|
Het “phlogiston” was heel populair onder chemisten in de 17de
en 18de eeuw.
Waarom en hoe iets ontbrandt? Door... het “phlogiston”. Het
beroep op een vreemde taal (Grieks: phlox, "vlam, vuur") verhulde dat het
in wezen om een
pleonasme ging.[1] Daarmee werd de schijn van verklaring, en dus van
kennis gewekt - en het vormde als zodanig een obstakel voor kennisverwerving. Die
manier van denken gaat via de alchemie uiteindelijk terug tot de oud-Griekse natuurfilosofie.
Volgens de Franse
wetenschapsfilosoof, Gaston Bachelard, blijft ze ons ook vandaag nog steeds
verleiden
als "un obstacle épistémologique".[2] Ik
werd daaraan herinnerd toen ik in De Morgen las hoe Etienne Vermeersch nogmaals zijn
hobby horse van het “rootisme” van stal
haalde ten einde de “multiculturelen” de les te spellen. "Rootisme",
z.i., als een vorm van “collectivistisch denken" is
weliswaar "niet zo verderfelijk als racisme" maar het is wel
degelijk evenzeer gebaseerd, qua solidariteit, op het principe van "Eigen
volk eerst"; aldus vormt het ("in sommige van zijn aspecten") een gevaar voor het "ethisch
ideaal". Etienne Vermeersch, in zijn opiniestuk, aarzelt
niet om m.b.t. "mensen van allochtone afkomst" (hij bedoelt
Marokkaanse en Turkse) zelfs te gewagen van "een tegennatuurlijke houding". De "multiculturelen"
(whoever they may be) doen er bijgevolg fout
aan "dat rootisme te stimuleren".[3]
En de tussenkomsten, de voorbije weken, van de Anglikaanse
aartsbisschop, Rowan Williams, en de Turkse premier, Recep Erdoğan, worden in dat verband door hem
gebrandmerkt als "ontsporingen" - die hopelijk "onze multiculturelen...
stilaan"
tot inzicht zullen brengen "waartoe hun pad leidt".
Ook na hernieuwde
lectuur van Vermeersch' uitvoeriger argumentatie op het internet, blijf ik het
erg moeilijk hebben
met zijn creatie en gebruik van de term “rootisme”. Wat in feite een indirecte hoedanigheid is,
subjectief en wisselend, dialectisch, contextgebonden en dynamisch
- je persoonlijke,
bemiddelde
verhouding tot onder meer het land van herkomst (i.e. jouw perceptie ervan) van je ouders of grootouders
-,
wordt door dit (van het Engels afgeleide) woord direct gesubstantifieerd,
tot iets
statisch en objectief gegeven. Het neologisme wekt - vergelijkbaar met
"phlogiston" - verkeerdelijk de indruk dat
het ons iets leert want een verklaring levert, terwijl het in feite slechts om een herneming
gaat, in één geleerd klinkend woord, van een complexe, psychische en
emotionele attitude, die telkens gekoppeld is aan een heel specifieke
context.
Maar
er is meer: wanneer het (onvermijdelijk) moraliserend naar voren wordt
geschoven als de oorzaak van maatschappelijke dysfuncties(vgl. het
ondertussen beruchte "Kutmarokkaantjes" van Yves Desmet),
leidt "rootisme" ons tot “blaming the victim”. Weliswaar wordt door Etienne Vermeersch een (belangrijke) nuance gemaakt t.a.v. racisme,
hoewel hij bij beide vreemd genoeg de klemtoon blijft leggen op
biologische afstamming (racisme is vandaag meestendeels
juist niét-raciaal). Het wézenlijke verschil
echter tussen beide blijft buiten beschouwing. In onderscheid met "rootisme",
is racisme niét louter een kwestie van foute denkbeelden, gevoelens
of intenties: je kan perfect, als beleidsmaker, qua intenties
'antiracist' zijn en tóch racistische maatregelen nemen. Neen, racisme is
ook en vooral onlosmakelijk verbonden met
macht, en dus met concrete, maatschappelijke
en politieke verhoudingen, te weten: van ongelijkheid, discriminatie en uitsluiting.[4]
In de mate dat die verhoudingen effectief geïnstitutionaliseerd en
structureel zijn - en dus niét louter een kwestie zijn van ideeën maar zich uiten in administratieve e.a.
