Inhoud:
Preliminair
Inleiding
1. Analyse
2. Een dwangbeleid?
3. Dwingen: zin of
onzin?
Epiloog.
Preliminair:
De keuze van dit thema werd mij ingegeven door de
reactie van het Mechelse stadsbestuur op een interview in P-Magazine.
Het interview was naar aanleiding van de recente sociale rellen in de
Franse banlieues afgenomen van drie
verantwoordelijken van het bekende "Mechels-Marokkaanse" Jeugdhuis Rzoezie
(PS in 2004 mocht Rzoezie de 7de Emancipatieprijs
van de V.O.E.M. in ontvangst nemen). Zoals afgedrukt, werden in het
interview enkele kritische bedenkingen geformuleerd ten aanzien van
uitingen van racisme vanwege o.m. de Mechelse politie. Het stadsbestuur
legde klacht neer (!) en eist het ontslag van de drie betrokkenen uit
het bestuur van het jeugdhuis, met de nauwelijks verholen dreiging van
intrekking van de subsidie ervan (PS in zijn vergadering, vorige week,
heeft het bestuur geweigerd op die eis in te gaan)[1]. Inhoudelijk,
anderzijds, werd ik op het goede spoor gezet door een bijdrage op de
website, "Blijf van mijn Hoofddoek", met als
titel: "Barometer voor Integratie" (auteur: Laila
Ekchouchou)[2],
naar aanleiding van het "Dossier Islam: Misschien moeten we
het hen gewoon vragen?", dat onlangs gepubliceerd is in de
Gazet
van Antwerpen.
Inleiding.
Sedert de oprichting, in 1988, van het Koninklijk
Commissariaat voor het Migrantenbeleid (KCM) is het woord "integratie"
ongetwijfeld hét catchword, hét trefwoord bij
uitstek waarmee het Belgische en Vlaamse overheidsbeleid ten aanzien
van (wat nu genoemd wordt:) de "etnisch-culturele minderheden" zowel
gelegitimeerd wordt als be(- en ook ver)oordeeld wordt[3].
Wat de basale betekenis van
het woord betreft wanneer we het hebben over "maatschappelijke
integratie", in een onverdachte bron, de "dikke Van Dale"
(12de druk), kunnen we daarover lezen:
"het als gelijkwaardig opnemen van een
bevolkingsgroep (van ander ras [sic]) in een
bepaalde maatschappij".
Deze lexicologische eenduidigheid heeft niet belet
(niet kùnnen beletten) dat, zodra het erop aankwam
de concrete, politieke maatregelen te formuleren voor het effectief
realiseren van dat nobele streefdoel, het integratie-begrip de inzet is
geworden van de laat-20ste-eeuwse, politieke en ideologische strijd
binnen de Vlaamse samenleving. Volgens een aantal kritische,
wetenschappelijke onderzoekers, bv. mijn collega en vriend, Jan
Blommaert, is die ideologische strijd (zeg maar: om de "hegemonie", in
de zin van Gramsci) vandaag zo goed als gewonnen zijn door het Vlaams
Blok/Belang [4].
Wat daar ook van zij, de "VB-interpretatie" van integratie is bekend,
namelijk: "aanpassen of opkrassen!" Het hoeft niet
gezegd, dat democratische beleidsmakers, over de partijgrenzen heen,
deze populistische slogan afwijzen - ook al komen sommigen onder hen
wel eens erg dicht bij de geest ervan: cf. de
tussenkomst van de CD&V-fractieleider, Pieter De Crem, in de
Kamer, naar aanleiding van de sociale rellen in de Franse
banlieues en de - al bij al heel beperkte - echo ervan in
België. Maar, "tel quel", zal iedereen het er wel
over eens zijn dat de VB-slogan een karikatuur maakt van de definitie
in Van Dale (Filip Dewinter zelf, trouwens, wil de term "integratie"
vervangen zien door "assimilatie", cf. het GvA-dossier).
Laat ik daarom liever uitgaan van de definitie van
"integratie", zoals genotuleerd in
hetzelfde dossier van de GvA, door een
democratische beleidsmaker, namelijk de huidige Vlaamse minister voor
(o.m.) "inburgering", Marino Keulen. Hij verstaat onder "integratie":
“De dwingende uitnodiging aan
iedereen die in onze samenleving wettelijk verblijft en er zijn
toekomst wil uitbouwen om actief deel te nemen aan die samenleving, de
taal te leren, de basiswaarden ervan te kennen en na te leven en er zo
snel mogelijk op eigen benen te kunnen staan."
1. Analyse.
Keulens definitie is een omstandig en duidelijk
bedachtzaam geformuleerde, politieke visie, die zeker een nadere
analyse verdient. Ik zal dat doen door de lange zin te verdelen in drie
onderdelen:
- de aanzet, die de "doelgroep" omschrijft tot
dewelke het integratiebeleid zegt zich te willen richten;
- het middendeel, dat de voorwaarden of
vereisten formuleert;
- het slot, dat het finale objectief verwoordt.
1.1. Laten we met dat
slot beginnen: "en er zo snel mogelijk op
eigen benen te kunnen staan".
Het is de enige zinsnede die wat "volks"
geformuleerd is en die voor meer dan één uitleg vatbaar lijkt. Maar
vanuit een onbevangen blik, denk ik dat we het erin verwoorde objectief
gerust als
emancipatorisch mogen begrijpen: "op
eigen benen kunnen staan", het is iets dat ieder van ons,
zodra de volwassenheid bereikt, inderdaad wil realiseren voor zichzelf.
De bedoeling is niet enkel materieel en financieel (eigen woonst, eigen
inkomen, enz.), maar ook "als mens" voor jezelf te kunnen instaan, je
verantwoordelijkheden op te nemen, ook t.a.v. je medemensen, enz., én,
zou ik daaraan toevoegen, je bij dat alles ook (meestal) "goed te
voelen". Ieder zoekt zijn of haar "weg" om daartoe te komen en menigeen
lukt dat ook wel, in meerdere óf mindere mate. Anders gezegd,
"integratie", op die manier begrepen, beoogt finaal 's mensen
"emancipatie" - wat ook strookt, denk ik, met de (geest van de)
definitie van Van Dale (cf. "gelijkwaardigheid").
Het
middendeel, zoals gezegd, geeft de "voorwaarden" aan die
dat (nobele) objectief moeten helpen verwezenlijken. We kunnen zeggen
dat we ons hier op "vertrouwd terrein" bevinden. Het is een "nagel"
waarop de laatste jaren keer op keer heel nadrukkelijk door vooral
liberale politici wordt gehamerd - op een wat krasse manier bv. door
minister Dewael, in De Standaard, 4/10/04, in verband met de zgn.
inburgeringscursussen: "Onze spelregels, onze
gedragscode aanvaarden, dààrover gaat het!". Maar nieuw kan
je dat niet noemen, in het kader van het Belgische integratiebeleid.
