|
|
|
ALLOCHTONEN
ALLER LANDEN… BURGER U IN!
Wat
het debat over inburgeringsplicht ons kan vertellen over identiteit(en)
Geert
Van den Bossche & Sami Zemni*
|
1
Inleiding
Het gebruik van de concepten 'burger' en
'burgerschap' is de laatste tien jaar binnen onze samenleving flink
toegenomen. Politici, organisaties en intellectuelen hebben steeds meer
de neiging om de maatschappelijke problemen vanuit de invalshoek van
het burgerschap te benaderen. Het hele debat loopt parallel met de
intrede van nieuwe denkwijzen over de West-Europese democratie, onder
andere de verschuiving van de verzorgingsstaat naar
de actieve welvaartstaat. Het concept van
burgerschap veronderstelt inderdaad een politiek van geven en nemen,
van wederzijdse rechten en plichten tussen de burger en de overheid. De
wederzijdsheid van de relatie zou een betere participatie en een
actievere deelname van de burger in de maatschappelijke debatten en de
politiek bevorderen.
Met de introductie van het concept ontstond
echter eveneens de vraag: “Wie is burger en wie niet?”.
De vraag naar participatie en deelname in het publieke leven van de
maatschappij stelt immers ook de vraag naar inclusie en exclusie. Het
politieke leven werd in Vlaanderen en België het afgelopen decennium
voor een aanzienlijk deel gekleurd door debatten die – al dan niet
rechtstreeks – betrekking hadden op migranten, allochtonen of
(politieke) vluchtelingen,… kortom over ‘vreemdelingen’. Al deze
debatten – die we hier kunnen samenvatten als ‘omgaan met de Andere’ –
zijn een wezenlijk onderdeel geworden van ons politiek landschap.
Wat
ontbreekt in dit hele debat, is de erkenning dat het samenleven met
'Anderen' – die niet noodzakelijk onze waarden en normen delen – een
wezenlijk onderdeel vormt van het democratische vraagstuk. Door de allochtonen op de één of andere manier
te verplichten zich in te burgeren legt men hen bovendien een bepaalde
(of gedeeltelijke) 'identiteit' op. Wat wij hier willen onderzoeken, is
niet zozeer wat nu juist wordt opgelegd aan allochtonen maar wat
verzwegen blijft, wat we zouden kunnen omschrijven als 'de
paradox van de inburgering'. Door namelijk de Andere een
bepaalde identiteit voor te schrijven, definiëren we eigenlijk onszelf.
De concepten, criteria en termen die we gebruiken om de ‘Andere’ te
omschrijven, verhullen bepaalde vooronderstellingen en definities van
onszelf en onze eigen identiteit.
Het enigszins blootleggen van deze
verschillende zelfdefinities is belangrijk vanuit
sociaal-wetenschappelijk oogpunt. Als we namelijk beter inzicht krijgen
in wat de actoren van het debat drijft met betrekking tot de eigen
identiteit, krijgen we meer inzicht in de constructie van het politieke
veld in Vlaanderen (en in België). Bovendien gaat het niet alleen over
hoe we onszelf zien, hoe we onszelf definiëren, maar ook hoe we de
maatschappij in haar democratische gestalte vorm geven. Deze thema’s
zijn dan ook uitermate belangrijk en relevant voor de centrale
vraagstukken van het democratisch samenleven.
In de context van de democratische staat is het
debat over inburgeringsplicht een onderdeel van een meer algemene
bevraging van identiteit en legitimering. In het bijzonder is het
uitermate functioneel in het blootleggen van een dilemma dat de
(liberale) politieke theorie (laat staan praktijk) nog niet heeft
opgelost, namelijk: hoe kan in een politiek bestel – dat per definitie
onenigheid over waarden en keuzen moet aanvaarden (want dat is
democratie) – sociale cohesie gerealiseerd en bestendigd worden?
Bovendien, als we dat dilemma in een multiculturele context bekijken,
rijst de vraag in welke mate identiteit daarin een rol kan en/of mag
spelen. Concreter liggen twee vragen aan de basis van deze bijdrage: 1.
In welke mate is de plicht tot inburgering functioneel voor 'de
Andere', de nieuwkomer, de migrant, in termen van burgerschap en dus
participatie? 2. In welke mate is dit debat functioneel voor de
(politieke) elites in de zin dat het hen toelaat een 'inverse'
definitie van het 'Vlaams/Belgisch zijn' te formuleren?
Met betrekking tot dit laatste wordt ervan
uitgegaan dat die definitie haast 'invers' moét zijn, omdat dit in
Vlaanderen/België een zeer gevoelig onderwerp is. Niet alleen staan de
'autochtone' gemeenschappen tegenover elkaar; ook binnen de
gemeenschappen staan de verschillende ideologische families tegenover
elkaar. Het is bijvoorbeeld niet toevallig dat het onderwijs tot
'schermutselingen' blijft leiden: zoals onder meer Ernest Gellner
(1983) heeft benadrukt, is het onderwijs de plaats bij uitstek waar
individuen worden gesocialiseerd in een collectieve identiteit. De
combinatie van beide vragen illustreert echter de moeilijkheden van het
inburgeringsdebat: is het een echte poging tot communicatie en dialoog,
waarbij de vereisten van inburgering gericht zijn op socialisatie, op
de doelstelling 'Anderen' de 'instrumenten' aan te reiken om volwaardig
te participeren – en wat betekent dit dan? Kan dit bereikt worden met
erkenning van 'een eigen identiteit' of bevat dit ook de doelstelling
om te worden 'zoals wij'? En ligt die laatste definitie vervat in het
hele debat – dat daardoor ten minste gedeeltelijk een interne
aangelegenheid zou kunnen betreffen, een (impliciete) poging tot
zelf-identificatie en dus zelf-legitimering?
Het
inburgeringsdebat is dus een discours over het 'zelf' en over de
'Andere(n)'. Maar het is ook een strategie, namelijk een geheel van
manoeuvres en handelingen die bepaalde objectieven beogen binnen een
welbepaalde sociale context. Het is een strategie omdat een
identiteitsdiscours van een individu tot doel heeft het individu te
bevestigen, maar ook in zijn/haar 'zijn' bevestigd te worden door de
'andere(n)' (groepen, instituties, de maatschappij). Daarom ook wordt
zo een strategie (weliswaar ten dele onbewust) opgebouwd in functie van
machtssystemen in een welbepaalde context. Spreken
over discours en strategieën impliceert dus 'la nécessité de
prendre en considération les paroles, les écrits invoquant l'identité
parce qu'ils influent indubitablement sur l'organisation des attitudes
et provoquent des comportements' (Martin, 1994: 21-22).
De complexiteit van dit debat, met inbegrip van
de mogelijke incompatibiliteit van de
functionaliteit voor de betrokken individuen en groepen, kan
misschien geïllustreerd worden door verwijzing naar dat andere
moeilijke debat met betrekking tot de 'migrantengemeenschap', namelijk
dat van stemrecht. De voorstanders gebruiken nogal vaak hetzelfde
argument van 'insluiting' en participatie - wat uiteraard nobele
doelstellingen zijn. Alleen is het intussen toch wel duidelijk dat
stemrecht (stemplicht in België) niet functioneel is in termen van
insluiting en participatie: in (zeer) algemene termen, voelen Belgische
burgers zich niet betrokken bij de 'ver van mijn
bed'-politiek. Met andere woorden, het is intussen (misschien vooral)
voor de politici duidelijk dat formeel burgerschap, met inbegrip van
stemplicht, de 'kloof' niet dicht. Vandaar allerlei andere initiatieven
zoals de Nieuwe Politieke Cultuur, het overwegen van referenda,
enzovoort. De vraag die zich dan stelt in relatie tot 'nieuwkomers' is:
waarom gelooft men dat wat niet (meer?) werkt voor de 'oude
gemeenschap' zal werken voor de 'nieuwe'? Ligt aan de basis van dit
soort redeneringen niet een essentiële ongelijkheid - een ongelijke
benadering en inschatting van verschillende groepen, waarbij die
groepen dan ook nog eerder 'essentialistisch' worden gedacht?
Idealiter
zou inburgering bedoeld zijn om de voortdurende en complete uitsluiting
van bepaalde groepen van de maatschappij te vermijden: het gaat dus
over het bepalen van mechanismen die 'insluiting' en participatie
mogelijk maken. Wat hier vooral beargumenteerd wordt, is dat
'insluiting' een algemeen maatschappelijk probleem is - niet één dat
kan beperkt worden tot dat (te) makkelijk te identificeren 'blok' van
migranten waarvan lager sprake. Inburgeringsplicht heeft dus
repercussies voor de definities en de praktijken van identiteit,
burgerschap en democratie. Hoe moeilijk het kan zijn om deze concepten
op een coherente manier met elkaar te verbinden, blijkt uit de
multiculturele realiteit – en wordt hieronder geschetst.
In het
eerste deel van deze bijdrage stellen we een conceptueel kader voor dat
de begrippen identiteit en inburgeringsplicht plaatst binnen de
debatten over de vorm, aard en inhoud van onze multiculturele
democratie. We benadrukken deze theoretische invalshoek omdat – zoals
reeds aangehaald hierboven – het ons in staat stelt het hele debat rond
inburgering (en per uitbreiding migranten) te plaatsen in een geheel
van belangrijke vragen voor ons democratisch samenleven. In het tweede
deel van deze bijdrage kijken we dan concreet hoe het concept van
inburgering haar intrede deed in ons politiek jargon maar ook hoe het
politieke debat en de verschillende invullingen van de politieke
partijen aanleiding geven tot ‘zelfdefinitie’. We willen met andere
woorden aantonen dat de Andere bepaalde plichten (en rechten) opleggen
(en geven) eveneens iets zegt over onszelf, onze identiteit en vooral
ook over de aard van de sociale cohesie in een zogenaamde
multiculturele maatschappij.
|
|
2
Een conceptueel kader
2.1 Wat is identiteit?
Individuen, groepen
en culturen hebben een duidelijk afgebakende, onverwisselbare
identiteit nodig én zij krijgen die niet voor niets, er moet hard aan
worden gewerkt. [...] Een identiteit hebben schijnt van levensbelang te
zijn, leven zonder identiteit staat bijna gelijk aan niet-leven. Velen
– individuen zowel als groepen – zijn er naar op zoek, hebben ze pas
hervonden of dreigen ze alweer te verliezen en hoe moeilijker het is om
haar te bewaren, des te meer waarde eraan wordt gehecht. De zoektocht
naar identiteit is zo algemeen en onontkoombaar dat zij deel lijkt uit
te maken van de menselijke conditie (Weyns, 1999).
In deze
inleiding van de 1999 Millennium Conferentie van de Koning
Boudewijnstichting wordt de 'ideologie van de identiteit' geponeerd als
een vanzelfsprekendheid die desondanks gepaard gaat met een moeizame
zoektocht. Bovendien plaatste deze Conferentie identiteit 'tussen
geborgenheid en mogelijkheid' en verwees op die manier naar haar
centraal belang voor (psychologische) veiligheid en (maatschappelijk)
vertrouwen en ontwikkeling.
Essentieel
impliceert dit dat identiteit in een functionele relatie wordt
geplaatst. Er wordt van uitgegaan dat via identiteit moeilijkheden en
problemen kunnen worden opgelost of, om het positiever te stellen, dat
identiteit bijdraagt tot individueel welbehagen en het welzijn van de
samenleving. Vandaar wellicht de alomtegenwoordigheid van identiteit in
maatschappelijke, politieke en academische discours. Maar de
eensgezindheid waarmee verwezen wordt naar identiteit, blijkt bij nader
toezien slechts een dekmantel te zijn voor een waaier van zeer
uiteenlopende definities, functies die haar worden toegeschreven en
opinies over de operationalisering daarvan. Bovendien wordt de op het
eerste gezicht positieve functie die aan identiteit wordt toegekend, in
de praktijk bedolven onder problematische manifestaties van haar
invloed. Dit hoeft niet te verwonderen. Intussen wordt redelijk
algemeen aangenomen dat identiteit het product van een constructie is,
geen vaststaand gegeven waarin essentialistische kenmerken zouden
vervat liggen. Identiteit is eerder een proces van interactie tussen de
zelfdefinitie van het individu en zijn omgeving of zoals Malek Chebel
het omschrijft:
une
structure subjectieve caracterisée par une représentation de
l'interaction entre l'individu, les Autres - condition préalable pour
qu'il y ait effectivement identité: se reconnaître Un et être reconnu
comme tel par les Autres - et le milieu (comme agent matériel de
l'identification)
(Chebel, 1986: 36-37).
