|
Inleiding.
De Israëlische militaire
bezetting en kolonisatie van de Palestijnse westelijke Jordaanoever
heeft niet enkel politieke en religieus-ideologische drijfveren. Ze
kadert ook - zo kunnen we lezen
(1) - in een "waterpolitiek": de controle over
vitale watervoorraden, in dit gebied, moet de als maar stijgende
behoefte aan drinkwater van Israëli's en kolonisten voor de toekomst
veilig stellen, desnoods ten koste van de Palestijnen.
Het zal dan wel niet "toevallig" zijn dat de "Muur van de
Schande", die het Palestijnse volk moet "inkerkeren", zovele
Palestijnse boeren afsnijdt van hun plaatselijke waterbron.
Water is natuurlijk altijd
al van bijzondere betekenis geweest, in de mediterrane wereld en het
Midden-Oosten. Als classicus, denken we onvermijdelijk aan de "eerste
Griekse filosoof", Thales van Milete (rond 600 v.o.t.), met zijn
stelling dat water "de oorsprong" van de wereld was(2).
Thales, echter, kon daarvoor teruggrijpen naar oudere, mythologische
voorstellingen, niet enkel bij de dichter Homeros (het "mariene"
godenpaar: Okeanos, de "zoete", en Thetus, de "zoute", als de "oorsprong
van alles"), maar veel eerder, bij de Sumeriërs, godin Nammu; bij
de Babyloniërs: godin Tiamat (de "draak der - zilte - waters") en god
Enki (voor het aardse, zoete water); de Egyptische godin Nun...
In de Koran, in een monotheïstische context, vinden we die primordialiteit van water
herbevestigd in een vers als 21:30 (L):
¶ "Wij
hebben uit water al het levende gemaakt".
Maar ook
in het beeld van 11:7:
¶
"Hij is het die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft,
terwijl Zijn troon boven het water was".
Water, in al zijn vormen,
neemt dan ook een voorname plaats in in de Koran:
-
het woord
"water" (Ar.: mâ') komt meer dan zestigmaal voor;
-
het woord
"rivier(en)" (Ar.: nahr, anhâr) meer dan vijftigmaal;
-
het woord
"zee(ën)" (Ar.: bahr) meer dan veertigmaal;
en
daarnaast heeft de Koran het ook over: fonteinen, bronnen, regen,
hagel, wolken, winden... Vanzelfsprekend is het de Koran niet te doen
om deze fysische en meteorologische fenomenen als zodanig. Als "leidraad
voor de mensen", heeft de Koran zijn eigen manier om met die fenomenen
om te gaan en streeft hij zijn eigen doeleinden na. De conclusie ervan
is dat "water" niet enkel nodig en essentieel is, maar dat het een
diepere betekenis heeft, een "teken", namelijk voor Gods
almacht en voorzienigheid. De koranieke bespreking heeft dan ook ver
reikende gevolgen gehad voor het leven van de individuele moslims én voor de
islamitische samenleving en civilisatie. Bovendien komen uit de wijze
waarop de Koran het thema aanbrengt en behandelt, een aantal typische
argumentatiepatronen naar voren, geformuleerd in een karakteristieke
taal en stijl.
In de
bespreking van het water als één van de kostbaarste grondstoffen, op
aarde, maakt de Koran een onderscheid tussen twee soorten van water,
namelijk zoet water en zeewater.
1. Zoet
Water
Zoet water
krijgt in de Koran overvloedige verwijzingen, maar dat gebeurt op een
bijzondere manier. Het algemene principe is vanzelfsprekend:
¶ "God
is de schepper van alle dingen en Hij is de voogd van alles",
39:62, en
¶ "(Hij
heeft) alles geschapen en nauwkeurig geordend", 25:2;
maar de
Koran houdt het niet bij de - ten aanzien van toehoorders en lezers
eerder afstandelijke - bevestiging dat God (ook) het water "geschapen heeft".
De mensen worden daarentegen zo sterk mogelijk betrokken, namelijk via
wat ze zelf waarnemen en ervaren van de processen die water, en zijn
weldaden, als resultaat hebben; en ze worden opgeroepen goed te kijken,
erbij stil te staan en na te denken, bv. 30:48-50 (L):
¶ "God
is het die de winden uitzendt die dan in de hemel wolken opdrijven.
En Hij spreidt ze uit hoe Hij het wil en Hij verdeelt ze in stukken.
Dan zie je de regen ertussenuit komen. En wanneer Hij van zijn
dienaren ermee treft wie Hij wil, dan verblijden ze zich... Kijkt
dan naar de sporen van Gods barmhartigheid, hoe Hij de aarde laat
herleven nadat zij dood was".
