolg. Nee, Nederland was volgens het discours net té tolerant. ‘Submission’ en dus ‘de aanklacht tegen vrouwenonderdrukking’ zou de directe aanleiding zijn voor de moord. “(…) Balkenende verwees meteen naar Van Goghs recente films en uitspraken, die vooral de onderdrukking van moslimvrouwen hekelden.”[37] De familiale situatie van de dader, het negatief discours over de islam en moslims in het bijzonder, de aanvallende en polariserende toon van het discours van Van Gogh, de positie van Nederland t.o.v. de oorlog in Irak en de extreem-rechtse stempel van het strijdersduo worden a priori buiten beschouwing gelaten bij het vaststellen van een mogelijk[38] motief van de dader.


3.4. De aanslag op de democratie en de vrije meningsuiting

“Van Aartsen zei dat het nu zichtbaar is geworden waar Hirsi Ali en ook de VVD al zo lang op hebben gewezen”[39], namelijk de dreiging die uitgaat van ‘de islam’ ten aanzien van de democratie. Het extreem-rechtse discours over de democratie en de islam wordt gemakkelijk overgenomen. Moslimextremisten hebben een aanslag gepleegd op de vrije meningsuiting en de democratie. Hierbij ontwaart MediaWatch drie zaken:

a.  De indruk wordt gewekt dat democratie gewoon op zichzelf bestaat en wordt dus niet gezien als een reeks praktijken die gekenmerkt worden door het democratische gedachtegoed. Nederlanders zijn als het ware door hun afkomst democratisch, moslims zijn dat niet, tenzij ze kritiek leveren op de islam en de moslims. Het geheel past perfect in Bush’ boodschap n.a.v. de oorlog tegen terrorisme, en een spiegeling van diens uitspraak “If you’re not with us, you’re against us”, nl. “If you’re against them, you’re with us”. De zelfverklaarde Nederlandse democraten hebben het alleenrecht om anderen tot democraat te benoemen; dat iemand hen als ondemocratisch zou bestempelen is bij voorbaat onzin. Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali zijn per definitie democratisch, net door de inhoud van hun boodschap. De democratie wordt dus gezien als statisch gegeven en niet als iets dynamisch dat we allemaal in de praktijk moeten uitdragen, met politici, journalisten en opiniemakers voorop.

b.  Hierdoor wordt de ruimte geschapen om Theo van Gogh gelijk te schakelen met de democratie: hij is (het symbool van de) Nederlandse democratie. “Amsterdam is dood, Nederland ook”, schrijft Walter Pauli in De Morgen. De moord op Van Gogh wordt gezien als een aanslag op de democratie in haar geheel en bijvoorbeeld niet als een aanslag op het extreem-rechtse gedachtegoed. Van Gogh is niet langer een polariserende extreem-rechtse opiniemaker, maar het symbool bij uitstek van de vrije meningsuiting. Hij toont het goede voorbeeld. Dat hij meermaals de grenzen van het fatsoen overschreed en daarmee dus de grenzen van de democratie, lijkt niet meer van belang. Door Van Gogh zo’n symboolwaarde toe te kennen, worden zijn onfatsoenlijke, weinig respectvolle en onsubtiele uitspraken verheven tot deugd.

c.  De probleemdefiniëring van Van Gogh, de VVD en de Groep Wilders worden integraal overgenomen als zijnde een realistisch en democratisch perspectief op de samenleving.
 

3.5. De clash of civilizations: de barbaarse vijand verklaart de oorlog

LPF-Kamerlid Herben ziet het neerschieten van Van Gogh door iemand van Marokkaanse afkomst als bewijs dat de oorlog tussen de islamitische en de westerse cultuur ook in Nederland wordt uitgevochten. Hij schaart zich daarmee achter Huntington die een botsing tussen beschavingen voorspelde (of teweeg bracht).

"De samenleving wordt bedreigd door extremisten die op onze cultuur spugen. Ze spreken onze taal niet eens en lopen in soepjurken rond. Het is een vijfde colonne, en Theo zei dat als geen ander’, aldus Herben”.[40]

De moordenaar is een moslimextremist en het motief vinden we in zijn islamitisch gedachtegoed. De islam zou immers niet compatibel zijn met de moderniteit, met de democratie. De aanslag is met andere woorden een toonbeeld van barbaarsheid en onderdeel van een wereldwijde islamitische strijd tegen de democratie. Enerzijds wordt dit afgeleid uit de handelingen van de moordenaar, die als koel en vastberaden omschreven wordt. Hierbij krijgen we getuigenissen in de zin van: hij schopte nog naar het lijk, hij liep niet maar wandelde weg, ... Anderzijds is er natuurlijk de overduidelijke associatie met het internationale discours omtrent de islam en fenomenen als onthoofdingen en zelfmoordaanslagen als symbool bij uitstek van ‘de islam’. Hoewel Fortuyn vermoord is door een Nederlander, wordt hij opgevoerd in het hele verhaal, alsof ook hij het slachtoffer is van dezelfde islam.

