Openbare televisie moet niet enkel entertainen maar
ook informeren, opinies publiek maken en ze voeden met feiten,
standpunten en inzichten. De ene zender doet dat al wat beter dan de
andere, en het is met jaloezie dat ik de uitzending van
Tout ça (ne
nous rendra pas
le Congo) op RTBF heb bekeken (wat een magnifieke generiek!), waarin “Vlaamse Choc” van Peter Boeckx
werd uitgezonden en besproken. “Vlaamse Choc”
is een 45 minuten durende
docu over Filip
Dewinter. Hij wordt gevolgd tijdens de
verkiezingscampagne van juni vorig jaar – de campagne na de veroordeling
van het Blok – en men ziet Dewinter aan het
werk in een hele reeks van omgevingen, van het parlement en het
congrespodium tot en met het café, de eigen achterkeuken, of op wandel
met z’n hond.
De sérieux waarmee
zo’n thema door RTBF wordt behandeld en de
generositeit waarmee men er tijd voor uitmeet (de hele uitzending duurt
twee uur) wekken, zoals gezegd, jaloezie. Bij de RTBF is de toon niet
badinerend of licht ironiserend en luchtig; de interviewer draagt geen
strikje en staat niet naast een uitgeklapte laptop; evenmin worden
vragen van de interviewer afgesloten met “een kort antwoord alstublieft
want we hebben weinig tijd”. Neen, er heerst een grote gravitas op het plateau; de gesprekken
deinen op en neer aan het ritme van argumenten, niet van de studioklok;
mensen mogen moeilijke woorden gebruiken; er worden interessante dingen
gezegd, en er wordt duidelijk gemaakt dat dit thema een belangrijk thema
is – belangrijker dan, zeg maar, de verkeerschaos tijdens de
wisselweekends in de vakantieperiode, de overtredingen van de wet op de
koopjesperiode, of de eerste werkdag van een vervangend parlementslid.
Thema’s worden besproken binnen een formaat dat meteen het statuut van
dat thema aangeeft, waarmee men aangeeft dat bepaalde thema’s meer
aandacht verdienen of behoeven dan anderen.
Dat heet ‘duiding’ (iets wat men bij Ter Zake of De Zevende Dag dringend
zou moeten leren).
Dat Filip
Dewinter bij onze Franstalige medeburgers
een ander soort belangstelling wekt dan aan Vlaamse zijde is evident:
voor ons is de extreem-rechtse
stemmenmagneet uit Ekeren al lang geen
politieke exoot meer. Hij is in Vlaanderen even bekend als
coca-cola (of, om het met
John Lennon te
zeggen, hij is groter dan Christus), en hij heeft een even duidelijk
merk-imago als het apothekersbrouwsel uit
Atlanta. Vlaamse Choc
biedt ons dan ook in de eerste plaats een kans om de kennis wat op te
frissen, een gelegenheid om het colaflesje eens van naderbij te
bekijken, de zuurtegraad van de cola eens
echt op te meten, en er wat vervelende vragen over te stellen.
Bijvoorbeeld:
Wat zien we?
Wat krijgen we te zien in deze 45 minuten? Op het
eerste zicht krijgen we ‘een blik achter de schermen’: de camera volgt
Dewinter doorheen plaatsen waar de camera
doorgaans niet komt: in z’n auto, in z’n
woonkamer, in vergaderzaaltjes van het Blok, in een lege congreszaal
waarin Dewinter de opstelling controleert en
z’n soundcheck doet. Het is een bekend genre: de camera als voyeur, als
betrapper, als instrument dat ons betere,
grondiger en diepere blikken op de realiteit gunt, met de suggestie dat
we zo dingen te weten komen die we anders nooit zouden weten – dat we
beter geïnformeerd zijn over de authentieke werkelijkheid.
Het is inderdaad verbazend. De camera kijkt bij
momenten – dikwijls, eigenlijk – naar andere camera’s, vanuit het
standpunt van Dewinter: déze camera (dat is
de suggestie) is niet ‘de camera’ van de media; dit is
àndere camera, dit is
Dewinter zelf, niet ‘wat de media (camera’s) ervan maken’.