De Koran
heeft het inderdaad vaak over de wind en de (regen)wolken die God doet
opkomen:
¶ "Hij
is het die jullie in vrees en begeerte de bliksem laat zien en die
de zware wolken laat ontstaan", 13:12;
¶ "...
in het water dat God uit de hemel laat neerdalen om daarmee de aarde
te doen herleven nadat zij dood was,... in het besturen van de
winden en in de wolken die voortgedreven worden tussen hemel en
aarde, zijn tekenen voor mensen die verstandig zijn", 2:164;
¶ "Hij
is het die de winden als verkondigers van goed nieuws voor Zijn
barmhartigheid uitzendt. En Wij laten uit de hemel rein water
neerdalen om daarmee een dode streek tot leven te brengen en om
daarmee veel van wat Wij geschapen hebben, vee en mensen, te drinken
te geven", 25:48-49, e.a.
Dergelijke
passussen nemen dus vaak de vorm aan van "Hij is het...", "Wij laten...".
Zij helpen de toehoorder of lezer ervan te doordringen dat de
oorsprong van het zoet water bij God ligt, en niet bij de mens. Dat
wordt nog geaccentueerd door de zinsnede, "uit de hemel": de
waterbron is dus onttrokken aan het aardse niveau, waar de mens nog
wel eens de indruk zou kunnen hebben dat hij de zaak onder controle
heeft; het is daarentegen God die het vanuit een hogere bron naar
omlaag stuurt. Dat gegeven kan bv. gebruikt worden om de ongelovigen "op
hun plaats" te zetten, zo in 56:68-70 (hier, zoals meestal elders, de
vertaling van F.Leemhuis):
¶ "Hoe
zien jullie het water dan dat jullie drinken? Hebben jullie het uit
de wolken neer laten komen of hebben Wij het neer laten dalen? Als
Wij wilden hadden Wij het pekelig gemaakt; waarom betuigen jullie
dan geen dank?"
Dat vele
moslims, vandaag, het wat moeilijk hebben met de algemeen verspreide
praktijk van wetenschappelijke weersvoorspellingen, laat zich van
hieruit beter begrijpen.
De zinsnede,
"uit de hemel", helpt ook de aandacht vestigen op de schijnbare
paradox dat de hemel, daar boven, water bevat, en dat het daar op zijn
plaats wordt gehouden door Gods macht, tot Hij, wanneer Hij dat wil,
het naar omlaag laat vallen: nergens in de Koran lees je dat het (regen)water
zélf 'neervalt'!
Terwijl
water zo essentieel is, worden de mensen er in de Koran aan herinnerd
dat niet zij beschikken over de voorraden ervan, cf. 15:21-22:
¶ "Er
bestaat niets of er zijn bij Ons voorraden van en Wij laten het
slechts in vastgestelde mate neerdalen. En Wij zenden de winden
terwijl ze zwaarbeladen zijn en Wij laten uit de hemel water
neerdalen en Wij geven jullie daarvan te drinken. En jullie hadden
daarvan geen voorraden kunnen aanleggen".
God "drijft"
dus de wolken naar een bepaalde streek en Hij laat regen, of hagel,
neervallen ten gerieve van wie Hij wil, of Hij onthoudt haar van wie Hij
wil; zie ook bv. het erg plastische 24:43-44:
¶ "Heb
jij niet gezien dat God de wolken voortstuwt, ze dan samenvoegt en
dan tot een stapel maakt? Dan zie je de regen er tussenuit komen. En
Hij laat uit de hemel bergen neerdalen waarin hagel is en Hij treft
daarmee wie Hij wil en wendt het af van wie Hij wil. Bijna ontneemt
de flits van de bliksem ervan hem het gezichtsvermogen. God keert de
nacht en de dag om. Daarin is een les voor hen die inzicht hebben".
2. Weldaden
Zowel de
watervoorraden, dus, als de toegang ertoe zijn uitsluitend in handen
van God; de mens wordt enkel gevraagd te observeren, er lessen uit te
trekken, maar ook: zich te verheugen in de weldaden van deze leven
brengende substantie.
Tot de
weldaden ervan die vaak worden aangestipt, behoort in de eerste plaats
het drinken ervan:
¶ "en
Wij geven jullie daarvan te drinken", 15:22;
¶ "En
Wij hebben... jullie fris water te drinken gegeven", 77:27;
¶ "En
Wij laten uit de hemel rein water neerdalen om... daarmee veel van
wat Wij geschapen hebben, vee en mensen, te drinken te geven",
25:48-49 (zie ook hoger).
Let op de
volgorde, in het laatste citaat: de dieren komen "vóór" de mensen. Zij
zelf, immers, zijn voor de mensen een bron van voedsel én drinken (melk).
Ook de "pluralis maiestatis", "Wij", is sterk geprononceerd.