Reeds in het "1e rapport" van het Koninklijk
Commissariaat voor het Migrantenbeleid (1989, pp. 35-36), opgesteld
onder de verantwoordelijkheid van Koninklijk Commissaris,
(CVP-politica) Paula D'Hondt, werd "integratie"
begrepen als een vorm van "inpassing", en als
zodanig toegespitst op
"het niveau van enkele richting
gevende sociale beginselen waarover een autochtone meerderheid het
impliciet eens lijkt te zijn".
Dat gebeurde in uitdrukkelijk onderscheid met twee
andere "niveaus", waaromtrent géén problemen
werden gezien, namelijk
- “het niveau van de waarden en
beginselen die door het concept ‘openbare orde’ beschermd worden en
derhalve juridisch afdwingbaar zijn;" en
- het niveau van de vele
cultuuruitingen die noch de openbare orde noch de sociale beginselen
van een gastland in het gedrang brengen”.
Paula D'Hondt zelf heeft die eerste, opvallend
vage formulering van het "problematische" niveau (cf. "enkele",
"richtinggevende", "impliciet", "lijkt") nadien enigszins
gepreciseerd, bv. in De Standaard, 1-2 februari '92:
“wij eisen [!] dat
de sociale basisbeginselen van onze samenleving door iedereen, en dus
ook door alle migranten gerespecteerd worden: de emancipatie van de
vrouw, zoals wij die verstaan; de wederzijdse verdraagzaamheid; onze
taal; enzovoort”.
Ook hier dus reeds een "fixatie" op de landstaal
(het Nederlands), een fixatie die we ongetwijfeld als typisch Vlaams
mogen bestempelen[5],
en waarbij het - misschien wat naïef - zonder meer als evident wordt
beschouwd dat de kennis en het gebruik van de landstaal van de
"ontvangende" samenleving algemeen "integrerend"
werkt. Om daar toch een kleine randbemerking bij te maken: de
Nederlander, Mohamed Bouyeri, verantwoordelijk voor de moord op de
cineast, Theo Van Gogh, spreekt vlot Nederlands; méér nog, de beruchte
brief aan Ayaan Hirsi Ali, die hij achterliet op het lichaam van Van
Gogh, is geschreven in perfect Nederlands, met inbegrip (en dat is heel
opmerkelijk) van de Korancitaten die hij aanvoerde tegen de liberale
politica[6].
Toch zullen politici en media hem allicht geen voorbeeld noemen van
geslaagde "integratie" (misschien niet helemaal terecht).
Over de - nochtans wel belangrijke - vraag, of
integratie in termen van "gelijkwaardigheid"
verzoenbaar is met de eis van overname van "ónze
spelregels, ónze gedragscode" (Dewael)
of "onze basiswaarden" (Keulen), kan ik het hier
niet hebben. Net zo min als over de (even belangrijke) vraag, of het op
basis van het
etniciteitsbeginsel dat ten grondslag is gelegd aan het
integratiebeleid, überhaupt mógelijk is voor de
betrokkenen om die gelijkwaardigheid effectief te verwerven[6bis]. Wél lijkt het, op
één of andere manier, veelzeggend dat heel wat prominenten - niet enkel
politici, maar ook sommige academici - zich de voorbije jaren in de
pers en de media hebben laten verleiden tot het proclameren van de "minderwaardigheid"
van de zogenoemde "islamitische cultuur".
1.2.
Wat echter vooral "interessant" lijkt (in de zin van: vragen
oproepend) aan de definitie van minister Keulen, is het eerste deel
ervan.
1.2.1. Wat de omschrijving van de "doelgroep"
betreft, namelijk "iedereen die in onze samenleving wettelijk
verblijft en er zijn toekomst wil uitbouwen", word ik zelf
vooral getroffen door het woordje "wettelijk". Enkel
onder dié (administratieve) voorwaarde, klaarblijkelijk, kan er volgens
de VLD-minister überhaupt sprake zijn van "integratie"?
Vluchtelingen, afgewezen asielzoekers, algemeen de zogenoemde "illegalen"
of "mensen-zonder-papieren", kunnen zich niet of
nooit "integreren"? Als dat inderdaad de bedoeling
is, is het een visie waarvan kan gezegd worden dat ze naadloos aansluit
bij het gevoerde asielbeleid van Keulens partijgenoot, de federale
minister van Binnenlandse Zaken, Patrick Dewael. Hoevéél jaren mensen
ook in ons land mogen verblijven (al dan niet met een nog lopende
beroepsprocedure bij de Raad van State, na afwijzing van hun aanvraag);
hoe zéér ook hun kinderen, zo al niet hier geboren, zich "Vlaming"
mogen voelen - want hier al jaar en dag school lopen, (voor kinderen)
perfect Nederlands spreken, actief zijn in sport- en andere
verenigingen, opgevoed zijn in "onze" waarden en "onze"
geschiedenis, enz.: dat alles telt niét, d.w.z.
wordt door de Dienst VreemdelingenZaken, afhankelijk van min. Dewael,
principieel niét aanvaard als een argument of bewijs van "integratie",
en dus als een motivering om hen alsnog een
verblijfsvergunning te geven. Via de pers kunnen
we dan vernemen dat er nóg maar eens een ganse familie, die hier al
vele jaren woonde en leefde: vijf, tien, soms veertien jaar, en die
volkomen "ingeburgerd" was in de locale gemeenschap, zonder pardon op
het vliegtuig is gezet, terug naar "af" (voor de
getroffen kinderen inderdaad létterlijk te verstaan).
"Mensen zonder papieren",
anders gezegd, lijken, als gevolg van de wettelijkheidsvoorwaarde,
principieel géén recht te hebben op "integratie". De
Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (1948) moge het dan
al ànders zien of willen.
[Cf. de toelichting bij Artikel 6
en Artikel 8, op de website van VORMEN vzw (een
onafhankelijke, niet-politieke en niet-commerciële organisatie die als
voornaamste doel heeft mensenrechteneducatie in de verschillende
domeinen van de samenleving in Vlaanderen, incl. Brussel, te bevorderen),
URL
http://www.vormen.org/informatie/Toelichting.html :
"In deze twee artikels is het woord
‘iedereen’ heel belangrijk: het impliceert dat een regering geen
onderscheid mag maken onder de inwoners van een land en dat zowel de
eigenlijke burgers als buitenlanders of ‘staatloze’ personen
(asielzoekers, vluchtelingen) erkend moeten worden als rechtspersoon".]
