|
| |
|
MOSLIMS
ALS BELEIDSCATEGORIE EN ONDERZOEKSOBJECT
door
Thijl Sunier* |
|
Al bijna een jaar woedt in Nederland een discussie
over de positie van migranten en de toekomst van de zogenaamde multiculturele
samenleving. De directe aanleiding was nu het artikel van PvdA-ideoloog
Paul Scheffer dat op 29 januari dit jaar in de NRC verscheen met als suggestieve
titel Het multiculturele drama. Hoewel het lijkt alsof de toon van
de discussie indringender is en er meer mensen aan deelnemen, is er voor
het overige niets nieuws onder de zon. Het essay van Scheffer doet in veel
opzichten denken aan Herman Vuijsje’s boekwerkje uit 1986 Vermoorde
onschuld. Etnisch Verschil als Hollands taboe, of VVD-voorman Bolkenstein’s
voordracht voor de liberale internationale in 1991. Ook naar aanleiding
van deze publicaties vond een heftig debat plaats en steeds was de boodschap
dezelfde: ‘het beleid van pappen en nathouden en de lankmoedige houding
van overheid en samenleving jegens cultuurverschillen heeft tot nu toe
niet geleid tot een wezenlijke positieverbetering van allochtonen'. In
wezen komen die verhalen op hetzelfde neer: bij ongewijzigd beleid dreigt
de integratie van migranten te mislukken.
Wat er in dit verband onder integratie wordt verstaan
blijft vaak gissen. Heel vaak gaat het over de maatschappelijke positie
van allochtonen. Schooluitval, taalachterstand, hoge werkloosheid en
criminaliteit van met name Marokkaanse jongeren. Het zijn één
voor één absoluut belangrijke kwesties, maar wat (mislukte)
integratie in dit geval dan precies inhoudt blijft onduidelijk. Is integratie
hetzelfde als een sterke maatschappelijke positie? In dat geval zijn er
ook talloze autochtonen niet geïntegreerd.
Soms gaat het over oriëntatie op Nederland.
Mislukte integratie lijkt dan gelijk te worden gesteld met een geringe
oriëntatie op Nederland en een sterke verbondenheid met het land van
herkomst. Verondersteld wordt dat bepaalde groepen migranten door afwijkende
waarden en normen, maar vooral door sterke familiale banden in de landen
van herkomst zich weinig aan de Nederlandse samenleving gelegen laten
liggen en zich daar vanaf keren. We hebben volgens die opvatting te
maken met een categorie personen die niet wensen deel te nemen aan het
maatschappelijk verkeer.
In verreweg de meeste gevallen echter wordt een
gebrek aan integratie gekoppeld aan het bestaan van cultuurverschillen.
Sommige migranten zouden waarden aanhangen die niet passen in “onze”
liberale westerse samenleving. Vaak wordt dan verwezen naar de positie
van vrouwen. Zo werd tijdens de recente openbare debatten naar aanleiding
van het artikel van Paul Scheffer het bekende voorbeeld van vrouwenbesnijdenis
weer eens uit de kast getrokken. Ook minder schrijnende kwesties als het
onthouden van onderwijs aan meisjes worden keer op keer naar voren gebracht.
Het zijn stuk voor stuk kwesties die van het grootste gewicht zijn, maar
waar het hier om gaat is dat al deze kwalijke praktijken zonder meer met
de islam in verband worden gebracht.
Als men het grote aantal publicaties naar aanleiding
van het ‘multiculturele drama’ analyseert dan valt onmiddellijk op dat
juist als het gaat om integratievraagstukken de aanhangers van de islam
als een probleemgroep worden gezien. De islam wordt voorgesteld als de
cultuur of religie die het verst afstaat van de westerse. Moslims, zo wordt
verondersteld, hebben daardoor het meest problemen zich te voegen in de
samenleving. Vaak wordt dat heel impliciet gehouden, maar vaak ook duidelijk
naar voren. Paul Scheffer (een belangrijk lid van de sociaal-democratische
denktank in Nederland) in zijn artikel in de NRC zei er onder meer het
volgende over:
“Velen leven met het misverstand dat
de integratie van de etnische minderheden ongeveer hetzelfde verloop zal
hebben als de vreedzame verzoening van religieuze groepen in Nederland.
