DE HERVORMING VAN DE MUDAWWANAH:
CORRECTE TOEPASSING OF CONTEXTUALISERING
VAN DE SHARIA?
door Abied
Alsulaiman (2004) |
|
Ten geleide.
A. De Islamitische
Rechtsgeleerdheid
1. Algemene schets
2. De Vier Rechtsscholen
3. De Malikitische Rechtsschool
4. De Islamitische Jurisprudentie (Fiqh)
5. De
Islamitische Rechtspraak (Qadâ')
6. Ontwikkelingen tijdens de
Mandaatperiode (1912-1956)
B. De Mudawwanah
1. Benaming en Definities
2.
Ontstaansgeschiedenis 3. Inhoud
4. Wijzigingen
5. Recente Ontwikkelingen
6. Correcte Toepassing of Contextualisering van de Sharia?
Conclusie. |
Ten geleide:
De Mudawwanah is het Marokkaanse wetboek
inzake personen-, familie- en erfrecht, gebaseerd op de Sharia, de
Islamitische Rechtsgeleerdheid, meer bepaald op de Malikitische
Rechtsschool (cfr. infra). Onlangs heeft de Marokkaanse koning Mohammed
VI ingrijpende hervormingen in de Mudawwanah aangekondigd. De
hervormingen werden door Koninklijke Besluiten bekrachtigd en inmiddels
zijn ze in kracht van gewijsde gegaan. De meningen zijn over de
hervormingen verdeeld: sommigen prijzen de hervormingen als een
progressieve en kwalitatieve vooruitgang aan, anderen beschouwen
de hervormingen als een gewelddadige aanpassing van de Sharia aan de
vereisten van de moderne tijd. Onderhavig artikel tracht de Mudawwanah
binnen de Sharia te situeren en tevens het
ontstaan, de ontwikkeling en de successieve hervormingen van de
Mudawwanah te schetsen.
A. DE ISLAMITISCHE RECHTSGELEERDHEID
1. De Islamitische rechtsgeleerdheid:
algemene schets
Evenals het jodendom is de islam een
wetgodsdienst. De incorporatie van een jurisprudentie in de islam als
godsdienst is historisch gegroeid uit de context waarbinnen de islam op het
Arabische schiereiland, in de zevende eeuw na Chr., ontstond. Het
Arabische schiereiland van toen had nooit tevoren een centraal gezag
gekend en de toenmalige Arabieren hadden evenmin een coherente
samenleving gevormd. De verschillende samenlevingen, die toen bestonden,
werden min of meer volgens de toen gangbare archaïsche opvattingen en
gebruiken georganiseerd. De nood aan een centraal gezag met een geldende
rechtspraak en een politiek apparaat,
dat over de naleving van die rechtspraak waakte, was groot.
De tweede factor die een wetgodsdienst
noodzakelijk maakte was de eigenlijke ontwikkeling van de islam zelf.
Mohammeds migratie naar Medina in 622 na Chr. maakte de organisatie van
de Ummah, de vroege islamitische gemeenschap, noodzakelijk. De oude
gebruiken en normen waren echter maar ten dele in overeenstemming met de
islam te brengen zodat een organisatie van de nieuwe samenleving, die
als normatief moest gelden, volgens die gebruiken en normen niet
wenselijk was. De nieuwe, door de Profeet zelf georganiseerde en geleide
samenleving, moest op hogere normen gebaseerd worden.
Het is dan ook in die periode, die
historici de Medinische Periode noemen, in tegenstelling tot de Mekkaanse Periode (610-622), die
geduurd heeft van de aankomst van de Profeet in Medina, in
622, tot hij er in 632 overleed, dat vrijwel alle koranische openbaringen die wetten bevatten, geopenbaard werden. Daar
waar de Mekkaanse openbaringen grotendeels op de religieuze waarheid
betrekking hebben, handelen de Medinische openbaringen grotendeels over
de organisatie van de samenleving.
De koranische wetten, die gedurende de
Medinische Periode werden geopenbaard, bestrijken de rechtsgebieden en
situaties waarmee de Ummah toen geconfronteerd werd. Elementen uit het
krijgsrecht, handelsrecht en privaatrecht werden tijdens die periode
geopenbaard. Hoe complexer de organisatie van de samenleving werd, hoe
meer wetten werden geopenbaard.
Maar de koran is geen wetboek, evenmin
heeft hij de pretentie een wetboek te zijn. De weinige wetten die de
koran kent waren zo summier dat die niet zonder verdere toelichting en
uitwerking konden. Die toelichting en uitwerking bleven ook niet uit:
het leeuwendeel van de Hadith, ofwel de uitspraken en handelingen van
Mohammed, vormt één grote aanvulling en één groot commentaar op de koran
in het algemeen en de koranische wetten in het bijzonder. De Hadith
licht de koranische wetten toe, vult ze aan en werkt ze uit tot een
vollediger geheel.
De islamitische rechtsgeleerdheid, of de Sharia, is dus gebaseerd op de koran, die in de islamitische opvatting
het Woord Gods is, en op de uitspraken en handelingen van Mohammed én
van de eerste islamitische generatie. Bijgevolg is de Sharia in de ogen
van moslims zowel goddelijk als exemplarisch.
Na de dood van de Profeet in 632 hebben
zijn opvolgers, de kaliefen, de islam buiten de grenzen van het
Arabische schiereiland verspreid en een groot wereldrijk gesticht
waarbinnen de klassieke islamitische rechtsgeleerdheid verder ontwikkeld
en uitgewerkt werd.
2. De Vier Rechtsscholen
De verspreiding van de islam, de bekering
van andere volkeren tot de islam en de etnische en religieuze
diversiteit binnen het toenmalige Islamitische Rijk hadden de juridische
studies sterk bevorderd. Verschillende wetgeleerden bezonnen zich over
de nieuwe situatie, om op de nieuwe omstandigheden te
kunnen anticiperen. Zij begonnen een nieuwe lezing van de koran én van de Hadith te
maken om tot een omvattender juridisch geheel te kunnen komen, dat de
organisatie van een steeds complexer wordende samenleving mogelijk moest
maken. De arbeid van die wetgeleerden leidde tot het ontstaan van vier
canonieke rechtsscholen (al-Madāhib al-Arbacah)
binnen de soennitische islam met elk een eigen codificatie van de
islamitische rechtsgeleerdheid.
Deze zijn in chronologische volgorde:
1. De Hanafitische School, genoemd naar
Abū Hanīfah al-Nucmān, uit Irak (gest. 767).
2. De Malikitische School, genoemd naar
Mālik Ibn Anas, uit Medina (715-795).
3. De Shafi’itische School, genoemd naar
Muhammad Ibn Idrīs Al-Šāficī, uit Egypte (767-820).
4. De Hanbalitische School, genoemd naar
Ahmad Bin Hanbal, uit Irak (gest. 855).
3. De Malikitische Rechtsschool
De Malikitische Rechtsschool verspreidde
zich door de eeuwen heen over de islamitische wereld maar kreeg de
meeste aanhang in Noord-Afrika en Spanje, waar ze de twee aldaar ook
aanwezige “rechtsscholen”, van Al-Awzācī (gest. 774) en Al-Zāhirī
(gest. 883), verdrongen heeft[1].
