1.
Het wordt
lente. Een degelijke grote kuis in het debat rond ‘de islam’ in al
haar vormen dringt zich op. In de komende paragrafen wil ik daar een
lans voor breken ook al kan ik door de mij beperkte toegestane
ruimte amper een begin maken met dit grote karwei.
2.
‘De islam’ bestaat niet op zich. Er bestaan wel gelovigen die
zichzelf moslim noemen. Het verwijst dan naar de innerlijke
overtuiging, het persoonlijk geloof van een individu, kortom zijn
omgang met transcendentie. Het spreekt voor zich dat de akte van
geloof een nog steeds moeilijk te doorgronden feit is voor de
wetenschapper die zich beroept (als buitenstaander) op
rationaliserende canons en methoden. In wat volgt zullen we het dus
niet hebben over deze innerlijke akte van het geloven in een
transcendente Waarheid.
3.
Anderzijds is er zoiets als de ‘cumulatieve traditie van islam’. Dit
is het historische deposito van de massa objectieve data van het
verleden van een religieuze gemeenschap. Dit deposito bevat zowel de
geschriften, de doctrines, de morele codes, mythes, bouwwerken,
muziek- en/of kunstvormen etc. Alles wat van de ene generatie op een
andere kan worden overgedragen. Het spreekt voor zich dat dit
deposito per definitie historisch is, met andere woorden, het is
door mensen gemaakt en geproduceerd.
4.
Islam verwordt steeds meer tot ‘een ding’. Zowel moslims als
buitenstaanders gaan ervan uit dat er een ding bestaat – genaamd
islam – dat tal van eigenschappen en karakteristieken heeft waardoor
het een eigen leven begint te leiden. We lezen meermaals in de pers:
“de islam zegt…”, “de islam doet…” De islam wordt zodoende een
culturele chape de plomb,
dat de moslims als automata
zou programmeren een welbepaald politiek, sociaal, moreel en
cultureel model uit te voeren. Als dat zo is, hoe komt het dan dat
er duizend en één verschillende definities bestaan van ‘de islam’,
van haar rechtsleer, morele codes, …? Ik heb het hier niet over de
traditionele religieuze pluriformiteit van de islam met haar
verschillende rechtsscholen maar wel over de diepgaande
meningsverschillen (soms over de meest essentiële zaken),
binnen en buiten al deze stromingen.
5.
‘De islam’ heeft geen clerus (met uitzondering van het sji’ietische
Iran) zoals het christendom
die kent. Er is slechts een zwak geïnstitutionaliseerd corps van
islamrechters (qudha), islamitische wetgeleerden (ulama),…
Dit leidde ertoe dat al
heel vroeg in
de geschiedenis steeds meer mensen opstonden om in naam van ‘de
islam’ te spreken. In de 20ste eeuw is dat één van de
centrale problemen rond onze beeldvorming van ‘de islam’. Iedereen
spreekt er in naam van ‘de islam’ en we weten niet welke
interpretatie of versie nu de goede is. De strijd binnen de
Arabische wereld is dan ook een strijd rond het spreken: wie spreekt
vanuit welk machtsperspectief?
6.
Hier komen we op een eerste valstrik in het debat rond islam,
die we moeten overbruggen. Moslims maar ook een groeiend aantal
oriëntalisten, filosofen en
westerse
sociale wetenschappen benadrukken steeds meer dat dit deposito
buiten de geschiedenis staat want de islam (en dan vooral haar
heilige boek de Koran) is onveranderlijk. Moslims herhalen dit ten
langen leste vanuit een geloofsovertuiging; nochtans kan een
buitenstaander gemakkelijk vaststellen dat het ‘gebruik’ van
koranische verzen hoe dan ook altijd een mediatie is tussen een
persoon en de koran, en dus steeds een projectie van individuele
vragen en bekommernissen op een eeuwenoude tekst uit het verleden.
Als Sayyid Qutb (d.1965) of Abdessalam Farag (d.1982) stellen dat
hun invulling van jihad deel uitmaakt van de plicht van alle
moslims,
dan is dat een religieuze, politieke en ideologische vernieuwing die
gebruik maakt van selectieve geschriften uit het verleden,
toegepast op een individuele analyse van de hedendaagse maatschappij
waarin zij wonen of woonden. De term jihad is inderdaad
onderdeel van de cumulatieve traditie van de islam maar de manier
waarop Qutb het woord
invult is
nieuw. De moeilijkheid voor de observator is er achter te komen hoe
en waarom het vernieuwend is,
want – en dit is een ‘originaliteit’ van de islamitische cumulatieve
traditie – het wordt steeds voorgesteld als de ‘ontdekking van het
eeuwige’. Met andere woorden, Qutb en zijn volgelingen stellen hun
vernieuwingen voor als zijnde een weerspiegeling van het
onveranderlijke.
