1. Inleiding.
Hulpverlening is communicatie. Elke begeleiding
gaat gepaard met het opstarten van een ontzettende hoeveelheid
taalproductie. Dit start met het eerste onthaalgesprek, waar de cliënt
de ruimte krijgt om zijn/haar verhaal te vertellen en emoties te
ventileren. De hulpverlener hertaalt en structureert dit verhaal
volgens de professionele etiquette in een hanteerbaar dossier (vb.
drugverslaving, mishandeling,…). De uitkomst van dit gesprek is van
cruciaal belang voor het verdere verloop van de begeleiding. Het
bepaalt niet alleen of de cliënt in aanmerking komt voor een
begeleiding, het zal tevens de basis worden van het dossier van de
cliënt.
Dat dossier leeft vaak een eigen leven. Het dikt
gaandeweg aan door verdere gesprekken met de cliënt en eventueel met
evaluaties van zijn handelen in het centrum. Daarnaast wordt de cliënt
het onderwerp van interacties tussen hulpverleners tijdens informele
besprekingen, op teamvergaderingen of op intervisiemomenten in hun
zoektocht naar de oplossing(en). Deze tocht leidt tot het aanvullen van
het dossier met nieuwe interpretaties en betekenisdimensies. Hoewel de
cliënt wettelijk het recht heeft op inzage in zijn dossier, is dit
veelal geen gangbare praktijk. Het dossier ontwikkelt zich zo vaak
buiten de cliënt om. Gedurende dit ganse begeleidingsproces kunnen er
elementen van beeldvorming in het dossier sluipen die mee de
effectiviteit, de vorm, de structuur, en de inhoud zullen bepalen van
het begeleidingsproces.
Dit artikel probeert de invloed van de
(maatschappelijke) beeldvorming in de hulpverleningsinstanties te
duiden en tracht enkele mogelijke oplossingspistes te suggereren.
Hiervoor dienen we vooreerst de werking en enkele algemene vormen van
de gangbare beeldvorming te behandelen. Om de invloed van deze
beeldvorming te duiden in de hulpverlening spitsen we ons vervolgens
toe op drie verschillende invalshoeken, in het bijzonder de
organisatie, de hulpverlener en de cliënt. Voordat we ons echter kunnen
buigen over de rol van beeldvorming in het proces is het belangrijk om
de algemene principes van communicatie nog eens op te diepen.
2. Communicatie als interactie*
Communicatie is interactie. Velen denken nu
spontaan aan het schemaatje van zender, ontvanger, boodschap en
mogelijks aanwezige ruis. Helaas zit er in deze voorstelling zelf
behoorlijk wat ruis ingebouwd. Dit schema vertrekt immers van een
lineair proces tussen zender en ontvanger en suggereert daarbij dat de
boodschap slechts één (relatief statische) betekenis in zich draagt.
Dit gaat voorbij aan het feit dat betekenistoekenning een bij uitstek
sociaal en dynamisch proces van interactie is. “Niet –communiceren” is
hierbij een onmogelijkheid. Communicatie is een circulair proces, waar
alle partijen constant zender en ontvanger zijn. Dit circulaire
karakter voltrekt zich tussen de communicerende personen en hun ruimere
omgeving, met name hun sociale netwerken.
Betekenis wordt dus doorheen het ganse gesprek
opgebouwd en is het resultaat van verschillende factoren voor, tijdens
en na het gesprek. Bijgevolg valt de betekenis niet (altijd) samen met
de letterlijke woordenboekdefinitie van de gebruikte woorden.
Communiceren behelst immers meer dan woorden alleen. Elke taaluiting
gaat gepaard met lichaamsuitingen (blik, houding, …), stemkenmerken (de
toon, intonatie, …) en taalelementen (woordkeuze, genrekeuze). Net deze
elementen zullen een cruciale rol spelen in het toekennen van een
betekenis aan het gezegde. Immers, indien iemand zegt “ik ben zeer
gelukkig” in combinatie met het wegdraaien van de ogen, dan verandert
de letterlijke betekenis van deze zin volledig: de spreker is helemaal
niet “zeer gelukkig”.
Daarenboven dient men ook rekening te houden met
de context waarin men communiceert, elke betekenis is immers steeds
contextueel bepaald. Deze contextuele invloed kunnen we theoretisch
opsplitsen in een micro -en een macroniveau. Het microniveau wordt
bepaald door de deelnemers, de plaats, het tijdstip, de tijdsdruk, de
bedoeling en de aanleiding van het gesprek. Daarnaast is er steeds een
mogelijke macro-invloed van vooraf bestaande denkbeelden, stereotypen,
opvattingen, precedenten enzovoort.
We kunnen het belang van deze context illustreren
aan de hand van de volgende triviale zin: “Zou u mij willen
helpen alstublieft?”. Dit is in de Nederlandse taal de
“normale” manier om hulp te vragen. Indien een hulpvrager echter de
vraag verwoordt als “jij moet mij helpen”, dan kan de hulpverlener dat
als arrogant bestempelen. Deze variant staat in Vlaanderen immers
geboekstaafd als een eerder onbeleefde, want een bevelende vraag die in
tegenstrijd is met de gangbare etiquette (in deze context). De
hulpvrager kan deze bewoordingen gebruiken op basis van zijn/haar
thuistaal (met bepaalde taalstrategieën) of op basis van een mindere
kennis van het Nederlands of doordat hij/zij onbekend is met de norm of
door voorgaande ervaringen met deze of gelijkaardige instelling(en)
(vb. in het thuisland). Indien deze mogelijkheden door de hulpverlener
niet in rekening worden gebracht, dan zal dit zich vertalen in de
verdere begeleiding.
Stelt nu de directeur van een organisatie ten
aanzien van een personeelslid: “jij moet mij helpen”, dan zal dit als
relatief “normaal” (naar gelang van de organisatiecultuur) bestempeld
worden. Ook onder vrienden zal er waarschijnlijk geen aanstoot genomen
worden aan deze vraagstelling. De relatie tussen taal, normaliteit en
context speelt hier een cruciale rol. In één context is de betekenis
duidelijk en heerst er een soort “common sense” gevoel, het is
“normaal” dat een hulpvrager in België vraagt: “Zou u mij willen
helpen, alstublieft?”. De niet-ingewijden zijn hiervan de dupe doordat
ze ongewild en onbewust de norm(aliteit) doorbreken. In die zin kunnen
we stellen dat taal als het ware zwanger is van macht: men duidt er
immers (vaak impliciet) regels, normen en machtsverhoudingen mee aan,
wat normaal is en wat niet normaal is, wat kan en wat niet kan in een
welbepaalde context.