God zendt
het water neer "met mate" (43:11), en doet de aarde aldus "heropleven".
Zij brengt dan alles voort wat tot profijt strekt van mens en dier.
De Koran houdt er duidelijk van, die voortbrengselen op te sommen, met
veel zin voor detail, ook in hun groei en bloei, ten einde de mensen
er te doen bij stilstaan, bv. 6:99 (Leemhuis' vertaling licht
aangepast):
¶ "En
Hij is het die vanuit de hemel water laat neerdalen. Wij brengen
daarmee het in de knop komen voort van planten van allerlei soort -
Wij hebben daardoor frissen groene planten voortgebracht waaruit Wij
opeengepakte zaadkorrels voortbrengen en uit de palmen, uit de
bloeikolf ervan, laaghangende dadeltrossen - en ook tuinen met
wijnstokken, olijf- en granaatappelbomen die deels wel en deels niet
op elkaar lijken. Kijk naar de vruchten ervan, wanneer zij vrucht
dragen, en naar het rijp worden ervan. Daarin zijn zeker tekenen
voor mensen die geloven".
Op die
manier, dus, uit een bodem die voorheen "dor" of "dood" was,
brengt God dank zij het water "alle soorten vruchten" voort
(7:57); fruit van "verschillende kleuren" (35:27), en "sommige
overtreffen andere in opbrengst" (13:4). Het (regen)water heeft
daarmee ook een - in een mediterrane, woestijn- of steppecontext -
opvallend effect, van de ene dag op de andere, op het uitzicht, op de
schoonheid van de aarde, die van verdord, plotsklaps in volle,
groene bloei komt te staan:
¶
"Zie je dan niet dat God uit de hemel water laat neerdalen zodat
de aarde groen wordt?", 22:63;
¶ "...
En je ziet dat de aarde verdord is, maar wanneer Wij er dan water op
laten neerdalen, schudt ze zich, zwelt op en we doen haar
ontspruiten van allerlei schoons", 22:5 (vertaling op basis van
Kramers).
De Koran
vestigt op die manier de aandacht op fenomenen waarmee de mens
vertrouwd is, maar die hij te zeer als vanzelfsprekend beschouwt; en
doet hem er dus over nadenken, zie bv. ook 80:24-32:
¶ "De
mens moet maar eens zijn voedsel bekijken. Dat Wij het water in
gutsen uitgieten, dan de aarde in voren openbreken en dan erin laten
ontspruiten: graan, wijnstokken en voedergewassen, olijfbomen en
palmen, in dichtbegroeide boomgaarden, vruchten en foerage, als
vruchtgebruik voor jullie en jullie vee".
Eventueel,
echter, kan de tijdelijkheid van de heropleving van de aarde door de
regen gebruikt worden als een beeld voor de betrekkelijkheid van het
menselijke bestaan, cf. 57:20:
¶
"Weet dat het tegenwoordige leven slechts spel en tijdverdrijf,
pracht en onderling gepraal en streven naar meer bezittingen en
kinderen is. Het is bijvoorbeeld als met de regen; de plantengroei
die ervan komt bevalt de ongelovigen. Dan verdort het en jij ziet
het geel worden en dan wordt het tot gruis... Het tegenwoordige
leven is slechts begoocheling".
3.
Reinheid (tahâra)
Het
reinigend effect van water is een andere, wezenlijke functie
ervan voor moslims. Ten behoeve van de cultus - in de eerste plaats
het vijfmaal daagse plichtgebed - alsook voor het manipuleren en lezen
van de Koran, moet de gelovige als het ware constant in de weer zijn
met het reinigen van zijn of haar lichaam, kleding en gebedsplaats(3).
Dat geldt
in de eerste plaats voor de zogenaamde kleine wassing, of ablutie, in
het Arabisch: wudû', een woord dat ook verwijst naar blinken,
glanzen, vooral in het gelaat. Het vijfmaal daags wassen en
opfrissen van het gelaat ten behoeve van het gebed (de gelovige staat
hierin "van aangezicht tot aangezicht" met God) creëerde een wijze van
(samen)leven die typisch is voor moslims. Wat de religieuze betekenis
ervan betreft, de Profeet heeft gezegd dat het zich reinigen met de
ablutie "de helft van het geloof" (shatr al-imân) is, en dat
wie dat goed doet, bij zijn gebeden, op de Oordeelsdag zal
verschijnen met licht op zijn gelaat, polsen en enkels.