praktijken -,
beïnvloeden zij evident de manier waarop eraan onderworpen individuen
voor zichzelf een
identiteit construeren, meer in het bijzonder wat het aandeel daarin betreft van de
verhouding tot het “land van herkomst” én het “land van
aankomst” (Scheffer).[5] Vormen van
radicalisering ten gevolge van misbruikte
maatschappelijke verhoudingen leveren daaromtrent een duidelijk voorbeeld.[6] Niet “rootisme”, derhalve, geeft een verklaring
(het is integendeel een verhullend label voor wat verklaard moet wórden), maar
dat doen wél
de ongelijke, maatschappelijke verhoudingen tussen meerderheid en
minderheid.
Processen trouwens van identiteitsvorming
via groepsverbondenheid (met
een véélvoud van groepen) vind
je overal, op elk niveau en in alle middens, in onze samenleving - en
ze zijn perfect
normaal. Zonet bv. verscheen aan de ULB de publicatie: "Football et
identités" (Jean-Michel De Waele, Alexandre Husting, éd., Brx
2008). Niet voor niets wordt de mens reeds sedert de oudheid
gedefinieerd als een "sociaal wezen". Om het even met de oude
Marx te zeggen: de mens komt niet met een spiegel ter wereld, maar
"spiegelt zich eerst aan een ander mens. Pas door de betrekking op de
mens Paulus als zijns gelijke ziet de mens Petrus zichzelf als mens"
(Het Kapitaal I, p. 15 n. 18, vert. Lipschits). Zo is dat,
altijd en overal. Méér nog: dergelijk gevoelen van groepsverbondenheid
"is noodzakelijk voor ('s mensen) psychologisch welbevinden" (Noel
Clycq). Er is derhalve geen goede reden om iemands relatie tot
het 'thuisland' van zijn of haar (groot)ouders (in de sociologie wordt
daaromtrent ook gesproken van "cultureel kapitaal")
te problematiseren b.m.v. de term "rootisme", en aldus
te stigmatiseren. En dan nog wel énkel... wanneer het "Marokkanen",
"Turken", en andere moslimimmigranten betreft (en
niét bv. ex-Italiaanse, ex-Griekse enz. immigranten). Tenzij...
men dogmatisch stelt dat in het geval van moslims zoiets
noodzakelijk gepaard gaat met "onderdrukking van het individu",
enz. In dat
geval, echter, houdt men - nog afgezien van een voor betwisting
vatbare visie op "de islam"
- zélf geen rekening met het feit dat de betreffende volgende
generaties en jongeren hiér geboren en getogen zijn; dat zij dus méér
zijn dan een 'biologisch product" van hun afkomst. Iedere
persoon
zoekt zich een
eigen weg en moét dat ook kunnen doen, binnen de gegeven context (voor een
geslaagde literaire verwerking van die thematiek, lees bv. het boek
"Vrouwland", van Rachida Lamrabet, 2007).
