De ‘herpositionering’
van het migratie- en migrantendebat
Dr. Patrick Loobuyck
(Doctor-assistent Wijsbegeerte en
Moraalwetenschap, UGent)
|
|
Verschenen in Samenleving en Politiek,
11 (2004) 9: 21-29 (
http://users.pandora.be/samenleving-en-politiek ).
Het debat over migratie en de
multiculturele samenleving kende de afgelopen maanden een revival. Er
waren de uitspraken van de Minister van Binnenlandse Zaken Patrick
Dewael over de hoofddoeken en de minderwaardigheid van de Islam, er was
discussie over het verbieden van burka’s, Mieke Vogels plaatste de
familiemigratie van ouders van allochtonen op de agenda en er was
kardinaal Danneels die herhaalde dat het tijd werd dat de Islam een
Verlichting kende.
Misplaatste focus op onze universele
normen en waarden
Het is in deze context dat
VLD-voorzitter Bart Somers wordt geïnterviewd door de krant De
Morgen. In het maandaginterview van 11
oktober 2004 formuleert hij dapper zijn visie op onze multiculturele
samenleving. De journalisten van De Morgen
zijn bijzonder enthousiast over het interview: ze stellen dat Somers
zijn partij ‘herpositioneert’ in het migrantendebat. En twee dagen later
lezen we in Pauli’s pen in
dezelfde krant dat Somers met dergelijke interviews bewijst dat hij een
‘toppoliticus’ is en dat hij het debat ‘intelligent’ en ‘juist’ voert.
Ik had anders wel verschillende
bedenkingen bij het lezen van het Somersinterview. Zo blijft men in het
VLD-discours over de multiculturele samenleving (ingegeven door de
teksten van de Nederlandse rechtsfilosoof en columnist Paul Cliteur[1])
zich vastpinnen op de aanpassing aan onze normen en waarden. Dit is
gevaarlijk omwille van twee redenen. Ten eerste geeft men de indruk dat
alle allochtonen en nieuwkomers onze grondwettelijke waarden maar niets
vinden en deze voorstelling van zaken strookt helemaal niet met de
werkelijkheid. Ten tweede stelt men het voor alsof de multiculturele
samenleving probleemloos zal zijn eenmaal de allochtonen ‘onze
universele’ waarden onderschrijven. Iedereen weet dat dit niet het geval
is. Het opgeven van de eigen religieuze, culturele identiteit staat nog
niet gelijk met integratie en omgekeerd hoeft het behoud van die
identiteit de integratie niet in de weg te staan.[2]
De achterstellingsmechanismen waar allochtone kinderen en vrouwen mee
geconfronteerd worden in het onderwijs en op de arbeidsmarkt zullen niet
verdwijnen eenmaal Marokkaanse meisjes geen hoofddoek meer zouden
dragen. Er wordt in het huidig discours bijzonder veel nadruk gelegd op
de verantwoordelijkheid van het individu dat een bepaalde cultuur en
religie met bijhorende waarden en praktijken kan verkiezen of verwerpen.
Hierdoor blijven structurele elementen die het individuele en
cultureel-religieuze niveau overstijgen buiten schot. Wie wil streven
naar een rechtvaardige multiculturele samenleving moet zijn pijlen dan
ook niet alleen richten op het debat over normen en waarden, maar ook op
de structurele mechanismen die een evenwaardige participatie en
emancipatie van een groep mensen in de weg staan.
Het is goed dat men duidelijk stelt dat
de liberaal-democratische rechtsstaat het kader is waarbinnen de
multiculturele samenleving zich moet ontplooien. Praktijken en
opvattingen die de rechten die deze rechtsstaat verdedigt in vraag
stellen, kunnen niet getolereerd worden. Maar die liberale rechtsstaat
is niet enkel de grens van de multiculturele samenleving, ze is ook de
voorwaarde[3].
Huwelijksmigratie als uitdaging en engagement[4]
Een ander thema dat in het genoemde
interview wordt aangesneden, is de huwelijksmigratie in de Turkse en
Marokkaanse gemeenschap. Sinds kort is er een groeiend besef dat die
immigratie geen uitdovend fenomeen is, integendeel. Dit gaat in tegen de
verwachting dat naarmate mensen langer in de immigratiesamenleving zijn,
er meer kans is dat ze huwen met iemand van die immigratiesamenleving.