1.2.2. Dat brengt me dan bij de openingsfrase van Keulens definitie -
die de eigenlijke aanleiding vormde voor deze beschouwingen -, namelijk
de invulling van het begrip integratie in termen van: een "dwingende
uitnodiging".
Vergis ik mij wanneer ik deze frase als een contradictio
in terminis ervaar? Of gaat het "slechts" om een paradox?
Natuurlijk, ook in het gewone leven, bv. wanneer wij worden uitgenodigd
door vrienden of kennissen, hebben wij wel eens het gevoel, "er niet
aan uit te kunnen", en "aanvaarden" wij een beetje "noodgedwongen" de
uitnodiging in kwestie. Maar dan nóg kan toch niet écht sprake zijn van
een "dwingende uitnodiging", mijns inziens:
wanneer wij écht geen zin hebben om op bezoek te gaan, dan verzinnen
wij wel een excuus dat, zonder gezichtsverlies, ook voor de gastheer
aanvaardbaar is, toch?
In dit geval, echter, kan van uitvluchten of
excuses geen sprake zijn: het gaat om overheidsbeleid, dat
geconcretiseerd wordt in allerlei wettelijke of semi-wettelijke
regelgeving - en dat wil dus ook zeggen: vaak gekoppeld aan dreiging
met een of andere vorm van "bestraffing", ten einde de implementatie
van de betreffende regelgeving inderdaad "af te dwingen" (banaal
voorbeeld: de verkeersboetes voor snelheidsovertredingen).[7]
Nu behoort het navolgen, door alle inwoners van
een land, van alle mogelijke wetten en reglementen die samen tot het
domein van de "openbare
orde" behoren, als zodanig niét tot de
eigenlijke integratieproblematiek: cf. het onderscheid dat reeds door
Paula D'Hondt werd gemaakt (zie hoger). Al dergelijke zaken zijn "juridisch
afdwingbaar": wie er zich niet aan houdt, hij of zij weze
Belgisch staatsburger of buitenlander, "autochtoon" of "allochtoon",
riskeert vervolging in een of andere, door het vigerende strafrecht
voorgeschreven vorm (boete, gevangenisstraf, e.d.).
Wàt echter met "integratie"?
Kunnen mensen (en dan denken we in de eerste
plaats aan volwassenen) op een zinvolle manier "gedwongen"
worden zich "te integreren" (dus: zónder hun
bewuste instemming of medewerking) - zodanig dat ze, zoals de huidige
politieke consensus het vraagt, "onze waarden" effectief
overnemen en respecteren: wat alleszins een proces vergt van psychische
en morele
verinnerlijking van die normen. Of, om het anders te
formuleren, kunnen ze, zoals Van Dale het wil, inderdaad via dwang "als
gelijkwaardig opgenomen worden"? Méér nog, als we het slot
van Keulens definitie nogmaals bekijken: kunnen mensen op een zinnige
of zinvolle manier gedwóngen
worden zich... te emanciperen - en
dus "op eigen benen te staan"? Leidt bevoogding
tot óntvoogding?
2. Een "dwangbeleid"?
Het een "boeiende" vraagstelling, die, vermoed ik,
een genuanceerd antwoord verdient. Maar in de allereerste plaats, denk
ik, is het belangrijk vast te stellen dat het Belgische en Vlaamse
overheidsbeleid ten aanzien van de "etnisch-culturele minderheden", en
meer in het bijzonder t.a.v. de zogenaamde "migrantenbevolking", en dat
wil dus eigenlijk-feitelijk zeggen: de Belgische moslimbevolking,
inderdààd al jaren vormen
van "dwang" hanteert als beleidsinstrument
(let wel, dat geldt óók voor de ons
omringende landen: denken we bv. aan de Franse wet die aan
moslimmeisjes het dragen verbiedt van een hoofddoek op nochtans
openbare scholen). Een opvallend gegeven, daarbij, is dat geregeld door
beleidsmakers geargumenteerd wordt dat zulks "in het eigen
belang is" van de getroffen personen. [8]
Naast nationale (bv. de bij wet opgelegde
"moslimverkiezingen" van 20 maart 2005), kunnen daar ook tal van
"Vlaamse" voorbeelden worden van geven.
++ Eén van de meest recente, is het door de
Vlaamse regering goedgekeurde ontwerp van decreet inzake de nieuwe "Vlaamse Wooncode" (door
de Vlaamse regering goedgekeurd begin december 2005). Het ontwerp legt
o.m. de basisregels vast voor het verhuren van sociale woningen. "Het
meest opvallende eruit" - en ik citeer nu het commentaar in
De Standaard (2/12/05) - "is de eis dat mensen die geen
school gelopen hebben in het Nederlands, bereid moeten zijn een
aangepaste taalcursus Nederlands te volgen". Anders gezegd:
een sociaal basisrecht - namelijk het recht op een menswaardige woonst
- wordt hier voorwaardelijk gesteld, en wel aan een
externe eis, een
taaleis (een
taalbereidheid, in de aangepaste versie), meer algemeen: een inburgeringseis. Wie
er niét aan voldoet, d.w.z. eventueel na een proefperiode van twee jaar
onvoldoende Nederlandskundig of "ingeburgerd" blijkt te zijn, verliest
dan zijn of haar sociale woning en vliegt hij of zij op straat?
Dergelijke discriminerende vereiste lijkt alvast strijdig te zijn,
zowel met de Belgische Grondwet (art. 11: "het genot van de
rechten en vrijheden... moet zonder discriminatie verzekerd worden")
als met de UVRM, art. 2:
"Iéder heeft recht op àlle rechten en
vrijheden..., zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras,
kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationaliteit of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere
status".
Het is er mij hier echter niet onmiddellijk om te
doen, de
ongrondwettelijkheid van het (toekomstige) decreet te
argumenteren, of de mate waarin het de mensenrechten schendt: anderen
kunnen dat ongetwijfeld veel beter dan ik. Wààr het mij hier om te doen
is, is dat in het licht van die nationaal en internationaal erkende
grondrechten van iedere mens in elk geval toch wel mag gesproken worden
van een opgelegd, zeg maar: van een dwangbeleid. Mensen,
zo luidt de algemene gedachtegang die eraan ten grondslag ligt (het is "in
hun eigen belang", niet waar), zullen zich op die manier noodgedwongen
"integreren".
++ Een ander, recent voorbeeld van dergelijk
beleid, dat meer in het bijzonder de Vlaamse moslimbevolking betreft en
waar ik even wat langer wil bij stilstaan, is het Besluit van de
Vlaamse Regering (nogmaals op voordracht van min. Keulen) daterend van
30 september 2005, dat
"de criteria (bepaalt) voor de
erkenning van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschappen [PKGG] van
de erkende erediensten".