Sindsdien bleef ze de normatieve rechtsschool in Marokko waar de huidige
privaatrechtelijke rechtspraak en traditie op teruggaan.
Māliks hoofdwerk, al-Muwatta’, is één
van de oudste werken over de Sharia. Zijn leer werd verder
uitgewerkt in al-Mudawwanah al-Kubrā, “De Grote Bundeling”, van Sahnūn
uit Kairouan (gest. 854), Beide werken vormen de basis van de
Malikitische Rechtsschool.
Daar waar de oudste, in Irak ontstane, Hanafitische School de rationele redenering en de werking van de analogie
hoog acht, wordt de Malikitische School gekenmerkt door een
conservatieve benadering van de jurisprudentie omdat Mālik, in
tegenstelling met Abū Hanīfah, meer belang hechtte aan de overlevering van de
Hadith dan aan de rationele redenering van zijn grote voorganger. En
terwijl de Shafi’itische School een middenweg tussen de progressieve
Hanafitische School en de conservatieve Malikitische School ingeslagen
heeft, wordt de Hanbalitische School gekenmerkt door een zeer conservatieve inslag, gebaseerd op een strikte navolging van de Overlevering.
Māliks werk al-Muwatta’ bevat een
verzameling van 1.700 Hadith’s, hetgeen het belang van de overlevering
als gezagsargument bij hem illustreert. De rationele redenering over een
bepaalde rechtssituatie is overbodig wanneer er een gezagsargument (uit
de koran of uit de Hadith) is, dat over die rechtssituatie gaat. Dit is
in beginsel hetzelfde uitgangspunt als dat van de conservatieve Hanbalitische School, met dien verstande dat het magnum opus van Ahmad
Bin Hanbal meer dan 28.000 Hadith’s bevat over evenveel rechtssituaties,
waarbij de rationele redering dus uitgesloten is of zeer ten dele wordt
aangewend. Dergelijke benadering typeert men met de aloude uitspraak
“geen rationele redenering als er een gezagsargument is”.
4. De Islamitische jurisprudentie (Fiqh)
Islamitische juristen delen de Fiqh ruwweg
in in twee grote delen: het religieuze (al-cibādāt) en
het praktische (al-mucāmalāt). Het eerste heeft
betrekking op de religieuze zaken zoals de praxis en de organisatie van
de eredienst, het tweede op de regeling van de onderlinge relaties der
gelovigen. Onder de tweede noemer valt het geheel van de jurisprudentie,
met inbegrip van het privaatrecht.
Het compendium van Ibn
Ğizziī over de jurisprudentie volgens de Malikitische School,
al-Qawānīn al-Fiqhiyyah,[2]
is hier een exemplarisch voorbeeld van. Na een inleidend hoofdstuk over
het bestaan van God en Zijn attributen en over de islamitische
geloofsdogmata, deelt de auteur zijn populaire compendium in twee
hoofddelen in: al-cibādāt en al-mucāmalāt.
Het deel over al-cibādāt
bestrijkt de religieuze reinheid, het gebed, de begrafenis, de
armenbelasting (az-Zakāt), de vasten, de bedevaart, de
oorlogvoering, de eedaflegging, de vota, de spijswetten, de jacht, de
offers en de besnijdenis. Het tweede deel over al-mucāmalāt
bestrijkt het huwelijk, de echtscheiding, de koop en verkoop, de
handelsakten, de rechtspraak, de handelingsbekwaamheid, de arbitrage, de
zakelijke handelingen, de strafregels, de schenkingen, de vrome
stichting, de vrijlating van slaven, het beheer, het erfrecht en de
testamenten.
5. De Islamitische Rechtspraak (Qadā’)
In het prille begin van de islam
bekleedden de kaliefen zelf de functie van de rechter; zowel kalief
Abū Bakr (632-634), bijvoorbeeld, als cUmar (634-644) combineerden hun
functie van kalief met die van rechter (qādī).[3]
Later, toen de organisatie en het bestuur van het rijk te complex
werden, delegeerden de kaliefen de rechtspraak aan rechters die daartoe
werden aangesteld.
Aanvankelijk was de qādī diegene
die recht moest spreken over alle geschillen en conflictsituaties,
ongeacht of ze religieus of werelds waren. Tijdens de Omajjadische
periode (661-750) was de rechter dan de gerechtelijke vertegenwoordiger
van de gouverneur (wālī) in wiens naam hij zowel religieuze als
seculiere zaken behandelde. De administratieve en gerechtelijke
overheden waren de bevoegdheid van de wālī die in dit geval de
gerechtelijke macht aan de qādī delegeerde. De qādī was
in die periode een vertegenwoordiger van de openbare macht en derhalve
kon hij o.m. ook strafrechtelijke zaken behandelen, erover vonnissen en
de gevelde vonnissen ten uitvoer leggen.
Tijdens de Abbasidische periode,
daarentegen, mede door de toename van politieke stromingen en
concurrerende groepen, werd de rechtspraak gekenmerkt door een dualiteit
van twee rechtspraken die naast elkaar bestonden: een religieuze en een
seculiere. De religieuze rechtspraak, waartoe het privaatrecht behoort,
werd door de rechter (qādī) waargenomen. Alle andere zaken die
buiten het privaatrecht vallen, behoorden toen tot de bevoegdheid van de
gouverneur (wālī). De wālī placht toen alle
niet-privaatrechtelijke geschillen of de conflictsituaties, volgens
politieke normen, te behandelen en te beoordelen, zonder daarbij
rekening te moeten houden met de Sharia.[4]
Deze dualiteit werkte vaak
contraproductief omdat de bevoegdheden van de qādī en de wālī
niet duidelijk werden afgebakend. De wālī placht conflicten te
beslechten die niet door de qādī beslecht konden worden.
Dit is te begrijpen omdat de wālī de overheid vertegenwoordigde
en dus de openbare macht onder zijn bevel had. In feite was de rol van
de rechters, gedeeltelijk tijdens de Omajjaden en vooral tijdens de
Abbasiden, tot het privaatrecht in enge zin beperkt. Het strafrecht en
de toepassing ervan waren uitsluitend de bevoegdheid van de wālī.
[5]
De herleiding van de bevoegdheden van de
qādī tot privaatrechtelijke zaken die volgens de voorschriften
van de Sharia beslecht moesten worden[6],
bevorderde de ontwikkeling van de macht van de wālī en van de
politieke administratie. Dit resulteerde in het ontstaan van een
politieapparaat (al-šurtah), waarnaar de meeste strafrechtelijke
zaken werden doorverwezen.