Communicatie speelt zich niet af in een vacuüm en
is dus gekenmerkt door maatschappelijke evoluties, machtsposities en
denkbeelden. Baukje Prins argumenteert dan ook dat
“Met elk woord dat we uitspreken we
een laag aan betekenissen aanboren. Of we willen of niet, of we er nu
wel of geen weet van hebben, die betekenislagen spelen een rol in het
effect dat onze woorden hebben op anderen. Taal is dus niet slechts een
medium met behulp waarvan we spreken over de wereld buiten ons, taal is
tegelijk een vorm van handelen die de wereld (mede) vorm geeft,
construeert.”[1]
Het is hier dat we op zoek dienen te gaan naar de
impact van beeldvorming. Het is immers door middel van taal dat mensen
denken, ideeën verspreiden en vorm geven aan de realiteit. Door
realiteiten te benoemen, ontstaan ze en merken we ze op. Tegelijk
transformeren we deze dynamische realiteiten echter in statische
beelden. Dit is eigen aan taalgebruik, maar kan desalniettemin
bepalende gevolgen hebben in het omgaan met andere individuen. Immers
“sociale verhoudingen worden mede bepaald door de manier waarop wij
over die verhoudingen spreken, waarop wij ze interpreteren en betekenis
geven.”[2] Enkele
voorbeelden: “Jan is een kraker/ Fatima is een typisch
slachtoffer van de cultuurkloof”, maar Jan en Fatima zijn
natuurlijk nog veel meer dan kraker en allochtoon, (beiden zijn
misschien hoogopgeleide juristen). Iedereen heeft immers verschillende
(groeps)identiteiten (met bepaalde waarden en normen) die
soms in tegenspraak met elkaar zijn. Het gevaar met labels is
dan ook dat we enkel nog de etiketten gaan zien die we op voorhand
gekozen hebben.
3. Beeldvorming, taal en normaliteit
Beeldvorming is een taalfenomeen maar is tevens
maatschappelijk en ideologisch bepaald. Het gaat over beelden die
gemeengoed, normaal zijn in onze maatschappij en verspreid worden via
media, onderwijs, opvoeding of politiek. Als we het over beeldvorming
hebben verwijzen we dus naar “common sense” ideeën die verweven zijn
met structuren, instellingen en macht. Beeldvorming is dus gelinkt aan
wat we normaal vinden. Net deze ‘normaliteit’ creëert een welbepaalde
blik op de realiteit door fenomenen, mensen en groepen in onze
maatschappij te benoemen en te definiëren. Denk maar aan de oubollige
stereotypezinnen als: “Die vrouwen! … Zij kunnen toch niet
autorijden, hé!" Of: “Die allochtonen, ze zijn
toch altijd te laat, hé”. Deze etikettering (vrouwen,
allochtonen, …) gaat gepaard met het bewust of onbewust toekennen van
allerlei (stereotype) eigenschappen en kwaliteiten op grond van deze
sociale categorisering. In die zin kunnen we beeldvorming zien als een
parasiet van de taal. Beeldvorming bepaalt niet alleen wat we ‘normaal’
vinden, maar ook de verwachtingen die we van elkaar hebben en de manier
waarop we met elkaar omgaan. Als voorgaande stereotypen
geïnternaliseerd zijn, zullen vrouwen die goed rijden en allochtonen
die op tijd komen, gezien worden als positieve uitzonderingen op de
regel. Zij kunnen dan goed bedoelde complimentjes ontvangen (in de zin
van “jij rijdt wel goed hé!” of “Amaai,
dat is tof: je bent op tijd!”) die het stereotype denken
bevestigen en de ‘ander’ terugwerpen op zijn (toegewezen) identiteit.
Neem nu het simpele feit van het gehanteerde
onderscheid tussen Belgen en migranten. Dit lijkt in eerste instantie
een reëel oordeel, een feitelijke beschrijving te zijn, waar op het
eerste zicht weinig tegenin te brengen is. Zelden wordt echter de vraag
gesteld wat er achter deze tweedeling schuilt en wat de gevolgen
hiervan zijn. Inmiddels neemt men wel het beeld over van een
samenleving met daarin twee gescheiden werelden: die van Belgen en die
van migranten of allochtonen. Dit spreken neemt vaak de vorm aan van
“Wij en Zij”. Dit discours is voornamelijk toegespitst op de schijnbaar
onverenigbare verschillen tussen deze groepen, zodat er uiteindelijk
enkel nog verschillen lijken te zijn. Hun identiteit wordt dan
geconstrueerd als het tegengestelde van onze identiteit. Wij zijn
geëmancipeerd, seculier, modern en bijgevolg superieur. Wij kennen
immers de verlichting en de mensenrechten, de scheiding van kerk en
staat, … Zij zijn dan onze tegenpool: ze zijn niet geëmancipeerd, niet
modern, en dus “achterlijk”.
In de dagelijkse berichtgeving over “de ander”
zien we een ganse batterij aan thema’s de revue passeren die een
negatieve invulling geven aan de migrantenidentiteit. We denken aan de
discussie omtrent de hoofddoek en onderdrukking; de vermeende relatie
tussen de islam en terrorisme; de uitlatingen over het “achterlijk”
karakter van de islam; de islamitische bedreiging voor onze waarden, de
relatie tussen etnische afkomst en criminaliteit, enz. Deze
categoriseringen zijn niet toevallig of eenmalig maar passen
“in een lange (Europese) traditie om de Arabische wereld als een
concurrent en zelfs als vijand te zien.”[3] De
migrant verwordt zo “de ander” bij uitstek. Deze definiëring staat
steeds in nauwe relatie met de zelfdefiniëring, de ander wordt
omschreven in wat wij niet (meer) hebben of niet zijn. Onze
geïdealiseerde identiteit, onze normaliteit wordt gebruikt als norm om
de ander te beoordelen. In die zin vertelt de beeldvorming omtrent de
ander waarschijnlijk meer over de eigen identiteit dan over de ander.
Dit mechanisme resulteert in een statische
(culturele, niet –Europese) definiëring van de ander in onze
samenleving. Pinxten en Verstraete formuleren het als volgt:
“Allochtonen krijgen dan een
gemeenschappelijke naam die tot een etiket verwordt, een
gemeenschappelijk verleden dat geen persoonlijke geschiedenissen
toelaat, een ongenuanceerde band met een thuisland, een clichématige
invulling van solidariteit, een gemeenschappelijke cultuur en
identiteit die als vergelijkingsstandaard gaat dienen.”[4]
Deze beeldvorming omtrent de islam en allochtonen
circuleert vlot in onze maatschappij en zal mede de interactie tussen
migranten en Belgen definiëren (bemoeilijken). Daarenboven zal deze
beeldvorming zich weerspiegelen in onze organisaties.
4. De organisatie als context
Organisaties ontstaan en functioneren immers niet
los van de maatschappij, maar zijn een product van die samenleving
waarin zij opereren. Denk maar aan de vluchthuizen die ontstaan zijn
als kind van de feministische beweging of de drughulpverleningcentra
die in de zeventiger jaren opgericht zijn als antwoord op een relatief
nieuw fenomeen in onze maatschappij. Gedurende de laatste 5 decennia
zijn hulpverleningsinstanties geprofessionaliseerd en ingeschoven in
een subsidiesysteem met bijhorende opdrachten, regelgeving en fusies.
De geëngageerde vrijwilligers hebben plaatsgemaakt voor geëngageerde
hoogopgeleide hulpverleners, voornamelijk afkomstig uit de
middenklasse. Dit proces van professionalisering creëert de context
waarbinnen hulpverleners functioneren en heeft een verregaande invloed
op de huidige hulpverleningsinstanties en de praktijk van
hulpverlening. De Mot stelt dan ook dat:
“De hulpverlening bijna steeds
vertrekt van een maatschappijmodel waarin weliswaar de meerderheid van
de bevolking zich herkent, maar waarin bepaalde doelgroepen zich niet
zo goed voelen.”[5]
De huidige hulpverleningsmodellen zijn producten
van de professionalisering van de sector. Deze professionalisering is
natuurlijk ook een kind van de maatschappelijke ontwikkelingen in onze
samenleving. Dit vindt o.a. zijn weerslag in de opleidingen voor
hulpverleners, maar ook in de structuur van de hulpverleningsinstanties
en uiteindelijk in de praktijk. Gailly verwoordt het als volgt:
“(...) veel westerse geschoolde
hulpverleners zijn er zich onvoldoende van bewust dat de meeste
hulpverleningstechnieken en –methodieken doortrokken zijn van normen en
waarden uit de sociale midden –en bovenlaag van de westerse
samenleving.“
Enkele voorbeelden van dergelijke
vooronderstellingen: het winkelmodel van de hulpverlening, de open en
vaak directe communicatie, het (impliciet) centraal stellen van de
mondige cliënt die geen moeite heeft met praten en administratie,
praten als oplossing voor lichamelijke klachten, het individu als
maatstaf, de scheiding tussen werk en privé of het efficiëntie -denken
dat de hulpverlening stilaan penetreert.
