Communicatie, Informatie, Educatie

CIE-HOME • CIE-INDEX •

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ALLOCHTONEN ALLER LANDEN… BURGER U IN!

Wat het debat over inburgeringsplicht ons kan vertellen over identiteit(en)

 

Geert Van den Bossche & Sami Zemni*

1 Inleiding

 

Het gebruik van de concepten 'burger' en 'burgerschap' is de laatste tien jaar binnen onze samenleving flink toegenomen. Politici, organisaties en intellectuelen hebben steeds meer de neiging om de maatschappelijke problemen vanuit de invalshoek van het burgerschap te benaderen. Het hele debat loopt parallel met de intrede van nieuwe denkwijzen over de West-Europese democratie, onder andere de verschuiving van de verzorgingsstaat naar de actieve welvaartstaat. Het concept van burgerschap veronderstelt inderdaad een politiek van geven en nemen, van wederzijdse rechten en plichten tussen de burger en de overheid. De wederzijdsheid van de relatie zou een betere participatie en een actievere deelname van de burger in de maatschappelijke debatten en de politiek bevorderen.

 

Met de introductie van het concept ontstond echter eveneens de vraag: “Wie is burger en wie niet?”. De vraag naar participatie en deelname in het publieke leven van de maatschappij stelt immers ook de vraag naar inclusie en exclusie. Het politieke leven werd in Vlaanderen en België het afgelopen decennium voor een aanzienlijk deel gekleurd door debatten die – al dan niet rechtstreeks – betrekking hadden op migranten, allochtonen of (politieke) vluchtelingen,… kortom over ‘vreemdelingen’. Al deze debatten – die we hier kunnen samenvatten als ‘omgaan met de Andere’ – zijn een wezenlijk onderdeel geworden van ons politiek landschap.

 

Wat ontbreekt in dit hele debat, is de erkenning dat het samenleven met 'Anderen' – die niet noodzakelijk onze waarden en normen delen – een wezenlijk onderdeel vormt van het democratische vraagstuk. Door de allochtonen op de één of andere manier te verplichten zich in te burgeren legt men hen bovendien een bepaalde (of gedeeltelijke) 'identiteit' op. Wat wij hier willen onderzoeken, is niet zozeer wat nu juist wordt opgelegd aan allochtonen maar wat verzwegen blijft, wat we zouden kunnen omschrijven als 'de paradox van de inburgering'. Door namelijk de Andere een bepaalde identiteit voor te schrijven, definiëren we eigenlijk onszelf. De concepten, criteria en termen die we gebruiken om de ‘Andere’ te omschrijven, verhullen bepaalde vooronderstellingen en definities van onszelf en onze eigen identiteit.

 

Het enigszins blootleggen van deze verschillende zelfdefinities is belangrijk vanuit sociaal-wetenschappelijk oogpunt. Als we namelijk beter inzicht krijgen in wat de actoren van het debat drijft met betrekking tot de eigen identiteit, krijgen we meer inzicht in de constructie van het politieke veld in Vlaanderen (en in België). Bovendien gaat het niet alleen over hoe we onszelf zien, hoe we onszelf definiëren, maar ook hoe we de maatschappij in haar democratische gestalte vorm geven. Deze thema’s zijn dan ook uitermate belangrijk en relevant voor de centrale vraagstukken van het democratisch samenleven.

 

In de context van de democratische staat is het debat over inburgeringsplicht een onderdeel van een meer algemene bevraging van identiteit en legitimering. In het bijzonder is het uitermate functioneel in het blootleggen van een dilemma dat de (liberale) politieke theorie (laat staan praktijk) nog niet heeft opgelost, namelijk: hoe kan in een politiek bestel – dat per definitie onenigheid over waarden en keuzen moet aanvaarden (want dat is democratie) – sociale cohesie gerealiseerd en bestendigd worden? Bovendien, als we dat dilemma in een multiculturele context bekijken, rijst de vraag in welke mate identiteit daarin een rol kan en/of mag spelen. Concreter liggen twee vragen aan de basis van deze bijdrage: 1. In welke mate is de plicht tot inburgering functioneel voor 'de Andere', de nieuwkomer, de migrant, in termen van burgerschap en dus participatie? 2. In welke mate is dit debat functioneel voor de (politieke) elites in de zin dat het hen toelaat een 'inverse' definitie van het 'Vlaams/Belgisch zijn' te formuleren?

 

Met betrekking tot dit laatste wordt ervan uitgegaan dat die definitie haast 'invers' moét zijn, omdat dit in Vlaanderen/België een zeer gevoelig onderwerp is. Niet alleen staan de 'autochtone' gemeenschappen tegenover elkaar; ook binnen de gemeenschappen staan de verschillende ideologische families tegenover elkaar. Het is bijvoorbeeld niet toevallig dat het onderwijs tot 'schermutselingen' blijft leiden: zoals onder meer Ernest Gellner (1983) heeft benadrukt, is het onderwijs de plaats bij uitstek waar individuen worden gesocialiseerd in een collectieve identiteit. De combinatie van beide vragen illustreert echter de moeilijkheden van het inburgeringsdebat: is het een echte poging tot communicatie en dialoog, waarbij de vereisten van inburgering gericht zijn op socialisatie, op de doelstelling 'Anderen' de 'instrumenten' aan te reiken om volwaardig te participeren – en wat betekent dit dan? Kan dit bereikt worden met erkenning van 'een eigen identiteit' of bevat dit ook de doelstelling om te worden 'zoals wij'? En ligt die laatste definitie vervat in het hele debat – dat daardoor ten minste gedeeltelijk een interne aangelegenheid zou kunnen betreffen, een (impliciete) poging tot zelf-identificatie en dus zelf-legitimering?

 

Het inburgeringsdebat is dus een discours over het 'zelf' en over de 'Andere(n)'. Maar het is ook een strategie, namelijk een geheel van manoeuvres en handelingen die bepaalde objectieven beogen binnen een welbepaalde sociale context. Het is een strategie omdat een identiteitsdiscours van een individu tot doel heeft het individu te bevestigen, maar ook in zijn/haar 'zijn' bevestigd te worden door de 'andere(n)' (groepen, instituties, de maatschappij). Daarom ook wordt zo een strategie (weliswaar ten dele onbewust) opgebouwd in functie van machtssystemen in een welbepaalde context. Spreken over discours en strategieën impliceert dus 'la nécessité de prendre en considération les paroles, les écrits invoquant l'identité parce qu'ils influent indubitablement sur l'organisation des attitudes et provoquent des comportements' (Martin, 1994: 21-22).

 

De complexiteit van dit debat, met inbegrip van de mogelijke incompatibiliteit van de functionaliteit voor de betrokken individuen en groepen, kan misschien geïllustreerd worden door verwijzing naar dat andere moeilijke debat met betrekking tot de 'migrantengemeenschap', namelijk dat van stemrecht. De voorstanders gebruiken nogal vaak hetzelfde argument van 'insluiting' en participatie - wat uiteraard nobele doelstellingen zijn. Alleen is het intussen toch wel duidelijk dat stemrecht (stemplicht in België) niet functioneel is in termen van insluiting en participatie: in (zeer) algemene termen, voelen Belgische burgers zich niet betrokken bij de 'ver van mijn bed'-politiek. Met andere woorden, het is intussen (misschien vooral) voor de politici duidelijk dat formeel burgerschap, met inbegrip van stemplicht, de 'kloof' niet dicht. Vandaar allerlei andere initiatieven zoals de Nieuwe Politieke Cultuur, het overwegen van referenda, enzovoort. De vraag die zich dan stelt in relatie tot 'nieuwkomers' is: waarom gelooft men dat wat niet (meer?) werkt voor de 'oude gemeenschap' zal werken voor de 'nieuwe'? Ligt aan de basis van dit soort redeneringen niet een essentiële ongelijkheid - een ongelijke benadering en inschatting van verschillende groepen, waarbij die groepen dan ook nog eerder 'essentialistisch' worden gedacht?

 

Idealiter zou inburgering bedoeld zijn om de voortdurende en complete uitsluiting van bepaalde groepen van de maatschappij te vermijden: het gaat dus over het bepalen van mechanismen die 'insluiting' en participatie mogelijk maken. Wat hier vooral beargumenteerd wordt, is dat 'insluiting' een algemeen maatschappelijk probleem is - niet één dat kan beperkt worden tot dat (te) makkelijk te identificeren 'blok' van migranten waarvan lager sprake. Inburgeringsplicht heeft dus repercussies voor de definities en de praktijken van identiteit, burgerschap en democratie. Hoe moeilijk het kan zijn om deze concepten op een coherente manier met elkaar te verbinden, blijkt uit de multiculturele realiteit – en wordt hieronder geschetst.

 

In het eerste deel van deze bijdrage stellen we een conceptueel kader voor dat de begrippen identiteit en inburgeringsplicht plaatst binnen de debatten over de vorm, aard en inhoud van onze multiculturele democratie. We benadrukken deze theoretische invalshoek omdat – zoals reeds aangehaald hierboven – het ons in staat stelt het hele debat rond inburgering (en per uitbreiding migranten) te plaatsen in een geheel van belangrijke vragen voor ons democratisch samenleven. In het tweede deel van deze bijdrage kijken we dan concreet hoe het concept van inburgering haar intrede deed in ons politiek jargon maar ook hoe het politieke debat en de verschillende invullingen van de politieke partijen aanleiding geven tot ‘zelfdefinitie’. We willen met andere woorden aantonen dat de Andere bepaalde plichten (en rechten) opleggen (en geven) eveneens iets zegt over onszelf, onze identiteit en vooral ook over de aard van de sociale cohesie in een zogenaamde multiculturele maatschappij.

2 Een conceptueel kader

 

2.1 Wat is identiteit?

 

Individuen, groepen en culturen hebben een duidelijk afgebakende, onverwisselbare identiteit nodig én zij krijgen die niet voor niets, er moet hard aan worden gewerkt. [...] Een identiteit hebben schijnt van levensbelang te zijn, leven zonder identiteit staat bijna gelijk aan niet-leven. Velen – individuen zowel als groepen – zijn er naar op zoek, hebben ze pas hervonden of dreigen ze alweer te verliezen en hoe moeilijker het is om haar te bewaren, des te meer waarde eraan wordt gehecht. De zoektocht naar identiteit is zo algemeen en onontkoombaar dat zij deel lijkt uit te maken van de menselijke conditie (Weyns, 1999).

 

In deze inleiding van de 1999 Millennium Conferentie van de Koning Boudewijnstichting wordt de 'ideologie van de identiteit' geponeerd als een vanzelfsprekendheid die desondanks gepaard gaat met een moeizame zoektocht. Bovendien plaatste deze Conferentie identiteit 'tussen geborgenheid en mogelijkheid' en verwees op die manier naar haar centraal belang voor (psychologische) veiligheid en (maatschappelijk) vertrouwen en ontwikkeling.

 

Essentieel impliceert dit dat identiteit in een functionele relatie wordt geplaatst. Er wordt van uitgegaan dat via identiteit moeilijkheden en problemen kunnen worden opgelost of, om het positiever te stellen, dat identiteit bijdraagt tot individueel welbehagen en het welzijn van de samenleving. Vandaar wellicht de alomtegenwoordigheid van identiteit in maatschappelijke, politieke en academische discours. Maar de eensgezindheid waarmee verwezen wordt naar identiteit, blijkt bij nader toezien slechts een dekmantel te zijn voor een waaier van zeer uiteenlopende definities, functies die haar worden toegeschreven en opinies over de operationalisering daarvan. Bovendien wordt de op het eerste gezicht positieve functie die aan identiteit wordt toegekend, in de praktijk bedolven onder problematische manifestaties van haar invloed. Dit hoeft niet te verwonderen. Intussen wordt redelijk algemeen aangenomen dat identiteit het product van een constructie is, geen vaststaand gegeven waarin essentialistische kenmerken zouden vervat liggen. Identiteit is eerder een proces van interactie tussen de zelfdefinitie van het individu en zijn omgeving of zoals Malek Chebel het omschrijft:

 

une structure subjectieve caracterisée par une représentation de l'interaction entre l'individu, les Autres - condition préalable pour qu'il y ait effectivement identité: se reconnaître Un et être reconnu comme tel par les Autres - et le milieu (comme agent matériel de l'identification) (Chebel, 1986: 36-37).