Daarnaast
is er de volledige of grote wassing, Arabisch: ghusl, die nodig is na seks,
menstruatie, e.d. In de Koran wordt zulke wasbeurt beschreven als een
middel niet enkel voor fysieke reiniging, maar ook voor psychische en spirituele
loutering en opmontering, cf. 8:11:
¶ "Toen
Hij jullie als een bescherming van Hem door slaap bevangen liet
worden en water uit de hemel over jullie liet neerdalen om jullie
ermee rein te maken en de gruwel van de satan van jullie te
verwijderen en om jullie harten standvastig en de voeten stevig te
maken".
Moslims
worden ook opgedragen "jullie kleding te reinigen" (74:4), en
de Koran beklemtoont, 9:108: ¶ "En God bemint hen die zich reinigen".
De Profeet heeft daarom gezegd: "Zuiverheid (tahâra) maakt deel uit
van het geloof". Dat reinheidsvoorschrift wordt in de
Koran gepresenteerd als een gunst van God waarvoor we dankbaar moeten
zijn, cf. 5:6:
¶ "Jullie
die geloven! Wanneer jullie je voor de salaat opstellen, wast dan
jullie gezichten en jullie handen tot aan de ellebogen en wrijft
over jullie hoofden en [wast] jullie voeten tot de enkels. En als
jullie onrein zijn, reinigt jullie dan. En als jullie ziek zijn of
op reis of als iemand van het toilet komt of met vrouwen omgang
heeft gehad en jullie vinden geen water, zoekt dan goede kale grond
en wrijft jullie gezichten en handen ermee. God wenst jullie niet
iets hinderlijks op te leggen, maar Hij wenst jullie slechts rein te
maken en Zijn genade aan jullie volledig te bewijzen. Misschien
zullen jullie dank betuigen".
Vooral voor
samenkomsten zoals het vrijdagmiddaggebed zou de Profeet erop
aangedrongen hebben dat men zich zou wassen, "zelfs indien een glas
water 1 dinar zou kosten".
Reinheid of
zuiverheid is dus een voorwaarde om je geloof te vervolledigen, Gods
genade te vervolmaken en glans te brengen in deze wereld en in het
hiernamaals.
4. Zoet
water op aarde en in het paradijs.
De klemtoon
in de Koran valt ongetwijfeld op het "hemelwater", ten gerieve van het
drinken, het bevloeien en de reinheid. Toch is er, daarbij aansluitend,
ook aandacht voor het water op en in de aarde, bv. 13:17:
¶ "En
Hij laat uit de hemel water neerdalen zodat de beddingen naar hun
omvang volstromen en de stroom er dan schuim bovenop heeft... Wat
het schuim betreft, dat gaat waardeloos verloren. Maar wat voor de
mens nut heeft, dat blijft in de aarde".
En 39:21:
¶ "Zie
jij dan niet dat God water uit de hemel laat neerdalen en dan naar
bronnen in de aarde laat gaan?"
God slaat
dus een watervoorraad op in de aarde. Hij zorgt er daarbij voor dat
dat "grondwater" niet te diep zinkt, 67:30:
¶ "Zeg:
Hoe zien jullie het, als jullie water diep zou wegzakken, wie zou
jullie dan bronwater brengen?"
De
belangrijkste toevoer van zoet water op aarde zijn vanzelfsprekend de
stromen en rivieren. Er wordt dan ook meer dan vijftigmaal naar
verwezen, in de Koran. Dat gebeurt regelmatig in juxtapositie met de
"stevige", onbeweeglijke bergen, bv. 27:61:
¶ "Of
wie heeft de aarde tot een vaste grond gemaakt, er rivieren doorheen
gemaakt, stevige bergen voor haar gemaakt en tussen beide zeeën een
versperring gemaakt? Is er naast God nog een god?"
De grote
weldaden van rivierwater - voor het lessen van de dorst, voor irrigatie,
afkoeling en schoonheid - worden in de Koran nog eens bijzonder
onderlijnd door de vele verwijzingen naar en beschrijvingen van
al-janna, "de Tuin", of het Paradijs (firdaws): een essentieel
element van de hemelse tuinen zijn de "rivieren
die eronder stromen" (bv. 2:25; 3:15; 3:136, 195 en 198; 4:13, 57,
122; 5:13, 85 en 119, enz., enz.). Het "stromen" ervan, dat
altijd vermeld wordt, roept beelden op van klaterend en verfrissend
watergeluid. Daarnaast zijn er ook de stromende, dorstlessende bronnen en fonteinen
- dat alles niet enkel van water,
trouwens, 47:15:
¶
"De tuin die de godvrezenden is toegezegd ziet er zo uit: Er zijn
rivieren van water dat niet brak is, rivieren van melk waarvan de
smaak niet verandert, rivieren van wijn die aangenaam is voor de
drinkers en rivieren van gezuiverde honing".
De bewoners van de tuinen
¶ "zullen
drinken uit een beker..., uit een bron waaruit Gods dienaren drinken
en die zij rijkelijk uit de aarde laten ontspringen", 76:5-6.