Een
individu wordt dus niet geboren met een identiteit maar verwerft ze. De
socioloog Anthony Giddens wijst in dit verband op het belang van een
vroege ontwikkeling van ontologische zekerheid (in relatie met ouders
of andere verzorgers), opdat het individu later in staat zou zijn 'to
keep a particular narrative going'. In deze interpretatie
heeft identiteitsvorming dus niet zozeer te maken met biografische
continuïteit, maar met de continuïteit van communicatie(mogelijkheden)
(1991: 54). Bovendien heeft het individu, naast de aanzienlijke mate
van socialisering door de directe omgeving (ouders, school,...), wat
Anthony Appiah omschrijft als 'een gereedschapskist vol mogelijkheden
dat (sic) ons
ter beschikking wordt gesteld door onze cultuur en maatschappij' (1995:
178), die een bepaalde marge van vrijheid creëert om een eigen
identiteitsdiscours te ontwikkelen. Dit betekent dat, op individueel
vlak, identiteit gezien moet worden als een continu proces van
definiëring, het eerder efemere resultaat van een serie ononderbroken
'conflictsituaties' tussen het Zelf en de Andere.
Het mag
echter duidelijk zijn dat de inherente instabiliteit van identiteit
vooral op collectief vlak moeilijke gevolgen heeft. Het is vooral
wanneer in het – per definitie – continu proces van definiëring
verschillende groepen (in plaats van verschillende individuen)
tegenover elkaar staan, dat daadwerkelijke conflictsituaties kunnen
ontstaan. Wat daarbij (onder meer) opvalt, is het verlies aan
flexibiliteit, de poging om toch - bijna tegen beter weten in - een
soort essentialistische definitie van identiteit te hanteren, in de
hoop om die manier het conflict voor eens en altijd te beslechten. Men
gaat (impliciet?) uit van opvattingen over collectieve identiteit die
opmerkelijk ongenuanceerd zijn in de manier waarop zij de processen
beschouwen, waardoor zowel de individuele als de collectieve identiteit
zich ontwikkelt.
Het
probleem dat zich hier stelt, is tweevoudig. Enerzijds is er de tendens
van gedefinieerde collectieve identiteiten, om een soort 'draaiboek' te
bevatten: 'ideeën over hoe een goed persoon van die soort zich
gedraagt, [...] normen of modellen, die een rol spelen bij het
vormgeven van de levensplannen van hen die deze collectieve
identiteiten centraal stellen in hun individuele identiteit.' (Appiah,
1995: 182-183). Dit betekent niet alleen dat de individuele
keuzevrijheid bij de identiteitsdefinitie beperkt wordt. Het levert ook
problemen op voor hen die zich niet erkennen in het draaiboek. Zoals
Dieter Lesage het formuleert in zijn oppositie tegen
ex-Minister-President Luc Van den Brande: 'Het concept van culturele
identiteit [...] zegt: we zijn nu eenmaal zoals we zijn. Het is te
nemen of te laten. [...] In de retoriek van de culturele identiteit is
voortdurend een 'wij' aan het woord dat spreekt in naam van Anderen die
daar niet om gevraagd hebben, laat staan dat ze erg zouden ingenomen
zijn met de karakteriseringen waarmee ze door hun vrijpostige
woordvoerders worden bedacht' (1998: 105). Anderzijds worden die
'draaiboeken' 'gebruikt' om zichzelf te positioneren tegenover andere
groepen, wat automatisch wil zeggen dat ze ook gebruikt worden om de
'Andere', op een behoorlijk inflexibele manier, te definiëren.
Dit
probleem kan ook op een andere manier geformuleerd worden. Als, zoals
Amy Gutmann suggereert, 'mensen in meerderheid behoefte [hebben] aan
een veilige culturele context om betekenis en richting te geven aan de
keuzen in hun leven', 'maakt een veilige culturele context deel uit van
de eerste levensbehoeften' (1995: 19). Als echter die context wordt
gekoppeld aan een sterk inhoudelijke invulling, ontstaan conflicten,
zowel binnen de eigen context als met andere 'levensprojecten'. Met
andere woorden, het lijkt erop dat de positieve functie van identiteit
in belangrijke mate afhangt van een conceptuele vaagheid; van de
mogelijkheid tot flexibele invulling van haar inhoud, en dus ook van
haar functionaliteit. Zo ontstaat de kans en mogelijkheid tot
differentiatie, ook binnen de zogenaamde eigen collectiviteit en
tegenover andere groepen.
Als het juist is, zoals
hierboven wordt gesteld, dat identiteit een functie is van communicatie
en begrip, van het creëren van betekenis in de eigen gemeenschap en het
openstaan voor de Andere, moeten we dringend de voorwaarden en
componenten onderzoeken die identiteit toelaten deze functie te
vervullen. Dit is de 'mogelijkheid' van identiteit waarnaar de Koning
Boudewijnstichting verwees. In een recente
verzameling essays die terugblikken op de lessen van de twintigste voor
de eenentwintigste eeuw, besluit ook de socioloog J.M.M. de Valk de
sectie over groepssolidariteit met de dringende oproep 'om een nieuw
evenwicht te vinden tussen de gevoelens van eigen identiteit en
geborgenheid in de groep enerzijds, en de noodzakelijke openheid voor
andere tradities en culturen anderzijds.' De Valk geeft toe 'dat het
niet gemakkelijk zal zijn; maar men is niet van het probleem
af door vlotweg uit te roepen dat wij van nu af aan allen Europeaan of
wereldburger willen zijn.'(de Valk, 1999: 127; onze klemtoon).
'Het
probleem' kan met Ernest Gellner omschreven worden als 'de vertroebelde
relatie van staat, civiele samenleving, identiteit, cultuur en
legitimiteit' (Gellner, 1987: viii). Het is duidelijk dat deze op
zichzelf al complexe structuren en concepten in een 'nieuw evenwicht'
brengen, een moeizame zoektocht zal worden naar een allicht altijd vrij
problematische constructie. Die constructie zou, in het beste geval,
ook een flexibele en positieve definitie van identiteit omvatten. In
deze bijdrage blijkt echter vooral dat het debat omtrent 'de Andere'
nog steeds vooral wordt gevoerd in termen van een 'draaiboek'. De
volgende sectie behandelt dan ook de beperktheid van het debat over
inburgeringsplicht in Vlaanderen. Het is niet alleen beperkt in de zin
dat de doelgroep zelden of nooit aan het woord wordt gelaten; het wordt
ook zelden in een bredere maatschappelijke en/of conceptuele context
geplaatst. Het is onze veronderstelling dat het schetsen van zijn
ruimere context kan toelaten dit debat genuanceerder, dat is, op een
meer flexibele manier te voeren.
|
|
2.2 Het 'kleine' of het 'grote verhaal' van de
inburgeringsplicht?
De
inburgeringsgedachte is het nieuwe kernbegrip van het debat over
nieuwkomers en minderheden. Dit debat wordt precies door de definiëring
van de doelgroep als het ware buiten de 'normale' politieke context
geplaatst: het zogeheten 'migrantenprobleem' wordt vaak benaderd als
een aparte (bijna hors) categorie. Dat
volgt voor een stuk uit de logica van de inburgeringsgedachte zelf:
aangezien de nieuwkomers slechts door middel van inburgeringspraktijken
'burger' zullen worden, moet men veronderstellen dat ze op dit ogenblik
nog niet (echt) deel uitmaken van de samenleving. Men zou dus kunnen
stellen dat er een 'kloof' bestaat tussen 'de migranten' en de
'samenleving'.
Met deze
modieuze metafoor wordt echter onmiddellijk duidelijk dat het verwerven
van het burgerschap 'het probleem' niet oplost: als 'nieuwe burger'
moet men dan meteen plaatsnemen aan deze zijde van die andere
'breuklijn', namelijk de kloof tussen 'de burger' en de politiek. Dit
impliceert natuurlijk wel een vorm van gelijkheid ten overstaan van
'autochtone burgers'; maar vermoedelijk is dit niet wat wordt
voorgestaan door de pleitbezorgers van (meer) gelijkheid in onze
samenleving. Met andere woorden, het debat over de inburgeringsplicht
is geen eenheid op zichzelf, en wordt best ook niet als dusdanig
beschouwd. Voor beter begrip moet dit debat terug in zijn eigenlijke
context worden geplaatst, een context die bevolkt wordt met concepten
als 'burgerschap', 'identiteit', 'postmoderniteit' en
'multiculturalisme' en die misschien nog het best kan worden samengevat
als een algemene reflectie op democratie.
Het is
duidelijk dat het hercontextualiseren van het debat geen toverformule
is. Al in 1989 (lang voor het ontstaan van de term 'inburgering')
stelde Russell Hanson dat er onduidelijkheid bestaat over de precieze
inhoud van het concept (en dus de praktijk van) 'democratie'. Bovendien
legt hij ook meteen de kern van het probleem bloot:
This
confusion reaches the very core of our community. When keywords such as
democracy lose their meaning, our identity is necessarily called into
question; if we are confused about the meaning of democracy, then we
are also uncertain about whether we are democratic.
(Hanson, 1989: 85-6; originele
klemtoon)
De vraag
is dan ook waarom wij verward zijn over de
betekenis van democratie, en dus over onze identiteit; met welke
factoren dit te maken heeft; en wanneer dit probleem is opgedoken. In
Vlaanderen wordt in deze context 'gemakshalve' verwezen naar het succes
van het Vlaams Blok - naar onze mening, 'gemakshalve', omdat het Blok
een makkelijk te identificeren 'verstoorder' is van de zogenaamde
democratische consensus, waarmee dan ook meteen de discussie à
la cordon sanitaire kan worden gesloten. In de termen van het
bovenstaande citaat: wijzelf hoeven ons geen zorgen te maken; het is
'de Andere' die niet democratisch is.
Deze
gemakzuchtige houding is ook direct relevant van ons huidige onderwerp:
het lijkt erop dat het debat over inburgeringsplicht een gelijkaardige
tendens vertoont, in de zin dat allochtonen even 'makkelijk' kunnen
geïdentificeerd worden als een problematische groep binnen onze
democratie. Als dan de inburgeringsplicht als oplossing wordt
aangebracht, hebben we alweer 'de Andere' als het ware verantwoordelijk
gesteld voor wat er zoal misloopt.
Misschien
is het wel precies door de identificatie van die twee tegenovergestelde
'blokken' dat de discussie over burgerschap voortijdig wordt gesloten.
Om even te verwijzen naar de gekende analyse van Jan Blommaert: wat zo
eigenaardig lijkt, is de interne geslotenheid van zijn argument. Zowel
het probleem (het succes van het Vlaams Blok) als de verklaring (de Burgermanifesten)
worden in hoofdzaak beschouwd als louter interne, of lokaal-Vlaamse
fenomenen. Natuurlijk plaatst Blommaert dit in een algemenere context
van politieke 'vernieuwing', in het bijzonder van de nieuwe politieke
communicatiestrategieën, die zelf zijn afgeleid van een neoliberaal
discours dat de politiek steeds meer op de leest van de vrije markt wil
scholen (Blommaert, 2002). Maar het blijft een feit dat zijn eigenlijke
analyse zich concentreert op intern-Vlaamse factoren.
In feite
is de vaak beperkte geografische afbakening zelfs typisch voor dit
soort debat: er is vastgesteld dat er een grote verscheidenheid bestaat
in het immigratiebeleid en de criteria voor burgerschap en
nationaliteit, zelfs binnen de Europese Unie, precies omdat de praktijk
bepaald wordt door de verschillende discours over natie en nationale
identiteit binnen de verschillende lidstaten (Mitchell &
Russell, 1996: 65-66). Als we ons echter blijven concentreren op die
diversiteit, kan geen verklaring worden gevonden voor meer algemene
vaststellingen zoals het feit dat 'burgerschap' het 'buzzword' van
denkers in alle hoeken van het politieke spectrum is geworden (Heater,
1990: 293); of dat 'identiteit' het kernwoord van hedendaagse politiek
is (Tiryakian, 1997; Solomos, 2001: 202). Meer in het bijzonder, door
het vasthouden aan de beperkte geografische afbakening, blijft de
zoektocht naar het verband tussen burgerschap, identiteit en democratie
gedefinieerd door intern gestructureerde en gereproduceerde discours
(de analyse hiervan is precies de kern van Blommaerts betoog: 2002) -
die precies vanwege hun diversiteit geen algemene verklaring kunnen
afleveren. En een algemene verklaring is belangrijk omdat het over
fenomenen gaat die de diversiteit van nationale contexten overstijgen.