 

Een individu wordt dus niet geboren met een identiteit maar verwerft ze. De socioloog Anthony Giddens wijst in dit verband op het belang van een vroege ontwikkeling van ontologische zekerheid (in relatie met ouders of andere verzorgers), opdat het individu later in staat zou zijn 'to keep a particular narrative going'. In deze interpretatie heeft identiteitsvorming dus niet zozeer te maken met biografische continuïteit, maar met de continuïteit van communicatie(mogelijkheden) (1991: 54). Bovendien heeft het individu, naast de aanzienlijke mate van socialisering door de directe omgeving (ouders, school,...), wat Anthony Appiah omschrijft als 'een gereedschapskist vol mogelijkheden dat (sic) ons ter beschikking wordt gesteld door onze cultuur en maatschappij' (1995: 178), die een bepaalde marge van vrijheid creëert om een eigen identiteitsdiscours te ontwikkelen. Dit betekent dat, op individueel vlak, identiteit gezien moet worden als een continu proces van definiëring, het eerder efemere resultaat van een serie ononderbroken 'conflictsituaties' tussen het Zelf en de Andere.

 

Het mag echter duidelijk zijn dat de inherente instabiliteit van identiteit vooral op collectief vlak moeilijke gevolgen heeft. Het is vooral wanneer in het – per definitie – continu proces van definiëring verschillende groepen (in plaats van verschillende individuen) tegenover elkaar staan, dat daadwerkelijke conflictsituaties kunnen ontstaan. Wat daarbij (onder meer) opvalt, is het verlies aan flexibiliteit, de poging om toch - bijna tegen beter weten in - een soort essentialistische definitie van identiteit te hanteren, in de hoop om die manier het conflict voor eens en altijd te beslechten. Men gaat (impliciet?) uit van opvattingen over collectieve identiteit die opmerkelijk ongenuanceerd zijn in de manier waarop zij de processen beschouwen, waardoor zowel de individuele als de collectieve identiteit zich ontwikkelt.

 

Het probleem dat zich hier stelt, is tweevoudig. Enerzijds is er de tendens van gedefinieerde collectieve identiteiten, om een soort 'draaiboek' te bevatten: 'ideeën over hoe een goed persoon van die soort zich gedraagt, [...] normen of modellen, die een rol spelen bij het vormgeven van de levensplannen van hen die deze collectieve identiteiten centraal stellen in hun individuele identiteit.' (Appiah, 1995: 182-183). Dit betekent niet alleen dat de individuele keuzevrijheid bij de identiteitsdefinitie beperkt wordt. Het levert ook problemen op voor hen die zich niet erkennen in het draaiboek. Zoals Dieter Lesage het formuleert in zijn oppositie tegen ex-Minister-President Luc Van den Brande: 'Het concept van culturele identiteit [...] zegt: we zijn nu eenmaal zoals we zijn. Het is te nemen of te laten. [...] In de retoriek van de culturele identiteit is voortdurend een 'wij' aan het woord dat spreekt in naam van Anderen die daar niet om gevraagd hebben, laat staan dat ze erg zouden ingenomen zijn met de karakteriseringen waarmee ze door hun vrijpostige woordvoerders worden bedacht' (1998: 105). Anderzijds worden die 'draaiboeken' 'gebruikt' om zichzelf te positioneren tegenover andere groepen, wat automatisch wil zeggen dat ze ook gebruikt worden om de 'Andere', op een behoorlijk inflexibele manier, te definiëren.

Dit probleem kan ook op een andere manier geformuleerd worden. Als, zoals Amy Gutmann suggereert, 'mensen in meerderheid behoefte [hebben] aan een veilige culturele context om betekenis en richting te geven aan de keuzen in hun leven', 'maakt een veilige culturele context deel uit van de eerste levensbehoeften' (1995: 19). Als echter die context wordt gekoppeld aan een sterk inhoudelijke invulling, ontstaan conflicten, zowel binnen de eigen context als met andere 'levensprojecten'. Met andere woorden, het lijkt erop dat de positieve functie van identiteit in belangrijke mate afhangt van een conceptuele vaagheid; van de mogelijkheid tot flexibele invulling van haar inhoud, en dus ook van haar functionaliteit. Zo ontstaat de kans en mogelijkheid tot differentiatie, ook binnen de zogenaamde eigen collectiviteit en tegenover andere groepen. 

 

Als het juist is, zoals hierboven wordt gesteld, dat identiteit een functie is van communicatie en begrip, van het creëren van betekenis in de eigen gemeenschap en het openstaan voor de Andere, moeten we dringend de voorwaarden en componenten onderzoeken die identiteit toelaten deze functie te vervullen. Dit is de 'mogelijkheid' van identiteit waarnaar de Koning Boudewijnstichting verwees. In een recente verzameling essays die terugblikken op de lessen van de twintigste voor de eenentwintigste eeuw, besluit ook de socioloog J.M.M. de Valk de sectie over groepssolidariteit met de dringende oproep 'om een nieuw evenwicht te vinden tussen de gevoelens van eigen identiteit en geborgenheid in de groep enerzijds, en de noodzakelijke openheid voor andere tradities en culturen anderzijds.' De Valk geeft toe 'dat het niet gemakkelijk zal zijn; maar men is niet van het probleem af door vlotweg uit te roepen dat wij van nu af aan allen Europeaan of wereldburger willen zijn.'(de Valk, 1999: 127; onze klemtoon).

 

'Het probleem' kan met Ernest Gellner omschreven worden als 'de vertroebelde relatie van staat, civiele samenleving, identiteit, cultuur en legitimiteit' (Gellner, 1987: viii). Het is duidelijk dat deze op zichzelf al complexe structuren en concepten in een 'nieuw evenwicht' brengen, een moeizame zoektocht zal worden naar een allicht altijd vrij problematische constructie. Die constructie zou, in het beste geval, ook een flexibele en positieve definitie van identiteit omvatten. In deze bijdrage blijkt echter vooral dat het debat omtrent 'de Andere' nog steeds vooral wordt gevoerd in termen van een 'draaiboek'. De volgende sectie behandelt dan ook de beperktheid van het debat over inburgeringsplicht in Vlaanderen. Het is niet alleen beperkt in de zin dat de doelgroep zelden of nooit aan het woord wordt gelaten; het wordt ook zelden in een bredere maatschappelijke en/of conceptuele context geplaatst. Het is onze veronderstelling dat het schetsen van zijn ruimere context kan toelaten dit debat genuanceerder, dat is, op een meer flexibele manier te voeren.

2.2 Het 'kleine' of het 'grote verhaal' van de inburgeringsplicht?

 

De inburgeringsgedachte is het nieuwe kernbegrip van het debat over nieuwkomers en minderheden. Dit debat wordt precies door de definiëring van de doelgroep als het ware buiten de 'normale' politieke context geplaatst: het zogeheten 'migrantenprobleem' wordt vaak benaderd als een aparte (bijna  hors) categorie. Dat volgt voor een stuk uit de logica van de inburgeringsgedachte zelf: aangezien de nieuwkomers slechts door middel van inburgeringspraktijken 'burger' zullen worden, moet men veronderstellen dat ze op dit ogenblik nog niet (echt) deel uitmaken van de samenleving. Men zou dus kunnen stellen dat er een 'kloof' bestaat tussen 'de migranten' en de 'samenleving'.

 

Met deze modieuze metafoor wordt echter onmiddellijk duidelijk dat het verwerven van het burgerschap 'het probleem' niet oplost: als 'nieuwe burger' moet men dan meteen plaatsnemen aan deze zijde van die andere 'breuklijn', namelijk de kloof tussen 'de burger' en de politiek. Dit impliceert natuurlijk wel een vorm van gelijkheid ten overstaan van 'autochtone burgers'; maar vermoedelijk is dit niet wat wordt voorgestaan door de pleitbezorgers van (meer) gelijkheid in onze samenleving. Met andere woorden, het debat over de inburgeringsplicht is geen eenheid op zichzelf, en wordt best ook niet als dusdanig beschouwd. Voor beter begrip moet dit debat terug in zijn eigenlijke context worden geplaatst, een context die bevolkt wordt met concepten als 'burgerschap', 'identiteit', 'postmoderniteit' en 'multiculturalisme' en die misschien nog het best kan worden samengevat als een algemene reflectie op democratie.

 

Het is duidelijk dat het hercontextualiseren van het debat geen toverformule is. Al in 1989 (lang voor het ontstaan van de term 'inburgering') stelde Russell Hanson dat er onduidelijkheid bestaat over de precieze inhoud van het concept (en dus de praktijk van) 'democratie'. Bovendien legt hij ook meteen de kern van het probleem bloot:

 

This confusion reaches the very core of our community. When keywords such as democracy lose their meaning, our identity is necessarily called into question; if we are confused about the meaning of democracy, then we are also uncertain about whether we are democratic. (Hanson, 1989: 85-6; originele klemtoon)

 

De vraag is dan ook waarom wij verward zijn over de betekenis van democratie, en dus over onze identiteit; met welke factoren dit te maken heeft; en wanneer dit probleem is opgedoken. In Vlaanderen wordt in deze context 'gemakshalve' verwezen naar het succes van het Vlaams Blok - naar onze mening, 'gemakshalve', omdat het Blok een makkelijk te identificeren 'verstoorder' is van de zogenaamde democratische consensus, waarmee dan ook meteen de discussie à la cordon sanitaire kan worden gesloten. In de termen van het bovenstaande citaat: wijzelf hoeven ons geen zorgen te maken; het is 'de Andere' die niet democratisch is.

 

Deze gemakzuchtige houding is ook direct relevant van ons huidige onderwerp: het lijkt erop dat het debat over inburgeringsplicht een gelijkaardige tendens vertoont, in de zin dat allochtonen even 'makkelijk' kunnen geïdentificeerd worden als een problematische groep binnen onze democratie. Als dan de inburgeringsplicht als oplossing wordt aangebracht, hebben we alweer 'de Andere' als het ware verantwoordelijk gesteld voor wat er zoal misloopt.

Misschien is het wel precies door de identificatie van die twee tegenovergestelde 'blokken' dat de discussie over burgerschap voortijdig wordt gesloten. Om even te verwijzen naar de gekende analyse van Jan Blommaert: wat zo eigenaardig lijkt, is de interne geslotenheid van zijn argument. Zowel het probleem (het succes van het Vlaams Blok) als de verklaring (de Burgermanifesten) worden in hoofdzaak beschouwd als louter interne, of lokaal-Vlaamse fenomenen. Natuurlijk plaatst Blommaert dit in een algemenere context van politieke 'vernieuwing', in het bijzonder van de nieuwe politieke communicatiestrategieën, die zelf zijn afgeleid van een neoliberaal discours dat de politiek steeds meer op de leest van de vrije markt wil scholen (Blommaert, 2002). Maar het blijft een feit dat zijn eigenlijke analyse zich concentreert op intern-Vlaamse factoren.

 

In feite is de vaak beperkte geografische afbakening zelfs typisch voor dit soort debat: er is vastgesteld dat er een grote verscheidenheid bestaat in het immigratiebeleid en de criteria voor burgerschap en nationaliteit, zelfs binnen de Europese Unie, precies omdat de praktijk bepaald wordt door de verschillende discours over natie en nationale identiteit binnen de verschillende lidstaten (Mitchell & Russell, 1996: 65-66). Als we ons echter blijven concentreren op die diversiteit, kan geen verklaring worden gevonden voor meer algemene vaststellingen zoals het feit dat 'burgerschap' het 'buzzword' van denkers in alle hoeken van het politieke spectrum is geworden (Heater, 1990: 293); of dat 'identiteit' het kernwoord van hedendaagse politiek is (Tiryakian, 1997; Solomos, 2001: 202). Meer in het bijzonder, door het vasthouden aan de beperkte geografische afbakening, blijft de zoektocht naar het verband tussen burgerschap, identiteit en democratie gedefinieerd door intern gestructureerde en gereproduceerde discours (de analyse hiervan is precies de kern van Blommaerts betoog: 2002) - die precies vanwege hun diversiteit geen algemene verklaring kunnen afleveren. En een algemene verklaring is belangrijk omdat het over fenomenen gaat die de diversiteit van nationale contexten overstijgen.