Net als voorheen is het een kwestie van schikken, plooien, afkopen, onderhandelen
en geheimhouding. Daarin openbaart zich vooral een grenzeloos geloof in
elites. Succesvolle migranten maken het voor hun `achterban' gemakkelijker
om zich te vereenzelvigen met de Nederlandse samenleving, zo luidt de onuitgesproken
verwachting. Kortom, velen denken dat de regels en gebruiken van de pacificatiedemocratie
ook de nieuwe verdeeldheid kunnen temperen. Het doet een beetje denken
aan het geloof in de neutraliteitspolitiek aan de vooravond van de Tweede
Wereldoorlog. Toen was eenieder ervan overtuigd dat wat een kwart eeuw
eerder was gelukt – namelijk buiten de Eerste Wereldoorlog te blijven –
ook nu weer kans van slagen had. En zo verloor een hele natie het zicht
op de werkelijkheid.
Met het geloof in de pacificatie is iets vergelijkbaars
aan de hand: het heeft gewerkt om de religieuze verdeeldheid te overwinnen
en zal nu wel weer werken om de etnische verdeeldheid te beheersen. Maar
dan wordt het hoofdstuk `Nationaal saamhorigheidsgevoel' in het klassieke
boek uit 1968 over de Nederlandse pacificatie van Arend Lijphart vergeten
(`Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek'). Zijn
conclusie was: `De sterkte van het Nederlandse nationalisme moet niet worden
overdreven, maar het lijdt geen twijfel dat het bestaat'. De levensbeschouwelijke
verdeeldheid betrof een gemeenschappelijke geschiedenis, werd in toom gehouden
door een algemeen aanvaarde grondwet en kon worden uitgevochten in een
en dezelfde taal. Anders gezegd: de zuilen droegen één
dak (onderstreping van mij – T.S.).
Wat is de waarde van de aloude methode van
vreedzame coëxistentie in geheel nieuwe omstandigheden? Functioneert
die nog op dezelfde manier? Is het een teken van zelfvertrouwen om niet
teveel nadruk op het eigene van onze samenleving te leggen? De culturele
samenhang waarbinnen het verschil kon worden beleefd, is nu veel minder
voor handen; er zijn weinig bronnen van saamhorigheid. De vergelijking
met de verzuiling gaat niet op. Segregatie in het onderwijs door zwarte
en witte scholen is natuurlijk van een geheel andere orde dan de scheiding
van openbare en bijzondere scholen. Ook de rol van de islam is niet zomaar
te vergelijken met die van de christelijke godsdiensten in Nederland.”
Einde citaat.
Dan gaat het artikel verder eigenlijk uitsluitend
nog over de aard van de islam vooral gebaseerd op de geschriften van Jan
Brugman islamoloog in ruste, die bekend staat om zijn weinig flatteuze
teksten over de islam. De kern van Scheffer’s redenering is evenwel dat
we juist door de komst van moslims te maken hebben met een geheel nieuwe
situatie. Doordat zich in de afgelopen decennia migranten in Nederland
hebben gevestigd die afkomstig zijn uit landen waar de islam wijdverbreid
is (op dit moment zijn het er ongeveer 700.000) bevinden we ons in een
situatie die we niet eerder hebben meegemaakt. Eerdere migrantengroepen,
zoals Italianen, Polen, Spanjaarden hadden in ieder geval een aantal culturele
raakvlakken met de Nederlandse samenleving. Dat is niet het geval met moslims.
Deze hebben een religieuze cultuur die op een aantal punten fundamenteel
afwijkt van de christelijk-joodse tradities waarop de Europese samenlevingen
zijn gegrondvest.
