CIE-INDEX

"Islam en het Westen: een gespannen relatie.

Dringend: nood aan vreedzaam debat over fundamentele principes"

door Fouad Gandoul (2006)*

“The only freedom which deserves the name is that of pursuing our own good in our own way, so long as we do not attempt to deprive others of theirs, or impede their efforts to obtain it. Each is the proper guardian of his own health, whether bodily, or mental or spiritual. Mankind are greater gainers by suffering each other to live as seems good to themselves, than by compelling each to live as seems good to the rest." -- John Stuart Mill, On Liberty, 1859.

 

Zelden is er zoveel onzin in de media verschenen als de laatste week. Ik bedoel daar zeer duidelijk de omstreden cartoons mee. Het shockeert blijkbaar om te zien en te horen hoe zeer moslims zich beledigd en vernederd voelen. Ondanks de retorische technieken die gehanteerd worden, blijft de boodschap en de oorzaak glashelder. Het ‘Westen’ voelt zich superieur ten opzichte van de ‘onverlichte’ of ‘middeleeuwse’ moslims. De idiootste veralgemeningen worden tot waarheid verheven omdat ze nu eenmaal de koppen van de kranten vullen. Ondoordachte vergelijkingen met de geschiedenis van Europa worden in het breed uitgesmeerd en men vertrekt vanuit zijn eigen groot gelijk. De volgende dingen wens ik aan te klagen:

- De hysterie in de Europese media waardoor het recht op vrije meningsuiting ineens tot een absoluut recht wordt verheven boven alle andere rechten.

- Het gebrek aan empathie en bij sommigen de overduidelijke xenofobe ondertoon in de berichtgeving.

- Het gebrek aan dialoog en de dreiging van een "clash of civilisations".

- Het gebrek aan zelfbeheersing bij heel wat moslims.

Om te beginnen is het voor mij een raadsel waarom die cartoons nù persé moesten verschijnen. Wat is het nut van een dergelijk initiatief? Was het de bedoeling om te shockeren? Was het de bedoeling om te beledigen? Wou men persé nog eens afkomen met de idiote stelling dat de westerse beschaving superieur zou zijn aan alle andere en in het bijzonder aan de moslimbeschaving? Men verwijst in sommige kranten naar Voltaire: ‘Il faut écraser l’infâme’… Wat een kortzichtigheid en vooral wat een gebrek aan historisch besef.

De cartoons hadden zeer duidelijk de bedoeling om via een diabolisering van de profeet van de islam enkele wandaden die plaats vinden in naam van de islam, aan te klagen. Alsof de profeet daar een directe oorzaak van zou zijn. Het beledigen van de profeet en van de islam is niet nieuw. Europa heeft daar tijdens de duistere eeuwen (en ook daarna) een sport van gemaakt. Zo werd de profeet door Dante in zijn ‘Divina Comedia’ naar de laagste kringen van de hel verwenst. De kruisvaarders trokken het Heilig land binnen met als idee dat ze Jeruzalem zouden bevrijden van de heidenen. De slachtingen vonden plaats in naam van Jezus. Telkens schiet men op de verkeerde. Jezus noch Mohammed liggen aan de basis van de misdaden die plaats vinden op aarde ongeacht of de daders ervan zich op hen beroepen.

Ik herinner mij dat in het verleden grote westerse denkers er, ondanks het feit dat ze het vaak grondig oneens waren met de islam, toch in slaagden om hun woorden te wikken en te wegen, en op een beschaafde manier hun eigen mening de wereld in stuurden. Ik denk aan mannen zoals Comte, Rousseau, Renan, Lamartine, Goethe, Tolstoï, Kasimirski, Carlyle, Watt, Shaw, Hegel, Gibbon, Bonaparte, Ghandi, Waardenburg, Weber, Foerhle en talrijke andere grote schrijvers. Ik verkies dat soort kritiek boven ordinaire cartoons. Niemand is verplicht om het met de islam eens te zijn. De Koran kent expliciet elkeen het recht toe op een wel doordachte of zelfs wispelturige keuze.

- ‘Wij zenden de boodschappers alleen als dragers van blijde tijding en als waarschuwers.’ (Koran 6:48), en
- ‘Er is geen dwang in de godsdienst’. (Koran 2:256).

Je bent als mens niet verplicht te geloven. Maar het omgekeerde moet ook gelden. Je mag niet tot atheïsme verplicht worden. De vrijheid van opinie mag niet verward worden met de vrijheid om afstand te doen van God.