5. Zeewater
Het Arabische woord voor zee, bahr,
kan ook gebruikt worden voor een permanente, zoete watermassa.
Wanneer daarom in de Koran de zoete en de zoute watermassa's met
elkaar vergeleken worden, wordt, in de dualis, gesproken van "al-bahrayn":
de vertaling, "de twee zeeën", is daarom wat misleidend.
God heeft beide aan de mensen
gegeven voor het vele nut dat ze eruit halen, cf. 35:12:
¶ "De
beide zeeën zijn niet gelijk; de ene is zoet, fris en geschikt om te
drinken en de andere zout en pekelig. En uit beide krijgen jullie vers
vlees te eten en jullie halen er sieraden uit op om je mee te tooien.
En jullie zien de schepen haar doorklieven [en dat is] opdat jullie
streven naar een gunst van Hem; misschien zullen jullie dank betuigen".
Die
voordelen worden regelmatig vermeld en daarbij wordt het belang
beklemtoond van het verschil én van nodige scheiding tussen de twee
waters, die door God werd aangebracht, cf. 25:53:
¶ "En
Hij is het die de beide zeeën vrij heeft laten stromen, de een zoet en
fris en de ander zout en pekelig, en Hij heeft tussen beide een
versperring gemaakt en een volstrekte ontoegankelijkheid".
Vaak beklemtoond, in de Koran, wat de eigenlijke zee(ën) betreft, is
het nut van het water voor de mensen als transportmiddel, bv. 17:70:
¶ "Wij
hebben de kinderen van Adam geëerd en Wij hebben hen vervoer over land
en ter zee gegeven".
In het
algemeen worden moslims in de Koran aangespoord te reizen, om aldus de
weldaden van God, maar eventueel ook zijn straffen, te leren kennen,
cf. 10:22:
¶ "Hij
is het die jullie op het vasteland en op zee laat reizen", en ¶
"Zeg: Reist op de aarde rond en kijkt hoe het einde was van hen die
er vroeger waren; de meesten van hen waren veelgodendienaars",
30:42.
Van de
zakât, of armenbelasting, is een deel dan ook voorbehouden voor
reizigers.
Bijzonder opmerkelijk - voor wat men
soms afdoet als een "woestijnreligie" - is de grote aandacht, in de
Koran, voor de maritieme scheepvaart. Ook zij, met alles wat ze
verondersteld, wordt uitdrukkelijk als een uiting van Gods almacht en
welwillendheid beschouwd, en dus als een "teken" voor Zijn
bestaan:
¶ "Zie
je niet dat God voor jullie dienstbaar gemaakt heeft wat er op de
aarde is en ook de schepen zodat zij op Zijn bevel op zee varen...?,
22:65; ¶
"In de schepping van de hemelen en de aarde, in het verschil van dag
en nacht, in de schepen die op zee varen met wat nuttig is voor de
mensen..., zijn tekenen voor mensen die verstandig zijn", 2:164; ¶
"Jullie Heer is het die voor jullie de schepen op zee voortstuwt
opdat jullie streven naar een gunst van Hem", 17:66;
Zie ook
14:32; 16:14; 23:22; 30:46; 31:31; 35:12; 36:41; 40:80; 42:32-34;
43:12; 45:12; 55:24; enz.
"Zee" wordt ook gebruikt als een metafoor om er de
uitgestrektheid van Gods macht mee uit te drukken. De zee bevat immers
een spreekwoordelijke, "onuitputtelijke" hoeveelheid water, cf.
18:109:
¶
"Zeg: als de zee inkt was voor de woorden van mijn Heer, dan zou de
zee uitgeput raken voordat de woorden van mijn Heer uitgeput raakten,
ook al brachten wij nog een keer zoveel" (zie ook 18:10 en 31:27).
Van die zee,
met alles wat ze bevat, heeft God kennis, 6:59:
¶
"Hij weet wat er op het vasteland en wat er in de zee is".
Zee, echter,
kan ook bron van onheil zijn voor de mens; ook daaruit kunnen we enkel
ontsnappen door Gods genade, cf. 17:67:
¶
"En wanneer jullie op zee tegenspoed treft dan zijn zij hen die zij
aanroepen kwijt, behalve Hem. Maar wanneer Hij jullie dan gered
heeft en aan land gebracht heeft, wenden jullie je af; de mens is
ondankbaar" (zie ook 10:22).
God heeft
dus de zee geschapen, Hij heeft ze bruikbaar gemaakt voor de
menselijke behoeftes én Hij redt de mens uit de gevaren ervan. Vanuit
moslimoogpunt wordt hiermee de goddelijke tawhîd (enigheid)
aangetoond.
6.
