“The only freedom which deserves the name is
that of pursuing our own good in our own way, so long as we do not
attempt to deprive others of theirs, or impede their efforts to obtain
it. Each is the proper guardian of his own health, whether bodily, or
mental or spiritual. Mankind are greater gainers by suffering each
other to live as seems good to themselves, than by compelling each to
live as seems good to the rest." --
John Stuart Mill,
On Liberty, 1859.
Zelden is er zoveel onzin in de
media verschenen als de laatste week. Ik bedoel daar zeer duidelijk de
omstreden cartoons mee. Het shockeert blijkbaar om te zien en te horen
hoe zeer moslims zich beledigd en vernederd voelen. Ondanks de
retorische technieken die gehanteerd worden, blijft de boodschap en de
oorzaak glashelder. Het ‘Westen’ voelt zich superieur ten opzichte van
de ‘onverlichte’ of ‘middeleeuwse’ moslims. De idiootste
veralgemeningen worden tot waarheid verheven omdat ze nu eenmaal de
koppen van de kranten vullen. Ondoordachte vergelijkingen met de
geschiedenis van Europa worden in het breed uitgesmeerd en men
vertrekt vanuit zijn eigen groot gelijk. De volgende dingen wens ik
aan te klagen:
-
De hysterie in de
Europese media waardoor het recht op vrije meningsuiting ineens tot
een absoluut recht wordt verheven boven alle andere rechten.
-
Het gebrek aan empathie
en bij sommigen de overduidelijke xenofobe ondertoon in de
berichtgeving.
-
Het gebrek aan dialoog en
de dreiging van een "clash of civilisations".
-
Het gebrek aan
zelfbeheersing bij heel wat moslims.
Om te beginnen is het voor mij
een raadsel waarom die cartoons nù persé moesten verschijnen. Wat is
het nut van een dergelijk initiatief? Was het de bedoeling om te
shockeren? Was het de bedoeling om te beledigen? Wou men persé nog
eens afkomen met de idiote stelling dat de westerse beschaving
superieur zou zijn aan alle andere en in het bijzonder aan de
moslimbeschaving? Men verwijst in sommige kranten naar Voltaire: ‘Il
faut écraser l’infâme’… Wat een kortzichtigheid en vooral wat een
gebrek aan historisch besef.
De cartoons hadden zeer
duidelijk de bedoeling om via een diabolisering van de profeet van de
islam enkele wandaden die plaats vinden in naam van de islam, aan te
klagen. Alsof de profeet daar een directe oorzaak van zou zijn. Het
beledigen van de profeet en van de islam is niet nieuw. Europa heeft
daar tijdens de duistere eeuwen (en ook daarna) een sport van gemaakt.
Zo werd de profeet door Dante in zijn ‘Divina
Comedia’ naar de laagste kringen van de hel verwenst. De
kruisvaarders trokken het Heilig land binnen met als idee dat ze
Jeruzalem zouden bevrijden van de heidenen. De slachtingen vonden
plaats in naam van Jezus. Telkens schiet men op de verkeerde. Jezus
noch Mohammed liggen aan de basis van de misdaden die plaats vinden op
aarde ongeacht of de daders ervan zich op hen beroepen.
Ik herinner mij dat in het
verleden grote westerse denkers er, ondanks het feit dat ze het vaak
grondig oneens waren met de islam, toch in slaagden om hun woorden te
wikken en te wegen, en op een beschaafde manier hun eigen mening de
wereld in stuurden. Ik denk aan mannen zoals Comte, Rousseau, Renan,
Lamartine, Goethe, Tolstoï, Kasimirski, Carlyle, Watt, Shaw, Hegel,
Gibbon, Bonaparte, Ghandi, Waardenburg, Weber, Foerhle en talrijke
andere grote schrijvers. Ik verkies dat soort kritiek boven ordinaire
cartoons. Niemand is verplicht om het met de islam eens te zijn. De
Koran kent expliciet elkeen het recht toe op een wel doordachte of zelfs
wispelturige keuze.
-
‘Wij zenden de boodschappers alleen als dragers van blijde tijding en
als waarschuwers.’ (Koran 6:48), en
-
‘Er is geen dwang in de godsdienst’.
(Koran 2:256).
Je bent als mens niet verplicht
te geloven. Maar het omgekeerde moet ook gelden. Je mag niet tot
atheïsme verplicht worden. De vrijheid van opinie mag niet verward
worden met de vrijheid om afstand te doen van God.