Vandaag heerst de cultuur van de vulgariteit. Wie het ergst kan spotten en wie het volk bestookt met schrikbeelden wordt au sérieux genomen, wordt populair, weet er zelfs electoraal garen van te spinnen en wie genuanceerd uit de hoek komt wordt 'politieke correctheid' verweten en komt steeds minder aan bod. Deze tendens zal uiteindelijk geboorte geven aan een cultuur van confrontatie waarin alle regels van fatsoen overboord zullen worden gegooid en waardoor de escalatie alleen maar zal toenemen. Beschaafde volkeren lossen hun twisten vreedzaam op. Hiervoor moeten de randvoorwaarden gerespecteerd worden. Wederzijds respect is een fundamenteel beginpunt voor elk dialoog. Wanneer dat ontbreekt dan is elke poging om vreedzaam samenleven gedoemd te falen. Wie dat niet inziet, is eigenhandig bezig met aan te sturen op een gewelddadige clash van beschavingen. Dat is net wat kost wat kost moet worden voorkomen.

Het recht op vrije meningsuiting is een recht dat evenveel waard is als het recht op respect en het recht op een gelijke behandeling. Racisme is de verwoording van een superioriteitsgevoel waarin een persoon, gemeenschap of volk zich afzet tegen een ander door erop neer te kijken en met minachting de culturele eigenschappen van een vreemd volk benadert. Alle rechten zijn belangrijk. Tegenover elk recht staat een plicht en zo wordt de balans van beschaving in evenwicht gehouden. Elkeen heeft het recht zijn mening te uiten. Doch wanneer die mening indruist tegen de principes van fatsoen en men de bedoeling heeft om te kwetsen dan moet deze mening in balans worden gebracht met de plicht om zich deugdelijk te gedragen.

Je ziet vandaag hoezeer het beledigen van sleutelfiguren in de moslimwereld als een rode lap op een stier werkt. Het gros van het volk reageert emotioneel. Ondanks de oproepen van talrijke geestelijke leiders zien we dat de storm alleen maar in ernst toeneemt. Het is belangrijk om de dialoog terug op het spoor te krijgen. Hoe feller de moslimbevolking in een hoekje wordt geduwd en principes door de strot wordt geduwd die het niet eens begrijpt, hoe feller de spanningen zullen toenemen en des te zekerder we op een botsing van beschaving zullen afstevenen. Ik kan niet genoeg de nadruk leggen op het feit dat dit RAMPZALIG zou zijn. We kunnen elke gewelddadige confrontatie tussen de moslimwereld en de westerse wereld missen als kanker (i.p.v. kiespijn). Vergeet ook niet dat de moslimbevolking in Europa het sterkst groeit. Integratie is een proces van lange adem en eist een stabiele samenleving waarin op een vreedzame wijze kan worden gediscussieerd over de principes, normen en waarden. Zolang de media zich hier niet voor inzetten (samen met de rest van de samenleving) is werken aan integratie een maat voor niets.
 

Democratie wordt niet bedreigd door de islam.

Democratie is een ideaaltype (Dahl, 1998). Om van een democratie te spreken moeten de volgende criteria (Whitehead, 2002) worden gerespecteerd:

  • De controle over het beleid van de regering is grondwettelijk vastgelegd in de handen van de volksvertegenwoordigers.
  • Verkiezingen vinden plaats op regelmatige tijdstippen, op een eerlijke manier en zonder dwang.
  • Nagenoeg alle volwassenen hebben stemrecht.
  • Alle volwassen burgers hebben het recht zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen.
  • Burgers hebben het recht op vrije meningsuiting betreffende politieke onderwerpen (heel breed gedefinieerd), zonder een risico te lopen om gestraft te worden.
  • Burgers hebben het recht om alternatieve bronnen van informatie te raadplegen. Deze worden toegelaten en beschermd door de wet.
  • Burgers hebben het recht om onafhankelijke verenigingen en/of organisaties te stichten, evenals politieke partijen en belangengroepen.
  • De verkozen vertegenwoordigers moeten hun grondwettelijk toegekende macht kunnen uitoefenen zonder dat ze, zelfs op informele wijze, op de een of andere manier door een niet-verkozen oppositie worden gedwarsboomd.
  • Het beleid moet autonoom zijn; het moet onafhankelijk kunnen regeren van één of ander overweldigend politieke systeem.