Naarmate de organisatie van de samenleving
complexer werd, nam de kans op machtsmisbruik ook toe. Het verkeerd
aanwenden van de macht bracht conflictsituaties teweeg waarvoor de
rechter, wiens bevoegdheid tot privaatrechtelijke aangelegenheden was
beperkt, onbevoegd of onmachtig was, hetgeen tot het ontstaan van een
hoger hof geleid heeft: Wilāyat al-Mazālim, “Hof voor
Onrechtvaardigheidsklachten”.[7]
Dit hof was voor de volgende zaken bevoegd: (a) onderdrukking van de
mensen door de bewindvoerders en de onrechtvaardigheid van de
belastingsontvangers; (b) klachten van werknemers tegen werkgevers;
(c) terugvordering van goederen die door onrechtvaardige
bewindvoerders in beslag werden genomen; (d) tenuitvoerlegging van de
vonnissen die rechters – wegens hun zwakke positie – niet ten uitvoer
konden leggen; (e) beslechting van alle overige conflicten die te
complex zijn voor de rechters.[8]
Vanzelfsprekend bracht de
machtsuitbreiding van de wālī ten koste van de qādī een
spanningsveld teweeg tussen beiden. Het spanningsveld werd groter temeer
omdat sommige, vooral grote autoriteiten, alles in het werk stelden om
een eventuele benoeming, door de kalief, tot rechter te vermijden, deels
uit vroomheid en deels door de vrees voor politieke manipulatie door de
wālī. Grote autoriteiten, zoals de stichter van de Hanafitische
Rechtsschool, Abū Hanīfah al-Nucmān (gest. 767), en de
asceet Sufyān al-Tawrī (achtste eeuw) wezen met klem hun benoeming tot
Opperrechter van het Rijk af. Zij moesten er zwaar voor
boeten: Abū Hanīfah al-Nucmān stierf in de gevangenis
van
Bagdad en Sufyān al-Tawrī stierf tijdens zijn vlucht, in Basra.[9]
6. Ontwikkelingen tijdens de
mandaatperiode (1912-1956)
Tot de invoering van de Mudawwanah gold
voor moslims in Marokko het islamitisch recht zoals vervat in de
Fiqh-boeken van de Malikitische Rechtsschool.
Tijdens de mandaatperiode (1912-1956)
kende Marokko geen geschreven wetgeving voor het personenrecht. De
inwoners, zowel de moslims, de joden als de buitenlanders, volgden elk
hun respectieve jurisprudentie. De moslims volgden de Malikitische
School van de Sharia, de joden volgden de talmoed en de buitenlanders,
vooral Fransen en Spanjaarden, volgden hun respectieve nationale
wetgevingen.
De Franse bestuurders van Marokko hebben
tijdens de mandaatperiode het bestaande familierecht zoveel mogelijk
gehandhaafd.[10]
Behalve het instellen van een wettelijke meerderjarigheid lieten zij
alles ongewijzigd. Hun inbreng betrof vooral het procesrecht en de
organisatie van de rechterlijke macht. Hun voornaamste bemoeienis in het
familierecht was de formalisering van het Berberrecht.[11]
Het Berberrecht was een gewoonterecht uit de Rif dat deels op
islamitische elementen en deels op autochtone Berberse tradities
gebaseerd was. Het stond toen bekend onder de naam het ‘Conventionele
Systeem’ (al-Nizām al-cUrfī). Volgens de Marokkaanse
jurist Mohammed al-Kašbūr [12]
was dat systeem eerder een arbitragesysteem, voor hetwelk conflicten
werden voorgelegd en beslecht, dan een rechtspraak. Het Conventionele
Systeem, dat de toenmalige Franse gouverneur van Marokko behield, paste
lokale gebruiken en conventies op conflicten toe die sterk met de Sharia
tegenstrijdig waren zoals o.a. het beroven van de vrouw van haar
erfrecht.
De Franse bestuurders legden de
formalisering van het Berberrecht vast in een Koninklijk Besluit
uitgevaardigd door de toenmalige koning van Marokko, welk Besluit de
naam dahir Berbèr droeg. De invoering van dit Koninklijke Besluit
dat aan al-Nizām al-cUrfī een formeel juridisch
statuut kende, lokte felle reacties uit van de Marokkaanse
intellectuelen die fel tegen elke Franse bemoeienis met het Marokkaanse
familierecht gekant waren. Zij zagen in de Franse formalisering van het
Berberrecht een aanzet tot verdeeldheid tussen Arabieren en Berbers om
het land te besturen en een poging om de Berbers te deïslamiseren en
vervolgens te kerstenen.[13]
De felste kritiek hiertegen werd door de Marokkaanse nationalist Allal
al-Fasi verwoord, in zijn bekende werk al-Naqd al-Dātī, “De
zelfkritiek”. Al-Fasi vergelijkt het Berberrecht met het leven
en de gebruiken van de Arabieren tijdens de Ğāhiliyyah, de
barbaarse tijd waarin de Arabieren, vóór de komst van de islam,
verkeerden.
Het spanningsveld tussen het
‘Conventionele Systeem’ en het islamitisch recht is groot en bestrijkt
alle aspecten die vooral betrekking hebben op de juridische
situatie van de vrouw. Zij werd door dat systeem o.m. van haar erfrecht beroofd en volledig
onderworpen aan het gezag van de man als vader, echtgenoot of
broer. Koning Mohammed V verwees bij de installatie van
de Commissie die de Mudawwanah moest schrijven naar de slechte
gewoonten die de verdere ontplooiing van de natie belemmerden (cfr.
infra). Daarmee sprak de koning zich negatief uit over het Berberrecht
dat hij met ‘slechte gewoonten’ bestempelde. De Marokkaanse
intellectuelen waren opgelucht toen de toenmalige Minister van Justitie Benjelloun in 1957, vlak na de onafhankelijkheid van Marokko, het
‘Conventionele Systeem’ voorgoed afschafte.
|
|
B. DE MUDAWWANAH
1. Benaming en definities
De eerste, door het
Marokkaanse Ministerie van Justitie uitgegeven editie van het
Marokkaanse wetboek inzake het personen-, familie- en erfrecht, droeg de
naam Mudawwanat al-‘Ahwāl al-Šahsiyyah en verscheen
in Rabat in 1957-58.[14]
Deze tekst werd in het Nederlands vertaald door M.S. Berger en J.H.
Kaldenhoven onder de titel: De Mudawwanah. Marokkaans Wetboek inzake
Personen-, Familie- en Erfrecht (Nijmegen, 1989)[15].
De tweede, door Mohammed al-Kašbūr uitgegeven editie, die de
wijzigingen van 1993 bevat (cfr. supra), draagt de titel Qānūn
al-‘Ahwāl al-Šahsiyyah (Casablanca, 1993)[16].
Beide edities bevatten de gemeenschappelijke benaming al-‘Ahwāl
al-Šahsiyyah “het personeel statuut”. De derde en laatste
editie van de Mudawwanah werd uitgegeven door Mohammed Bnīğī (Rabat, 2004).[17]
De uitdrukking al-‘Ahwāl al-Šahsiyyah
stamt niet uit de Sharia maar is een leenvertaling uit het
Frans, "le Statut personnel". De Sharia heeft daarvoor de term
al-Munākahāt “huwelijkszaken”, onder welke term alles valt
dat te maken heeft met het
huwelijk, de echtscheiding en de gevolgen ervan.
