CIE-INDEX

Integratie:

een "gedwongen uitnodiging"?*

door

Herman De Ley

Inhoud:

Preliminair
Inleiding
1. Analyse
2. Een dwangbeleid?
3. Dwingen: zin of onzin?
Epiloog.
 



Preliminair:

De keuze van dit thema werd mij ingegeven door de reactie van het Mechelse stadsbestuur op een interview in P-Magazine. Het interview was naar aanleiding van de recente sociale rellen in de Franse banlieues afgenomen van drie verantwoordelijken van het bekende "Mechels-Marokkaanse" Jeugdhuis Rzoezie (PS in 2004 mocht Rzoezie de 7de Emancipatieprijs van de V.O.E.M. in ontvangst nemen). Zoals afgedrukt, werden in het interview enkele kritische bedenkingen geformuleerd ten aanzien van uitingen van racisme vanwege o.m. de Mechelse politie. Het stadsbestuur legde klacht neer (!) en eist het ontslag van de drie betrokkenen uit het bestuur van het jeugdhuis, met de nauwelijks verholen dreiging van intrekking van de subsidie ervan (PS in zijn vergadering, vorige week, heeft het bestuur geweigerd op die eis in te gaan)[1]. Inhoudelijk, anderzijds, werd ik op het goede spoor gezet door een bijdrage op de website, "Blijf van mijn Hoofddoek", met als titel: "Barometer voor Integratie" (auteur: Laila Ekchouchou)[2], naar aanleiding van het "Dossier Islam: Misschien moeten we het hen gewoon vragen?", dat onlangs gepubliceerd is in de Gazet van Antwerpen.

 

Inleiding.

Sedert de oprichting, in 1988, van het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid (KCM) is het woord "integratie" ongetwijfeld hét catchword, hét trefwoord bij uitstek waarmee het Belgische en Vlaamse overheidsbeleid ten aanzien van (wat nu genoemd wordt:) de "etnisch-culturele minderheden" zowel gelegitimeerd wordt als be(- en ook ver)oordeeld wordt[3].

Wat de basale betekenis van het woord betreft wanneer we het hebben over "maatschappelijke integratie", in een onverdachte bron, de "dikke Van Dale" (12de druk), kunnen we daarover lezen:

"het als gelijkwaardig opnemen van een bevolkingsgroep (van ander ras [sic]) in een bepaalde maatschappij".

Deze lexicologische eenduidigheid heeft niet belet (niet kùnnen beletten) dat, zodra het erop aankwam de concrete, politieke maatregelen te formuleren voor het effectief realiseren van dat nobele streefdoel, het integratie-begrip de inzet is geworden van de laat-20ste-eeuwse, politieke en ideologische strijd binnen de Vlaamse samenleving. Volgens een aantal kritische, wetenschappelijke onderzoekers, bv. mijn collega en vriend, Jan Blommaert, is die ideologische strijd (zeg maar: om de "hegemonie", in de zin van Gramsci) vandaag zo goed als gewonnen zijn door het Vlaams Blok/Belang [4]. Wat daar ook van zij, de "VB-interpretatie" van integratie is bekend, namelijk: "aanpassen of opkrassen!" Het hoeft niet gezegd, dat democratische beleidsmakers, over de partijgrenzen heen, deze populistische slogan afwijzen - ook al komen sommigen onder hen wel eens erg dicht bij de geest ervan: cf. de tussenkomst van de CD&V-fractieleider, Pieter De Crem, in de Kamer, naar aanleiding van de sociale rellen in de Franse banlieues en de - al bij al heel beperkte - echo ervan in België. Maar, "tel quel", zal iedereen het er wel over eens zijn dat de VB-slogan een karikatuur maakt van de definitie in Van Dale (Filip Dewinter zelf, trouwens, wil de term "integratie" vervangen zien door "assimilatie", cf. het GvA-dossier).

Laat ik daarom liever uitgaan van de definitie van "integratie", zoals genotuleerd in hetzelfde dossier van de GvA, door een democratische beleidsmaker, namelijk de huidige Vlaamse minister voor (o.m.) "inburgering", Marino Keulen. Hij verstaat onder "integratie":

“De dwingende uitnodiging aan iedereen die in onze samenleving wettelijk verblijft en er zijn toekomst wil uitbouwen om actief deel te nemen aan die samenleving, de taal te leren, de basiswaarden ervan te kennen en na te leven en er zo snel mogelijk op eigen benen te kunnen staan."


1. Analyse.

Keulens definitie is een omstandig en duidelijk bedachtzaam geformuleerde, politieke visie, die zeker een nadere analyse verdient. Ik zal dat doen door de lange zin te verdelen in drie onderdelen:

  1. de aanzet, die de "doelgroep" omschrijft tot dewelke het integratiebeleid zegt zich te willen richten;
  2. het middendeel, dat de voorwaarden of vereisten formuleert;
  3. het slot, dat het finale objectief verwoordt.


1.1.
Laten we met dat slot beginnen: "en er zo snel mogelijk op eigen benen te kunnen staan".

Het is de enige zinsnede die wat "volks" geformuleerd is en die voor meer dan één uitleg vatbaar lijkt. Maar vanuit een onbevangen blik, denk ik dat we het erin verwoorde objectief gerust als emancipatorisch mogen begrijpen: "op eigen benen kunnen staan", het is iets dat ieder van ons, zodra de volwassenheid bereikt, inderdaad wil realiseren voor zichzelf. De bedoeling is niet enkel materieel en financieel (eigen woonst, eigen inkomen, enz.), maar ook "als mens" voor jezelf te kunnen instaan, je verantwoordelijkheden op te nemen, ook t.a.v. je medemensen, enz., én, zou ik daaraan toevoegen, je bij dat alles ook (meestal) "goed te voelen". Ieder zoekt zijn of haar "weg" om daartoe te komen en menigeen lukt dat ook wel, in meerdere óf mindere mate. Anders gezegd, "integratie", op die manier begrepen, beoogt finaal 's mensen "emancipatie" - wat ook strookt, denk ik, met de (geest van de) definitie van Van Dale (cf. "gelijkwaardigheid").


