Academische Opening van het C.I.E.,
zondag, 17 mei 1998, Gent:
Openingsrede
door Em.Prof.Dr. Marcel Van Spaandonck,
voorzitter van het C.I.E.
INLEIDING
Frie Leysen, de directrice van het KunstenFestivaldesArts te Brussel, zei vorige week in een TV-interview:"Als je in een huis alle deuren en alle vensters sluit, dan begint het vlug te stinken". Het zou bijna een slogan kunnen zijn om dit initiatief te lanceren.
Welkom allemaal op deze eerste samenkomst
van leden-medewerkers, geassocieerde instituten/organisaties en
sympathisanten van het nieuwe Centrum voor (de studie van de)Islam in Europa, het C.I.E., verbonden
aan de Universiteit van Gent. Oprechte dank dat U zo talrijk opgekomen
bent om op een zondagnamiddag in Gent te luisteren naar een paar mensen
die wat zinvols zullen proberen te zeggen over "hoe men een bijdrage
zou kunnen leveren tot een beter geïntegreerde pluralistische
samenleving".
In mijn prille studentenjaren van het
secundair onderwijs - het waren oorlogsjaren..., 1942 - las ik graag
Noorse en Zweedse romans, wellicht onder de invloed van mijn leraar
Nederlands en van mijn medestudent en vriend Frans Buyens. De Noor Knut
Hamsun met "Hoe het groeide" maakte toen een geweldige indruk op
mij. Niet alleen omdat Knut Hamsun hiermede in 1920 de Nobelprijs voor
literatuur had gekregen (hij stierf in 1952), maar vooral omdat, zoals
wijlen collega Alex Bolckmans het in 'De moderne Encyclopedie van de
Wereldliteratuur' formuleerde: "het boek een positief droombeeld gaf van wat de menselijke samenleving zou moeten zijn",
ook al lag het strijdaccent op de machtsverhoudingen tussen de
opkomende stedelijke beschaving en het stervende traditionele rurale
land.
Hoe groeide het idee van het Centrum voor
Islam in Europa ? Ik weet het niet zo maar de oprichting van dit
Universitair Centrum voor Studie, Vorming en Interactie in het kader
van een "waardevolle, Europese levensbeschouwing" zal wel
gekomen zijn uit het rusteloze en gedreven brein van Herman De Ley,
onmiddellijk gesteund door de steeds alerte Jan Blommaert en het
entoesiasme van Fadime Köse, Sami Zemni en anderen. Ikzelf heb daar
geen enkele verdienste aan. Ik weet hoe ik voorzitter werd van dit
nieuwe Centrum. Ik weet nietprecies waarom deze jongere collega's mij
hebben gevraagd voorzitter te worden. Het zal wel te maken
hebben gehad met aspecten van mijn reputatie in verband met de
zogenaamde "exotische" belangstellingsgebieden, mijn verleden als
voorzitter van het AVRUG-Centrum voor Mondiale Vorming en mijn,
voor sommigen, dubieus en agressief karakter waardoor ik maar één
liedje ken - dat geen schijn van kans maakt op het Songfestival:"Wij zullen doorgaan!"
Ongetwijfeld, en in deze ironische paragraaf is dat het belangrijkste,
hebben stevige vriendschapsbanden tussen een vergrijsde, rustende
ere-gewoon hoogleraar en deze jongere collega's, gebaseerd op
wederzijds respect, de belangrijkste rol gespeeld.