Wat misschien nog het meest
bezwaarlijk van al is aan deze pseudo-verklaring: uitgaande van een
minder of meer geïdealiseerd en idyllisch beeld van de "eigen"
maatschappij,[7] rechtvaardigt
zij paternalisme en bevoogding ten aanzien van een minderheid. Wie gediscrimineerd wordt, zo kan
geargumenteerd worden en wordt ook vaak geargumenteerd (bv. de
verplichting om Nederlands te kennen/leren als voorwaarde om een
sociale woning toegewezen te krijgen), wordt “in zijn/haar eigen belang”
gediscrimineerd, gedisciplineerd en gekleineerd. "Rootisme" vormt in die zin
een argument pro emancipatie of integratie onder dwang - d.w.z.
pro gedwongen assimilatie of conformering.[8]
Het hoofddoekenverbod in
Antwerpen, Lokeren, Gent en Lier past ook in dit plaatje, maar is
toch complexer. Het vertrekt niet louter vanuit een perceptie van
vooronderstelde inferioriteit van (het culturele kapitaal van) de
moslimminderheid. Het zet eigenlijk een Janusmasker op.
Enerzijds is er de ideologische en retorische constructie van een
onoverkomelijke
conflictsituatie, te weten t.a.v. de Europese lekenstaat, die
coûte que coûte moet verdedigd worden tegen de islamitische
dreiging.[9]
Anderzijds, poogt men de maatschappelijke impact van het verbod te
minimaliseren, als zijnde simpelweg een kwestie van "dress code" voor ambtenaren
(zo nogmaals burgemeester Vanderpoorten, in DM). Ik heb vroeger nooit horen spreken over
"dress
code" voor stedelijke ambtenaren (behalve dan voor geüniformeerde hostessen,
die burgers verwelkomen op hun gemeentehuis). Het enige wat
telde waren banale regels van fatsoen en betamelijkheid - en kan je stellen
dat een hoofddoek of sjaal "onfatsoenlijk" zou zijn? Het
gààt voor de betrokkenen
juist om fatsoenlijkheidsregels. Het feit dat deze vrouwen en meisjes in
een of andere mate 'religieus' geïnspireerd (kunnen) zijn, hoeft ànderen -
niet-moslims - niét te interesseren: wij hebben daar niéts mee te maken;
of positief geformuleerd: wij hebben dat te respecteren.
Wanneer
we ons daar wél mee "moeien", als beleidsmakers, academie of publicisten, houden wij in
feite intentieprocessen én handelen we in strijd met
het individuele "recht op zelfbeschikking" (Etienne
Vermeersch) van deze personen.
Maar, zoals gezegd, wordt ook, en vooral, gezwaaid met "de neutraliteit van de openbare functie",
ten einde het verbod
te legitimeren (óndanks de grondwettelijke bepalingen).[10]
Hierop moet gerepliceerd worden dat de "scheiding tussen kerk
en staat"
(als zodanig weliswaar niét vermeld in de Belgische Grondwet), waaraan de
laïcistische visie op "neutraliteit" gekoppeld wordt,
geen personen en hun levensbeschouwing viseert, maar een scheiding
betreft tussen instituties.[11]
Dat hield en houdt in dat
"bedienaren" van cultussen georganiseerd door een kerkelijke institutie
- historisch in ons land de rooms-katholieke
clerus en hiërarchie, finaal onder de zeggingschap van het Vaticaan -
en tant que tel per
definitie geweerd worden uit ambtelijke hoedanigheden.[12]
Zo niet zou dat een inmenging vormen van een
"kerk" in de werking van
"l'état
neutre entre les religions" (E.Renan); en, omgekeerd, de staat
zou zich
in dat geval vereenzelvigen met
een religieuze institutie. In het geval echter van moslima's of moslimdames gaat het niét om bedienaren van een of andere religieuze instelling:
de meisjes en vrouwen zijn
leken - óók wanneer zij een hoofddoek dragen. Zij kunnen
(zouden moeten kunnen) vrijelijk een beroep doen op de grondwettelijk
gewaarborgde "vrijheid van eredienst, de vrije openbare
uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te
uiten". Om het even te concretiseren naar
de Gentse situatie: de bekende 'zuster Monica' Van Kerrebroeck kan nièt
achter een desk in de stedelijke administratie, ook al draagt zij géén hoofddoek; mevr. Zeynep
Göktepe, daarentegen, van de Stedelijke Integratiedienst, moet dat wél
kunnen, mét hoofddoek!