Het middendeel, zoals gezegd, geeft de "voorwaarden" aan die dat (nobele) objectief moeten helpen verwezenlijken. We kunnen zeggen dat we ons hier op "vertrouwd terrein" bevinden. Het is een "nagel" waarop de laatste jaren keer op keer heel nadrukkelijk door vooral liberale politici wordt gehamerd - op een wat krasse manier bv. door minister Dewael, in De Standaard, 4/10/04, in verband met de zgn. inburgeringscursussen: "Onze spelregels, onze gedragscode aanvaarden, dààrover gaat het!". Maar nieuw kan je dat niet noemen, in het kader van het Belgische integratiebeleid. Reeds in het "1e rapport" van het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeleid (1989, pp. 35-36), opgesteld onder de verantwoordelijkheid van Koninklijk Commissaris, (CVP-politica) Paula D'Hondt, werd "integratie" begrepen als een vorm van "inpassing", en als zodanig toegespitst op

"het niveau van enkele richting gevende sociale beginselen waarover een autochtone meerderheid het impliciet eens lijkt te zijn".

Dat gebeurde in uitdrukkelijk onderscheid met twee andere "niveaus", waaromtrent géén problemen werden gezien, namelijk

  • “het niveau van de waarden en beginselen die door het concept ‘openbare orde’ beschermd worden en derhalve juridisch afdwingbaar zijn;" en
  • het niveau van de vele cultuuruitingen die noch de openbare orde noch de sociale beginselen van een gastland in het gedrang brengen”.

Paula D'Hondt zelf heeft die eerste, opvallend vage formulering van het "problematische" niveau (cf. "enkele", "richtinggevende", "impliciet", "lijkt") nadien enigszins gepreciseerd, bv. in De Standaard, 1-2 februari '92:

“wij eisen [!] dat de sociale basisbeginselen van onze samenleving door iedereen, en dus ook door alle migranten gerespecteerd worden: de emancipatie van de vrouw, zoals wij die verstaan; de wederzijdse verdraagzaamheid; onze taal; enzovoort”.

Ook hier dus reeds een "fixatie" op de landstaal (het Nederlands), een fixatie die we ongetwijfeld als typisch Vlaams mogen bestempelen[5], en waarbij het - misschien wat naïef - zonder meer als evident wordt beschouwd dat de kennis en het gebruik van de landstaal van de "ontvangende" samenleving algemeen "integrerend" werkt. Om daar toch een kleine randbemerking bij te maken: de Nederlander, Mohamed Bouyeri, verantwoordelijk voor de moord op de cineast, Theo Van Gogh, spreekt vlot Nederlands; méér nog, de beruchte brief aan Ayaan Hirsi Ali, die hij achterliet op het lichaam van Van Gogh, is geschreven in perfect Nederlands, met inbegrip (en dat is heel opmerkelijk) van de Korancitaten die hij aanvoerde tegen de liberale politica[6]. Toch zullen politici en media hem allicht geen voorbeeld noemen van geslaagde "integratie" (misschien niet helemaal terecht).

Over de - nochtans wel belangrijke - vraag, of integratie in termen van "gelijkwaardigheid" verzoenbaar is met de eis van overname van "ónze spelregels, ónze gedragscode" (Dewael) of "onze basiswaarden" (Keulen), kan ik het hier niet hebben. Net zo min als over de (even belangrijke) vraag, of het op basis van het etniciteitsbeginsel dat ten grondslag is gelegd aan het integratiebeleid, überhaupt mógelijk is voor de betrokkenen om die gelijkwaardigheid effectief te verwerven[6bis]. Wél lijkt het, op één of andere manier, veelzeggend dat heel wat prominenten - niet enkel politici, maar ook sommige academici - zich de voorbije jaren in de pers en de media hebben laten verleiden tot het proclameren van de "minderwaardigheid" van de zogenoemde "islamitische cultuur".


1.2.  Wat echter vooral "interessant" lijkt (in de zin van: vragen oproepend) aan de definitie van minister Keulen, is het eerste deel ervan.

1.2.1. Wat de omschrijving van de "doelgroep" betreft, namelijk "iedereen die in onze samenleving wettelijk verblijft en er zijn toekomst wil uitbouwen", word ik zelf vooral getroffen door het woordje "wettelijk". Enkel onder dié (administratieve) voorwaarde, klaarblijkelijk, kan er volgens de VLD-minister überhaupt sprake zijn van "integratie"? Vluchtelingen, afgewezen asielzoekers, algemeen de zogenoemde "illegalen" of "mensen-zonder-papieren", kunnen zich niet of nooit "integreren"? Als dat inderdaad de bedoeling is, is het een visie waarvan kan gezegd worden dat ze naadloos aansluit bij het gevoerde asielbeleid van Keulens partijgenoot, de federale minister van Binnenlandse Zaken, Patrick Dewael. Hoevéél jaren mensen ook in ons land mogen verblijven (al dan niet met een nog lopende beroepsprocedure bij de Raad van State, na afwijzing van hun aanvraag); hoe zéér ook hun kinderen, zo al niet hier geboren, zich "Vlaming" mogen voelen - want hier al jaar en dag school lopen, (voor kinderen) perfect Nederlands spreken, actief zijn in sport- en andere verenigingen, opgevoed zijn in "onze" waarden en "onze" geschiedenis, enz.: dat alles telt niét, d.w.z. wordt door de Dienst VreemdelingenZaken, afhankelijk van min. Dewael, principieel niét aanvaard als een argument of bewijs van "integratie", en dus als een motivering om hen alsnog een verblijfsvergunning te geven. Via de pers kunnen we dan vernemen dat er nóg maar eens een ganse familie, die hier al vele jaren woonde en leefde: vijf, tien, soms veertien jaar, en die volkomen "ingeburgerd" was in de locale gemeenschap, zonder pardon op het vliegtuig is gezet, terug naar "af" (voor de getroffen kinderen inderdaad létterlijk te verstaan).

"Mensen zonder papieren", anders gezegd, lijken, als gevolg van de wettelijkheidsvoorwaarde, principieel géén recht te hebben op "integratie". De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (1948) moge het dan al ànders zien of willen.

[Cf. de toelichting bij Artikel 6 en Artikel 8, op de website van VORMEN vzw (een onafhankelijke, niet-politieke en niet-commerciële organisatie die als voornaamste doel heeft mensenrechteneducatie in de verschillende domeinen van de samenleving in Vlaanderen, incl. Brussel, te bevorderen), URL http://www.vormen.org/informatie/Toelichting.html :

"In deze twee artikels is het woord ‘iedereen’ heel belangrijk: het impliceert dat een regering geen onderscheid mag maken onder de inwoners van een land en dat zowel de eigenlijke burgers als buitenlanders of ‘staatloze’ personen (asielzoekers, vluchtelingen) erkend moeten worden als rechtspersoon".]