De professionalisering van de sector schept een
kader waarbinnen organisatieculturen tot stand komen die bepalend
zullen zijn in de communicatie. Deze professionele traditie behelst een
opeenvolgende reeks van verschillende types van communicatie
(intakegesprek, teamvergaderingen, begeleidingen, overleg met andere
diensten, outtake gesprek …) en stoelt niet enkel
op een bepaald jargon maar ook bepaalde vormen van categoriseren (X is
multiproblematisch, Y is hysterisch, Z is zwakbegaafd). Deze
categorieën hebben een verregaande invloed op de structurering van de
informatie, op wat ‘belangrijke informatie’ is en wat ‘minder
belangrijke’.[6]
Deze professionele traditie is voor vele
hulpverleners hun werkinstrument en dus een realiteit, een normaliteit
die zelden in vraag gesteld wordt. Daarenboven is het deze traditie die
de hulpverleners in staat stelt om het verhaal van de cliënt te kunnen
vertalen en structuren in een handelbaar dossier. Zoals gesteld zijn
deze tradities niet neutraal maar geworteld in onze maatschappij.
Bulcaen & Blommaert argumenteren dan ook dat
“Deze
professionele tradities dus niet bestaan in een isolement, en dikwijls
sluipen er ook ingrediënten in van bredere maatschappelijke
ideologieën. Dit zal zich met name voordoen op abstracte niveaus van
beelden over conformiteit en marginaliteit, over de waarde van het
individu, maar ook over geslachts- en cultuurverschillen, godsdienst,
de plaats van ‘minderheden’ zoals vrouwen en migranten ”
[7]
Deze ingrediënten kunnen een bepalende invloed
uitoefenen op de hulpverleninggesprekken, de organisatiecultuur en
–structuur. De voorbeelden zijn legio: “Thema’s als
migratiegeschiedenis, maatschappelijke positie, beeldvorming van de
hulpvrager, discriminatie en racisme worden zelden besproken in de
hulpverlening.”, “Instanties starten een groepswerking op voor
vluchtelingen omdat zij uit een “groepscultuur” komen”, “Wij bereiken
nagenoeg geen allochtonen omdat zij een eigen sociaal vangnet hebben”
of “Men moet Nederlands spreken wil men geholpen worden”. We
zien dus dat bepaalde (dominante) maatschappelijke ontwikkelingen en
denkbeelden binnensluipen in de organisatiestructuur en -cultuur, maar
ook in de praktijk van hulpverlening. Deze denkbeelden bepalen wat
relevant is en wat niet, wat bespreekbaar is en wat niet in de
hulpverlening.
5. Beeldvorming en de hulpverlener
Hulpverleners zijn in eerste instantie
professionelen die werken in de context van hun organisatie. Zij
bevinden zich in het spanningsveld tussen de organisatie, de cliënt en
hun eigen waarden en normen. Er rust dan ook een enorm zware taak op de
schouders van de hulpverleners. Daarenboven moeten zij deze taken vaak
uitvoeren met een tekort aan personeel (met de gekende wachtlijsten als
gevolg) en onder zware tijdsdruk. Hier dient men te investeren! Uit
vele onderzoeken is immers gebleken dat het door de cliënt beleefde
resultaat van de hulpverlening in grote mate afhangt van de wijze
waarop de cliënt de hulpverlener ervaren heeft. Dit slaat niet alleen
op zijn/haar deskundigheid maar ook op zijn/haar persoon. Dit betekent
echter niet dat de hulpverleners voor alles verantwoordelijk zijn (of
gesteld kunnen worden); de organisatie en overheden hebben hier een
zeer belangrijke rol te vervullen. De werkcontext zal immers bepalend
zijn voor het functioneren van de hulpverlener. Tijdsdruk of een
strakke scheiding tussen werk en privé kan er bijvoorbeeld toe leiden
dat bepaalde mensen afhaken of zelfs niet bereikt worden. Er dient
ruimte geschapen te worden voor vorming, sensibilisering, een aangenaam
werkklimaat, … . Dit doet echter niet teniet dat in eerste instantie de
hulpverlening staat of valt met de hulpverleners. Laten we daarom eens
kijken naar enkele mogelijke reacties op interculturele situaties.
Antoine Gailly[8] onderscheidt grosso modo drie types van
reacties van hulpverleners ten aanzien van allochtone cliënten: “ik
versta de ander niet”, “becoming native”
en “ik begrijp de andere”. Elk van deze reacties
toont duidelijke relaties met de bestaande beeldvorming omtrent
allochtonen in onze samenleving. Laten we ze kort overlopen.
5.1. Ik versta de “ander” niet
In het eerste type erkent en herkent de
hulpverlener de cliënt als “anders”. Dit “anders-zijn” wordt volgens
Gailly door bepaalde hulpverleners gedefinieerd in tegenstellingen
zoals: modern/traditioneel, westerse geneeskunde/ religieuze,
traditionele geneeskunde, … De herkenning van dit “anders-zijn” leidt
dan tot de perceptie dat het onmogelijk is om deze persoon te helpen.
De cliënt wordt vervolgens vaak doorverwezen naar een deskundige op het
vlak van cultuur en taal. Niet de beleving van het probleem door de
cliënt staat hierbij centraal, maar de perceptie van een cultureel
model en de ‘onmogelijke zoektocht’ naar een culturele
oplossingsstrategie. Ook Verstraete komt tot deze bevinding:
“Het lijkt eerder alsof de zaak
overgelaten wordt aan specialisten omdat de angst leeft om verkeerde of
ontoereikende tussenkomsten te doen. Men is bang voor
‘cultuurverschillen’ en taalproblemen, men vreest dat deze doelgroep
een enorme tijdsinvestering noodzaakt, van allochtonen wordt al te vaak
gedacht dat ze compleet anders zijn en dus ook een totaal andere
benadering vergen.”[9]
De doorverwijzing naar de specialist (vaak een
allochtone hulpverlener) heeft natuurlijk vele mogelijke consequenties.
De hulpvrager kan deze doorverwijzing zien als een teken van
incompetentie van de hulpverlener en eventueel bij uitbreiding van de
dienst. De nieuwe hulpverlener staat dan niet alleen geboekstaafd als
de cultuurspecialist, maar dient daarenboven terug een
vertrouwensrelatie op te bouwen. Deze ‘specialist’ kan/zal dan voor
torenhoge verwachtingen komen te staan vanwege de aard van de
doorverwijzing en de gedeelde groepsidentiteit met de cliënt. Indien
deze verwachtingen niet ingelost worden, zullen beide partijen de
problemen nodeloos
culturaliseren met alle gevolgen van dien: uitingen van
racisme, de hulpvrager ervaart verwerping van zijn engagement aan de
hulpverlener, …
Deze reactie is sterk gekleurd door de heersende
beeldvorming: “ze zijn zo anders, meneer”, en
bijgevolg kan ik ze niet begrijpen. Het verschil wordt gezien als een
onoverbrugbare kloof omdat de “ander” wordt gereduceerd tot een
statische, essentialistische en culturele identiteit. Dit is niet
alleen een ontkenning van de individuele diversiteit die in elke groep
voorkomt, de hulpverlener is tevens blind voor de vele
gemeenschappelijkheden die hen bindt. Deze houding staat elke
kwalitatieve begeleiding in de weg, daarenboven leidt deze perceptie
vaak tot een weigering tot het helpen van de cliënt, omdat hij te
“anders” is.