Laten we nog een laatste maal terugkeren naar "rootisme".
Luidens Etienne Vermeersch is het verantwoordelijk voor een "Eigen
volk eerst" separatisme of collectivisme, "binnen (het
bestaande) brede solidaire geheel". Na het voorgaande moet m.i. de
vraag gesteld worden of dat "brede solidaire geheel" binnen de
bestaande maatschappelijke verhoudingen wel méér is dan retoriek en
ideologie.
Retoriek en ideologie die het "rootisme" helpt toe te dekken, in plaats van
ze kritisch te bevragen - wat dan
toch de taak is van de filosofie?
Vosselare, 21 februari 2008.
NOTEN:
*
Uitgeschreven reactie op Etienne Vermeersch's opiniestuk, “Het pad van de
multiculturelen gaat de verkeerde kant op”, DM, “de Gedachte”,
16 feb 08, p. 18* [zie ook, uitvoeriger, op zijn website
- Google, in cache,
Analyse van de problematiek rond de multiculturele samenleving ].
Zie mijn kortere lezersbrief in DM, 18 feb 08.
[1] De oorspronkelijke tekst is hier
licht aangepast, na repliek, via email (en nadien ook een lezersbriefje in DM),
vanwege Etienne Vermeersch. Hij schreef het volgende: "Vooreerst
de phlogistontheorie. Ik ben daar toevallig iets beter over ingelicht
dan jij. Deze theorie werd lange tijd door topfiguren als Scheele,
Cavendish en Priestley aangenomen en niet als 'woordenspel': zij waren
hoofdzakelijk experimentatoren en zagen de theorie in hun experimenten
bevestigd - zoals talloze astronomen eeuwenlang de theorie van
Ptolemaeus in hun waarnemingen bevestigd zagen -. De basis werd gelegd
door Stahl via een experimentum crucis waarbij hij metaal in metaalas
omzette via verbranding en die metaalas terug in metaal, via
'reductie'. De phlogistonhypothese was dat bij de verbranding een gas,
phlogiston vrijkwam en bij de reductie het phlogiston terug met de
metaalas verbonden werd en zo het metaal opleverde. Zelfs Kant geeft
dit in zijn tweede Vorrede tot de Kritik der reinen Vernunft als een
karakteristiek voorbeeld van de experimentele methode. Lavoisier deed
met deze theorie wat Copernicus met die van Ptolemaeus deed: een
volkomen omkeren van het uitgangspunt. Verbranding werd nu een
verbinding van het metaal met zuurstof en reductie een verdrijven van
zuurstof uit de metaalas. De kracht van de theorie werd versterkt door
de verbranding van waterstof te beschouwen als een verbinden met
zuurstof, wat water opleverde. Maar Priestley bracht hiertegen in dat
dit nooit zuiver water was: het was altijd zuur. Lavoisier verkoos
echter de kracht van de theorie boven het verdict van het experiment.
Dat probleem werd pas echt opgelost toen Paets van Troostwijck erin
slaagde uit waterstof en zuurstof zuiver water te bekomen. De dingen
zijn dus niet altijd zo, zoals ze lijken".