Zo zien we van op de achterbank van de wagen hoe reporters zich rond het
raampje van Dewinter verdringen voor
beelden, foto’s en uitspraken (onze camera ziet zoveel meer dan die van
‘de media’). We zien Reddy De
Mey (horresco
referens, maar … de média!) pogingen doen om
Dewinter van zijn nut en belang te
overtuigen – laat maar weten, Filip, als
ge ergens een dossiertje
wil uitbrengen over iets, maar zorg ervoor dat mijn naam niet vermeld
wordt want ik werk nog bij de VRT (God! Wat ben ik belangrijk! Eindelijk
ben ik belangrijk! Eindelijk kan ik informeren!); we zien
Dewinter met z’n
reclamejongens discussiëren over ontwerpen van affiches voor de campagne
– één affiche toont een naakte vrouw met een baby in haar armen en
daarover wordt monkelend gepraat door de
Blok-strategen. We zien Dewinter één
van z’n dochters aanporren om toch maar
jiu-jitsu te gaan volgen, want een beetje
weerbaarheid (nietwaar?) is altijd goed voor later. We horen
Dewinter uitgebreid in het Frans
babbelen met een Bretoense ultranationalist,
we horen hem een militant op het hart drukken dat Frank Van
Hecke het 70-punten programma helemaal niet
heeft verloochend, we horen hem vertederd en kwajongensachtig praten
over zijn legerdienst als Kandidaat Reserve Officier in Aarlen; en we
horen schalkse ‘pillow talk’ tussen hemzelf
en dat andere Blok-boegbeeldje juffrouw
Morel, op de dag van de eedaflegging in het Vlaams Parlement.
Het interessantste aspect van de film is echter dat
we zien hoe nauwkeurig Dewinter zijn
publieke optredens voorbereidt. Hij loopt doorheen de zaal van het
verkiezingscongres met medewerkers, en wijst een punt aan waar de grote
namen over een oneffenheid kunnen struikelen; hij wil een kleinere
leeuwenvlag op het podium, want deze hangt op de grond en dat staat
niet; hij wil kinderen en bloemen apart op het podium om maximaal effect
te hebben met dat ene beeld dat ‘in de media’ komt:
het eind-shot van het congres met de
lijsttrekkers, kindjes, bloemen op het podium en de hysterische aanhang
in de zaal. Hij test de geluidskwaliteit van de micro’s door een deel
van z’n toespraak te geven voor een lege
zaal. Hij is ook in uniform: jasje, blauw hemd en gestreepte das voor
alles wat ‘formeel’ is – parlement,
partijhoofdwartier, media – en ‘smart casual’
voor contacten met de basis. Als Dewinter
publiek gaat, verloopt dat volgens een strakke en strenge reeks regels
en wordt er nooit geïmproviseerd. Men kan dit zien als het hoofdthema
van Vlaamse Choc: de
docu gaat eigenlijk niet over Filip
Dewinter tout
court, maar over hoe
Dewinter publiek gaat, hoe Dewinter
zichzelf ontwerpt als publieke figuur – als figuur die vanuit alle
hoeken en kanten bezien en bezichtigd mag worden.
Da’s vanzelfsprekend
ironisch, want Vlaamse Choc is óók een
mediaproduct, waarvoor Dewinter gedurende
weken door een cameraploeg is gevolgd, in het volle besef dat er een
documentaire uit zou resulteren. De camera van Peter
Boeckx is op geen enkele wijze anders dan
die van Ter Zake of De Zevende Dag: het is een instrument waarmee
beelden publiek worden gemaakt – beelden die zijn vergaard om publiek
gemaakt te worden; mediabeelden dus. Zoals al gezegd, dit soort
indringend reality-genre is één van de vele
mediaformats. Het staat niet buiten de
media, maar er midden in. Het is net dat genre dat op zeer krachtige
wijze de centrale ideologie van onze media uitdraagt: dat de media écht
informeert, het onzichtbare zichtbaar maakt, het
onbekende leert kennen, de dingen weergeeft zoals ze zijn. En hier zit
de ironie: de film toont net wat een mediabeest
Dewinter wel is, hoe accuraat en nauwgezet hij omgaat met de
media, hoe zorgvuldig hij de media volgt en erop inspeelt.
Dewinter bespeelt dus ook dit
reality-genre, dit
voyeuristische, ‘niet-voor-publicatie’
genre, en hij laat ons dus precies dié Dewinter
zien, die hij in de media wil laten zien.
Zien we dan wat we pretenderen te zien – een
authentiek, onthullend verhaal over Dewinter,
een ‘andere’ Filip
Dewinter, een blik op het Blok die we nog nooit kregen? Jazeker,
we krijgen dat allemaal. Maar we krijgen het niet uitsluitend van Peter
Boeckx; we krijgen het ook – en in de eerste
plaats – van Dewinter zelf, die niet getoond
wordt maar toont, zelf de camera bedient en
hem doet meekijken naar dingen die hij het bekijken waard vindt.
Wie zien we?
Vlaamse Choc gaat over
Dewinter; het wil een ‘andere’
Dewinter laten zien. Maar zonet kwamen we
tot de conclusie dat die ‘andere’ Dewinter
even goed door Dewinter zelf wordt
geconstrueerd. Dus wie zien we nu?
Dat Dewinter de
touwtjes in handen heeft en de film mee regisseert zien we aan de hand
van grote en kleine dingen. Grote dingen: Dewinter
is uiteraard degene die toestemming gaf aan de cameraploeg om
z’n achterkeuken te betreden, om mee te lopen
langsheen de volkse cafés van Wilrijk, die de
camerman mee op de achterbank van z’n wagen installeerde.