5.2. Becoming native
Een tweede type van reactie die Gailly (zie ook
Shadid, 2000) ontwaart, is het gefascineerd zijn door of angstig zijn
voor de andere waarop de hulpverlener reageert met “becoming
native”. Dit kan bereikt worden via verschillende
strategieën. De hulpverlener bevraagt de cliënt of tracht zich via
etnografische kennis in te leven. De eerste strategie, het bevragen van
de cliënt, houdt het gevaar in dat de hulpvrager gebombardeerd wordt
tot een culturele informant. De therapeutische relatie wijzigt hier
volledig: de hulpverlener wordt een hulpvrager (om een referentiekader
te kunnen opbouwen), wat bij de cliënt vaak aanleiding geeft om de
deskundigheid van de hulpverlener in twijfel te trekken.
Een andere strategie die hulpverleners toepassen
in deze situatie is zich beroepen op etnografische kennis. Op zich is
dit een goede reflex, het zorgt ervoor dat het referentiekader van de
hulpverlener verbreed wordt, zodat gerichte vragen een stuk
gemakkelijker gesteld kunnen worden. De kwaliteit van de bestaande
vormingen en vakliteratuur omtrent deze thematiek laat echter vaak te
wensen over (zie Gailly, Bulcaen, Verstraete, Blommaert,…):
"In veel van die boeken staan mooie
schemaatjes met aan de ene kant 'onze gewoontes' en aan de andere de
'andere gewoontes’. Als je daarvan uitgaat, creëer je gegarandeerd
misverstanden.”[10]
Deze schema’s neutraliseren misschien wel de
angst van de hulpverlener, maar om de hulpverlening op te bouwen zijn
dergelijke reducties ontoereikend. Hulpverlening is immers een zeer
precieze vorm van communicatie waarbij algemene groepsetiketten
onbruikbaar zijn om het gesprek op te stoelen. Daarenboven is de
etnografische kennis vaak eerder gebaseerd op een verouderd, verstard
en een gehomogeniseerd ideaalbeeld van een niet–westerse samenleving,
dan op de dagdagelijkse realiteit. De migratie(processen) en de
maatschappelijke positie en sociale realiteit van allochtonen in onze
maatschappij zijn vaak niet verwerkt in het gros van de vormingen.
Deze reacties zijn terug duidelijk gelieerd met
de maatschappelijke beeldvorming omtrent allochtonen. De ‘ander’ wordt
ook bij deze reacties gezien als iemand die volledig verschillend is.
Dit gegeven resulteert dan in angst (voor de “ander”, of angst om
zichzelf in vraag te stellen …) of onzekerheid om de begeleiding zomaar
aan te gaan. Shadid stelt dat net deze
“vrees een van de factoren is die
zowel de motivatie van mensen om met anderen om te gaan als de
effectiviteit van hun communicatie in belangrijke mate negatief kan
beïnvloeden. Dit komt doordat men dan onder andere te veel uitgaat van
bestaande stereotypen en vooroordelen over de groepen waartoe ze elkaar
rekenen.”[11]
De ”ander” is fundamenteel “anders”, dus moeten
we volledig anders gaan denken, is hier het motto. De “ander” is echter
niet fundamenteel “anders”, belangrijk te onthouden is dat “zij” hier
vaak opgegroeid zijn, hier al decennia leven of geboren zijn, hier
werken, hier naar school gegaan zijn. Dit geldt ook voor mensen die pas
in België aangekomen zijn. Natuurlijk zijn er verschillen, maar we
hebben meer gemeen dan we verschillen. Culturen maken geen volledig
nieuwe fundamenteel verschillende “volkeren”. De geschiedenis van de
mensheid is en zal altijd een geschiedenis van interculturele
uitwisseling zijn en zorgt voor een veel grotere gemeenschappelijkheid
dan vaak erkend wordt. Trouwens, de verschillen waar hulpverleners in
eerste instantie mee geconfronteerd worden situeren zich op het
individuele en familiale niveau en dat is nu eenmaal de kern van hun
job.
5.3. Ik begrijp de “andere”
De laatste reactie die Gailly ontwaart is het
ontkennen van de cultuurverschillen tussen hulpvrager en hulpverlener. “Ik
begrijp de 'andere' omdat hij dezelfde is als ik.” Deze
ontkenning zorgt ervoor dat de hulpvrager ook nooit “anders” kan zijn.
De begeleiding is dan ziende blind waardoor de slaagkans daalt.
Bepaalde thema’s komen niet meer aan bod: racisme en de positie van
migranten in onze samenleving, de migratie, religie, seksuele
mishandeling…
Gailly noemt dit een gevolg van de bescherming
tegen het spiegeleffect van “het anders–zijn”. De hulpverlener weigert
zijn waarden en normen te bevragen en ontwijkt zorgvuldig elke
confrontatie. Een perfect Nederlandstalige allochtoon zal dan al snel
gezien worden als toonbeeld van integratie en emancipatie in lijn met
het integratieparadigma. Dit gaat gepaard met de projectie van een
bepaald verwachtingspatroon op de cliënt dat zijn weerslag vindt in de
hulpverlening. De hulpvrager wordt dan een (identieke) “gelijke”. Er
lijkt bijgevolg van een “taalprobleem” geen sprake meer te zijn, immers
de communicatie is door de Nederlandse taal verzekerd. De diversiteit
in leefstijlen, wereldbeelden en (culturele) identiteiten, waarden en
normen wordt dan weggeredeneerd. Daarenboven gaat deze houding voorbij
aan het feit dat communicatie bepaald wordt door een hele resem aan
factoren (zoals taalbeheersing, non-verbale communicatie, sociale
denkbeelden, cultuur, …) die steeds misverstanden kunnen
bewerkstelligen ongeacht de voertaal.
Deze reactie van hulpverleners is vaak een
methode om racisme niet ter sprake te brengen zodat de begeleiding
rustig verloopt. Het is tevens een beschermende reactie ten aanzien van
de eigen identiteit van de hulpverlener. Deze reacties ontkennen immers
de diversiteit onder de bevolking en kunnen dus ook niet als basis
dienen voor een kwaliteitsvolle hulpverlening, die steeds dient te
differentiëren.
6. Beeldvorming en de
hulpvrager
De hulpvrager heeft natuurlijk ook bepaalde
attitudes en vooronderstellingen die zich zullen vertalen in het
gesprek. De groep hulpvragers is echter zo heterogeen dat het bijzonder
moeilijk is om hier een zinnig algemeen beeld te duiden. De cliënten
van de hulpverlening zijn immers afkomstig uit velerlei sociale groepen
in onze samenleving. Daarom spitsen we ons hier toe op enkele mogelijke
vormen van beeldvorming bij hulpvragers omtrent de hulpverlening. Het
eerste wat hierbij in het oog springt, is de relatieve onbekendheid van
het hulpverleningsaanbod bij bepaalde groepen in onze samenleving.