7.
Wanneer persoon X ons komt te vertellen dat
er
tussen islam en
democratie geen vergelijk kan gevonden worden,
en wanneer persoon Y ons het tegenovergestelde bewijst, dan geraken
we geen stap verder in onze analyse. Ook al staan de besluiten
beider personen diametraal tegenover elkaar, toch behoren zij tot
hetzelfde hermeneutische veld dat het historische
anachronisme als wetenschappelijke methodologie gebruikt. Het is
eerder een werk van productie dan van analyse. Aangezien er geen
scheidsrechter
is die kan besluiten welke versie juist is, betekent dit dat de twee
versies onmiddellijk ingebed worden in een machtsoefening: wie haalt
de bovenhand, welke analyse wordt het meest aanvaard? Kortom,
met de elasticiteit van de koranische verzen en selectieve
historische feiten kan men zowel
x
als niet-x
‘bewijzen’.
8.
Islam is al sinds de Weberiaanse sociologisering van de
orientalistische kennis, een ‘religie van gebreken’. Niet toevallig
worden die aspecten benadrukt,
die we constitutief voor de Westerse moderniteit zien: in de islam
geen scheiding van ‘kerk’ en staat, geen plaats voor andere
gelovigen, geen onderscheid tussen privé en publieke ruimte etc. Dat
‘de islam’ mede vorm heeft gegeven aan andere socio-politieke
realiteiten dan wat we in het Westen kennen, hoeft op zich niet te
verbazen. De vraag die
we ons dan moeten stellen is: welke actoren in welke historische
settings en binnen welk machtsperspectief hebben op welke manier
gebruik gemaakt van het islamitische idioom (als legitimerend en/of
delegimiterend discours),
om welke redenen? Alleen als we deze vragen oplossen kunnen we een
beter zicht
krijgen op de veelvuldige manifestaties van ‘de islam’,
in al haar complexe uitingen.
9. De
scheiding tussen ‘kerk en staat’ – welke diverse,
geïnstitutionaliseerde vormen ze ook aannam in de
west-europese
geschiedenis – is één van de belangrijke kenmerken van de
geseculariseerde maatschappij waarin we leven.
Ze
is de uitkomst van een lange strijd tussen de politieke en
de religieuze
sfeer. Beide sferen hebben steeds gestreefd naar autonomie en de
lange verstrengeling tussen beide is niets
anders dan een kwestie van
historische
machtsprocessen waarin de ene sfeer de andere probeerde te
domineren, beïnvloeden of controleren. In de Arabische wereld is
zoiets niet of nauwelijks voorgekomen. In de eerste plaats is dit te
wijten aan de opeenvolgende crisissen na de dood van de profeet
Mohammed. De uitbreiding van het ‘islamitische rijk’ betekende een
complete overwinning van de staat en een controle van de staat over
de religieuze sfeer. Het feit dat er geen geïnstitutionaliseerde
clerus bestond maakte het verder moeilijk opdat een autonome
religieuze sfeer zou ontstaan.
10. Dat
leidde tot de situatie dat de staat (welke vorm die ook aannam) de
islam tegelijkertijd gebruikte als legitimerend middel en als ‘te
vervolmaken ideaal’. Politiek op zich werd bijna enkel gezien als
behorend tot de ‘noodzaak’ van het organiseren en administreren van
de bevolkingen. Dat
belette niet dat door de eeuwen heen de politieke sfeer steeds meer
aan macht won en de vertegenwoordigers van de religieuze sfeer
slechts symbolisch deel uitmaakten van de machtssfeer. Daarbij
ontstond ook een grote niet-goddelijke wetgeving, een wetgeving die
de ‘res imperii’’ moest regelen. Een centraal verschil met de
Westerse geschiedenis is dat deze wetgeving
(qanun)
op zich weinig of
niet wordt benoemd als zijnde ‘het recht’,
maar slechts als een noodzakelijke en minderwaardige aanvulling op
het Goddelijk recht (de shari’a).
11.