Vanuit
een functionele benadering kunnen we echter veronderstellen dat hier
iets gaande is dat beantwoordt aan een meer algemene behoefte. De
hypothese die in deze bijdrage wordt gehanteerd, is dat het debat over
inburgeringsplicht tegemoet komt aan een behoefte die samenhangt met
'de crisis' van de democratie, in het bijzonder de vraag naar de
definitie van (collectieve?) identiteit. Dan zijn er (minstens) twee
mogelijkheden - die hier natuurlijk niet exhaustief kunnen worden
behandeld: ofwel bekijkt men de ruimere context van 'de democratie in
crisis' en vraagt men zich af hoe die zich manifesteert in het debat
over inburgeringsplicht; ofwel verplaatst men zich naar de beperktere
(en dus meer hanteerbare?) locus van dat debat en
zoekt men naar fenomenen die ons iets kunnen leren over wat er aan de
hand is met definities van identiteit of met democratie in het
algemeen.
2.3 In welke tijd leven wij?
Eén van
de meest gekende analyses voor wat kan omschreven worden als de interne
functionaliteit van democratie is Robert Putnams Making
Democracy Work (1993). Zijn verklaring voor de variaties in
performantie van regionale besturen in het naoorlogse Italië, namelijk
het in min of meerdere mate aanwezig zijn van 'networks of
civic engagement', werd ontvangen als een revelatie, wellicht
omdat ze zo overtuigend het meer algemene argument ondersteunde dat
waarden en identiteiten van individuen belangrijke én onafhankelijke
factoren zijn voor democratisch bestuur. Dit is intussen een algemeen
aanvaarde stelling (Kymlicka & Norman, 2000: 7; Valadez, 2001;
20-21,344) die heeft geleid tot een proliferatie van onderzoek naar de
zogeheten 'civil society' waar het 'social
capital' van een democratie al dan niet 'aan het werk' is
(voor dit soort onderzoek in Vlaanderen, zie vooral het werk van de
groep rond Mark Elchardus).
Tot dat
'sociale kapitaal' schijnt evenwel geen geschiedenis te behoren, noch
voor het politieke gebeuren zelf (Raes, 1998:1), noch voor het
onderzoek ernaar. Putnam herhaalt immers een aantal 'waarheden' die
anderhalve eeuw geleden reeds op schrift werden gesteld door Alexis de
Tocqueville. Zijn De la démocratie en Amérique
(1835,1840) vloeide voort vanuit zijn bekommernis om de toekomst van
het postrevolutionaire Frankrijk. Meer in het bijzonder vreesde
Tocqueville dat Frankrijk er vanuit de toenmalige overgangsfase niet
zou in slagen te evolueren naar een (stabiel) democratisch regime.
Vandaar zijn beklemtoning van de democratische 'moeurs'
en 'l'esprit communal' die hij in de Amerikaanse
maatschappij (in wat wij nu het middenveld zouden noemen) had zien
functioneren ter ondersteuning van de politieke democratie
(Voor een bredere historische en politieke contextualisering, zie Van
den Bossche, 2001b). Men zou kunnen zeggen dat, gezien de
gelijklopendheid van hun verhalen, de historische context van de
Tocqueville irrelevant is geworden. Maar door dit politiek verleden te
negeren wordt een belangrijke verbinding gemist met de ruimere context
van het inburgeringsdebat waarnaar we hier op zoek zijn. Het is immers
opvallend dat Tocqueville en Putnam tot dezelfde conclusies zijn
gekomen in hun respectieve analyses van een samenleving in
transitie. Het feit dat deze conclusies opnieuw zoveel
aanhangers kennen, schijnt te suggereren dat we opnieuw in een
overgangsperiode zijn beland. De vraag over onze verwarring over
democratie en identiteit wordt dan één over de aard
van de huidige transitie.
Er
bestaan natuurlijk vele pogingen tot typering van de huidige
transitieperiode, waarbij het verleden meestal wordt omschreven als 'de
moderniteit', het breukpunt als het Einde van de Grote Verhalen, of van
de Geschiedenis zelf en, afhankelijk van de gekozen invalshoek, wordt
de toekomst gesitueerd in (de opkomst van) de postmoderne (cf. Dunn,
1998), de mondiale (Meyer & Geschiere (eds), 1999), de risico-
(Adam, Beck, Loon (eds), 2000), de netwerk- (Castells, 2000) of de
informatiemaatschappij (Ducatel e.a.(eds),
2000).
De
socioloog Anthony Giddens staat relatief alleen in zijn karakterisering
van de 'late moderniteit' als 'posttraditioneel', maar is interessant
omdat hij deze typologie expliciet vergelijkt met de meeste andere die
in omloop zijn, en bovendien relateert aan wat we de hedendaagse crisis
van identiteit zouden kunnen noemen. Zo ontkent hij kort en krachtig de
relevantie van het postmoderne label, omdat de centrale stelling dat
door de moderniteit veroorzaakte fragmentatie heeft geleid tot een
nieuwe tijdperk van sociale ontwikkeling, wordt tegengesproken door de
'laat moderne' situatie waarin de mensheid in bepaalde opzichten een
'eenheid' is geworden, die tegenover problemen (bijvoorbeeld met
betrekking tot het milieu) en kansen staat zonder dat 'Anderen' kunnen
gedefinieerd worden, en waarin morele onderwerpen opnieuw prominent
aanwezig zijn op de politieke agenda (1991: 27,223-234). De
risicomaatschappij daarentegen reflecteert Giddens' eigen notie van
'reflexiviteit', die aangeeft dat voortdurend moet worden nagedacht
over, en gekozen tussen 'een eindeloze reeks van mogelijke acties (met
hun bijhorende risico's)' zonder veel houvast 'given that the
signposts established by tradition now are blank.' (1991:
28-29,80,82) Het verdwijnen van tradities en gewoonten als ankerpunten
verbindt Giddens dan weer met het fenomeen van de mondialisering,
waardoor de 'ontbedding' van tijd-ruimte relaties 'self'
en 'society' verbindt in een globale context (1991:
32). De informatie- of
kennismaatschappij tenslotte verwijst naar de noodzaak '[for]
the individual [to] integrate
information deriving from a diversity of mediated experiences with
local involvements in such a way as to connect future projects with
past experiences in a reasonably coherent fashion.' (1991:
215)
Kortom,
identiteit en haar geconstrueerde, en dus problematische karakter staan
centraal in alle nieuwe typologieën. Maar een ander opvallend
gemeenschappelijk kenmerk van deze nieuwe typologieën is hun
internationale setting. Daarbij moet men blijkbaar veronderstellen dat
het nationale geen belang meer heeft, geen positieve bijdrage kan
leveren, geen overweging meer hoeft. Wij geloven niet dat dit een juist
uitgangspunt is. Belangrijker, het wordt ontkend door die andere reeks buzzwoorden
als 'de crisis van de democratie', 'de verzuring', 'de kloof tussen de
burger en de politiek' en het daarbij horende problematische karakter
van 'het burgerschap'. Deze laatste reeks heeft als
gemeenschappelijkheid het ter discussie stellen van de relatie tussen
het individu en het collectieve. Tot nader orde staat dat collectieve
niet gelijk aan een Europese of kosmopolitische gemeenschap, maar moet
het nog steeds beschouwd worden op het statelijke niveau dat in het
verleden werd 'gekozen' om vorm te geven aan die relatie. Met andere
woorden, de nieuwe typologieën bevestigen vooral de perceptie dat we in
een tijdsgewricht leven. In die zin behoren zij ook tot de ruimere
context van het (Vlaamse) debat over inburgeringsplicht, omdat ze
wijzen op veranderende omstandigheden, waarin zekerheden op losse
schroeven komen te staan. Met andere woorden, de perceptie dat we in
een tijdsgewricht leven, mag dan wel een staatsoverschrijdend fenomeen
zijn; om tot een oplossing te komen van dit algemene probleem op
politiek vlak, is een vertaling nodig naar zijn verschijningsvorm(en)
in nationale contexten.
|
|
2.4
Visies op de multiculturele democratie
Het
onderzoek naar de manieren waarop transitie tot stand komt en vooral de
wijzen waarop daarmee wordt omgegaan, heeft intussen geleid tot een
omvangrijke literatuur, waarvan het niet mogelijk is hier een
exhaustief overzicht te geven. We hebben er dan ook voor gekozen
argumenten te selecteren die relevant zijn voor ons uitgangspunt,
namelijk de functionaliteit van identiteit. In samenvatting kan alvast
vermeld worden dat de perceptie van de 'democratie in crisis' algemeen
is. Zoals Godfried Geudens het stelt: 'Wanneer er vandaag over 'de
democratie' gesproken wordt, wordt vaak in één adem het woord 'crisis'
genoemd. Over de juiste feitelijke omvang en draagwijdte van die crisis
kan men dan twijfelen, maar dat er 'iets' aan de hand is lijkt wel
duidelijk.' (2000: 15). Uiteraard heeft dit te maken met de grote
structurele en culturele veranderingen in de Westerse landen (en van
daaruit de hele wereld), die ook de vormen van machtsuitoefening
grondig hebben gewijzigd. (Van Den Brande 1997: 11-41). Maar wel valt
op dat (bijna) alle hedendaagse auteurs de verbinding maken tussen de
factoren identiteit, burgerschap en de multiculturele samenleving.
Concreter
kan gesteld worden dat nationale identiteit lang beschouwd is als één
van de pijlers van burgerschap, wat Rogers Brubaker heeft doen
besluiten dat burgerschap 'a
last bastion of sovereignty' is voor de
zogeheten natiestaten in de Europese Unie (1992: 180). Het is dan ook
niet te verwonderen dat de door migratie noodzakelijk gemaakte
herdefiniëring van burgerschap heeft geleid tot een herbevragen van het
gehele politieke kader, in het bijzonder van de relatie tussen staat en
'natie'.
In
essentie ligt de sterkte van het concept 'natiestaat' in het laten
samenvloeien van culturele en politieke identiteiten: elk individu
behoort tot de natie (cultureel); de natie is de basis van, en
legitimeert daardoor de staat (politiek). Volgens deze ideologie is het
burgerschap dan ook niet problematisch: het is een 'natuurlijke'
verworvenheid op basis van deze tweevoudig gefundeerde identiteit. Dat
deze redenering op feitelijk onjuiste veronderstellingen berust(te), is
evident - maar kan hier niet worden uitgediept. Duidelijk is wel dat
door een veranderende bevolkingssamenstelling, vanwege migratie en dus
nieuwkomers, niet alleen de natie maar ook de staat worden beroerd:
omdat men niet meer kan uitgaan van de fictie van een
gemeenschappelijke culturele identiteit, tast dit ook de legitimering
van de staat aan.
Kortom,
de 'nieuwe' situatie creëert (alweer) een 'kloof' - ditmaal tussen
natie en staat, of tussen identiteit en politiek. Van beide wordt
algemeen erkend dat ze constructies zijn, maar ze behoren 'ineens' tot
een andere soort: identiteit wordt bijna exclusief verbonden met
cultuur; burgerschap wordt het nieuwe kernbegrip voor de politiek -
waarbij wel wordt begrepen dat dit - vanwege het legitimiteitsprobleem
- toch weer over sociale cohesie gaat. De combinatie van beide is niet
evident, omdat een verhoogde nadruk op culturele identiteit eventueel
de identificatie met de staat bemoeilijkt (cf. Valadez, 2001: 20). Een
belangrijke vraag over de democratische verwarring en de aard van de
transitie wordt dus de vraag over hoe, in de nieuwe multiculturele
context, identiteit en politiek zich zullen (moeten) verhouden tot
elkaar.
De
literatuur over multiculturalisme is intussen zeer uitgebreid, maar men
kan toch stellen dat conceptueel slechts drie (hoofd)wegen worden
bewandeld, die kunnen worden samengevat als respectievelijk
assimilatie, privatisering en compromis.
Over de eerste aangeduide weg, die van
de assimilatie, die Michael Walzer (1983, 1985) communitarianisme
noemt, kunnen we relatief kort zijn: wat hier wordt
voorgesteld, is een alternatief samenvallen van identiteit en politiek,
in de zin dat het communitarianisme beklemtoont dat een goed
georganiseerde samenleving moet begrepen worden als een constructie
tussen mensen die bepaalde fundamentele waarden en normen met elkaar delen.