Volgens Sannen
[12] is dit het geval bij autochtone kansarmen,
woonwagenbewoners, allochtonen, mensen zonder papieren en
vluchtelingen. Deze onbekendheid kan een doorslaggevende rol spelen bij
een eerste contact (vaak op doorverwijzing) met het
hulpverleningsaanbod, aangezien de ‘fantasie’ over wat hulpverlening is
en hoe het werkt de vrije loop heeft.
6.1. Onbekendheid van de hulpverlening
Het beeld dat men vormt van de hulpverlening voor
en tijdens dit eerste contact zal medebepaald worden door de aanwezige
denkbeelden bij de hulpvrager en de wijze waarop de hulpverlener
hiermee omgaat. “Migranten” zijn bijvoorbeeld wel vertrouwd met de
huisdokter, weten van het bestaan van dienstverlening, maar zijn vaak
onbekend met de hulpverleningssector. Gailly stelt
dat
“In deze optiek (onbekendheid met de
hulpverlening en het wereldbeeld van de cliënt) de hulpverlener een
bron wordt voor allerlei fantasmen waarin hij met bepaalde universa
wordt geassocieerd. De westerse hulpverlener wordt dan een
getransformeerde identiteit van de alwetende dokter die onmiddellijk
genezing kan brengen (…).”[13]
Deze reactie toont een mengeling van twee
beelden: enerzijds de projectie van het beeld van de dokter die als een
techneut de oplossing kent voor alle problemen en anderzijds het beeld
dat ook psychische problemen opgelost kunnen worden door snelle
ingrepen (zoals een medicijn of zoals in de traditie van de religieuze
genezers). Indien dit beeld niet wordt bijgesteld
in de loop van dit eerste contact, zal de deskundigheid van de
hulpverlener afgemeten worden aan de hand van dit beeld. Een vragende
hulpverlener zonder directe remedie zal dan ook gezien kunnen worden
als weinig deskundig, met als gevolg dat de cliënt afhaakt. Dit kunnen
we omschrijven als een botsing van verschillende verwachtingspatronen
ten aanzien van de hulpverlening.
6.2 Beeldvorming en de constructie van de “ander”
Het hoeft echter niet te verwonderen dat de
algemene beeldvorming omtrent de verhoudingen tussen verschillende
groepen in onze samenleving ook bij de hulpvragers zal leven. De
hulpvragers leven immers ook in onze samenleving; toch kunnen er
verschillen in (positionering binnen de gangbare) beeldvorming optreden
naargelang de sociale netwerken van de cliënt. De “ander” denkt dus
vaak, in lijn met de dominante beeldvorming, ook in termen van “wij en
zij” en kan zichzelf definiëren als (fundamenteel) “anders”. Dit kan
aanleiding geven tot standpunten als “Belgen kunnen ons niet helpen
aangezien zij onze cultuur niet begrijpen”. Allochtonen zouden dan
enkel door allochtonen bediend kunnen worden. Dit is helemaal niet
eigen aan “het allochtoon-zijn”, maar is een courant verspreid beeld:
enkel vrouwen kunnen vrouwen begrijpen (‘mannen hebben immers geen
voeling met hun emoties’), kansarmen hekelen de beperktheid van
hulpverleners om zich in hun situatie in te leven, …
De herkenning van verschillen kan dus ook bij de
cliënt aanleiding geven tot weerstanden, wantrouwen of de perceptie van
een gebrek aan deskundigheid. Een 50-jarige man met een
drankproblematiek kan bijvoorbeeld weinig vertrouwen hebben in de
deskundigheid van een 25-jarige hulpverlener. Autochtone hulpvragers
weigeren soms om zich te laten begeleiden door een allochtone
hulpverlener. Hulpvragers zijn dus helemaal niet immuun tegen de
gangbare beeldvorming.
In lijn hiermee stelt Gailly dat de allochtone
hulpvrager de westers opgeleide hulpverlener zal associëren met modern
en rationeel. De allochtone hulpvrager heeft volgens Gailly vaak een
paradoxale verbondenheid met het modernisme enerzijds en de traditie
van het land van origine anderzijds. Op basis van de beeldvorming
omtrent allochtonen en autochtonen, kunnen eerstgenoemde ervan uitgaan
dat de hulpverleningsinstanties geen rekening zullen houden met en
respect zullen opbrengen voor hun “anders-zijn”, voor hun culturele
identiteit, gewoontes en tradities. De hulpverlening wordt hierbij dan
gereduceerd tot een symbool van de dominante Vlaamse cultuur die
vijandig staat ten aanzien van hun cultuur.
Ook woonwagenbewoners leven met de angst om
geassimileerd of geïntegreerd te worden in het burgerlijk leven. Dit
vindt volgens Thienpont & Vanobbergen zijn oorzaak in
“(…) hun geschiedenis die in grote
mate gekenmerkt wordt door een spiraal van afwijzing, waardoor een
vijandigheid tussen de nomadische en de sedentaire cultuur ontstond.”[14]
Bij (kansarme) autochtonen leeft vaak het idee
(in lijn met de gangbare beeldvorming) dat hulpverlening enkel voor
‘sukkelaars’ is of voor profiteurs. Beroep doen op dergelijke
organisaties betekent dan vaak “zichzelf verlagen” tot een andere
“categorie” van mensen.
Deze vormen van beeldvorming omtrent groepen in
de samenleving en de hulpverlening vormen niet alleen drempels om
beroep te doen op de hulpverlening, ze zullen een bepalende invloed
uitoefenen tijdens begeleidingen. Om dit verder te duiden, dienen we
het concept “macht” te introduceren.
6.3. Macht in beeld
Het beeld omtrent de macht van hulpverleners en
hun organisaties is een ander element dat bepalend kan/zal zijn in de
opbouw van een vertrouwensrelatie met de cliënt. De macht van
hulpverleners en organisaties verschilt in realiteit naargelang het
soort organisatie en de mandaten die daaraan gekoppeld zijn.
Organisaties als OCMW’s, sociale diensten van rechtbanken of een Comité
Bijzondere Jeugdzorg hebben bijvoorbeeld van staatswege een grote
structurele macht, die natuurlijk niet onbeperkt is. Zij dienen zich te
houden aan regelgeving, zij kunnen dus niet alles doen. Het beeld over
de macht van deze organisaties kan echter verschillen van de realiteit
en als +/- ongelimiteerd gezien worden. Dit beeld kan verschillende
consequenties hebben: ofwel vormt dit een zeer grote drempel aangezien
men deze (westerse middenklasse) organisaties wantrouwt. Mensen zonder
papieren zullen bijvoorbeeld vaak de stap naar deze instanties niet
zetten uit angst om aangegeven te worden. Anderzijds kan de hulpvrager
verwachten van deze organisaties dat zij de macht hebben om alles op te
lossen (ook wat buiten hun bevoegdheid of mogelijkheden valt). In dit
geval wordt de hulpverlener geconfronteerd met torenhoge (en vaak
onoplosbare) verwachtingen en elke weigering vanwege de hulpverlener
kan dan geïnterpreteerd als het niet willen helpen van de cliënt.
Daarnaast zijn er werkingen die budgetbegeleiding
of vormen van residentiële opvang aanbieden en hierdoor een grote
impact hebben op het leven van de cliënt en dus ook een grote macht
hebben over de cliënt. Deze moet vaak zijn/haar inkomen afstaan aan de
organisatie waardoor de cliënt zich vaak afhankelijk voelt ten aanzien
van de hulpverleners die zijn inkomen controleren. Daarenboven heeft de
hulpverlening in een residentiële setting in grote mate controle over
de invulling van het dagdagelijkse leven van de cliënt. Indien dit
beeld gekoppeld is aan het beeld van de hulpverlening als een westerse
middenklassenpraktijk dan kan de angst voor gedwongen assimilatie komen
bovendrijven.