Hoewel er natuurlijk een aantal belangrijke aspecten
aan te wijzen zijn waarin islam verschilt van christelijke en joodse beginselen,
gaat het hier echter niet om het karakter van de islam an sich, maar om
de veronderstelde culturele afstand die zou bestaan en de gevolgen die
dat heeft voor de samenleving. De neiging migranten en andere minderheden
te ‘exotiseren’ en culturele afstand te construeren moet namelijk worden
gezien als een reden voor ‘differentieel handelen’ en ‘bijzonder beleid’.
Zoiets kan natuurlijk gunstig uitpakken voor betrokkenen, bijvoorbeeld
bij het verkrijgen van bepaalde goederen en diensten, maar het kan evengoed
een manier zijn om ongelijkheid te legitimeren. Zo blijkt dat islamitische
scholen meer dan andere bijzondere scholen moeten ‘bewijzen’ dat zij aan
de gestelde (overigens terechte) kwaliteitseisen van het onderwijs voldoen.
Velen hebben naar aanleiding van de vele ‘confrontaties’
tussen de islam en het ‘Westen’ gewezen op het bestaan van een heel oud
vijandbeeld ten aanzien van de islam en het bestaan van een wijdverbreid
anti-islamisme. Hoewel er in Nederland natuurlijk sprake is van een nieuwe
situatie enerzijds en een eeuwenoud vijandsbeeld over de islam anderzijds
is het de vraag of begrippen als 'oriëntalisme', 'islamofobie', 'islamhaat'
en 'mythe van het islamitische gevaar' adequaat zijn om het discours met
betrekking tot islamitische migranten te duiden. Om het overheersende discours
volledig terug te voeren op een oriëntalistische traditie of op angst
voor de islam is te reductionistisch en te algemeen. Er zijn weliswaar
elementen die terug te voeren zijn op die controversen, maar in wezen gaat
het toch om iets anders.
Termen zijn, zoals we weten, geen neutrale benamingen
van verschijnselen. Terminologie construeert ‘werkelijkheid’. De hele discussie
over wat de islam nu eigenlijk is, is niet een kwestie van ‘ware’ tegenover
‘verkeerde’ beelden, maar rivaliserende, botsende definities die te maken
hebben met botsende belangen. Naar analogie van Robert Miles in zijn beroemde
studie ‘Racism’ (1989) en Jan Raths proefschrift ‘De sociale
constructie van ‘etnische minderheden’ (1991), vat ik het begrip ‘moslim’
( zoals die in het debat gebruikt wordt wel te verstaan) in zekere zin
ook op als een sociale constructie. Het is een begrip met connotaties en
nevenbegrippen, een zogenaamde ‘trope’ dat zo gebruikt duidelijke doelen
dient en ingebed is in bepaalde machtsconstellaties.
|
|
Moslims in Nederland
Rond het begin van de jaren tachtig kwam het politieke
en ideologische klimaat in beweging. Tot dan toe werd arbeidsmigratie gezien
als een tijdelijk verschijnsel. De religieuze en culturele achtergrond
van migranten speelde geen rol van betekenis, in ieder geval niet in het
beleid. In 1979 erkende de regering officieel dat de 'gastarbeiders' en
hun gezinnen en enkele andere categorieën van migranten, zoals de
'rijksgenoten' uit Suriname, geen tijdelijke passanten waren, maar immigranten
die zouden blijven. Voor deze categorieën achtte de regering een Minderhedenbeleid
noodzakelijk, gericht op hun integratie in de samenleving. Aan deze migranten
werd op papier het grondrecht verleend om te leven volgens hun eigen culturele
achtergrond, terwijl er tegelijkertijd naar werd gestreefd hen via gericht
beleid volwaardige burgers van deze samenleving te maken. Intgratie werd
vooral omschreven als 'participatie' in de centrale sectoren van de Nederlandse
samenleving: arbeid, huisvesting en onderwijs. Hun achterblijvende participatie
in deze sectoren werd opgevat als de keerzijde van integratie. Een belangrijk
aspect van de beleidswijziging was dat de integratie van nieuwkomers nadrukkelijker
dan in de periode ervoor werd verbonden met hun (etnisch-)culturele achtergrond.