 

Vanuit een functionele benadering kunnen we echter veronderstellen dat hier iets gaande is dat beantwoordt aan een meer algemene behoefte. De hypothese die in deze bijdrage wordt gehanteerd, is dat het debat over inburgeringsplicht tegemoet komt aan een behoefte die samenhangt met 'de crisis' van de democratie, in het bijzonder de vraag naar de definitie van (collectieve?) identiteit. Dan zijn er (minstens) twee mogelijkheden - die hier natuurlijk niet exhaustief kunnen worden behandeld: ofwel bekijkt men de ruimere context van 'de democratie in crisis' en vraagt men zich af hoe die zich manifesteert in het debat over inburgeringsplicht; ofwel verplaatst men zich naar de beperktere (en dus meer hanteerbare?) locus van dat debat en zoekt men naar fenomenen die ons iets kunnen leren over wat er aan de hand is met definities van identiteit of met democratie in het algemeen.

 

 


 

2.3 In welke tijd leven wij?

 

Eén van de meest gekende analyses voor wat kan omschreven worden als de interne functionaliteit van democratie is Robert Putnams Making Democracy Work (1993). Zijn verklaring voor de variaties in performantie van regionale besturen in het naoorlogse Italië, namelijk het in min of meerdere mate aanwezig zijn van 'networks of civic engagement', werd ontvangen als een revelatie, wellicht omdat ze zo overtuigend het meer algemene argument ondersteunde dat waarden en identiteiten van individuen belangrijke én onafhankelijke factoren zijn voor democratisch bestuur. Dit is intussen een algemeen aanvaarde stelling (Kymlicka & Norman, 2000: 7; Valadez, 2001; 20-21,344) die heeft geleid tot een proliferatie van onderzoek naar de zogeheten 'civil society' waar het 'social capital' van een democratie al dan niet 'aan het werk' is (voor dit soort onderzoek in Vlaanderen, zie vooral het werk van de groep rond Mark Elchardus).

 

Tot dat 'sociale kapitaal' schijnt evenwel geen geschiedenis te behoren, noch voor het politieke gebeuren zelf (Raes, 1998:1), noch voor het onderzoek ernaar. Putnam herhaalt immers een aantal 'waarheden' die anderhalve eeuw geleden reeds op schrift werden gesteld door Alexis de Tocqueville. Zijn De la démocratie en Amérique (1835,1840) vloeide voort vanuit zijn bekommernis om de toekomst van het postrevolutionaire Frankrijk. Meer in het bijzonder vreesde Tocqueville dat Frankrijk er vanuit de toenmalige overgangsfase niet zou in slagen te evolueren naar een (stabiel) democratisch regime. Vandaar zijn beklemtoning van de democratische 'moeurs' en 'l'esprit communal' die hij in de Amerikaanse maatschappij (in wat wij nu het middenveld zouden noemen) had zien functioneren ter ondersteuning van de politieke democratie  (Voor een bredere historische en politieke contextualisering, zie Van den Bossche, 2001b). Men zou kunnen zeggen dat, gezien de gelijklopendheid van hun verhalen, de historische context van de Tocqueville irrelevant is geworden. Maar door dit politiek verleden te negeren wordt een belangrijke verbinding gemist met de ruimere context van het inburgeringsdebat waarnaar we hier op zoek zijn. Het is immers opvallend dat Tocqueville en Putnam tot dezelfde conclusies zijn gekomen in hun respectieve analyses van een samenleving in transitie. Het feit dat deze conclusies opnieuw zoveel aanhangers kennen, schijnt te suggereren dat we opnieuw in een overgangsperiode zijn beland. De vraag over onze verwarring over democratie en identiteit wordt dan één over de aard van de huidige transitie.

 

Er bestaan natuurlijk vele pogingen tot typering van de huidige transitieperiode, waarbij het verleden meestal wordt omschreven als 'de moderniteit', het breukpunt als het Einde van de Grote Verhalen, of van de Geschiedenis zelf en, afhankelijk van de gekozen invalshoek, wordt de toekomst gesitueerd in (de opkomst van) de postmoderne (cf. Dunn, 1998), de mondiale (Meyer & Geschiere (eds), 1999), de risico- (Adam, Beck, Loon (eds), 2000), de netwerk- (Castells, 2000) of de informatiemaatschappij (Ducatel e.a.(eds), 2000). 

 

De socioloog Anthony Giddens staat relatief alleen in zijn karakterisering van de 'late moderniteit' als 'posttraditioneel', maar is interessant omdat hij deze typologie expliciet vergelijkt met de meeste andere die in omloop zijn, en bovendien relateert aan wat we de hedendaagse crisis van identiteit zouden kunnen noemen. Zo ontkent hij kort en krachtig de relevantie van het postmoderne label, omdat de centrale stelling dat door de moderniteit veroorzaakte fragmentatie heeft geleid tot een nieuwe tijdperk van sociale ontwikkeling, wordt tegengesproken door de 'laat moderne' situatie waarin de mensheid in bepaalde opzichten een 'eenheid' is geworden, die tegenover problemen (bijvoorbeeld met betrekking tot het milieu) en kansen staat zonder dat 'Anderen' kunnen gedefinieerd worden, en waarin morele onderwerpen opnieuw prominent aanwezig zijn op de politieke agenda (1991: 27,223-234). De risicomaatschappij daarentegen reflecteert Giddens' eigen notie van 'reflexiviteit', die aangeeft dat voortdurend moet worden nagedacht over, en gekozen tussen 'een eindeloze reeks van mogelijke acties (met hun bijhorende risico's)' zonder veel houvast 'given that the signposts established by tradition now are blank.' (1991: 28-29,80,82) Het verdwijnen van tradities en gewoonten als ankerpunten verbindt Giddens dan weer met het fenomeen van de mondialisering, waardoor de 'ontbedding' van tijd-ruimte relaties 'self' en 'society' verbindt in een globale context (1991: 32). De informatie- of kennismaatschappij tenslotte verwijst naar de noodzaak '[for] the individual [to] integrate information deriving from a diversity of mediated experiences with local involvements in such a way as to connect future projects with past experiences in a reasonably coherent fashion.' (1991: 215)

 

Kortom, identiteit en haar geconstrueerde, en dus problematische karakter staan centraal in alle nieuwe typologieën. Maar een ander opvallend gemeenschappelijk kenmerk van deze nieuwe typologieën is hun internationale setting. Daarbij moet men blijkbaar veronderstellen dat het nationale geen belang meer heeft, geen positieve bijdrage kan leveren, geen overweging meer hoeft. Wij geloven niet dat dit een juist uitgangspunt is. Belangrijker, het wordt ontkend door die andere reeks buzzwoorden als 'de crisis van de democratie', 'de verzuring', 'de kloof tussen de burger en de politiek' en het daarbij horende problematische karakter van 'het burgerschap'. Deze laatste reeks heeft als gemeenschappelijkheid het ter discussie stellen van de relatie tussen het individu en het collectieve. Tot nader orde staat dat collectieve niet gelijk aan een Europese of kosmopolitische gemeenschap, maar moet het nog steeds beschouwd worden op het statelijke niveau dat in het verleden werd 'gekozen' om vorm te geven aan die relatie. Met andere woorden, de nieuwe typologieën bevestigen vooral de perceptie dat we in een tijdsgewricht leven. In die zin behoren zij ook tot de ruimere context van het (Vlaamse) debat over inburgeringsplicht, omdat ze wijzen op veranderende omstandigheden, waarin zekerheden op losse schroeven komen te staan. Met andere woorden, de perceptie dat we in een tijdsgewricht leven, mag dan wel een staatsoverschrijdend fenomeen zijn; om tot een oplossing te komen van dit algemene probleem op politiek vlak, is een vertaling nodig naar zijn verschijningsvorm(en) in nationale contexten.

2.4 Visies op de multiculturele democratie

 

Het onderzoek naar de manieren waarop transitie tot stand komt en vooral de wijzen waarop daarmee wordt omgegaan, heeft intussen geleid tot een omvangrijke literatuur, waarvan het niet mogelijk is hier een exhaustief overzicht te geven. We hebben er dan ook voor gekozen argumenten te selecteren die relevant zijn voor ons uitgangspunt, namelijk de functionaliteit van identiteit. In samenvatting kan alvast vermeld worden dat de perceptie van de 'democratie in crisis' algemeen is. Zoals Godfried Geudens het stelt: 'Wanneer er vandaag over 'de democratie' gesproken wordt, wordt vaak in één adem het woord 'crisis' genoemd. Over de juiste feitelijke omvang en draagwijdte van die crisis kan men dan twijfelen, maar dat er 'iets' aan de hand is lijkt wel duidelijk.' (2000: 15). Uiteraard heeft dit te maken met de grote structurele en culturele veranderingen in de Westerse landen (en van daaruit de hele wereld), die ook de vormen van machtsuitoefening grondig hebben gewijzigd. (Van Den Brande 1997: 11-41). Maar wel valt op dat (bijna) alle hedendaagse auteurs de verbinding maken tussen de factoren identiteit, burgerschap en de multiculturele samenleving.

Concreter kan gesteld worden dat nationale identiteit lang beschouwd is als één van de pijlers van burgerschap, wat Rogers Brubaker heeft doen besluiten dat burgerschap 'a last bastion of sovereignty' is voor de zogeheten natiestaten in de Europese Unie (1992: 180). Het is dan ook niet te verwonderen dat de door migratie noodzakelijk gemaakte herdefiniëring van burgerschap heeft geleid tot een herbevragen van het gehele politieke kader, in het bijzonder van de relatie tussen staat en 'natie'.

 

In essentie ligt de sterkte van het concept 'natiestaat' in het laten samenvloeien van culturele en politieke identiteiten: elk individu behoort tot de natie (cultureel); de natie is de basis van, en legitimeert daardoor de staat (politiek). Volgens deze ideologie is het burgerschap dan ook niet problematisch: het is een 'natuurlijke' verworvenheid op basis van deze tweevoudig gefundeerde identiteit. Dat deze redenering op feitelijk onjuiste veronderstellingen berust(te), is evident - maar kan hier niet worden uitgediept. Duidelijk is wel dat door een veranderende bevolkingssamenstelling, vanwege migratie en dus nieuwkomers, niet alleen de natie maar ook de staat worden beroerd: omdat men niet meer kan uitgaan van de fictie van een gemeenschappelijke culturele identiteit, tast dit ook de legitimering van de staat aan.

 

Kortom, de 'nieuwe' situatie creëert (alweer) een 'kloof' - ditmaal tussen natie en staat, of tussen identiteit en politiek. Van beide wordt algemeen erkend dat ze constructies zijn, maar ze behoren 'ineens' tot een andere soort: identiteit wordt bijna exclusief verbonden met cultuur; burgerschap wordt het nieuwe kernbegrip voor de politiek - waarbij wel wordt begrepen dat dit - vanwege het legitimiteitsprobleem - toch weer over sociale cohesie gaat. De combinatie van beide is niet evident, omdat een verhoogde nadruk op culturele identiteit eventueel de identificatie met de staat bemoeilijkt (cf. Valadez, 2001: 20). Een belangrijke vraag over de democratische verwarring en de aard van de transitie wordt dus de vraag over hoe, in de nieuwe multiculturele context, identiteit en politiek zich zullen (moeten) verhouden tot elkaar.

 

De literatuur over multiculturalisme is intussen zeer uitgebreid, maar men kan toch stellen dat conceptueel slechts drie (hoofd)wegen worden bewandeld, die kunnen worden samengevat als respectievelijk assimilatie, privatisering en compromis.