Dit blijkt echter niet zo te zijn, ook niet bij de allochtonen die hier
geboren en getogen zijn. Deze blijvende immigratierealiteit wordt echter
steeds meer geproblematiseerd, zo ook door Somers. Hierbij gooit hij wel
één en ander door elkaar, wat het debat dat hij wil voeren niet ten
goede komt.
Somers
schrijft dat 75% van de vrouwen een huwelijkspartner in Marokko vindt,
maar dat je hem niet moet wijsmaken dat deze huwelijken iets met liefde
te maken hebben. Deze huwelijken zouden allemaal het resultaat zijn van
tradities en gebruiken die met harde hand in stand gehouden worden.
Onmiddellijk daarna laat hij noteren dat de geslachtsdaad van de eerste
huwelijksnacht bij een gedwongen huwelijk verkrachting is. Hiermee wekt
hij, zoals zo vaak gebeurt, de indruk dat elk huwelijk van een
allochtoon met iemand uit het land van herkomst een gedwongen huwelijk
is. En op de vraag of we huwelijken met vreemdelingen kunnen verbieden,
antwoordt hij meteen dat we schijnhuwelijken moeten aanpakken!
Migratiehuwelijken zijn
niet noodzakelijk gedwongen of schijnhuwelijken
Vooreerst is het onduidelijk waarom Somers het enkel over de Marokkaanse
meisjes heeft (het cijfer klopt trouwens niet en ligt beduidend lager),
gezien zowel in België als in Nederland het percentage Turkse en
Marokkaanse mannen dat huwt met een partner uit het land van herkomst
hoger ligt dan dat van de Marokkaanse meisjes.[5]
Maar dit terzijde.
Wie
echter het debat over huwelijksmigratie wil aangaan, moet goed weten dat
er een essentieel onderscheid bestaat tussen gearrangeerde huwelijken,
gedwongen huwelijken en schijnhuwelijken. Bij het huwelijk met iemand
uit het land van herkomst spelen de ouders en familie inderdaad dikwijls
een belangrijke rol, hetzij als initiatiefnemer, hetzij als raadgever.
Jongeren eisen echter wel steeds meer het recht op om de voorgestelde
partners te weigeren. Dat huwelijken tot op zekere hoogte gearrangeerd
zijn, sluit niet uit dat de partners in kwestie het laatste woord hebben
over de partnerkeuze. Gearrangeerd-gedwongen huwelijken, waarbij
minimale of geen inspraak van de betrokken partners wordt geduld,
verliezen terrein, zowel in de migrantengemeenschappen hier als in de
landen van herkomst.
Veel
migratiehuwelijken hebben op de één of andere manier een gearrangeerde
karakter, maar zijn daarom geenszins gedwongen huwelijken, laat staan
schijnhuwelijken. Er is pas sprake van een schijnhuwelijk als iemand in
het huwelijk treedt enkel omwille van andere redenen dan het huwelijk
zelf – bijvoorbeeld om op die manier een verblijfsvergunning in België
te verkrijgen. Het bestaan van schijnhuwelijken kan niet worden ontkend,
al gaat het toch om een minderheid.