Er is volgens de media dan ook geen sprake van één dader maar van een hele terroristische organisatie, een wereldwijd opererend netwerk. De linken met Al-Qaeda, de Martelaren van Marokko, de Hofstadtgroep, het nieuw GIA-netwerk, enz. prijken in nagenoeg elk medium. De Amsterdamse burgemeester Cohen verwoordt het als volgt: “Helaas is de dreiging van terreur door de fundamentalistische, politieke islam ook in Nederland te dichtbij gekomen”. Op basis van een eenvoudige rekensom wordt een gigantische dreiging ontdekt: 5 % van de moslims is fundamentalistisch. De oefening is simpel, maar moordend: 50.000 potentiële ‘moslimterroristen’. Dit denken komt in alle berichtgeving tot uiting. De aankondiging van Terzake op 7 november is in deze dan ook slechts exemplarisch maar zeer betekenisvol: “Ook bij u in de straat kan een terrorist wonen.” De Telegraaf komt met een dodenlijst op de proppen. Van Aartsen komt tot de conclusie dat “Deze mensen ons de oorlog hebben verklaard”.[41]Jihad in Nederland”[42], schrijft ook Het Belang van Limburg.


3.6. Een groot samenlevingsprobleem eist harde acties: oorlog aan de jihad

Er lijkt in Nederland opeens sprake te zijn van een enorm groot samenlevingsprobleem tussen moslims en al de rest. De columnist Eppink verwoordt het als volgt in De Standaard:

“Met de film riskeerde Van Gogh zijn leven in een spanningsveld tussen twee werelden. Er was de wereld van zijn Nederlandse cultuur met de vrijheid van meningsuiting. Je mag alles zeggen zolang je geen geweld gebruikt. Van Gogh zat steeds op de grens van die vrijheid om zijn punt te maken. Hij wist dat zich in datzelfde Nederland een moslimcultuur had gevestigd waarvan radicale exponenten naar de wapens grijpen. Zij hebben geen debat nodig want de enige en echte waarheid is de koran. Als iemand die in twijfel trekt, heeft een gelovige het recht een ongelovige te doden. En dat gebeurde in Amsterdam”.[43] 

Het probleem wordt eenzijdig verklaard door het incompatibele karakter van islam en democratie.

Het probleem manifesteert zich nu omdat politiek links geweigerd heeft erover te spreken en nagelaten heeft er iets aan te doen. “Kennelijk is het in dit land de gewoonte dat met maatregelen gewacht wordt tot er doden vallen”[44], stelt Hirsi Ali. Het probleem is te vinden in de “gevaarlijke religieuze radicalisering binnen de Marokkaanse gemeenschap”.[45] Deze radicalisering betreft in totaal 150.000 moslims in Nederland. Nog meer mensen zouden moeten geschaduwd of zelfs ‘teruggestuurd’ worden, als het aan de rechtse partijen lag. Wilders pleit openlijk in het debat in de Tweede Kamer voor het preventief terugsturen van zo’n 100.000 mensen. Dat dit niet met de mensenrechten te verenigen valt, lijkt van weinig belang. Grote samenlevingsproblemen eisen harde acties:

Ik hoop dat we in Nederland de ontkennende fase voorbij zijn. Wat past bij een weerbare democratie is werkelijk tot actie overgaan”.[46]

Deze oproep blijft niet zonder gehoor: “Kabinet verklaart terreur de oorlog: scherpere wetten, beveiliging opiniemakers, gewelddadige extremisten land uit[47], kopt Trouw. De strijd tegen de terreur wordt gevoerd met repressieve wapens (het ontnemen van de dubbele nationaliteit, de uitwijzing uit Nederland,…). Dagdagelijkse misdrijven worden extra zwaar bestraft als daarbij aan te tonen is dat de dader terroristische bedoelingen had. Onder terroristische bedoelingen vallen drie vage (en dus zeer gevaarlijke) omschrijvingen: de intentie hebben om de samenleving te ontwrichten, bevolkingsgroepen vrees aan te jagen of met een daad de overheid onder druk te zetten. 