Ik heb het
woordje "simpel" derhalve geschrapt, en "gewoon" vervangen door
"in wezen". De pointe van dit voorbeeld (er zijn er andere
te geven: bv. waarom zijn sommige planten slaapverwekkend? door de
aanwezigheid van het 'somniferum' - dit maal uit het Latijn) was hoe dan ook niét dat de theorie niet ernstig werd
genomen, wel integendeel. Denken we maar aan substantifiëringen als "het
koude", "het warme", het "droge", het
"vochtige", ook "het mannelijke", "het
vrouwelijke", enz., enz.: vereenzelvigd met bepaalde
"elementen" ("vuur", "water", "aarde"...), werden ze vanaf Anaximander, 1e helft van de 6de eeuw
voor onze tijdrekening, in de natuurfilosofie, en later eeuwenlang in de antieke, vervolgens
Arabische en dan Westerse alchemie héél "ernstig" genomen: cf. de
ontelbare, vergeefse pogingen van de alchemisten om bij middel van hun ovens, "bains
Marie's", kerotakissen, distilleertoestellen, alambieken en
andere toestellen die kwaliteiten-substanties in zuivere vorm en
juiste verhouding te reproduceren en combineren, ten einde aldus goud,
het "grote elixir" en/of de "steen
der wijzen" te creëren. Het was onder invloed van Paracelsus
(1493-1541) dat
de alchemistische zwavel-kwiktheorie ("zwavel" stond voor het
mannelijke, ontvlammende, enz., en "kwik" voor het vrouwelijke,
passieve, vloeibare, enz.) precies aan de basis lag van de zgn. phlogistontheorie,
in de 17de eeuw. PS Over de laat-antieke en vooral Arabische alchemie, zie
op deze site (voor de rol van
Paracelsus, ibidem, noot nr.
86). [2] In zijn bekende werk, La formation de l'esprit
scientifique, Paris 19696. Zie Chap. I, over "la notion d'obstacle épistémologique". Over
"l'obstacle substantialiste", zie Chap. VI. Bv. p. 97: "... d'une
manière plus ou moins dissimilée sous les artifices du langages, c'est
là un type d'explication qui menace toujours la culture. Il semble
qu'il suffirait d'un mot grec pour que la vertu dormitive de l'opium
qui fait dormir cesse d'être un pléonasme. Le rapprochement de deux
étymologies de génies différents produit un mouvement psychique qui
peut passer pour l'acquisition d'une connaissance. Toute désignation
d'un phénomène connu par un nom savant apporte une satisfaction à une
pensée paresseuse...". Ook p. 109: "Des propriétés manifestement
indirectes pour un esprit scientifique sont immédiatement
substantifiées par la mentalité préscientifique", en partim.
[3] Vermeersch nog in zijn opiniestuk:
"... het collectivisme, dat solidariteit eist zonder respect voor
het individu. De ergerlijkste vorm van zo'n collectivisme is het
racisme... Een ander gevaar nu ligt in een fenomeen dat ik 'rootisme'
genoemd heb". Zie ook uitvoeriger, in het hoger vermelde artikel
op zijn site, bv.: "Racisme is de overtuiging dat mensen in
positieve of negatieve zin bepaald zijn door hun behoren tot een
bepaald ras; correcter uitgedrukt, door een reeks (echte of
denkbeeldige) eigenschappen die via biologische afstamming verworven
zijn en die ze gemeenschappelijk hebben met een groep. Daar komt nog
de overtuiging bij dat "rasvermenging" schadelijk is. Een racist
definieert andere mensen op grond van hun genetische oorsprong: hij
identificeert hen, (en belaadt hen eventueel met stigmata) niet op
grond van wat zij als persoon zijn, maar als leden van een groep,
waartoe zij, vanwege hun afstamming zouden behoren. Wat ik rootisme
noem is niet zo verderfelijk als racisme, maar het heeft er een
verdacht aspect mee gemeen. De term komt van het woord roots, wortels.