Dewinter laat ons mee genieten van zijn
ondeugend geneuzel met Marie-Rose Morel, van
zijn patserij in volkse cafés, van de
ontbijtgesprekjes met
z’n dochters en z’n vrouw (“poes”), van de strategische
vergaderingen met z’n communicatie-adviseurs
op het hoofdkwartier en in zijn eigen veranda thuis. Alles wat we in
deze film te zien krijgen draagt minstens het passieve imprimatur van
Dewinter zelf. Hij houdt doorheen heel het
wordingsproces van de film de vinger aan de trekker. Als hij de
cameraploeg de deur wijst, dan gaat ze eruit; als hij hen zegt dat dit
deel van de vergadering niet meer gefilmd mag worden, dan
gebeurt dat niet, wanneer hij zegt dat
bepaalde personen die bij hem op de koffie komen niet gefilmd mogen
worden, dan worden ze niet gefilmd. Dat Dewinter
zoiets met de grootste zorgvuldigheid doet mogen we afleiden, precies,
uit datgene wat we in de film zien: hij is een geniale maniak in de
omgang met de media, en gepassioneerd door zijn eigen publieke
voorkomen. De reporter of redacteur kan na de opnames één en ander
bewerken achter de montagetafel – maar het ruwe materiaal is wat het is,
en het draagt de stempel van Dewinter.
Dat is ook te zien aan kleine dingen. Op enkele
plaatsen in de film zien we hoe Dewinter
bewust voor de camera werkt, hoe hij datgene wat de camera waarneemt
doelbewust vermengt met boodschappen voor die camera, hoe hij niet enkel
geobserveerd wordt maar zelf actief dicteert en poseert.
Er zijn bijvoorbeeld twee scènes waarin een hond
optreedt. Eén keer ontmoet Dewinter een
militante die een dobberman meetroont;
Dewinter zegt lachend: “een
dobberman, da’s
een hond die bij mij past”. Hier is
vintage Dewinter: steeds verwijzend naar het
beeld van zichzelf, naar wat hij is en wat hij wil dat anderen zien in
hem. In een tweede scène gaat hij uit wandelen met zijn eigen hond, een
Duitse herder. En hij zegt: “Alleen een Duitse herder past bij
m’n imago”. Hij zegt dat deze keer echter
niet tegen een militante, maar tegen de cameraman, en hij gebruikt
precies dezelfde imago-georiënteerde
uitspraak als degene die hij tegen de militante gebruikte. Zowel in
contact met de militante als in contact met de cameraman (de media!)
hanteert hij eenzelfde genre, eenzelfde motiefje – en in beide gevallen
doet hij dat ‘authentiek’, om écht, spontaan en natuurlijk over te
komen: voici de Filip.
Maar de variaties – nu eens dobberman, dan
weer Duitse herder – verraden dat het om een gerepeteerd genre gaat, een
discursief blauwdrukje dat met alle mogelijke variaties kan ingezet
worden wanneer het goed uitkomt, en dat telkens hetzelfde doel dient:
publiek imagowerk, iets vertellen over wie Dewinter
wil zijn in de ogen van anderen. Het is zoals een verzekeraar die tegen
de ene klant zegt “een BMW,
da’s mijn lievelingsauto”, en tegen een
andere “een Lancia,
da’s mijn lievelingsauto”. Waarheid of leugen spelen bij dit
soort uitspraken geen rol – dit is pure pragmatiek, dingen zeggen omdat
ze effecten produceren. Dewinter zegt dat
soort dingen omdat ze zijn publieke ego verhelderen – en de
‘betrappende’ camera wordt door hem op precies dezelfde wijze gebruikt
als de basismilitante: als publiek.
Op andere ogenblikken zien we hoe
Dewinter zich in intieme gesprekken naar een
publieke overhearer gaat richten. In een
huiselijke scène staat Dewinter met één van
zijn dochters gebogen over een schoolatlas. Hij geeft aan welke landen
er tot de EU behoren en zegt dan plots: “maar wat er niét bij Europa
hoort, da’s dat land hier”, en hij wijst
naar Turkije. Het dochtertje zegt daarop dat ze op school een
vriendinnetje heeft – “maar ik heb er al een beetje ruzie mee” – van
Turkse origine. Papa Dewinter: “maar dat betekent nog niet dat alle Turken zomaar tot
Europa moeten gaan behoren, wat dat zijn er een pak hé”. Een intieme
anekdote van de dochter wordt door paps gecounterd met een robuust-dogmatische uitspraak uit de
Blok-propaganda. En van die
Blok-propaganda mogen we aannemen dat de
dochters-Dewinter behoorlijk goed op de
hoogte zijn. Ze lopen namelijk gekleed in propagandamaterialen, worden
erin rondgereden, het huis is ermee behangen, en bovendien worden ze
door paps actief in de campagne betrokken. Er is dus geen enkele reden
waarom paps dochterlief een politiek dogma moet aanreiken – ze kent dat
al, en hier zien we dat zij dus niet de enige aangesprokene is.