De uitdrukking is in de eerste helft van de twintigste eeuw tot de
meeste moderne Arabische wetgevingen doorgedrongen, waaronder de
Marokkaanse. Maar noch de Marokkaanse wetgever, noch de andere Arabische
wetgevers gaven er toen een duidelijke definitie van. De eerste poging
tot definitie werd door het Egyptische Hof van Beroep op 21 juni 1934
ondernomen.
[18]
De Marokkaanse Wetgever daarentegen heeft
geen definitie gegeven van het begrip al-‘Ahwāl al-Šahsiyyah, bij zijn publicatie van de Mudawwanah. Pas in 1977 heeft de Hoge
Raad de volgende toelichting gegeven tijdens de behandeling van een
privaatrechtelijke zaak:
“Onder de in voormeld artikel vermelde
al-‘Ahwāl al-Šahsiyyah verstaat men de zaken waarover een
fundamenteel conflict rijst dat betrekking heeft op individuele gevallen,
zoals de bewering door de ene partij van het bestaan van een
huwelijksband en kinderen die daaruit voortgekomen zijn, en de
ontkenning ervan door de andere partij. En vermits het conflict over dit
feit beperkt is tot het onderhoudsgeld en wat daaruit voortvloeit, en
gezien het feit dat de eiser de huwelijksband met de beklaagde en het
bestaan van de kinderen – voor dewelke onderhoudsgeld gevorderd wordt –
niet betwist, betekent dit dat de zaak geen fundamentele relatie heeft
met al-‘Ahwāl al-Šahsiyyah, en bijgevolg niet onderworpen is
aan de toepassing van artikel 9 van het Burgerlijk Wetboek”[19].
De anomalie in deze definitie bestaat erin
dat geldconflicten die het gevolg zijn van een huwelijksband niet onder
de al-‘Ahwāl al-Šahsiyyah vallen. De anomalie is, mijns
inziens, het gevolg van de invloed van de Franse rechtspraak die –
evenals de Belgische en de Nederlandse – conflicten met betrekking tot
geld onder de bevoegdheid van het Burgerlijk Wetboek brengt. Dergelijke
anomalieën in de definitie van aan het Westen ontleende wetten, en de
invoering van die wetten op zich, lokten reacties uit vanwege
moslimactivisten. Terwijl de overwegend seculiere Arabische
nationalisten in Egypte (het Nassirisme), in Syrië en – tot kort geleden
– in Irak (de Baath-partij) een moderne Arabische eenheidsnatie naar
Westers model propageerden, hekelden de moslimactivisten in de Arabische
wereld, vooral de Moslimbroeders, elke vorm van invoering van Westerse
wetten en rechtssystemen.
2. Ontstaansgeschiedenis[20]
Reeds vóór het bekomen van zijn
onafhankelijkheid begon Marokko, in 1956, aan de codificatie van het
islamitisch personen-, familie- en erfrecht, aan welke codificatie de
naam ‘Mudawwanah’ werd gegeven. De titel Mudawwanah, “bundeling,
verzameling”, werd zorgvuldig gekozen als eerbewijs aan het magnum opus
van de Malikitische Rechtsschool, al-Mudawwanah al-Kubrā, van Sahnūn, uit
Kairouan (gest. 854).
Op 17 maart 1957 beval de toenmalige
Marokkaanse koning Mohammed V de oprichting aan van een Commissie[21]
die zich moest bezinnen over de afschaffing van het toen geldende
‘Conventionele Systeem’, Het Conventioneel Systeem was toen, zoals
eerder gezegd, vooral in het noorden van Marokko van kracht en het was
deels op de Sharia en deels op de lokale autochtone tradities en
gebruiken gebaseerd. De Commissie, die de nodige contacten had gelegd in
de gebieden waar het Conventioneel Systeem van kracht was, had de weg gebaand voor de toenmalige Minister van Justitie om
enkele weken na de installatie van de Commissie te verklaren dat het
Conventioneel Systeem voorgoed werd afgeschaft.[22]
Het Koninklijk Besluit van 19 augustus
1957 installeerde dus een Commissie van tien rechtsgeleerden die “het
islamitisch personen-, familie- en erfrecht moest codificeren”[23].
De Commissie werd toen door kroonprins wijlen Hassan II voorgezeten. Op
21 augustus 1957 werden de tien leden van die Commissie benoemd, tot wie
de bekende Marokkaanse politicus Allal al-Fasi behoorde, die de
belangrijke functie van “verslaggever” binnen de Commissie bekleedde.
De werkzaamheden van de geïnstalleerde
Commissie begonnen op 19 oktober 1957 met een openingssessie voorgezeten
door koning Mohammed V, bijgestaan door zijn troonopvolger, Hassan II, en tijdens welke sessie de doelstellingen van het initiatief
werden omschreven. Koning Mohammed V benadrukte er het belang van zijn
rol als “Prins der Gelovigen” (cfr. infra) en voegde eraan toe
dat Marokko een natie was “met een lange traditie op het gebied van de
Sharia-studies én de rechtsgeleerdheid in het algemeen”.[24]
De koning verwees in zijn rede naar de
uitdagingen en vereisten van het moderne leven en naar de noodzaak om
aan de noden en behoeftes van de moderne islamitische samenleving te
beantwoorden. Om aan die noden en behoeftes te kunnen beantwoorden, moest
men eerst een helder wetboek opstellen – gebaseerd op de eigen islamitische
traditie – dat geen ruimte liet voor eindeloze interpretaties
en discussies enerzijds, en zuiver was van alle conventionele elementen
die uit vroegere autochtone tradities stamden, anderzijds.
“Het is
onnodig dat Wij wetten en regels aannemen die aanvankelijk voor
andere samenlevingen zijn gemaakt, temeer omdat Wij een rijke juridische
traditie hebben die Ons zulks onnodig maakt. Doch Wij moeten die rijke
juridische traditie zuiveren van alle eindeloze interpretaties en
slechte gewoonten die in de loop der tijd aan de Sharia werden
toegevoegd. Die toevoegsels, die de verdere ontplooiing van onze natie
belemmeren, leken op den duur alsof ze een onlosmakelijk deel van de
Sharia uitmaken. Onze plicht vandaag bestaat er in die rijke juridische
traditie een nieuw leven in te blazen door ze tot een gecoördineerd,
precies opgetekend geheel van wetartikels te hervormen en ze in de vorm
van een wetboek (Mudawwanah) te gieten”.[25]
Kroonprins Hassan II voegde eraan toe dat
het doel achter het schrijven van de Mudawwanah geen religieus doel maar
vooral een maatschappelijk doel was. “Het doel achter het schrijven
van deze Mudawwanah is religieus noch juridisch. De Mudawwanah is vooral
bedoeld om de maatschappelijke fundamenten waarop de Marokkaanse
samenleving stoelt, te bestendigen”.[26]
De kroonprins betreurde in zijn betoog het feit dat vele jonge
Marokkaanse juristen “weinig of niets van de Sharia afweten”. Hij
stipte het belang aan van de Mudawwanah als bestendiging en valorisatie
van de Sharia, waaraan hij en zijn dynastie hun legitimiteit ontleenden én
de politieke stabiliteit van het rijk te danken hadden. Om aan de
overwegend in Frankrijk afgestudeerde jonge juristen tegemoet te komen,
stelde hij hen gerust dat de Mudawwanah op een wijze zou worden
opgesteld, die verschillend was van die van de traditionele [Malikitische]
rechtsgeleerden, welke door de bekende uitspraak “de jurisprudentie
wordt overgeleverd [zoals het is] en hoeft niet [rationeel] begrepen te
worden! ”(al-fiqh yunqalu wa lā yutacaqqalu)
getypeerd wordt.[27]
De beraadslagingen van de Commissie waren
niet talrijk maar efficiënt, want de administratie van het Ministerie
van Justitie bepaalde eerder de werking van die Commissie, temeer omdat
het Ministerie van Justitie zich ertoe had verbonden jegens de vorst om
binnen afzienbare tijd met een voorstel tot Mudawwanah te komen.