Rootisme bestaat erin dat mensen zichzelf op biologische gronden
definiëren: de rootist is overtuigd dat de eigen identiteit bepaald
wordt door biologische afstamming... In tegenstelling met de racist,
die anderen op basis van biologische afstamming in een vakje duwt,
plaatst de rootist zichzelf om gelijkaardige redenen in een vakje. Met
dat rootisme gaat veelal de overtuiging gepaard dat men aan de eigen
roots trouw moet blijven: bijvoorbeeld de Marokkaanse (Turkse)
nationaliteit, cultuur, godsdienst. Ik beschouw het als een
belangrijke opgave voor de komende jaren dat we de kinderen van
allochtonen ervan overtuigen dat het rootisme zowel om pragmatische
als om ethische redenen, een verkeerde houding is... Onder alle
nefaste opdelingen van mensen in groepen is het racisme wel de meest
absurde en de meest verderfelijke. De persoonseigenschappen van een
mens: aanlegfactoren, karakter, vaardigheden, sociale kwaliteiten,
enzovoorts zijn volstrekt niet bepaald door biologische factoren die
ze, op grond van afstamming met een groep gemeen zouden hebben. Door
deze wetenschappelijk onomstootbare vaststelling wordt het racisme
zowel intellectueel als ethisch complete nonsens. Maar hetzelfde geldt
voor enkele aspecten van het rootisme." ...
[4] Zie hierover uitvoerig natuurlijk Jan Blommaert & Jef Verschueren, Antiracisme (Antwerpen-Baarn
1994).
[5] Zie het Opiniestuk van Noël Clyck,
"Roots die je niet klemzetten", DM 20 februari 2008.
[6] Dat geldt vanzelfsprekend ook voor
religie, in het bijzonder islam, waaraan Vermeersch een bijzondere rol toeschrijft binnen het
"rootisme". Om slechts één voorbeeld te citeren uit recent
sociologisch onderzoek inzake Nederland, Phalet, K. & Frea Haker
(2004), Moslim in Nederland. Diversiteit en verandering in
religieuze betrokkenheid: Turken en Marokkanen in Nederland 1998-2002.
SCP-werkdocument, 106b (Sociaal en Cultureel Planbureau, Utrecht &
Ercomer-ICS, Universiteit Utrecht). Ik citeer een passus met citaten
uit mijn cursusnotities, "Secularisme & Religie", URL
http://www.flwi.ugent.be/cie/RUG/deley33.htm#III. (einde kap. II):
...Net
zoals taal en cultuur, kan ook religie het onderscheid versterken tussen
de etnische "in-group" en "out-groups". Men mag dan met name
verwachten dat religie aan belang wint, en wel als bron van
zelfstereotypering en zelfwaardegevoel, wanneer de betreffende in-group
in etnisch en religieus opzicht zich in een minderheidspositie bevindt:
"Voor Turken en Marokkanen in Nederland kan de moslimidentiteit een
moreel ijkpunt en tegenwicht bieden tegen het maatschappelijk
machtsoverwicht van autochtonen, en aldus hun zelfwaardegevoel beschermen"
(p.26).
De verwachting, dat een hoge mate van etnische identificatie gepaard gaat
met een sterke religieuze betrokkenheid, als een positief onderscheidend
etnisch kenmerk, is volgens sociaal-psychologen des te waarschijnlijker
wanneer de betrokkenen, in dit geval moslims, zich àls moslims bedreigd of
gediscrimineerd voelen:
"in het verlengde van etnische reactievorming kan ook religie als
compensatie dienen voor negatieve ervaringen van discriminatie,
vooroordeel of cultuurconflict met dominante waarden en normen in de
ontvangende samenleving" (ibid., p. 27).
Een recent voorbeeld in eigen land levert het hoofddoekverbod voor
gemeenteambtenaren in Lier: "Het is me ook al opgevallen dat
mensen die voordien geen hoofddoek droegen, dat vandaag weer wel doen", aldus burgemeester Marleen
Vanderpoorten, in De Morgen van 16 februari 2008.
[7] Het is misschien niet helemaal
toevallig dat Etienne Vermeersch voor zijn (westerse) verzoening tussen
individualisme en "uitdijende" solidariteit in het kader van een
vooruitstreven "ethisch ideaal" terugvalt, zonder het expliciet te
vernoemen, op een principe van de Stoa, in de latere oudheid, dat van de
zgn. "oikeíosis" (letterlijk: "toeëigening"): zie
op deze site.