De eigen samenleving wordt niet in vraag gesteld, het eigen aandeel in de huidige situatie wordt verhaald op ‘de Ander’, de moslim. Er worden geen maatregelen genomen om bv. de democratie te versterken, of racisme en radicalisering tegen te gaan. De voorgestelde maatregelen blijken een antwoord te zijn op de mediaberichtgeving en niet op de realiteit. De consument moet geloven dat de democratie gered kan worden door extreem-rechts of beter, door het inzetten van ondemocratische middelen en praktijken.

 



4. Actie en reactie. Een wereld van verschil?

Sinds de Eerste Golfoorlog raakt een relatief stabiel interpretatiekader stilaan ingeburgerd, waarbij de communistische dreiging vervangen wordt door een moslimdreiging. Dit discours wordt ontwikkeld om die oorlog te verkopen aan de wereld als een strijd voor ‘democratie’, ‘mensenrechten’ en ‘vrijheid’. Een kader dat door talloze wetenschappers, met Huntington op kop, wordt voorzien van een ‘wetenschappelijke onderbouw’. Dit discours eist tot vandaag zijn slachtoffers en veroorzaakt een wereldwijde polarisering en radicalisering. Zoals ongeveer elk discours genereert ook dit discours een tegenmacht. Het vertoog van radicale islamisten zoals Al-Qaeda is hiervan veruit het bekendste, maar lang niet het enige voorbeeld. Beide zijden van dit spectrum hanteren dezelfde wapens en dezelfde taal. Een discours zoals dat van Al-Qaeda ziet in het Westen vaak enkel maar racisme, kolonialisme en de kruistocht tegen de islam. De andere kant van het spectrum ziet in de moslims en de islam het gevaar voor de democratie, de vrije meningsuiting, … Er lijkt enkel nog zwart-wit te bestaan. Beide samenlevingen lijken elk gevoel voor nuancering, redelijkheid, maat en evenwicht verloren te hebben. Het dominante discours na de moord schildert de islam af als het grootste gevaar ooit voor de democratie. De dominante stemmen in het debat hanteren dezelfde taal ten aanzien van elkaar, wars van nuancering en vol met bedreigingen, beledigingen, angst en haat. Ongehinderd door broodnodige nuances overheerst in het heetst van de berichtgeving de oorlogsretoriek.

In dergelijke retoriek spelen de verhalen over macht, gevaar en de dreiging die uitgaan van de vijand, een essentiële rol. In de berichtgeving ontstaat een grote, dreigende, georganiseerde en barbaarse vijand, een wereldwijd terreurnetwerk, dat het gemunt heeft op de fundamenten van de democratie en de vrije meningsuiting. Volkert van der Graaf was één gevaarlijke gek, geen probleem van de westerse cultuur. Mohammed B. is dat niet, hij is slechts een symptoom van ‘het ware probleem’: zijn cultuur. Het echte probleem voor de vele ‘deskundigen’ en politici op het scherm schuilt in de ‘letterlijke toepassing van de islam’. Deze toepassing zou per definitie uitmonden in terreur, in vijandigheid ten aanzien van de democratie en de vrijheid van meningsuiting. De gelijkenissen met het overheersende (oorlogs-)discours over de Tweede Golfoorlog is opmerkelijk. Nagenoeg elke strijd, elke oorlog gaat immers gepaard met het op gang trekken van een propagandamachine om de instemming van het volk te verkrijgen.

“Die instemming zal gemakkelijk worden verkregen als die bevolking gelooft dat van deze oorlog haar onafhankelijkheid, eer, vrijheid en leven afhangen, en dat deze oorlog wordt gevoerd omwille van ontegensprekelijke morele waarden.”[48]

Helaas is deze strategie perfect herkenbaar in de mediaberichtgeving na de moord op Van Gogh. Belangrijk om in herinnering te brengen is dat dergelijke retoriek uiteindelijk als doel heeft te polariseren, ‘de kampen’ tegen elkaar op te zetten en de eigen bevolking te mobiliseren tegen ‘de vijand’. Dit is dan helaas ook de betreurenswaardige uitkomst van het verhaal: een hele reeks moskeeën en islamitische scholen moeten het ontgelden. Brandstichting, amateuristische bommen tot en met neonazistische graffiti. Groepen jongeren raken slaags, manifestanten op de wake roepen racistische slogans als “vuile islamieten” en “eigen volk eerst". De doodsbedreigingen en brandstichtingen vanuit de andere hoek blijven ook niet uit. De sensationele anti-terreuractie in Den Haag vergroot nogmaals de omvang van het probleem in de perceptie van de kijker. De schrik zit er goed in en Wilders gaat Fortuyn achterna in de opiniepeilingen.