Nauwelijks een maand later, op 22 november
1957, legde de Commissie de twee eerste boeken van de Mudawwanah – die
zij in de vorm van boekvoorstellen van het Ministerie van Justitie mocht
ontvangen – ter goedkeuring voor aan koning Mohammed V die de boeken op
dezelfde dag goedkeurde. De Commissie zette haar werkzaamheden voort
echter zonder een tijdsschema te volgen maar kwam bijeen telkens als het
Ministerie van Justitie haar een boekvoorstel voorlegde. De verslaggever
van de commissie maakte een gedetailleerd verslag op van alle
wijzigingen die de Commissie op de door het Ministerie van Justitie
voorgelegde boekvoorstellen aanbracht.
Op die wijze werden de overige vier
boeken, die samen met de eerste twee de Mudawwanah vormen, door het
Ministerie van Justitie opgesteld, door de commissie geamendeerd en door
de koning goedgekeurd.
De door de koning goedgekeurde boeken
werden in Koninklijke Besluiten bekrachtigd om ze zeer snel in het
Koninkrijk in te voeren. Zo werden de eerste twee boeken over “Het
Huwelijk en de Ontbinding ervan” door het Koninklijk Besluit van 22
november 1957 ingevoerd. Het derde en het vierde boek over “De Geboorte
en de Gevolgen ervan” werden door het Koninklijk Besluit van 18 december
1957 ingevoerd. Het vijfde boek over “Het Testament” werd door het
Koninklijk Besluit van 20 februari 1958 ingevoerd. Het zesde en laatste
boek van de Mudawwanah over “Het Erfrecht” werd door het Koninklijk
Besluit van 3 maart 1958 ingevoerd.
[28]
|
|
3. Inhoud
De Mudawwanah telt zes boeken die het
personen-, familie- en erfrecht bestrijken.
-
Het eerste
boek handelt over het huwelijk en draagt de titel: “Het Huwelijk”.
-
Het tweede
boek handelt over de echtscheiding en draagt de titel: “De Ontbinding
van de Echtelijke Band en haar Rechtsgevolgen”.
-
Het derde
handelt over de geboorte en draagt de titel: “De Geboorte en haar
Gevolgen”.
-
Het vierde
boek gaat over handelingsbekwaamheid, wettelijke vertegenwoordiging en
aanverwante zaken en draagt de titel “De Handelingsbekwaamheid en de
Wettelijke Vertegenwoordiging”.
-
Het vijfde
boek gaat over het testament en draagt de titel “Het Testament”.
-
Het zesde
en laatste boek van de Mudawwanah gaat over het erfrecht en draagt de
titel “De Erfopvolging”.
4. Wijzigingen
De Mudawwanah werd met gemengde gevoelens
onthaald. Hoewel men met lof over de efficiëntie van de Commissie sprak,
spitste de kritiek zich vooral toe op de hoge snelheid waarmee de
Mudawwanah werd samengesteld. Ook wat de inhoud betreft, waren de
meningen verdeeld: enerzijds betreurden sommigen de slaafse navolging
van de Malikitische Rechtsschool, anderzijds zagen anderen in de
Mudawwanah een te ver gaande aanpassing van de klassieke jurisprudentie
aan de moderne tijd, zodat de Mudawwanah, naar hun mening, tegenstrijdig
met die klassieke jurisprudentie leek te zijn.
De polemiek tussen de conservatieve
juristen die een strikte navolging van de Malikitische Rechtsschool
predikten enerzijds, en de vrijzinnige en vooruitstrevende juristen
anderzijds, was een gevolg van het feit dat men bij het tot stand brengen
van de Mudawwanah geen voorafgaand overleg pleegde met een zo ruim mogelijk
platform van juristen en evenmin een consensus daartoe bereikte.
Hete hangijzers als de positie van de Marokkaanse vrouw in de nieuwe
wetgeving, werden hierdoor ontweken. Desondanks werd de discussie over
haar positie in de Mudawwanah vooral door die strekkingen gevoerd.
Hoewel het de bedoeling was van de
toenmalige Marokkaanse koning Hassan II om de positie van de Marokkaanse
vrouw te verbeteren, bevatte de Mudawwanah in haar eerste uitgave geen
noemenswaardige vooruitgang voor de Marokkaanse vrouwen. Immers, om die
vooruitgang te realiseren, diende men eerst een nieuwe interpretatie van
de Sharia te maken, wat niet mogelijk was in de periode waarin de
Mudawwanah tot stand kwam.
In de laatste twee decennia is de kritiek
van vele vrouwenorganisaties op enkele artikelen van de Mudawwanah
toegenomen. Vrouwenorganisaties begonnen voor de rechten van de vrouw op
te komen. Zij zagen in enkele artikels uit de Mudawwanah een obstakel
voor hun ontwikkeling en ontplooiing, en zij eisten de wijziging van die
artikels. Hun kritiek en bezwaren hadden vooral betrekking op de voogdij
bij het huwelijk, de onderhoudsbijdrage, het hoederecht, de
echtscheiding, de verstoting en de polygamie.
Het pleidooi van de vrouwenorganisaties
bereikte zijn hoogtepunt toen wijlen koning Hassan II, op 1 mei 1993, een
delegatie ontving van verschillende Marokkaanse vrouwenorganisaties, in de
aanwezigheid van de leden van de Commissie die de Mudawwanah redigeert. Als gevolg daarvan, werd de Familieraad opgericht, die de
rechter adviserend moest bijstaan in conflictsituaties die zich tijdens
of na de ontbinding van het huwelijk voordoen. De werkzaamheden die de
Commissie ten gevolge van deze koninklijke audiëntie moest starten,
hebben tot het Koninklijk Besluit van 10 september 1993 geleid, dat als
Wet 1 347-93 werd ingeboekt. Het Koninklijk Besluit waarvan sprake beval
de wijziging en de aanvulling van negen artikelen van de Mudawwanah, die
alle nauwe betrekking hebben op het juridische statuut van de
Marokkaanse vrouwen, namelijk:
-
De rol van
de voogd in het huwelijk;
-
Het recht
[van de ouders] om voogdij over de kinderen uit te oefenen;
-
De
echtscheiding;
-
De regeling
van de polygamie;
-
Arbitrage
en verzoening;
-
De
uitoefening van het hoederecht;
-
De
alimentatie of de onderhoudsbijdrage;
-
De
installatie van een familieraad
[29].