Voor alle duidelijkheid, de wenselijkheid van assimilatie wordt in deze
optiek inderdaad wel toegepast op nieuwkomers en minderheden, maar even
goed op de meerderheid, van wie het vastgestelde morele pluralisme het
eigenlijke vertrekpunt is voor dit radicaal herdenken van de
mogelijkheden tot sociale cohesie. Collectieve identiteit wordt hier de
fundamentele basis van de gehele samenleving, met inbegrip van de
politiek, of preciezer, het communitarianisme geeft identiteit een
alomvattende én een positieve functionaliteit. Vanuit een ander opzicht
zou men echter kunnen stellen dat dit de voorstelling is van het
ultieme draaiboek: een bepaalde gemeenschappelijkheid leidt tot een
harmonieuze samenleving. Daarbij wordt echter blijkbaar geen aandacht
besteed aan wat moet 'opgeofferd' worden (zoals individuele keuze en
flexibele identiteitsconstructie) om tot zo een gemeenschappelijkheid
te komen. Bovendien, wie bepaalt de pijlers van de constructie - en dus
automatisch wie al dan niet 'behoort tot'? Kortom, deze benadering
lijkt een aantal fundamentele vragen uit de weg te gaan - terwijl hun
antwoorden precies essentieel zijn voor burgerschap in een samenleving
van transitie.
De tweede
'wandeling' hoeft ook niet lang te duren: de suggestie van
privatisering is even radicaal als die van de assimilatie, maar dan wel
in omgekeerde richting. Hier worden identiteit en politiek niet in een
andere samensmelting gedrongen; zij worden juist nog verder uit elkaar
getrokken. Met name wordt hier voorgestaan dat identiteit moet worden
teruggedrongen in de private sfeer. Expliciet wordt enige vorm van
sociale identitaire functionaliteit ontkend; impliciet luidt het
argument eerder dat identiteit voorbij het individuele enkel negatief
kan werken, en dit moet vermeden worden door middel van een radicale
containment policy. In feite wordt deze weg meestal slechts
opgetekend op de conceptuele kaart, om aan te tonen dat hij
'onbewandelbaar' is: de aanwezigheid van nieuwkomers en
minderheidsgroepen maakt meteen duidelijk dat identiteit wel degelijk
een invloed heeft op de (publieke) realiteit. Vaker wordt de vraag
'[i]n welke zin onze identiteit in het openbaar van
belang [moet] zijn' (Gutmann, 1995: 18), gebruikt om aan te tonen dat
de 'andere kant' van die realiteit, namelijk de publieke ruimte, ook
niet vrij is van identitaire trekjes.
Verschillende
auteurs hebben op het niet-neutrale karakter van de staat gewezen. De
specifiek linguistische implicaties daarvan komen later aan bod. Hier
is het interessant even stil te staan bij de analyse van Will Kymlicka,
niet alleen omdat hij 'the myth of the ethnocultural
neutrality of the state' (2001: 4; zie ook hfdst. 1.) plaatst
in zijn historische context, maar ook omdat hij hierdoor een andere
mythe uit de wereld probeert te helpen, namelijk dat multiculturele
beleidsmaatregelen zouden leiden tot (minderheids)separatisme. Door het
'politieke geheugen' van de door de staat gestuurde
natievormingsprocessen in te schakelen, kan hij o.i. overtuigend
argumenteren, ten eerste, dat die processen nog steeds werkzaam zijn
(zij het in een andere vorm) en, ten tweede, dat zij zulke
krachtinspanning vragen - institutioneel, financieel, enz., dat zij in
de huidige omstandigheden buiten het bereik van nieuwkomers of
minderheden liggen. Aan de ene kant beklemtoont hij dat de grote
meerderheid van autochtonen niet per definitie gekant zijn tegen
multiculturele maatregelen, maar dat zij behoefte hebben aan de
begrenzing daarvan, dat is, dat de perceptie van bedreiging voorkomt
uit onduidelijkheid en onzekerheid (2001: 8). Hier lijkt dus een
duidelijke taak weggelegd voor onder meer politici: interculturele
communicatie is pas mogelijk als de 'interne' communicatie niet meteen
een 'stabiele' identiteit verschaft, maar wel een 'veilige context'
(cf. Gutmann, supra) creëert waarbinnen
flexibiliteit verkend kan worden.
Aan de
andere kant stellen Kymlicka en Norman vast dat 'migranten' in het
algemeen vragen om maatregelen die hun in staat zullen stellen op een
volwaardige manier deel te nemen aan de samenleving en zich in te
schakelen in de 'mainstream' instellingen (2000:
18). Door de 'beide' zijden van het politieke spectrum expliciet in
beeld te brengen komen zij bovendien tot een algemenere analyse die
demonstreert waaruit de complexiteit van democratie in transitie
bestaat:
the
health and stability of modern democracy depends, not only on the
justice of its institutions, but also on the qualities and attitudes of
its citizens: e.g. their sense of identity, and how they view
potentially competing forms of national, regional ethnic or religious
identities; their ability to tolerate and work together with others who
are different from themselves; their desire to participate in the
political process in order to promote the public good and hold
political authorities accountable; their willingness to show
self-restraint and exercise personal responsibility in their economic
demands, and in personal choices that affect their health and the
environment; and their sense of justice and commitment to a fair
distribution of resources. (2000: 6)
Het mag
duidelijk zijn dat Kymlicka en Norman de derde weg bewandelen, waarbij
gezocht wordt naar een nieuwsoortige verhouding tussen identiteit en
politiek - via een nieuwe definitie van burgerschap. Zij staan met deze
houding uiteraard niet alleen. De voorstanders
van het compromis zijn echter verder op te
splitsen, enerzijds in auteurs die groepsidentiteiten en hun onderlinge
verhoudingen centraal stellen binnen het meer algemene kader van de
verhouding tussen cultuur en politiek, en anderzijds auteurs die het
anti-essentialisme radicaliseren tot een pleidooi voor hybriditeit en
dus het uitsluitend aanvaarden van (flexibele) individuele
identiteiten.
Tot deze
laatsten behoort bv. Alfred Stepan die stelt dat de meeste literatuur
geconcentreerd blijft op 'primordiale identiteiten' en daarbij (al dan
niet expliciet) de noodzaak beklemtoont van een keuze tussen exclusieve
identiteiten. Zijn eigen onderzoek echter legt de klemtoon elders: het
zijn nationalistische politici die polarisatie forceren; 'gewone'
mensen schijnen veelvoudige en complementaire identiteiten te verkiezen
(Stepan, 1998: 232). Het argument van Jan Blommaert en Jef Verschueren
verruimt deze categorieën: enerzijds wordt het debat niet enkel door
radicale politici gevoerd, maar ook - en vooral - binnen wat zij de
'tolerante meerderheid' noemen; anderzijds bestendigt dat debat de
polarisatie, precies omdat het diversiteit blijft bestempelen als 'het
probleem'. Daartegenover stellen zij 'werkelijke aanvaarding van
diversiteit' die niet alleen geldt als vertrekpunt voor 'gelijk welk
perspectief op de samenleving', maar waarbij die aanvaarding bovendien
radicaal wordt doorgetrokken tot haar locus niet
langer enige groepsvorm(ing) betreft, maar het individu - dat tot vele
verschillende types van zelden overlappende groepen tegelijkertijd kan
behoren (1998: 192). Misschien nog duidelijker stelt Stuart Hall dat
door politiek geproduceerd multiculturalisme onmogelijk is, precies
omdat de idee van een 'unified self' absurd
is:
The
fully unified, completed, secure and coherent identity is a fantasy.
Instead, as the systems of meaning and cultural representation
multiply, we are confronted by a bewildering, fleeting multiplicity of
possible identities, any one of which we could identify with - at least
temporarily. (Hall,
1992: 277)
Zeker in
het geval van Blommaert en Verschueren is het duidelijk dat dit soort
radicalisme zelfbewust bedoeld is om de consensus over het
'diversiteitsprobleem' te doorbreken. Deze kritische houding is
uiteraard lovenswaardig, maar werpt toch de vraag op hoe dit kan leiden
tot een daadwerkelijke verbetering van de levensomstandigheden (in de
ruimste zin van het woord) van de beoogde 'individuen'. Zoals Tariq
Modood het samenvat:
it
seems then that anti-essentialism is inherently destructive: no
politics, no society, not even coherent self, what promised to be an
emancipatory, progressive movement seems to make all political
mobilization, with its 'deconstruction' of the units of collective
agency (people minorities the oppressed etc.) rest on mythic and
dishonest units.
(2000: 178)
Met
andere woorden, de uiteindelijke doelstelling zou toch inderdaad 'agency'
moeten zijn, bewustwording en mobilisatie om mensen tot actie in staat
te stellen, en meestal gebeurt dat op collectieve basis. Blommaert en
Verschueren stellen zelf het niet-neutrale karakter van de staat aan de
kaak, precies omdat het een structureel overwicht geeft aan en in stand
houdt voor de meerderheid - toch ook een groepsomschrijving? Als
Blommaert en Verschueren bovendien culturele verschillen vergelijkbaar
stellen met gelijk welk ander samenlevingsstructurerend type van
verschil, waarbij ze zelf o.a. gender en klasse aanhalen (1998: 192),
mag toch wel duidelijk zijn dat deze laatste als basis van
discriminatie precies op een collectief niveau zijn en worden
bestreden. De arbeiders- of de feministische beweging mag dan nog op
een fictieve groepsidentiteit gebaseerd zijn; het valt toch moeilijk te
ontkennen dat die identiteit functioneel is (geweest) voor het
doorbreken (of minstens verruimen) van de collectieve meerderheid door
middel van 'agency'.
Het
bevorderen van dit laatste is het uitgangspunt van een waaier aan
argumenten ter verdediging van multiculturele beleidsmaatregelen.
Samengevat ijveren bv. Kymlicka en Norman (2000) voor (meer)
rechtvaardigheid, waarbij burgerschap als instrument wordt beschouwd
voor individuele vrijheid, sociale gelijkheid en politieke
participatie. Met betrekking tot identitaire functionaliteit is dan ook
de centrale vraag in welke mate een erkenning van identiteit kan
bijdragen tot een meer authentiek burgerschap, dat is, tot een
daadwerkelijk(er) behoren tot de maatschappij. Dat Kymlicka daarbij het
centrale punt samenvat als een keuze tussen marginaliserende of
emanciperende maatregelen (2001: 161), is o.i. een realistischere
inschatting van de mogelijke functionaliteit van identiteit voor
nieuwkomers en minderheden dan het hoger geschetste radicalisme. Zoals Jeremy Waldron het stelt, 'cultures
are not like hairdressers, set up in order to furnish individuals with
diverse and colourful identities.' (2000: 160). Kortom,
in het onderzoek naar de functionaliteit van cultuur - of identiteit,
moet men in het bijzonder op zoek naar hun maatschappelijke relevantie.
'Agency',
individueel én collectief, maakt ook deel uit van het centrale argument
van Charles Taylors 'politics of recognition', die
ook uitdrukkelijk de schade van niet-erkenning of negatieve erkenning
relevant maakt voor de context van ras- of genderdiscriminatie (1995:
43-44). De reden waarom Taylor zo sterk de nadruk legt op 'gepaste
erkenning' als 'levensbehoefte van de mens' (1995: 44), is dat hij
zelf-identificatie omschrijft als 'dialogisch': de 'talen' die we
daarvoor nodig hebben, leren we voornamelijk (gebruiken) door de
interactie met 'significante Anderen' (1995: 50). Het lijkt dan ook
niet zo buitenissig te veronderstellen dat voor nieuwkomers, die
'significante Anderen' de autochtonen zijn - en omgekeerd: precies
vanwege de aanwezigheid van 'significante Anderen' in 'hun'
samenleving, krijgen autochtonen iets aangereikt waardoor de 'taal'
waarmee ze zichzelf definiëren, verrijkt en veranderd wordt. Dit is een
essentieel dynamisch concept van identiteit, dat nog wordt versterkt
door Taylors specificatie dat:
[d]e
politiek van gelijkwaardigheid is gebaseerd op het idee dat alle mensen
het waard zijn gerespecteerd te worden en wordt geschraagd door een
vermoeden van datgene wat in mensen respect oproept, hoewel we ons
wellicht niet al te zeer moeten inlaten met deze 'metafysische'
achtergrond. [...] Wat er hier dus als waarde wordt uitgelicht is een universeel
menselijk potentieel, een vermogen dat alle mensen delen. Dit
vermogen, en niet wat de individuele mens hiervan heeft gerealiseerd,
geeft ieder mens de verzekering dat hij wordt gerespecteerd.