Vandaag heerst de cultuur van de
vulgariteit. Wie het ergst kan spotten en wie het volk bestookt met
schrikbeelden wordt au sérieux genomen, wordt populair, weet er zelfs
electoraal garen van te spinnen en wie genuanceerd uit de hoek komt
wordt 'politieke correctheid' verweten en komt steeds minder aan bod.
Deze tendens zal uiteindelijk geboorte geven aan een cultuur van
confrontatie waarin alle regels van fatsoen overboord zullen worden
gegooid en waardoor de escalatie alleen maar zal toenemen. Beschaafde
volkeren lossen hun twisten vreedzaam op. Hiervoor moeten de
randvoorwaarden gerespecteerd worden. Wederzijds respect is een
fundamenteel beginpunt voor elk dialoog. Wanneer dat ontbreekt dan is
elke poging om vreedzaam samenleven gedoemd te falen. Wie dat niet
inziet, is eigenhandig bezig met aan te sturen op een gewelddadige clash van beschavingen. Dat is net
wat kost wat kost moet worden
voorkomen.
Het recht op vrije meningsuiting
is een recht dat evenveel waard is als het recht op respect en het
recht op een gelijke behandeling. Racisme is de verwoording van een
superioriteitsgevoel waarin een persoon, gemeenschap of volk zich
afzet tegen een ander door erop neer te kijken en met minachting de
culturele eigenschappen van een vreemd volk benadert. Alle rechten
zijn belangrijk. Tegenover elk recht staat een plicht en zo wordt de
balans van beschaving in evenwicht gehouden. Elkeen heeft het recht
zijn mening te uiten. Doch wanneer die mening indruist tegen de
principes van fatsoen en men de bedoeling heeft om te kwetsen dan moet
deze mening in balans worden gebracht met de plicht om zich deugdelijk
te gedragen.
Je ziet vandaag hoezeer het
beledigen van sleutelfiguren in de moslimwereld als een rode lap op
een stier werkt. Het gros van het volk reageert emotioneel. Ondanks de
oproepen van talrijke geestelijke leiders zien we dat de storm alleen
maar in ernst toeneemt. Het is belangrijk om de dialoog terug op het
spoor te krijgen. Hoe feller de moslimbevolking in een hoekje wordt
geduwd en principes door de strot wordt geduwd die het niet eens
begrijpt, hoe feller de spanningen zullen toenemen en des te zekerder
we op een botsing van beschaving zullen afstevenen. Ik kan niet genoeg
de nadruk leggen op het feit dat dit RAMPZALIG zou zijn. We kunnen
elke gewelddadige confrontatie tussen de moslimwereld en de westerse
wereld missen als kanker (i.p.v. kiespijn). Vergeet ook niet dat de
moslimbevolking in Europa het sterkst groeit. Integratie is een proces
van lange adem en eist een stabiele samenleving waarin op een
vreedzame wijze kan worden gediscussieerd over de principes, normen en
waarden. Zolang de media zich hier niet voor inzetten (samen met de rest
van de samenleving) is werken aan integratie een maat voor niets.
Democratie wordt niet bedreigd
door de islam.
Democratie is een ideaaltype
(Dahl, 1998). Om van een democratie te spreken moeten de volgende
criteria (Whitehead, 2002) worden gerespecteerd:
- De controle over het beleid van
de regering is grondwettelijk vastgelegd in de handen van de
volksvertegenwoordigers.
- Verkiezingen vinden plaats op
regelmatige tijdstippen, op een eerlijke manier en zonder dwang.
- Nagenoeg alle volwassenen hebben
stemrecht.
- Alle volwassen burgers hebben
het recht zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen.
- Burgers hebben het recht op
vrije meningsuiting betreffende politieke onderwerpen (heel breed
gedefinieerd), zonder een risico te lopen om gestraft te worden.
- Burgers hebben het recht om
alternatieve bronnen van informatie te raadplegen. Deze worden
toegelaten en beschermd door de wet.
- Burgers hebben het recht om
onafhankelijke verenigingen en/of organisaties te stichten, evenals
politieke partijen en belangengroepen.
- De verkozen vertegenwoordigers
moeten hun grondwettelijk toegekende macht kunnen uitoefenen zonder
dat ze, zelfs op informele wijze, op de een of andere manier door
een niet-verkozen oppositie worden gedwarsboomd.
- Het beleid moet autonoom zijn;
het moet onafhankelijk kunnen regeren van één of ander overweldigend
politieke systeem.