5. Recente ontwikkelingen:
Na zijn troonbestijging in 1999 heeft de
nieuwe Marokkaanse koning, koning Mohammed VI, hervormingen aangekondigd,
die de participatie van de Marokkaanse vrouwen in de samenleving moesten
bevorderen en hun juridische statuut beter moesten beschermen. Het
heeft echter tot oktober 2003 geduurd voordat de koning gestalte kon
geven aan
zijn eerder beloofde hervormingen. In zijn toespraak[30]
voor het Marokkaanse Parlement, op vrijdag 10 oktober 2003, stelt de
koning vast dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in de
maatschappelijke en politieke instellingen en dat de tot nu toe genomen
maatregelen van coöptatie en positieve discriminatie de gewenste
kwalitatieve vooruitgang niet hebben kunnen bewerkstelligen. De
positieve discriminatie van de vrouw om haar achterstand in te halen, is
niet voldoende. Volgens koning Mohammed VI moet men “een grondige
verandering in de versleten mentaliteit (al-caqliyyāt
al-bāliyah) en in het collectieve bewustzijn brengen, en de weg effenen
voor de vrouw opdat zij in alle geledingen van het nationale leven kan
participeren ”.
De koning kondigde in zijn toespraak aan
dat hij de volgende “grondige hervormingen” voorstond. Hij
introduceerde elf hervormingen op de Mudawwanah die alle betrekking
hebben op het juridische statuut van de Marokkaanse vrouw. Deze zijn:
-
De
aanpassing van de bestaande terminologie, de hantering van een modern,
meer vrouwvriendelijk taalgebruik en de toekenning van de
gezinsverantwoordelijkheid aan beide echtgenoten.
-
De
toekenning van het voogdijrecht aan de volwassen vrouw.
-
De
optrekking van de vereiste leeftijd voor het huwelijk tot achttien
jaar voor beide geslachten.
-
De
beperking van de polygamie. Voortaan kan een man een tweede vrouw
huwen uitsluitend indien de rechter hiertoe zijn toestemming geeft. De
verlening van de toestemming kan mits de man in kwestie voldoende vermogend
is om twee huishoudens te financieren, dat hij rechtvaardig is, dat beide
vrouwen ermee akkoord gaan en dat er een gegronde reden toe
bestaat.[31]
-
De
vereenvoudiging van de huwelijksprocedures voor Marokkanen in het
buitenland zodat zij voortaan alle desbetreffende procedures voor hun
ambassades en consulaten kunnen regelen in plaats van in Marokko.
-
De
toekenning van het echtscheidingsrecht aan de vrouw en tegelijkertijd
de beperking van het (ongebreidelde) recht op verstoting door de man.
-
De
uitbreiding van het echtscheidingsrecht van de vrouw, vooral in
gevallen waarin de man in het naleven van zijn echtelijke plichten
jegens zijn vrouw tekort zou schieten.
-
De
bescherming van de rechten van het kind door de toepassing van de
voorschriften van de desbetreffende internationale verdragen, die
Marokko ondertekend heeft, enerzijds, en door de toekenning van het
hoederecht over de kinderen aan de moeder, dan de vader, dan de
grootmoeder langs moederszijde, anderzijds. Het belang van goede
leefomstandigheden bij de toekenning van het hoederecht, staat hierbij
centraal. In dat verband staat de voorziening van de woonst voor het
kind los van de onderhoudsbijdragen die, op hun beurt, binnen een
termijn van maximum één maand na de effectieve scheiding van de ouders,
beslist en geregeld moeten worden.
-
De
bescherming van de rechten van het kind inzake afstamming. Ingeval het
huwelijk niet geregistreerd wordt, kan de rechtbank, op voorwaarde van
vertoon van documenten die de afstamming staven, de afstamming
bevestigen. Hierbij wordt een termijn van vijf jaar voorzien om
bestaande wantoestanden op dit gebied te regulariseren.
-
De
mogelijkheid bieden aan kleinkinderen langs moederzijde te erven uit
de nalatenschap van hun grootvader. Dat gebeurt naar analogie met het
feit dat de kleinkinderen langs vaderzijde reeds erven.
-
De
mogelijkheid bieden aan de echtgenoten om in een afzonderlijke akte,
onafhankelijk van de huwelijksakte, een overeenkomst te sluiten over
het huwelijksvermogen, d.i. de tijdens het huwelijk verdiende gelden
en aangeschafte bezittingen, echter met respect voor het behoud van
het door de Sharia voorgeschreven scheidingsbeginsel.[32]
Bij gebrek aan dergelijke overeenkomst kan de rechter eventuele
conflicten dienaangaande beslechten op basis van bewijzen
(eigendomtitels) en kosten-batenanalyse.
[33]
Het ligt buiten het bestek van dit artikel
om deze wijzigingen in vergelijkende context met de wijzigingen van 1993
of met de desbetreffende wetartikels van de eerste uitgave van de
Mudawwanah van 1957-58 te behandelen. Doch ik wil hierbij erop wijzen
dat de koning in zijn bedoelde toespraak aanstipte dat zijn hervormingen
niet tegen de beginselen en de geest van de Sharia indruisen, maar
vooral daarop gebaseerd zijn. Hij voegde eraan toe dat hij daarmee niet
“één geslacht boven het andere wil bevoorrechten”, en dat hij, in
zijn hoedanigheid als ‘Prins van de Gelovigen’, “niet tot geoorloofd
kan verklaren, wat God tot ongeoorloofd heeft verklaard, en andersom”.
Hij benadrukte dat de aanpassing van Sharia aan de vereisten van het
moderne Marokko geheel binnen de geest gebeurt van de islamitische religie
die “rechtvaardigheid, gelijkheid en betamelijkheid”
voorop stelt. De nieuwe Mudawwanah is niet alleen voor de vrouw bedoeld,
maar voor heel het gezin, benadrukte de koning. “Aanvaardt u”,
vraagt de koning er zich af, “dat uw gezin, uw vrouw en uw kinderen
dakloos op straat rondtrekken of dat u uw dochter of zuster mishandelt”?
Koning Mohammed VI benadrukte dat de
wijzigingsvoorstellen aan het Marokkaanse Parlement ter goedkeuring
zouden worden voorgelegd. Hij vroeg zijn toehoorders verantwoordelijk
te handelen door “de heiligheid van de teksten van dit voorstel tot
wijziging” te respecteren, daar die wijzigingen op de tolerante
geest van de Sharia zijn gebaseerd. Voor de overige wijzigingen, die
duidelijk door de Europese wetgevingen zijn geïnspireerd, benadrukte de
koning dat het de parlementsleden vrij staat andere (d.i. Europese)
wetten goed te keuren, “die men niet moet ophemelen noch afbreken”,
maar “op een realistische en rationele wijze moet bekijken ”,
vertrekkende vanuit het standpunt dat die Europese wetten “een
iğtihād zijn”
[34],
die goed bij het hedendaagse Marokko kunnen passen.