Somers
stelt het voor alsof alle meisjes uit de Turkse of Marokkaanse
gemeenschap die huwen met een partner uit het land van herkomst dit doen
onder dwang van de traditie. Uit onderzoek echter blijkt dit niet te
kloppen.[6]
Partnerkeuze in het land van herkomst is niet louter een zaak van
niet-geëmancipeerde meisjes die onder druk handelen van hun familie en
traditie. In tegendeel zelfs. Heel wat allochtone meisjes voelen zich
niet aangetrokken tot allochtone jongens omdat die jongens te
traditioneel zijn, een slechte opleiding hebben, vaak werkloos zijn en
geen vertrouwen uitstralen. Maar ook omgekeerd hebben allochtone meisjes
in de ogen van de allochtone jongens een slechte naam: ze zouden te
vrijgevochten, te zelfstandig en te modern zijn. Ze kunnen die meisjes
moeilijk voorstellen als de moeder van hun kinderen en schoondochter van
hun ouders. Er bestaat dus een ‘kloof tussen de seksen’.[7]
Bovendien bestaat er een vrij grote huwelijksmarkt in het land van
herkomst. In de streken van waar de meeste Turkse migranten afkomstig
zijn, is de migratiedruk immers nog steeds hoog. Dit geldt ook voor de
Maghreblanden. Deze landen kennen een demografische groei die de
capaciteit van de arbeidsmarkt daar ruimschoots overstijgt. Dit
resulteert nu al in hoge werkloosheidscijfer en de meeste jongeren van
de voorbije babyboom moeten nog op de arbeidsmarkt komen.[8]
Het Europees migratiebeleid zorgt ervoor dat huwelijksmigratie voor
velen de enige legale mogelijkheid is om door emigratie hun
sociaal-economische positie te verbeteren. Door de directe sociale
banden die er nog bestaan met het land van herkomst, komen de
allochtonen hier onder druk te staan, dikwijls van ouders en familie, om
in naam van de ‘familiesolidariteit’ en ‘huwelijkstradities’ te huwen
met een ‘achterblijver’ in het land van herkomst.[9]
Daar
komt nog eens bij dat allochtonen in het immigratieland een vrij
positief beeld hebben van potentiële partners in het land van herkomst.
Vooral de Turkse meisjes geven te kennen dat ze de jongens in de
herkomstlanden openen, rustiger, beter geschoold en oprechter vinden dan
de jongens uit de eigen etnische gemeenschap hier. Een huwelijk met een
partner uit het land van herkomst kan het meisje ook helpen om aan de
traditionele gezinsstructuren te ontsnappen. Door niet met een partner
uit de lokale gemeenschap te huwen, wordt het onmogelijk om bij de
schoonouders in te wonen – wat gebruikelijk is wanneer men huwt met een
partner uit de etnische gemeenschap. Door een migratiehuwelijk kan de
vrouw de (traditionele inmenging van de) schoonfamilie op een veilige
afstand houden.[10]
Bovendien heeft de vrouw op die manier de sleutel in handen om de
traditionele machtsverhoudingen tussen man en vrouw in haar voordeel te
doorbreken. Dikwijls staat de man uit het land van herkomst immers
zwakker en is afhankelijk van zijn echtgenote.[11]
Zij bezit immers kennis van de taal, kennis van de gastsamenleving,
dikwijls heeft ze gestudeerd en heeft ze een job. De zaken zijn dus
complexer en genuanceerder dan Somers het voorstelt.
Immigratiesamenleving
Volgens
het NIS telde België in 2002 70.230 nieuwkomers van vreemde origine
waarvan meer dan 30.000 nieuwkomers onderdaan zijn van een andere
EU-lidstaat. Het migratiesaldo (immigratie minus emigratie) was dat jaar
31.092. In 2002 kende België een immigratiecijfer van 3.872 Turken en
8.495 Marokkanen.[12]
Het grootste gedeelte komt het kader van familiemigratie.[13]
Deze omvat zowel de huwelijksmigratie als de gezinshereniging van
kinderen en ouders. Een belangrijk percentage van de nieuwkomers zijn
huwelijksmigranten gezien het aantal nieuwkomers onder 18 jaar vrij laag
ligt en de grootste groep nieuwkomers zich in de huwbare leeftijdsgroep
van 20 tot 39 jaar bevindt, met een duidelijke piek bij de twintigers.