1.2.2. Dat brengt me dan bij de openingsfrase van Keulens definitie - die de eigenlijke aanleiding vormde voor deze beschouwingen -, namelijk de invulling van het begrip integratie in termen van: een "dwingende uitnodiging".

Vergis ik mij wanneer ik deze frase als een contradictio in terminis ervaar? Of gaat het "slechts" om een paradox? Natuurlijk, ook in het gewone leven, bv. wanneer wij worden uitgenodigd door vrienden of kennissen, hebben wij wel eens het gevoel, "er niet aan uit te kunnen", en "aanvaarden" wij een beetje "noodgedwongen" de uitnodiging in kwestie. Maar dan nóg kan toch niet écht sprake zijn van een "dwingende uitnodiging", mijns inziens: wanneer wij écht geen zin hebben om op bezoek te gaan, dan verzinnen wij wel een excuus dat, zonder gezichtsverlies, ook voor de gastheer aanvaardbaar is, toch?

In dit geval, echter, kan van uitvluchten of excuses geen sprake zijn: het gaat om overheidsbeleid, dat geconcretiseerd wordt in allerlei wettelijke of semi-wettelijke regelgeving - en dat wil dus ook zeggen: vaak gekoppeld aan dreiging met een of andere vorm van "bestraffing", ten einde de implementatie van de betreffende regelgeving inderdaad "af te dwingen" (banaal voorbeeld: de verkeersboetes voor snelheidsovertredingen).[7]

Nu behoort het navolgen, door alle inwoners van een land, van alle mogelijke wetten en reglementen die samen tot het domein van de "openbare orde" behoren, als zodanig niét tot de eigenlijke integratieproblematiek: cf. het onderscheid dat reeds door Paula D'Hondt werd gemaakt (zie hoger). Al dergelijke zaken zijn "juridisch afdwingbaar": wie er zich niet aan houdt, hij of zij weze Belgisch staatsburger of buitenlander, "autochtoon" of "allochtoon", riskeert vervolging in een of andere, door het vigerende strafrecht voorgeschreven vorm (boete, gevangenisstraf, e.d.).

Wàt echter met "integratie"? Kunnen mensen (en dan denken we in de eerste plaats aan volwassenen) op een zinvolle manier "gedwongen" worden zich "te integreren" (dus: zónder hun bewuste instemming of medewerking) - zodanig dat ze, zoals de huidige politieke consensus het vraagt, "onze waarden" effectief overnemen en respecteren: wat alleszins een proces vergt van psychische en morele verinnerlijking van die normen. Of, om het anders te formuleren, kunnen ze, zoals Van Dale het wil, inderdaad via dwang "als gelijkwaardig opgenomen worden"? Méér nog, als we het slot van Keulens definitie nogmaals bekijken: kunnen mensen op een zinnige of zinvolle manier gedwóngen worden zich... te emanciperen - en dus "op eigen benen te staan"? Leidt bevoogding tot óntvoogding?


2. Een "dwangbeleid"?

Het een "boeiende" vraagstelling, die, vermoed ik, een genuanceerd antwoord verdient. Maar in de allereerste plaats, denk ik, is het belangrijk vast te stellen dat het Belgische en Vlaamse overheidsbeleid ten aanzien van de "etnisch-culturele minderheden", en meer in het bijzonder t.a.v. de zogenaamde "migrantenbevolking", en dat wil dus eigenlijk-feitelijk zeggen: de Belgische moslimbevolking, inderdààd al jaren vormen van "dwang" hanteert als beleidsinstrument (let wel, dat geldt óók voor de ons omringende landen: denken we bv. aan de Franse wet die aan moslimmeisjes het dragen verbiedt van een hoofddoek op nochtans openbare scholen). Een opvallend gegeven, daarbij, is dat geregeld door beleidsmakers geargumenteerd wordt dat zulks "in het eigen belang is" van de getroffen personen. [8]

Naast nationale (bv. de bij wet opgelegde "moslimverkiezingen" van 20 maart 2005), kunnen daar ook tal van "Vlaamse" voorbeelden worden van geven.

++ Eén van de meest recente, is het door de Vlaamse regering goedgekeurde ontwerp van decreet inzake de nieuwe "Vlaamse Wooncode" (door de Vlaamse regering goedgekeurd begin december 2005). Het ontwerp legt o.m. de basisregels vast voor het verhuren van sociale woningen. "Het meest opvallende eruit" - en ik citeer nu het commentaar in De Standaard (2/12/05) - "is de eis dat mensen die geen school gelopen hebben in het Nederlands, bereid moeten zijn een aangepaste taalcursus Nederlands te volgen". Anders gezegd: een sociaal basisrecht - namelijk het recht op een menswaardige woonst - wordt hier voorwaardelijk gesteld, en wel aan een externe eis, een taaleis (een taalbereidheid, in de aangepaste versie), meer algemeen: een inburgeringseis. Wie er niét aan voldoet, d.w.z. eventueel na een proefperiode van twee jaar onvoldoende Nederlandskundig of "ingeburgerd" blijkt te zijn, verliest dan zijn of haar sociale woning en vliegt hij of zij op straat? Dergelijke discriminerende vereiste lijkt alvast strijdig te zijn, zowel met de Belgische Grondwet (art. 11: "het genot van de rechten en vrijheden... moet zonder discriminatie verzekerd worden") als met de UVRM, art. 2:

"Iéder heeft recht op àlle rechten en vrijheden..., zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationaliteit of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status".

Het is er mij hier echter niet onmiddellijk om te doen, de ongrondwettelijkheid van het (toekomstige) decreet te argumenteren, of de mate waarin het de mensenrechten schendt: anderen kunnen dat ongetwijfeld veel beter dan ik. Wààr het mij hier om te doen is, is dat in het licht van die nationaal en internationaal erkende grondrechten van iedere mens in elk geval toch wel mag gesproken worden van een opgelegd, zeg maar: van een dwangbeleid. Mensen, zo luidt de algemene gedachtegang die eraan ten grondslag ligt (het is "in hun eigen belang", niet waar), zullen zich op die manier noodgedwongen "integreren".

++ Een ander, recent voorbeeld van dergelijk beleid, dat meer in het bijzonder de Vlaamse moslimbevolking betreft en waar ik even wat langer wil bij stilstaan, is het Besluit van de Vlaamse Regering (nogmaals op voordracht van min. Keulen) daterend van 30 september 2005, dat

"de criteria (bepaalt) voor de erkenning van de plaatselijke kerk- en geloofsgemeenschappen [PKGG] van de erkende erediensten".