In een oorlogssituatie wordt dergelijke retoriek opgebouwd om de bevolking te laten instemmen met een nakende oorlog. In deze zaak leidt de berichtgeving tot de bereidheid van de bevolking om verregaande inperkingen van hun rechten toe te staan ten voordele van ‘de veiligheid’. Volgens een opiniepeiling van de NOS pleit meer dan 90 % van de Nederlanders nu voor meer vrijheden voor politie en justitie, ook al gaat dat ten koste van de eigen privacy. Mensen gaan mee in de gedachte dat onze democratie kan gered en verbeterd worden door anti-democratische middelen. Hoewel beide zijden hetzelfde discours gebruiken, wordt het discours van de Ander hét probleem, dat het eigen discours vrijspreekt. Dewael haast zich om in ‘de Zevende dag’ van 14 november te verklaren dat hij de radiostations en internetsites die haat zaaien wil verbieden. De duidelijk opruiende taal van hemzelf en andere politici (met het Vlaams Blok en de VLD voorop) in binnen- en buitenland (bv. de oorlogsverklaring van Zalm) wordt anders geëvalueerd. Over het verbieden van media die aanzetten tot haat en geweld kan blijvend gediscussieerd worden. Wat wel zeker is, is dat consequentie hierin de basis is voor de sociale vrede. 

 

5.  Mondialisering en lokale gebeurtenissen

De transnationale verspreiding van het nieuws over de moord op Theo van Gogh is verbluffend. Niet alleen Nederland wordt aanhoudend bestookt met dit discours; in bijna alle onderzochte mediaberichtgeving zijn dezelfde beelden, dezelfde taal en dezelfde analyses terug te vinden. Ook in België vindt het discours uitgebreid ingang, gedragen door reacties, opinies, journalisten ter plaatse, extra bijlagen, enz. Nagenoeg elke bijdrage beweegt zich expliciet of impliciet binnen dit ene beschreven interpretatiekader van de moslimcultuur als dader, waardoor men de realiteit zelf ensceneert en bevestigt. De media registreren immers slechts een fragment van de realiteit: ze filmen beelden van na de moord, ze nemen interviews af met getuigen en ze duiken in het archief. Een archief dat zeer rijk gevuld is met verschillende interviews en debatten met van Gogh. Vervolgens wordt in de montagekamer ‘de realiteit’ in beeld gebracht op basis van het materiaal dat voorhanden is. Gaandeweg wordt er doorheen de berichtgeving een vast interpretatiekader ontwikkeld dat dan telkens herhaald en verder verspreid wordt. Juiste gegevens kunnen gemakkelijk samengevoegd worden tot een vertekend, onjuist verhaal.

Het discours na de moord op Van Gogh wordt wereldwijd de ether ingestuurd, waar het onmiddellijk aansluiting vindt bij het gangbare globale discours van de oorlog tegen het terrorisme. Op de CNN-website prijkt een grote kleurenfoto van Van Gogh met zijn onafscheidelijke kompaan, de sigaret. De Britse BBC, The Independent, het Duitse persbureau DPA en het blad Der Spiegel, en ook het Franse persbureau AFP besteden allemaal uitvoerig aandacht aan de moord. Op een ogenblik dat de kranten uitpuilen van de verkiezingsdrukte in de VS, haalt (het wereldbeeld van) Theo van Gogh breedvoerig de nieuwspagina’s.