Er is ook een stijgend aantal oudere mensen dat naar hier migreert, maar
de cijfers zijn niet dermate spectaculair dat deze mensen meteen een
bedreiging voor onze verzorgingsstaat zouden betekenen. In 2002
immigreerden 338 Turkse en 640 Marokkaanse zestigplussers. (NIS)
Als
Somers gevraagd wordt naar de plichten van de gastsamenleving komt hij
niet verder dan te wijzen op de plicht van de allochtonen om onze
universele waarden en onze taal aan te leren. Goed, maar de vraag was of
wij als samenleving ook geen plichten hebben tegenover de
nieuwkomers die naar hier komen in het kader van gezinsvorming. Op dit
punt ontbreekt het bijna alle politici aan moed om klare taal te
spreken. De blijvende realiteit van huwelijksmigratie maakt ons land en
verschillende Europese lidstaten tot ‘immigratielanden’. Of we het nu
graag hebben of niet, we zijn niet enkel een multiculturele samenleving
(statisch), maar ook een immigratiesamenleving (dynamisch) en dat houdt
enkele uitdagingen en engagementen in.[14]
Het erkennen van de immigratiesamenleving betekent dat de bevolking –
zowel autochtonen als allochtonen – adequaat moet worden voorbereid op
de komst van nieuwkomers en op diversiteit. Organisaties en
maatschappelijke instellingen (onderwijs, gezondheidszorg, arbeidsmarkt,
ouderenzorg) moeten blijvend interculturaliseren en we moeten
structureel voorbereid zijn op de komst van nieuwkomers. Het betekent
ook het engagement om de mensen die naar hier gekomen zijn als
medeburgers te beschouwen en hen de hefbomen aan te reiken om hier
optimaal aan de samenleving te kunnen participeren.
Onthaalbeleid
Een
onthaalbeleid moet daarom een structureel onderdeel zijn van het beleid.
De zogenaamde inburgeringstrajecten moeten niet beschouwd worden als een
poging tot assimilatie en disciplinering, maar als middel tot
kwalificatie, emancipatie en participatie. De doelstelling van een
onthaalbeleid zou moeten kaderen in de gedachte van empowerment
door een ‘toerustingsbeleid’: dit wil zeggen dat de
inburgeringsprogramma’s de nieuwkomers van een minimum aan kansen en
handelingsmogelijkheden moeten voorzien opdat ze hier een goed leven
zouden kunnen uitbouwen – en het verwerven van de taal is hiertoe een
belangrijk middel.[15]
"Generatie anderhalf"
Door
huwelijksmigratie blijft de groep eerste generatie migranten ouder dan
20 jaar vrij groot. De kinderen van een huwelijk waarbij één van de
partners hier gesocialiseerd is en de andere partner in het land van
herkomst behoren natuurlijk niet tot de eerste generatie, maar eigenlijk
ook niet tot de tweede of derde generatie. Hooghiemstra heeft het
treffend over ‘de generatie anderhalf’.[16]
Er wordt verondersteld dat allochtone kinderen uit deze generatie meer
‘integratieproblemen’ zullen hebben dan de allochtonen uit de tweede en
derde generatie. Men moet zich als beleid dus niet enkel focussen op de
nieuwkomers zelf, maar ook op hun nakomelingen. Dit is een uitdaging –
en een blijvende – voor onder meer het onderwijs en het jeugdwerk.
Over
het effect van huwelijksmigratie op de onderwijskansen van kinderen
bestaat nauwelijks onderzoek. In een eerste aanzet hiertoe komt men in
Nederland tot de bevinding dat het inderdaad niet gunstig is voor de
taalvaardigheid van een Turks of Marokkaans kind als zijn of haar moeder
pas op latere leeftijd naar Nederland komt. Maar dat huwelijksmigratie
op zich ongunstig zou zijn voor de onderwijsprestaties van de kinderen
kan niet worden hardgemaakt. De onderzoeker merkt wel op dat de
omstandigheden van de Turkse en Marokkaanse ouders en hun kinderen
dermate ongunstig zijn dat een mogelijk nadelig effect van
huwelijksmigratie niet veel meer uitmaakt.[17]
Probleem van emancipatie
en participatie
Huwelijksmigratie wordt dikwijls gecontesteerd omwille van het
‘integratieprobleem’. De huwelijksmigratie brengt mensen naar hier die
onze samenleving niet kennen, de taal niet spreken en in een andere
sociaal-culturele context zijn gesocialiseerd. Dit alles maakt het niet
eenvoudig om als nieuwkomer een plaats te verwerven in de
gastsamenleving, werk te vinden en volwaardig te participeren aan het
maatschappelijk leven.