Zoals ik de formulering net kom voor te lezen, zal u ongetwijfeld opgevallen zijn dat ik twéémaal van "erkenning" heb gesproken: het gaat om erediensten die rééds bij wet erkend zijn (in het geval van de islamitische cultus: de wet van 19 juli 1974). Wat betekent het dan dat de Vlaamse regering hun PKGG ten tweede male (al dan niet) "erkend"? Wel, het Besluit verschaft daaromtrent zelf de nodige toelichting, onder Hfst. I, "Begripsbepalingen", art. 1:

"Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
(a) ...
(b) erkenning: de beslissing van de Vlaamse regering waarbij de oprichting van een entiteit van een kerk- of geloofsgemeenschap in rechte wordt aanvaard overeenkomstig het decreet"
(sc. van 7 mei 2004).

Anders gezegd: reeds meer dan 30 jaar geleden heeft de Belgische moslimgemeenschap het wettelijke recht verworven, onder meer op de praktische toepassing van art. 181 van de Belgische Grondwet, inzake de bezoldiging en pensioenen van de "bedienaren van de cultus", zeg maar: op voet van gelijkheid met de andere "erkende" erediensten en levensbeschouwingen, die daar al jaar en dag effectief van genieten. Wat dat laatste betreft, de moslims dragen daar eveneens al jaar en dag financieel toe bij via de belastingen die ook zij betalen aan de Belgische staat. De daadwerkelijke effectuering van dat recht (eindelijk!) wordt nu afhankelijk gemaakt van een "Vlaamse" erkenning van hun lokale gemeenschappen, en derhalve van een aantal supplementaire "erkenningsvoorwaarden": cf. Hfst. II: "Aanvraagprocedure en erkenningsvoorwaarden".

Die dwingende voorwaarden vinden we dan vooreerst geformuleerd in art. 2, § 2, inzake de "inlichtingen of stukken die het (aanvraag)dossier moet bevatten", bv. rubrieken 8°, 10°, 11°, en 12°. Natuurlijk, formeel gezien gelden die voorwaarden voor de PKGG's van àlle "erkende erediensten". Zij worden trouwens expliciet opgesomd, namelijk onder het al vermelde art. 1:

d) "de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap: de territoriale entiteit van de erkende erediensten, overeenkomstig het decreet aangeduid als:

* parochie (rooms-katholieke, anglicaanse en orthodoxe eredienst) ;
* kerkgemeente (protestantse eredienst);
* Israëlitische gemeente (Israëlitische eredienst);
* Islamitische gemeenschap (Islamitische eredienst)".

Maar laten we onszelf of elkaar "geen blaaskes wijsmaken": de stringente voorwaarden die in het Besluit geformuleerd worden, zijn wel dégelijk bedoeld voor de islam, of de plaatselijke moskeegemeenschappen ervan (vgl. met de al vermelde Franse wet, inzake de hoofddoek, die formeel ook een algemene draagwijdte heeft). De tijd ontbreekt om er systematisch op in te gaan. Ik citeer even de betreffende bepalingen (mijn onderstreping)[9]. Worden dus vereist:

8°) een toelichtende nota waaruit de maatschappelijke relevantie van de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap blijkt, met inbegrip van haar betrokkenheid bij het geheel van de lokale leefgemeenschap binnen de gebiedsomschrijving. De toelichting over de maatschappelijke relevantie bevat minimaal de volgende elementen:

a) een benaderende opgave van het aantal gelovigen binnen de gebiedsomschrijving, zo nodig opgesplitst per gemeente;

b) de wijze waarop de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap zich inschakelt in de lokale gemeenschap van de gemeente waartoe zij behoort, met inbegrip van:

* de wijze waarop zij in haar werking en haar contacten met gelovigen en derden, uitgezonderd de door de liturgie voorgeschreven bepalingen, de Nederlandse taal gebruikt;

* de organisatie van haar contacten met de bestuurlijke overheid van de gemeente of de gemeenten van haar gebiedsomschrijving.
(...)

9°) een schriftelijke verklaring waarbij de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap zich verbindt tot een correcte toepassing van de wetgeving inzake het gebruik van de talen in bestuurszaken door de bij toepassing van artikel 6 erkende entiteiten en alle openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid die opgericht worden op grond van het decreet;

Bij het indienen van het jaarlijkse budget bij, naar gelang van het geval de gemeente- of provincieoverheid, moet telkens een verslag gevoegd worden over de concrete toepassing van de betrokkenheid van de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap bij het geheel van de lokale gemeenschap met opgave van de elementen bedoeld in het vorige lid. De provincieoverheid voor de orthodoxe en islamitische eredienst, en de gemeenteoverheid voor de rooms-katholieke, de protestantse, de anglicaanse en de Israëlitische eredienst, stuurt een afschrift van het voormelde verslag naar de gouverneur, eventueel samen met haar bemerkingen over de toepassing van deze bepalingen. Als de provincieoverheid, gemeenteoverheid of de gouverneur bemerkingen formuleert over de toepassing van deze bepalingen, rapporteert de gouverneur erover aan de Vlaamse Regering binnen een termijn van 30 dagen, samen met zijn advies ter zake.

10°) een schriftelijke verklaring waarbij de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap zich ertoe verbindt dat haar huidige en toekomstige geestelijke bedienaars voldoen aan de inburgeringsplicht die desgevallend op hen van toepassing is ingevolge het decreet van 28 februari 2003 betreffende het Vlaamse inburgeringsbeleid.

Met geestelijke bedienaars van de eredienst wordt verstaan:

* de door de bisschop aangestelde verantwoordelijke van de parochie voor de rooms-katholieke eredienst en zijn vervanger;
* de predikant voor de protestantse eredienst en zijn vervanger;
* de bedienaar van de eredienst voor de anglicaanse eredienst en zijn vervanger;
* de rabbijn voor de Israëlitische eredienst en zijn vervanger;
* de kerkbedienaar en zijn vervanger voor de orthodoxe eredienst;
* de eerste imam en zijn vervanger voor de islamitische eredienst.