 

Over de eerste aangeduide weg, die van de assimilatie, die Michael Walzer (1983, 1985) communitarianisme noemt, kunnen we relatief kort zijn: wat hier wordt voorgesteld, is een alternatief samenvallen van identiteit en politiek, in de zin dat het communitarianisme beklemtoont dat een goed georganiseerde samenleving moet begrepen worden als een constructie tussen mensen die bepaalde fundamentele waarden en normen met elkaar delen. Voor alle duidelijkheid, de wenselijkheid van assimilatie wordt in deze optiek inderdaad wel toegepast op nieuwkomers en minderheden, maar even goed op de meerderheid, van wie het vastgestelde morele pluralisme het eigenlijke vertrekpunt is voor dit radicaal herdenken van de mogelijkheden tot sociale cohesie. Collectieve identiteit wordt hier de fundamentele basis van de gehele samenleving, met inbegrip van de politiek, of preciezer, het communitarianisme geeft identiteit een alomvattende én een positieve functionaliteit. Vanuit een ander opzicht zou men echter kunnen stellen dat dit de voorstelling is van het ultieme draaiboek: een bepaalde gemeenschappelijkheid leidt tot een harmonieuze samenleving. Daarbij wordt echter blijkbaar geen aandacht besteed aan wat moet 'opgeofferd' worden (zoals individuele keuze en flexibele identiteitsconstructie) om tot zo een gemeenschappelijkheid te komen. Bovendien, wie bepaalt de pijlers van de constructie - en dus automatisch wie al dan niet 'behoort tot'? Kortom, deze benadering lijkt een aantal fundamentele vragen uit de weg te gaan - terwijl hun antwoorden precies essentieel zijn voor burgerschap in een samenleving van transitie.

 

De tweede 'wandeling' hoeft ook niet lang te duren: de suggestie van privatisering is even radicaal als die van de assimilatie, maar dan wel in omgekeerde richting. Hier worden identiteit en politiek niet in een andere samensmelting gedrongen; zij worden juist nog verder uit elkaar getrokken. Met name wordt hier voorgestaan dat identiteit moet worden teruggedrongen in de private sfeer. Expliciet wordt enige vorm van sociale identitaire functionaliteit ontkend; impliciet luidt het argument eerder dat identiteit voorbij het individuele enkel negatief kan werken, en dit moet vermeden worden door middel van een radicale containment policy. In feite wordt deze weg meestal slechts opgetekend op de conceptuele kaart, om aan te tonen dat hij 'onbewandelbaar' is: de aanwezigheid van nieuwkomers en minderheidsgroepen maakt meteen duidelijk dat identiteit wel degelijk een invloed heeft op de (publieke) realiteit. Vaker wordt de vraag '[i]n welke zin onze identiteit in het openbaar van belang [moet] zijn' (Gutmann, 1995: 18), gebruikt om aan te tonen dat de 'andere kant' van die realiteit, namelijk de publieke ruimte, ook niet vrij is van identitaire trekjes.

 

Verschillende auteurs hebben op het niet-neutrale karakter van de staat gewezen. De specifiek linguistische implicaties daarvan komen later aan bod. Hier is het interessant even stil te staan bij de analyse van Will Kymlicka, niet alleen omdat hij 'the myth of the ethnocultural neutrality of the state' (2001: 4; zie ook hfdst. 1.) plaatst in zijn historische context, maar ook omdat hij hierdoor een andere mythe uit de wereld probeert te helpen, namelijk dat multiculturele beleidsmaatregelen zouden leiden tot (minderheids)separatisme. Door het 'politieke geheugen' van de door de staat gestuurde natievormingsprocessen in te schakelen, kan hij o.i. overtuigend argumenteren, ten eerste, dat die processen nog steeds werkzaam zijn (zij het in een andere vorm) en, ten tweede, dat zij zulke krachtinspanning vragen - institutioneel, financieel, enz., dat zij in de huidige omstandigheden buiten het bereik van nieuwkomers of minderheden liggen. Aan de ene kant beklemtoont hij dat de grote meerderheid van autochtonen niet per definitie gekant zijn tegen multiculturele maatregelen, maar dat zij behoefte hebben aan de begrenzing daarvan, dat is, dat de perceptie van bedreiging voorkomt uit onduidelijkheid en onzekerheid (2001: 8). Hier lijkt dus een duidelijke taak weggelegd voor onder meer politici: interculturele communicatie is pas mogelijk als de 'interne' communicatie niet meteen een 'stabiele' identiteit verschaft, maar wel een 'veilige context' (cf. Gutmann, supra) creëert waarbinnen flexibiliteit verkend kan worden.

 

Aan de andere kant stellen Kymlicka en Norman vast dat 'migranten' in het algemeen vragen om maatregelen die hun in staat zullen stellen op een volwaardige manier deel te nemen aan de samenleving en zich in te schakelen in de 'mainstream' instellingen (2000: 18). Door de 'beide' zijden van het politieke spectrum expliciet in beeld te brengen komen zij bovendien tot een algemenere analyse die demonstreert waaruit de complexiteit van democratie in transitie bestaat:

 

the health and stability of modern democracy depends, not only on the justice of its institutions, but also on the qualities and attitudes of its citizens: e.g. their sense of identity, and how they view potentially competing forms of national, regional ethnic or religious identities; their ability to tolerate and work together with others who are different from themselves; their desire to participate in the political process in order to promote the public good and hold political authorities accountable; their willingness to show self-restraint and exercise personal responsibility in their economic demands, and in personal choices that affect their health and the environment; and their sense of justice and commitment to a fair distribution of resources. (2000: 6)

 

Het mag duidelijk zijn dat Kymlicka en Norman de derde weg bewandelen, waarbij gezocht wordt naar een nieuwsoortige verhouding tussen identiteit en politiek - via een nieuwe definitie van burgerschap. Zij staan met deze houding uiteraard niet alleen. De voorstanders van het compromis zijn echter verder op te splitsen, enerzijds in auteurs die groepsidentiteiten en hun onderlinge verhoudingen centraal stellen binnen het meer algemene kader van de verhouding tussen cultuur en politiek, en anderzijds auteurs die het anti-essentialisme radicaliseren tot een pleidooi voor hybriditeit en dus het uitsluitend aanvaarden van (flexibele) individuele identiteiten.

 

Tot deze laatsten behoort bv. Alfred Stepan die stelt dat de meeste literatuur geconcentreerd blijft op 'primordiale identiteiten' en daarbij (al dan niet expliciet) de noodzaak beklemtoont van een keuze tussen exclusieve identiteiten. Zijn eigen onderzoek echter legt de klemtoon elders: het zijn nationalistische politici die polarisatie forceren; 'gewone' mensen schijnen veelvoudige en complementaire identiteiten te verkiezen (Stepan, 1998: 232). Het argument van Jan Blommaert en Jef Verschueren verruimt deze categorieën: enerzijds wordt het debat niet enkel door radicale politici gevoerd, maar ook - en vooral - binnen wat zij de 'tolerante meerderheid' noemen; anderzijds bestendigt dat debat de polarisatie, precies omdat het diversiteit blijft bestempelen als 'het probleem'. Daartegenover stellen zij 'werkelijke aanvaarding van diversiteit' die niet alleen geldt als vertrekpunt voor 'gelijk welk perspectief op de samenleving', maar waarbij die aanvaarding bovendien radicaal wordt doorgetrokken tot haar locus niet langer enige groepsvorm(ing) betreft, maar het individu - dat tot vele verschillende types van zelden overlappende groepen tegelijkertijd kan behoren (1998: 192). Misschien nog duidelijker stelt Stuart Hall dat door politiek geproduceerd multiculturalisme onmogelijk is, precies omdat de idee van een 'unified self' absurd is: 

 

The fully unified, completed, secure and coherent identity is a fantasy. Instead, as the systems of meaning and cultural representation multiply, we are confronted by a bewildering, fleeting multiplicity of possible identities, any one of which we could identify with - at least temporarily. (Hall, 1992: 277)

 

Zeker in het geval van Blommaert en Verschueren is het duidelijk dat dit soort radicalisme zelfbewust bedoeld is om de consensus over het 'diversiteitsprobleem' te doorbreken. Deze kritische houding is uiteraard lovenswaardig, maar werpt toch de vraag op hoe dit kan leiden tot een daadwerkelijke verbetering van de levensomstandigheden (in de ruimste zin van het woord) van de beoogde 'individuen'. Zoals Tariq Modood het samenvat:

 

it seems then that anti-essentialism is inherently destructive: no politics, no society, not even coherent self, what promised to be an emancipatory, progressive movement seems to make all political mobilization, with its 'deconstruction' of the units of collective agency (people minorities the oppressed etc.) rest on mythic and dishonest units. (2000: 178)

 

Met andere woorden, de uiteindelijke doelstelling zou toch inderdaad 'agency' moeten zijn, bewustwording en mobilisatie om mensen tot actie in staat te stellen, en meestal gebeurt dat op collectieve basis. Blommaert en Verschueren stellen zelf het niet-neutrale karakter van de staat aan de kaak, precies omdat het een structureel overwicht geeft aan en in stand houdt voor de meerderheid - toch ook een groepsomschrijving? Als Blommaert en Verschueren bovendien culturele verschillen vergelijkbaar stellen met gelijk welk ander samenlevingsstructurerend type van verschil, waarbij ze zelf o.a. gender en klasse aanhalen (1998: 192), mag toch wel duidelijk zijn dat deze laatste als basis van discriminatie precies op een collectief niveau zijn en worden bestreden. De arbeiders- of de feministische beweging mag dan nog op een fictieve groepsidentiteit gebaseerd zijn; het valt toch moeilijk te ontkennen dat die identiteit functioneel is (geweest) voor het doorbreken (of minstens verruimen) van de collectieve meerderheid door middel van 'agency'.

 

Het bevorderen van dit laatste is het uitgangspunt van een waaier aan argumenten ter verdediging van multiculturele beleidsmaatregelen. Samengevat ijveren bv. Kymlicka en Norman (2000) voor (meer) rechtvaardigheid, waarbij burgerschap als instrument wordt beschouwd voor individuele vrijheid, sociale gelijkheid en politieke participatie. Met betrekking tot identitaire functionaliteit is dan ook de centrale vraag in welke mate een erkenning van identiteit kan bijdragen tot een meer authentiek burgerschap, dat is, tot een daadwerkelijk(er) behoren tot de maatschappij. Dat Kymlicka daarbij het centrale punt samenvat als een keuze tussen marginaliserende of emanciperende maatregelen (2001: 161), is o.i. een realistischere inschatting van de mogelijke functionaliteit van identiteit voor nieuwkomers en minderheden dan het hoger geschetste radicalisme. Zoals Jeremy Waldron het stelt, 'cultures are not like hairdressers, set up in order to furnish individuals with diverse and colourful identities.' (2000: 160). Kortom, in het onderzoek naar de functionaliteit van cultuur - of identiteit, moet men in het bijzonder op zoek naar hun maatschappelijke relevantie.

 

'Agency', individueel én collectief, maakt ook deel uit van het centrale argument van Charles Taylors 'politics of recognition', die ook uitdrukkelijk de schade van niet-erkenning of negatieve erkenning relevant maakt voor de context van ras- of genderdiscriminatie (1995: 43-44). De reden waarom Taylor zo sterk de nadruk legt op 'gepaste erkenning' als 'levensbehoefte van de mens' (1995: 44), is dat hij zelf-identificatie omschrijft als 'dialogisch': de 'talen' die we daarvoor nodig hebben, leren we voornamelijk (gebruiken) door de interactie met 'significante Anderen' (1995: 50). Het lijkt dan ook niet zo buitenissig te veronderstellen dat voor nieuwkomers, die 'significante Anderen' de autochtonen zijn - en omgekeerd: precies vanwege de aanwezigheid van 'significante Anderen' in 'hun' samenleving, krijgen autochtonen iets aangereikt waardoor de 'taal' waarmee ze zichzelf definiëren, verrijkt en veranderd wordt. Dit is een essentieel dynamisch concept van identiteit, dat nog wordt versterkt door Taylors specificatie dat:

 

[d]e politiek van gelijkwaardigheid is gebaseerd op het idee dat alle mensen het waard zijn gerespecteerd te worden en wordt geschraagd door een vermoeden van datgene wat in mensen respect oproept, hoewel we ons wellicht niet al te zeer moeten inlaten met deze 'metafysische' achtergrond. [...] Wat er hier dus als waarde wordt uitgelicht is een universeel menselijk potentieel, een vermogen dat alle mensen delen. Dit vermogen, en niet wat de individuele mens hiervan heeft gerealiseerd, geeft ieder mens de verzekering dat hij wordt gerespecteerd. (1995: 58; originele klemtoon)

 

Kymlicka en Norman hebben een verschuiving van 'vote-centric' naar 'talk-centric' democratische theorie vastgesteld. Toegepast op de multiculturele context, is hun conclusie dan ook dat minderheden pas echt invloed zullen hebben in een meerderheidssysteem, indien ze (kunnen) participeren in de processen van deliberatie en opinievorming van publieke opinie, die het stemmen voorafgaan (2000: 9). In meer algemene termen wordt interactie of het tot stand brengen van wat Jeremy Waldron een 'deliberatieve relatie' heeft genoemd (2000: 173), centraal  gesteld in het voortdurende proces van het realiseren van individueel en groepsgebonden potentieel. In een politieke context heeft de realisatie van dat potentieel in hoofdzaak betrekking op het actualiseren en effectief maken van burgerschap. Dit zou niet alleen willen zeggen dat 'gepaste erkenning' van gelijkwaardigheid tussen de (mogelijks steeds wisselende) gesprekspartners een basisvoorwaarde vormt voor het slagen van het multiculturalistisch project; het kan ook een mogelijke 'strategie' betekenen in het overkomen van een algemeen ervaren frustratie met het formele of procedurele burgerschap. In deze optiek zou het, althans theoretisch, mogelijk zijn de aanwezigheid van 'Anderen' te beschouwen als een kans - een kans tot daadwerkelijke vernieuwing van onze democratie. Zoals hieronder blijkt, wordt echter het debat over inburgeringsplicht vooral gevoerd in de terminologie van een probleem.

