|
Het publiek gaat van het rapport-Van San twee
dingen onthouden. Ten eerste: allochtonen zijn crimineler dan
autochtonen. Ten tweede: het politieke establishment wil dat niet
horen, ondanks de ogenschijnlijke poging om het taboe te doorbreken
door de studie te bestellen waarop het rapport is gebaseerd. Van San
zelf zal zeker die eerste conclusie willen nuanceren, maar niet de
tweede. Dat er geen bereidheid is om het taboe te doorbreken blijkt
voor haar uit de bewering van Diane Reynders, beleidsverantwoordelijke
terzake, dat uit het rapport niet veel bruikbare besluiten kunnen
worden getrokken. Die bewering berust voor Van San op een verkeerde
lectuur van wat er feitelijk in het rapport staat. Reynders heeft
nochthans overschot aan gelijk, en dat moet worden gezegd. Het is
onmogelijk in enkele paragrafen samen te vatten wat er allemaal mis is
met de studie. Wat volgt is een kleine selectie uit de belangrijkste
punten.
Het onderzoek gaat over ‘allochtone jeugdcriminaliteit’. Men zou reeds
ernstige bezwaren kunnen maken tegen de introductie van dit begrip (dat
doorheen het rapport meer dan dertig keer opduikt), waarvan wordt
verondersteld dat het overeenstemt met een af te bakenen categorie in
de werkelijkheid (vergelijkbaar met ‘georganiseerde misdaad’,
‘witteboordcriminaliteit’, enz.). Door een concept te hanteren dat
gedefinieerd wordt in termen van een bevolkingsgroep wordt die groep
per definitie gestigmatiseerd. Belangrijker is echter het gebrek aan
overlap tussen de groep allochtonen, zoals die term gewoonlijk wordt
gebruikt, en de doelgroep van het onderzoek. Voor het rapport is
iedereen die een Belgisch paspoort heeft een autochtoon; alle anderen
zijn allochtonen. Het gaat dus in essentie niet om afkomst, maar om
staatsburgerschap, ook al wordt over het rapport voortdurend gesproken
in termen van ‘de relatie tussen afkomst en criminaliteit’. Dit wordt
door de onderzoekster niet verborgen gehouden. Integendeel, ze wijst
erop dat bij een traditioneel gebruik van de termen het absolute
criminaliteitsaandeel van allochtonen nog hoger zou zijn, hoewel niet
noodzakelijk het relatieve criminaliteitsaandeel. Dat het hierbij om
belangrijke bijkomende gegevens gaat die wel eens een heel ander licht
zouden kunnen werpen op de resultaten, en in het bijzonder op de
mogelijke verklaringen voor de waarneembare patronen, komt verder niet
ter sprake. Een moedwillig lezer krijgt daardoor de ruimte om te
concluderen dat het met de ‘allochtone jeugdcriminaliteit’ nog wel eens
erger gesteld zou kunnen zijn dan op het eerste gezicht blijkt uit de
studie.
Van San wijst er terecht op dat vroegere studies te generaliserend
waren en zij maakt zich sterk dat zij stereotypes kan doorbreken door
allochtonen niet langer als één categorie te beschouwen, door ook
binnen de subcategorieën onderscheiden te maken, en door types van
criminaliteit te onderscheiden. Het enige resultaat is echter een
verschuiving van de stereotypes naar een ander niveau: ze worden
subtieler. Zo zijn niet langer alle allochtonen crimineler dan Belgen.
Neen, vreemdelingen uit andere EU-landen zijn zelfs minder crimineel,
en Aziaten en Latijns-Amerikanen zijn ongeveer even crimineel.
Aziatische delinquenten zijn de minst diefachtigen maar de meest
frauduleuze, terwijl EU-burgers en Latijns-Amerikanen zich, zoals de
Belgen, specialiseren in drugshandel. Onder de Oost-Europeanen is dan
weer 15% (tien keer het Belgische gemiddelde) betrokken bij misdaad,
maar het gaat dan voornamelijk om diefstal. Marokkanen zijn tweemaal zo
delinquent als Turken, maar die laatsten blinken wel uit in geweld en
verstoring van de openbare orde. De allerbraafsten zijn Marokkaanse en
Turkse meisjes, terwijl Oost-Europese en Afrikaanse meisjes “een
relatief ‘geëmancipeerde’ bijdrage leveren aan de jeugdcriminaliteit”.
En Turkse jongeren kalmeren wat naargelang hun leeftijd vordert.
In plaats van allochtonen als één blok te benaderen worden nu
‘nationaliteiten’ als eenheden benaderd. Zo is er geen onderscheid
tussen Marokkaanse Berbers en Marokkaanse Arabieren, of tussen
‘etnische’ Turken en Turkse Koerden. Erger nog, naast vijf specifieke
nationaliteiten (Belgen, Marokkanen, Turken, Kongolezen en Algerijnen)
komen alleen globale nationaliteitscategorieën aan bod (EU-burgers,
andere Europeanen, andere Aziaten, andere Afrikanen,
Latijns-Amerikanen, en een restcategorie). De onderscheiden tussen de
groepen zijn dus zelf uitermate veralgemenend, indien niet dubieus.