Zoals ik de formulering net kom voor te lezen, zal
u ongetwijfeld opgevallen zijn dat ik twéémaal van "erkenning"
heb gesproken: het gaat om erediensten die rééds bij wet erkend
zijn (in het geval van de islamitische cultus: de wet van 19
juli 1974). Wat betekent het dan dat de Vlaamse regering hun PKGG ten
tweede male (al dan niet) "erkend"? Wel, het Besluit
verschaft daaromtrent zelf de nodige toelichting, onder Hfst. I,
"Begripsbepalingen", art. 1:
"Voor de toepassing van dit besluit
wordt verstaan onder:
(a) ...
(b) erkenning: de beslissing van de Vlaamse regering waarbij de
oprichting van een entiteit van een kerk- of geloofsgemeenschap in
rechte wordt aanvaard overeenkomstig het decreet" (sc. van 7
mei 2004).
Anders gezegd: reeds meer dan 30 jaar geleden
heeft de Belgische moslimgemeenschap het wettelijke recht verworven,
onder meer op de praktische toepassing van art. 181 van de Belgische
Grondwet, inzake de bezoldiging en pensioenen van de "bedienaren
van de cultus", zeg maar: op voet van gelijkheid met de
andere "erkende" erediensten en
levensbeschouwingen, die daar al jaar en dag effectief van genieten.
Wat dat laatste betreft, de moslims dragen daar eveneens al jaar en dag
financieel toe bij via de belastingen die ook zij betalen aan de
Belgische staat. De daadwerkelijke effectuering van dat recht
(eindelijk!) wordt nu afhankelijk gemaakt van een "Vlaamse" erkenning
van hun lokale gemeenschappen, en derhalve van een aantal
supplementaire "erkenningsvoorwaarden": cf. Hfst.
II: "Aanvraagprocedure en erkenningsvoorwaarden".
Die dwingende voorwaarden
vinden we dan vooreerst geformuleerd in art. 2, § 2, inzake de
"inlichtingen of stukken die het (aanvraag)dossier moet bevatten", bv.
rubrieken 8°, 10°, 11°, en 12°. Natuurlijk, formeel gezien gelden die
voorwaarden voor de PKGG's van àlle "erkende erediensten".
Zij worden trouwens expliciet opgesomd, namelijk onder het al vermelde
art. 1:
d) "de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap: de territoriale entiteit van de erkende
erediensten, overeenkomstig het decreet aangeduid als:
* parochie (rooms-katholieke,
anglicaanse en orthodoxe eredienst) ;
* kerkgemeente (protestantse eredienst);
* Israëlitische gemeente (Israëlitische eredienst);
* Islamitische gemeenschap (Islamitische eredienst)".
Maar laten we onszelf of elkaar "geen blaaskes
wijsmaken": de stringente voorwaarden die in het Besluit geformuleerd
worden, zijn wel dégelijk bedoeld voor de islam, of de plaatselijke
moskeegemeenschappen ervan (vgl. met de al vermelde Franse wet, inzake
de hoofddoek, die formeel ook een algemene draagwijdte heeft). De tijd
ontbreekt om er systematisch op in te gaan. Ik citeer even de
betreffende bepalingen (mijn onderstreping)[9].
Worden dus vereist:
8°) een toelichtende nota waaruit de
maatschappelijke relevantie van de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap blijkt, met inbegrip van haar betrokkenheid bij
het geheel van de lokale leefgemeenschap binnen de
gebiedsomschrijving. De toelichting over de maatschappelijke relevantie
bevat minimaal de volgende elementen:
a) een benaderende opgave van het
aantal gelovigen binnen de gebiedsomschrijving, zo nodig opgesplitst
per gemeente;
b) de wijze waarop de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap zich
inschakelt in de lokale gemeenschap van de gemeente waartoe zij
behoort, met inbegrip van:
* de wijze waarop zij in
haar werking en haar contacten met gelovigen en derden, uitgezonderd de
door de liturgie voorgeschreven bepalingen, de Nederlandse taal
gebruikt;
* de organisatie van haar contacten met de bestuurlijke overheid van de
gemeente of de gemeenten van haar gebiedsomschrijving.
(...)
9°) een schriftelijke verklaring
waarbij de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap zich verbindt tot
een correcte toepassing van de wetgeving inzake het gebruik van de
talen in bestuurszaken door de bij toepassing van artikel 6 erkende
entiteiten en alle openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid die
opgericht worden op grond van het decreet;
Bij het indienen van het jaarlijkse
budget bij, naar gelang van het geval de gemeente- of
provincieoverheid, moet telkens een verslag gevoegd
worden over de concrete toepassing van de betrokkenheid van de
plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap bij het geheel van de lokale
gemeenschap met opgave van de elementen bedoeld in het vorige lid.
De provincieoverheid voor de orthodoxe en islamitische eredienst, en de
gemeenteoverheid voor de rooms-katholieke, de protestantse, de
anglicaanse en de Israëlitische eredienst, stuurt een afschrift van het
voormelde verslag naar de gouverneur, eventueel samen met haar
bemerkingen over de toepassing van deze bepalingen. Als de
provincieoverheid, gemeenteoverheid of de gouverneur bemerkingen
formuleert over de toepassing van deze bepalingen, rapporteert de
gouverneur erover aan de Vlaamse Regering binnen een termijn van 30
dagen, samen met zijn advies ter zake.
10°) een schriftelijke verklaring waarbij de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap zich ertoe verbindt dat haar
huidige en toekomstige geestelijke bedienaars voldoen aan de
inburgeringsplicht die desgevallend op hen van toepassing is
ingevolge het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse
inburgeringsbeleid.
Met geestelijke bedienaars van de eredienst wordt verstaan:
* de door de bisschop aangestelde
verantwoordelijke van de parochie voor de rooms-katholieke eredienst en
zijn vervanger;
* de predikant voor de protestantse eredienst en zijn vervanger;
* de bedienaar van de eredienst voor de anglicaanse eredienst en zijn
vervanger;
* de rabbijn voor de Israëlitische eredienst en zijn vervanger;
* de kerkbedienaar en zijn vervanger voor de orthodoxe eredienst;
* de eerste imam en zijn vervanger voor de islamitische eredienst.