(1995: 58; originele klemtoon)
Kymlicka
en Norman hebben een verschuiving van 'vote-centric'
naar 'talk-centric' democratische theorie
vastgesteld. Toegepast op de multiculturele context, is hun conclusie
dan ook dat minderheden pas echt invloed zullen hebben in een
meerderheidssysteem, indien ze (kunnen) participeren in de processen
van deliberatie en opinievorming van publieke opinie, die het stemmen
voorafgaan (2000: 9). In meer algemene termen wordt interactie of het
tot stand brengen van wat Jeremy Waldron een 'deliberatieve relatie'
heeft genoemd (2000: 173), centraal gesteld in het
voortdurende proces van het realiseren van individueel en
groepsgebonden potentieel. In een politieke context heeft de realisatie
van dat potentieel in hoofdzaak betrekking op het actualiseren en
effectief maken van burgerschap. Dit zou niet alleen willen zeggen dat
'gepaste erkenning' van gelijkwaardigheid tussen de (mogelijks steeds
wisselende) gesprekspartners een basisvoorwaarde vormt voor het slagen
van het multiculturalistisch project; het kan ook een mogelijke
'strategie' betekenen in het overkomen van een algemeen ervaren
frustratie met het formele of procedurele burgerschap. In deze optiek
zou het, althans theoretisch, mogelijk zijn de aanwezigheid van
'Anderen' te beschouwen als een kans - een kans
tot daadwerkelijke vernieuwing van onze democratie. Zoals hieronder
blijkt, wordt echter het debat over inburgeringsplicht vooral gevoerd
in de terminologie van een probleem.
|
3 Inburgeringsplicht: de carrière van een
concept
In de meeste West-Europese landen heeft men pas
heel laat een coherent migrantenbeleid willen ontwikkelen. De
gastarbeiders – zo dacht men – waren hier maar voor een korte periode,
namelijk zolang tot het tekort aan eigen werkkrachten op de
arbeidsmarkt zou verdwijnen. Door de verslechterende economische
situatie in de jaren ’70 en door de tendens tot familievereniging van
de hier gevestigde migranten, werd steeds duidelijker dat de terugkeer
een illusie werd. Vanuit die optiek kwam men in elk West-Europees land
met een politiek beleid gericht op de migranten en hun nakomelingen op
de proppen. Een oppervlakkige blik op de verschillende Europese landen
leert ons dat er grote verschillen bestaan in de aanpak van etnische en
culturele minderheden, in de omgang met andere culturen en in de
houding ten aanzien van politieke participatie. Overal ging men er wel
van uit dat de emancipatie van de migrantengemeenschappen noodzakelijk
was om de sociaal-economische achterstand van deze groepen weg te
werken. Deze politiek van integratie – welk model ze ook volgde – heeft
echter weinig of geen vruchten afgeworpen.
De integratie van migranten werd in bijna heel
Europa een zwaar beladen politiek thema sinds het einde van de jaren
’80. Overal merkte men dat extreem-rechtse partijen deze thematiek
uitbuitten om een (vernieuwd) nationalistisch politiek programma op te
stellen. Tegen deze opmars van extreem-rechts poneerden de
verschillende Europese landen de doelstelling van een multiculturele
maatschappij, gebaseerd op de democratische beginselen van een
rechtsstaat en een harmonieuze samenleving gebaseerd op het
(levensbeschouwelijke) pluralisme. Sinds
het begin van de jaren ’90 ziet men dan ook overal doorheen Europa het
migrantenthema de toetssteen bij uitstek worden van het welslagen van
de multiculturele maatschappij.
Het migrantenbeleid heeft verschillende
invullingen gekend gedurende de laatste twee decennia. Steeds weer
veranderden de concepten en doelstellingen van het beleid. Eerst was er
sprake van integratie, dan weer van assimilatie, nog later van
inpassing en uiteindelijk, in de jaren ’90, van inburgering.
Deze laatste term, die pas de laatste jaren naar België is overgewaaid,
werd eerst in Nederland geïntroduceerd. Vandaar dat we hier even kort
het Nederlandse gebruik van de term willen verduidelijken. Vanaf het
begin van de jaren ’80 ging men er in Nederland vanuit dat de
integratie van culturele minderheden moest gebeuren met respect voor de
culturele identiteit van de migranten. Het beleid trachtte enerzijds de
condities te scheppen voor de emancipatie van de minderheden (op de
arbeidsmarkt, in het onderwijs, in het huisvestingsbeleid,…) en
tegelijkertijd de ontwikkeling van de culturele identiteit te
stimuleren (subsidies voor onderwijs in de taal van herkomst, toelagen
voor het bouwen van scholen en/of plaatsen van eredienst,…). Het
einddoel was de emancipatie van alle aanwezige culturen in Nederland op
een zelfde manier na te streven (Loobuyck, 2000: 22). Betrekkelijk snel
stelde men echter vast dat deze politiek niet werkte. De
migrantengemeenschappen bleven op sociaal-economisch vlak in de meeste
gevallen gemarginaliseerd en in termen van het samenleven tussen
gemeenschappen stelde men vast dat het eerder een gescheiden ‘naast
mekaar’ leven was. Daarenboven maakten de beleidsinstanties
(voornamelijk onder druk van de politieke retoriek van extreem-rechts)
zich steeds meer zorgen over de groei van criminaliteit van allochtone
groepen alsook over de verspreiding van het fundamentalistische
gedachtegoed (voornamelijk bij moslims). Het failliet van deze eerste
integratieaanpak vroeg om nieuwe inzichten. Vanaf het begin van de
jaren ’90 gooide de Nederlandse overheid het over een andere boeg. Het
culturele en sociaal-economische beleid ten aanzien van allochtonen zou
losgekoppeld worden. Daarom sprak men in beleidstermen niet meer over
‘culturele minderheden’ maar over ‘etnische minderheden’.
Zoals elders in Europa leidde dit eerste falen
tot vaak verhitte politieke, intellectuele en wetenschappelijke
debatten. Het integratiebeleid had volgens verschillende regeringen en
aangestelde commissies gefaald omdat (a) de meeste allochtonen nog
steeds geen goed Nederlands kenden en (b) de meeste allochtonen nog
teveel de eigen groepsidentiteit benadrukten. Daardoor werd de
integratie en voornamelijk de tewerkstelling van de allochtoon
bemoeilijkt. Anderen vonden dan weer dat, omgekeerd, de culturele
verschillen net de achterstelling in de hand hadden gewerkt omdat het
beleid geen rekening hield met de verschillende betekenissen van
bepaalde politieke concepten die gehanteerd werden in het beleid ten
aanzien van de allochtonen (Pinto & Van Ree, geciteerd in
Loobuyck 2000).
Bij de vorming van de eerste paarse
coalitieregering in 1994 werd een nieuwe aanpak van de
problematiek voorgesteld. Men stapte over van een ‘Minderhedenbeleid’
naar een ‘Integratiebeleid’. De verschuiving in terminologie betekende
eveneens een verschuiving in inhoud. De eerste achterliggende idee was
dat de doelstelling van een multiculturele maatschappij een algemene
aanpak nodig had. Niet enkel de minderheden moesten daarbij betrokken
worden maar de hele maatschappij. Ten tweede, ging men ervan uit, dat
het hele ideaal van de verzorgingsstaat teveel het burgerschap passief
benaderde. Autochtonen en allochtonen moesten ook ‘iets doen’ om hun
burgerschap in te vullen. Het is binnen dit kader dat de thematiek van
inburgering past.
De paarse regeringscoalitie haalde het idee van
inburgeringscontracten uit een rapport van de Nederlandse onderzoekers
Entzinger en Van der Zwan (1994). Zij hadden in het rapport “Beleidsopvolging
minderhedendebat” een geïntegreerde aanpak van de migratie
voorgesteld die voornamelijk gericht was op het bieden van
emancipatiemogelijkheden aan nieuwkomers om beter en efficiënter te
kunnen functioneren binnen de Nederlandse maatschappij. Ze stelden een
beleid voor dat de tewerkstelling van migranten zou bevorderen via een
concessiestelsel, een inburgeringprogramma dat de migranten mondiger
moest maken en een grootstedelijk beleid dat de concentratie van grote
groepen migranten een halt moest toeroepen. De overheid heeft
voornamelijk werk gemaakt van het tweede luik, namelijk de inburgering.
Het regeerakkoord van 1994 voorzag in de organisatie van een wettelijk
kader voor deze contracten. Op 15 mei 1995 bereikte Binnenlandse Zaken
een overeenkomst met de gemeenten over de inburgeringscontracten opdat
deze vanaf 1 januari 1996 in werking konden treden (Loobuyck, 2000:
25). De regering werkte verder aan de wettelijke omkadering van deze
politiek en de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) werd van kracht vanaf
30 september 1998 waardoor enerzijds de gemeenten verplicht werden de
nieuwkomers een inburgeringprogramma voor te stellen op basis van een
individueel onderzoek, en anderzijds de nieuwkomers verplichtte zich
beschikbaar te stellen voor het volgen van een programma. Bij onwil of
verzuim van de nieuwkomer kan de overheid sancties opleggen zoals het
inhouden van een deel van uitkering of een boete. De nadruk van deze
programma’s ligt op het aanleren van de Nederlandse taal, de opname van
de burger in de maatschappij en de integratie op de arbeidsmarkt
(Loobuyck, 2000: 26). Uiterlijk 12 maanden na het begin van het
programma moet de nieuwkomer een toets afleggen over de Nederlandse
taal en de maatschappelijke integratie. Daardoor denkt men dat de
nieuwkomer veel sneller op eigen benen zal kunnen staan en beter in de
multiculturele maatschappij zal kunnen functioneren.
Vanuit deze Nederlandse ervaring, werd het
begrip inburgering in Vlaanderen geïntroduceerd. Verwijzing naar
inburgering vindt men reeds terug in Verhofstadts
Burgermanifesten van 1992. Daarin stelde hij dat de migranten
– maar hij bedoelde in de eerste plaats de moslims – zich zo snel
mogelijk de essentiële waarden van onze democratische maatschappij
moesten eigen maken wilden ze zich hier vestigen. In de
burgermanifesten is de kwestie van inburgering niet zozeer een
onderdeel van een voorstel tot migrantenbeleid. Het gaat hem eerder om
een eis tot assimilatie van de Andere in ons politiek bestel. Naar
aanleiding van verschillende probleemdossiers aangaande migranten,
heeft de VLD steeds het voortouw genomen in het debat rond
inburgeringscontracten.
Los van de retoriek van de VLD hadden
verschillende Vlaamse maatschappelijke organisaties
inburgeringprogramma’s opgestart. Zowel in Gent (Kom-Pas) als in
Antwerpen (Project Integratie Nieuwkomers Antwerpen) werden in de
tweede helft van de jaren ’90 verschillende projecten van
trajectbegeleiding voor nieuwe migranten georganiseerd waarbij de
nadruk vooral lag op het aanleren van de Nederlandse taal en het
wegwijs maken van de nieuwkomer in de politieke en sociale structuren
van de overheid. Bilzen was de eerste Vlaamse gemeente waar deze
contracten zelf verplicht werden.[1]
Nieuwkomers werden verplicht zo een programma te volgen alvorens zich
te kunnen inschrijven in het bevolkingsregister – niettegenstaande het
feit dat deze verplichting in strijd is met het basisprincipe van
'vrije vestiging' (Loobuyck, 2000).
De term inburgering werd voor het eerst in een
overheidsdocument gebruikt in het Vlaamse regeerakkoord van 1999:
Nieuwkomers
in onze samenleving en alle allochtonen die hier een tijd verblijven,
moeten optimaal deelnemen aan de samenleving. Dat houdt in dat ze onze
taal leren, kennis maken met onze democratische waarden en zich op de
arbeidsmarkt integreren. Daarvoor is voldoende aanbod nodig. Er wordt
een systeem van inburgering opgezet, met respect voor de eigenheid van
de allochtone medeburger. (geciteerd
in Loobuyck, 2000: 28)
Het was voornamelijk de VLD die de agenda
inzake inburgering verder wilde zetten. In een uitzending van De
Zevende Dag (VRT: 19.12.99) stelde VLD-voorzitter Karel De
Gucht dat er zo snel mogelijk inburgeringscontracten moesten komen
waarin nieuwkomers en migranten die minder dan 5 jaar in ons land
verbleven verplicht zouden worden onze taal te leren alsook een
algemene maatschappelijke oriëntatie. De inburgering zou verplicht
worden, zo stelde De Gucht verder, en de sanctie voor onwillenden zou
een inhouding van het stempelgeld of de OCMW-uitkering zijn. Met deze
uitspraak nestelde de kwestie van de inburgering zich definitief in de
Vlaamse politieke debatten.