De ambulante sector heeft in vergelijking met
voorgaande organisaties relatief weinig structurele macht, maar door
z’n deskundigheid bevindt ze zich ook in een machtspositie ten aanzien
van de cliënt. Deze deskundigheid, gekoppeld aan de gangbare
beeldvorming, kan ertoe leiden dat de cliënt bepaalde thema’s of
mogelijke oplossingsstrategieën niet zal aanhalen uit vrees
geconfronteerd te worden met de afkeuring van de hulpverlener.
Omgekeerd kan men ook sensationele thema’s aanhalen waarvan men weet
dat de gemiddelde hulpverlener er zal in meegaan. De problematiek
gedwongen uithuwelijking is hier een relatief courant voorbeeld van.
Het aanhalen van dit thema leidt bij hulpverleners vaak tot het idee
dat men die hulpvrager dient te helpen, het is dus een tamelijk zekere
ingangspoort tot de hulpverlening. Het kan echter zijn dat er andere
elementen verborgen zijn die de eigenlijke reden vormen om beroep te
doen op de hulpverlening.
6.4. De rol van beeldvorming in de hulpverleningspraktijk
Beeldvorming sluipt vaak ongemerkt binnen in de
hulpverlening. Dit gebeurt via verschillende wegen, enerzijds hebben we
de professionalisering van de hulpverleningsinstanties die gestoeld
zijn op bepaalde denkbeelden uit de midden en hogere klassen,
anderzijds brengen hulpverleners zelf hun denkbeelden in uit hun
sociale netwerken en opleidingen. Ook de hulpvragers brengen hun bagage
mee in de begeleiding. Naargelang de aard van deze beelden kan een
verschillend verloop onderscheiden worden van de begeleiding: Het is
dan belangrijk om in te zien dat
“interculturele communicatie in de
eerste plaats communicatie is en blijft, dat wil zeggen: variabiliteit,
aanpasbaarheid en onregelmatigheid, en dit alles sterk bepaald door de
concrete context waarin een communicatieproces verloopt.”[15]
Men dient de invloed van beeldvorming te erkennen
als een mogelijke factor bij een (intercultureel) hulpverleningsgesprek
doordat deze de uitkomst van de begeleiding mee kan bepalen.
Beeldvorming kan dus in elke communicatie een rol spelen en beperkt
zich dus niet tot interculturele situaties. De waarneming van het
“anders-zijn” en het toeschrijven van een bepaalde “andere” identiteit
gebeurt immers op grond van zichtbare kenmerken als de huidskleur,
etnische afkomst, geslacht, kledij, de naam, haarkleur, …. Deze
etiketten gaan hand in hand met bepaalde verwachtingspatronen ten
aanzien van de cliënt, die in de loop van het gesprek versterkt of
verzwakt kunnen worden.
Als hulpverlener is het dan ook van cruciaal
belang om zich bewust te zijn van deze verborgen dimensie die zal
meespelen in de begeleidingen. Hieronder geven we enkele mogelijke
aanbevelingen, suggesties en tips om de invloed van beeldvorming te
neutraliseren.
7. Enkele aanbevelingen
als besluit
Kwaliteitsvolle hulpverlening vertrekt vanuit de
leefwereld, de identiteit en de problematiek van de hulpvragers.
Hiervoor dienen hulpverleners zich te realiseren dat classificaties
(allochtonen, vrouwen, mannen, kansarmen) niet meer zijn dan
karikaturale schetsen van groep(sidentiteit)en en waardepatronen. Deze
classificaties worden vaak verkeerdelijk verheven tot centrale en enige
ordenende principes van een groep en zijn individuen. In het kader van
begeleidingen kan de toepassing van dergelijke classificaties
gemakkelijk leiden tot verwaarlozing van andere, niet-culturele
factoren die de communicatie beïnvloeden. Het betreft hier factoren als
de context waarin de communicatie plaatsvindt, de machtsverhoudingen
tussen de communicatiepartners en hun wederzijdse doeleinden en
verwachtingen. Groepsetiketten kunnen dus geen basis zijn om een
kwaliteitsvolle hulpverlening op te stoelen.
7.1.
Kennis
In die zin dient etnografische kennis steeds met
een kritische ingesteldheid benaderd te worden. Enerzijds kunnen deze
boeken zeer nuttig zijn om het referentiekader van de hulpverlener uit
te breiden, zodat het stellen van gerichte vragen een pak gemakkelijker
gaat. In deze context is er ook nood aan inzichten omtrent de
communicatiestijlen, gedragspatronen, de maatschappelijke positie en
familiale verhoudingen zoals zij voorkomen in de
migrantengemeenschappen in België. Hierbij dient men zich, voor de
hulpverlening, te richten op de verschuivingen door de
migratieprocessen en op intrapsychische reacties op cultuurmodellen en
wereldbeelden[16].
Net zoals thema’s die nauw verbonden zijn aan de werking van de
organisatie. Anderzijds zijn de populaire etnografische werken en
vormingen over culturen vaak te simplistisch om werkbaar te zijn in de
hulpverlening. Deze werken vertrekken veelal van een wij-zij-opdeling,
helaas is de realiteit niet zo simpel. Kritisch kiezen en lezen is dus
de boodschap.
Als achtergrondinformatie kan het interessant
zijn om zich te verdiepen in de literatuur. Ook romans van onze
allochtone schrijvers kunnen hiervoor nuttig zijn. We denken hierbij
aan werken van Anil Ramdas, Salman Rushdie, Abdelkader Benal, Kader
Abdollah, … Het is echter cruciaal om deze kennis steeds te gebruiken
als een te checken mogelijkheid en niet als een feit. Het
“alles-oplossend” karakter dat men toeschrijft aan etnografische kennis
is dus sterk overdreven en zal niet de wenselijke resultaten met zich
meebrengen. Het gemis aan deze kennis kan dus ook nooit als alibi of
excuus ingeroepen worden om niet te helpen. Ervaring is net een
bepalende factor in het leren omgaan met diversiteit, ervaring
“neutraliseert” als het ware de cultuurverschillen.
Het is noodzakelijk dat men de etnografische
kennis die men bezit expliciet maakt in het kader van een begeleiding.
Bulcaen suggereert hiervoor verschillende redenen: het toont erkenning
voor de cliënt, het is een vorm van samenvatting en herhaling van het
verhaal van de cliënt, het biedt de kans aan de cliënt om in te gaan
tegen het verhaal waardoor beeldvorming minder vat heeft op de
begeleiding, het kan een opening bieden tot een diepgaander gesprek
over familie en gezinssituatie, over de angsten en zorgen van de
cliënt. Dit levert tevens diepgaandere en betrouwbaarder inzichten op
dan de meeste populaire etnografische werkjes à la Pinto en konsoorten.