11°) een schriftelijke verklaring
waarbij de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap zich ertoe verbindt
om individuen die handelen of oproepen om te
handelen in strijd met de Grondwet en het Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
te weren uit de organisatie en werking van de plaatselijke
kerk- of geloofsgemeenschap;
12°) een schriftelijke verklaring waarbij de plaatselijke kerk- of
geloofsgemeenschap zich ertoe verbindt om,
behoudens incidentele overmacht:
* in geen geval, op
welkdanige wijze dan ook, haar medewerking te verlenen aan
activiteiten, als zij in strijd zijn met de Grondwet en het Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
* individuen of verenigingen te weren uit gebruikte lokalen
en plaatsen die de door artikel 6 erkende entiteiten en alle openbare
instellingen met rechtspersoonlijkheid die opgericht worden op grond
van het decreet gebruiken, wanneer die personen oproepen of handelen in
strijd met de Grondwet en het Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden;
In het beperkte kader van deze lezing wil ik
slechts twee opmerkingen toevoegen:
(1) art. 21 van de Grondwet stelt
ondubbelzinnig: "de Staat heeft niet het recht zich te
bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige
eredienst" - cf. "onze basiswaarde" van
de scheiding tussen "kerk" en "staat". Maar
wat dan met art. 2, § 2, 10°, in het Besluit?
Idem voor de andere, restrictieve bepalingen (bv. het verplicht gebruik
van het Nederlands, ook naar de eigen gelovigen toe; de verplichte "betrokkenheid
bij het geheel van de lokale gemeenschap", enz.): overtreedt
de Vlaamse regering bij dit alles niet zélf de bepalingen van "de
Grondwet en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en
de fundamentele vrijheden" (en zouden de vertegenwoordigers
ervan derhalve moeten... "geweerd" worden uit de
moskeeën)?
(2) Wat met de plaatselijke, r-k
kerkgemeenschappen (parochies): zullen ook zij voortaan gehouden worden
aan de bepalingen van "de Grondwet en het Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden", en
zullen ook zij jaarlijks een verslag moeten voorleggen over de "concrete
toepassing" ervan? En wat dan met de bekende schendingen,
binnen de Kerk, van die bepalingen: bv. de discriminatie tussen man en
vrouw; de nog onlangs uitdrukkelijk door het hoofd van de
rooms-katholieke Kerk herbevestigde discriminatie t.a.v. homoseksuelen;
de celibaatsverplichting, enz?
++ Er zijn natuurlijk nóg tal van voorbeelden van dit soort van beleid,
het ene al minder of meer "banaal" dan het andere: zo bijvoorbeeld:
- de op ideologische gronden gebaseerde weigering
van sommige gemeentebesturen in Vlaanderen (o.m. in Gent) om de moslims
een "menswaardige" begrafenis te gunnen, anders gezegd: om een
moslimperceel te voorzien op de stedelijke begraafplaats[9bis];
- in de Belgische Kamer van
Volksvertegenwoordigers wordt, overeenkomstig een reglement opgesteld
door Kamervoorzitter Herman De Croo, de toegang tot de vergaderruimte
en de publiekstribune ontzegd aan Belgische burgers die... een
hoofddoek dragen[10];
- de politieverordening in Mechelen waarbij ouders
gestraft worden met een boete van 250 euro (10.000 "oude BF") wanneer
één van hun kinderen "overlast" lijkt te veroorzaken;
- het geval waarmee ik begonnen ben: de wijze
waarop de Mechelse jeugdclub Rzoezie (eens te meer) onder politieke
druk wordt gezet, dit keer om drie van haar verantwoordelijken te
ontslaan ("Dat drietal moet eruit!") op straffe van
mogelijk subsidieverlies - en dat omwille van een wat kritisch
interview in een burgerlijke publicatie (waarvan de betrokkenen zich
zelf gedistantieerd hebben, zie op de
Rzoezie-site). Dit roept vanzelfsprekend de vraag
op of "onze basiswaarde" van de vrijheid van
meningsuiting (art. 19 van de Grondwet; minister Dewael, etc.) dan
misschien niét geldt voor woordvoerders van een zogenaamd allochtone
organisatie? En wat met de gewenste "actieve participatie in
de samenleving"?
Maar let wel: niet enkel bij de overheden en
beleidsverantwoordelijken wordt uitgegaan van een niet altijd
doordachte "dwangpedagogiek". Het idee dat mensen die zich manifest in
een sociaal zwakke positie bevinden, op één of andere manier dwang,
anders gezegd: pijn
moeten ervaren (het weze dan in eerste instantie financieel of
materieel), willen zij er effectief toe gebracht worden zich bewust te
worden van hun menselijke (burgerlijke e.a.) verantwoordelijkheden, dat
idee is of lijkt vrij algemeen verspreid te zijn in onze samenleving,
vandaag. Nog in de krant van vorige maandag (De Morgen, 19/12/05), in
een verslag over een debatavond naar aanleiding van het 40-jarig
bestaan van het Limburgs Provinciale Integratiecentrum, vind ik als een
treffende illustratie de tussenkomst geciteerd van een leerkracht van
Turkse afkomst (hij wordt vermeld met naam en toenaam), naar aanleiding
van het probleemgedrag van allochtone jongeren op school:
"Jongeren noch hun ouders nemen hun
verantwoordelijkheid... (De jongeren) integreren zich niet, maar maken
hun eigen straatcultuur. Onze vraag: koppel het
kindergeld aan de schoolaanwezigheid. Nu is het aan de allochtonen!"
3. Dwingen: zin of onzin?
3.1. Vandaar dat ik mijn vraag
herhaal: kùnnen mensen op een zinvolle - en dus doelmatige - manier "gedwongen"
worden, niét louter zich in hun uiterlijk gedrag
te conformeren aan geldende voorschriften, regels, enz. van de openbare
orde - want dat lijkt daadwerkelijk het geval te zijn: cf. het succes
van verkeerscamera's en verhoogde verkeersboetes, wat de veiligheid op
de weg betreft. Mààr: kunnen zij er aldus toe gebracht worden, zich innerlijk, "bi'l qalb", "in
hun hart", zoals men dat zegt in het koranische Arabisch, te ontvoogden van
verouderde en niet langer functionele gewoontes, vooroordelen,
tradities, enz., die hun verdere menselijke zelfontplooiing in de weg
staan? Anders gezegd: zich effectief te bekeren (dus: zonder
hypocrisie) tot een levenshouding die hen in staat stelt, "actief
deel te nemen aan (de) samenleving", zoals Keulen het
formuleerde?
Een simpel antwoord - "ja" of "neen" -
lijkt niet evident, en ga ik hier ook niet geven. Wel gaat de
pedagogiek vandaag, geloof ik, zoals ze in het onderwijs bv. wordt
toegepast, toch niet langer in de richting van systematische
bestraffing en tuchtiging (maar veeleer in de richting van
zelfwerkzaamheid en actieve participatie vanwege de kinderen).