We zien
dit weerspiegeld in de cijfers inzake werkloosheid en de posities op de
arbeidsmarkt. Huwelijksmigranten behoren – zeker de eerste jaren van hun
verblijf – dikwijls tot de sociaal zwakste groepen. Meer nog dan de
gemiddelde Turkse of Marokkaanse allochtoon hebben de huwelijksmigranten
te kampen met aanpassingsproblemen, maatschappelijke uitsluiting en
achterstellingsmechanismen.
Een
groeiend aantal allochtone jongeren is zich wel bewust dat de keuze voor
een partner uit het land van herkomst voor problemen kan zorgen op vlak
van maatschappelijke participatie en emancipatie[18],
maar dat inzicht is voor velen niet doorslaggevend om zich voor de
partnerkeuze dan maar op het immigratieland te richten.
Het probleem van de integratie is deels ook
genderspecifiek.[19]
Nogal wat Marokkaanse mannen hebben het probleem dat ze niet meteen hun
draai vinden in de samenleving en afhankelijk zijn van hun vrouw. Ze
vinden dikwijls ook geen werk wegens de taalbarrière en het niet
erkennen van ervaring en/of diploma’s. Dit geeft een knauw aan het
zelfbeeld. Velen vervallen op die manier in een ‘leeg’ leventje.
Sommigen komen ter compensatie in het zwartwerk of in de criminaliteit
terecht. Er rust op de mannen dikwijls ook een enorme financiële druk:
ze moeten geld terugsturen naar het herkomstland, ze willen geld
verdienen om onafhankelijk te zijn van de schoonouders en bovendien
hebben ze zich soms in de schulden gewerkt om de hoge bruidschat te
kunnen betalen. Men wil dan ook zo snel mogelijk aan het werk – al dan
niet legaal – , zodat er geen tijd blijft om de taal te leren en te
participeren in het onthaalaanbod. Het is dan ook niet helemaal
duidelijk of de snelle tewerkstelling een eerste stap naar integratie is
of er eerder een belemmering voor vormt.[20]
Bij
vrouwen ligt het probleem eerder in het feit dat de echtgenoot en de
schoonfamilie – waar men dikwijls inwoont – niet echt verwachten dat ze
zich emancipeert in de nieuwe samenleving. Als ze maar een goede
traditionele huismoeder is, dan is alles in orde.[21]
De verwachting is ook dat men snel zwanger wordt, waardoor de vrouwen
niet altijd in staat zijn op het onthaalaanbod in te gaan. Bovendien
zijn de vrouwelijke nieuwkomers – vooral de Turkse – vaak jonge,
ongeschoolde meisjes, gezien de mannelijke allochtonen een vrouw zoeken
die volgzaam en weinig ondernemend is.[22]
Deze vrouwen zijn kwetsbaar voor manipulatie van de schoonfamilie.
Sommige vrouwen worden van de buitenwereld afgesloten en dienen
voornamelijk als hulpje van de schoonmoeder waar ze inwonen. Op die
manier ontstaat ook een taalprobleem en kunnen die vrouwen nauwelijks
hun kinderen die in het Nederlands naar school gaan opvolgen, wat dan
weer nefast is voor de kansen van die kinderen. De vrouwen worden
meestal ook niet geacht buitenshuis te werken, zeker niet zodra er
kinderen zijn of wanneer men een werkloosheidsuitkering kan krijgen. Dit
neemt niet weg dat veel vrouwen zeer graag willen werken, onder meer
omdat ze dat in het land van herkomst ook deden of omdat het hen meer
vrijheid biedt.[23]
In een aantal gevallen worden die vrouwen ook slachtoffer van fysiek,
seksueel en psychisch geweld. Ze kunnen de hulp van hun broers of vader
niet inroepen, ze hebben hier geen mensen om op terug te vallen en zijn
volledig overgeleverd aan de willekeur van de man en de schoonfamilie.
Sommige van die vrouwen komen na verloop van tijd in vluchthuizen voor
vrouwen terecht.
Huwelijksmigratie als
gedeelde uitdaging
Uit ervaring weten we dat migratie geen
gemakkelijk gegeven is, noch voor de migranten(gemeenschappen), noch
voor de gastlanden. Het beleid moet zich dan ook niet enkel richten tot
de migranten, maar ook tot de autochtonen en hun instellingen voor wie
de multiculturele immigratiesamenleving ook een nieuw gegeven is.
