|
Het hoofddoekendebat toont aan dat ondanks jaren van 'verlichting' en
'secularisering' onze samenleving nog niet klaar is met het thema
religie.
Onze democratische rechtstaat heeft zich inderdaad pas kunnen
ontwikkelen nadat God als transcendente legitimering voor het
staatsgezag aan de kant was gezet. Maar de vraag blijft hoe zo'n
moderne samenleving plaats kan maken voor mensen die wel nog belang
hechten aan hun religieuze opvattingen - ook in de publieke ruimte.
Sommige atheïsten en vrijzinnigen lijken nog niet goed door te hebben
dat een neutrale democratische rechtstaat niet hetzelfde is als een 'secularistische'
staat, een staat die een seculiere levenshouding promoot en
godsdiensten wil uitbannen. De uitspraak van Etienne Vermeersch - "Hoe
beter de moslima's met hoofddoek hun werk doen, hoe gevaarlijker" (DS
28 november) - lijkt me hiervan een prangend en in de huidige
gepolariseerde context ook een spijtig voorbeeld. Vermeersch
veronderstelt dat de verspreiding van religie sowieso een slechte zaak
is en dat de verspreiding van de islam dat nog meer is. Hij vertrekt
bovendien van een essentialistische opvatting over religie en negeert
elke mogelijkheid dat de betekenis van oude religieuze opvattingen en
symbolen doorheen de tijd en onder druk van de context kunnen
wijzigen. Maar zo'n essentialistisch beeld over godsdienst is in
tegenspraak met de sociologie en de geschiedenis van religies en met
heel wat kritische theologie. De hoofddoek reduceren tot een zaak van
de zevende eeuw lijkt me dan ook niet de juiste invalshoek om hierover
te debatteren, gelet op de evoluties die de betekenis van de hoofddoek
tot op vandaag doormaakt.
Zolang atheïsten ervan blijven uitgaan dat religieuze tradities
anachronistische overblijfselen zijn uit een pre-modern tijdperk,
kunnen we niet veel vooruitgang in de discussie verwachten.
Godsdienstvrijheid en tolerantie verdedigen lijkt dan een beetje op
het werk van een archeoloog. De overblijfselen uit het verleden moeten
bewaard worden zonder dat die resten op vandaag enige andere betekenis
hebben dan de herinnering aan een verleden levendig te houden. Het
hoeft weinig betoog dat gelovigen zich op die manier niet erkend
voelen. Er dringt zich dus een nieuwe benaderingswijze op die we in de
woorden van de filosoof Jürgen Habermas als een postseculiere
instelling zouden kunnen typeren. Die benaderingswijze vereist, met
name van heel wat traditionele vrijzinnigen, een moeilijke mentale
omslag.
In het hoofddoekendebat, maar eigenlijk telkens wanneer gelovigen als
gelovigen de publieke ruimte betreden, wordt heel dikwijls het grote
principe van de scheiding tussen kerk en staat uit de kast gehaald.
Maar het kan niet genoeg benadrukt worden dat zowel filosofisch als
historisch gezien de neutraliteit van de staat en de scheiding tussen
kerk en staat principes zijn die juist recht willen doen aan
pluralisme en godsdienstvrijheid, en religieuze (minderheids)groepen
precies een plaats in de samenleving willen geven. Ze hebben als doel
de gewetensvrijheid en een diversiteit aan levensbeschouwingen in de
samenleving te beschermen.
Vanuit deze achtergrond kan evengoed gestreefd worden naar een
samenleving die zich organiseert onder het motto: pluralisme waar het
kan, neutraliteit waar het moet. Zolang het uiten van de religieuze of
culturele identiteit niet negatief interfereert met de werking en het
doel van een sociale praktijk, moet die sociale praktijk die
identiteiten toelaten in plaats van ze te weren. Het is vanuit die
gedachte niet eenvoudig om een zinvol argument te vinden dat het
Antwerpse en Gentse verbod op het dragen van religieuze, filosofische
en politieke kentekenen zou ondersteunen.
Bovendien worden de scheiding tussen kerk en staat en de neutraliteit
van de overheid te pas en te onpas in verband gebracht met de
zogenaamde privatisering van het geloof: geloof moet een private
aangelegenheid zijn. Maar dat wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd. De
'keuze' die mensen voor of tegen een bepaalde levensbeschouwing maken,
is inderdaad een kwestie van persoonlijke gewetensvrijheid. Maar dat
betekent niet dat de levensbeschouwing zelf een privézaak moet zijn.
De levensbeschouwelijke overtuiging kan wel degelijk sociale,
politieke en maatschappelijke consequenties hebben. Het is eigen aan
heel wat levensbeschouwingen dat ze zich niet beperken tot de
persoonlijke levenssfeer. De 'aanwezigheid' van de islam in de
westerse samenleving is daar een duidelijk voorbeeld van, maar lang
niet het enige. Levensbeschouwingen kunnen het hele denken en handelen
van mensen doordringen en zijn vaak bepalend voor hun (morele)
identiteit.
De huidige discussie toont aan dat er eigenlijk een filosofische en
sociaal-politieke urgentie bestaat om het thema van de religie
opnieuw, maar graag met de nodige nuance, ter sprake te brengen. Het
lijkt er sterk op dat het steeds problematischer is voor een
geseculariseerde samenleving om te begrijpen wat het betekent om
gelovig te zijn. Religie wordt op basis van een eenzijdige
interpretatie van verlichting naar het private (keuze)domein
verbannen, elke publieke manifestatie van religie wordt
geproblematiseerd, en dat terwijl voor veel gelovigen het beleven van
religie helemaal geen private aangelegenheid is.
In het licht van de realiteit van onze multiculturele samenleving is
dit alles van bijzonder belang. In een wijdverspreid discours dat
zowel door extreemrechts als door humanistische verlichtingsadepten
(sommigen spreken zelfs van verlichtingsfundamentalisten) gebruikt
wordt, is religie (lees de islam) de kop van Jut. Gelovigen worden
gestigmatiseerd, worden 'achterlijk' genoemd en zouden zich schuldig
maken aan irrationeel gedrag. Religie zou verdeeldheid creëren, de
integratie van minderheden in de weg staan, de democratische
beginselen onder druk zetten en indruisen tegen de mensenrechten. En
hiermee lijkt alles gezegd. Maar niets is minder waar.
Er zal ongetwijfeld een spanningsrelatie blijven bestaan tussen
religie en de liberale democratie. Alleen worden nu, in het heetst van
de strijd, heel wat nuances niet gethematiseerd, en het is belangrijk
om die nuances terug te vinden. Volgend inzicht en engagement is
hierbij belangrijk: we moeten niet zozeer ten strijde trekken tegen
geloof en religie - een polariserende gedachte die in diverse kringen
bon ton is - maar in de eerste plaats op zoek gaan naar een manier om
het geloof opnieuw te begrijpen om van daaruit met gelovigen te kunnen
omgaan, binnen de context van de (post)seculiere, democratische,
multiculturele samenleving waarin we leven.
Patrick Loobuyck is moraalfilosoof verbonden aan de Universiteit
Antwerpen en de Universiteit Gent. |