11°) een schriftelijke verklaring waarbij de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap zich ertoe verbindt om individuen die handelen of oproepen om te handelen in strijd met de Grondwet en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, te weren uit de organisatie en werking van de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap;

12°) een schriftelijke verklaring waarbij de plaatselijke kerk- of geloofsgemeenschap zich ertoe verbindt om, behoudens incidentele overmacht:

* in geen geval, op welkdanige wijze dan ook, haar medewerking te verlenen aan activiteiten, als zij in strijd zijn met de Grondwet en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

* individuen of verenigingen te weren uit gebruikte lokalen en plaatsen die de door artikel 6 erkende entiteiten en alle openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid die opgericht worden op grond van het decreet gebruiken, wanneer die personen oproepen of handelen in strijd met de Grondwet en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
;

In het beperkte kader van deze lezing wil ik slechts twee opmerkingen toevoegen:

(1) art. 21 van de Grondwet stelt ondubbelzinnig: "de Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst" - cf. "onze basiswaarde" van de scheiding tussen "kerk" en "staat". Maar wat dan met art. 2, § 2, 10°, in het Besluit? Idem voor de andere, restrictieve bepalingen (bv. het verplicht gebruik van het Nederlands, ook naar de eigen gelovigen toe; de verplichte "betrokkenheid bij het geheel van de lokale gemeenschap", enz.): overtreedt de Vlaamse regering bij dit alles niet zélf de bepalingen van "de Grondwet en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden" (en zouden de vertegenwoordigers ervan derhalve moeten... "geweerd" worden uit de moskeeën)?

(2) Wat met de plaatselijke, r-k kerkgemeenschappen (parochies): zullen ook zij voortaan gehouden worden aan de bepalingen van "de Grondwet en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden", en zullen ook zij jaarlijks een verslag moeten voorleggen over de "concrete toepassing" ervan? En wat dan met de bekende schendingen, binnen de Kerk, van die bepalingen: bv. de discriminatie tussen man en vrouw; de nog onlangs uitdrukkelijk door het hoofd van de rooms-katholieke Kerk herbevestigde discriminatie t.a.v. homoseksuelen; de celibaatsverplichting, enz?


++ Er zijn natuurlijk nóg tal van voorbeelden van dit soort van beleid, het ene al minder of meer "banaal" dan het andere: zo bijvoorbeeld:

- de op ideologische gronden gebaseerde weigering van sommige gemeentebesturen in Vlaanderen (o.m. in Gent) om de moslims een "menswaardige" begrafenis te gunnen, anders gezegd: om een moslimperceel te voorzien op de stedelijke begraafplaats[9bis];

- in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers wordt, overeenkomstig een reglement opgesteld door Kamervoorzitter Herman De Croo, de toegang tot de vergaderruimte en de publiekstribune ontzegd aan Belgische burgers die... een hoofddoek dragen[10];

- de politieverordening in Mechelen waarbij ouders gestraft worden met een boete van 250 euro (10.000 "oude BF") wanneer één van hun kinderen "overlast" lijkt te veroorzaken;

- het geval waarmee ik begonnen ben: de wijze waarop de Mechelse jeugdclub Rzoezie (eens te meer) onder politieke druk wordt gezet, dit keer om drie van haar verantwoordelijken te ontslaan ("Dat drietal moet eruit!") op straffe van mogelijk subsidieverlies - en dat omwille van een wat kritisch interview in een burgerlijke publicatie (waarvan de betrokkenen zich zelf gedistantieerd hebben, zie op de Rzoezie-site). Dit roept vanzelfsprekend de vraag op of "onze basiswaarde" van de vrijheid van meningsuiting (art. 19 van de Grondwet; minister Dewael, etc.) dan misschien niét geldt voor woordvoerders van een zogenaamd allochtone organisatie? En wat met de gewenste "actieve participatie in de samenleving"?

Maar let wel: niet enkel bij de overheden en beleidsverantwoordelijken wordt uitgegaan van een niet altijd doordachte "dwangpedagogiek". Het idee dat mensen die zich manifest in een sociaal zwakke positie bevinden, op één of andere manier dwang, anders gezegd: pijn moeten ervaren (het weze dan in eerste instantie financieel of materieel), willen zij er effectief toe gebracht worden zich bewust te worden van hun menselijke (burgerlijke e.a.) verantwoordelijkheden, dat idee is of lijkt vrij algemeen verspreid te zijn in onze samenleving, vandaag. Nog in de krant van vorige maandag (De Morgen, 19/12/05), in een verslag over een debatavond naar aanleiding van het 40-jarig bestaan van het Limburgs Provinciale Integratiecentrum, vind ik als een treffende illustratie de tussenkomst geciteerd van een leerkracht van Turkse afkomst (hij wordt vermeld met naam en toenaam), naar aanleiding van het probleemgedrag van allochtone jongeren op school:

"Jongeren noch hun ouders nemen hun verantwoordelijkheid... (De jongeren) integreren zich niet, maar maken hun eigen straatcultuur. Onze vraag: koppel het kindergeld aan de schoolaanwezigheid. Nu is het aan de allochtonen!"


3. Dwingen: zin of onzin?

3.1. Vandaar dat ik mijn vraag herhaal: kùnnen mensen op een zinvolle - en dus doelmatige - manier "gedwongen" worden, niét louter zich in hun uiterlijk gedrag te conformeren aan geldende voorschriften, regels, enz. van de openbare orde - want dat lijkt daadwerkelijk het geval te zijn: cf. het succes van verkeerscamera's en verhoogde verkeersboetes, wat de veiligheid op de weg betreft. Mààr: kunnen zij er aldus toe gebracht worden, zich innerlijk, "bi'l qalb", "in hun hart", zoals men dat zegt in het koranische Arabisch, te ontvoogden van verouderde en niet langer functionele gewoontes, vooroordelen, tradities, enz., die hun verdere menselijke zelfontplooiing in de weg staan? Anders gezegd: zich effectief te bekeren (dus: zonder hypocrisie) tot een levenshouding die hen in staat stelt, "actief deel te nemen aan (de) samenleving", zoals Keulen het formuleerde?

Een simpel antwoord  - "ja" of "neen" - lijkt niet evident, en ga ik hier ook niet geven. Wel gaat de pedagogiek vandaag, geloof ik, zoals ze in het onderwijs bv. wordt toegepast, toch niet langer in de richting van systematische bestraffing en tuchtiging (maar veeleer in de richting van zelfwerkzaamheid en actieve participatie vanwege de kinderen).