Koraniek taalgebruik.
De taal van de Koran in verband met water is levendig
en vol beweging. Anders gezegd, terwijl water vitaal is voor het leven,
is ook de taal die ervoor gebruikt wordt, vol vitaliteit: - de winden
"stuwen" de wolken "voort"; God zendt het water "naar omlaag"; de
aarde "schudt zich", "zwelt op", "herleeft"...; het water "gutst" in de
rivieren; de bronnen "barsten open"... De geschetste beweging is snel
(met in het Arabisch de conjunctie van snelheid: "fa", en van
verrassing: "idhâ"), cf. 30-48 (zie
hoger), of 41:39 (aangepast uit
Kramers):
¶
"jullie zien dat de aarde roerloos is, maar wanneer Wij er dan water
op neerlaten, schudt zij zich en zwelt op".
Ook de taal
over de zee is heel levendig, bv. 10:22:
¶
"Hij is het die jullie op het vasteland en op zee laat reizen totdat
er, wanneer zij op de schepen zijn die hen met een goede wind
meevoeren en zij zich erover verheugen, tot hen een stormwind komt
en de golven van overal komen en zij denken dat zij omkomen...".
De
intensiteit en rijkdom van de taal in verband met water wordt nog
vergroot door het gebruik van de zgn. iltifât, dwz een plotse
grammaticale verschuiving om een bepaald effect te ressorteren: bv.
van enkelvoud, "Hij", naar meervoud, "Wij" (of omgekeerd), terwijl
dezelfde persoon bedoeld is: zie bv. 6:99 (hoger);
of van 2de naar 3de persoon: zie het laatste citaat, hierboven.
Om de mensen beter te doordringen van
het kapitale belang van het water voor het overleven van henzelf
en hun kinderen, en dus van Gods genade, worden ze soms ook
geconfronteerd met de mogelijkheid van het tegendeel, bv. 23:18:
¶
"En Wij hebben met mate water uit de hemel neer laten dalen en in de
aarde laten rusten - Wij zijn ook in het staat het weg te nemen".
Zie ook
hoger, 56:70, over
de mogelijkheid dat zoet water wel eens zout zou kunnen worden. Hoewel
water bijna altijd met positieve termen beschreven wordt: "zuiverend",
"zegevol", "fris", "reddend", enz., wordt de mens soms geconfronteerd
met de vernietigende kracht ervan, cf. 54:11 (over de zondvloed):
¶
"Toen openden Wij de poorten van de hemel met neergutsend water en
Wij lieten de aarde in bronnen uitbarsten...".
De
toehoorders/lezers worden hierbij niet enkel vaak opgeroepen hun
verstand te gebruiken ("hierin zijn tekenen voor mensen die
verstandig zijn", enz.), maar ook hun zintuigen en gevoelens
worden er constant bij betrokken.
7.
Doelstellingen.
Achter de wijze waarop "water" in vele
sura's ter sprake komt, kunnen we drie hoofdbedoelingen onderscheiden:
1) het bewijzen van Gods bestaan,
enigheid en almacht: cf. het water is een "teken"; "Hij is het...";
ook regelmatig gebruik van vragen, bv. 56:68 (zie
hoger), of 27:60:
¶
"Of wie heeft de hemelen en de aarde geschapen en voor jullie water
uit de hemelen laten neerdalen? Wij hebben er toch kostelijke
boomgaarden mee laten groeien! Jullie zouden de bomen er niet van
kunnen laten groeien. Is er naast God nog een god? Welnee, zij zijn
mensen die in de verkeerde richting gaan".
Belangrijk,
om duidelijk te maken dat God aan de oorsprong ligt van al het goede van
water), is het gebruik van een set van werkwoorden in de Arabische
causatieve vorm (vorm IV van de stam): "laten" of "doen neerdalen",
"doen herleven", "voortbrengen", "reinigen", "doen drinken"...
Deze en andere formuleringen helpen duidelijk maken dat water er nooit
zo maar is; het valt niet uit zichzelf; evenmin herleeft de
aarde uit zichzelf, of schieten de planten, maar het is God die al die
dingen doet bi 'l-mâ', "met het water": dat voorzetsel "bi"
keert regelmatig terug, net zoals "min", "(van)uit" water,
als het erom gaat de belangrijke rol ervan in Gods scheppingsact aan
te geven (bv. ¶
"God heeft ieder dier uit water geschapen", 24:45).
2) Het onderstrepen van Gods zorg
voor de mens: zie de passussen hierboven, waar regelmatig de zinsnede
"voor jullie" gehanteerd wordt; eventueel ex absurdo,
d.w.z. vanuit het onder ogen nemen van de negatieve gevolgen van het tegendeel.