Niemand zal ontkennen dat nieuwkomers met tal van moeilijkheden worden
geconfronteerd om hun weg in onze samenleving te vinden. Dit is echter
niet alleen een moeilijkheid voor de nieuwkomers in kwestie, het is ook
een uitdaging voor de gastsamenleving om die mensen voldoende kansen te
geven opdat ze hier een geslaagd leven zouden kunnen uitbouwen. Het kan
niet volstaan enkel inspanningen te vragen van de nieuwkomers, ook de
gastsamenleving draagt verantwoordelijkheid: ze moet ervoor zorgen dat
de nieuwkomers en hun kinderen voldoende toegerust zijn om met de kansen
die deze samenleving biedt, ook daadwerkelijk iets te kunnen doen.[24]
Een emanciperend in
plaats van een restrictiever beleid
Dat
huwelijksmigratie voor ‘integratieproblemen’ zorgt, kan moeilijk als
voldoende reden worden beschouwd om huwelijksmigratie te beperken. Het
is moeilijk te legitimeren dat een overheid zich om die reden gaat
mengen of sturend gaat optreden in de partnerkeuze van mensen.
Partnerkeuze en huwelijk maken immers zo overduidelijk deel uit van de
privé-sfeer waar de vrijheid van mensen enkel mag beperkt worden als ze
ernstig de vrijheid van derden beknot. Ook bij de autochtonen bestaan
huwelijkspatronen die remmend zijn voor de emancipatie en sociale
mobiliteit (ook van de nakomelingen), maar daar worden geen beperkende
maatregelen rond genomen, juist omwille van het respect voor de
privé-sfeer. Partnerkeuze is zo’n persoonlijke zaak dat er al heel zware
nadelen moeten optreden vooraleer men geoorloofd kan ingrijpen.
Ook de
maatschappelijke kosten die huwelijksmigratie met zich meebrengt, zijn
onvoldoende reden om het beleid aan te scherpen door bijvoorbeeld een
hoge inkomenseis als voorwaarde voorop te stellen. De kosten die een
samenleving maakt om nieuwkomers de nodige
handelingsmogelijkheden aan te bieden, kunnen met collectieve
gelden worden betaald omdat het ook een collectief belang is dat we naar
een samenleving streven waar iedereen op een volwaardige manier kan
participeren. Dit is vergelijkbaar met het feit dat het onderwijs wordt
gefinancierd met collectieve middelen, mede omdat het een collectief
belang is dat onze samenleving uit geschoolde en geëmancipeerde mensen
bestaat. Uit het voorbeeld van het onderwijs blijkt ook dat kosten als
gevolg van individuele keuzen niet steeds kunnen worden doorgerekend
naar het individu. Mensen die een studierichting kiezen die vrij duur is
om te organiseren en die nauwelijks uitzicht geeft op werk waardoor men
meer kans heeft om van uitkeringen te moeten leven, wordt hen niet
aangerekend in het collegegeld.[25]
Op bepaalde terreinen kunnen individuele keuzen die veel collectieve
lasten met zich meebrengen wél worden ontmoedigd of doorgerekend naar de
individuen zelf, denken we maar aan milieuvervuiling, maar deze
redenering is niet toepasbaar als het gaat om zaken ‘van groot
persoonlijk belang’: wie geen prenatale testen wil uitvoeren en een
gehandicapt kind ter wereld zet, kan beroep doen op collectieve
middelen. Ook beslissingen over partnerrelaties vallen onder de
categorie ‘van groot persoonlijk belang’ zodat collectieve kosten
moeilijk kunnen worden doorgerekend naar het individu.
Tot slot leert de ervaring dat wanneer het beleid
inzake huwelijksmigratie strenger wordt, de migratie hoogstens wordt
uitgesteld. Van een substantieel vermindering op langere termijn is
meestal geen sprake. Het is dus niet zozeer zaak op zoek te gaan naar
een restrictiever immigratiebeleid, wel om op zoek te gaan hoe op een
adequate manier met deze huwelijks- en migratierealiteit kan worden
omgegaan, misbruiken kunnen worden vermeden en autonome partnerkeuze kan
worden gestimuleerd. De initiatieven inzake het onthaalbeleid zijn
hiervan het voorbeeld bij uitstek. Een immigratiesamenleving houdt er
rekening mee dat er steeds mensen zullen zijn die door immigratie
moeilijker hun weg zullen vinden in deze samenleving en moet in dat
verband op zoek gaan naar de mogelijke hefbomen die de emancipatie en
participatie van de betrokkenen en hun gezin kunnen bevorderen.