Dewinter spreekt hier tot alle kijkers in
een perfect geënsceneerd huiselijk tafereeltje.
Als we de reportage mogen geloven wordt de Vlaams
Blok campagne georkestreerd door mama en de dochters, niet door
spindoctors en andere professionals. Dit levert ons een tweede voorbeeld
op. Dewinter vergadert in de veranda met wat
communicatiemensen, en er moet gekozen worden uit diverse ontwerpen van
campagne-affiches. Ze raken er niet uit, en
dus grabbelt Dewinter de hele zooi bijeen,
gaat naar de eetkamer, en legt het probleem daar voor aan mama en de
dochters. Een heroïsche discussie volgt, waarin uiteindelijk met drie
tegen één voor een bepaald ontwerp gekozen wordt.
Dewinter, met één oog naar de camera, monkelt “ge
ziet dat er bij ons thuis democratisch beslist wordt” – verwijzend naar
het wijd verspreide beeld van het Blok als een ondemocratisch
gestructureerde partij. Alweer is de camera hier gewoon publiek – de
lens is de toegang naar de massa, en Dewinter
spreekt ook hier de massa toe, met één hand op de schouder van
z’n dochter. En ook hier is
Boeckx’ camera geen bedreiging voor
Dewinter, geen
betrapper, maar een vriend en bondgenoot.
Betrappingen zijn zeldzaam in Vlaamse Choc. Twee keer zien we bij
Dewinter een zekere schichtigheid en een
gebrek aan tact in de omgang met wie hem aanspreekt. In beide gevallen
zien we hoe sterk Dewinter zich bewust is
van die camera die hem volgt – dit zijn ongewenste beelden en
Dewinter probeert zichzelf er snel uit weg
te vlakken. Wanneer Reddy De
Mey hem zijn discrete journalistieke
diensten aanbiedt zien we dat Dewinter zo
snel mogelijk uit beeld zou willen verdwijnen.
Reddy is immers zo dom dat hij een deel van de schandalentactiek
van het Blok dreigt prijs te geven: het feit dat het Blok zich voedt aan
inside informatie vanuit de journalistieke
wereld en af en toe achter de schermen en met behulp van sympathiserende
journalisten meewerkt aan de constructie van ‘het nieuws’, om er dan met
brio op in te spelen. Een tweede geval is wanneer
Dewinter, na een meeting ergens in West Vlaanderen (Ei-h-en
volk eerst!!) wordt aangesproken door een
potige skinhead in een zwarte jekker. De knaap stelt zich mompelend
voor: “’t is…om bescherming te geven…dus om
mee te gaan met jullie”. Dewinter vindt dit
duidelijk gênant, wijst de man meteen en gehaast door “naar de man van
de ordedienst”, en rept zich weg uit z’n
buurt. De man dreigt immers een oud beeld van het Blok te reactiveren:
een beeld dat Dewinter vereenzelvigt met
knokploegen van VMO en Voorpost, met gespierd racistisch
scum zonder hersens en met eelt op de
vuisten. Vlak na een veroordeling wegens racisme, en midden in de grote
schoonmaakoperatie die het Blok na dit vonnis moest organiseren, past
zo’n ouderwetse skinhead niet in het plaatje
– kinderen, bloemen, bejaarde mensen, arbeiders:
dàt zijn de mensen waarmee Dewinter
op de foto moet.
Maar los van die twee incidentjes tatert
Dewinter in opperste minzaamheid met
iedereen, jong en oud, nuchter en dronken, mooi en lelijk; vindt hij
geen enkele situatie zo bedreigend dat hij er z’n
cool en grijns bij verliest, en wandelt hij
doorheen een wondere wereld waarin hij en zijn eindeloos variërend
publiek intens van mekaar genieten. Hij valt niet door de mand wanneer
hij in z’n new
managerial bureau wordt geïnterviewd door
drie allochtone studenten, die hem natuurlijk vragen of hij en z’n
partij racisten zijn – “als gij uw les niet hebt geleerd moet ge de
leraar niet van racisme beschuldigen omdat ge slechte punten krijgt hé”.
Hij valt evenmin door de mand wanneer hij in de congreshal terzijde
wordt genomen door een medewerker die hem met allerlei suggestieve
ondertonen wijst op de aanwezigheid van “een mulatje” – Filip repliceert dat ze de
vrouw is van de ex-commissaris van Oostende, een Blokker, en mooi genoeg
om een paar keer in beeld te mogen komen. En wanneer er aan de uitgang
van een café een opstootje ontstaat met passerende allochtonen – er
zeilt een stoel door de lucht – zien we Dewinter
rustig, kalm en lachend zijn auto instappen, een verhitte bejaarde
militant tot kalmte oproepend. Als bedekt met een dikke
laag vaseline glipt hij doorheen allerhande
potentieel discrediterende situaties, steeds lachend en vriendelijk,
steeds in control, steeds zelfverzekerd en
sterk in al z’n rolletjes: volkstribuun, basisactivist, werkgever van
een rits enthousiaste medewerkers, volksmens, papa, en bovenal op-en-top
professionele mediaster.