Hierna willen we dan ook een beschrijving geven
van wat de positie is van de Vlaamse partijen en het gevoerde beleid
aangaande het dossier en voornamelijk ook een analyse maken van hun
standpunten in het licht van onze vraagstelling, namelijk: wat betekent
het standpunt over inburgering in relatie tot de eigen identiteit en de
invulling van de multiculturele democratische maatschappij?
|
|
4
Inburgering volgens de Vlaamse politieke partijen:
beleid,
debat en analyse
Tegen het einde van de vorige legislatuur legde
de Vlaamse regering, geleid door de CVP, de eerste stenen van een
specifiek onthaalbeleid voor nieuwkomers. De nieuwe Vlaamse regering
ging, onder impuls van de VLD, een stap verder. In een
Afsprakennota aangaande het inburgeringsbeleid (21 juni 2000)
werden de belangrijkste krijtlijnen van het beleid samengevat.
Specifiek besliste de regering om te kiezen voor de term inburgering en
inburgeringsbeleid dat op basis van drie pistes zou ontwikkeld worden,
namelijk (1) het leren van de taal, (2) de kennismaking met ‘onze’
democratische waarden met inbegrip van de culturele component en (3) de
integratie op de arbeidsmarkt (ICEM, 2000). Dit beleid zou in eerste
instantie toegespitst worden op de nieuwkomers, maar zou ook
toegankelijk moeten zijn voor de migranten die hier reeds geruime tijd
wonen. Het einddoel is de zelfredzaamheid van de migrant te verzekeren
op professioneel, educatief en sociaal gebied. De contouren van dit
beleid sluiten nauw aan bij het standpunt van het VLD-partijbestuur dat
de mosterd in Nederland haalde:
Het
begrip inburgering wordt er als een ontwikkelingsproces aangeduid dat
leidt tot daadwerkelijke participatie in de samenleving die men heeft
aanvaard en waarin men zijn weg vindt. De kennis van de taal wordt
hierbij als een belangrijk kenmerk van inburgering beschouwd.
(VLD-partijbestuur,
20.12.1999).
Over deze algemene uitgangspunten bestaat er
consensus tussen de meeste politieke partijen. Wat de concrete
implementatie betreft, zijn er echter afwijkende politieke houdingen.
Het voorstel van de VLD om de inburgeringsprogramma’s verplichtend te
maken – en zelfs sancties voor onwillenden voor te stellen – stuitte op
weerstand bij de regeringspartners SPa en Agalev alsook de
oppositiepartij CD&V. Zowel SPa als Agalev vinden het ongepast
de nieuwkomers te verplichten zolang het aanbod van de gemeenten te
klein blijft (aangezien er enorme wachtlijsten bestaan) en zolang er
duidelijke discriminatie bestaat op de arbeidsmarkt. De nadruk bij deze
twee partijen ligt dan ook niet zozeer bij het ‘opleggen van een
contract’ aan nieuwkomers, maar wel bij het uitbouwen van een reëel
gelijke kansenbeleid.
De inburgering van nieuwkomers is voor beide
partijen slechts één onderdeel van de politiek van gelijke kansen en
emancipatie. Zowel SPa (De Standaard, 29.03.2001) en
Agalev maken daardoor – voor een deel onbewust – een onderscheid tussen
het formele burgerschap met zijn nadruk op het rechten- en
plichtendiscours enerzijds en het materiële burgerschap dat
voornamelijk verwijst naar de concrete ongelijke levensomstandigheden
van bepaalde minderheidsgroepen (Foblets & Hubeau 1997: 27).
Binnen het kader van de emancipatie van etnische en culturele
minderheden, voorzien Agalev (20.04.2002) en SPa dan ook een aantal
andere maatregelen die de daadwerkelijke participatie van allochtonen
moet bevorderen zoals het migrantenstemrecht of directe maatregelen
tegen discriminerende werkgevers. De SPa gaat ervan uit dat het
stemrecht op lokaal niveau voor migranten – los van de nationaliteit –
een belangrijk mechanisme van emancipatie kan teweeg brengen, waardoor
migranten daadwerkelijk participeren binnen de samenleving en zo de
facto medeburgers worden. De N-VA van Geert Bourgeois
(17.12.2001) volgt bijna dezelfde denkwijze; alleen stelt zij voor dat
vooraleer het stemrecht er komt, een nieuwkomer zijn integratiewil moet
tonen door het volgen van een inburgeringscontract. De VLD, zoals we
reeds zagen, blijft voornamelijk de nadruk leggen op de integratiewil
van de nieuwkomers. De VLD is geen voorstander van een specifiek beleid
naar werkgevers toe. Aangezien de nieuwkomers via een
inburgeringscontract klaar worden gestoomd om functioneel in de
maatschappij te leven, moeten zij zich ook kunnen aanpassen aan de
marktmechanismen. De VLD blijft dus weinig oog hebben voor mechanismen
van sociale uitsluiting en marginalisatie.
De CD&V is de enige partij die de term
'inburgering' verwerpt. De CD&V kiest voor 'onthaalbeleid'
omdat ze dit minder agressief vindt, meer uitnodigend en ervan uit gaat
dat de nieuwkomer respect heeft voor de lokale cultuur i.p.v. de indruk
te wekken dat het gaat om ‘mindere burgers’ zou gaan. Ook voor de
CD&V krijgen de nieuwkomers voorrang maar moet het ook mogelijk
zijn voor migranten die hier reeds lange tijd verblijven, zich in te
schrijven voor een onthaalprogramma. Spirit claimt te ijveren voor een
multiculturele maatschappij waarin inburgering een wederzijdse dynamiek
(tussen allochtonen en autochtonen) veronderstelt:
Onze
samenleving moet afstappen van de idee dat nieuwkomers of vreemdelingen
hun cultuur moeten opgeven om zich volledig te assimileren met onze
cultuur en gewoontes. Wij pleiten voor inburgering met een wederzijdse
dynamiek. Nieuwe elementen kunnen onze cultuur bestuiven. Positieve
actie op de arbeidsmarkt, een aanbod aan initiatieven om Nederlands te
leren, het activeren van gemeentelijke, politieke en culturele
participatie moeten nieuwkomers alle kansen bieden in een voor hen nog
vreemde culturele omgeving.
(29.01.2001).
Het Vlaams Blok, tenslotte, wil dat
inburgeringscontracten bekostigd worden door de migranten zelf. De
Vlaamse-Belgische overheid moet daar geen geld insteken. Op het einde
van zo’n contract zou de migrant niet alleen de streektaal moeten
kunnen maar ook een loyaliteitsverklaring afleggen. De nieuwkomer moet
eveneens de Vlaamse (Belgische?) geschiedenis leren, de politieke
instellingen,… Zij die niet ‘loyaal’ aan Vlaanderen zijn (wat betekent
dit concreet?) moeten teruggestuurd worden en tegelijkertijd moeten de
migratiestop en de naturalisatiewetgeving worden versterkt.
Alle politieke partijen – met uitzondering van
het Vlaams Blok – stellen dus de harmonieuze multiculturele democratie
als einddoel voor, ongeacht hun verschillende politieke opties om dit
te bereiken. Wat voornamelijk opvalt in dit debat, is dat geen enkele
partij echt duidelijk definieert wat zij met multiculturalisme bedoelt.
Het gebrek aan een duidelijke inhoud van deze universeel abstracte term
zorgt ervoor dat elke politieke actor het tracht te vertalen naar een
‘typische inhoud’ die het abstracte karakter ervan moet verduidelijken.
Dit is wat Slavoj Zizek bedoelt met de “typificerende inhoud” (typifying
content), namelijk 'the element of phantasy, of the
phantasmic background/support of the universal ideological notion.
(…) [It] is by no means
an insignificant illustration or exemplification' (Zizek,
1997: 29). Het is juist
op het niveau van de ‘vertaalde term’, de ‘typische inhoud’ dat de
ideologische gevechten zich afspelen. Zo wordt (onder meer) een
'typische inhoud' geconstrueerd met betrekking tot de zogeheten
problematiek van de islam (Zemni, 2002). Bovendien wordt
multiculturalisme niet meer besproken in haar universeel en abstract
kader, maar enkel in de termen van 'integratie' en 'inburgering'.
Binnen de
‘typische inhouden’ van deze ideologische conflicten, is het taalaspect
misschien wel de meest duidelijke gemene deler: taal wordt (vaak
impliciet) beschouwd als een minimum vereiste bij het overwegen van de
mogelijkheden van ‘integratie’ en ‘inburgering’. Wat echter vaak uit
het oog wordt verloren, is dat het ‘taalaspect’ van dit debat
tweevoudig is: enerzijds is er de concrete vraag of men de 'Andere' het
aanleren van de 'gasttaal' kan opleggen; anderzijds is er de eerder
symbolische benadering die 'taal' in haar ruimere betekenis beschouwt:
als 'instrument'
voor (zelf)identificatie, voor interactie en voor het realiseren van
een burgerschappotentieel. In het kader van die laatste benadering
leggen de meeste 'multiculturele' auteurs de nadruk op de positieve
functie van taal, waarbij sommigen zover gaan dat ze haar beschrijven
als een onderdeel van de 'seculiere godsdienst', het bindweefsel van de
maatschappij omdat ze interne cohesie en nationale identiteit promoot
(cf. Fishman, 1989). Ook Giddens' conclusie (supra)
dat identiteitsvorming niet zozeer te maken heeft met biografische
continuïteit, dan wel met de continuïteit van
communicatie(mogelijkheden), zou suggereren dat het aanleren van de
'officiële' taal een redelijke eis is in een multiculturele samenleving.
Binnen
deze eerder symbolische benadering van taal bestaat er nochtans een
belangrijke tegenstroming die de nadruk legt op haar hegemonische en
dus, in multiculturele termen, negatieve structurering van de
werkelijkheid. Expliciet of impliciet gaat deze stroming terug op de
gekende stelling van Noam Chomsky dat 'questions of language
are basically questions of power' (1979: 191), precies omdat
taal een belangrijke factor is in het bestendigen van machtsrelaties
tussen dominante en ondergeschikte groepen. De 'deconstructie' van die
impliciete machtsverhouding is o.m. de kern van het Critical
Language Pragmatism waarop Blommaert en Verschueren zich
steunen (1998); Carol Schmid illustreert het in haar comparatieve
studie over taal en cultureel pluralisme (2001); John Solomos (2001:
202) stelt de machtsfactor centraal wanneer hij als centrale vragen in
het multiculturele debat de volgende formuleert: 'Who is
constructing the categories and defining the boundaries? Who is resisting these constructions and
definitions? What are the consequences being written into
or out of particular categories?'.
Dit alles
lijken ons belangrijke kritische opmerkingen en vragen die inderdaad
voortdurend in rekening moeten worden gebracht. Maar men moet zich toch
ook afvragen waartoe ze leiden in de praktijk. Precies omdat hun
analyse over het Vlaamse debat gaat, verwijzen we naar het argument van
Blommaert en Verschueren. Om te beginnen stellen ze, met referentie
naar de antropologisch-linguistieke literatuur over interculturele
communicatie, dat taal niet homogeen is, maar een variabel instrument.
Dit verklaart waarom het leren van een taal niet automatisch leidt tot
het overnemen van de levensstijl, wereldbeeld, waarden of culturen van
haar native speakers. Dit lijkt logisch. Daaruit
lijkt ook de volgende stap in de redenering te volgen, namelijk dat het
aanleren van de taal van de gastsamenleving geen 'simpele,
noodzakelijke en voldoende voorwaarde' is voor de garantie van vlotte
communicatie tussen immigranten en autochtonen, laat staan voor het
overbruggen van raciaal-etnische, of socio-economische grenzen. Ook dit
lijkt logisch. Maar de volgende stap
ligt o.i. moeilijker: 'It is thus hard to avoid the conclusion
that positions are taken, underlying arguments being used at will, only
in view of the protection of the identity (or is it the power?) of the
majority and of (re)homogenizing society' (1998: 129-132).