Wil een beslissing zich democratisch noemen dan dient
het tot stand te zijn gekomen in de geest van het concept van
democratie. Een beslissing moet rusten
op de voorwaarde dat
‘even when social consensus over a
particular policy or a particular discourse seems at its most
overwhelming, the separate consciousnesses of individual citizens
continue to engage in critical deliberation, rechecking, interrogating
and reinterpreting what seems to have been agreed"[1].
Dit kenmerkt elk democratisch debat.
‘Thus democracy precludes
conceptual closure concerning its own identity, and hence
democratization must be understood as an open-ended process.
Democracy is ‘essentially contestable’ not just because our values may
differ, or because our political concepts may lack ultimate logic or
empirical validation, but also because our political cognition is
inherently critical and reflexive[2]’.
Het is omdat
niéts, ongeacht welke grootte van de consensus, vrij is van
herziening, dat men van een democratische rede spreekt. Het relativisme
waaraan het concept democratie - door zijn eigen natuur-
bloot gesteld wordt, maakt elke strikte definiëring onmogelijk.
Volgens Sartori
kan men democratie niet scheiden van haar doelstellingen.
‘A democratic system is
established as a result of deontological pressures. What
democracy is cannot be separated from what democracy should be. A
democracy exists only in so far as the ideals and values bring it into
being. No doubt, any political system is sustained by imperatives and
goals. But perhaps a democracy needs them more than any other. For in
a democracy the tension between fact and value reaches the highest
point, since no other ideal is farther from the reality in which it
has to operate. And that is why we need the name democracy’[3].
In het licht van moreel
relativisme betreffende het concept 'democratie', en omwille van de
afwezigheid van een ‘externe entiteit’ die uitspraak zou
kunnen doen over de ware inhoud van democratie, is er nog alleen de
uitspraak van een democratisch debat, bestaande uit experten die de
regels van het debat vastleggen[4].
Dat debat, dat constant plaats vindt in het bewustzijn van de mensen,
stelt constant tijdelijke meningen op. Het dient als verdediging tegen
de excessen van het relativisme. Het probleem stelt zich hier dat dat
mentale debat vooral op niveau van de gemeenschap plaats vindt. Op
globaal niveau is het moeilijker om de excessen van het relativisme
tegen te gaan[5].
Een democratie kan slechts dàn
overleven indien ‘het volk doordrongen is van haar geest’,
zodat ze beschouwd wordt als de beste bestuursvorm en het een
wijdverspreide legitimiteit geniet[6].
Dit komt overeen met de definitie van
Bonger over 'democratie', waarin hij stelt dat democratie
‘de
bestuursvorm (is) ener collectiviteit met zelfbestuur, waaraan een groot
deel
harer leden,
hetzij direct, hetzij indirect deelneemt, en waarbij geestelijke
vrijheid en gelijkheid voor de wet gewaarborgd zijn en waarbij de
leden van haar geest doortrokken zijn[7]’.
Tussen theorie en realiteit
ligt vaak een wereld van verschil. Daar waar democratie in het begin
vooral uitgedrukt werd in algemene verklaringen over de gelijkheid en
de rechten van de mens heeft dit later de plaats moeten ruimen voor een
nationalistisch ethos met als gevolg dat, vooral in Europa, plots een
onderscheid ontstond tussen leden van een nationaliteit en niet-leden. Safi
verklaart de gevolgen van die evolutie als volgt:
‘Nationalism succeeded, particularly
in
Europe,
not only in excluding non-nationals from equal consideration under the
law, but it stripped them from their very humanness. It might be
interesting to note that the acceleration of colonialism coincided
with the rise to power of democratic institutions in
France
and
England.
Indeed one can find examples of a complete disregard of the dignity
and rights of non-citizens even in the country
where modern democracy was born. One such
an
example is the Secret Evidence Act passed by the Congress in 1997,
which permits in this free and democratic country the
incarceration without trial of non-citizens[8].’
Nationalisme is nog steeds het
meest krachtige middel voor een bepaalde groep om een andere groep uit
te buiten zonder daarvoor expliciet als anti-democratisch te worden
beschouwd.
Het
vurig verdedigen van het recht op vrije meningsuiting is een
verdienstelijke arbeid maar moet wel eerlijk gevoerd worden. In één
van de eerste academische reacties die volgden op de heisa rond de
cartoons blijkt trouwens dat dat recht nergens ter wereld als absoluut
geldt[9].