_________________________________
|
NOTEN:
[1]
CLITEUR, P. (2002),
Moderne Papoea’s.
Dilemma’s van een multiculturele samenleving,
De Arbeiderspers,
Amsterdam/Antwerpen.
[2]
Zie het opiniestuk van Vlaams minister-president Yves Leterme De
hoofddoek is niet de hoofdzaak. Alleen wie zichzelf mag zijn, kan zich
integreren, in De Standaard 12 oktober 2004.
[3]
Voor een invulling van dit actief pluralisme: LOOBUYCK, P. (2005),
Liberal multiculturalism.
A defence of
multicultural measures without minority rights in a Belgian context ,
in Ethnicities, 5, 1 (te verschijnen).
[4]
Voor meer info over het onderwerp verwijzen we naar de verschillende
bijdragen in CAESTECKER, F. (ed.), Huwelijksmigratie, een zaak voor
de overheid? (te verschijnen). Zie ook kader.
[5]
HOOGHIEMSTRA, E. (2003), Trouwen over de grens. Achtergronden van
partnerkeuze van Turken en Marokkanen in Nederland, Sociaal en
Cultureel Planbureau, Den Haag; LIEVENS, J. (1997), Kenmerken van
gezinsvormende migratie, in LESTHAEGHE,
R. (ed.), Diversiteit in Sociale Verandering. Turkse en
Vrouw van Marokkaanse origine in België,
VUB Press, Brussel: 73-104.
[6]
RENIERS, G. en LIEVENS, J. (1999), Stereotypen in perspectief. De
evolutie van enkele aspecten van het huwelijk bij de Turkse en
Marokkaanse minderheden in België, in Migrantenstudies, 15,
1: 28-44 (p.
41).
[7]
Voor Nederland: Hooghiemstra (2003): 119-20, 129ff, 141-2; DE VRIES,
M. (1987), Ogen in je rug. Turkse meisjes en jonge vrouwen in
Nederland, Samson Uitg., Alphen a.d. Rijn/Brussel; ESVELDT, I.
e.a. (1995), Migratiemotieven, migratienetwerken en partnerkeuze
van Turken en Marokkanen in Nederland, NIDI (rapport 43), Den
Haag; HOLZHAUS, I. (1991), Een hoge prijs. Marokkaanse meisjes en
jonge vrouwen in Nederland, De Balie, Amsterdam. Voor België:
CALLAERTS, T. (1997), Tussen eigenheid en waardigheid. Focus groups
met jonge Turkse vrouwen in Vlaanderen, in LESTHAEGHE, R. (ed.),
Diversiteit in Sociale Verandering.
Turkse en Vrouw van Marokkaanse origine in België,
VUBPress, Brussel: 313-349;
TIMMERMAN, C. e.a. (2000), Marokkaanse en Turkse nieuwkomers in
Vlaanderen, Universiteit Antwerpen, Vlaamse Gemeenschap.
Voor Duitsland:
STRASSBURGER, G. (2001), Transstate Ties of the Second Generation.
Marriage of Turks in Germany, Universität Bremen/ Üniversitesi
Ankara, Summer Institute Working Paper no. 7/2001.
[8] Zie
MARTIN, Ph. (1991), The unfinished story: Turkish labour migration
to Western Europe, ILO, Genève;
Fadloullah, A. e.a. (1999),
Push and pull factors of international migration. Country report
Morocco, European commission;
Ayhan, H.Ö (1999), Push and pull
factors of international migration. Country report Turkey,
European commission; Schoorl, L. e.a. (2000), Push and pull factors
of international migration.
A comparative report,
European commission.