De moord wakkert tevens de profileringdrang van zowel nationale als internationale politici terug aan. Ministers uit allerlei landen reageren op de berichtgeving en sturen hierbij de emoties van het volk. Ze kondigen hierbij niet zelden maatregelen aan of vaardigen maatregelen uit als een antwoord op de berichtgeving: Filip Dewinter (Vlaams Blok) komt met zijn ‘gematigd’ standpunt op de proppen dat meisjes met een hoofddoek een teken zijn van verzet, daardoor niet ingeburgerd zijn en dus op moeten krassen. In ‘Het Laatste Nieuws’ kondigt minister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael (VLD) aan dat hij een verscherpt actieplan klaar heeft om moslimterrorisme te lijf te gaan. “Dewael wil strengere controle op haatdragende websites en Arabische radio-uitzendingen en vraagt ook nauwlettend onderzoek van radicale imams en culturele centra die hen het woord verlenen”.[49]  Het Amerikaanse dagblad Newsday stelt dat de aanslag “een ontnuchterend alarmsignaal (is) voor die genoegzame Europeanen die de dreiging van terreur hebben afgedaan als een gevaar dat vooral op de Verenigde Staten en Israël is gericht”. Sp.a-kamerlid Boussakla vindt het moment opportuun om te opperen dat de Moslimexecutieve moet afgeschaft worden. Er wordt terug een zeer problematisch beeld opgehangen van ‘de islam’, en dit terwijl de afwijzing van een dergelijke moord net een brug kan zijn tussen alle burgers in de maatschappij. Allochtone organisaties, moskeeën en prominente ‘allochtone’ stemmen hebben deze daad dan ook meermaals openlijk veroordeeld. Toch horen we Siegfried Bracke in Terzake vragen “hoe het komt dat we zo weinig horen uit islamitische hoek?”.

 



6.  Besluit: Vrije meningsuiting in een geglobaliseerde wereld

Yves Desmet merkt in zijn standpunt daags na de moord terecht op “[Van Gogh] generaliseerde nogal fel door de fundamentalistische strekking binnen de islam maar meteen gelijk te stellen met de hele moslimwereld”.[50] Jammer genoeg is de (Vlaamse) media er niet in geslaagd om dezelfde expliciete of impliciete veralgemeningen uit zijn berichtgeving te weren. 


6.1. Democratische helden en barbaarse moslims

Theo van Gogh, (strijder voor) het vrije woord, personifieert de vrije meningsuiting en de democratie. Zijn botte, onfatsoenlijke en polariserende manier van kritiek leveren wordt hem vergeven. Gesteld dat Theo’s kritiek terecht was, dan nog moet deze beschaafd blijven en bovenal uitgesproken worden in een taal die de mensen, op wie men kritiek wil leveren, kunnen begrijpen. Theo van Gogh voerde geen debat of legde er niet de bouwstenen voor, hij beledigde, en misbruikte het recht op vrije meningsuiting om zijn uitspraken te legitimeren. Vooral het wereld- en zelfbeeld van Van Gogh is dankzij de media verspreid en aanvaard, ook door de media zelf. De moord wordt namelijk uitgelegd als een aanslag op de democratie in haar geheel en bijvoorbeeld niet als een aanslag op Van Goghs overschrijding van de grenzen van het fatsoen, de vrije meningsuiting en de democratie. Niet alleen Van Gogh wordt vrijgepleit, ook op de racistische uitlatingen bij autochtonen en de houding van media, politici en maatschappij wordt nauwelijks of geen kritiek geleverd. Het is allemaal ‘begrijpelijk’. 

Zelfs Mohammed B. wordt vrijgepleit. In het gehanteerde interpretatiekader wordt de schuld eenzijdig afgeschoven op de islamitische cultuur. Zowel Van Gogh als Mohammed B. worden geleidelijk aan een detail in het hele verhaal. De beschuldigingen aan het adres van de moslims in het algemeen worden het leidmotief in het discours van media, politiek en maatschappij. De aanwezigheid van moslims en de islam lijkt de kern van het probleem te zijn. Moslims krijgen, impliciet en expliciet, per definitie het etiket barbaars, achterlijk, fundamentalistisch, radicaal, extremistisch, terroristisch en gevaarlijk. Verder kunnen ze niet tegen kritiek en zijn ze van nature tegen democratie, vrije meningsuiting, gelijkheid van man en vrouw, scheiding van kerk en staat, enz. Deze vijand opereert in gigantische, wereldwijde, goed functionerende netwerken. Op basis van onwetenschappelijke en uitermate generaliserende en soms zelfs flagrant onjuiste ‘bewijzen’ wordt een angstaanjagend beeld gecreëerd, dat de wereld ingestuurd wordt als waarheid. Dit beeld wordt vlot overgenomen door alle actoren. Om het gecreëerde beeld te kunnen behouden, wordt de veroordeling van de moord door allerlei allochtone organisaties en prominenten subtiel genegeerd.