3 Inburgeringsplicht: de carrière van een concept

 

In de meeste West-Europese landen heeft men pas heel laat een coherent migrantenbeleid willen ontwikkelen. De gastarbeiders – zo dacht men – waren hier maar voor een korte periode, namelijk zolang tot het tekort aan eigen werkkrachten op de arbeidsmarkt zou verdwijnen. Door de verslechterende economische situatie in de jaren ’70 en door de tendens tot familievereniging van de hier gevestigde migranten, werd steeds duidelijker dat de terugkeer een illusie werd. Vanuit die optiek kwam men in elk West-Europees land met een politiek beleid gericht op de migranten en hun nakomelingen op de proppen. Een oppervlakkige blik op de verschillende Europese landen leert ons dat er grote verschillen bestaan in de aanpak van etnische en culturele minderheden, in de omgang met andere culturen en in de houding ten aanzien van politieke participatie. Overal ging men er wel van uit dat de emancipatie van de migrantengemeenschappen noodzakelijk was om de sociaal-economische achterstand van deze groepen weg te werken. Deze politiek van integratie – welk model ze ook volgde – heeft echter weinig of geen vruchten afgeworpen.

De integratie van migranten werd in bijna heel Europa een zwaar beladen politiek thema sinds het einde van de jaren ’80. Overal merkte men dat extreem-rechtse partijen deze thematiek uitbuitten om een (vernieuwd) nationalistisch politiek programma op te stellen. Tegen deze opmars van extreem-rechts poneerden de verschillende Europese landen de doelstelling van een multiculturele maatschappij, gebaseerd op de democratische beginselen van een rechtsstaat en een harmonieuze samenleving gebaseerd op het (levensbeschouwelijke) pluralisme. Sinds het begin van de jaren ’90 ziet men dan ook overal doorheen Europa het migrantenthema de toetssteen bij uitstek worden van het welslagen van de multiculturele maatschappij.

 

Het migrantenbeleid heeft verschillende invullingen gekend gedurende de laatste twee decennia. Steeds weer veranderden de concepten en doelstellingen van het beleid. Eerst was er sprake van integratie, dan weer van assimilatie, nog later van inpassing en uiteindelijk, in de jaren ’90, van inburgering. Deze laatste term, die pas de laatste jaren naar België is overgewaaid, werd eerst in Nederland geïntroduceerd. Vandaar dat we hier even kort het Nederlandse gebruik van de term willen verduidelijken. Vanaf het begin van de jaren ’80 ging men er in Nederland vanuit dat de integratie van culturele minderheden moest gebeuren met respect voor de culturele identiteit van de migranten. Het beleid trachtte enerzijds de condities te scheppen voor de emancipatie van de minderheden (op de arbeidsmarkt, in het onderwijs, in het huisvestingsbeleid,…) en tegelijkertijd de ontwikkeling van de culturele identiteit te stimuleren (subsidies voor onderwijs in de taal van herkomst, toelagen voor het bouwen van scholen en/of plaatsen van eredienst,…). Het einddoel was de emancipatie van alle aanwezige culturen in Nederland op een zelfde manier na te streven (Loobuyck, 2000: 22). Betrekkelijk snel stelde men echter vast dat deze politiek niet werkte. De migrantengemeenschappen bleven op sociaal-economisch vlak in de meeste gevallen gemarginaliseerd en in termen van het samenleven tussen gemeenschappen stelde men vast dat het eerder een gescheiden ‘naast mekaar’ leven was. Daarenboven maakten de beleidsinstanties (voornamelijk onder druk van de politieke retoriek van extreem-rechts) zich steeds meer zorgen over de groei van criminaliteit van allochtone groepen alsook over de verspreiding van het fundamentalistische gedachtegoed (voornamelijk bij moslims). Het failliet van deze eerste integratieaanpak vroeg om nieuwe inzichten. Vanaf het begin van de jaren ’90 gooide de Nederlandse overheid het over een andere boeg. Het culturele en sociaal-economische beleid ten aanzien van allochtonen zou losgekoppeld worden. Daarom sprak men in beleidstermen niet meer over ‘culturele minderheden’ maar over ‘etnische minderheden’.

 

Zoals elders in Europa leidde dit eerste falen tot vaak verhitte politieke, intellectuele en wetenschappelijke debatten. Het integratiebeleid had volgens verschillende regeringen en aangestelde commissies gefaald omdat (a) de meeste allochtonen nog steeds geen goed Nederlands kenden en (b) de meeste allochtonen nog teveel de eigen groepsidentiteit benadrukten. Daardoor werd de integratie en voornamelijk de tewerkstelling van de allochtoon bemoeilijkt. Anderen vonden dan weer dat, omgekeerd, de culturele verschillen net de achterstelling in de hand hadden gewerkt omdat het beleid geen rekening hield met de verschillende betekenissen van bepaalde politieke concepten die gehanteerd werden in het beleid ten aanzien van de allochtonen (Pinto & Van Ree, geciteerd in Loobuyck 2000).

 

Bij de vorming van de eerste paarse coalitieregering in 1994 werd een  nieuwe aanpak van de problematiek voorgesteld. Men stapte over van een ‘Minderhedenbeleid’ naar een ‘Integratiebeleid’. De verschuiving in terminologie betekende eveneens een verschuiving in inhoud. De eerste achterliggende idee was dat de doelstelling van een multiculturele maatschappij een algemene aanpak nodig had. Niet enkel de minderheden moesten daarbij betrokken worden maar de hele maatschappij. Ten tweede, ging men ervan uit, dat het hele ideaal van de verzorgingsstaat teveel het burgerschap passief benaderde. Autochtonen en allochtonen moesten ook ‘iets doen’ om hun burgerschap in te vullen. Het is binnen dit kader dat de thematiek van inburgering past.

 

De paarse regeringscoalitie haalde het idee van inburgeringscontracten uit een rapport van de Nederlandse onderzoekers Entzinger en Van der Zwan (1994). Zij hadden in het rapport “Beleidsopvolging minderhedendebat” een geïntegreerde aanpak van de migratie voorgesteld die voornamelijk gericht was op het bieden van emancipatiemogelijkheden aan nieuwkomers om beter en efficiënter te kunnen functioneren binnen de Nederlandse maatschappij. Ze stelden een beleid voor dat de tewerkstelling van migranten zou bevorderen via een concessiestelsel, een inburgeringprogramma dat de migranten mondiger moest maken en een grootstedelijk beleid dat de concentratie van grote groepen migranten een halt moest toeroepen. De overheid heeft voornamelijk werk gemaakt van het tweede luik, namelijk de inburgering. Het regeerakkoord van 1994 voorzag in de organisatie van een wettelijk kader voor deze contracten. Op 15 mei 1995 bereikte Binnenlandse Zaken een overeenkomst met de gemeenten over de inburgeringscontracten opdat deze vanaf 1 januari 1996 in werking konden treden (Loobuyck, 2000: 25). De regering werkte verder aan de wettelijke omkadering van deze politiek en de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) werd van kracht vanaf 30 september 1998 waardoor enerzijds de gemeenten verplicht werden de nieuwkomers een inburgeringprogramma voor te stellen op basis van een individueel onderzoek, en anderzijds de nieuwkomers verplichtte zich beschikbaar te stellen voor het volgen van een programma. Bij onwil of verzuim van de nieuwkomer kan de overheid sancties opleggen zoals het inhouden van een deel van uitkering of een boete. De nadruk van deze programma’s ligt op het aanleren van de Nederlandse taal, de opname van de burger in de maatschappij en de integratie op de arbeidsmarkt (Loobuyck, 2000: 26). Uiterlijk 12 maanden na het begin van het programma moet de nieuwkomer een toets afleggen over de Nederlandse taal en de maatschappelijke integratie. Daardoor denkt men dat de nieuwkomer veel sneller op eigen benen zal kunnen staan en beter in de multiculturele maatschappij zal kunnen functioneren.

 

Vanuit deze Nederlandse ervaring, werd het begrip inburgering in Vlaanderen geïntroduceerd. Verwijzing naar inburgering vindt men reeds terug in Verhofstadts Burgermanifesten van 1992. Daarin stelde hij dat de migranten – maar hij bedoelde in de eerste plaats de moslims – zich zo snel mogelijk de essentiële waarden van onze democratische maatschappij moesten eigen maken wilden ze zich hier vestigen. In de burgermanifesten is de kwestie van inburgering niet zozeer een onderdeel van een voorstel tot migrantenbeleid. Het gaat hem eerder om een eis tot assimilatie van de Andere in ons politiek bestel. Naar aanleiding van verschillende probleemdossiers aangaande migranten, heeft de VLD steeds het voortouw genomen in het debat rond inburgeringscontracten.

 

Los van de retoriek van de VLD hadden verschillende Vlaamse maatschappelijke organisaties inburgeringprogramma’s opgestart. Zowel in Gent (Kom-Pas) als in Antwerpen (Project Integratie Nieuwkomers Antwerpen) werden in de tweede helft van de jaren ’90 verschillende projecten van trajectbegeleiding voor nieuwe migranten georganiseerd waarbij de nadruk vooral lag op het aanleren van de Nederlandse taal en het wegwijs maken van de nieuwkomer in de politieke en sociale structuren van de overheid. Bilzen was de eerste Vlaamse gemeente waar deze contracten zelf verplicht werden.[1] Nieuwkomers werden verplicht zo een programma te volgen alvorens zich te kunnen inschrijven in het bevolkingsregister – niettegenstaande het feit dat deze verplichting in strijd is met het basisprincipe van 'vrije vestiging' (Loobuyck, 2000).

 

De term inburgering werd voor het eerst in een overheidsdocument gebruikt in het Vlaamse regeerakkoord van 1999:

 

Nieuwkomers in onze samenleving en alle allochtonen die hier een tijd verblijven, moeten optimaal deelnemen aan de samenleving. Dat houdt in dat ze onze taal leren, kennis maken met onze democratische waarden en zich op de arbeidsmarkt integreren. Daarvoor is voldoende aanbod nodig. Er wordt een systeem van inburgering opgezet, met respect voor de eigenheid van de allochtone medeburger. (geciteerd in Loobuyck, 2000: 28)

 

Het was voornamelijk de VLD die de agenda inzake inburgering verder wilde zetten. In een uitzending van De Zevende Dag (VRT: 19.12.99) stelde VLD-voorzitter Karel De Gucht dat er zo snel mogelijk inburgeringscontracten moesten komen waarin nieuwkomers en migranten die minder dan 5 jaar in ons land verbleven verplicht zouden worden onze taal te leren alsook een algemene maatschappelijke oriëntatie. De inburgering zou verplicht worden, zo stelde De Gucht verder, en de sanctie voor onwillenden zou een inhouding van het stempelgeld of de OCMW-uitkering zijn. Met deze uitspraak nestelde de kwestie van de inburgering zich definitief in de Vlaamse politieke debatten.