In dit verband veelbetekenend is de naamswijziging die de betrokken categorieën
ondergingen: 'gastarbeiders' werden 'culturele' of 'etnische minderheden'.
In het beleidsjargon werd op die manier uitgedrukt dat het ging om mensen
die zich naast een lage klassepositie bovenal kenmerken door een van de
Nederlandse standaard afwijkende cultuur. Integratie en eigen culturle
identiteit werden aldus geconstrueerd als twee zaken die in tegenspraak
met elkaar zouden zijn: hoe meer cultuur hoe minder integratie, en omgekeerd.
En aangezien integratie hoofddoel van het beleid was, was culturele identiteit
eigenlijk niet meer dan een doekje voor het bloeden, een concessie aan
migranten, maar wel een tijdelijke concessie (Rath, 1991; Rath en Saggar
1992). Voorzover er beleidshalve aandacht was voor de islam, werd de islam
hooguit gezien als onderdeel van cultuur van etnische minderheden. |
|
'Moslimcultuur'
In ruwweg dezelfde periode voltrok zich in de islamitische
wereld zelf - zo daarvan kan worden gesproken - een aantal tamelijk dramatische
gebeurtenissen. De meest sprekende daarvan was natuurlijk de omwenteling
in Iran en de vestiging aldaar van een islamitische republiek. Ook elders
deden meer orthodoxe islamitische groeperingen van zich spreken en daagden
de zittende seculiere regimes uit. Deze en andere gebeurtenissen leidden
ertoe dat veel migranten uit landen als Turkije en Marokko plotseling werden
'ontdekt' als moslims. Er kwam een nieuwe categorie: 'moslimmigranten',
een subcategorie van ‘etnische minderheden’.
Deze omslag gebeurde soms in bedekte termen: zo
werd aanvankelijk uitsluitend gesproken over Mediterranen, eensklaps echter
maakten de overheid en wetenschapsbeoefenaren een onderscheid tussen Noordmediterranen
('Zuideuropeanen'), zoals Italianen en Spanjaarden, en Zuidmediterranen,
zoals Turken en Marokkanen.
Voor het gemak werden mensen met een totaal verschillende
achtergrond op één hoop gegooid onder de noemer 'moslimcultuur'.
Wie wilde begrijpen wat er in het hoofd van een Turk of Marokkaan omging,
moest zich verdiepen in de moslimcultuur. Er verschenen publicaties op
de markt waarin werd uitgelegd wat de specifieke kenmerken van die moslimcultuur
zijn en hoe we met moslims zouden moeten omgaan. Eventuele verschillen
tussen bijvoorbeeld Turken en Marokkanen werden daarin vooral teruggevoerd
op leerstellige verschillen binnen de islam. Een veelgehoorde opvatting
is dat moslims als zodanig strenger in de leer zijn dan christenen omdat
zij onbekend zouden zijn met de scheiding tussen kerk en staat. In tegenstelling
tot christenen zouden moslims hun persoonlijke en maatschappelijke leven
volledig door het geloof laten bepalen. Allengs werd de islam de verklaringsgrond
bij uitstek niet alleen voor gedrag van moslims, maar voor een groot scala
aan problemen waarmee zij te maken hadden.
In het overheersende discours werd en wordt de
aanwezigheid van bepaalde categorieën mensen in de Nederlandse samenleving
zogezegd tot probleem verheven. Hun aanwezigheid, zo wordt verondersteld,
leidt tot sociale fricties, ontregelt het 'normale' functioneren van de
samenleving. De parameters van dit ideologische proces zijn echter niet
eenduidig, maar situationeel gebonden. Afhankelijk van de specifieke situatie
worden de betrokkenen nu eens voorgesteld als categorieën die primair
sociaal- of etnisch-cultureel bepaald zijn, dan weer als categorieën
die primair religieus bepaald zijn. In het populaire spraakgebruik echter
worden termen als 'minderheden', 'allochtonen' en 'moslims' evenals termen
als 'etnische-minderheidscultuur' en 'moslimcultuur' uitgewisseld alsof
het om dezelfde dingen gaat, om uitwisselbare grootheden. Dit nu is een
pijnlijke spraakverwarring. Onder de mensen die worden beschouwd als leden
van etnische minderheidsgroepen, zijn immers ook talrijke hindoes, joden,
atheïsten en christenen. En niet alle moslims in Nederland worden
beschouwd als etnische minderheden.