6.2. Interpretatiekaders

Volkert van der Graaf (of Dutroux) is geen probleem van de westerse cultuur. Mohammed B.’s motief ligt daarentegen wel in zijn islamitische cultuur, het ware probleem. De islam is onverenigbaar met de democratie en aangezien wij geen moslims zijn, zijn we democratisch. De democratie is dus statisch en aangeboren, niet dynamisch. De aanvallende en racistische toon van het discours van Van Gogh, de psychologische toestand van de dader, het rechtse en polariserende klimaat, sociaal-economische en politieke motieven, het opkomende racisme, de houding tegenover de oorlog in Irak of het internationale discours over de islam zijn allemaal elementen die a priori uitgesloten worden door het gehanteerde interpretatiekader. Integendeel, Nederland (maar dit geldt evengoed voor België) is volgens het discours net té tolerant geweest. Door het gedoogbeleid van opeenvolgende regeringen, links, de politiek correcten, enz. zijn de problemen van de zogenaamde ‘multiculturele’ samenleving onbespreekbaar geworden. Er is te veel toegelaten; de moslims zijn uiteindelijk niet geïntegreerd geraakt. Het lijkt wel een politieke afrekening: tegelijk zeggen dat de oorzaak in de cultuur ligt (en dat er dus niets aan te doen is) en verwijten maken aan de ‘politiek correcten’, dat zij er niet in geslaagd zijn, is een contradictio in terminis. Deze ‘politiek correcten’, of ze nu in de maatschappij, in de politiek of in de media zitten, zijn er niet in geslaagd een deftig weerwoord te formuleren.

De gelijkenissen met het overheersende internationale (oorlogs-)discours en interpretatiekader is opmerkelijk. Dit discours, dat zoals elk discours zijn tegenmacht genereert, wordt met de hulp van wetenschappers als Huntington, ontwikkeld om preventieve oorlogen te verkopen aan de wereld als een strijd voor ‘democratie’, ‘mensenrechten’ en ‘vrijheid’. Een wereldwijde polarisering en radicalisering ten aanzien van ‘de vijand’ is het gevolg. Dit is dan ook helaas de betreurenswaardige uitkomst van het verhaal: een hele reeks moskeeën, islamitische scholen en kerken moesten het ontgelden. Zelfs de kritiek op de ‘politiek correcten’ is internationaal terug te vinden in het verwijt van de VS aan de EU in de opeenvolgende ‘pre-emptive strikes’, als zijnde ‘naïef’. De moord speelt zich af tegen een internationale achtergrond waarin fenomenen als onthoofdingen en zelfmoordaanslagen als het symbool bij uitstek van ‘de islam’ gedefinieerd worden.


6.3. Media en verantwoordelijkheid, mensenrechten en vrije meningsuiting

De media komen er dus niet al te best uit. Nochtans hebben zij een enorme verantwoordelijkheid in het maatschappelijke debat en een grote impact op onder andere sociale relaties in de maatschappij. Het discours dat de media uitdraagt over bepaalde groepen zal namelijk bepalend zijn voor de dagdagelijkse manier van handelen ten aanzien van individuen uit deze groepen. Hoewel diverse redacties pretenderen onafhankelijk, kritisch en objectief te zijn (propaganda en desinformatie worden enkel door ‘de vijand’ gehanteerd), is het opmerkelijk dat precies dezelfde beelden, formats, collages en interpretaties in de ether gestuurd worden. De consument leeft hierdoor met de illusie dat hij op basis van deze media-informatie over evenwichtige en juiste informatie beschikt. Vaak wordt echter in de praktijk enkel de dominante stem aan het woord gelaten. De media heeft hierin een belangrijke machtsfactor want zij controleren de toegang tot het medium bij uitstek om het recht op vrije meningsuiting op te eisen. De gecreëerde realiteit in de montagekamer, bij de samenstelling van tekstmateriaal, heeft haar tol geëist.

Het recht op vrije meningsuiting is niet absoluut en wordt afgegrensd door redelijkheid, respect, nuancering en het nodige engagement ten aanzien van de democratie. Deze grenzen zijn nodig om vrije meningsuiting en democratie mogelijk te maken. De media dragen een enorme verantwoordelijkheid in de creatie en verspreiding van de definitie van vrijheid van meningsuiting als ware het een onbeperkte vrijheid. De uitholling en manipulatie van het concept vrije meningsuiting door dominante (extreem-)rechtse stemmen in het mediadebat is maar mogelijk met instemming van de media. Deze stemmen buiten dit ten volle uit en hanteren het recht op vrije meningsuiting als een wapen tegen minderheden. Hierbij is enkel de eigen stem van tel en niet de vrije meningsuiting als principe. Bovendien beheersen deze stemmen het debat in prime time (een forum aangeboden door de media) als het gaat over democratie, vrijheid van meningsuiting en integratie. Er bestaat m.a.w. momenteel geen taboe op het voorstellen van de moslim als probleem, het aankaarten van racisme wordt daarentegen steeds meer het echte taboe.