 

Hierna willen we dan ook een beschrijving geven van wat de positie is van de Vlaamse partijen en het gevoerde beleid aangaande het dossier en voornamelijk ook een analyse maken van hun standpunten in het licht van onze vraagstelling, namelijk: wat betekent het standpunt over inburgering in relatie tot de eigen identiteit en de invulling van de multiculturele democratische maatschappij?

4 Inburgering volgens de Vlaamse politieke partijen:

beleid, debat en analyse

 

Tegen het einde van de vorige legislatuur legde de Vlaamse regering, geleid door de CVP, de eerste stenen van een specifiek onthaalbeleid voor nieuwkomers. De nieuwe Vlaamse regering ging, onder impuls van de VLD, een stap verder. In een Afsprakennota aangaande het inburgeringsbeleid (21 juni 2000) werden de belangrijkste krijtlijnen van het beleid samengevat. Specifiek besliste de regering om te kiezen voor de term inburgering en inburgeringsbeleid dat op basis van drie pistes zou ontwikkeld worden, namelijk (1) het leren van de taal, (2) de kennismaking met ‘onze’ democratische waarden met inbegrip van de culturele component en (3) de integratie op de arbeidsmarkt (ICEM, 2000). Dit beleid zou in eerste instantie toegespitst worden op de nieuwkomers, maar zou ook toegankelijk moeten zijn voor de migranten die hier reeds geruime tijd wonen. Het einddoel is de zelfredzaamheid van de migrant te verzekeren op professioneel, educatief en sociaal gebied. De contouren van dit beleid sluiten nauw aan bij het standpunt van het VLD-partijbestuur dat de mosterd in Nederland haalde:

 

Het begrip inburgering wordt er als een ontwikkelingsproces aangeduid dat leidt tot daadwerkelijke participatie in de samenleving die men heeft aanvaard en waarin men zijn weg vindt. De kennis van de taal wordt hierbij als een belangrijk kenmerk van inburgering beschouwd. (VLD-partijbestuur, 20.12.1999).                                 

 

Over deze algemene uitgangspunten bestaat er consensus tussen de meeste politieke partijen. Wat de concrete implementatie betreft, zijn er echter afwijkende politieke houdingen. Het voorstel van de VLD om de inburgeringsprogramma’s verplichtend te maken – en zelfs sancties voor onwillenden voor te stellen – stuitte op weerstand bij de regeringspartners SPa en Agalev alsook de oppositiepartij CD&V. Zowel SPa als Agalev vinden het ongepast de nieuwkomers te verplichten zolang het aanbod van de gemeenten te klein blijft (aangezien er enorme wachtlijsten bestaan) en zolang er duidelijke discriminatie bestaat op de arbeidsmarkt. De nadruk bij deze twee partijen ligt dan ook niet zozeer bij het ‘opleggen van een contract’ aan nieuwkomers, maar wel bij het uitbouwen van een reëel gelijke kansenbeleid.

De inburgering van nieuwkomers is voor beide partijen slechts één onderdeel van de politiek van gelijke kansen en emancipatie. Zowel SPa (De Standaard, 29.03.2001) en Agalev maken daardoor – voor een deel onbewust – een onderscheid tussen het formele burgerschap met zijn nadruk op het rechten- en plichtendiscours enerzijds en het materiële burgerschap dat voornamelijk verwijst naar de concrete ongelijke levensomstandigheden van bepaalde minderheidsgroepen (Foblets & Hubeau 1997: 27). Binnen het kader van de emancipatie van etnische en culturele minderheden, voorzien Agalev (20.04.2002) en SPa dan ook een aantal andere maatregelen die de daadwerkelijke participatie van allochtonen moet bevorderen zoals het migrantenstemrecht of directe maatregelen tegen discriminerende werkgevers. De SPa gaat ervan uit dat het stemrecht op lokaal niveau voor migranten – los van de nationaliteit – een belangrijk mechanisme van emancipatie kan teweeg brengen, waardoor migranten daadwerkelijk participeren binnen de samenleving en zo de facto medeburgers worden. De N-VA van Geert Bourgeois (17.12.2001) volgt bijna dezelfde denkwijze; alleen stelt zij voor dat vooraleer het stemrecht er komt, een nieuwkomer zijn integratiewil moet tonen door het volgen van een inburgeringscontract. De VLD, zoals we reeds zagen, blijft voornamelijk de nadruk leggen op de integratiewil van de nieuwkomers. De VLD is geen voorstander van een specifiek beleid naar werkgevers toe. Aangezien de nieuwkomers via een inburgeringscontract klaar worden gestoomd om functioneel in de maatschappij te leven, moeten zij zich ook kunnen aanpassen aan de marktmechanismen. De VLD blijft dus weinig oog hebben voor mechanismen van sociale uitsluiting en marginalisatie.

 

De CD&V is de enige partij die de term 'inburgering' verwerpt. De CD&V kiest voor 'onthaalbeleid' omdat ze dit minder agressief vindt, meer uitnodigend en ervan uit gaat dat de nieuwkomer respect heeft voor de lokale cultuur i.p.v. de indruk te wekken dat het gaat om ‘mindere burgers’ zou gaan. Ook voor de CD&V krijgen de nieuwkomers voorrang maar moet het ook mogelijk zijn voor migranten die hier reeds lange tijd verblijven, zich in te schrijven voor een onthaalprogramma. Spirit claimt te ijveren voor een multiculturele maatschappij waarin inburgering een wederzijdse dynamiek (tussen allochtonen en autochtonen) veronderstelt:

 

Onze samenleving moet afstappen van de idee dat nieuwkomers of vreemdelingen hun cultuur moeten opgeven om zich volledig te assimileren met onze cultuur en gewoontes. Wij pleiten voor inburgering met een wederzijdse dynamiek. Nieuwe elementen kunnen onze cultuur bestuiven. Positieve actie op de arbeidsmarkt, een aanbod aan initiatieven om Nederlands te leren, het activeren van gemeentelijke, politieke en culturele participatie moeten nieuwkomers alle kansen bieden in een voor hen nog vreemde culturele omgeving. (29.01.2001).

 

Het Vlaams Blok, tenslotte, wil dat inburgeringscontracten bekostigd worden door de migranten zelf. De Vlaamse-Belgische overheid moet daar geen geld insteken. Op het einde van zo’n contract zou de migrant niet alleen de streektaal moeten kunnen maar ook een loyaliteitsverklaring afleggen. De nieuwkomer moet eveneens de Vlaamse (Belgische?) geschiedenis leren, de politieke instellingen,… Zij die niet ‘loyaal’ aan Vlaanderen zijn (wat betekent dit concreet?) moeten teruggestuurd worden en tegelijkertijd moeten de migratiestop en de naturalisatiewetgeving worden versterkt.

 

Alle politieke partijen – met uitzondering van het Vlaams Blok – stellen dus de harmonieuze multiculturele democratie als einddoel voor, ongeacht hun verschillende politieke opties om dit te bereiken. Wat voornamelijk opvalt in dit debat, is dat geen enkele partij echt duidelijk definieert wat zij met multiculturalisme bedoelt. Het gebrek aan een duidelijke inhoud van deze universeel abstracte term zorgt ervoor dat elke politieke actor het tracht te vertalen naar een ‘typische inhoud’ die het abstracte karakter ervan moet verduidelijken. Dit is wat Slavoj Zizek bedoelt met de “typificerende inhoud” (typifying content), namelijk 'the element of phantasy, of the phantasmic background/support of the universal ideological notion. (…) [It] is by no means an insignificant illustration or exemplification' (Zizek, 1997: 29). Het is juist op het niveau van de ‘vertaalde term’, de ‘typische inhoud’ dat de ideologische gevechten zich afspelen. Zo wordt (onder meer) een 'typische inhoud' geconstrueerd met betrekking tot de zogeheten problematiek van de islam (Zemni, 2002). Bovendien wordt multiculturalisme niet meer besproken in haar universeel en abstract kader, maar enkel in de termen van 'integratie' en 'inburgering'.

 

Binnen de ‘typische inhouden’ van deze ideologische conflicten, is het taalaspect misschien wel de meest duidelijke gemene deler: taal wordt (vaak impliciet) beschouwd als een minimum vereiste bij het overwegen van de mogelijkheden van ‘integratie’ en ‘inburgering’. Wat echter vaak uit het oog wordt verloren, is dat het ‘taalaspect’ van dit debat tweevoudig is: enerzijds is er de concrete vraag of men de 'Andere' het aanleren van de 'gasttaal' kan opleggen; anderzijds is er de eerder symbolische benadering die 'taal' in haar ruimere betekenis beschouwt: als 'instrument' voor (zelf)identificatie, voor interactie en voor het realiseren van een burgerschappotentieel. In het kader van die laatste benadering leggen de meeste 'multiculturele' auteurs de nadruk op de positieve functie van taal, waarbij sommigen zover gaan dat ze haar beschrijven als een onderdeel van de 'seculiere godsdienst', het bindweefsel van de maatschappij omdat ze interne cohesie en nationale identiteit promoot (cf. Fishman, 1989). Ook Giddens' conclusie (supra) dat identiteitsvorming niet zozeer te maken heeft met biografische continuïteit, dan wel met de continuïteit van communicatie(mogelijkheden), zou suggereren dat het aanleren van de 'officiële' taal een redelijke eis is in een multiculturele samenleving.

 

Binnen deze eerder symbolische benadering van taal bestaat er nochtans een belangrijke tegenstroming die de nadruk legt op haar hegemonische en dus, in multiculturele termen, negatieve structurering van de werkelijkheid. Expliciet of impliciet gaat deze stroming terug op de gekende stelling van Noam Chomsky dat 'questions of language are basically questions of power' (1979: 191), precies omdat taal een belangrijke factor is in het bestendigen van machtsrelaties tussen dominante en ondergeschikte groepen. De 'deconstructie' van die impliciete machtsverhouding is o.m. de kern van het Critical Language Pragmatism waarop Blommaert en Verschueren zich steunen (1998); Carol Schmid illustreert het in haar comparatieve studie over taal en cultureel pluralisme (2001); John Solomos (2001: 202) stelt de machtsfactor centraal wanneer hij als centrale vragen in het multiculturele debat de volgende formuleert: 'Who is constructing the categories and defining the boundaries? Who is resisting these constructions and definitions? What are the consequences being written into or out of particular categories?'.

 

Dit alles lijken ons belangrijke kritische opmerkingen en vragen die inderdaad voortdurend in rekening moeten worden gebracht. Maar men moet zich toch ook afvragen waartoe ze leiden in de praktijk. Precies omdat hun analyse over het Vlaamse debat gaat, verwijzen we naar het argument van Blommaert en Verschueren. Om te beginnen stellen ze, met referentie naar de antropologisch-linguistieke literatuur over interculturele communicatie, dat taal niet homogeen is, maar een variabel instrument. Dit verklaart waarom het leren van een taal niet automatisch leidt tot het overnemen van de levensstijl, wereldbeeld, waarden of culturen van haar native speakers. Dit lijkt logisch. Daaruit lijkt ook de volgende stap in de redenering te volgen, namelijk dat het aanleren van de taal van de gastsamenleving geen 'simpele, noodzakelijke en voldoende voorwaarde' is voor de garantie van vlotte communicatie tussen immigranten en autochtonen, laat staan voor het overbruggen van raciaal-etnische, of socio-economische grenzen. Ook dit lijkt logisch. Maar de volgende stap ligt o.i. moeilijker: 'It is thus hard to avoid the conclusion that positions are taken, underlying arguments being used at will, only in view of the protection of the identity (or is it the power?) of the majority and of (re)homogenizing society' (1998: 129-132).