De Verlichting zorgde er in Europa voor dat de ‘religieuze ordening’
van de maatschappij tot een einde kwam en dat de notie van een
‘transcendente ultieme referent’ steeds meer werd verworpen. Het
Goede en Kwade werden niet meer ingegeven door transcendente
essenties maar door de maatschappij zelf. In de
Arabisch-islamitische wereld heeft zo’n Verlichting nooit plaats
gevonden. Maatschappelijke verandering blijft verbonden met een
‘islamitische legitimering’. De moderniteit in de Arabische wereld
kreeg vorm in een specifieke onevenwichtige machtsbalans tussen de
Europese kolonisatoren en de Arabische wereld. De interactie tussen
deze geïmporteerde moderniteit (haar ideeën en materialisaties) en
de belangen van de lokale actoren (alsook de maatschappelijke
gevolgen,
zoals de cantonering van de shari’a tot de persoonlijke sfeer,
om plaats te maken voor de kapitalistische economische ordening,
of het ontstaan van nieuwe sociale groepen,
zoals ingenieurs, advocaten,… door massale hervormingen van het
onderwijs) hebben ‘de islam’ verder gereïficeerd of tot ding
gemaakt.
12.
De verwijzing naar ‘de islam’ vandaag – in welke vorm dan ook – is
dan ook een complex,
‘dubbelgericht’ debat. Het is niet zo moeilijk aan te tonen dat de
debatten in de Arabische wereld over ‘de islam’ niet hermetisch
afgesloten zijn van ‘westerse’
debatten,
maar eerder dat ze er schatplichtig aan zijn. Het is de
westerse
seculiere manier van denken – met haar welbepaalde uitgangspunten
over wat religie is – die ervoor zorgde dat moslims vandaag op een
welbepaalde manier over ‘de islam’ praten. Het wordt steeds meer een
ding dat de gelofte van een betere toekomst (een Ideaal als het
ware) moet mogelijk maken. Het is in de eerste plaats een reactie op
autoritaire, reactionaire
zo al niet
dictatoriale regimes in de Arabische wereld,
die er niet zijn gekomen door ‘de islam’ maar door een consequente
‘gijzeling’ van de politiek door nationalistische elites die er
alles aan doen (inclusief geweld en pogingen tot recuperatie van het
islamitisch discours) om aan de macht te blijven.
13.
Daardoor wordt het de
hoogste tijd
om de ‘pluriforme islam’ te onderzoeken en bespreken. Het is een
politiek idioom dat vele ladingen dekt. De Taliban zijn niet gelijk
aan de Egyptische Moslimbroeders
noch gelijk aan de Marokkaanse Parti de la Justice et du
Développement (PJD). Wat ze gemeen hebben is dat ze allen
refereren naar ‘de islam’ maar daar houdt de vergelijking meestal
op. De ogenschijnlijke eenheid van het discours verbergt een
pluraliteit aan inhouden. Zodoende is ‘de islam’ geen cognitieve
orde maar een referentiekader. De symbolen zijn gekend en gedeeld
maar de inhouden zijn verdeeld, ‘bevochten’ en gedebatteerd. Er
heerst – wat de socioloog Ferrié noemt – een ‘solidariteit zonder
consensus’. De voorbeelden stapelen zich op: sociaal mobiele
Egyptenaren die de islamitische referent gebruiken om hun
kapitalistische idealen vorm te geven;
ondernemers die publiek hun ‘religiositeit’ tonen door het
organiseren van ‘armenmalen’ tijdens de ramadan maar die dat zien
als een marketinginvestering;
Saoedie-Arabiërs die de islam zo interpreteren om hun macht te
legitimeren en de bevolking op de meest reactionaire manier te
onderdrukken;
Marokkaanse prostituees die even gesluierd gaan als hun
islamistische zusters,… Al deze voorbeelden tonen aan dat elk
symbool op duizend en één manieren kan worden ingebed in
maatschappelijke en politieke acties.
14.
Besluitend wil ik nogmaals herhalen dat als we enigszins beeld
willen krijgen op wat er in de Arabisch-islamitische wereld gebeurt,
een herinvulling van ‘ons begrip’ van ‘de islam’ noodzakelijk is.
Het komt erop neer de machtsprocessen (met hun actoren en belangen
en manipulaties van de referent) bloot te leggen,
in plaats van terug te vallen op ‘islamitische essenties’. Enkel dan
zullen we zien hoe de éne moslimorganisatie de andere niet is, dat
Oussama Ben Laden niet cheikh Bouti is of Abu ala-Al-Ma’adhi,
net zoals de Franse communistische partij niet de Russische was of
niet de Italiaanse Rode Brigade.
Enkel een duidelijker beeld van de vele vormen van ‘de islam’ kan
ons een beter wederzijds begrip opleveren.
____________________________