Wil een beslissing zich democratisch noemen dan dient het tot stand te zijn gekomen in de geest van het concept van democratie. Een beslissing moet rusten op de voorwaarde dat

even when social consensus over a particular policy or a particular discourse seems at its most overwhelming, the separate consciousnesses of individual citizens continue to engage in critical deliberation, rechecking, interrogating and reinterpreting what seems to have been agreed"[1].

Dit kenmerkt elk democratisch debat.

‘Thus democracy precludes conceptual closure concerning its own identity, and hence democratization must be understood as an open-ended process. Democracy is ‘essentially contestable’ not just because our values may differ, or because our political concepts may lack ultimate logic or empirical validation, but also because our political cognition is inherently critical and reflexive[2]’.

Het is omdat niéts, ongeacht welke grootte van de consensus, vrij is van herziening, dat men van een democratische rede spreekt. Het relativisme waaraan het concept democratie - door zijn eigen natuur- bloot gesteld wordt, maakt elke strikte definiëring onmogelijk.

Volgens Sartori kan men democratie niet scheiden van haar doelstellingen.

A democratic system is established as a result of deontological pressures. What democracy is cannot be separated from what democracy should be. A democracy exists only in so far as the ideals and values bring it into being. No doubt, any political system is sustained by imperatives and goals. But perhaps a democracy needs them more than any other. For in a democracy the tension between fact and value reaches the highest point, since no other ideal is farther from the reality in which it has to operate. And that is why we need the name democracy[3].

In het licht van moreel relativisme betreffende het concept 'democratie', en omwille van de afwezigheid van een ‘externe entiteit die uitspraak zou kunnen doen over de ware inhoud van democratie, is er nog alleen de uitspraak van een democratisch debat, bestaande uit experten die de regels van het debat vastleggen[4]. Dat debat, dat constant plaats vindt in het bewustzijn van de mensen, stelt constant tijdelijke meningen op. Het dient als verdediging tegen de excessen van het relativisme. Het probleem stelt zich hier dat dat mentale debat vooral op niveau van de gemeenschap plaats vindt. Op globaal niveau is het moeilijker om de excessen van het relativisme tegen te gaan[5].

Een democratie kan slechts dàn overleven indien  ‘het volk doordrongen is van haar geest’, zodat ze beschouwd wordt als de beste bestuursvorm en het een wijdverspreide legitimiteit geniet[6].

Dit komt overeen met de definitie van Bonger over 'democratie', waarin hij stelt dat democratie

de bestuursvorm (is) ener collectiviteit met zelfbestuur, waaraan een groot deel harer leden, hetzij direct, hetzij indirect deelneemt, en waarbij geestelijke vrijheid en gelijkheid voor de wet gewaarborgd zijn en waarbij de leden van haar geest doortrokken zijn[7].

Tussen theorie en realiteit ligt vaak een wereld van verschil. Daar waar democratie in het begin vooral uitgedrukt werd in algemene verklaringen over de gelijkheid en de rechten van de mens heeft dit later de plaats moeten ruimen voor een nationalistisch ethos met als gevolg dat, vooral in Europa, plots een onderscheid ontstond tussen leden van een nationaliteit en niet-leden. Safi verklaart de gevolgen van die evolutie als volgt:

Nationalism succeeded, particularly in Europe, not only in excluding non-nationals from equal consideration under the law, but it stripped them from their very humanness. It might be interesting to note that the acceleration of colonialism coincided with the rise to power of democratic institutions in France and England. Indeed one can find examples of a complete disregard of the dignity and rights of non-citizens even in the country where modern democracy was born. One such an example is the Secret Evidence Act passed by the Congress in 1997, which permits in this free and democratic country the incarceration without trial of non-citizens[8].’

Nationalisme is nog steeds het meest krachtige middel voor een bepaalde groep om een andere groep uit te buiten zonder daarvoor expliciet als anti-democratisch te worden beschouwd.

Het vurig verdedigen van het recht op vrije meningsuiting is een verdienstelijke arbeid maar moet wel eerlijk gevoerd worden. In één van de eerste academische reacties die volgden op de heisa rond de cartoons blijkt trouwens dat dat recht nergens ter wereld als absoluut geldt[9].

Zo blijkt dat een vredesactiviste (Cindy Sheehan) uit het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden werd gezet omdat ze een T-shirt droeg met een anti-oorlogsslogan, tijdens de State of the Union van Bush. Ze riskeert 1 jaar gevangenis. Er zijn trouwens in het verleden al heel wat gevallen bekend waarbij dat recht, dat nochtans door de Amerikaanse Grondwet als eerste wordt erkend, met de voeten werd getreden. Trouwens, er bestaat ook in Canada een anti-haat wet die elke aanzet tot haat op basis van geloof, ras of etniciteit strafbaar stelt met een maximum van 2 jaar opsluiting. Dat artikel luidt als volgt:

"Every one who, by communicating statements in any public place, incites hatred against any identifiable group where such incitement is likely to lead to a breach of the peace (...)" (Artikel 319 van de Canadese Strafwet) .