 

Van twee zaken één. Ofwel is taal homogeen, waardoor de verplichting tot haar verwerving kan bijdragen/leiden tot de herhomogenisering van de maatschappij - omdat daardoor de dominante waarden enz. zijn doorgegeven. In dit geval kan die verplichting als offensief (tegen het 'andere' waardepatroon) worden beschouwd. Ofwel is taal niet homogeen en worden de dominante waarden dus niet automatisch doorgegeven, precies omdat ze niet ondubbelzinnig in de 'taalstructuur' vervat zitten. Ook hier zou een taalverplichting offensief kunnen worden opgevat, maar dan wel tegenover het autochtone waardepatroon en de eigen machtspositie die door de inbreng van verdere taalvariabiliteit zullen verwateren. Dit laatste zou men kunnen interpreteren als een daad van waarachtig multiculturalisme of, volgens de definitie van de auteurs, een radicale aanvaarding van diversiteit. Op basis van hun algemeen betoog lijkt het echter onwaarschijnlijk dat we tot deze conclusie zouden moeten komen. Met betrekking tot taal wordt alvast de conclusie gesuggereerd dat de nieuwkomer niet kan 'winnen': het lijkt alles of niets te moeten zijn. En aangezien 'alles' zo verwerpelijk is, moet het dan maar 'niets' worden, niet eens de erkenning van de mogelijkheden die vervat liggen in het aanleren van de gasttaal. Het is natuurlijk juist te stellen dat taalverwerving op zichzelf niet voldoende is om factoren als raciale of economische discriminatie uit te schakelen; maar het enige alternatief, namelijk het niet-verwerven van de gasttaal draagt nog veel minder daartoe bij. Als het bovendien juist is, zoals hierboven werd gesteld, dat democratische argumenten voor een vernieuwd burgerschap zich steeds meer richten op het belang van interactieve communicatie, dan is taal inderdaad geen voldoende, maar wel een noodzakelijke voorwaarde. In de transitie naar een werkelijk multiculturele samenleving lijkt het eveneens noodzakelijk kansen te erkennen voor wat ze zijn: een potentieel dat moet gerealiseerd worden door mensen.

 

Kymlicka en Norman hebben vastgesteld dat vele theoretische geschriften over multiculturalisme geen rekening houden met hun mogelijke implicaties wat betreft concrete beleidsmaatregelen. Onbarmhartig concluderen zij dat vaak de volgende boodschap het sterkst klinkt: 'society would be better if people in it were nicer and more thoughtful' (1994: 369). In meer algemene termen zou men kunnen stellen dat het inhoudelijke debat over de multiculturele democratische maatschappij vaak met weinig diepgang wordt gevoerd. Het is echter ook belangrijk erop te wijzen dat dit, minstens ten dele, een gevolg is van de structurele context waarbinnen dit het debat 'moet' worden gevoerd. Slavoj Zizek omschrijft dit als de context van de ‘post-politiek’ namelijk de situatie waarin

 

the conflict between the ideological world-visions, as embodied in different parties that are in competition over the exercise of power, is being replaced by the cooperation of enlightened technocrats (economists, opinion polls…) and liberal multiculturalists that leads to a compromise that is attained by way of negotiation and the watching of interests, and is presented as a more or less universal consensus. (Zizek, 1998: 25)

 

Het hele debat van integratie en inburgering wordt daardoor bijna afgedaan als een technische aangelegenheid. Het goed opvangen en begeleiden van de migranten zou na verloop van tijd uitmonden in een conflictloze maatschappij waarin éénieder zijn/haar plaats vindt. In dat debat wordt de ‘Andere’ duidelijk geviseerd – zelfs in de meest democratische termen – als de probleemfactor voor het bereiken van een multiculturele maatschappij.

 

Los echter van wat de ‘Andere’ al dan niet wordt opgelegd, wordt bovendien verzwegen wat we nu over onszelf denken en in welke mate deze standpunten de essentie van de democratie raken. De impliciete identiteitsdefinitie is nochtans duidelijk. Zo ijvert bijvoorbeeld de VLD voor sancties voor onwillende allochtonen door het stopzetten van de OCMW-uitkering of stempelvergoeding. Het weigeren van een inburgeringsprogramma zou betekenen dat de allochtoon zich niet wil integreren. Met andere woorden, door de verantwoordelijkheid voor het al dan niet welslagen van de multiculturele maatschappij bij de ‘Andere’ te leggen (waarbij blijkbaar niets wordt verwacht van de autochtonen), impliceert men dat ‘Wij’ automatisch multicultureel zijn en de basiswaarden van pluralisme en tolerantie als heel normaal in ons meedragen. Van allochtonen wordt verwacht dat zij kennis maken 'met onze democratische waarden met inbegrip van de culturele component' (ICEM 2000: 2). Dit zou erop wijzen dat de allochtoon per definitie die eigenschap ontbeert terwijl ‘Wij’ juist deze waarden in onze ingebakken identiteit bezitten. De 'Andere' moet het nog bewijzen; ‘Wij’ zijn reeds democratisch.

Het feit dat ervan uitgegaan wordt dat wij met zijn allen de democratische waarden bezitten, is gebaseerd op een nefast werk van zelfcensuur dat we kunnen vaststellen in het identiteitsdiscours op het Vlaamse (cf. Blommaert & Verschueren, 1998), maar ook op het Belgische en het Europese niveau. Op al deze niveaus gaat men ervan uit dat de waarden van de Verlichting – die vandaag voornamelijk worden samengevat onder de termen 'democratie, mensenrechten en pluralisme' – een essentieel deel van ‘onze’ identiteit zijn. Zo worden de eindeloze godsdienstoorlogen, pogroms, burgeroorlogen, de Endlösung, de behandeling van zigeuners of de verschillende vormen van discriminatie en racisme aanzien als niet meer dan ‘ongelukjes’ op de Europese gouden geplaveide weg naar mensenrechten en democratie:

 

Europe is above all a community of values. The aim of European unification is to realize, test, develop and safeguard these values. They are rooted in common legal principles acknowledging the freedom of the individual and social responsibility. Fundamental European values are based on tolerance, humanity and fraternity. Building on its historical roots in classical antiquity and Christianity, Europe further developed these values during the course of the Renaissance, the Humanist movement, and the Enlightenment, which led in turn to the development of democracy, the recognition of fundamental and human rights, and the rule of law. (Europees Charter)

 

Europese, Belgische en/of Vlaamse intolerantie is dus geen onderdeel van ‘onze’ identiteit, cultuur of traditie. Door het ontkennen van de aanwezigheid van racisme, intolerantie en xenofobie in onze maatschappij, houden we ons een heel positief zelfbeeld voor: het is altijd de ‘Andere’ die schuld treft. De functionaliteit van zo een multiculturele identiteit die we onszelf toeschrijven betekent dat de politieke actoren het thema politiek kunnen gebruiken:

 

Similarly, the multicultural ideology engages in the act of creating otherness in order to reaffirm the myth of European tolerance. (…) The notion of authenticity as expressed through group-identity is presented as the ultimate freedom. This paradoxically means that tolerance can lead to its opposite: i.e. the creation of incommensurable boundaries between “Us” and “Them” (Finkielkraut). In the post-political context, this also serves to generate and politicize the political distinctions that drive mobilization—and that win votes—in an adversarial political system. There is a potentially circular and self-fulfilling relationship between the ideology as manifested in the practice and exercise of public policy, and the processes that lead to an awareness of cultural distinction as a problematic feature of the European social landscape. (Zemni & Parker, 2002)

 

Als dan de expliciete vraag wordt gesteld naar de functionaliteit van dit soort impliciete identiteitsdefinitie, lijkt het niet overdreven te stellen dat ze voornamelijk geruststellend werkt: althans in het kader van het debat omtrent inburgeringsplicht is er geen verwarring over het eigen democratische gehalte. Als we echter een ruimer kader beschouwen, blijkt de verwarring heel wat groter te zijn. Met name Kris Deschouwer heeft o.i. overtuigend geargumenteerd dat de politieke elites zich onzeker voelen, onder meer vanwege het wegvallen van de traditionele band tussen partijen en kiezers (1997: 9ff). Met andere woorden, het gevoel van 'crisis in de democratie', waarvan hoger sprake, is vertrokken van bovenaf – en is intussen 'doorgegeven' naar bredere bevolkingsgroepen (onder meer via de nieuwe politieke communicatie die centraal staat in de analyse van Jan Blommaert 2002). Vandaar de initiatieven voor de zogeheten Nieuwe Politieke Cultuur, de herverkaveling en de pogingen tot het tot stand brengen van een 'brede volkspartij'. Met betrekking tot dit laatste heeft Deschouwer er al op gewezen dat 'een toenemende wispelturigheid van de kiezers […] niet zomaar kan beschouwd worden als een bedreiging voor de democratie. Er zijn goede argumenten om te stellen dat precies het tegendeel waar is.' (1997: 12) Anthony Birch geeft één van die argumenten, waarbij hij bovendien wijst op het gevaar dat schuilt in de verdeling van gemeenschappen volgens identitaire lijnen:

 

[R]epresentative democracy can only work in a society with a body of floating voters ready to change their partisan support in response to changing party policies and political conditions. If the society is divided on ethnic or religious or linguistic lines to such degree that membership of these communal groupings determines partisan loyalties, then there is likely to be no alteration of political power, no readiness to compromise and no acceptance of majority rule by the minority. (1989: 39-40)

 

Bovendien is het reduceren van allerhande maatschappelijke problemen tot identiteitsaangelegenheden nefast omdat daardoor de aandacht wordt afgeleid van hun (vaak) socio-economische bases. Deze argumenten worden duidelijk niet erkend door onze politieke elites die daarentegen trachten (opnieuw) een (zo groot mogelijke) mate van zekerheid in het politieke 'spel' te brengen. Dit suggereert dat er wel degelijk sprake is van onzekerheid in de hoofden van (ten minste) onze elites. Ook het argument van transparant, efficiënt en goed beleid – overgewaaid uit de Angelsaksische literatuur omtrent ‘good governance’ – wijst hierop: de politici trekken zich (vanuit een gevoel van onmacht?) terug en laten de technocratie de overhand nemen (cf. Crick, 1982: 93ff; Van den Bossche, 2001a: 43-44).

In deze context heeft het debat omtrent inburgeringsplicht (en het migrantenstemrecht) misschien wel een complementaire functionaliteit: precies vanwege de impliciete veronderstelling dat dit betrekking heeft op een makkelijk af te bakenen 'blok' in de maatschappij, kan een 'niche' worden gevormd – mét de connotaties van een 'warme, gezellige plek om te vertoeven'. Terwijl in de 'grote boze wereld' daarbuiten onzekerheid heerst, met  onvermijdelijke aspecten als (identitaire) bedreiging, kan men zich bij tijden als het ware terugplooien in een bufferzone waarin men zichzelf en elkaar bemoedigende schouderklopjes kan geven. Om het minder metaforisch uit te drukken: als de eigen identiteit onduidelijk is geworden in de bredere context van de democratie, biedt het inburgeringsdebat misschien wel bevestiging van zelf-identiteit en zelf-legitimatie (cf. Barker, 2001) binnen het beperktere kader van het multiculturele discours. Kortom, de beperktheid waartegen hierboven werd ingegaan, zou wel eens het fundament kunnen uitmaken van de 'elitaire' functionaliteit van dit debat. Als dit correct zou zijn, valt te vrezen voor de operationalisering van die andere functionaliteit, namelijk het anders combineren van identiteit en politiek ter bevordering van democratisch burgerschap en participatie.

 

Besluitend kunnen we herhalen dat het hele debat rond inburgering niet zomaar een ‘technische’ kwestie van omgaan met migranten is. Het hele debat roept essentiële vragen op over de werking van onze democratie (Wie is burger en wie niet? Welke criteria kan men daar voor gebruiken?…).  Identiteiten zijn geenszins essenties die eigen zijn aan de ene of andere groep maar moeten gezien worden als processen van onderhandeling tussen het Zelf en de Andere waardoor er steeds mogelijkheden tot conflict kunnen ontstaan. Tegelijkertijd echter is het volgens ons juist ook mogelijk identiteiten als een positieve en opbouwende kracht te zien in een multiculturele maatschappij. Het spreekt voor zichzelf dat dit geen gemakkelijke opgave is zolang de ‘autochtonen’ vooral bezig zijn met het afbakenen van de rechten en plichten van de Andere ipv. zichzelf – en daardoor ook de aard van onze democratie en de vormen van sociale cohesie die we willen opbouwen – eveneens in vraag te stellen. De Andere overladen met de ‘verantwoordelijkheid’ om de multiculturele maatschappij te doen slagen, is een nefaste manier om om te gaan met de uitdagingen die de Westerse democratie in het begin van dit millennium kent. De groeiende maatschappelijke fragmentering als gevolg van de processen van mondialisering in de late moderniteit – vertaald in de spreekwoordelijke kloof tussen burger en politiek – heeft nood aan andere oplossingen dan de Andere (per definitie maatschappelijk zwakker en dus kwetsbaarder) als zondebok te gebruiken.