De kameleon
Ik ben er dus niet zeker van dat Vlaamse Choc het lang verwachte programma is waarin
een journalist Dewinter en
z’n Blok ‘blootlegt’, ‘aan de kaak stelt’ of
‘ontmaskert’. Ontgoocheling daarover was ook te horen in het RTBF debat
na de film (waarin tal van Vlaamse gasten figureerden – alweer een pluim
voor RTBF), en waarschuwingen daaromtrent
waren eveneens al eerder gegeven in de pers. De uitzending zou een
‘menselijke’ Dewinter tonen, een
Dewinter die men moeilijk als monster kon
afschilderen – de uitzending zou, kortom, Dewinter
tonen zoals men Joseph
Goebbels ziet doorheen zijn dagboeken: als een beminnelijke
vader, een geëngageerd en gedreven man, een man die emoties kan tonen,
maar die niettemin zijn werk met hart en ziel blijft doen. Zijn werk van
fascistisch coryfee, van Nazi-propagandakoning, van orkestmeester van
het genazificeerde Duitse Volk, van dirigent
van het eindeloze loflied op Hitler.
Men ziet Dewinter in Vlaamse Choc doorheen de ogen van
Dewinter, zoveel is zeker. Men ziet dan ook
een top-professional van de hedendaagse
politiek aan het werk, de Cruyff van het
nieuwe Populisme, en men kan enkel bewondering hebben voor dit soort van
uitmuntendheid. Dewinter is een
goed politicus, een héél goed politicus. De
politiek die hij praktiseert en die hij zelf mee gestalte heeft gegeven
is dégoutant, moreel en ideologisch verwerpelijk, en het eindpunt van de
democratie wanneer ze tot haar uiterste consequenties wordt doorgevoerd.
Ik moet dit punt niet verder beargumenteren aangezien ik dat elders al
in alle mogelijke detail heb gedaan. Maar men
kan er niet omheen: Dewinter kan men niet
veroordelen op grond van hoe hij zijn rol speelt: men moet het stuk
veroordelen waarin hij speelt. Want voor dat stuk is
hij de gedroomde acteur, en dat laat hij uitvoerig zien in Vlaamse Choc.
Vlaamse Choc is, zo men wil, een gebalde
masterclass in modern gemediatiseerd
populisme. Noteer echter dat dit geen automatisme is, geen spontaan
gevolg van het bekijken van de reportage, maar een product van
aandachtig, grondig en analytisch kijken – een vorm van kijken die
voorbereiding behoeft, zich wegtrekt uit het
consumerende kijken, en ook nadien nog herhaling en reflectie nodig
heeft. Ik kom daar verder nog op terug.
Dat het om een gemediatiseerd
populisme gaat heb ik, naar ik hoop, al
aangetoond: we zien Dewinter doorheen de
media, en dus op de wijze van de media; wie deze media grandioos kan
bespelen – zoals Dewinter – die kan ervoor
zorgen dat men hem ziet zoals hij dat zelf wil. Zo iemand schakelt de
media als kritische filter uit, neemt zelf de rol van ‘provider’
over, maar behoudt de suggestie dat dit alles doorheen een kritische
filter wordt aangeboden. Hij behoudt, met andere woorden, de suggestie
dat een positief beeld van Dewinter een
kritisch beeld is van Dewinter. De synergie
tussen media en politicus is dan compleet.
Dat het hier om populisme gaat, en dat dit populisme een complexe reeks
handelingen inhoudt, is één van de documentaire verdiensten van Vlaamse Choc – ten minste,
indien men de film bekijkt vanuit een meta-niveau,
als iets wat dingen zegt over zichzelf als mediaproduct waarin de
synergie tussen media en politicus compleet is. We zien dan immers hoe
Dewinter op diverse niveaus tegelijkertijd
werkzaam is. Een gefluisterd gesprek met een basismilitant, of een
vaderlijke keuvel met z’n dochters, of een
toespraak voor een partijcongres zijn allemaal situaties op zich, en ze
spelen zich allemaal af op specifieke niveaus (het café met de kleine
groep militanten, het eigen gezin, de zaal met enkele duizenden
Blok-leden en leiders). Het specifieke type
van mediatisering biedt echter nog een ander
niveau van handelingen aan: dat van het brede mediapubliek. Het intieme
gesprek met z’n dochter wordt zo een gesprek
dat miljoenen mensen kunnen mee beluisteren. Vandaar dat
Dewinter ook in dat intieme gesprek
boodschappen stopt voor dat ruimere publiek: als populist beseft hij dat
in de huidige politiek alle mogelijke niveaus terzelfder tijd bespeeld
worden en moeten worden, dat het lokale meteen ‘exporteerbaar’ is naar
het translokale, en omgekeerd. Het is belangrijk dat men
Dewinter ziet spreken bovenop een cafétafel
voor een dozijn supporters ergens in de Antwerpse haven – het is
belangrijk voor iedereen die Dewinter moet
zien als een ‘man van het volk’, iemand van ‘de basis’, die ‘luistert
naar de mensen’ en ‘hun taal spreekt’. Omgekeerd moeten die supporters
Dewinter ook zien in ‘grote’ decors: in Ter
Zake of op het nieuws, sprekend op het congres, sprekend met de andere
Blok-bonzen en met prominenten allerlei.