In uw goed gevulde informatiemap kunt U
alles lezen over de context waarbinnen het Centrum wordt opgericht en
voor de toekomst wordt gesitueerd, zijn doelstellingen, de
maatschappelijke voorwaarden, de relatie met de Universiteit en de
lijst van de medewerkers, van de geassocieerde verenigingen en van het
Ere-Comité (in uitbouw). Het dagelijks bestuur, echter, heeft me
gevraagd vandaag een persoonlijke noot toe te voegen aan de door Herman
uitgewerkte filosofie van het Centrum - alhoewel de basisconcepten van
mijn persoonlijke noot, soms expliciet, soms impliciet terug te vinden
zijn in de foldertekst. Mijn bijdrage wil bovendien duidelijk maken
waarom ik, op mijn leeftijd, dit door die leeftijd in duur beperkte
voorzitterschap toch heb aanvaard,
TERUGBLIK Ik
herinner mij hoe ik in 1962 een wat verscheurende keuze heb moeten
maken tussen mijn belangstelling voor de Arabische gebieden (de
toenmalige Belgische regering bood mij in het kader van de vervlaamsing
van de diplomatie een post aan in Saoedi-Arabië) en deze voor wat men
toen (en zelfs nu nog ) noemde "zwart Afrika". Ik herinner mij hoe ik,
vanuit die keuze, sinds 1972 gepleit heb voor het afschaffen van het
"kolonialistisch soort" doceren over Afrika en hoe ik wetenschappelijke
botsingen veroorzaakte over het "actualiseren" van de studie van
Afrika. Het was William Blondeel - nu adviseur bij de provincie
Oost-Vlaanderen, afdeling Sociale Zaken w.o. migrantenaangelegenheden
en dit PCIV dat onze gastheer of gastvrouw is - die in de 2e Jaargang
van het AVRUG-Nieuwsbulletin een "Pleidooi" hield "voor het richten van wetenschappelijke studie naar de actualiteit". Hij meende toen, in die zomer van 1973-74, dat deze wetenschappelijke studie "de
huidige situaties verstaanbaar moet maken in hun oorsprong en evolutie
en dat men op deze wijze wellicht tot oplossingen zou kunnen komen".
Het was, vooral in wat men toen de "Sectie Niet-westerse" van deze
Universiteit noemde, niet meer dan de uitdrukking van een kerngedachte
die uiteraard moest genuanceerd worden. Ze is echter via verschillende
kanalen en met de hulp van velen 25 jaar lang blijven doorwerken, zodat
ze nu een sterke vorm heeft gekregen,
Deze gedachte heeft onderweg een stevige
steun gekregen toen de Universiteiten hun taak niet langer exclusief
beschreven in termen van "Onderwijs en Onderzoek" maar er die fameuze
derde dimensie aan toevoegden die in het verlengde lag van de
actualiteitsgedachte, nl, "Dienstverlening".
Als Herman De Ley in de folder schrijft over "beleidsonderbouwend onderzoek"
(folder 5b), dan verwijst hij impliciet naar een actualiteitsrelatie
tussen het fundamenteel onderzoek en het toegepast onderzoek. Net zoals
de cultuurfunctionaris in een gemeente of in een provincie(1)
praktisch gebonden is aan "beleidsvoorbereidende taken", zo is de
wetenschapper ethisch gebonden aan beleidsonderbouwend of
beleidsondersteunend onderzoek. Beide woorden staan nog niet in de
grote Van Dale rnaar dat komt nog wel !
BEGRIPPENKADER
Het is in deze context dat men m.i.
begrippen moet hanteren die ook in de Sectie Niet-westerse van deze
Universiteit, via het AVRUG-Centrum voor Mondiale Vorming, altijd de
fundamenten zijn geweest voor een denken over de ontmoeting tussen
culturen.
** Reciprociteit: die blijkt uit
de samenstelling (folder, 2) zowel van het dagelijks bestuur als uit de
groep "leden-medewerkers en geassocieerde instituten en organisaties",
en uit de lijst met ingeschrevenen voor deze lezing en officiële
stichtingsvergadering van het Centrum. Reciprociteit is een
vanzelfsprekendheid. Zonder reciprociteit kan dit Centrum onmogelijk
functioneren.