Ondanks de keizer-filosoof Marcus Aurelius nochtans was dat reeds in
de oudheid niet echt een succesverhaal. - Mochten we kwaadwillig zijn -
quod non -, zouden we stellen dat de Europeanen/Belgen/Vlamingen...
hùn "rootisme" althans ten aanzien van moslimimmigranten en de
moslimwereld in het algemeen in een verhullend waardenkleedje steken van
universalisme, democratie, tolerantie, vrijheid van meningsuiting, enz. -
wat dan bv. niet strijdig is met de oorlogen tegen de Iraakse bevolking,
steun aan de Israëlische apartheidspolitiek, enz. Wat weliswaar de
verhouding betreft t.a.v. de Walen en/of Franstaligen, vallen Vlamingen
wél terug op een openlijk en primair "rootisme" - zodanig dat bv.
een politicus van een andere partij "geen echte Vlaming" kan worden
genoemd.
[8] Het is alvast opvallend dat Etienne
Vermeersch de uitlating van de Turkse premier in Duitsland, dat het een mensenrecht is
zich niét te assimileren (sc. aan de dominante cultuur), als een
"ontsporing" veroordeelt. Zie ook mijn lezingtekst, "Integratie:
een 'gedwongen uitnodiging'?",
op deze site.
[9] Laten we toch maar even het opiniestuk
van B.Barnard en G.Van Istendael citeren: "Na een ontwikkeling van
tweehonderd jaar - nee, tweeduizend jaar - hebben wij Europeanen de
publieke sfeer eindelijk van de persoonlijke afgebakend en een soort
evenwicht bereikt tussen de res publica en de religio. Het zou wel erg
onverstandig zijn dat op te geven...(H)et is absoluut noodzakelijk te
begrijpen dat onze termen - al onze dierbare civiele vrijheden, waar het
neutraliteitsbeginsel een structurerend principe van is - betekenisloos
zijn binnen de theologische ruimte van de Profeet" (zie
op deze site). Bijzonder nuttig
hieromtrent is nog altijd het essay van Heiner Bielefeldt, "Moslims in
de Lekenstaat. Het recht van moslims mee vorm te geven aan de Europese
samenleving" (vertaling Gent, 2000;
op deze site).
[10] We denken in het bijzonder aan
artikel 11 van de Grondwet, dat "het genot van de rechten en vrijheden
(...) zonder discriminatie moet verzekerd worden. Te dien einde waarborgen
de wet en het decreet inzonderheid de rechten en vrijheden van de
ideologische en filosofische minderheden". Mooier kan het niet, toch?
Zie hierover onze cursusnotities, op deze
site.
[11] Als het resultaat van de historische
breuk met de feodale samenleving (met haar "ordines"), zoals
exemplarisch gerealiseerd werd met de Franse Revolutie. De eeuwenlange
clash tussen pauselijke theocratie en politieke orde (proto-staat),
tussen sacerdotium en regnum, werd finaal (?) gewonnen door
laatstgenoemde.
[12] We zouden beter niet schrijven:
"per definitie", maar wel: "in principe". Het katholicisme,
immers, fungeert in onze 'lekenstaat' als een publieke of
"civiele religie" (een notie die in se contradictorisch is of zou
moeten zijn): zie bv. de aanwezigheid, vooraan in de senaat gezeten, van kardinaal Danneels bij de eedaflegging van Albert II; de nog altijd
'vanzelfsprekende' aanwezigheid van ook niet-katholieke regeringsleden op
het katholieke Te Deum (gecelebreerd door dezelfde kardinaal), t.g.v. het
feest van de dynastie, enz. In sommige Europese landen (bv. Nederland)
werd dergelijke privilegiëring van de "eigen" (in dat geval Lutheraanse) kerk gelegitimeerd met puur "rootistische" argumenten.
Zie over de evolutie van de kerk in België, Karel Dobbelaere, "Het 'Volk-Gods'
de mist in?. Over de kerk in belgië", Leuven 1988. |