Dat translokale moet kunnen geïmporteerd worden in
het lokale, persoonlijke contact – het versterkt het en geeft het een
vergrote intensiteit, want Filip is
belangrijk. En die dynamiek van import en export is een
media-functie. Vlaamse Choc biedt Dewinter een prachtig
document, een instrument om net die connecties tussen het kleine en het
grote, het lokale en het translokale te maken.
Dewinter toont zich als een politieke en
menselijke kameleon – of met iets meer
respect: als een typisch modern populistisch politicus. Ik heb al
gewezen op de kledingroutines die hij hanteert: wanneer hij ‘grote’
publieke décors betreedt draagt hij zijn
uniform (denk aan het coca-colaflesje), zijn
jasje, blauwe hemd en streepjesdas. Het belang van
zo’n uniformen is bekend – mensen als Pim
Fortuyn en Siegfried
Bracke (altijd in onberispelijke
merkverpakking) komen meteen voor de geest, maar ook
Blair of Bush
bewegen zich binnen een zeer beperkte
garderobe-radius. Wanneer Dewinter
‘kleine’ omgevingen opzoekt zien we hetzelfde: weg is de das, en onze
populist loopt nu in kostelijke maar toch vlotte merkkledij, hij is nu
een eenvoudige maar succesrijke man uit de Vlaamse middenklasse.
Er is meer. Dewinter’s toespraken hebben
weinig om het lijf. Ze zijn peptalk, men hoeft er geen wijsgerige
diepgang in te verwachten, geen complexe redeneringen, en ze eindigen
steevast met “eigen volk eerst, altijd en overal”, soms gevolgd door
“tournée
générale!!” Maar terzelfder tijd zien we hoe
kleine elementen in zijn toespraken verbanden leggen tussen
hemzelf en anderen – personen, bewegingen,
idealen, beelden. Hij verwijst soms naar Le
Pen, citeert Pim
Fortuyn (“vol is vol!”), en begint zijn toespraken met
“Nationalistische kameraden”. “Kameraden”, dat spreekt vanzelf, is dé
term die de travaillistische linkerzijde
identificeert. De term moest binnen de arbeidersbeweging een dimensie
van gelijkheid oproepen die daarbuiten afwezig was, en die de wil
uitdrukte van links om deze ongelijkheid teniet te doen. De term drukte
bovendien solidariteit en nestwarmte uit – men was lid van een hechte
gemeenschap waarin naam, afkomst of stand (evenmin als huidskleur of
geslacht) geen rol speelden, waarin men de zelfde doelen, principes en
emoties deelde, en waarbinnen vriendschap, wederzijdse inzet en
strijdvaardigheid centraal stonden. Precies dezelfde associaties zorgden
ervoor dat de term ‘kameraden’ ook vaak onder soldaten werd gebruikt:
men vocht samen met z’n kameraden, en
kameraden beschermden mekaar en namen het voor mekaar op.
Er is weinig improvisatie in de hedendaagse
populistische politiek. Keuzen zoals het gebruik van ‘kameraad’ als
aanspreektitel zijn weloverwogen en strategisch. Links heeft de term
‘kameraad’ al lang opgegeven, en de term was daarom voor iedereen
beschikbaar. Het Vlaams Blok hanteert de term
nu als deel van een groter strategie waarin het zichzelf wil
positioneren als het nieuwe travaillisme, de
nieuwe volkspartij (met ‘volks’ zowel in een etnische als een sociale
betekenis), en waardoor het meteen suggereert dat de linkerzijde niet
langer de belangen van de volksmens dient. Dat meteen ook de nestwarmte,
de gezelligheid en de samenhorigheid van weleer binnengezogen wordt in
het Blok is lekker meegenomen. De term ‘kameraad’ heeft een verbazende
mobiliserende en enthousiasmerende kracht; Dewinter
en zijn Blok hebben dat weer goed begrepen. Het Blok
sprokkelt schaamteloos elementen bijeen uit de ideologische retoriek van
anderen – alles wat werkt en goed verkoopt wordt aangegrepen.
Ideologisch en retorisch is de partij polymorf, en het is nuttig mee te
geven dat polymorf helemaal niet gelijk staat met amorf.