Dit rechtse interpretatiekader, gestoffeerd met internationale elementen, heeft een averechts effect. Enerzijds versterkt het de kracht en impact van terroristisch geïnspireerde groepen en individuen. In zijn standaardwerk over terrorisme schrijft Laqueur: “Het succes van een terroristische operatie hangt vrijwel geheel af van de verworven publiciteit”.[51] De huidige berichtgeving wakkert dus niet alleen het vijandsbeeld aan van de autochtoon ten aanzien van ‘de moslim’. Het versterkt ook de kracht en de impact van het terrorisme. Anderzijds zet deze invulling de poorten open voor (verdere) aanvallen op en uitholling van de democratie en de vrije meningsuiting. De massamobilisatie op basis van een gecreëerde angst maakt de burger tot een gewillig slachtoffer dat maatregelen eist, het liefst harde. Dat bepaalde maatregelen niet met de mensenrechten te verenigen vallen en een inperking zijn van de eigen grondrechten ‘ten voordele van de veiligheid’, lijkt van weinig belang.[52] De voorgestelde maatregelen zijn geen antwoord op de realiteit, maar een antwoord op het interpretatiekader, uitgedragen door media en politiek. Men doet de consument geloven dat de democratie gered kan worden door het inzetten van ondemocratische middelen en praktijken. Maar vrije meningsuiting alleen maakt geen democratie. Andere rechten mogen niet verloren gaan ten koste van een verkeerd gedefinieerd recht.

 

___________________________________

 

______________________________

* Deze analyse is het resultaat van enkele workshops met F. Ahalli, N. Amerrouss, I. Maly en Hatim in het kader van Kif Kif MediaWatch.

______________________________


Noten

[1] Jan Blommaert, ‘De panoptische media en 11 september’, Samenleving en politiek, jaargang 9, nummer 4 (april 2002), blz. 25-38.

[2] Racisme wordt hier gedefinieerd als een ideologie die discriminatie van een bepaald volk, etnie of groep, zowel historisch als vandaag 'legitimeert’. Racisme omvat in deze definitie dan ook steeds, naast de algemeen aanvaarde betekenis, ook antisemitisme, negationisme, revisionisme en andere vormen van discriminatie.

[3] Even in herinnering brengen dat het recht op vrije meningsuiting in eerste instantie in het leven geroepen is voor geoorloofde meningen die afwijken van deze van het politieke establishment en dus onderdrukt kunnen worden.

[4] Algemeen Dagblad, 2 november 2004: "Van Gogh moedig en humoristisch" (Giphart over Theo van Gogh).

[5] Algemeen Dagblad, 2 november 2004: "Van Gogh moedig en humoristisch" (Terstall over Theo van Gogh).

[6] De Standaard online, 3 november 2004: “Geweld zal nooit het laatste woord hebben” (Balkenende over Theo van Gogh).

[7] De Standaard, 3 november 2004: “Nederland (alweer) in shock”.

[8] De Morgen, 3 november 2004: “Theo” (Standpunt door Yves Desmet).

[9] VTM Journaal (13.00 u), 2 november 2004, VTM-reporter over Theo van Gogh.

[10] VRT Journaal (13.00 u), 2 november 2004, toespraak Balkenende n.a.v. de moord op Theo van Gogh.

[11] De Volkskrant, 2 november 2004: “Theo van Gogh vermoord”.

[12] De Volkskrant, 3 november 2004: “Als een barbaar begon hij op van Gogh in te hakken”.

[13] De Morgen, 3 november 2004: “Het vrije woord is vermoord”.

[14] De Telegraaf, 3 november 2004: “Moordenaar van Gogh mogelijk moslimextremist”.

[15] Vacature, 6 november 2004: “Exclusief. De bloedzuster van Theo van Gogh” en “Islamvrouwen en werk. Ik heb te veel gezien om nu te kunnen zwijgen”.

[16] De Standaard, 3 november 2004: “Strijd om vrouwen te verlossen uit ‘maagdenkooi’ levensgevaarlijk” (door Mia Doornaert).

[17] VRT-nieuwssite, 3 november 2004: “Verdachte had radicaal-islamitisch motief".

[18] De Volkskrant, 3 november 2004: “We hebben het te lang laten rotten” (Achtergrond door Martin Sommer en Bert Wagendorp).

[19] De Volkskrant, 3 november 2004: “Een aanslag op de democratie”.

