CIE-INDEX

DE LOKROEP VAN HET ESSENTIALISME

door Henk DE SMAELE (2008),*
Universiteit Antwerpen, dpt. Geschiedenis

Doe ik het wel? Doe ik het niet? Dat heb ik mij de laatste weken wel vaker afgevraagd bij het lezen van De Standaard. Kruip ik in mijn pen om te reageren, of doe ik er beter het zwijgen toe om de zinloze discussie niet eindeloos te rekken en niet meer aandacht dan nodig te laten gaan naar weinig doordachte artikels of opiniestukken? Laatst werd ik met het dilemma geconfronteerd toen de Amerikaanse neocon Mansfield de kans kreeg om zijn ideeën over mannelijkheid breed uitgesmeerd aan de lezers te presenteren. Moest ik toen als genderonderzoeker (naar vooral mannelijkheid) verontwaardigd reageren over zoveel onzin? En de afgelopen dagen heb ik het weer: moet ik als historicus (en docent van onder andere het vak ‘Geschiedenis van de islam’) proberen tussenbeide te komen in de rel rond de betekenis van de islam? Dit keer doe ik het wel. Niet omdat ik mij beter beslagen voel op het terrein van de islam (integendeel), maar wel omdat het debat zo oneerlijk wordt dat zwijgen toestemmen wordt.

“De alliantie tussen uiterst links en moslimfundamentalisme kan tegennatuurlijk lijken, maar is het niet echt”, zo schrijft Mia Doornaert in haar column “Lokroep van het obscurantisme” (DS, 8 februari 2008).[1] Ik wil het hebben over een andere alliantie (en of die meer of minder tegennatuurlijk is, zou ik niet weten): die tussen het moslimfundamentalisme en de publicisten die met de regelmaat van de klok waarschuwen voor de Westerse laksheid tegenover de bedreigingen van de islam. Van Istendael en Barnard deden het onlangs nog in deze krant, en ontketenden daarmee een polemiek. Het was dan ook verbijsterend wat ze schreven. Vooral omdat ze opriepen om te stoppen met de islam als een historisch gegeven te beschouwen (en dus om niet langer aandacht te hebben voor de historische en actuele veelvormigheid van ‘de islam’). Zij schreven letterlijk: “Wat wij en vele andere fatsoenlijke en niet geheel irrationele intellectuelen bedoelen, is dat de discussie ook over het wezen van de islam moet gaan.” Over het wezen dus van de islam. Terecht wees Herman De Ley er vervolgens op dat dit wel een zeer problematisch standpunt is. En dan staat er een filosoof op van de Erasmushogeschool, Jan De Pauw, die zich kennelijk ook ergert aan “de volgehouden oefening van de islamdepartementen aan onze universiteiten om de kern van het leerstelsel te verhullen achter sluiers van contextualiteiten”. Godsdienstsociologen (over historici wordt gezwegen) mogen dan wel beweren dat er niet één islam is maar “vele islams die allemaal gekenmerkt worden door individuele en gecontextualiseerde belevingen”, maar, zo vraagt De Pauw zich af, “heeft er zich al iemand afgevraagd of en hoe die wetenschap dan wel wéét wat het voorwerp van haar studie is?” De godsdienstsociologie, zo gaat het verder, “kan niet verhinderen dat die contextuele verschillen worden gevoed door historisch, geografische en sociaal uiteenlopende interpretaties van eenzelfde bron, met name de koran, die als fundamenteel kenmerk in zich draagt dat de inhoud van het boek, en in vele interpretaties zelfs het boek als object, onaantastbaar blijft.” Wat De Pauw, na Van Istendael en Barnard, dus uiteindelijk beweert, is dat alleen een studie van de letter van de tekst van de Koran klaarheid kan brengen over wat de islam is. De islam heeft dus kennelijk een soort transhistorische essentie die door volgehouden Koranstudie (zonder te veel aandacht voor verhullende ‘contextualiteiten’) te detecteren valt. Dat is alvast een punt waarover de fundamentalisten en De Pauw (en diens gelijkgezinden) het eens kunnen zijn.