** Diversiteit: een concept waarover al zoveel is gedebatteerd en geschreven dat het bijna ridicuul wordt om de enorme kracht(2) ervan nog eens extra te gaan expliciteren. Herman noemt het o.a. "een ruime diversiteit van stromingen en tradities" en "rekening houden met de diversiteit van de Belgische Moslimgemeenschappen" (folder, 2 en C4).
** Immigratie : één van die
behoorlijk verwaarloosde historische onderwerpen waarvan ik soms denk
dat ze velen schrik inboezemt zodat ze, net als de verbrandingsovens
uit de Nazi-periode en de genocides uit het verleden "verneint" wordt. Ook hier vestigt de folder de aandacht op ( B3 en A), "de geschiedenis van de immigraties in België en Europa"; en "het historisch Europa is het product van immigraties". Misschien zullen we dit wat moeten opentrekken naar de studie van het fenomeen in de wereld(3). Bovendien ben ik ervan overtuigd dat ook de studie van de emigratie - bijvoorbeeld"VIamingen in de wereld" - een even belangrijk element kan zijn in het begrijpen van de actuele stromingen.
** Onwetendheid: Ik heb in diverse artikels al meermaals aandacht gevraagd voor wat ik noemde en nog noem: "de interculturele onwetendheid",
een nieuwe vorm van analfabetisme, toe te voegen aan het niet kunnen
lezen of schrijven (in Vlaanderen zijn er blijkbaar nog een paar
honderdduizend) en de informatica-onkunde die men bestrijdt met
miljarden dollars. Het interculturele weten en kennen is, zou Herman De
Ley zeggen, "het intellectuele gereedschap om zich een eigen plaats te creëren in deze westerse samenleving"
(folder C.1). Oude en nieuwe vormen van onderwijs voor iedereen en
continuïteit in de doorstroming van degelijke informatie kunnen, moeten
het wederzijds respect versterken. Het is dus vanzelfsprekend dat de
folder, in een nauw samenwerkingsverband met alle betrokkenen, "deze
informatie, kennis en ervaring coördineert en een universitaire
ontmoetings- en vormingsruimte uitbouwt voor moslims en niet-moslims" (folder, 5a /c).
** Meertaligheid: Als dit nieuwe
Centrum een rol wil spelen in de vorming van een pluralistische
maatschappij, dan zal het zich moeten leren uitdrukken in meerdere
talen. Multiculturaliteit eist, denk ik, meertaligheid.
Si ce
nouveau Centre veut jouer un rôle dans la formation et la construction
d'une société pluraliste et multiculturelle, il se devra, Ie plus vite
possible, de s'exprimer en plusieurs langues. Le Centre est prêt à
accepter d' être plurilingue. La multiculturalité évoque, par
définition je crois, la multilingualité. J'insiste sur le fait que, non
seulement les langues occidentales traditionelles pourraient être
employées mais que, dans le cadre de la réciprocité, aussi l'arabe ["Yallaah natakallam carabii !"] et le turc ["Türkçe konuşalım!" ](4)
devraient à court terme être acceptés comme instruments de
communication. Je m' excuse donc de ne plus pouvoir vous adresser en
arabe que je connaissais passablement bien il y a 35 ans et dont il ne
reste aujourd'hui, et encore grâce au Swahili, que: kataba, katib, kitab, kutub et yaktub.
** Wederzijdse integratie : Ik
heb nog niet zo lang geleden de in deze Vlaamse gemeenschap wellicht
gevaarlijke gedachte verdedigd dat, als wij Westerlingen al bereid
zouden zijn om assimilatie volledig te vergeten, ook de
integratiegedachte op een nieuwe leest moet worden geschoeid. In de
context van wat Jan Blommaert en Jef Verschueren beschreven als een
nieuw samenlevingsmodel(5), zou ik hier, als een moderne, zij het dan vrijzinnige profeet in de woestijn willen pleiten voor "de wederzijdse of elkaar ontmoetende integratie".Dit
zou in het kort betekenen dat beide groepen zich niét zozeer integreren
in de bestaande maatschappij, maar in een nieuw samenlevingsmodel voor
de multiculturele maatschappij. Misschien klinkt dat als een
waanzinnige, irrealistische uitspraak van een over-utopische geest. Het
is vanzelfsprekend een erg moeilijk proces en het zal tijd vragen om
technieken te vinden die dit proces kunnen begeleiden, maar ik troost
mij met de 2000 jaar oude gedachte over "Gij zult niet doden". Ze blijft nog altijd een na te streven ideaal ook al toont de realiteit al eeuwen lang een heel ander gelaat.
