CIE-INDEX

 Het Vlaams Hadith Project

door Rachida Lamrabet (2008)

Zou het kunnen dat sommige Vlaamse politici betreuren dat Vlaanderen, in tegenstelling tot Turkije, geen Directoraat van Religieuze Zaken heeft? Recent nog gaf de Turkse premier Erdoğan van de AK partij aan dit Directoraat de opdracht werk te maken van een hervorming van de Islamitische rechtsleer (fikh) en de hadith. Een aantal vooraanstaande theologen van de universiteit van Ankara bogen zich, in wat men het Ankara Hadith Project is gaan noemen, over een moderne interpretatie van de hadith. Voortaan worden ahadith (1) waarin de vrouw als intellectueel minder begaafd, onrein of als seksueel object afgeschilderd wordt, afgevoerd of voorzien van contextuele voetnoten met als doel de Turkse soennitische islam compatibel te maken met de sociale en morele waarden waar het moderne, hedendaagse Turkije voor wil staan.

 

De staat die instructies geeft met betrekking tot de interpretatie van leerstellingen en dogma’s. Het lijkt in België en Vlaanderen niet meer van deze tijd. Lang geleden werd hier overeengekomen dat de staat en haar instituties zich niet langer zouden mengen in theologische kwesties. De ‘ scheiding kerk en staat ’ is één van de fundamenten van de democratische rechtsstaat. 

En toch is er iets eigenaardig aan de hand wanneer het gaat over de Islam in België en Vlaanderen. Daar waar de overheid een haast Jakobijnse gestrengheid aan de dag legt voor wat betreft de naleving van dit fundament door individuele werknemers, springt ze bijzonder flexibel om met haar eigen verplichting om zich te onthouden van inmenging in geloofszaken. 

Een uittreksel uit de beleidsnota van Vlaams minister van mobiliteit en gelijke kansen, Kathleen Van Brempt, geënt op het Vlaams Regeerakkoord van 2004-2009, ‘Vertrouwen geven, verantwoordelijkheid nemen ’ (2), illustreert dit:

"Moslimvrouwen die hun rechten binnen de islam niet kennen, lopen het risico slachtoffer te worden van gevestigde rolpatronen die vrouwen onderdrukken. Het gaat om rolpatronen die ontstaan zijn als een gevolg van de migratiegeschiedenis, maar die ook cultureel gegroeid zijn omwille van een dominante mannelijke interpretatie van de islam. Het gelijke kansenbeleid wil dan ook de vrouwvriendelijke interpretatie van de islam stimuleren en laten doordringen in de moslimgemeenschap."

Hoe denkt de Vlaamse minister deze merkwaardige taak uit te voeren? Hoe stimuleer je een vrouwvriendelijke interpretatie van de belangrijkste bron van een godsdienst? Zal de minister richtlijnen uitvaardigen met betrekking tot de werkwijze? Zal ze de personen, vrouwen neem ik aan, die dit werkje moeten klaren, zelf selecteren? En aan welke criteria moeten ze dan voldoen? Mogen ze een hoofddoek dragen of is de minister op zoek naar Power Puf Girls met een theologische achtergrond?

En wat is vrouwvriendelijkheid? Wordt die vrouwvriendelijkheid gemeten aan de hand van het westers feministisch emancipatiemodel dat nu door jonge werkende moeders, zoals de zangeres Axel Red, verweten wordt hen te hebben opgezadeld met een dubbele taak? Wat doet de minister met de vrouwonvriendelijkheid in de Bijbel en de Thora? Discrimineert de minister katholieke en joodse vrouwen niet doordat ze geen werk maakt van het bevorderen van een feminiene interpretatie van die geloofsboeken?


Er zijn nog meer voorbeelden van overijverige Vlaamse ministers.

Ik denk terug aan Marino Keulen, minister van Binnenlandse zaken, Wonen en Inburgering toen die eind 2007 zijn merkwaardig alternatief voor het islamitische offerfeest lanceerde in de publieke opinie. Merkwaardig niet omdat hetgeen de minister als alternatief voorstelde ongehoord of onredelijk was, maar omdat hier de staat, nog maar eens, haar eigen spelregels negeert, namelijk dat ze zich niet zal mengen in de inhoudelijke en praktische invulling en organisatie van religies, tenzij de openbare orde in het gedrang komt. 