Na het voorgaande, is het verbazend vast te stellen dat tegelijkertijd aan de islam wordt verweten ‘versteend’ te zijn. In de woorden van Van Istendael en Barnard: “Al Qaeda en de sharia zijn logische consequenties van de versteende godsdienst die islam heet en die zich al duizend jaar met hand en tand verzet tegen iedere vrije interpretatie van de geopenbaarde teksten.” Maar verzetten zij zich zelf niet tegen een vrije Koraninterpretatie door te schermen met het “wezen van de islam”? (Zoals, geheel terloops, Mansfield zich verzet tegen een vrije interpretatie van mannelijkheid, door te schermen met het “wezen van de man”. Zo werkt nu eenmaal essentialisme.) Als er dan vermaledijde (en blinde, politiek correcte, misschien ook stalinistische, of gewoon naïeve) linkse intellectuelen zijn die verwijzen naar bepaalde vormen van islam die wél een open koraninterpretatie voorstaan, dan worden zij ongeduldig wandelen gestuurd: die voorbeelden doen niet af aan het wezen van de islam, die harde kern die nooit verandert. Concrete, historisch gesitueerde belevingen van de islam zijn niet interessant (behalve wanneer zij fundamentalistisch zijn en aldus het ‘ware gelaat’ van de islam tonen). Enkel de Koran telt.

Het lijkt er dus op dat voor sommige islamosceptici (een neologisme, om het te beladen islamofobie te vermijden) de islam gewoon nooit kan veranderen (en dus misschien maar best verdwijnt?). Dat is bijvoorbeeld ook het geval met Etienne Vermeersch, emeritus van de door Doornaert gewantrouwde Universiteit Gent. Zo schreef hij ooit in De Morgen (4 mei 2007) over de hoofddoek: “Maar is de hoofddoek niet een onschuldig "lapje stof"? Ik weet ook wel dat die, subjectief, voor sommige moslima's niets meer is dan een - op zichzelf respect verdienende - uiting van vroomheid. Dat verandert echter niets aan de objectieve aspecten ervan.” De subjectieve ervaringen van moslims zijn voor Vermeersch niet belangrijk. De betekenissen liggen vast, die zijn onveranderlijk. Moslima’s kunnen wel zelf zo naïef zijn om te denken dat zij een eigentijdse betekenis kunnen verlenen aan hun kledij en symbolen, maar ‘paus’ Vermeersch bepaalt het anders. Niet alleen hij, ook Van Istendael en Barnard weten: “elke hoofddoek zegt hetzelfde”. Hoe komt het dan dat in de Westerse ogen de islam is ‘versteend’?

Omgekeerd vinden we dat de christelijke/Westerse cultuur wél is veranderd, kennelijk ten gevolge van de Verlichting die thans weer door iedereen wordt omhelsd. Daardoor is ook de geschiedenis van de Kerk en van Europa (de Kruistochten, de inquisitie, de bloedige wereldoorlogen…) geen argument in het debat over het wezen van christendom en islam. En daardoor is onze kledij ‘neutraal’, en zijn verwijzingen naar de mogelijke ideologische betekenis van seksespecifieke kledingsstukken bij ons geheel en al achterhaald en naast de kwestie. Wij kunnen zelf wél nieuwe betekenissen toekennen aan het dragen van een broek of een rok, of aan een lichaamscorrectie; moslims kunnen dat niet met een hoofddoek. Zij zijn immers versteend. Zij hebben geen geschiedenis.

Het is onthutsend hoe onzorgvuldig intellectuelen vandaag soms omspringen met het verleden, en hoe zij onbeschaamd historische argumenten gebruiken in hun ideologische projecten. En in hun polemieken. Ik ben benieuwd welk etiket Doornaert voor mij zou bovenhalen. ‘Stalinist’ of ‘fascist’ lijkt mij toch echt te sterk. Misschien eerder iets in de zin van ‘postmoderne relativist’?

 

[1] De tekst van M.Doornaerts column kan gevonden worden op deze site.
 

* Henk de Smaele, Docent Universiteit Antwerpen, Departement Geschiedenis.  

henk.desmaele@ua.ac.be

CIE-INDEXWeb master: Herman De Ley Update: 10.12.2008