Of laat ik misschien een meer (weer)sprekend
voorbeeld geven. Er bestaat vandaag een brede consensus - bij politici,
in de media, bij spraakmakende academici en in de publieke opinie - dat
moet worden afgestapt, wegens "mislukt", van het
zogenaamde "knuffelbeleid" dat in de Europese
landen (zoals Nederland en ons land) in de laatste 25 jaar zou
(!) gehanteerd zijn ten aanzien van de zogenaamde
migranten. De klemtoon moet integendeel gelegd worden, aldus die vrij
algemene consensus, op plichten én verplichtingen, en niét (of pas
daarna) op rechten[11]. Nochtans,
- wanneer het erop aankomt, een eind te stellen
aan de verregaande en onduldbare
discriminatie op de arbeidsmarkt ten aanzien van iedereen
die zelfs maar een "vreemde" ("moslimachtige") voornaam of naam draagt
- een discriminatie waaromtrent iederéén het eens is dat de
uitzichtloosheid die eruit voortvloeit voor de betreffende jongeren, of
ze nu een diploma hebben of niet, één van de voornaamste oorzaken is
van de samenlevingsproblematiek in tal van wijken in onze steden -,
- en wanneer dan door een aantal mensen (niet
enkel door "radicalen", zoals Abou Jahjah en de AEL, maar ook door bv.
Jozef De Witte, directeur van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en
Racismebestrijding, een gerespecteerd arbeidssocioloog als prof. Albert
Martens, van de KUL[11bis],
e.a.) ervoor gepleit wordt om, naar het (betrekkelijk) succesvolle
voorbeeld van Nederland, een politiek te voeren van verplichte quota naar
de Vlaamse overheid, zowel als naar ondernemers en werkgevers toe, dàn
klinkt het plots dat een dergelijke wettelijke verplichting "niet
zou werken", of zelfs "contraproductief" zou
werken (VBO-topman Pieter Timmermans, in Nachtwacht),
enz. Niet enkel in rechtse of burgerlijke kringen, maar ook bij
progressieven (bv. Tarik Fraihi, van KifKif) heerst
er twijfel over de doelmatigheid van dergelijke quota.
Wel, wat kan men dan omtrent deze vrij algemene
perceptie (die niét gebaseerd is op concrete resultaten: nogmaals
bijvoorbeeld prof. Martens, in interviews, concludeert dat de situatie
er na tien jaar van "vrijwillig" beleid alleen maar op verslechterd
is) ànders besluiten dan dat het in het geval van "autochtonen" niét
zinvol is om dwang uit te oefenen, bij allochtonen, daarentegen, wél?
De grondslag van die
perceptie is natuurlijk gemakkelijk aan te geven: het is
geen kwestie van etniciteit, taal of religie, maar van (ongelijke) machtsverhoudingen[12].
3.2. Om terug te keren naar onze vraag:
het zijn in de allereerste plaats psychologen, pedagogen en andere
agogen, alsook sociologen en andere sociale wetenschappers die de vraag
naar de (complexe) relatie tussen "emancipatie" en "dwang"
wetenschappelijk kunnen beantwoorden. Ik ben geen van dat alles, maar
ben slechts een historicus. D.w.z. dat ik alleen maar zou kunnen
proberen in de geschiedenis te zoeken naar collectieve voorbeelden van
"gedwongen emancipatie" en de al dan niet succesvolle uitkomst ervan.
Een "mooi", nog modern voorbeeld lijkt me de
oprichting van de Turkse Republiek (1923) te zijn, met haar "goed
bedoelde", maar van bovenaf, autoritair én repressief aan de
post-osmaanse samenleving opgelegde politiek van secularisering (laiklik)
en modernisering. Moeten we dat project vandaag als een succes
beschouwen, of als een mislukking? Ik zou niet zonder meer op deze
vraag durven antwoorden. Wel wéét ik dat ook vandaag nog, in de 21ste
eeuw, en eigenlijk pas sedert énkele jaren aan jonge Turkse vrouwen die
uit overtuiging een hoofddoek dragen, bij wet de toegang ontzegd wordt
tot àlle Turkse universiteiten (staats- zowel als privé-instellingen).
Men kan daaromtrent allerlei zaken zeggen of vergoelijken (cf. ook de
recente uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens),
maar niét dat daarmee het historische succes is
aangetoond van het kemalistische project. Ik zou zeggen: quite
to the contrary!
Dat brengt me bij het (oorspronkelijke) meer religieuze aspect
van onze vraagstelling. Ik gebruikte daarnet al het werkwoord "bekeren".
Het lijkt me inderdaad argumenteerbaar dat het
vandaag gevoerde "integratiebeleid" in onze landen, dat dus gericht is
op de overname en toepassing van "onze waarden en normen", in
belangrijke mate een geseculariseerde versie
is van de religieuze
bekeringsijver die meer dan duizend jaar lang in onze
contreien in de praktijk werd gebracht onder de hegemonie van de r-k
Kerk (later eventueel ook protestantse kerken).
De Europese geschiedenis bevat dan ook tal van
voorbeelden van "dwangbekeringen", vaak collectief
- en met, in de "zijstraten" van de geschiedenis, de permanente
dreiging met fysieke vervolging, eventueel (en zeker niet
uitzonderlijk) uitroeiing of uitdrijving. Eén voorbeeld: na de val van
Granada (in 1492), ondanks het onderhandelde verdrag, en na de algemene
uitdrijving van de joden uit katholiek Spanje, datzelfde jaar (zij
hadden de "keuze" tussen bekering of vertrek), volgde enkele jaren
later toch de gedwongen, collectieve bekering van de vele
honderdduizenden, autochtone moslims, de zgn. Moriscos. De katholieke
Spaanse overheid heeft het resultaat daarvan nadien zélf negatief
beoordeeld want, zoals bekend, na vele jaren van repressie en
vervolging (o.m. door de infame Inquisitie), werd in de beginjaren van
de 17de eeuw via een aantal edicten de quasi complete Moriskenbevolking
op haar beurt uitgedreven (in bepaalde gevallen kregen ze amper drie
dagen de tijd, en waren nadien "vogelvrij")[13].
Het feit, echter, dat in de christelijke
middeleeuwen de dwang- of geweldmethode wel degelijk systematisch is
toegepast, met de bekende, vaak gruwelijke effecten, suggereert op zijn
minst dat men geloofde in de
zinvolheid van dergelijk optreden. Welnu, die overtuiging
kunnen we ideologisch of theologisch terugvoeren tot één van de
grootste, zo niet de grootste, laat-antieke autoriteit of "Kerkvader"
voor het westerse christendom, namelijk Aurelius Augustinus (gest.
in 430).