Dezelfde polymorfe compositie zien we in
Dewinters taalgebruik. In Vlaamse Choc gebruikt Dewinter
ten minste vier varianten van het Nederlands,
en bij twee gelegenheden ook een vrij degelijke variant van het Frans,
allemaal even vlot en soepel en telkens prima afgestemd op het
doelpubliek in kwestie. Hij spreekt ook één keer Arabisch: tijdens een
grote meeting, en wat hij zegt is “geen stemrecht voor vreemdelingen”.
Dewinter spreekt zijn
bekende mock-Aantwaarps zowel in de grote
media als in de cafés waarin hij campagne gaat voeren en in het
Blok-hoofdkwartier. Daar hoort men zijn
dikke imitaties van de Antwerpse lage [a] – “mineroalwoater”
– de hoge scherpe [a] – “die màdàm”, “çà
và?” – en
de typische lange [e] - “organiseire” –
allemaal wegwijzers naar een Antwerpse authenticiteit die hem de
burgemeesterssjerp van de Scheldestad moet
helpen winnen. Maar, merkwaardig, in eigen huiskring spreekt hij niet
deze variant maar een eerder algemene vorm van Vlaamse tussentaal (‘Verkavelingsvlaams’):
een variant die dicht bij de standaardtaal ligt en weliswaar een licht
regionaal accent verdraagt, maar toch ver staat van zijn ‘Aantwaarps’.
Hij spreekt deze variant met z’n vrouw en
dochters (“zeg eens” in plaats van “zeg is”), en ook bij deze laatsten valt het op dat zij slechts een
licht Antwerps accent hebben – lichter dan wat van een modale inwoner
van Ekeren verwacht kan worden. Er wordt in
het gezin Dewinter ‘verzorgd’ gesproken –
verzorgder, althans, dan hoe papa op televisie en in de volkscafés
spreekt. Dewinter gebruikt ook uiterst
verzorgd standaard-Nederlands, met
nauwelijks hoorbare regionale accenten. Het stukje waarin hij
nostalgisch mijmert over zijn legerdienst valt op: het is bijna
schoolmeesterachtig Nederlands. Het is ook een thema
waarover we Dewinter publiek nog maar zelden
aan het woord hebben gehoord: speciaal thema, speciale taalvariant;
vanuit sociolinguïstisch oogpunt ligt dit
voor de hand. Tenslotte, en als vierde variant, gebruikt
Dewinter z’n
moedertaal, Westvlaams dialect. In de film
hoort men twee korte passages waarin hij duidelijk herkenbaar dialect
spreekt (“es da junder blad
dadier?”) telkens tijdens
campagnegelegenheden ergens in West-Vlaanderen. Het zit wat weggemoffeld
in de film, en wie niet aandachtig luistert
hoort het niet; maar het is er.
Dewinter beweegt zich
aldus doorheen zeer uiteenlopende decors, voor zeer uiteenlopende
publieken, van zeer lokaal tot zeer
translokaal, van ‘laag’ tot ‘hoog’ in de samenleving; telkens past hij
zich aan in kledij, stijl, taalgebruik, terwijl hij telkens dezelfde
boodschappen verkondigt en dezelfde handelingen stelt. Net zoals
coca-cola overal in de wereld van etiket en
van prijs verandert, maar net daardoor hetzelfde herkenbare product kan
blijven, zien we hoe Dewinter als een
kameleon doorheen de pleiade van omgevingen
loopt die de moderne populist moet doorlopen: het strikt lokale en het
nationale, de eigen ideologie en die van anderen, met en via de media
die hem toelaten elk van die omgevingen met andere te verbinden, zodat
de populist simpelweg overal is, en van iedereen. De hedendaagse
populist is ééndimensioneel, maar polymorf.
Vlaamse Choc brengt dit uitstekend aan de
oppervlakte.
Vlaams Behang
Vlaamse Choc is een
reportage die uitnodigt tot een meta-lezing,
tot het nemen van kritische en analytische afstand, want men ziet dan
veel meer dan wat men bij consumerend kijken opvangt. Ik heb dit boven
al aangestipt, en het punt verdient nadruk en toelichting: dit
analytische kijken komt niet vanzelf, het vergt een aanzienlijke
inspanning voor, tijdens en na.
Ik zeg dit met nadruk omdat een deel van de
hedendaagse media-ideologie dit ontkent en suggereert dat consumerend
kijken automatisch kritisch en analytisch kijken is. De consument is
immers – zo drukken bataljons communicatiedeskundigen ons op het hart –
van nature kritisch en nobody’s
fool. Dat uitgangspunt is de reden waarom
vele journalisten stellen dat men mensen als Filip
Dewinter uitgebreid aan het woord en in
beeld moet laten: de mensen zullen wel zien dat hij ‘fake’ is, en door
een harde ondervraging zal duidelijk worden waar het Blok écht voor
staat. Met andere woorden: de consumerende kijker zal meteen de
intertextuele breuken, de tegenspraak, de
verwerpelijke principes, de ondertonen, het hele
impliciete verhaal van extreem-rechts
detecteren en afwijzen. Het Blok net veel in beeld brengen is de beste
remedie tegen het Blok, zo stelt men. Supply-side
media: wanneer de media ‘objectief’ tonen en ‘kwaliteitsduiding’ bieden,
dan stuurt de aangeboren ethische en sociologische radar de mensen wel
in de juiste richting.