Alhoewel de positie van migranten het resultaat
is van een complex samenspel van economische, sociale, politieke en ideologische
factoren, kwam de nadruk dus steeds meer te liggen op het vermeende bijzondere
karakter van de islam als godsdienst als belangrijke verklaringsgrond voor
de positie van moslims. Dit proces van islamisering van het discours
werd
aan het einde van de jaren tachtig, begin jaren negentig nog eens versterkt
door tal van internationale gebeurtenissen, zoals de Rushdie-affaire, de
Golfoorlog, de opkomst en ondergang van het FIS in Algerije, de onttakeling
van de Sovjetunie en de daaropvolgende gewelddadige strijd in de verschillende
gebiedsdelen, de heroriëntatie van de NAVO op de 'nieuwste bedreigingen'
van de westerse wereld, en de eenwording van Europa die vooral uitpakt
als een eenwording van christelijke natiestaten in dit werelddeel. Wat
dit laatste betreft is het niet toevallig dat Bolkestein (VVD) op 6 september
1991 in Luzern op de Liberale Internationale zijn opmerkingen over de islamitische
bedreiging van de Europees-liberale beschaving pas maakte na een uitgebreide
beschouwing over de nieuwe strategie van de NAVO.
Paradoxaal genoeg was dit proces van islamisering
niet zonder meer ongunstig voor moslims zelf. Zeker: de ideologische voorstelling
dat de islam en zijn belijders een last voor de samenleving vormen, werd
keer op keer gereproduceerd. Tezelfdertijd echter konden moslims nu met
meer kracht en op grond van het gelijkheidsbeginsel dezelfde rechten claimen
die aan andere gelovigen waren toegekend. |
|
Culturele afstand
Maar ondanks dat is het dominante beeld over de
islam en zijn aanhangers in Nederland niet erg gunstig voor betrokkenen.
In plaats van dit beeld echter af te doen met een verwijzing naar eeuwenoud
anti-islamisme, moeten we zeer nauwgezet analyseren uit welke elementen
dat discours is opgebouwd en wanneer en onder welke omstandigheden het
gebruikt wordt.
Wanneer we dat doen dan blijkt dat zich door een
samenloop van gebeurtenissen in de afgelopen decennia een heel specifiek
islamiserend discours heeft ontwikkeld. Het is dit discours dat we niet
alleen in het beleid kunnen terugvinden, maar zeker ook in welzijns- en
onderwijskringen en in talloze (wetenschappelijke) publicaties over de
islam en zijn belijders. In dat discours zitten twee vooronderstellingen
of theses vervat. De ene noem ik de achterstandsthese en de tweede
de loyaliteitsthese. Nu zijn het precies deze beide vooronderstellingen
die in andere omstandigheden en in andere vorm steeds weer opduiken als
structurerende elementen in het discours.
Van belang is het feit dat de meeste moslims als
migranten hier zijn gekomen, als migranten met een 'sterk afwijkende cultuur’.