Het merkwaardige is dat deze (ook voor het heden
nog) belangrijke denker en kerkleider, vanuit een meer filosofische en
spirituele visie op het geloof, in feite een tégenstander was van
fysieke dwang of geweld ten aanzien van de ongelovigen, ketters of
"slechten". Deze laatsten, zo was zijn overtuiging, moesten
"lichamelijk" (corpore) wel degelijk getolereerd worden;
enkel "in het hart" (corde) dienden ze te worden
uitgestoten door de ware gelovigen. Dat was ook de houding die hij, als
bisschop van Hippo, verdedigde t.a.v. de belangrijke scheurkerk van de
zgn. donatisten, waarmee hij als bisschop, en samen met hem ook het
christelijke keizerrijk, in Noord-Afrika geconfronteerd werd[14]. Onder zijn
aandringen, werd nog in 411 een ultieme conferentie belegd ten einde de
verschillen op een vreedzame manier bij te leggen, maar zonder het
verhoopte resultaat. De politieke overheid reageerde erop, na reeds
eerdere, minder extreme pogingen in die zin, door manu
militari - en dat wil dus zeggen met verregaand militair
geweld, brutale repressie, executies, enz. - de donatisten finaal te dwingen
zich te bekeren tot het "ene, katholieke geloof".
Op korte termijn - vele mensen waren de jarenlange spanningen en
conflicten, ook vaak binnen dezelfde families, beu - was die
repressieve politiek inderdaad succesvol. Als gevolg daarvan herzag
Augustinus zijn mening over het gebruik van geweld in geloofszaken.
Hoewel dus in strijd met zijn basisfilosofie, zou hij voortaan het
beruchte principe verdedigen van het "compelle" of
"coge intrare", d.w.z. "dwíng ze binnen
te komen" (sc. in de schoot van de Kerk), namelijk
als een doeltreffend raccourci
naar het beoogde ("goede") doel. Het was dàt
principe dat in de middeleeuwen de zware kettervervolgingen heeft
helpen legitimeren.
PS Was de repressieve politiek t.a.v. het
donatisme ook op làngere termijn succesvol? In de moderne literatuur
over de patristiek worden daar grote vraagtekens bij geplaatst. Een
autoriteit als Von Campenhausen wijt de neergang, nadien, van de
Afrikaanse kerk precies aan die gedwongen bekering. Hij wijst erop dat
de (Noord-)Afrikaanse kerk de énige christelijke kerk was in de
mediterrane ruimte die, met de moslimveroveringen, volledig verdwenen
is, zonder énig spoor achter te laten: "blijkbaar hebben de
oude donatisten de Arabieren als hun bevrijders ontvangen", zo
concludeert hij[15].
Korte Epiloog.
Met deze kritische reflectie over zin of onzin van
"dwang", op het vlak van "integratie" maar ook van "emancipatie", heb
ik geen definitieve antwoorden willen geven maar vooral enkele
kritische vragen willen opwerpen - zoals dat van een academicus mag, of
beter: moet, verwacht worden.
Afsluitend en (veel te) kort, wat de in de
geschiedenis aanwezige visies betreft omtrent emancipatie, wil ik
eindigen met te verwijzen naar de bekende, koranische visie,
zoals zij in verschillende Koranverzen vertolkt wordt. De meest
pregnante formulering ervan is uiteraard soera 2:256:
"In de godsdienst is er géén dwang".
[16]
Al wie de Koran ter hand genomen heeft, weet dat
deze religieuze verkondiging een emancipatorisch project uitdraagt ten
gerieve van de mensheid, en dat ze dat ook zelf uitdrukkelijk aangeeft.
Zo bijvoorbeeld in het vers 12:2 (ook 43:3, vertaling van Kramers):
"Wij hebben haar neergezonden als een
opzegging in de cArabiyya, opdat
gijlieden verstandig zoudt worden".
Vandaar ook dat de periode vóór die verkondiging
traditioneel wordt aangeduid als die van de "Onwetendheid"
(jahiliyya).
Is er, als gevolg van het koranische
principe, door moslims, nadien, nóóit geweld gepleegd in
geloofszaken? Toch wel, natuurlijk - mensen zitten nu eenmaal
niet zo in elkaar dat ze nóóit, zelfs "goddelijke" voorschriften zouden
overtreden (dat is trouwens niet altijd een kwalijke zaak) -, maar
vanuit theoretisch oogpunt en met het oog ook op de huidige
vraagstelling inzake "integratie" en "emancipatie", is het een visie op
de menselijke psychologie die nog altijd het overwegen méér dan waard
is.
___________________________
NOTEN:
[1] De
volledige tekst van het interview, alsmede een kort verslag van de
politieke reacties erop, in De Morgen, kunnen geconsulteerd worden in
ons archief, zie docu44.htm.
[2] Zie URL: [website bestaat niet langer].
[3] Zie bv.
reeds de analyse ervan bij J.Blommaert & J.Verschueren, Het
Belgisch Migrantendebat, 1992, pp. 86-87.
[4] Cf.
Blommaerts artikel, "Blokspraak", verschenen in De
Witte Raaf, 114, 2005, en ook te lezen op
deze site. [Vanuit een heel andere, sociologische invalshoek,
wordt het belang van de heersende ideologie bij de autochtone
meerderheid in rekening gebracht in de interessante bijdrage van
D.Jacobs, K.Abts, K.Phalet & M.Swyngedouw:
"Verklaringen voor etnocentrisme. De rol van sociaal kapitaal,
sociaal-economische onzekerheid, sociale integratie en gevoelens van
discriminatie. Een verkenning", pp. 99-132, in: Vlaanderen
gepeild! De Vlaamse overheid en burgeronderzoek 2001, Brussel: Ministerie
van de Vlaamse Gemeenschap. Deze studie vertrekt van de
hypothese "dat de houding van autochtonen tegenover
allochtonen afhangt van de mate van integratie en participatie van
autochtonen in de samenleving".]
[5] Een
recent, grotesk voorbeeld van deze "fixatie" levert het Brabants dorp -
ik wil het niet de eer geven het met name te vernoemen (maar zie het
artikel in De Morgen van 22/12/05) - dat, ondanks de vernietiging van
een eerder besluit door de provinciegouverneur, erin persisteert om het
gebruik van het Frans door marktkramers op de markt te verbieden.
Precies handelsmarkten zijn eeuwenlang, om niet te zeggen
millennialang, plaatsen geweest waar handelaars en reizigers vanuit de
meest verschillende windstreken, culturen en talen elkaar ontmoet
hebben en op die manier hebben bijgedragen tot het verruimen van de
horizon van de lokale gemeenschap! Met permissie gezegd: eens te meer,
kan men zich alleen maar schamen, Vlaming te zijn.
[6] Zie de
volledige tekst op de website van www.nos.nl
, onder "Nieuws - Achtergronden", datum 5 mei
2005. Enkel de "kop-" en "voettekst" zijn - decoratief - in het
Arabisch geschreven.