Hierbij benadrukte de koning dat de
onregelmatigheden die zich bij de toepassing van de Mudawwanah in het
verleden voordeden, niet zozeer aan de voorschriften van de Mudawwanah
lagen doch vooral aan het feit dat er een “rechtvaardige
gezinsrechtspraak” ontbrak. Daarom werd de Minister van Justitie
aanbevolen om “een efficiënte, moderne en rechtvaardige
gezinsrechtspraak op te richten”, die gezinsconflicten op een
rechtvaardige, snelle en efficiënte wijze moet beslechten. De
gezinsrechtbanken moeten in geschikte locaties gehuisvest en door
bekwame kaderleden bevolkt worden. Tenslotte werd de Minister van
Justitie aanbevolen om voorstellen aan de koning te formuleren
betreffende de oprichting van een commissie van specialisten belast met
de opmaak van “een praktische gids die alle wetten, wetteksten en
procedures van de gezinsrechtspraak bevat”. Deze praktische
gids zal “als enige referentie voor deze rechtspraak [lees: het
personen-, familie- en erfrecht] dienen; het zal het
burgerlijk wetboek voor het gezin zijn (= mistarah li-mudawwanati ‘l-ءusrah)”.
Ten einde de efficiëntie van de uitvoering te bevorderen, dienen de in
het (algemeen) Burgerlijk Wetboek voorgeschreven termijnen voor de
uitvoering van de Mudawwanah, verkort te worden.[35]
|
|
6. Correcte toepassing of
contextualisering van de Sharia?
Bij de laatste hervorming van de
Mudawwanah door de Marokkaanse koning dringt de vraag zich op: zijn die
laatste hervormingen een poging tot correcte toepassing van de Sharia in
een tolerante context, zoals de koning in zijn desbetreffende toespraak
liet blijken, of zijn de hervormingen een contextualisering van de
Sharia? Contextualisering betekent in deze context de aanpassing van de
Goddelijke Wetgeving aan de geest van de tijd, in plaats van andersom.[36]
Het is opmerkelijk dat bij elke
koninklijke toespraak de nadruk op de rol van de koning als ‘Prins der
Gelovigen’ wordt gelegd. De titel werd vroeger voor kaliefen gebezigd.
Kaliefen, vooral in het begin van de islamitische periode, waren ook
theologen en juristen en vaak namen zij de rechtsspraak op zich om ze
later aan professionele rechters te delegeren (cfr. supra). In deze
context is de ‘Prins der Gelovigen’ het hoogste religieuze gezag binnen
de gemeenschap en hij kan ingrijpende maatregelen, met religieuze
implicaties en gevolgen, nemen, die een ‘contextualisering’ van de
Sharia kunnen voorstellen. De voorbeelden van contextualisering door de
tweede kalief, cUmar (634-644), worden in deze context vaak
geciteerd. Zo heeft hij in een jaar waar hongersnood voorkwam, alle
strafprocedures van de Sharia buiten werking gesteld tot de hongersnood
voorbij was.
De Marokkaanse koningen, zowel Mohammed V,
Hassan II als Mohammed VI, stipten telkens zij een ingrijpende maatregel
wilden invoeren, het belang aan van hun hoedanigheid van ‘Prins der
Gelovigen’. Als hoogste religieuze autoriteit hebben zij het
volstrekte recht aan iğtihād te doen, zeker als het de natie ten
goede komt. Het belang wordt des te meer aangestipt wanneer de
maatregelen ingrijpender lijken te zijn, zoals dat het geval is bij
de laatste hervorming van de Mudawwanah.[37]
Het is een pragmatische rechtvaardiging van een contextualiseringsproces
van de Sharia, waarbij hij de weg wil afsnijden voor elke conservatieve
of zelfs tegensprekende interpretatie door behoudsgezinde
rechtsgeleerden.
Conclusie
Uit het voorafgaande blijkt dat de
geschiedenis van de Mudawwanah, het Marokkaanse wetboek inzake
personen-, familie- en erfrecht, ondanks zijn religieuze oorsprong, geen
statisch geheel vormt. De permanente hervormingen, deels geïnspireerd
door de lokale maatschappelijke ontwikkelingen en deels door de
internationale context en verdragen waarmee Marokko meer en meer te
maken heeft, getuigen van de dynamische ingesteldheid van de nieuwe
koning en de Marokkaanse juridische wereld. Immers, de socio-economische
evolutie binnen Marokko, waaraan de vrouw sterk deelachtig is,
enerzijds, en de aanwezigheid van vele Marokkaanse onderdanen in het
Westen, ook zij die inmiddels genaturaliseerd zijn[38],
anderzijds, maken de noodzaak voor grotere lokale hervormingen en een
internationale afstemming op het gebied van familierecht des te groter.
De laatste hervormingen van de Mudawwanah zijn dan ook een stap in de
goede richting.
____________________________ |
|
Noten:
[1]
De leer van al-Awzācī (gest. 774) en die
van Al-Zāhirī waren twee grote stromingen binnen de toenmalig bestaande
rechtsscholen. Hun verspreiding en aanhang nam sterk af zodat ze tegen
de twaalfde eeuw als rechtsscholen zo goed als uitgestorven waren.
[2]
Ibn Ğizziī, al-Qawānīn al-Fiqhiyyah. Beiroet, 2002.
[3]
cAbd al-Qādir cAlī, al-Fiqh al-ءIslāmī
etc.,
p. 241.
[4]
Loc. cit., p. 241-242.
[5]
Ibn Haldūn, al-Muqaddimah. Beiroet, s.a. II, p. 397.
[6]
Al-Māwardī, (al-ءAhkām
al-Sultāniyyah,
p. 67) somt de bevoegdheden van de rechter tijdens de Abbasidische
periode, die alle tot het privaatrecht beperkt zijn.
[7]
Ibn Haldūn, al-Muqaddimah. Beiroet, s.a. II, p. 397.
[8]
Al-Māwardī, al-Ahkām al-Sultāniyyah, p. 67.
[9]
cAbd al-Qādir cAlī, al-Fiqh al-Islāmī etc.,
p. 264-265. Politieke manipulatie door de overheid, vroomheid en ascese
deden vele theologen en juristen van de functie van rechter afzien. De
Hadīth van de profeet Mohammed over rechters: “er zijn drie soorten
rechters: twee daarvan zullen in de hel terechtkomen, en één in het
paradijs. Diegene die in het paradijs opgenomen zal worden, is de
rechter die met kennis van zaken rechtvaardig handelt. De twee die in de
hel terecht zullen komen, zijn ofwel één die tegen beter weten in
onrechtvaardig handelt, ofwel één die uit onwetendheid handelt”, ligt
aan de basis van de afkeer voor het beroep door vrome rechters die boven
verdenking willen blijven. Loc. cit, p 265.
[10]
Léon Buskens, Islamitisch Recht en Familiebetrekkingen in Marokko,
Amsterdam 1999, p. 41.