3) De vitaliseringskracht van het
goddelijke water speelt ook een belangrijke rol in de argumentatie ten
gunste van het geloof in de heropstanding, op het Eindgericht. In de
Koran vinden we de neerslag van de skepsis en de spot van de
ongelovige Mekkanen, precies wat dit punt betreft, zie bv. 56:47-48:
¶
"Zij zeiden: ' Wanneer wij gestorven zijn en stof en botten worden,
zullen wij dan opgewekt worden? En onze vaderen dan, die er eertijds
waren?"...
Eén van de
steeds terugkerende replieken op die twijfel bestaat precies in de
verwijzing naar het vitaliserend effect van water op een uitgedroogde,
"dode" grond, bv. 35:9:
¶
"En God is het die de winden uitzendt die dan wolken opdrijven. Dan
drijven Wij ze naar een dode streek en laten de aarde ermee herleven
nadat zij dood was. Zo is het ook met de herrijzenis"; en: ¶
"En tot Zijn tekenen behoort dat jullie zien dat de aarde roerloos
is, maar wanneer Wij er dan water op laten neerdalen beweegt ze zich
en zwelt op. Hij die haar laat herleven, laat ook de doden herleven;
Hij is almachtig", 41:39.
De
bewijskracht ervan wordt versterkt door het gebruik van hetzélfde
werkwoord, in de Koran, namelijk kharaja (causatieve vorm IV)
voor: (a) mensen doen geboren worden uit de moederschoot (¶
"En God heeft jullie terwijl jullie niets wisten uit de buiken van
jullie moeders voortgebracht", 16:78); (b) het uit de aarde doen
groeien van planten (32:27: ¶
"Hebben zij dan niet gezien dat Wij het water naar de kale aarde
drijven en er dan landbouwgewassen mee voortbrengen waarvan hun vee en
zijzelf eten?"); én (c) het uit de aarde "voortbrengen" van
mensen bij de herrijzenis, cf. 7:57:
¶
"En Wij brengen daarmee (dwz met water) allerlei vruchten voort. Zo
brengen Wij ook de doden te voorschijn".
Iets
gelijkaardigs geldt voor het werkwoord hayiya (vorm IV): het
wordt gebruikt voor het vitaliserend vermogen van water, voor het doen
herleven van de aarde, én voor de herrijzenis: zie 41:39, hierboven,
en 30:19:
¶
"Hij brengt het levende uit het dode voort en Hij brengt het dode
uit het levende voort en Hij doet de aarde herleven nadat zij dood was.
En zo zullen jullie te voorschijn gebracht worden".
Het geloof
in Gods bestaan, in zijn eenheid en enigheid, zijn almacht en zorg en
de herrijzenis zijn fundamenteel voor de islam. Door water te
gebruiken als een argument ervoor, krijgt dat water een diepere
betekenis. En dat verklaart dan weer waarom water zo dikwijls ter
sprake komt in de Koran.
8. Watergebruik.
De Koran schenkt ook aandacht aan de
vraag hoe mensen dienen om te gaan met water. Aangezien het om een
geschenk van God aan de mens gaat, is het evident dat deze vitale
grondstof moet gedeeld worden, dwz dat het niet mag
gemonopoliseerd worden, of onthouden worden aan de arme of de zwakke,
cf. 54:28:
¶
"En deel hun mee dat het water tussen hen verdeeld moet worden. Elke
portie om te drinken op zijn beurt".
De Profeet heeft gezegd: "de mensen
zijn mede-eigenaars in drie zaken: water, vuur en weiland". Ook,
dat God met ontstemming neerkijkt op drie soorten mensen; één
ervan is de man die over een wateroverschot beschikt in de buurt van
een weg en het gebruik ervan ontzegt aan een voorbijganger. Nog altijd
tot de Sunna behoort het volgende verhaal uit de mond van de Profeet:
"Een man was aan het wandelen en
kreeg dorst. Hij ging naar een bron en dronk ervan. Nadien zag
hij een hond die door dorst gekweld aan de grond aan het snuffelen was.
Hij sprak tot zich: 'Deze hond lijdt aan datgene waaraan ik heb
geleden'. Daarom vulde hij een schoen met water en hield het de hond
voor om te drinken. Vervolgens dankte hij God, en deze laatste vergaf
hem zijn zonden. De gezellen van de Profeet vroegen daarop: 'Worden we
ook beloond voor (vriendelijkheid jegens) dieren?' Hij antwoordde: 'Er
is een beloning voor (vriendelijkheid jegens) elk levend wezen'".(4)
Nog een gezegde van de Profeet: "Wie
water achterhoudt om het gebruik van weiland te ontzeggen, hem zal God
op de Verrijzenisdag zijn genade ontzeggen".