Hoe dan
ook, de elkaar ontmoetendeintegratie is een basisillustratie van het
begrip "reciprociteit". De eenzijdigheid van rechten en plichten in het
huidige, zo gekoesterde integratiemodel remt de vredevolle ontwikkeling
van de reeds lang bestaande multiculturele maatschappij. Ik besef
natuurlijk welke enorme verandering (verschuiven van echte
verworvenheden) en uitdaging (het zoeken naar nieuwe normen) dit zal
zijn voor de huidige nationale en internationale gemeenschappen. Edward
Spicer heeft het in 1952 reeds geschreven in zijn boek over "Human Problems in Technological Change": "Changing people's customs is an even more delicate responsibility than surgery".
Ik heb de gewoonte om, als het enigszins
kan, goed te luisteren naar kunstenaars omdat zij, net als filosofen,
inzichten verwerven via totaal andere kanalen en ze ook verrassend
kunnen formuleren. Ze zijn, voor de wetenschapper, dikwijls revelerend
of ze bevestigen wat de wetenschapper vermoedt of weet. Zo hoorde ik
enkele dagen geleden, rond middernacht, een bekende Amerikaanse
kunstenaar, Robert Rauschenberg. Zijn visie wil ik u niet onthouden: "We all must learn how to think globally because it is too late to think locally". En ook nog dit: "There is only one thing (next to death) we are sure we all have in common. We are all different from one another"; en tenslotte:"There are no longer boundaries, except those of the earth. Religions, long ago, have given us proof of that".
DE "INTER"-METHODES
Ik hoop en vermoed - ik ben er bijna
zeker van - dat de instrumenten en methodes voor een constructieve
werking van dit nieuwe centrum allemaal het prefix "inter"
zullen meekrijgen. Alhoewel deze Universiteit hierin reeds een zekere
historiciteit heeft, zal ze dankbaar de hulp van andere universiteiten
kunnen gebruiken:interuniversitair, dus; interdisciplinair, zo heeft Leo Apostel het ons geleerd; intercultureelen vergelijkend reeds sinds de jaren '70; interreligieus, omdat het zo nodig is.
En is het, niet merkwaardig - ook dat wil
ik in alle sereniteit zeggen - dat het enkele vrijzinnigen zijn,
misschien zelfs atheïsten..., die vorm hebben gegeven aan de gedachte
van een Centrum voor Islam in Europa! Een fait-divers bijna
waarbij men kan, moet glimlachen. Het heeft niet veel belang tenzij om
er later op terug te kijken en zich er over te verbazen... wellicht?
BESLUIT Een
universiteit mag zich m.i. zeker niet ingraven in alleen maar
eenvoudige of zelfs complexe filologisch-historische oefeningen. Deze
bommeltreinen komen te laat. Zij zullen binnen honderd jaar opgegraven
worden door archeologen die dan alleen nog maar zullen kunnen
vaststellen welke klanksystemen er in de 20e eeuw modieus gebruikt
werden. Hoe belangrijk ook voor de studie van de ontwikkeling van taal,
dit Centrum legt bewust andere prioriteiten. Het wil een gelaat hebben
van participatie in het modelleren van een gemeenschap. Het wil deel
zijn van een universiteit die een dynamisch zoeken naar oplossingen
voor hedendaagse problemen uitstraalt, niet alleen een statisch
beschrijven van wat was.