Aangezien een aanzienlijk deel van deze migranten in een achterstandspositie
verkeert, vinden we ideologische elementen die die achterstand kunnen 'verklaren'
en in zekere zin legitimeren. Daarbij wordt ook - maar niet uitsluitend
- gebruik gemaakt van vermeende kenmerken van de islam. De islam wordt
voorgesteld als een stelsel van regels en voorschriften die het dagelijks
handelen van aanhangers bepaalt en als zodanig een belangrijke hindernis
naar volledige participatie kan vormen. Het zijn niet zozeer de collectieve
aspecten van de islam die in dit discours worden benadrukt als wel de individuele
zich uitend in concreet gedrag van haar aanhangers. Moskeeën en islamitische
scholen en andere instituties zijn uitingen van een religieuze behoeftebevrediging
en als zodanig een graadmeter voor de mate van integratie of juist van
isolement. Daarmee wordt de oorzaak voor het eventuele falen van het overheidsbeleid
bij voorbaat gelegd bij moslims zelf, immers zij kunnen het verkiezen volgens
die regels te leven of niet. Zo wordt de naleving van deze regels makkelijk
opgevat als weigerachtigheid deel te nemen aan de samenleving. De overheid
propageert dus in feite een geïndividualiseerde, geseculariseerde
vorm van islam waarin elke individu rechtstreeks participeert in de centrale
instellingen van de samenleving. Daarbij past een beeld waarin de moslim
wordt voorgesteld als een marginale, zielige figuur 'van vreemde herkomst'
die moeite heeft om op het podium van de moderne samenleving te klauteren.
Bij dit beeld passen ook andere kenmerken die algemeen
geassocieerd worden met achterstand, achterlijkheid en een preïndustriële
levenswijze. Dit zijn doorgaans dezelfde kenmerken als die welke in de
jaren vijftig centraal stonden in het discours met betrekking tot 'asociale
gezinnen': die gezinnen kenmerkten zich door patriarchale man-vrouw verhoudingen,
huwelijken die niet zijn gebaseerd op affectie, conflictbeslechting door
geweld, gebrekkige opvoeding van en onderwijsondersteuning aan de kinderen,
geen ABN spreken, gebrek aan hygiëne, enzovoorts. In het algemeen
worden die kenmerken negatief gewaardeerd, ze passen niet bij het ideaalbeeld
van de eigen samenleving. Wie zich verdiept in de kenmerken die aan individuele
moslims worden toegeschreven zal versteld staan van de talloze parallellen
met het discours over ‘asociale gezinnen’.
De loyaliteitsthese gaat uit van andere
premissen. Hierbij gaat het niet zozeer om de kenmerken van de individuele
moslim maar om de werking van het collectief en het effect van de aanwezigheid
van moslims op de samenleving als geheel. Alle moderne West-Europese natiestaten
kennen het grondrecht van godsdienstvrijheid en de scheiding van kerk en
staat. Dat moet niet-inmenging van de staat in religieuze aangelegenheden
garanderen. Op grond van die principes hebben moslims uiteraard het recht
zich te organiseren en hun geloof in de praktijk te brengen. Als het evenwel
gaat om de vraag in hoeverre moslims als moslims deel kunnen uitmaken,
burger kunnen zijn van die samenlevingen, dan zijn er andere principes
in het geding. Moderne natiestaten eisen in wezen van hun burgers een bepaald
niveau van loyaliteit en conformiteit, die samenhangt met het ideaalbeeld
van de natiestaat. Dat beeld kan zoals in het geval van Duitsland gebaseerd
zijn op religieus-culturele kenmerken, of zoals in het geval van Frankrijk
op politiek-civiele principes. In alle gevallen gaat het om de criteria
op grond waarvan sommige categorieën mensen worden ingesloten en anderen
uitgesloten van burgerschap. Niet voor niets noemt Roger Brubaker (‘Citizenship
and Nationhood in France and Germany’ 1992) burgerschap ‘a form
of social closure’.
Welnu, de loyaliteitsthese is in feite een discours
dat moet legitimeren waarom moslims worden uitgesloten van volledig lidmaatschap
van de natiestaat, waarom zij geen toegang hebben tot bepaalde maatschappelijke
velden. Het idee daarachter is dat moslims vanwege hun sterke banden met
landen van herkomst en vanwege hun loyaliteit met geloofsgenoten elders
in de wereld geen volwaardig lid van de samenleving kunnen worden. Pas
wanneer zij hun geloof loslaten en zich volledig oriënteren op de
nieuwe samenleving is het ingroeien in die samenleving mogelijk.