Of laat ik misschien een meer (weer)sprekend voorbeeld geven. Er bestaat vandaag een brede consensus - bij politici, in de media, bij spraakmakende academici en in de publieke opinie - dat moet worden afgestapt, wegens "mislukt", van het zogenaamde "knuffelbeleid" dat in de Europese landen (zoals Nederland en ons land) in de laatste 25 jaar zou (!) gehanteerd zijn ten aanzien van de zogenaamde migranten. De klemtoon moet integendeel gelegd worden, aldus die vrij algemene consensus, op plichten én verplichtingen, en niét (of pas daarna) op rechten[11].  Nochtans,

- wanneer het erop aankomt, een eind te stellen aan de verregaande en onduldbare discriminatie op de arbeidsmarkt ten aanzien van iedereen die zelfs maar een "vreemde" ("moslimachtige") voornaam of naam draagt - een discriminatie waaromtrent iederéén het eens is dat de uitzichtloosheid die eruit voortvloeit voor de betreffende jongeren, of ze nu een diploma hebben of niet, één van de voornaamste oorzaken is van de samenlevingsproblematiek in tal van wijken in onze steden -,

- en wanneer dan door een aantal mensen (niet enkel door "radicalen", zoals Abou Jahjah en de AEL, maar ook door bv. Jozef De Witte, directeur van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, een gerespecteerd arbeidssocioloog als prof. Albert Martens, van de KUL[11bis], e.a.) ervoor gepleit wordt om, naar het (betrekkelijk) succesvolle voorbeeld van Nederland, een politiek te voeren van verplichte quota naar de Vlaamse overheid, zowel als naar ondernemers en werkgevers toe, dàn klinkt het plots dat een dergelijke wettelijke verplichting "niet zou werken", of zelfs "contraproductief" zou werken (VBO-topman Pieter Timmermans, in Nachtwacht), enz. Niet enkel in rechtse of burgerlijke kringen, maar ook bij progressieven (bv. Tarik Fraihi, van KifKif) heerst er twijfel over de doelmatigheid van dergelijke quota.

Wel, wat kan men dan omtrent deze vrij algemene perceptie (die niét gebaseerd is op concrete resultaten: nogmaals bijvoorbeeld prof. Martens, in interviews, concludeert dat de situatie er na tien jaar van "vrijwillig" beleid alleen maar op verslechterd is) ànders besluiten dan dat het in het geval van "autochtonen" niét zinvol is om dwang uit te oefenen, bij allochtonen, daarentegen, wél? De grondslag van die perceptie is natuurlijk gemakkelijk aan te geven: het is geen kwestie van etniciteit, taal of religie, maar van (ongelijke) machtsverhoudingen[12].


3.2. Om terug te keren naar onze vraag: het zijn in de allereerste plaats psychologen, pedagogen en andere agogen, alsook sociologen en andere sociale wetenschappers die de vraag naar de (complexe) relatie tussen "emancipatie" en "dwang" wetenschappelijk kunnen beantwoorden. Ik ben geen van dat alles, maar ben slechts een historicus. D.w.z. dat ik alleen maar zou kunnen proberen in de geschiedenis te zoeken naar collectieve voorbeelden van "gedwongen emancipatie" en de al dan niet succesvolle uitkomst ervan.

Een "mooi", nog modern voorbeeld lijkt me de oprichting van de Turkse Republiek (1923) te zijn, met haar "goed bedoelde", maar van bovenaf, autoritair én repressief aan de post-osmaanse samenleving opgelegde politiek van secularisering (laiklik) en modernisering. Moeten we dat project vandaag als een succes beschouwen, of als een mislukking? Ik zou niet zonder meer op deze vraag durven antwoorden. Wel wéét ik dat ook vandaag nog, in de 21ste eeuw, en eigenlijk pas sedert énkele jaren aan jonge Turkse vrouwen die uit overtuiging een hoofddoek dragen, bij wet de toegang ontzegd wordt tot àlle Turkse universiteiten (staats- zowel als privé-instellingen). Men kan daaromtrent allerlei zaken zeggen of vergoelijken (cf. ook de recente uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens), maar niét dat daarmee het historische succes is aangetoond van het kemalistische project. Ik zou zeggen: quite to the contrary!

Dat brengt me bij het (oorspronkelijke) meer religieuze aspect van onze vraagstelling. Ik gebruikte daarnet al het werkwoord "bekeren". Het lijkt me inderdaad argumenteerbaar dat het vandaag gevoerde "integratiebeleid" in onze landen, dat dus gericht is op de overname en toepassing van "onze waarden en normen", in belangrijke mate een geseculariseerde versie is van de religieuze bekeringsijver die meer dan duizend jaar lang in onze contreien in de praktijk werd gebracht onder de hegemonie van de r-k Kerk (later eventueel ook protestantse kerken).

De Europese geschiedenis bevat dan ook tal van voorbeelden van "dwangbekeringen", vaak collectief - en met, in de "zijstraten" van de geschiedenis, de permanente dreiging met fysieke vervolging, eventueel (en zeker niet uitzonderlijk) uitroeiing of uitdrijving. Eén voorbeeld: na de val van Granada (in 1492), ondanks het onderhandelde verdrag, en na de algemene uitdrijving van de joden uit katholiek Spanje, datzelfde jaar (zij hadden de "keuze" tussen bekering of vertrek), volgde enkele jaren later toch de gedwongen, collectieve bekering van de vele honderdduizenden, autochtone moslims, de zgn. Moriscos. De katholieke Spaanse overheid heeft het resultaat daarvan nadien zélf negatief beoordeeld want, zoals bekend, na vele jaren van repressie en vervolging (o.m. door de infame Inquisitie), werd in de beginjaren van de 17de eeuw via een aantal edicten de quasi complete Moriskenbevolking op haar beurt uitgedreven (in bepaalde gevallen kregen ze amper drie dagen de tijd, en waren nadien "vogelvrij")[13].

Het feit, echter, dat in de christelijke middeleeuwen de dwang- of geweldmethode wel degelijk systematisch is toegepast, met de bekende, vaak gruwelijke effecten, suggereert op zijn minst dat men geloofde in de zinvolheid van dergelijk optreden. Welnu, die overtuiging kunnen we ideologisch of theologisch terugvoeren tot één van de grootste, zo niet de grootste, laat-antieke autoriteit of "Kerkvader" voor het westerse christendom, namelijk Aurelius Augustinus (gest. in 430).