Het recht op vrije meningsuiting is dus geen ‘westers’ of ‘democratisch dogma’. Het moet altijd gebalanceerd worden met plichten.
 

De cartoons komen bij alle moslims over als provocatie en bij heel wat moslims als pure xenofobie of racisme.

Zoals ik al eerder zei, betekenen deze cartoons voor heel wat moslims een belediging en lokken ze confrontaties uit. De ambassades die in brand staan, zijn daar helaas een triest resultaat van. Natuurlijk moeten we deze excessen van woede veroordelen. Maar we moeten ook niet blind zijn voor de oorzaken ervan. Dialoog kan nooit plaats vinden wanneer de betrokken partijen elkaar staan uit te schelden. Wie het eerst begonnen is, in dit verhaal, is wel klaar en duidelijk.

Wat nu moet gebeuren is een open, maatschappelijk debat organiseren over de principes die in sommige geesten als heilig gelden (langs beide kanten wel te verstaan). Dogma’s zijn gevaarlijk wanneer ze mensen tegen elkaar opzetten. Het is niet Allah die de ambassades in brand heeft gestoken, het is ook niet de profeet (vrede zij met hem) die daar de oorzaak van is. Het is het wederzijdse onbegrip of onwil om elkaar te begrijpen die deze samenleving stilletjes aan op de rand van een echte confrontatie brengt.

De islam waarschuwt de moslims voor het beledigen van andersgelovigen zodat deze op hun beurt God niet beledigen.

"En hoont niet hen die zij in de plaats van God aanroepen, zodat zij God niet uit vijandigheid en zonder kennis gaan honen".  (Koran 6:108)

Overigens leert de islam de moslims dat zij niet horen te beledigen en op taalgebruik moeten letten:

"Jullie die geloven! Mensen moeten elkaar niet belachelijk maken. Misschien zijn zij juist beter dan zij! (...) En maakt geen aanmerkingen op elkaar en geeft elkaar geen scheldnamen. (...)" (Koran 49:11).

Wanneer moslims tijdens een discussie openlijk bespot of diep beledigd worden, dan horen zij eigenlijk het voorbeeld te geven door "minzaam weg te gaan". Dat wordt weliswaar moeilijk wanneer de belediging massaal in de maatschappij wordt verkocht.

Wat ik mijn medemoslims kwalijk neem is hun tekort aan zelfbeheersing. Wij geloven in een laatste dag, een dag des oordeels, waarin geen mens over een ander zal oordelen. Laat God oordelen over wat anderen zeggen en doen, en geef zelf het voorbeeld. Dat mis ik helaas als ik de brandende gebouwen zie in het Midden-Oosten.

Woede en angst zijn altijd slechte raadgevers. Ik hoop van ganser harte dat het gesprek wel kan plaats vinden op een vreedzame wijze zonder elkaar aan te vallen. Anders ligt er een enorm groot probleem in het verschiet. En geloof me vrij, niemand is gebaat met een confrontatie tussen beschavingen.

 

_______________________



[1] Zie L.Whitehead (2002), ‘Democratization; theory and experience’, Oxford University Press, New York, p 18.

[2] Ibidem.

[3] G. Sartori (1962) ‘Democratic theory’, Wayne Wtate University Press, Detroit, p 4.

[4] Zie L.Whitehead (2002), ‘Democratization; theory and experience’, Oxford University Press, New York, p 21.

[5] Ibidem.

[6] L. Diamond (1990), ‘Politics in developing countries’, Lynne Rienner Publishers, London, p 9.

[7] J. Thomassen (1993), ’Democratie en representatie', In: J. Van Deth Handboek politicologie, Van Gorcum, Assen, p 329.

[8] zie L.M. Safi, ‘Shura and Democracy: Similarities and Differences’, http://home.att.net/~louaysafi/articles/2000/shura.htm

[9] Linda Bogaert, op deze site.

* Fouad Gandoul,
Molenstraat 19/31, 3600 Genk
tel: 089 35 84 34, Gsm: 0477 75 88 19
e-mail: fgandoul@skynet.be

CIE-INDEXWeb master: Herman De Ley Update: 10.12.2008