Net als in het geval van de achterstandthese kunnen
ook hierbij parallellen getrokken worden met andere maatschappelijke in-
en uitsluitingsmechanismen in een andere tijd. Net als de achterstandthese
blijkt ook de loyaliteitsthese helemaal niet zo specifiek met kenmerken
van de islam samen te hangen. De opvatting dat moslims maatschappelijk
gesproken ‘onbetrouwbaar’ zijn en de noodzakelijke loyaliteit aan de Nederlandse
natiestaat ontberen, vertoont opmerkelijke overeenkomsten met de opvattingen
van liberalen en protestanten jegens katholieken in de 19e eeuw tijdens
de zogenoemde ‘schoolstrijd’. Ook toen ging het om de vraag wie konden
worden beschouwd als ‘goede vaderlanders’ en wie niet. Katholieken hingen
niet alleen hetzelfde geloof aan als de Spaanse overheersers waartegen
protestanten in de 16e eeuw in verzet kwamen en van waaruit de Nederlandse
natie is geboren, maar zij onderschrijven bovendien de autoriteit van de
heilige vader in Rome. Op grond van deze ‘ultra-montane’ loyaliteit moet
hun toewijding aan de Nederlandse natie in twijfel worden getrokken. Protestanten
beschouwden zichzelf als het hart van de natie; de Nederlandse protestantse
natie wel te verstaan.
Het gaat dus niet zozeer om de feitelijke kenmerken
van een bepaalde religieuze groepen, of de verschillen met andere, maar
om de betekenis die aan bepaalde kenmerken en verschillen wordt gehecht.
Via het idee van ‘culturele afstand’ wordt bepaald wie wel en wie niet
tot de ‘verbeelde gemeenschap’ behoort. Anders gezegd, via het construeren
van ‘culturele afstand’ worden bepaalde groepen als het ware van het lidmaatschap
van de natiestaat uitgesloten. Nu zijn het moslims die op grond daarvan
worden buitengesloten, toen waren het katholieken.
Ter afsluiting en ter illustratie twee citaten
waarbij de lezer zelf kan oordelen. Het eerste citaat komt uit een pamflet
dat tijdens de ‘Aprilbeweging’ in 1853 werd uitgegeven door protestanten.
Het ging hier om een protest tegen het feit dat in dat jaar de bisschoppelijke
hiërarchie weer werd hersteld. Nederland werd weer een kerkprovincie,
waarmee de Rooms-katholieke Kerk haar invloed in de regio weer vergrootte.
“Wie kan zich voorstellen dat dit papistisch
addergebroed, handlangers van de Roomse kerkheersers ooit welschapen burgers
van onze natie kunnen zijn. Nu zij hun zetbazen hier hebben geïnstalleerd.
Drijf hen in zee.”
Het is het soort woordkeuze en de verwijzing naar
buitenlandse beïnvloeding die herinneringen oproept aan de heftige
reacties in de pers tijdens de Rushdie-affaire in 1989, zoals de uitspraken
van Rinus Ferdinandusse, in Vrij Nederland, in maart van dat jaar:
“Er is weer een Rijk van het Kwaad
in de maak, een herkenbare vijand. En nog wel even iets griezeliger dan
de granieten Rus, die tenminste netjes achter zijn ijzeren gordijn zat,
terwijl hij complotten smeedde. Deze nieuwe vijand in statu nascendi pakt
het nog sluwer aan: hij heeft overal ter wereld al zijn spionnen geplaatst,
hij hoeft maar met de vingers te knippen of ze marcheren door onze straten
en verbranden onze boeken.“
___________________________________________________
|
|
* De tekst werd oorspronkelijke naar voren gebracht als gastlezing
op de Inaugurale Conferentie van 25 oktober 2000, aan de Universiteit Gent.
E-mail:
J.T.Sunier@uva.nl |
|