[20] Nochtans stelde Van Gogh zelf dat hij al meermaals bedreigd was in de loop der jaren (ook door niet-moslims) en weigerde hij een link te maken tussen 11 september en de bedreigingen aan zijn adres.

21] De Morgen, 3 november 2004: “Het vrije woord is vermoord”.

[22] De Morgen, 3 november 2004: “Theo” (Standpunt door Yves Desmet).

[23] http://www.webwereld.nl/nieuws/reactie_compleet.phtml?id=19923 [pagina niet langer beschikbaar, 2011].

[24] Vacature, 6 november 2004: “Islamvrouwen en werk. Ik heb te veel gezien om nu te kunnen zwijgen”.

[25] De Morgen, 3 november 2004: “Misschien is deze moord wel onze 11 september”.

[26] De Morgen, 6 november 2004: “Ik zal je te pakken krijgen en je lelijke kop afhakken”.

[27] NOS-nieuwssite, 5 november 2004: “Wilders Cohen op dodenlijst”.

[28] De Telegraaf-site, 3 november 2004: “Zelfmoordcommando's in Nederland”.

[29] Het Belang van Limburg, 7 november 2004: “Jihad in Nederland”.

[30] http://www.nos.nl/nieuws/artikelen/2004/11/5/aanklachtentegenmohammed.html [pagina niet langer beschikbaar, 2011]
http://www.parool.nl/nieuws/2004/NOV/05/p1.html  [pagina niet langer beschikbaar, 2011].

[31] De Volkskrant, 3 november 2004: “We hebben het te lang laten rotten” (Achtergrond door Martin Sommer en Bert Wagendorp).

[32] De Volkskrant, 3 november 2004: “Aanslag op de democratie”.

[33] De Volkskrant, 3 november 2004: “Aanslag op de democratie”.

[34] De Standaard, 3 november 2004: “Strijd om vrouwen te verlossen uit ‘maagdenkooi’ levensgevaarlijk” (door Mia Doornaert).

[35] De Standaard, 3 november 2004: “Strijd om vrouwen te verlossen uit ‘maagdenkooi’ levensgevaarlijk” (door Mia Doornaert)

[36] Trouw, 8 november 2004: “Geen burgerrechten moslim. Groep Wilders vindt islam onverenigbaar met rechtsstaat”.

[37] De Standaard, 3 november 2004: “Nederland (alweer) in shock” (door Jorn De Cock).

[38] Ter herinnering: de verdachte weigerde ten tijde van de onderzochte berichtgeving nog steeds commentaar. De constructie van het motief en de oorzaak van de moord is dus gebaseerd op speculatie vanwege de media.

[39] De Telegraaf-site, 5 November 2004: “Kamer wil harde maatregelen”.

[40] De Volkskrant, 3 November 2004: “Dit is erger dan de moord op Fortuyn”.

[41] De Telegraaf-site 5 November 2004: “Kamer wil harde maatregelen”.

[42] Het Belang van Limburg, 6 november 2004: “Jihad in Nederland”.

[43] De Standaard, 4 november 2004:  “Zijn leven voor een mening” (door Eppink D.J.).

[44] De Standaard, 3 november 2004: “Reacties: Ayaan Hirsi Ali”.

[45] De Morgen, 3 november 2004: “Gevaarlijke religieuze radicalisering binnen de Marokkaanse gemeenschap. Nederlandse inlichtingendienst waarschuwt voor groeiende onverdraagzaamheid bij moslimjongeren”.

[46] De Telegraaf-site, 5 November 2004: “Kamer wil harde maatregelen”.

[47] Trouw, 6 november 2004: “Kabinet verklaar terreur de oorlog. Scherpere wetten, beveiliging opiniemakers, gewelddadige extremisten land uit”.

[48] Morelli (Ann), Elementaire principes van oorlogspropaganda, Epo, 2003, 127 pp.

[49] De Morgen,  8 november 2004: “Patrick Dewael scherpt strijd tegen moslimterrorisme aan”.

[50] De Morgen, 3 november 2004: “Theo” (Standpunt door Yves Desmet).

[51] Laqueur (Walter), Terrorisme, Anthos, 1978, 278 pp.

[52] Zo slaagt de VS erin de Conventie van Genève met de voeten te treden.

http://www.kifkif.be/modules.php?op=modload&name=News&file=article&sid=3341 [pagina niet langer beschikbaar, 2011]

CIE-INDEXWeb master: Herman De Ley Update: 10.12.2008