[9] Hooghiemstra (2003): 45,
77-8; Reniers en
Lievens (1999): 42; SURKYN, J. en RENIERS, G. (1997),
Selecte gezelschappen: over de migratiegeschiedenis en de interne
dynamiek van de migratieprocessen, in
LESTHAEGHE, R. (ed.), Diversiteit in Sociale Verandering.
Turkse en Vrouw van Marokkaanse origine in België,
VUBPress, Brussel: 41-72 (p. 54).
[10]
LIEVENS, J. (1999), Family-forming migration from Turkey and
Morocco to Belgium: the demand for marriage partners from the
countries of origin, in International Migration Review, 33,
3: 717-744 (p. 729)
[11]
cf. LUYCKX, K. (ed.)
(1999),
Liefst een gewoon huwelijk?, Acco, Leuven; Timmerman (2000):
205.
[12]
Dit immigratiecijfer is opnieuw een stuk meer dan in de jaren tachtig
waar jaarlijks gemiddeld een duizendtal Turken en een duizendtal
Marokkanen naar België migreerden.
LIEVENS, J. (2000),
The third wave of immigration from Turkey and Morocco: determinants
and characteristics, in LESTHAEGHE (ed.), Communities and
Generations: Turkish and Moroccan populations in Belgium, NIDI/CGBS,
Brussel, 95-128 (p. 99)
[13]
Dat blijkt ook uit de gegevens van het Vlaams Gewest. In de periode
2001 –midden 2003 kwam het grootst aantal anderstalige nieuwkomers uit
Marokko (4.507) en Turkije (3.934) waarvan telkens een kleine 3.000 in
het kader van volgmigratie.
Deschamps, L. (2003),
Stativaria 29.
Volwassen anderstalige nieuwkomers in het Vlaamse Gewest. Aantallen,
profielen, beleidspunten
, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (p. 21).
[14]
Ik ontleen de term immigratiesamenleving aan ENTZINGER, H. (2002),
Voorbij de multiculturele samenleving, Van Gorcum, Assen en
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) (2001),
Nederland als immigratiesamenleving, Rapporten aan de regering
nr. 60, Sdu Uitgevers,
Den Haag. Zie ook LOOBUYCK, P. (2003),
Vlaanderen, België en Europa als immigratiesamenlevingen. Enkele
consequenties, in Streven, 70, 8: 715-727 (ook op
http://www.flwi.ugent.be/cie/CIE/loobuyck4.htm ).
[15]
VERSTRAETE, G. e.a. (2001), Onderzoek naar de finaliteit van het
Vlaams inburgeringsbeleid, CICI, Universiteit Gent en Vlaamse
Gemeenschap; LOOBUYCK, P. (2000), Inburgering in Nederland en
Vlaanderen. Een inleiding tot het debat, in Samenleving en
Politiek 7, 4, 21-35.
[16]
Importhuwelijken bemoeilijken de integratie van migranten.
Generatie anderhalf, in De Standaard, 05 juni 2004.
[17]
DRIESSEN, G. (2004), Gezinsvorming en onderwijskansen. De
verblijfsduur van Turkse en Marokkaanse ouders in Nederland en taal-
en rekenvaardigheid van hun kinderen, in Pedagogische Studiën,
81: 263-272.
[18] Hooghiemstra (2003): 137.
[19] Timmerman (2000): 205-6, 241-1.
[20] Timmerman (2000): 239, 252-3;
Surkyn & Reniers (1997): 55.
[21]
In dat verband maakt De Morgen van 5 juni 2003 melding van het
bestaan van ‘bruiden op proef’. Het gaat om Turkse meisjes die naar
hier gehaald worden en die inwonen bij de schoonouders. Het meisje is
hier met een toeristenvisum en wordt niet meteen ingeschreven bij de
gemeente. Wanneer het meisje niet voldoet aan de traditionele eisen
van de schoonfamilie wordt ze gewoon naar Turkije teruggestuurd.
[22] Timmerman (2000): 236.
[23] Timmerman (2000): 245, 248.
[25]
TRAPPENBURG, M. (2002), Importhuwelijken en overheidsbeleid in
Nederlands Tijdschrift voor Rechtsfilosofie en Rechtstheorie,
31, 3: 267-81 (pp. 274-5).
Contact:
<patrick.loobuyck@ugent.be> |
|