De veronderstelling dat dit generaliserend effect zou worden opgeheven
door ook binnen de groepen te diversifiëren, is misleidend. Slechts
drie parameters worden daarvoor gebruikt: geslacht, leeftijd, en
woonplaats. Blijkbaar begaan meisjes in alle groepen veel minder
delicten dan jongens. De algemeenheid van deze conclusie zorgt ervoor
dat de parameter ‘geslacht’ geen relativerend effect kan hebben op
conclusies m.b.t. vermeende verschillen tussen de nationale groepen.
Het feit dat Oost-Europese en Afrikaanse meisjes in verhouding een
groter aandeel hebben in de delinquentie heeft uiteraard veel te maken
met hun slachtofferrol in de mensenhandel, maar voor dergelijke
overwegingen is nauwelijks ruimte in het rapport. Leeftijd speelt bijna
geen rol; er is enkel een lichte leeftijdsgebonden vermindering van
delinquent gedrag waar te nemen bij Turken en Kongolezen. Woonplaats is
uiteraard irrelevant: het enige onderscheid is dat tussen de vijf
onderzochte steden, behandeld als uniforme gehelen; wat blijkt is dat
‘allochtone jeugdcriminaliteit’ langsheen de steden varieert zoals de
criminaliteit in het algemeen.
Daar staat tegenover dat de autochtonen, de Belgen dus, als één groep
worden behandeld. De enige diversiteit binnen de groep waarmee rekening
wordt gehouden is opnieuw op basis van geslacht (de meisjes zijn veel
minder delinquent dan de jongens), leeftijd (zonder duidelijke invloed
op de criminaliteitsgraad) en woonplaats (in termen van steden, en dus
zonder noemenswaardig belang).
Met andere variabelen, zoals socio-economische factoren, wordt geen
rekening gehouden, noch aan autochtone, noch aan allochtone kant. Dit
is één van de ‘beperkingen’ van het onderzoek die plichtsgetrouw worden
vermeld, maar die verder geen impact lijken te hebben op de conclusies.
Van San stelt expliciet dat het “niet is geoorloofd om aan
een bepaald hoog of laag criminaliteitsaandeel de naam van een gehele
bevolkingsgroep te verbinden”, want “specificaties
naar geslacht, leeftijd en delicttype zijn doorgaans opportuun”.
Wat we dus leren uit het rapport is dat niet alle, maar toch de meeste
allochtone jongens delinquenter zijn dan autochtone geslachts- en
leeftijdsgenoten, hoewel hun criminele specialisaties kunnen variëren
afhankelijk van de groep waartoe ze behoren. Wat overblijft is
weliswaar geen eenvoudige relatie tussen misdadigheidsgraad en
bevolkingsgroep, maar wel een duidelijk gespecificeerde relatie tussen
een bevolkingsgroep enerzijds en een combinatie van criminaliteitsgraad
met criminaliteitsprofiel anderzijds. Er is dus, aldus de geest van het
rapport, wel degelijk een correlatie tussen afkomst en criminaliteit.
Nochthans is de hoofdvariabele waarlangs groepen worden onderscheiden
een eerder toevallig bureaucratisch gegeven, de nationaliteit, en niet
de complexe realiteit waarnaar het begrip afkomst normaal verwijst. De
ruimere conclusie en de concrete vergelijkingsbasis hebben daarom
weinig met elkaar gemeen. Moet het dan verwondering wekken dat een
beleidsverantwoordelijke hiermee niet veel kan doen?
Jammer genoeg is dit niet het einde van het verhaal. De studie
kwantificeert de ‘criminaliteitsgraad’ van bevolkingsgroepen. Dit
gebeurt niet op basis van schuld aan misdrijven, maar op basis van
aantallen aanhoudingen en dus verdenkingen. Ook al wordt dit erkend als
een beperking van het onderzoek, toch wordt er bij de conclusies van
uitgegaan dat groepen die meer voorkomen als ‘verdachte’ ook wel
crimineler zullen zijn. Bovendien wordt onomwonden gesproken van ‘het
delictprofiel van een nationaliteit’. Als dat de bedoeling
was, dan zou dit een zeer geslaagde poging tot stigmatisering zijn.