Van twee
zaken één. Ofwel is taal homogeen, waardoor de verplichting tot haar
verwerving kan bijdragen/leiden tot de herhomogenisering van de
maatschappij - omdat daardoor de dominante waarden enz. zijn
doorgegeven. In dit geval kan die verplichting als offensief (tegen het
'andere' waardepatroon) worden beschouwd. Ofwel is taal niet homogeen
en worden de dominante waarden dus niet automatisch doorgegeven,
precies omdat ze niet ondubbelzinnig in de 'taalstructuur' vervat
zitten. Ook hier zou een taalverplichting offensief kunnen worden
opgevat, maar dan wel tegenover het autochtone waardepatroon en de
eigen machtspositie die door de inbreng van verdere taalvariabiliteit
zullen verwateren. Dit laatste zou men kunnen interpreteren als een
daad van waarachtig multiculturalisme of, volgens de definitie van de
auteurs, een radicale aanvaarding van diversiteit. Op basis van hun
algemeen betoog lijkt het echter onwaarschijnlijk dat we tot deze
conclusie zouden moeten komen. Met betrekking tot taal wordt alvast de
conclusie gesuggereerd dat de nieuwkomer niet kan 'winnen': het lijkt
alles of niets te moeten zijn. En aangezien 'alles' zo verwerpelijk is,
moet het dan maar 'niets' worden, niet eens de erkenning van de
mogelijkheden die vervat liggen in het aanleren van de gasttaal. Het is
natuurlijk juist te stellen dat taalverwerving op zichzelf niet
voldoende is om factoren als raciale of economische discriminatie uit
te schakelen; maar het enige alternatief, namelijk
het niet-verwerven van de gasttaal draagt nog veel
minder daartoe bij. Als het bovendien juist is, zoals hierboven werd
gesteld, dat democratische argumenten voor een vernieuwd burgerschap
zich steeds meer richten op het belang van interactieve communicatie,
dan is taal inderdaad geen voldoende, maar wel een noodzakelijke
voorwaarde. In de transitie naar een werkelijk multiculturele
samenleving lijkt het eveneens noodzakelijk kansen te erkennen voor wat
ze zijn: een potentieel dat moet gerealiseerd worden door mensen.
Kymlicka
en Norman hebben vastgesteld dat vele theoretische geschriften over
multiculturalisme geen rekening houden met hun mogelijke implicaties
wat betreft concrete beleidsmaatregelen. Onbarmhartig concluderen zij
dat vaak de volgende boodschap het sterkst klinkt: 'society
would be better if people in it were nicer and more thoughtful'
(1994: 369). In meer algemene termen zou men kunnen stellen dat het inhoudelijke debat over de multiculturele
democratische maatschappij vaak met weinig diepgang wordt gevoerd. Het
is echter ook belangrijk erop te wijzen dat dit, minstens ten dele, een
gevolg is van de structurele context waarbinnen dit het debat 'moet'
worden gevoerd. Slavoj Zizek omschrijft dit als de context van de
‘post-politiek’ namelijk de situatie waarin
the
conflict between the ideological world-visions, as embodied in
different parties that are in competition over the exercise of power,
is being replaced by the cooperation of enlightened technocrats
(economists, opinion polls…) and liberal multiculturalists that leads
to a compromise that is attained by way of negotiation and the watching
of interests, and is presented as a more or less universal consensus. (Zizek,
1998: 25)
Het hele debat van integratie en inburgering
wordt daardoor bijna afgedaan als een technische aangelegenheid. Het
goed opvangen en begeleiden van de migranten zou na verloop van tijd
uitmonden in een conflictloze maatschappij waarin éénieder zijn/haar
plaats vindt. In dat debat wordt de ‘Andere’ duidelijk geviseerd –
zelfs in de meest democratische termen – als de probleemfactor voor het
bereiken van een multiculturele maatschappij.
Los echter van wat de ‘Andere’ al dan niet
wordt opgelegd, wordt bovendien verzwegen wat we nu over onszelf denken
en in welke mate deze standpunten de essentie van de democratie raken.
De impliciete identiteitsdefinitie is nochtans duidelijk. Zo ijvert
bijvoorbeeld de VLD voor sancties voor onwillende allochtonen door het
stopzetten van de OCMW-uitkering of stempelvergoeding. Het weigeren van
een inburgeringsprogramma zou betekenen dat de allochtoon zich niet wil
integreren. Met andere woorden, door de verantwoordelijkheid voor het
al dan niet welslagen van de multiculturele maatschappij bij de
‘Andere’ te leggen (waarbij blijkbaar niets wordt verwacht van de
autochtonen), impliceert men dat ‘Wij’ automatisch multicultureel zijn
en de basiswaarden van pluralisme en tolerantie als heel normaal in ons
meedragen. Van allochtonen wordt verwacht dat zij kennis maken 'met
onze democratische waarden met inbegrip van de culturele component'
(ICEM 2000: 2). Dit zou erop wijzen dat de allochtoon per definitie die
eigenschap ontbeert terwijl ‘Wij’ juist deze waarden in onze ingebakken
identiteit bezitten. De 'Andere' moet het nog bewijzen; ‘Wij’ zijn
reeds democratisch.
Het feit dat ervan uitgegaan wordt dat wij met
zijn allen de democratische waarden bezitten, is gebaseerd op een
nefast werk van zelfcensuur dat we kunnen vaststellen in het
identiteitsdiscours op het Vlaamse (cf. Blommaert &
Verschueren, 1998), maar ook op het Belgische en het Europese niveau.
Op al deze niveaus gaat men ervan uit dat de waarden van de Verlichting
– die vandaag voornamelijk worden samengevat onder de termen
'democratie, mensenrechten en pluralisme' – een essentieel deel van
‘onze’ identiteit zijn. Zo worden de eindeloze godsdienstoorlogen,
pogroms, burgeroorlogen, de Endlösung, de
behandeling van zigeuners of de verschillende vormen van discriminatie
en racisme aanzien als niet meer dan ‘ongelukjes’ op de Europese gouden
geplaveide weg naar mensenrechten en democratie:
Europe
is above all a community of values. The aim of European
unification is to realize, test, develop and safeguard these values.
They are rooted in common legal principles acknowledging the freedom of
the individual and social responsibility. Fundamental European values
are based on tolerance, humanity and fraternity. Building on its
historical roots in classical antiquity and Christianity, Europe
further developed these values during the course of the Renaissance,
the Humanist movement, and the Enlightenment, which led in turn to the
development of democracy, the recognition of fundamental and human
rights, and the rule of law. (Europees
Charter)
Europese, Belgische en/of Vlaamse intolerantie
is dus geen onderdeel van ‘onze’ identiteit, cultuur of traditie. Door
het ontkennen van de aanwezigheid van racisme, intolerantie en
xenofobie in onze maatschappij, houden we ons een heel positief
zelfbeeld voor: het is altijd de ‘Andere’ die schuld treft. De
functionaliteit van zo een multiculturele identiteit die we onszelf
toeschrijven betekent dat de politieke actoren het thema politiek
kunnen gebruiken:
Similarly,
the multicultural ideology engages in the act of creating otherness in
order to reaffirm the myth of European tolerance. (…) The
notion of authenticity as expressed through group-identity is presented
as the ultimate freedom. This paradoxically means that tolerance can
lead to its opposite: i.e. the creation of incommensurable boundaries
between “Us” and “Them” (Finkielkraut). In the post-political context,
this also serves to generate and politicize the political distinctions
that drive mobilization—and that win votes—in an adversarial political
system. There is a potentially circular and self-fulfilling
relationship between the ideology as manifested in the practice and
exercise of public policy, and the processes that lead to an awareness
of cultural distinction as a problematic feature of the European social
landscape. (Zemni &
Parker, 2002)
Als dan de expliciete vraag wordt gesteld naar
de functionaliteit van dit soort impliciete identiteitsdefinitie, lijkt
het niet overdreven te stellen dat ze voornamelijk geruststellend
werkt: althans in het kader van het debat omtrent inburgeringsplicht is
er geen verwarring over het eigen democratische gehalte. Als we echter
een ruimer kader beschouwen, blijkt de verwarring heel wat groter te
zijn. Met name Kris Deschouwer heeft o.i. overtuigend geargumenteerd
dat de politieke elites zich onzeker voelen, onder meer vanwege het
wegvallen van de traditionele band tussen partijen en kiezers (1997: 9ff).
Met andere woorden, het gevoel van 'crisis in de democratie', waarvan
hoger sprake, is vertrokken van bovenaf – en is intussen 'doorgegeven'
naar bredere bevolkingsgroepen (onder meer via de nieuwe politieke
communicatie die centraal staat in de analyse van Jan Blommaert 2002).
Vandaar de initiatieven voor de zogeheten Nieuwe Politieke Cultuur, de
herverkaveling en de pogingen tot het tot stand brengen van een 'brede
volkspartij'. Met betrekking tot dit laatste heeft Deschouwer er al op
gewezen dat 'een toenemende wispelturigheid van de kiezers […] niet
zomaar kan beschouwd worden als een bedreiging voor de democratie. Er
zijn goede argumenten om te stellen dat precies het tegendeel waar is.'
(1997: 12) Anthony Birch geeft één van die argumenten,
waarbij hij bovendien wijst op het gevaar dat schuilt in de verdeling
van gemeenschappen volgens identitaire lijnen:
[R]epresentative
democracy can only work in a society with a body of floating voters
ready to change their partisan support in response to changing party
policies and political conditions. If the society is divided on ethnic
or religious or linguistic lines to such degree that membership of
these communal groupings determines partisan loyalties, then there is
likely to be no alteration of political power, no readiness to
compromise and no acceptance of majority rule by the minority.
(1989: 39-40)
Bovendien
is het reduceren van allerhande maatschappelijke problemen tot
identiteitsaangelegenheden nefast omdat daardoor de aandacht wordt
afgeleid van hun (vaak) socio-economische bases. Deze argumenten worden
duidelijk niet erkend door onze politieke elites die daarentegen
trachten (opnieuw) een (zo groot mogelijke) mate van zekerheid in het
politieke 'spel' te brengen. Dit suggereert dat er wel degelijk sprake
is van onzekerheid in de hoofden van (ten minste) onze elites. Ook het
argument van transparant, efficiënt en goed beleid – overgewaaid uit de
Angelsaksische literatuur omtrent ‘good governance’
– wijst hierop: de politici trekken zich (vanuit een gevoel van
onmacht?) terug en laten de technocratie de overhand nemen (cf. Crick,
1982: 93ff; Van den Bossche, 2001a: 43-44).
In deze
context heeft het debat omtrent inburgeringsplicht (en het
migrantenstemrecht) misschien wel een complementaire
functionaliteit: precies vanwege de impliciete
veronderstelling dat dit betrekking heeft op een makkelijk af te
bakenen 'blok' in de maatschappij, kan een 'niche' worden gevormd – mét
de connotaties van een 'warme, gezellige plek om te vertoeven'. Terwijl
in de 'grote boze wereld' daarbuiten onzekerheid heerst, met
onvermijdelijke aspecten als (identitaire) bedreiging, kan men zich bij
tijden als het ware terugplooien in een bufferzone waarin men zichzelf
en elkaar bemoedigende schouderklopjes kan geven. Om het minder
metaforisch uit te drukken: als de eigen identiteit onduidelijk is
geworden in de bredere context van de democratie, biedt het
inburgeringsdebat misschien wel bevestiging van zelf-identiteit en
zelf-legitimatie (cf. Barker, 2001) binnen het beperktere kader van het
multiculturele discours. Kortom, de beperktheid waartegen hierboven
werd ingegaan, zou wel eens het fundament kunnen uitmaken van de
'elitaire' functionaliteit van dit debat. Als dit correct zou zijn,
valt te vrezen voor de operationalisering van die andere
functionaliteit, namelijk het anders combineren van identiteit en
politiek ter bevordering van democratisch burgerschap en participatie.
Besluitend
kunnen we herhalen dat het hele debat rond inburgering niet zomaar een
‘technische’ kwestie van omgaan met migranten is. Het hele debat roept
essentiële vragen op over de werking van onze democratie (Wie is burger
en wie niet? Welke criteria kan men daar voor gebruiken?…).
Identiteiten zijn geenszins essenties die eigen zijn aan de ene of
andere groep maar moeten gezien worden als processen van onderhandeling
tussen het Zelf en de Andere waardoor er steeds mogelijkheden tot
conflict kunnen ontstaan. Tegelijkertijd echter is het volgens ons
juist ook mogelijk identiteiten als een positieve en opbouwende kracht
te zien in een multiculturele maatschappij. Het spreekt voor zichzelf
dat dit geen gemakkelijke opgave is zolang de ‘autochtonen’ vooral
bezig zijn met het afbakenen van de rechten en plichten van de Andere
ipv. zichzelf – en daardoor ook de aard van onze democratie en de
vormen van sociale cohesie die we willen opbouwen – eveneens in vraag
te stellen. De Andere overladen met de ‘verantwoordelijkheid’ om de
multiculturele maatschappij te doen slagen, is een nefaste manier om om
te gaan met de uitdagingen die de Westerse democratie in het begin van
dit millennium kent. De groeiende maatschappelijke fragmentering als
gevolg van de processen van mondialisering in de late moderniteit –
vertaald in de spreekwoordelijke kloof tussen burger en politiek –
heeft nood aan andere oplossingen dan de Andere (per definitie
maatschappelijk zwakker en dus kwetsbaarder) als zondebok te gebruiken.