[12]
Mudawwanah II, p. 13
[14]
Mudawwanat al-‘Ahwāl
al-Šahsiyyah.
Uitgegeven door het Marokkaanse Ministerie van Justitie. Rabat, s.a.
(Geciteerd als Mudawwanah I).
[15]
De Mudawwanah. Marokkaans Wetboek inzake Personen-, Familie- en
Erfrecht. Vertaald in het Nederlands door M.S. Berger en J.H.
Kaldenhoven. Nijmegen, 1989. (Geciteerd als Mudawwanah IB).
[16]
Qānūn
al-‘Ahwāl
al-Šahsiyyah.
Uitgegeven door Mohammed al-Kašbūr. Casablanca, 1993. (Geciteerd als
Mudawwanah II). Deze versie werd in het Frans vertaald en uitgegeven
onder de titel: Moudawana. Code de Statut Personnel et des Successions.
Vertaald in het Frans door F.-P.- Blanc & R. Zeidguy. Sochepress,
2000-2001. (Geciteerd als Mudawwanah IIB).
[17]
Al-Mudawwanah al-Ğadīdah li‘l-‘Usrha. Al-
Qānūn raqam 70-03. Uitgegeven door Mohammed Bnīğī.
Uitgegeven in: Manšūrāt al-Mağallah al-Maġribiyyah li’l-‘Idārah al-Mahalliyyah
wa al-Tanmiyah. Nr. 95. Rabat, 2004.
(Geciteerd als Mudawwanah III).
[18]
Tanāġō S. cA. al-Nazariyyah al-cĀmmah
li’l-Qānūn, p. 274.
[19]
Zie Mudawwanah II, p. 7-8. Artikel 9 van het Burgerlijk Wetboek
behandelt de conflicten die onder personenrecht vallen.
[20]
Voor een uitvoerige bespreking van de ontstaansgeschiedenis van de
Mudawwanah zie Léon Buskens, Islamitisch Recht en Familiebetrekkingen
in Marokko, Amsterdam 1999, p. 36 e.v.
[21]
Bedoelde Commissie had geen specifieke naam.
[22]
Zie Mudawwanah IIB, p. 6.
[23]
De namen van de tien Commissieleden vindt met in Mudawwanah II, p. 11,
terug.
[24]
Zie Mudawwanah IIB, p. 6.
[29]
Uitvoerige bespreking van de wijzigingen van 1993 vindt men bij Buskens
Léon, Islamitisch Recht en Familiebetrekkingen in Marokko, p.
70-82, in Mudawwanah II, p. 14-33 en in Mudawwanah IIB, p. 8-23 terug.
[30]
‘Gedownloaded’ uit de website van de Marokkaanse regering:
www.map.co.ma. Bezocht op 27/01/2004. Zie ook Mudawwanah III,
p. 37-41
[31]
Dit is een ruime lezing en interpretatie van het koranische vers “En gij
lieden zult niet in staat zijn onder de vrouwen billijkheid te
betrachten, ook al zoudt gij dat gaarne wensen. Volgt dus niet uw volle
neiging, zodat gij haar laat verkeren in ongewisheid. Maar indien gij
schikking bewerkt en vreest dan is God vergevend en barmhartig”. (Koran,
4:128). Volgens de hermeneutiek van de koran heft dit vers het vers 4:3
op, waar polygamie toegelaten wordt op voorwaarde van rechtvaardigheid
onder de vrouwen, en bijgevolg gebiedt de sceptische benadering van dit
vers in feite de monogamie. De wijze van formulering wijst erop dat de
Marokkaanse Wetgever de polygamie in werkelijkheid onmogelijk wil maken,
hetgeen de illegale polygamie in de hand kan werken. Koning Mohammed VI
liet al in zijn toesprak verstaan dat het toelaten van de polygamie in
gegronde gevallen de illegale polygamie zou moeten doen vermijden. Zie
o.m. Al-Sābūnī
Muhammad cAlī, Safwat al-Tafāsīr, deel I, p. 257 en
verder.
[32]
Het uitgaanspunt bij een islamitisch huwelijk betreffende het
huwelijksvermogen is de scheiding der goederen, terwijl het uitgangspunt
in het Franse (en Belgische en Nederlandse) familierecht de gemeenschap
der goederen is. De scheiding der goederen kan in de Europese
wetgevingen op voorwaarde van een huwelijkscontract (in België door een
notaris). In het islamitische recht is dat niet mogelijk omdat de
scheiding der goederen blijft. De man is door de leer ertoe gehouden
zijn vrouw te onderhouden, ongeacht of de vrouw een inkomen heeft of
niet. Dit ligt ook aan de basis van het feit dat de man meer erft dan de
vrouw, omdat zijn financiële bijdrage in deze context veel groter is dan
die van de vrouw, die dan nihil zou moeten zijn. Maar vandaag, mede door
de toenemende emancipatie van de vrouw, is de bijdrage die een
geschoolde of werkende vrouw tot het gezinsvermogen levert, evenredig
met die van de man, en dat inspireert sommige islamitische geleerden (o.a.
Nasr Hamid Abu Zaid) om het erfrecht gelijk te trekken.
[33]
Toespraak koning Mohammed VI voor het Marokkaanse
Parlement op vrijdag 10 oktober 2003 uit:
www.map.co.ma. Bezocht op 27/01/2004. Zie ook Mudawwanah III,
p. 37-41
[34]
De term ‘iğtihād’
betekent ‘het onafhankelijk oordeel van een wetgeleerde’, in
tegenstelling met de strikte naleving van eerdere wetgeleerden. In
ruimere zin betekent ‘iğtihād’ het rationele onderzoek naar
religieuze en rechtsregels waarbij de noden en vereisten van de actuele
maatschappelijke omstandigheden centraal staan.
[35]
Toespraak koning Mohammed VI voor het Marokkaanse
Parlement op vrijdag 10 oktober 2003 uit:
www.map.co.ma. Bezocht op 27/01/2004. Zie ook Mudawwanah III, p. 41
en p. 45.
[36]
Aanpassing van de geest van de tijd aan de Goddelijke Wil/Wetgeving was,
is en blijft het hoofdmotief van alle fundamentalistische stromingen van
de meeste religies, in het bijzonder de monotheïstische religies. Voor
meer hierover zie het recente werk van Karen Amstrong, De Strijd om
God.
[37]
Cfr. de toespraak van koning Mohammed V. “Wij
kunnen, in Onze hoedanigheid van Prins der Gelovigen niet tot geoorloofd
verklaren, wat God tot ongeoorloofd heeft verklaard, en andersom”.
De koning voegt eraan toe dat hij de “tolerante finaliteit van de Sharia,
te weten “rechtvaardigheid, gelijkheid en betamelijkheid”, voorop
in zijn hervormingen wil stellen. Zie Mudawwanah III, p. 131.
[38]
Marokko en de meeste landen van de Europese Unie
laten de dubbele nationaliteit toe. In het geval van België spreekt men
inmiddels van Belgo-Marokkanen, d.i. Marokkanen die zowel de Marokkaanse
als de Belgische nationaliteit hebben.
|
|
Contact:
abied@aacommunications.be |
|