Zo blijkt dat een
vredesactiviste (Cindy Sheehan) uit het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden werd
gezet omdat ze een T-shirt droeg met een anti-oorlogsslogan, tijdens de
State of the Union van Bush. Ze riskeert 1 jaar gevangenis. Er
zijn trouwens in het verleden al heel wat gevallen bekend waarbij dat
recht, dat nochtans door de Amerikaanse Grondwet als eerste wordt
erkend, met de voeten werd getreden. Trouwens, er bestaat ook in Canada een anti-haat wet die elke aanzet
tot haat op basis van geloof, ras of etniciteit strafbaar stelt met
een maximum van 2 jaar opsluiting. Dat artikel luidt als volgt:
"Every one who, by communicating statements
in any public place, incites hatred against any identifiable group
where such incitement is likely to lead to a breach of the peace
(...)" (Artikel 319 van de
Canadese Strafwet) .
Het recht op vrije meningsuiting
is dus geen ‘westers’ of ‘democratisch dogma’. Het moet altijd
gebalanceerd worden met plichten.
De cartoons komen bij alle
moslims over als provocatie en bij heel wat moslims als pure xenofobie
of racisme.
Zoals ik al
eerder zei, betekenen deze cartoons voor heel wat moslims een
belediging en lokken ze confrontaties uit. De ambassades die in brand
staan, zijn daar helaas een triest resultaat van. Natuurlijk moeten
we deze excessen van woede veroordelen. Maar we moeten ook niet
blind zijn voor de oorzaken ervan. Dialoog kan nooit plaats vinden
wanneer de betrokken partijen elkaar staan uit te schelden. Wie het
eerst begonnen is, in dit verhaal, is wel klaar en duidelijk.
Wat nu moet gebeuren is een
open, maatschappelijk debat organiseren over de principes die in
sommige geesten als heilig gelden (langs beide kanten wel te
verstaan). Dogma’s zijn gevaarlijk wanneer ze mensen tegen elkaar
opzetten. Het is niet Allah die de ambassades in brand heeft gestoken,
het is ook niet de profeet (vrede zij met hem) die daar de oorzaak van
is. Het is het wederzijdse onbegrip of onwil om elkaar te begrijpen
die deze samenleving stilletjes aan op de rand van een echte
confrontatie brengt.
De islam waarschuwt de moslims
voor het beledigen van andersgelovigen zodat deze op hun beurt God
niet beledigen.
"En hoont
niet hen die zij in de plaats van God aanroepen, zodat zij God niet
uit vijandigheid en zonder kennis gaan honen". (Koran 6:108)
Overigens leert de islam de
moslims dat zij niet horen te beledigen en op taalgebruik moeten
letten:
"Jullie
die geloven! Mensen moeten elkaar niet belachelijk maken. Misschien
zijn zij juist beter dan zij! (...) En maakt geen aanmerkingen op
elkaar en geeft elkaar geen scheldnamen. (...)" (Koran 49:11).
Wanneer moslims tijdens een discussie openlijk bespot of diep beledigd
worden, dan horen zij eigenlijk het voorbeeld te geven door "minzaam
weg te gaan".
Dat wordt weliswaar moeilijk wanneer de belediging massaal in de maatschappij
wordt verkocht.
Wat ik mijn medemoslims kwalijk
neem is hun tekort aan zelfbeheersing. Wij geloven in een laatste dag,
een dag des oordeels, waarin geen mens over een ander zal oordelen.
Laat God oordelen over wat anderen zeggen en doen, en geef zelf het
voorbeeld. Dat mis ik helaas als ik de brandende gebouwen zie in het
Midden-Oosten.
Woede en angst zijn altijd
slechte raadgevers. Ik hoop van ganser harte dat het gesprek wel kan
plaats vinden op een vreedzame wijze zonder elkaar aan te vallen.
Anders ligt er een enorm groot probleem in het verschiet. En geloof me
vrij, niemand is gebaat met een confrontatie tussen beschavingen.
_______________________
[1]
Zie L.Whitehead (2002), ‘Democratization;
theory and experience’, Oxford University Press,
New York,
p 18.
[3]
G. Sartori (1962) ‘Democratic
theory’,
Wayne Wtate University Press,
Detroit,
p 4.
[4]
Zie L.Whitehead (2002), ‘Democratization; theory and
experience’, Oxford University Press,
New York,
p 21.
[6]
L. Diamond (1990), ‘Politics
in developing countries’, Lynne Rienner Publishers,
London,
p 9.
[7]
J. Thomassen (1993), ’Democratie en
representatie', In: J. Van Deth Handboek politicologie, Van
Gorcum, Assen, p 329.
|