Eindnoot
[1]
Voor
een overzicht van de verschillende Vlaamse pilootprojecten zie Poffyn
(2001: 80-86).
|
|
Bibliografie
Adam, Barbara, Ulrich Beck & Joost van
Loon (eds) (2000) The Risk Society and Beyond: critical
issues for social theory, London: Sage.
AGALEV. 20.04.2000, Inburgering:
Volwaardig burgerschap is het doel, persconferentie,
http://www.agalev.be, geraadpleegd op 11.02.2002.
APPIAH, K. Anthony (1995)
'Identiteit, authenticiteit, overleving: multiculturele samenlevingen
en sociale reproduktie', in Amy Gutman (red.), Multiculturalisme.
Amsterdam: Uitgeverij Boom, 172-188.
BARKER, Rodney (2001) Legitimating
Identities. The self-presentations of rulers and subjects,
Cambridge: Cambridge University Press.
BIRCH, Anthony H. (1989) Nationalism
& National Integration, London: Unwin Hyman.
BLOMMAERT,
Jan & Jef VERSCHUEREN (1998) Debating
diversity. Analysing
the discourse of tolerance,
London: Routledge.
BLOMMAERT,
Jan (2002) Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke
vernieuwing en verrechtsing, Berchem: Epo.
BRUBAKER, Rogers (1992) Citizenship
and Nationhood in France and Germany. Cambridge, MA: Harvard
University Press.
CASTELLS, Manuel (2000) The rise of
the network society, Malden, MA: Blackwell.
CHEBEL, Malek (1986) La formation de
l'identité politique, Paris: Presses Universitaires de France.
CHOMSKY, Noam (1979) Language and
Responsibility, Brighton, East Sussex: Harvester Press.
CRICK, Bernard (1982) In Defence of
Politics, LONDON: Harmondsworth, revised 2nd ed.
DESCHOUWER,
Kris (1998) 'Politieke partijen en de moeilijke democratie', Samenleving
en Politiek, 5/1: 4-17.
DE TOCQUEVILLE, Alexis (1835,1840) 1961,1986, De
la démocratie en Amérique. Paris: Gallimard, 2 vols.
DUCATEL, Ken e.a. (eds.) (2000) The information society in
Europe: work and life in an age of globalization, Lanham
(Md): Rowman and Littlefield.
DUNN, Robert G. (1998) Identity
crises: a social critique of postmodernity, Minneapolis:
University of Minnesota Press.
Elchardus,
Mark (ed.) (1998), Wantrouwen en onbehagen. Over de
vertrouwens- en legitimiteitscrisis, Brussel: VUB Press.
ELCHARDUS, Mark, Marc HOOGHE & Wendy
SMITS (1999), Participatie in Vlaanderen: een
beschrijving van de deelname aan het verenigingsleven en het
vrijwilligerswerk in Vlaanderen, Brussel: VUB, Vakgroep
Sociologie, Onderzoeksgroep TOR.
ELCHARDUS, Mark, Marc HOOGHE & Wendy
SMITS (2000), Tussen burger en overheid: een
onderzoeksproject naar het functioneren van het maatschappelijk
middenveld in Vlaanderen: samenvatting van de onderzoeksresultaten. 1:
oorzaken en gevolgen van middenveldparticipatie, Brussel: VUB
Press.
Elchardus,
Mark, Luc Huyse & Marc Hooghe (red.), met medewerking van Ellen
Van Dael e.a.(2000), Het maatschappelijke
middenveld in Vlaanderen, Brussel: VUB Press.
ELCHARDUS,
Mark, Ernest HENAU, Philippe MUYTERS e.a. (2001) Denken
voor Vlaanderen: over levenskwaliteit, Leuven: Davidsfonds.
FISHMAN, Joshua (1989), Language and
Ethnicity in Minority Sociolinguistic Perspective, Clevedon:
Multilingual Matters.
Foblets, M.C. & B. Hubeau (red.) (1997)
Nieuwe burgers in de samenleving? Burgerschap en
inburgering in België en Nederland, Leuven/Amersfoort: Acco.
GELLNER, Ernest (1983) Nations and
Nationalism. London: Weidenfeld & Nicolson.
GELLNER, Ernest (1987) Culture,
Identity, and Politics, Cambridge: Cambridge University Press.
GEUDENS,
Godfried (2000) 'Zwakte van de liberale democratie. Pleidooi voor een
terugkeer naar de ideologie', Samenleving en Politiek,
7/10: 15-24.
GIDDENS, Anthony (1991) Modernity
and Self-Identity. Self and Society in the Late Modern Age,
Cambridge: Polity Press.
GUTMANN,
Amy (1995) 'Inleiding', in: Amy Gutman (red.), Multiculturalisme,
Amsterdam: Uitgeverij Boom, 17-41.
HALL, Stuart (1992) 'The Question of Cultural
Identity', in: St. Hall & T. McGrew (eds), Modernity
and Its Futures, Cambridge: Polity Press.
HANSON, Russell L. (1989) 'Democracy', in: T.
Ball, J. Farr & R.L. Hanson, Political Innovation and
Conceptual Change, Cambridge: Cambridge University Press,
68-89.
HEATER, Derek B. (1990) Citizenship:
The Civic Ideal in World History, Politics and Education,
London: Longman.
ICEM (Interdepartementale Commissie
Etnisch-Culturele Minderheden) (2000) Jaarrapport 2000, http://www.wvc.vlaanderen.be/minderheden, geraadpleegd op 12.02.2002.
KYMLICKA, Will & Wayne NORMAN (1994)
'Return of the Citizen: A Survey of Recent Work on Citizenship Theory',
Ethics, 104/2: 352-81.
KYMLICKA, Will & Wayne NORMAN (2000)
'Citizenship in Culturally Diverse Societies: Issues, Contexts,
Concepts', in: Will Kymlicka & Wayne Norman (eds), Citizenship
in Diverse Societies, Oxford: Oxford University Press, 1-41.
KYMLICKA, Will (2001) Politics in
the Vernacular. Nationalism, Multiculturalism, and Citizenship,
Oxford: Oxford University Press.
LESAGE,
Dieter (1998) Zwarte gedachten over België.
Antwerpen: Dedalus.
LOOBUYCK, Patrick (2000) 'Inburgeren in
Nederland en Vlaanderen. Een inleiding tot een debat',
Samenleving en Politiek, 7/4, 21-35.
MARTIN, Denis-Constant (1994) Cartes
d'identités. Comment dit-on nous en politique?, Paris:
Presses de la FNSP.
MEYER, Birgit & GESCHIERE, Peter (eds.)
(1999) Globalization
and identity: dialectics of flow and closure, Oxford:
Blackwell.
MITCHEL, Mark & Dave RUSSELL (1996)
'Immigration, Citizenship and the Nation-State in the New Europe', in:
Brian Jenkins & Spyros A. Sofos (eds), Nation
& Identity in Contemporary Europe, London: Routledge,
54-80.
MODOOD, Tariq (2000) 'Anti-Essentialism,
Multiculturalism, and the 'Recognition' of Religious Groups', in: Will
Kymlicka & Wayne Norman (eds), Citizenship in Diverse
Societies, Oxford: Oxford University Press, 175-195.
N-VA. 17.12.2001, Inburgering is
absolute voorwaarde voor stemrecht en voor nationaliteitsverwerving,
http://www.n-va.be, geraadpleegd op 11.02.2002.
POFFYN, Annelies (2001)
Inburgeringsplicht: een blok aan het been of een stap vooruit? Visies
op integratie, onuitgegeven licentiaatsscriptie, Vakgroep
Politieke Wetenschappen, Universiteit Gent.
PUTNAM, Robert (1993) Making Democracy
Work: Civic Traditions in Modern Italy, Princeton: Princeton
University Press.
RAES,
Koen (1998) 'Politiek zonder geheugen', Samenleving en
Politiek, 5/2: 1-2.
SCHMID, Carol L. (2001) The Politics
of Language. Conflict, Identity, and Cultural Pluralism in Comparative
Perspective, Oxford: Oxford University Press.
SOLOMOS, John (2001) 'Race, Multi-culturalism
and Difference', in: Nick Stevenson (ed.), Culture &
Citizenship, London-Thousand Oaks-New Delhi: Sage
Publications, 198-211.
SPIRIT.
29.01.2001, Platform
http://www.meerspirit.be/dossiers.php?article=dossiers/2001/11/29/1 geraadpleegd op 11.02.2002.
STEPAN, Alfred (1998) 'Modern multinational
democracies: transcending a Gellnerian oxymoron', in: John A. Hall
(ed.). The State of the Nation. Ernest Gellner
and the Theory of Nationalism. Cambridge: Cambridge
University Press, 219-239.
TAYLOR, Charles (1995) 'De politiek van
erkenning', in: Amy Gutman (red.), Multiculturalisme,
Amsterdam: Uitgeverij Boom, 43-95.
TIRYAKIAN, Edward (1997) 'The Wild Cards of
Modernity', Daedalus, 126: 147-181.
VALADEZ, Jorge M. (2001)
Deliberative Democracy, Political Legitimacy, and Self-Determination in
Multicultural Societies, Boulder, Colorado: Westview Press.
VALK,
J.M.M., de (1999) ‘Wat hebben wij in de 20ste eeuw over de samenleving
geleerd’, in: S.W. Couwenberg (ed.), Op de drempel van een
nieuwe eeuw. Terugblik op de 20ste en vooruitblik op de 21ste eeuw,
Baarn-Rotterdam: Agora-Stichting Civis Mundi, 117-129.
VAN DEN BOSSCHE, Geert
(2001a) De natie in de staat en de staat van de natie. Naar
een positieve herwaardering van politieke gemeenschap,
Demokritos 2.
VAN DEN BOSSCHE, Geert
(2001b) 'Staatsvorm, of: Wat hebben we geleerd sinds de Tocqueville?
Politiek-historische beschouwingen bij de verhouding tussen vrijheid en
gelijkheid in de democratische staat', in: Christian Van Kerckhove
& Marleen Easton (eds), Hoezo democratie? De spanning
tussen vrijheid en gelijkheid, Berchem: Epo, 201-213.
VAN DEN BRANDE, August (1997) Sociologie
van een halve eeuw Belgische politiek, Leuven: Garant,
pp.11-41.
VLD-partijbestuur, 20.12.1999, Inburgering:
VLD-partijbestuur achter voorstellen van partijvoorzitter De Gucht,
http://www.vld.be/nieuws/persmededelingen/voorstellendegucht.html, geraadpleegd op 11.02.2002.
WALDRON, Jeremy (2000) 'Cultural Identity and
Civic Responsibility', in: Will Kymlicka & Wayne Norman (eds), Citizenship
in Diverse Societies, Oxford: Oxford University Press,
155-174.
WALZER, Michael (1993) Spheres of
Justice: A Defense of Pluralism and Equality, New York: Basic
Books.
WALZER,
Michael (1995) 'Commentaar', in: Amy Gutman (red.), Multiculturalisme,
Amsterdam: Uitgeverij Boom, 121-126.
WEYNS,
Walter (1999) 'Inleiding', in Walter Weyns (red.), Identiteit:
tussen geborgenheid en mogelijkheid, The Millennium
Conferences 1999, Brussel: Koning Boudewijnstichting, (geen
paginering).
ZEMNI, Sami (2002) 'Islam, European Identity
and the Limits of Multiculturalism', in: Wasif A.R. Shadid,
& Pieter Sjoerd Van Koningsveld. Religious Freedom
and the Neutrality of the State: The Position of Islam in the European
Union, Leuven-Paris-Sterling: Peeters, pp.158-173.
ZEMNI, Sami & Christopher PARKER.
[2002, in druk], 'European Union, Islam &
the Challenges of Multiculturalism. Rethinking the Question', in:
Shireen T. Hunter. Islam in
Europe: The New Social, Cultural, and Political Landscape, Praeger
Publ.
ZIZEK, Slavoj (1997) 'Multiculturalism, Or, the
Cultural Logic of Multinational Capitalism', New Left Review,
225: 28-51.
ZIZEK, Slavoj (1998) Pleidooi voor
Intolerantie. Amsterdam: Boom.
ZWAN, A., Van der & H. ENTZINGER
(1994), Beleidsopvolging minderhedendebat, Den
Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken.
|
|
* Uit: VAN DEN BRANDE, A.
(ed.), Identiteiten. Functies en disfuncties, Gent:
Academia Press, 2002, pp.107-143.
Dr. G.Van den Bossche is
post-doctoral researcher at the department of Political Science, Ghent
University.
|
|