Op basis daarvan hebben moslimjuristen
de vitale behoefte van de mens aan water erkend; ook de verplichting
water te geven aan mensen en dieren. Zo heeft de man die dorst heeft
maar niet mag drinken van iemand die water bezit, de toelating om
ermee te
vechten, althans zonder wapens.
Behalve een verbod op monopolisering, is er ook een
verbod op verspilling ervan: cf. het water wordt door God "met
mate" neergezonden (o.m. 23:18), en 7:31:
¶
"Eet en drinkt, maar weest niet verkwistend; Hij bemint de
verkwisters niet".
Verkwisting in het algemeen, trouwens,
wordt veroordeeld, cf. 17:27: ¶
"de verspillers zijn broeders van de satans". Wat meer in het
bijzonder water betreft, heeft de Profeet gezegd: "overdrijven in
het gebruik van water is verboden, zelfs indien iemand de middelen van
een volledige rivier tot zijn beschikking zou hebben".
Tenslotte, is er ook een verbod op het
vervuilen van water: cf. God zendt "fris" en "rein"
water, zodat mensen en dieren het kunnen drinken, en de mensen zich kunnen
reinigen, enz. In het islamitisch recht, daarom, is het verboden te
urineren in een waterloop.
Deze verbodsbepalingen moeten gezien
worden in het licht van Gods voorzienigheid. Pollutie bv. verstoort de
maatvolheid of het evenwicht in de door God geschapen natuur.
Het zich onthouden, bijgevolg, van het monopoliseren van het water,
van verspilling en vervuiling ervan is niet enkel een kwestie van
wijsheid, van civilisatie of burgerzin, maar het is ook een daad van
devotie.
Epiloog.
De lering van Koran en Sunna in verband
met het water heeft een belangrijke bijdrage geleverd tot een typisch
islamitische way of life - op het vlak van het dagelijkse
hygiëne,
de rituelen, enz. -, maar ook tot de islamitische civilisatie in het
algemeen: zoals in de kunst, de architectuur, het stedelijke
landschap, e.d.
Het is geen wonder dat, vóór de moderne
materiële civilisatie, publieke hamâm-s of badhuizen tot een vast
gegeven werden in de moslimsteden. En het sprak voor zich dat in elke
moskee een wasgelegenheid, voor de kleine wassing, voorzien werd.
Vermeldenswaard is ook de aanleg
van publieke fonteinen met drinkbaar water. De façade ervan werd
dikwijls kunstzinnig versierd, o.m. met kalligrafische teksten uit de
Koran, verwijzend naar het drinken in het Paradijs. Het
blijvende onderhoud ervan werd vaak gegarandeerd door religieuze
stichtingen (waqf-s). Ook in de Ottomaanse architectuur werd
grote zorg besteed aan de bouw van dergelijke
çeşmeler (zie bv. het fonteingebouwtje bij de ingang van
het Topkapi-paleis). Tenslotte werden ook drinkplaatsen voor dieren
voorzien.
Een ander terrein waarop de islamitische
watercultuur tot haar volle recht kwam, was, niet verwonderlijk, de
tuinarchitectuur. De aanleg van vele tuinen was geïnspireerd door
dromen van het Paradijs, zoals beschreven in de Koran. De
waterpartijen - bekkens, fonteinen, kanaaltjes, enz. - moesten niet
enkel voor koelte en lafenis zorgen, maar hadden ook een duidelijk
esthetische functie. Een bekend, bewaard voorbeeld ervan is het Alhambra, met zijn "leeuwenfontein", en met de water- en fonteinpartijen
in de tuin van het Generalife.
Tenslotte, werd hoger al gewezen op de
positieve psychische effecten die verbonden werden met het
zich wassen (8:11, zie hoger).
Hierbij aansluitend, mag misschien gewezen worden op de therapeutische
effecten die, volgens sommige Arabische artsen, uitgingen van stromend
water op geesteszieken. Een prachtig bewaard voorbeeld hiervan is het
Arghûn bîmâristân, een middeleeuws kliniekje voor
geesteszieken, dat verloren ligt in het labyrinth van
smalle straatjes in het oude stadsdeel van het Syrische Aleppo. De ruime binnenkoer,
omringd door een colonnade en met twee, tegenovergestelde iwân-s, bevat een groot,
verfrissend waterbekken. Opmerkelijker, echter, is dat de
belangrijkste "ziekenvleugel" octagonaal gebouwd is zodat twaalf
cellen zich rondom een centraal waterbekken met fontein bevinden.
Zoals ook regelmatig gespeelde muziek (er zijn rekeningen
teruggevonden met onder meer het loon van de muzikanten), werd het
geluid van het klaterende water geacht een kalmerende en genezende
werking te hebben op de psychiatrische patiënten.(5)

________________________
|