In lijn met het voorgaande dienen hulpverleners
competent te zijn/worden in het herkennen van verschillende
communicatiestijlen en communicatiekanalen die mensen gebruiken en
dienen ze hierop te kunnen inspelen met het aanpassen van de eigen
communicatie(stijlen). Taalproblemen beperken zich niet tot het spreken
van de taal of niet. De variant van het Nederlands, de rijkdom van
woordenschat, de spreekstijl, de taalstrategieën zijn allen elementen
die tot interpretatiefouten kunnen leiden. Het herkennen van de
communicatiestijl en -kanalen is dus cruciaal wil de hulpverlener de
werkelijke betekenis van het gezegde achterhalen. Diversifiëren in de
eigen communicatie is hierbij een noodzakelijk instrument. Dit kan aan
de hand van het ophalen van specifieke thema’s op strategische momenten
(zoals maatschappelijk positie, overlevingstrategieën,
migratiegeschiedenis en culturele identiteit). Technieken zoals
vertellen van “gelijkaardige situaties” waar het zo en zo gegaan is,
kunnen ook zeer werkbare instrumenten zijn in een begeleiding. In deze
context kan je ook aan “other-referencing” doen,
waarbij men de cliënt aanspoort om te zoeken naar de
oplossingsstrategieën die lotgenoten hanteren in dergelijke situaties.
7.2. Methodisch
Het introductiemoment is vaak een belangrijk
moment voor de hulpverlening. Hierbij wordt aangeraden om de werking
van de instelling uitvoerig te duiden. Dit om de mogelijke foutieve
beeldvorming over de instelling onmiddellijk tegen te werken. Hierbij
is het belangrijk te vermelden wat het aanbod is van de organisatie,
hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de voorwaarden zijn om er
beroep op te doen. Tevens is het belangrijk te melden aan de cliënt wie
jij bent, wat je doet in de organisatie, wat het betekent om een beroep
te doen op hulpverlening en hoe men tracht via en met de cliënt op zoek
te gaan naar een oplossing. Indien er een tolk aanwezig is dient men te
vermelden dat ook hij/zij aan discretieplicht verbonden en neutraal is.
Voert men een diversiteitsbeleid en/of antidiscriminatiebeleid, dan kan
het vermelden hiervan op een gepast tijdstip aan de cliënt zeker geen
kwaad; integendeel. Daarenboven is het belangrijk te signaleren dat
hulpverleners gebonden zijn aan beroepsgeheim en dat de cliënt het
recht op inzage heeft in zijn dossier.
De methodieken en de visie van de hulpverlener op
zichzelf en de cliënten dienen gekenmerkt te zijn door voldoende
openheid zodat men de (individuele) diversiteit weet te (h)erkennen en
mee op te nemen in de begeleiding. In die zin dienen hulpverleners zich
bewust te zijn van de gekleurdheid van hun professionele traditie. Deze
gekleurdheid kan er immers toe leiden dat bepaalde (groepen) cliënten
zich niet thuis voelen in de begeleiding.
De hulpverlening kan dus niet per definitie
vertrekken vanuit een bestaand aanbod, een soort oplossingenboek (aan
methodieken en thema’s). “Er dient in de
hulpverlening steeds de nodige ruimte en aandacht te zijn om met de
cliënt over de meest gepaste methodieken en strategieën te negotiëren”[17].
Hiervoor dient er een blijvende en grondige aandacht te gaan naar
empathie en de verscheidenheid aan perspectieven waarmee mensen
zichzelf en hun omgeving benaderen. Zo kan men de invloed van het
westerse normen- en waardenpatroon waarop de hulpverlening gestoeld is
enigszins trachten te neutraliseren.
Gailly spreekt hierbij over het belang dat het
meta-culturele in de hulpverlening kan hebben. Dit dient natuurlijk
aangebracht te worden in situaties die zich hiertoe lenen.
Meta–culturele therapie houdt in dat er therapie gegeven wordt over het
fenomeen “cultuur”, over de functies die cultuur universeel vervult, en
over de relatie van personen met hun referentiegroep. Hierbij dient men
voldoende aandacht te besteden aan het aspect van migratie en de
gevolgen daarvan voor de beleving van zichzelf en de (Belgische)
samenleving. Ook wederzijdse beeldvorming kan hierbij een gespreksitem
zijn dat zeer ontmantelend kan werken in bv. verhitte situaties. Het
aanhalen van beeldvorming geeft de hulpverlener de kans om zich bewust
te worden van aanwezige overtuigingen bij de cliënt en de hulpverlener
kan zijn/haar opvattingen toetsen bij de hulpvrager. Dit is
bijvoorbeeld aangewezen wanneer men een cliënt doorverwijst naar een
andere soort dienst. Om te anticiperen op de beeldvorming van de
hulpvrager is het aangewezen om een zeer duidelijk beeld te schetsen
over het hoe en waarom van deze doorverwijzing. Daarnaast is het ook
aangeraden om deze nieuwe dienst uitvoerig te behandelen zodat elke
wie, hoe, wat, hoeveel kost, … van een antwoord voorzien is. Afsluitend
kan men dan vragen opwerpen als “hoe voel je je daar bij?”,
“zie je dit zitten?”, “denk je
dat dit kan helpen?” of “wat roept dit op bij je?”.
7.3. Houding en vaardigheden
De houding van de hulpverlener is van cruciaal
belang voor het slagen van de begeleidingen. Dit is helemaal geen
gemakkelijke opdracht! Hulpverleners dienen zowat van alle markten
thuis te zijn om de diverse vragen en problematieken van een zeer
divers publiek van een ‘antwoord’ te voorzien. De kijk en houding van
de hulpverlener zal hierbij van primordiaal belang zijn. Shadid stelt
dat dit het best gebeurt vanuit het “derde perspectief” waarbij men
redeneert vanuit een inclusief “wij” dat ruimte laat voor verschil en
gemeenschappelijkheden. Dit perspectief is per definitie niet
etnocentrisch, op zichzelf gericht of “becoming native”
waarbij men volledig probeert op te gaan in de “ander”. Het is een
overkoepeld perspectief dat ruimte laat voor het zien en laten uiten
van diversiteit, dat begrip opbrengt zonder dat dit gepaard gaat met
het per definitie goed- of afkeuren en dat zowel gemeenschappelijkheden
als verschillen in het vizier houdt.
Hierbij heeft men nood aan de motivatie,
vaardigheden en kennis om deze job tot een goed einde te brengen. Met
de woorden van Shadid klinkt het als volgt:
“Het hebben van kennis over anderen
en hun cultuur zonder over vaardigheden te beschikken om deze kennis in
de praktijk te brengen is namelijk sociaal nutteloos. Daarnaast kunnen
dergelijke vaardigheden niet worden verworven zonder kennis te hebben
van de eisen en beperkingen die de cultuur of situatie stelt.”[18]
7.4. Organisatorisch
Het hoeft geen betoog dat dit niet alleen een
taak kan zijn van de individuele hulpverlener; de organisatie dient de
noodzakelijke context te scheppen om deze taak te volbrengen. De keuze
voor het voeren van een gedegen diversiteitsbeleid kan hierbij van
cruciaal belang zijn. Dit beleid is een integraal organisatiebeleid en
behelst dus zowel het management, het personeelsbeleid, de interne en
externe communicatie en het “product”. Enkele doelstellingen van dit
beleid luiden als volgt: de organisatie houdt actief rekening met
diversiteit als cruciaal element van de kwaliteitszorg en het
personeelsbeleid. Hierbij streeft men naar een diverse
personeelssamenstelling van de organisatie op elk niveau, zodat de
organisatie een afspiegeling wordt van de diversiteit van de
samenleving (gerelateerd aan de arbeidsmarkt of de afzetmarkt). Dit
brengt onder andere een veel grotere herkenbaarheid met zich mee voor
de verschillende doelgroepen. Een divers personeelsbestand zorgt er
niet alleen voor dat er nieuwe competenties binnengebracht worden, er
zullen ook nieuwe competenties ontstaan in de organisatie. Dit dient te
gebeuren binnen een organisatiecultuur waar de aandacht en het respect
voor diversiteit een inherent onderdeel zijn. “Het is normaal dat we
rekening houden met diversiteit” is dan het motto! Een aangenaam
werkklimaat bevordert immers de kwaliteit van het werken, zowel naar
werkresultaten als voor de betrokken personeelsleden. Zo kunnen de
sterktes van iedereen benut worden. Het ultieme doel van een
hulpverleningsorganisatie is dat alle cliënten kwalitatief evengoed
geholpen worden ongeacht hun religie, cultuur, geslacht, fysieke
kenmerken, etc.