Keulen getuigt niet enkel van ouderwets paternalisme, het bewijst ook dat men in Vlaanderen eerder voorstander is van het assimilatiemodel.

'De Vlaamse overheid wil open moskeeën', aldus Guy Vanden Eynde van Open VLD in het Nieuwsblad van 8 maart 2008 naar aanleiding van een betoging van Vlaams Belang tegen de moskee Asounna in Desselgem. 

Dit is geen vrijblijvende of nietszeggende zinsnede. Wanneer men als overheid zeer duidelijk te kennen geeft dat men in principe niet tegen moskeeën is maar voorstander is van een bepaald soort moskee, gaat men mijns inziens een stap te ver.

Dezelfde opmerkingen ook hier.

Wat verstaat de overheid onder 'open moskee'? Hoe ‘ Vlaams ’ moet een moskee zijn om getolereerd te worden in Vlaanderen? Wat met het fundamenteel recht op godsdienstvrijheid en dus ook het recht om in alle vrijheid de organisatie te doen van die godsdienst en haar ritus? In Vlaanderen haalt toch niemand het in zijn hoofd om de Kerk voor de rechter te dagen omdat de functies binnen de kerk een exclusief mannelijke aangelegenheid zijn met actieve uitsluiting van vrouwen?


In zijn boek over de islam en de scheiding van kerk en staat (3), schrijft Olivier Roy dat de neoconservatieve theorie van de botsende beschavingen aan terrein wint, niet enkel in kringen van rechts en extreemrechts, waar we dat traditioneel gezien wel mogen verwachten, maar ook in kringen van mensen die zichzelf 'weldenkend links' (4) pogen te noemen. Niet racistisch, maar .... Olivier Roy deelt deze groep van weldenkend links op in twee categorieën. 

De pessimisten onder deze strekking geloven niet dat de islam kan verzoend worden met waarden die zij als cruciaal aanzien; vrijheid van meningsuiting, gelijkheid man en vrouw, scheiding kerk en staat. De optimisten geloven wel in een liberale, geseculariseerde islam en willen die mee helpen tot stand te brengen:

Als wij van moslims vragen een hervormde en liberale islam aan te nemen, verwachten we van hen dat ze passen in een denkpatroon dat wij voor ze uitgedokterd hebben, zonder dat we ons afvragen wat dat betekent voor hun geloofspraktijk en identiteitskeuze. Welnu, alles wat ook maar lijkt op een in het oog springende (maar niet noodzakelijkerwijs uitdagende) bevestiging van de islam wordt zonder meer gezien als voorteken van een gevaarlijk fundamentalisme” (5).

Er kan volgens mij een parallel getrokken worden tussen de opvatting van sommige Vlaamse ministers en politici en de opvatting van bepaalde radicale fundamentalistische moslims. Daar waar de eersten geloven dat achterstelling van de moslima’s haar oorzaak vindt in een letterlijke, patriarchale lezing van de Koran, zijn radicale moslims ervan overtuigt dat diezelfde stagnaties en zelfs achteruitgang van de oemma [de islamitische geloofsgemeenschap, nvdr.] en de moslima haar oorzaak vindt in het feit dat mensen de Koran niet letterlijk lezen.


Wat optimistische Vlaamse ministers gemeen hebben met de streng fundamentalistische strekking binnen de moslimwereld en met weldenkend links, is dat ze zich verstaren op de letterlijke tekst van de Koran. Men vertrekt van de islam als dogma, de islam als statisch en homogeen geheel dat niet te verenigen valt met hedendaagse maatschappelijke modellen. Terwijl er uiteraard meer is dan de tekst. Er is de praktijk en de geschiedenis. Men gaat voorbij aan het gegeven van de sociaaleconomische, historische context waarbinnen die tekst tot leven komt. De sociaal-historische islam heeft bewezen flexibel te zijn, heeft bewezen in de meest uiteenlopende politieke, economische en culturele omstandigheden stand te houden.