Ik vind het jammer dat ik van mening moet
verschillen met zovele fijne collega’s, deskundigen en mediamensen, maar
dit uitgangspunt is een illusie, en dit blijkt uit Vlaamse Choc. De impliciete kritiek op
Dewinter is niet iets wat men vanuit een
consumerend kijkgedrag oppikt. Daarvoor moet men een sterk geoefend oog
hebben voor de architectuur van de beelden, de opbouw en samenstelling,
de voetnoten die Boeckx hier en daar
plaatst. En daarvoor moet men bovenal een
meta-niveau aannemen waarin men even goed over het genre
reflecteert als over de concrete inhoud van de film. Doet men dit niet,
dan ziet men, inderdaad, een ‘menselijke’ Dewinter,
een ‘competente’ Dewinter, een
‘vriendelijke’ Dewinter – men ziet dan
misschien zelfs iemand die men best als toekomstig burgemeester van
Antwerpen zou kunnen verdragen. En laat me aanstippen dat dergelijke
meta-lezingen niet meteen aangemoedigd
worden. De consumerende kijker is koning, en de kritische, analytische
kijker een marginaal, een intellectuele zeurpiet. Ons
media-establishment – producenten, journalisten en wetenschappers
behoren daar toe – heeft een voorliefde voor ‘echte’ kijkers en koestert
het beeld van een rechtstreekse, ongefilterde relatie tussen
mediatieke input en sociale, politieke of
culturele output. Wij zenden uit, de mensen kijken, denken na, en doen
hun ding. Punt.
Dewinter bespeelt die
consumerende kijker en die media-ideologie als geen één.
Dewinter en media zijn één
synergische beweging, alles wat over
Dewinter gemaakt wordt, wordt door
Dewinter gemaakt. In de huidige
populistische politieke cultuur is elke vorm van
mediatisering voor Dewinter een
stukje dat moeiteloos binnen de grote legpuzzel van de imagovorming kan
ingepast worden. Hij geeft daarvan een uitstekende illustratie in de
slotscène van Vlaamse Choc. Hij zit naast
juffrouw Morel op de banken van het Vlaams
Parlement, en ze hebben allebei net de eed afgelegd.
Dewinter
fluistert Morel toe: “ze hebben hier een beeld gemaakt van de
eedaflegging, van zeker tien jaar geleden; gho,
dat gebruiken ze nog altijd!” Het bewuste beeld is dat van een
jonge Dewinter die met gestrekte rechterarm
– de Hitlergroet – zijn eed als parlementslid aflegt. Peter
Boeckx toont het, en sluit daarmee Vlaamse Choc af.
De geniale mediamanipulator Dewinter heeft
weer prijs: zelfs beelden die hem ondubbelzinnig met fascisme of racisme
verbinden raken hem niet, want hij kan ze altijd afschilderen als een
machinatie van ‘de media’ – een voorspelbare machinatie (en
Boeckx trapt in de val die
Dewinter voor hem spant), en dus een
machinatie die gedoemd is te mislukken. Er is geen enkele manier waarop
de media kunnen winnen, want hun objectiviteit kan zonder enige
aarzeling, en met bijzonder groot effect, afgeschilderd worden als een
vorm van vooringenomenheid. Dewinter
bespeelt hier de wijd verspreide beeldvorming over de
media-als-droomfabriek, de media als
desinformerend, als grote doofpotten, als
producent van dingen die “ge niet moet
geloven” (zoals Annemans zegt tegen een
voorbijganger die kritiek spuit op
Blok-mandatarissen tijdens een fotosessie in Antwerpen).
De media aanvallen in de media – tijdens een
‘onthullende’ docu zeggen dat de media de
mensen wat wijs maken, of op het avondjournaal dat door
een miljoen mensen bekeken wordt luidkeels
schreeuwen dat men het Blok in de media niet aan het woord laat en
doodzwijgt: dat zo’n grof soort ironie thans één van de meest
geloofwaardige uitspraken in en over de media geworden is, dat doet me
vrezen dat er tegen mediafantasten zoals Dewinter
weinig kruid gewassen is. De wijze waarop Dewinter
in de media komt is de norm geworden, de maatstaf voor geloofwaardigheid
en overtuigingskracht, en alle anderen worden eraan afgemeten. De
Vlaamse Choc is Vlaams behang geworden – de
neutrale achtergrond waartegen zich een drama voltrekt.
___________________________________
PS De film
"Vlaamse Choc" van Peter Boeckx werd in 2004 gemaakt in
opdracht van de RTBF. De eerste uitzending vond plaats op 30 januari
2005, in het kader van het RTBF-programma "Tout ça (ne nous
rendra pas le Congo)".