[6bis]
In het boeiende dubbelinterview, in De Morgen van 31/12/05, met de
gebroeders Bahattin en Selahattin Koçak wordt door de laatstgenoemde
(SP.A-schepen van Beringen) heel juist "de vinger op de wonde gelegd",
met het voorbeeld van de weigering van enkele scholen om zijn kinderen ("Mijn
dochter is zo Belgisch als maar kan") in te schrijven. Zijn
commentaar: "Van Paula D'Hondt tot Marino Keulen zijn er
telkens nieuwe trapjes van integratie uitgedokterd en als je helemaal
bovenaan bent, Belgischer dan je Belgische buur, kom je er toch nog
niet in". [toegevoegd]
[7] De
Staat, zoals men dat zegt, heeft het monopolie op het geweld, en
beschikt bijgevolg over de nodige "potestas coërcitiva"
om zijn verordeningen effectief af te dwingen.
[8] Niet om
aan goedkope demagogie te doen, maar om te waarschuwen voor de
dubbelzinnigheid van dergelijke "goede bedoelingen" (die dus niet enkel
het "goede" voor iemand anders bedoelen, maar ook
denken te wéten wàt dat "goede" is), wil ik
herinneren aan de "oude" Aristoteles: in het eerste boek van zijn
Politica wordt het (onder méér) institutionele geweld dat
werd aangedaan aan de antieke slaven, door hem moreel gerechtvaardigd
met het argument dat dergelijke situatie "in het eigen belang"
was van de ("natuurlijke") slaven. Cf. zijn
conclusie aan het slot van kap. 5, dat, in tegenstrijd met wat
(sommige) Sofisten hadden geargumenteerd, "het dus manifest
is dat (voor de betrokkenen) het slaaf-zijn zowel voordelig als
rechtvaardig is".
[9] De
volledige tekst van het Besluit van 30/9/05 is te lezen op
deze site.
[9bis] "Omdat
iedereen, ongeacht nationaliteit, ras, godsdienstige of filosofische
overtuiging, broederlijk naast mekaar moet kunnen begraven worden",
zoals de motivering luidde in 2004, van het Mechelse stadsbestuur. Zie
hierover mijn tekst, "Het Recht op een Menswaardige
Begrafenis", op deze
site; voor een lijst van Vlaamse gemeenten waar wél positief
is ingegaan op de vraag naar een perceel, zie op
deze site (stand van zaken in april 2004).
[10] Op de
avond van de lezing werd mij een dergelijk "incident" gemeld door een
verontwaardigde medewerker van Kerkwerk Multicultureel Samenleven/Pax
Christi: tijdens een geleid bezoek, met de personeelsleden van de
organisatie (waaronder een medewerkster met hoofddoek), aan het
Belgisch Parlement werd hen door de (beschaamde) gids meegedeeld dat
zij aan de dame in kwestie de toegang tot de Kamer moést ontzeggen, op
bevel van de "eerste burger van het land", VLD-er De Croo. De gehele
groep heeft daarop uit protest geweigerd het bezoek verder te zetten.
Een echo hiervan is te lezen in De Morgen van 24/12/05, naar aanleiding
van een protest tegen deze behandeling door CD&V-senatrice,
Sabin de Béthune (in de Senaat geldt geen dergelijk reglement). [In een
klein stukje in De Morgen van 14/1/06 lezen we nu dat de
Kamervoorzitter, na het protest van senatrice De Béthune, zijn
reglement aangepast heeft. "Gesluierde vrouwen"
(sic) zijn dus voortaan ook in de Kamer welkom, aldus de krant.]
[11] Cf.
het verwijt van eerste schepen Anciaux, van Mechelen, tegen het
Rzoezie-bestuur: "Het wijst de jongeren te veel op hun
rechten en te weinig op hun plichten, om het even heel eenvoudig samen
te vatten", zie op
deze site.
[11bis]
Zie het interview in De Standaard, 24/3/05, "Volgens
professor Martens kan alleen wet werkgelegenheidsdrama verbeteren"
(klik
hier
); ook in een
interview met Rood (mei 2005): "Het tegengaan van
discriminatie op de arbeidsmarkt is gewoon een kwestie van politieke
wil"; cf. Martens, A., Ouali, N., Van de
Maele, M., Etnische discriminatie op de arbeidsmarkt in het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Onderzoek in het kader van het Sociaal Pact
voor de Werkgelegenheid van de Brusselaars, ULB-KUL, januari
2005.
[12] Een
ander, "sprekend" voorbeeld betreft vanzelfsprekend de algemene houding
van de politieke wereld én de media ten aanzien van een racistische
partij, als het Vlaams Blok/Belang. De juridische vervolging en
veroordeling ervan, op basis van de bestaande Belgische wetgeving, is
door vrijwel alle "gevestigde" partijen betreurd, als "contraproductief".
Ook voor het recente initiatief, in dit verband, van KifKif en MRAX was
er vooral kritiek te lezen in de pers (De Morgen én De Standaard) - ook
vanwege progressieve intellectuelen (cf. het opiniestuk van Ludo De
Witte en Abou Jahjah, in De Morgen van 1 december 2005).
[13] Zie
hierover verder, op
deze site.
[14] Voor
meer uitleg hierover, zie mijn filosofie-syllabus, op
deze site.
[15] H.Von
Campenhausen, Les Pères latins (trad. de l'allemand
par C.A.Moreau), Paris 1967, p. 281: "Il semble que les
anciens donatistes aient accueilli les Arabes comme leurs libérateurs
et, quoi qu' il en fût, l'héritage 'catholique' n'a plus trouvé en eux
de bien sérieux défenseurs".
[16] Voor
een uitgebreide beschouwing over de koranische visie inzake
godsdienstvrijheid, zie de bijdrage van Linda Bogaert, "Vrijheid van Meningsuiting: een Koranisch
Perspectief", op
deze site.
PS Na mijn lezing werd ik even
onderhouden door docent Haboub Abdelhadi (ook actief in de vereniging
Vlaamse Leerkrachten Islamitische Godsdienst, of VLIG). Hij stipte aan
dat vroegere rechtsgeleerden en theologen het "géén dwang"
in het Koranvers vaak heel strikt plachten op te vatten. Dat was met
name het geval voor de bekende Ibn Hazm, van Cordoba (994-1064), die
tot de minoritaire rechtsschool van de zahiri behoorde. Een anekdote
luidt dat toen Ibn Hazm, in zijn hoedanigheid van rechter, à la Salomon
moest beslissen of een boorling toekwam aan een christelijke dan wel
aan een moslimvrouw, hij het kind onmiddellijk toewees aan de christin.
Achteraf om uitleg gevraagd, was zijn motivering dat, aangezien men
leefde in een maatschappij waar de islam dominant was, het kind op die
manier méér kans kreeg om later vrijwillig en op basis van overtuiging
te opteren voor de islam.
|