Het merkwaardige is dat deze (ook voor het heden nog) belangrijke denker en kerkleider, vanuit een meer filosofische en spirituele visie op het geloof, in feite een tégenstander was van fysieke dwang of geweld ten aanzien van de ongelovigen, ketters of "slechten". Deze laatsten, zo was zijn overtuiging, moesten "lichamelijk" (corpore) wel degelijk getolereerd worden; enkel "in het hart" (corde) dienden ze te worden uitgestoten door de ware gelovigen. Dat was ook de houding die hij, als bisschop van Hippo, verdedigde t.a.v. de belangrijke scheurkerk van de zgn. donatisten, waarmee hij als bisschop, en samen met hem ook het christelijke keizerrijk, in Noord-Afrika geconfronteerd werd[14]. Onder zijn aandringen, werd nog in 411 een ultieme conferentie belegd ten einde de verschillen op een vreedzame manier bij te leggen, maar zonder het verhoopte resultaat. De politieke overheid reageerde erop, na reeds eerdere, minder extreme pogingen in die zin, door manu militari - en dat wil dus zeggen met verregaand militair geweld, brutale repressie, executies, enz. - de donatisten finaal te dwingen zich te bekeren tot het "ene, katholieke geloof". Op korte termijn - vele mensen waren de jarenlange spanningen en conflicten, ook vaak binnen dezelfde families, beu - was die repressieve politiek inderdaad succesvol. Als gevolg daarvan herzag Augustinus zijn mening over het gebruik van geweld in geloofszaken. Hoewel dus in strijd met zijn basisfilosofie, zou hij voortaan het beruchte principe verdedigen van het "compelle" of "coge intrare", d.w.z. "dwíng ze binnen te komen" (sc. in de schoot van de Kerk), namelijk als een doeltreffend  raccourci naar het beoogde ("goede") doel. Het was dàt principe dat in de middeleeuwen de zware kettervervolgingen heeft helpen legitimeren.

PS Was de repressieve politiek t.a.v. het donatisme ook op làngere termijn succesvol? In de moderne literatuur over de patristiek worden daar grote vraagtekens bij geplaatst. Een autoriteit als Von Campenhausen wijt de neergang, nadien, van de Afrikaanse kerk precies aan die gedwongen bekering. Hij wijst erop dat de (Noord-)Afrikaanse kerk de énige christelijke kerk was in de mediterrane ruimte die, met de moslimveroveringen, volledig verdwenen is, zonder énig spoor achter te laten: "blijkbaar hebben de oude donatisten de Arabieren als hun bevrijders ontvangen", zo concludeert hij[15].

 

Korte Epiloog.

Met deze kritische reflectie over zin of onzin van "dwang", op het vlak van "integratie" maar ook van "emancipatie", heb ik geen definitieve antwoorden willen geven maar vooral enkele kritische vragen willen opwerpen - zoals dat van een academicus mag, of beter: moet, verwacht worden.

Afsluitend en (veel te) kort, wat de in de geschiedenis aanwezige visies betreft omtrent emancipatie, wil ik eindigen met te verwijzen naar de bekende, koranische visie, zoals zij in verschillende Koranverzen vertolkt wordt. De meest pregnante formulering ervan is uiteraard soera 2:256:

"In de godsdienst is er géén dwang". [16]

Al wie de Koran ter hand genomen heeft, weet dat deze religieuze verkondiging een emancipatorisch project uitdraagt ten gerieve van de mensheid, en dat ze dat ook zelf uitdrukkelijk aangeeft. Zo bijvoorbeeld in het vers 12:2 (ook 43:3, vertaling van Kramers):

"Wij hebben haar neergezonden als een opzegging in de cArabiyya, opdat gijlieden verstandig zoudt worden".

Vandaar ook dat de periode vóór die verkondiging traditioneel wordt aangeduid als die van de "Onwetendheid" (jahiliyya).

Is er, als gevolg van het koranische principe, door moslims, nadien, nóóit geweld gepleegd in geloofszaken? Toch wel, natuurlijk - mensen zitten nu eenmaal niet zo in elkaar dat ze nóóit, zelfs "goddelijke" voorschriften zouden overtreden (dat is trouwens niet altijd een kwalijke zaak) -, maar vanuit theoretisch oogpunt en met het oog ook op de huidige vraagstelling inzake "integratie" en "emancipatie", is het een visie op de menselijke psychologie die nog altijd het overwegen méér dan waard is.

 

___________________________

 


NOTEN:

[1] De volledige tekst van het interview, alsmede een kort verslag van de politieke reacties erop, in De Morgen, kunnen geconsulteerd worden in ons archief, zie docu44.htm.

[2] Zie URL: [website bestaat niet langer].

[3] Zie bv. reeds de analyse ervan bij J.Blommaert & J.Verschueren, Het Belgisch Migrantendebat, 1992, pp. 86-87.

[4] Cf. Blommaerts artikel, "Blokspraak", verschenen in De Witte Raaf, 114, 2005, en ook te lezen op deze site. [Vanuit een heel andere, sociologische invalshoek, wordt het belang van de heersende ideologie bij de autochtone meerderheid in rekening gebracht in de interessante bijdrage van D.Jacobs, K.Abts, K.Phalet & M.Swyngedouw: "Verklaringen voor etnocentrisme. De rol van sociaal kapitaal, sociaal-economische onzekerheid, sociale integratie en gevoelens van discriminatie. Een verkenning", pp. 99-132, in: Vlaanderen gepeild! De Vlaamse overheid en burgeronderzoek 2001, Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Deze studie vertrekt van de hypothese "dat de houding van autochtonen tegenover allochtonen afhangt van de mate van integratie en participatie van autochtonen in de samenleving".]

[5] Een recent, grotesk voorbeeld van deze "fixatie" levert het Brabants dorp - ik wil het niet de eer geven het met name te vernoemen (maar zie het artikel in De Morgen van 22/12/05) - dat, ondanks de vernietiging van een eerder besluit door de provinciegouverneur, erin persisteert om het gebruik van het Frans door marktkramers op de markt te verbieden. Precies handelsmarkten zijn eeuwenlang, om niet te zeggen millennialang, plaatsen geweest waar handelaars en reizigers vanuit de meest verschillende windstreken, culturen en talen elkaar ontmoet hebben en op die manier hebben bijgedragen tot het verruimen van de horizon van de lokale gemeenschap! Met permissie gezegd: eens te meer, kan men zich alleen maar schamen, Vlaming te zijn.

[6] Zie de volledige tekst op de website van www.nos.nl , onder "Nieuws - Achtergronden", datum 5 mei 2005. Enkel de "kop-" en "voettekst" zijn - decoratief - in het Arabisch geschreven.