Een universiteit die deze naam wil
verdienen, moet naarbuiten treden met onafhankelijk en wetenschappelijk
verworven standpunten, Het Centrum, zo schrijft Herman eens te meer,
staat borg voor deze wetenschappelijkheid en deze onafhankelijkheid.
Gewoonlijk refereren we naar de
kopstukken van onze Westerse beschaving (filosofen, rechtsgeleerden,
sociologen etc.). Misschien is het rechtvaardig, weer eens in het licht
van de reciprociteit en het wederzijds respect, om deze korte inleiding
te besluiten met een paar referenties naar moslimgeleerden aan wie het
Westen heel veel te danken heeft maar die in ons denken nog steeds geen
belangrijke plaats innemen.
In de folder (A. Inleiding) vindt U de naam van Ibn Rushd -
Abu 'l Walid... bin Mohammad Hafid bin Rushd, geboren in Cordoba
(Spanje), in 1126, en gestorven in Marokko, 1198. Ibn Rushd heeft,
volgens mijn oud-professor van Arabisch, Armand Abel, "een
indrukwekkende hoeveelheid diepzinnige werken samengesteld, die bij de
verdere ontwikkeling van het geestelijk leven in Europa een belangrijke
rol hebben gespeeld". Ik ga niet bouwen op deze uitspraak van Armand Abel. Ibn Rushd is bij ons wellicht voldoende bekend onder de naam Averroës.
Misschien staat U mij toe een heel
andere naam naar voor te schuiven, een naam die ik laat heb leren
kennen tijdens het Colloquium met de bijtende naam "In de ban van de Wesp",
naar aanleiding van l 5 jaar Jeugdhuis Rzoezie in 1993 (Cultureel
Centrum A. Spinoy, Mechelen). In het begin van dit jaar, door een
geschenk van Khadija El Hajjaji (Plan International), heb ik hem eindelijk ook kunnen lezen(6).
Zijn naam: Khalil Gibran, van
christelijken huize, geboren in 1883 in een klein Libanees dorpje, jong
gestorven in 1931, in Boston, en begraven in de schaduw van het Mar
Sarkis klooster in Bécharré: een dichter, een schilder, een profeet,
een migrant, leerling van de grote beeIdhouwer Rodin, vriend van
Maurice Maeterlinck, Claude Debussy, Edmond Rostand; stichter van de Arab Academy, in New York, en grote promotor van een Arab Literary Movement of Emigrated Writers; hij schreef even vlot in het Engels als in het Arabisch.
Het, is deze man die stelde (lang vóór de 2e W.O.): "De aarde is mijn vaderland en de mensheid mijn familie".
Zoals ik het elders, in het begin van dit jaar, ook al eens gezegd heb:
Khalil Gibran moet veel moed gehad hebben om iets dergelijks in het
begin van deze eeuw te durven schrijven. En: wat hebben wij inderdd nog
veel te leren!
Marcel van Spaandonck, Merelbeke, 11 mei 1998.
NOTEN
1. "Profielschets gemeentelijke culturele medewerker", Provinciebestuur Oost-Vlaanderen 1990.
2. Allan Rosas and Jan Helgesen, "The Strength of Diversity. Human Rights and Pluralistic Democracy, Martinus Nijhoff Publishers 1992.
3. Aaron Segal, "An Atlas of International Migration", Hans Zell Publishers, 1993; Robin Cohen, "The Cambridge Survey of World Migration", Cambridge UP, 1995.
4. Cf. de titels van de cursussen gedoceerd door vzw Oriëntaal.
5. J.Blommaert & J.Verschueren,Het Belgische Migrantendebat. De pragmatiek van de abnormalisering". International Pragmatic Association, Antwerpen 1992.
6. Khalil Gibran, "Le Prophète",Casterman 1995. |