Wat verklaringen voor de geobserveerde verdenkingspatronen betreft is
Van San erg voorzichtig. ‘Misschien’ en ‘waarschijnlijk’
worden elk meer dan dertig keer gebruikt, ‘wellicht’
veertien keer, en minstens vijfentwintig keer
wordt gezegd dat iets ‘mogelijk’ is. Het
cumulatieve effect creëert een waas van onzekerheid. Toch wordt een
aantal verklaringsmogelijkheden vrij resoluut van de hand gewezen. Over
de ‘demografische these’ die stelt dat een hogere criminaliteit
verwacht kan worden naargelang een bevolkingsgroep uit een groter
aantal jongeren, mannen en stedelingen bestaat, merkt zij droogjes op
dat het relatieve criminaliteitsaandeel van allochtonen wellicht nog
hoger zou zijn indien het onderzoek zich niet had toegespitst op
stedelijke jongeren, want de groep van Belgen in het algemeen vertoont
een hogere gemiddelde leeftijd en een lagere urbanisatiegraad dan de
totale groep van allochtonen. In feite is het dus nog erger dan nu al
blijkt. Over de ‘discriminatiethese’ die stelt dat aanhoudingsgedrag,
en dus het disproportioneel opduiken van specifieke groepen, mede wordt
bepaald door vooroordelen, stereotypen en discriminatie, wordt
eenvoudig gezegd dat ze niet het volledige beeld kan verklaren. Over de
‘achterstandsthese’ die stelt dat criminaliteit samenhangt met sociale
achterstelling wordt na vergelijking met wat werkloosheidscijfers
‘voorzichtig’ geconcludeerd dat ze geen echte verklaring biedt.
Terwijl zij ongetwijfeld gelijk heeft dat geen van deze stellingen
álles verklaart, onderneemt Van San geen enkele poging om de interactie
tussen verschillende variabelen nader te beschouwen, en sommige
belangrijke factoren lijken volledig aan haar aandacht te ontsnappen.
Het gemak waarmee de achterstandsthese terzijde wordt geschoven,
bijvoorbeeld, staat in schril contrast met het onverholen feit dat het
onderzoek met geen enkele sociaal-economische factor rekening houdt.
Van San neemt voor waar aan dat onder bepaalde groepen van allochtonen
tot driemaal zoveel criminaliteit bestaat dan onder “autochtone
jongeren in vergelijkbare sociaal-economische
omstandigheden”, zonder dat ze die vergelijking
heeft gemaakt. Wat zijn bovendien de factoren voor vergelijkbaarheid?
Zelfs indien bepaalde sociaal-economische factoren dezelfde zijn tussen
bepaalde groepen van allochtonen en van autochtonen, dan nog blijven
belangrijke verschillen bestaan. Een werkloze allochtoon heeft minder
kans om werk te vinden dan een werkloze autochtoon. Een jonge
allochtoon weet dat hij meer moeite zal hebben om maatschappelijk en
beroepsmatig te slagen dan zijn even arme autochtone buur. Bovendien
weten zij dat dit gebrek aan perspectieven veel te maken heeft met het
soort van discriminatie waartoe het Vlaams Blok op elke 1 mei-viering
straffeloos oproept: “Werk voor eigen volk eerst.”
De conclusie waartoe het rapport-Van San leidt is duidelijk: indien
contextuele factoren geen verklaring bieden, dan zijn de verschillen in
criminaliteitsgraad voornamelijk het produkt van groepsinterne
kenmerken. Sommige groepen zíjn dus gewoon crimineler dan andere.
Hoewel zij ook een ‘culturele these’ relativeert, gaat Van Sans
voorkeur ondubbelzinnig in die richting. ‘Culturele
verschillen’ tussen bevolkingsgroepen zouden twee dingen
kunnen verklaren: de verschillen in de aard van de criminaliteit (zo
zouden Turken “geweldsdelicten relatief vaak toegestaan
achten, bijvoorbeeld in gevallen waarin de eer van de familie op het
spel staat”), en de verschillen naar leeftijd en geslacht
binnen bevolkingsgroepen. Dit zijn net de twee invalshoeken die Van San
presenteert als de vernieuwende bijdrage van haar werk. De begrippen ‘cultuur’
en ‘cultureel’ duiken dan ook zo’n vijftig keer op
in het rapport, en het begrip ‘etnisch’ tot
honderdtwintig maal toe. Nodeloos te zeggen dat noch ‘cultuur’,
noch ‘etniciteit’ gedefinieerd wordt. Dat geen van
beide begrippen kan samenvallen met ‘nationaliteit’,
de operationele factor voor de hele analyse, wordt
gemakkelijkheidshalve vergeten. Nogmaals: is het dan verwonderlijk dat
een beleidsverantwoordelijke hiermee weinig kan doen?
Tot slot: het rapport-Van San is een bijzonder misleidend document dat,
in handen van naïeve of kwaadwillige gezagsdragers, nefaste gevolgen
zou kunnen hebben. De Londense politiecommissaris Ian Blair heeft in
november van dit jaar plannen aangekondigd om dossiers aan te leggen
van alle kinderen die gedrag vertonen dat in de toekomst wel eens tot
delinquentie zou kunnen leiden. Dit gaat van het spuiten van graffiti
via schoolverzuim tot het afsnauwen van volwassenen. Als we Van San
ernstig nemen, dan moeten allochtone jongeren maar meteen in een
register van potentiële misdadigers worden opgenomen. Wie dan nog de
pretentie heeft om met deze vorm van taboe-doorbreking de strijd tegen
het Vlaams Blok te kunnen aanbinden zegt in feite: de beste remedie
tegen extreem-rechts is een globale verrechtsing van de maatschappij.
Het bankroet van dat manoeuver is
intussen allang uitgesproken.
Jef Verschueren
Hoogleraar,
Universiteit Antwerpen

|