 

Eindnoot

[1] Voor een overzicht van de verschillende Vlaamse pilootprojecten zie Poffyn (2001: 80-86).

Bibliografie

 

Adam, Barbara, Ulrich Beck & Joost van Loon (eds) (2000) The Risk Society and Beyond: critical issues for social theory, London: Sage.

AGALEV. 20.04.2000, Inburgering: Volwaardig burgerschap is het doel, persconferentie, http://www.agalev.be, geraadpleegd op 11.02.2002.

APPIAH, K. Anthony (1995) 'Identiteit, authenticiteit, overleving: multiculturele samenlevingen en sociale reproduktie', in Amy Gutman (red.), Multiculturalisme. Amsterdam: Uitgeverij Boom, 172-188.

BARKER, Rodney (2001) Legitimating Identities. The self-presentations of rulers and subjects, Cambridge: Cambridge University Press.

BIRCH, Anthony H. (1989) Nationalism & National Integration, London: Unwin Hyman.

BLOMMAERT, Jan & Jef VERSCHUEREN (1998) Debating diversity. Analysing the discourse of tolerance, London: Routledge.

BLOMMAERT, Jan (2002) Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing, Berchem: Epo.

BRUBAKER, Rogers (1992) Citizenship and Nationhood in France and Germany. Cambridge, MA: Harvard University Press.

CASTELLS, Manuel (2000) The rise of the network society, Malden, MA: Blackwell.

CHEBEL, Malek (1986) La formation de l'identité politique, Paris: Presses Universitaires de France.

CHOMSKY, Noam (1979) Language and Responsibility, Brighton, East Sussex: Harvester Press.

CRICK, Bernard (1982) In Defence of Politics, LONDON: Harmondsworth, revised 2nd ed.

DESCHOUWER, Kris (1998) 'Politieke partijen en de moeilijke democratie', Samenleving en Politiek, 5/1: 4-17.

DE TOCQUEVILLE, Alexis (1835,1840) 1961,1986, De la démocratie en Amérique. Paris: Gallimard, 2 vols.

DUCATEL, Ken e.a. (eds.) (2000) The information society in Europe: work and life in an age of globalization, Lanham (Md): Rowman and Littlefield.

DUNN, Robert G. (1998) Identity crises: a social critique of postmodernity, Minneapolis: University of Minnesota Press.

Elchardus, Mark (ed.) (1998), Wantrouwen en onbehagen. Over de vertrouwens- en legitimiteitscrisis, Brussel: VUB Press.

ELCHARDUS, Mark, Marc HOOGHE & Wendy SMITS (1999), Participatie in Vlaanderen: een beschrijving van de deelname aan het verenigingsleven en het vrijwilligerswerk in Vlaanderen, Brussel: VUB, Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR.

ELCHARDUS, Mark, Marc HOOGHE & Wendy SMITS (2000), Tussen burger en overheid: een onderzoeksproject naar het functioneren van het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen: samenvatting van de onderzoeksresultaten. 1: oorzaken en gevolgen van middenveldparticipatie, Brussel: VUB Press.

Elchardus, Mark, Luc Huyse & Marc Hooghe (red.), met medewerking van Ellen Van Dael e.a.(2000), Het maatschappelijke middenveld in Vlaanderen, Brussel: VUB Press.

ELCHARDUS, Mark, Ernest HENAU, Philippe MUYTERS e.a. (2001) Denken voor Vlaanderen: over levenskwaliteit, Leuven: Davidsfonds.

FISHMAN, Joshua (1989), Language and Ethnicity in Minority Sociolinguistic Perspective, Clevedon: Multilingual Matters.

Foblets, M.C. & B. Hubeau (red.) (1997) Nieuwe burgers in de samenleving? Burgerschap en inburgering in België en Nederland, Leuven/Amersfoort: Acco.

GELLNER, Ernest (1983) Nations and Nationalism. London: Weidenfeld & Nicolson.

GELLNER, Ernest (1987) Culture, Identity, and Politics, Cambridge: Cambridge University Press.

GEUDENS, Godfried (2000) 'Zwakte van de liberale democratie. Pleidooi voor een terugkeer naar de ideologie', Samenleving en Politiek, 7/10: 15-24.

GIDDENS, Anthony (1991) Modernity and Self-Identity. Self and Society in the Late Modern Age, Cambridge: Polity Press.

GUTMANN, Amy (1995) 'Inleiding', in: Amy Gutman (red.), Multiculturalisme, Amsterdam: Uitgeverij Boom, 17-41.

HALL, Stuart (1992) 'The Question of Cultural Identity', in: St. Hall & T. McGrew (eds), Modernity and Its Futures, Cambridge: Polity Press.

HANSON, Russell L. (1989) 'Democracy', in: T. Ball, J. Farr & R.L. Hanson, Political Innovation and Conceptual Change, Cambridge: Cambridge University Press, 68-89.

HEATER, Derek B. (1990) Citizenship: The Civic Ideal in World History, Politics and Education, London: Longman.

ICEM (Interdepartementale Commissie Etnisch-Culturele Minderheden) (2000) Jaarrapport 2000, http://www.wvc.vlaanderen.be/minderheden, geraadpleegd op 12.02.2002.

KYMLICKA, Will & Wayne NORMAN (1994) 'Return of the Citizen: A Survey of Recent Work on Citizenship Theory', Ethics, 104/2: 352-81.

KYMLICKA, Will & Wayne NORMAN (2000) 'Citizenship in Culturally Diverse Societies: Issues, Contexts, Concepts', in: Will Kymlicka & Wayne Norman (eds), Citizenship in Diverse Societies, Oxford: Oxford University Press, 1-41.

KYMLICKA, Will (2001) Politics in the Vernacular. Nationalism, Multiculturalism, and Citizenship, Oxford: Oxford University Press.

LESAGE, Dieter (1998) Zwarte gedachten over België. Antwerpen: Dedalus.

LOOBUYCK, Patrick (2000) 'Inburgeren in Nederland en Vlaanderen. Een inleiding tot een debat', Samenleving en Politiek, 7/4, 21-35.

MARTIN, Denis-Constant (1994) Cartes d'identités. Comment dit-on nous en politique?, Paris: Presses de la FNSP.

MEYER, Birgit & GESCHIERE, Peter (eds.) (1999) Globalization and identity: dialectics of flow and closure, Oxford: Blackwell.

MITCHEL, Mark & Dave RUSSELL (1996) 'Immigration, Citizenship and the Nation-State in the New Europe', in: Brian Jenkins & Spyros A. Sofos (eds), Nation & Identity in Contemporary Europe, London: Routledge, 54-80.

MODOOD, Tariq (2000) 'Anti-Essentialism, Multiculturalism, and the 'Recognition' of Religious Groups', in: Will Kymlicka & Wayne Norman (eds), Citizenship in Diverse Societies, Oxford: Oxford University Press, 175-195.

N-VA. 17.12.2001, Inburgering is absolute voorwaarde voor stemrecht en voor nationaliteitsverwerving, http://www.n-va.be, geraadpleegd op 11.02.2002.

POFFYN, Annelies (2001) Inburgeringsplicht: een blok aan het been of een stap vooruit? Visies op integratie, onuitgegeven licentiaatsscriptie, Vakgroep Politieke Wetenschappen, Universiteit Gent.

PUTNAM, Robert (1993) Making Democracy Work: Civic Traditions in Modern Italy, Princeton: Princeton University Press.

RAES, Koen (1998) 'Politiek zonder geheugen', Samenleving en Politiek, 5/2: 1-2.

SCHMID, Carol L. (2001) The Politics of Language. Conflict, Identity, and Cultural Pluralism in Comparative Perspective, Oxford: Oxford University Press.

SOLOMOS, John (2001) 'Race, Multi-culturalism and Difference', in: Nick Stevenson (ed.), Culture & Citizenship, London-Thousand Oaks-New Delhi: Sage Publications, 198-211.

SPIRIT. 29.01.2001, Platform http://www.meerspirit.be/dossiers.php?article=dossiers/2001/11/29/1 geraadpleegd op 11.02.2002.

STEPAN, Alfred (1998) 'Modern multinational democracies: transcending a Gellnerian oxymoron', in: John A. Hall (ed.). The State of the Nation. Ernest Gellner and the Theory of Nationalism. Cambridge: Cambridge University Press, 219-239.

TAYLOR, Charles (1995) 'De politiek van erkenning', in: Amy Gutman (red.), Multiculturalisme, Amsterdam: Uitgeverij Boom, 43-95.

TIRYAKIAN, Edward (1997) 'The Wild Cards of Modernity', Daedalus, 126: 147-181.

VALADEZ, Jorge M. (2001) Deliberative Democracy, Political Legitimacy, and Self-Determination in Multicultural Societies, Boulder, Colorado: Westview Press.

VALK, J.M.M., de (1999) ‘Wat hebben wij in de 20ste eeuw over de samenleving geleerd’, in: S.W. Couwenberg (ed.), Op de drempel van een nieuwe eeuw. Terugblik op de 20ste en vooruitblik op de 21ste eeuw, Baarn-Rotterdam: Agora-Stichting Civis Mundi, 117-129.

VAN DEN BOSSCHE, Geert (2001a) De natie in de staat en de staat van de natie. Naar een positieve herwaardering van politieke gemeenschap, Demokritos 2.

VAN DEN BOSSCHE, Geert (2001b) 'Staatsvorm, of: Wat hebben we geleerd sinds de Tocqueville? Politiek-historische beschouwingen bij de verhouding tussen vrijheid en gelijkheid in de democratische staat', in: Christian Van Kerckhove & Marleen Easton (eds), Hoezo democratie? De spanning tussen vrijheid en gelijkheid, Berchem: Epo, 201-213.

VAN DEN BRANDE, August (1997) Sociologie van een halve eeuw Belgische politiek, Leuven: Garant, pp.11-41.

VLD-partijbestuur, 20.12.1999, Inburgering: VLD-partijbestuur achter voorstellen van partijvoorzitter De Gucht,

http://www.vld.be/nieuws/persmededelingen/voorstellendegucht.html, geraadpleegd op 11.02.2002.

WALDRON, Jeremy (2000) 'Cultural Identity and Civic Responsibility', in: Will Kymlicka & Wayne Norman (eds), Citizenship in Diverse Societies, Oxford: Oxford University Press, 155-174.

WALZER, Michael (1993) Spheres of Justice: A Defense of Pluralism and Equality, New York: Basic Books.

WALZER, Michael (1995) 'Commentaar', in: Amy Gutman (red.), Multiculturalisme, Amsterdam: Uitgeverij Boom, 121-126.

WEYNS, Walter (1999) 'Inleiding', in Walter Weyns (red.), Identiteit: tussen geborgenheid en mogelijkheid, The Millennium Conferences 1999, Brussel: Koning Boudewijnstichting, (geen paginering).

ZEMNI, Sami (2002) 'Islam, European Identity and the Limits of Multiculturalism', in: Wasif A.R. Shadid,  & Pieter Sjoerd Van Koningsveld. Religious Freedom and the Neutrality of the State: The Position of Islam in the European Union, Leuven-Paris-Sterling: Peeters, pp.158-173.

ZEMNI, Sami & Christopher PARKER. [2002, in druk], 'European Union, Islam & the Challenges of Multiculturalism. Rethinking the Question', in: Shireen T. Hunter. Islam in Europe: The New Social, Cultural, and Political Landscape, Praeger Publ.

ZIZEK, Slavoj (1997) 'Multiculturalism, Or, the Cultural Logic of Multinational Capitalism', New Left Review, 225: 28-51.

ZIZEK, Slavoj (1998) Pleidooi voor Intolerantie. Amsterdam: Boom.

ZWAN, A., Van der & H. ENTZINGER (1994), Beleidsopvolging minderhedendebat, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken.

* Uit: VAN DEN BRANDE, A. (ed.), Identiteiten. Functies en disfuncties, Gent: Academia Press, 2002, pp.107-143.

Dr. G.Van den Bossche is post-doctoral researcher at the department of Political Science, Ghent University.

CIE-HOME • CIE-INDEX •

Web master: Herman De Ley Update: December 20, 2002