[6bis] In het boeiende dubbelinterview, in De Morgen van 31/12/05, met de gebroeders Bahattin en Selahattin Koçak wordt door de laatstgenoemde (SP.A-schepen van Beringen) heel juist "de vinger op de wonde gelegd", met het voorbeeld van de weigering van enkele scholen om zijn kinderen ("Mijn dochter is zo Belgisch als maar kan") in te schrijven. Zijn commentaar: "Van Paula D'Hondt tot Marino Keulen zijn er telkens nieuwe trapjes van integratie uitgedokterd en als je helemaal bovenaan bent, Belgischer dan je Belgische buur, kom je er toch nog niet in". [toegevoegd]

[7] De Staat, zoals men dat zegt, heeft het monopolie op het geweld, en beschikt bijgevolg over de nodige "potestas coërcitiva" om zijn verordeningen effectief af te dwingen.

[8] Niet om aan goedkope demagogie te doen, maar om te waarschuwen voor de dubbelzinnigheid van dergelijke "goede bedoelingen" (die dus niet enkel het "goede" voor iemand anders bedoelen, maar ook denken te wéten wàt dat "goede" is), wil ik herinneren aan de "oude" Aristoteles: in het eerste boek van zijn Politica wordt het (onder méér) institutionele geweld dat werd aangedaan aan de antieke slaven, door hem moreel gerechtvaardigd met het argument dat dergelijke situatie "in het eigen belang" was van de ("natuurlijke") slaven. Cf. zijn conclusie aan het slot van kap. 5, dat, in tegenstrijd met wat (sommige) Sofisten hadden geargumenteerd, "het dus manifest is dat (voor de betrokkenen) het slaaf-zijn zowel voordelig als rechtvaardig is".

[9] De volledige tekst van het Besluit van 30/9/05 is te lezen op deze site.

[9bis] "Omdat iedereen, ongeacht nationaliteit, ras, godsdienstige of filosofische overtuiging, broederlijk naast mekaar moet kunnen begraven worden", zoals de motivering luidde in 2004, van het Mechelse stadsbestuur. Zie hierover mijn tekst, "Het Recht op een Menswaardige Begrafenis", op deze site; voor een lijst van Vlaamse gemeenten waar wél positief is ingegaan op de vraag naar een perceel, zie op deze site (stand van zaken in april 2004).

[10] Op de avond van de lezing werd mij een dergelijk "incident" gemeld door een verontwaardigde medewerker van Kerkwerk Multicultureel Samenleven/Pax Christi: tijdens een geleid bezoek, met de personeelsleden van de organisatie (waaronder een medewerkster met hoofddoek), aan het Belgisch Parlement werd hen door de (beschaamde) gids meegedeeld dat zij aan de dame in kwestie de toegang tot de Kamer moést ontzeggen, op bevel van de "eerste burger van het land", VLD-er De Croo. De gehele groep heeft daarop uit protest geweigerd het bezoek verder te zetten. Een echo hiervan is te lezen in De Morgen van 24/12/05, naar aanleiding van een protest tegen deze behandeling door CD&V-senatrice, Sabin de Béthune (in de Senaat geldt geen dergelijk reglement). [In een klein stukje in De Morgen van 14/1/06 lezen we nu dat de Kamervoorzitter, na het protest van senatrice De Béthune, zijn reglement aangepast heeft. "Gesluierde vrouwen" (sic) zijn dus voortaan ook in de Kamer welkom, aldus de krant.]

[11] Cf. het verwijt van eerste schepen Anciaux, van Mechelen, tegen het Rzoezie-bestuur: "Het wijst de jongeren te veel op hun rechten en te weinig op hun plichten, om het even heel eenvoudig samen te vatten", zie op deze site.

[11bis] Zie het interview in De Standaard, 24/3/05, "Volgens professor Martens kan alleen wet werkgelegenheidsdrama verbeteren" (klik hier ); ook in een interview met Rood (mei 2005): "Het tegengaan van discriminatie op de arbeidsmarkt is gewoon een kwestie van politieke wil"; cf. Martens, A., Ouali, N., Van de Maele, M., Etnische discriminatie op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Onderzoek in het kader van het Sociaal Pact voor de Werkgelegenheid van de Brusselaars, ULB-KUL, januari 2005.

[12] Een ander, "sprekend" voorbeeld betreft vanzelfsprekend de algemene houding van de politieke wereld én de media ten aanzien van een racistische partij, als het Vlaams Blok/Belang. De juridische vervolging en veroordeling ervan, op basis van de bestaande Belgische wetgeving, is door vrijwel alle "gevestigde" partijen betreurd, als "contraproductief". Ook voor het recente initiatief, in dit verband, van KifKif en MRAX was er vooral kritiek te lezen in de pers (De Morgen én De Standaard) - ook vanwege progressieve intellectuelen (cf. het opiniestuk van Ludo De Witte en Abou Jahjah, in De Morgen van 1 december 2005).

[13] Zie hierover verder, op deze site.

[14] Voor meer uitleg hierover, zie mijn filosofie-syllabus, op deze site.

[15] H.Von Campenhausen, Les Pères latins (trad. de l'allemand par C.A.Moreau), Paris 1967, p. 281: "Il semble que les anciens donatistes aient accueilli les Arabes comme leurs libérateurs et, quoi qu' il en fût, l'héritage 'catholique' n'a plus trouvé en eux de bien sérieux défenseurs".

[16] Voor een uitgebreide beschouwing over de koranische visie inzake godsdienstvrijheid, zie de bijdrage van Linda Bogaert, "Vrijheid van Meningsuiting: een Koranisch Perspectief", op deze site.

PS Na mijn lezing werd ik even onderhouden door docent Haboub Abdelhadi (ook actief in de vereniging Vlaamse Leerkrachten Islamitische Godsdienst, of VLIG). Hij stipte aan dat vroegere rechtsgeleerden en theologen het "géén dwang" in het Koranvers vaak heel strikt plachten op te vatten. Dat was met name het geval voor de bekende Ibn Hazm, van Cordoba (994-1064), die tot de minoritaire rechtsschool van de zahiri behoorde. Een anekdote luidt dat toen Ibn Hazm, in zijn hoedanigheid van rechter, à la Salomon moest beslissen of een boorling toekwam aan een christelijke dan wel aan een moslimvrouw, hij het kind onmiddellijk toewees aan de christin. Achteraf om uitleg gevraagd, was zijn motivering dat, aangezien men leefde in een maatschappij waar de islam dominant was, het kind op die manier méér kans kreeg om later vrijwillig en op basis van overtuiging te opteren voor de islam.
* (Verder) uitgeschreven en uitgewerkte tekst van een lezing gehouden ter gelegenheid van de uitreiking door de VOEM vzw van haar 8ste Emancipatieprijs, op 21 december 2005, in Antwerpen.

CIE-INDEXWeb master: Herman De Ley Update: 10.12.2008