Het is naar dit facet van de islam dat Vlaamse politici zouden moeten kijken en zouden moeten afstappen van de dogmatische blik op de tekst. En dan wordt het mijns inziens niet langer nuttig zich tot doel te stellen een feministische interpretatie van de islam te bevorderen. Dit is het werk van theologen, van mannen en vrouwen die op hun individuele manier invulling proberen te geven aan hun leven als moslims in Europa. De uitdaging bestaat er dus in intellectueel terrein te herwinnen, niet enkel van radicale fundamentalistische strekkingen, maar ook van weldenkend links en van de overheid die zich, met betrekking tot de islam, ver buiten haar historisch bedongen grenzen begeeft.

Maar er is meer aan de hand dan een overheid die balanceert tussen God en Goed Bestuur.

Cultuur, etnie en religie worden meer en meer in causaal verband gebracht met achterstelling, discriminatie en gebrek aan emancipatie. Achterstelling en het ontbreken van gelijke kansen voor moslima ’s wordt hier in oorzakelijk verband gebracht met, onder meer, de dominante mannelijke interpretatie van de koran. De islam wordt de verklarende factor voor problemen. En dan rest er nog maar één beleidsoptie en dat is bij ministerieel dictaat de poorten van de 'ijtihaad' (6) te heropenen. In een opiniestuk noemt Olivia U. Rutazibwa dit verschijnsel Culturalisme (7). Maatschappelijke problemen worden geïslamiseerd en voor een deel geracialiseerd waardoor het debat rond achterstelling en discriminatie niet meer gevoerd wordt met sociaaleconomische argumenten en met contextuele analyses van de maatschappij, maar vernauwd wordt tot een vergelijking van culturen en waarden. Er is niet langer sprake van een eerlijk en reëel debat, maar een heksenjacht op ideeën (8). Vlaamse ministers [evenwel] zouden een heksenjacht op ongelijkheid, islamofobie en racisme moeten beginnen. Het wordt hoog tijd dat ze hun inspanningen opdrijven voor wat betreft het scheppen van voorwaarden om discriminatie uit te bannen, waarmee mannen en vrouwen op grond van een heel scala persoonsgebonden maar irrelevante criteria in tal van essentiële domeinen van het leven geconfronteerd worden. Dat zou de eerste zorg moeten zijn van de overheid en niet de zelotische ijver een hervorming van de islam door te voeren onder het mom van een democratisering van de islam en de bevrijding van de moslima’s, ijver die maar al te vaak ontaardt in de ergste vorm van uitsluiting.


Rachida Lamrabet

De auteur schreef deze bijdrage in persoonlijke naam.
In oktober 2007 verscheen bij Uitgeverij Meulenhoff-Manteau haar romandebuut ‘Vrouwland’ .


NOTEN:

(1) Meervoud van 'hadith'.
(2) Beleidsnota 2004-2009, Gelijke Kansen., p. 25.
(3) Olivier Roy, De islam en de scheiding van kerk en staat, Van Gennep, 2005.
(4) Benno Barnard en Geert van Istendael, Bericht aan weldenkend links. Waarom wij het hoofddoekenverbod verdedigen, De Standaard van 2 februari 2008.
(5) Olivier Roy, De islam en de scheiding van kerk en staat, Van Gennep, 2005, p. 9.
(6) Interpretatie en exegese van de Koran en andere islamitische bronnen.
(7) Olivia U. Rutazibwa, Kif Kif site; Metro, 14/03/08.
(8) Sami Zemni, Politieke Islam, 9/11 en Jihad, Acco, 2006, p. 180.

Gepubliceerd in: {KENTERINGen}digit, 1ste jaargang - nr. 3 - mei 2008 - tweemaandelijks
www.abelweb.be/artikel/Kenteringen 20mei 2008.pdf

CIE-INDEXWeb master: Herman De Ley Update: 10.12.2008