De arbeidsomstandigheden zijn hiervoor van
cruciaal belang. Hulpverlening is een zeer moeilijke en complexe
opdracht die bijgevolg vaak veel tijd, moeite en reflectie vergt. Te
grote tijdsdruk en onderbezetting zijn hiervoor nefast. Ook het
subsidiesysteem en/of regelgeving kunnen ervoor zorgen dat bepaalde
mensen uitgesloten worden. Vaak is het bv. zo dat mensen zonder
papieren geen beroep kunnen doen op de hulpverlening. Nochtans heeft
iedereen volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
(artikel 25) recht op gezondheidszorg, ook mensen zonder papieren.
Organisaties hebben hier dan ook een opdracht te vervullen naar de
subsidiërende en regelgevende instanties toe.
De organisatie dient voor het personeel de
mogelijkheid en ruimte te scheppen zodat hulpverleners de kans krijgen
om zich te ontplooien en bij te scholen. Een aangepast en stimulerend
vormingsbeleid is één factor die hiertoe bij kan dragen. Belangrijk is
dat deze vormingen vertrekken van de stelregel dat alle kennis een
mogelijkheid is en nooit als een vaststaand feit gebruikt kan worden in
de hulpverlening. Checken met de cliënt blijft de boodschap. Vormingen
dienen te vertrekken van een ‘ derde perspectief’ en kunnen dan
aandacht besteden aan thema’s als:
1° Beeldvorming en racisme in de Vlaamse
maatschappij.
2° Beeldvorming in de hulpverlening.
3° (Interculturele) communicatie en
hulpverlening.
4° Algemene normen en waarden met betrekking
tot zaken als familierelaties, gastvrijheid, beleefdheid, vriendschap,
de verhouding tussen mannen en vrouwen, ouders en kinderen, de
machtsafstand tussen hoger en lager geplaatsten en de religieuze
voorschriften in de betreffende groepscultuur. Ook aspecten die te
maken hebben met communicatie dienen hier besproken te worden.
5° De invloed van migratieprocessen op het
intrapsychische en intrafamiliale relaties.
6° De sociaal-economische en culturele
heterogeniteit binnen de groep in relatie met de algemene
sociaal-economische en juridische positie van de groep verdient de
nodige aandacht. Het gaat hier voornamelijk over de positie van de
betreffende groep(en) in verschillende sectoren van de samenleving: de
arbeidsmarkt, de huisvesting, het onderwijs, de politiek, de wetgeving,
en de maatschappelijke acceptatie in de samenleving. De
maatschappelijke positie heeft namelijk vele gevolgen voor de
toekomstmogelijkheden en verwachtingen van de leden van deze groepen
evenals voor de hulpverlening (zie Shadid, 2000).
Ook interne kruisbestuiving van competenties
dient aangemoedigd te worden. Intervisie of supervisiegroepen kunnen
hierbij een handig instrument zijn, net zoals uitgebreide netwerken.
Samenwerkingsverbanden aangaan met zelforganisaties, stedelijke
diensten en moskeeën is een meerwaarde voor elke
hulpverleningsinstantie. Als afsluiter kunnen we stellen dat
organisaties de taak hebben om een werkcontext te scheppen, die ervoor
zorgt dat hulpverleners de ruimte, tijd en ondersteuning krijgen om hun
taken tot een goed einde te brengen.
___________________________________
Tolk– en Vertaalservice Gent, Vzw
stelt niet alleen tolken en vertalers ter beschikking van andere
welzijnsorganisaties en –diensten gelegen in Groot -Gent, TgV begeleidt
en ondersteunt tevens organisaties op dit grondgebied bij het opstarten
en implementeren van een diversiteitbeleid. Voor meer informatie zie: www.gent.be/tgv
Noten:
* De inleiding, het hoofdstuk
'communicatie en interactie' alsook enkele aanbevelingen zijn gebaseerd
op Bulcaen C. & Blommaert J., 1997: Eindrapport.
V.F.I.K.-Project 307. “Begeleiding van migrantenvrouwen en
–meisjes in centra voor residentieel welzijnswerk".
[2] Prins, B. (2000), ibidem.
[4] Verstraete G. & Pinxten R.: Het
oude slot en zijn nieuwe bewakers. Geraadpleegd op http://www.acsim.be/,
onder publicaties op 1/06/2004.
[5] De Mot in: Opdebeeck S., Van
Audenhove Ch. & Lammertyn F. (red.) 1998: De
toegankelijkheid van voorzieningen in de welzijns –en gezondheidszorg.
Visies uit de praktijk, het onderzoek en het beleid, Lucas/K.U. Leuven.
Geciteerd in Sannen L., 2003: Drempels naar
welzijnsvoorzieningen: De cliënt aan het woord. Hiva Leuven.
[6] Zie onder andere Bulcaen C.
& Blommaert J., 1997: Eindrapport. V.F.I.K.-Project
307. “Begeleiding van migrantenvrouwen en – meisjes in centra
voor residentieel welzijnswerk", p. 15
[7] Bulcaen C. & Blommaert J.,
1997, ibidem.
[8] Gailly A., 1998: Cultuur
en communicatie. Uit De Muynck, A. & Timmerman C.
& Straetemans H. (red.), 1998: Interculturele
communicatie in de gezondheidszorg, Acco, Leuven.
[9] Verstraete G. 1997: Veelkleurendruk
in de organisatie van de hulpverlening. Uit Debruyne K
& Mampuys J (red.), 1997: Wie slechts één samenleving kent ,
kent ook die niet: vijf jaar ervaring in de hulpverlening aan
allochtonen.
[10] Bulcaen, C. 2000: De tolk
heeft het gedaan. in: Weliswaar. Welzijnsmagazine voor
Vlaanderen, nr. 25, februari-maart 2000, pp. 10-11.
[12] Sannen L., 2003: Drempels
naar welzijnsvoorzieningen: De cliënt aan het woord. Hiva
Leuven
[13] Gailly A., 1998: Cultuur
en communicatie. Uit De Muynck, A. & Timmerman C.
& Straetemans H. (red.), 1998: Interculturele
communicatie in de gezondheidszorg, Acco, Leuven.
[14] Thienpont & Vanobbergen,
2001: Beleidsplan VOW 1997-2002.
[15] Blommaert J, 1995:
Interculturele communicatie in de sector, gepubliceerd in
Vonk 24/4: p. 32 –38; op
deze site.
[16] Bulcaen C. & Blommaert J.,
1997: Eindrapport. V.F.I.K.-Project 307.
“Begeleiding van migrantenvrouwen en – meisjes in centra voor
residentieel welzijnswerk".
[17] Zie Verstraete G.: Naar
een interculturalisering van het welzijnswerk. Zie website: http://www.acsim.be/
geraadpleegd onder publicaties op 1/06/2004.