|
| |
|
MOSLIMS ALS MINDERHEID:
VERGRUIZELING
VAN HET WESTERSE ISLAMBEELD
door
W.A.R. SHADID & P.S. VAN KONINGSVELD*
DEEL 1 --- DEEL
2
|
|
Sinds
het begin van de tachtiger jaren heeft de westerse beeldvorming over de
islam zich in scherp negatieve zin ontwikkeld. Verschillende factoren kunnen
hiervoor verantwoordelijk worden gesteld. Hierbij kan worden onderscheiden
tussen internationale gebeurtenissen enerzijds en binnen-Europese ontwikkelingen
anderzijds. Een belangrijk keerpunt wordt gevormd door de Iraanse Revolutie
van 1979. Deze gebeurtenis werd na enkele jaren gevolgd door de ineenstorting
van het communistische systeem die in vele, vooral conservatieve kringen,
tot de "ontdekking" van de islamitische wereld als de nieuwe grote tegenstander
van het Westen leidde. Deze visie werd bijvoorbeeld vertolkt door de toenmalige
voorzitter van de Club van Rome, Alexander King, en recentelijk nog door
de voormalige secretaris-generaal van de NAVO, Willy Claes. Hierna volgden
zowel de Golfoorlog als het op de voorgrond treden van de islam als een
verzetsideologie in landen als Algerije, Egypte en Sudan. Deze ontwikkelingen
leidden tot een exponentiële toename van de aandacht van de media
voor het verschijnsel van de islam. Wat daarbij centraal kwam te staan
was vooral de onverenigbaarheid van deze religie met de basiswaarden van
de westerse cultuur.
Wat de hieraan parallel lopende binnen-Europese ontwikkelingen betreft kan met name worden gewezen op de
vestiging van grote aantallen migranten van islamitische achtergrond en
de teruggang in de westerse economieën die onder meer leidde tot toenemende
werkloosheid, ook bij autochtone werknemers. Dit heeft met zich meegebracht
dat de migranten van islamitische achtergrond als zondebok werden gestigmatiseerd,
aanvankelijk vooral door extreem-rechtse partijen maar naderhand ook, zij
het in meer bedekte termen, door andere politieke partijen. Als een van
de belangrijkste argumenten om "aan te tonen" dat deze groepen geen blijvende
plaats binnen de westerse samenlevingen mochten bekleden werd gerefereerd
naar hun islamitische achtergrond. Zo werd bijvoorbeeld een werkstaking
in de Renault-fabrieken in Frankrijk, waarbij onder meer de wens van een
betere gebedsruimte in de fabriek naar voren was gebracht, voorgesteld
als ingegeven door Iran.1 Met andere woorden: deze
groepen werden beschouwd als "vijfde colonne" wier loyaliteit primair buiten
Europa, in de islam, moest worden gesitueerd.
Het hier gesignaleerde proces
van koppeling van internationale gebeurtenissen aan de situatie van minderheidsgroepen
in West-Europa werd nog aanmerkelijk versterkt onder invloed van de zogenaamde
Rushdie-affaire. Wat vooral tijdens de beginfase van deze affaire gebeurde
was dat de identificatie van de islam met geweld en fanatisme massief op
deze groepen werd geprojecteerd. Deze projectie was zo sterk dat nauwelijks
aandacht geschonken werd aan de afwijzing door Europees-islamitische organisaties
van het doodvonnis van Khomeini. Hetzelfde geldt voor de resolutie van
de ministers van buitenlandse zaken van de Islamic Conference Organisation
waarin de landen met een islamitische meerderheidsbevolking vertegenwoordigd
zijn. Tot verdere problematisering leidde vervolgens nog het algemeen groeiende
besef dat de minderheidsgroepen met een islamitische overtuiging zich blijvend
in West-Europa hadden gevestigd.
Zo lijkt het Westen zich
thans te fixeren op de islam en de moslims als nieuwe vijand, een ontwikkeling
die wij uitvoerig aan de orde hebben gesteld in ons boek De
mythe van het islamitische gevaar. In West-Europa heeft deze nieuwe
mythe gevolgen voor het dagelijkse leven van naar schatting 6 miljoen mensen
met een islamitische achtergrond. De demagogische uitlatingen van tal van
politici in West-Europese landen hebben in verschillende staten debatten
uitgelokt over de integratie van minderheden. De brede maatschappelijke
discussies die hiervan het resultaat waren, gingen echter niet zozeer over
de bestaande minderheidsgroepen in het algemeen als wel specifiek over
de positie van moslims in de West-Europese samenlevingen, met het gevolg
dat tal van migrantengroepen, bijvoorbeeld afkomstig uit Oost-Europa, Suriname
en Afrika, vrijwel geheel buiten beeld bleven. In die discussies zijn echter
een aantal fundamentele vragen verwaarloosd gebleven. Hiervan willen we,
binnen het beknopte bestek van dit artikel slechts één enkele
vraag aan de orde stellen, namelijk: Wie zijn eigenlijk deze moslims; in
hoeverre vormen zij een homogene groep; zijn ze zo belijdend als men doorgaans
aanneemt of speelt secularisatie ook in hun kringen een belangrijke
rol? En tenslotte, hoe is de visie van de hedendaagse islamitische schriftgeleerden
op de positie van moslims die als minderheden in niet-islamitische, met
name westerse staten leven?
1. Homogeniteit
als vooroordeel
Historische precedenten voor
het hedendaagse gebruik van de term moslims zijn onder meer de benamingen mohammedanen en muzelmannen. Deze
termen hadden in de koloniale tijd niet alleen een religieuze maar ook
een raciale betekenis. Met de dekolonisatie raakten ze in onbruik en ze
worden tegenwoordig eigenlijk nog alleen in denigrerende zin gebruikt,
namelijk wanneer men, met het oogmerk om te beledigen, gebruik wil maken
van een naam die inbreuk maakt op de eigennaam die door de groep in kwestie
als zelfdefinitie wordt gebruikt. Zulke denigrerende namen zijn in de geschiedenis
van westerse landen veel vaker ter aanduiding van moslims gebruikt. Men
kan denken aan de Hagarenen en Saracenen uit de Middeleeuwen
en aan de Moren en Moortjes uit het latere, christelijke Spanje.
Al deze namen hadden gemeenschappelijk dat zij de moslims niet alleen als
godsdienstige, maar ook als aparte etnische groep definieerden. De verscholen
ideologische boodschap ervan was dat de aangeduide moslims niet alleen
qua godsdienst maar ook qua etnische afkomst niet hoorden bij de groep
die deze etiketten op hen plakte.
Het hedendaagse begrip moslims wordt,
vooral de laatste jaren, eveneens in verband gebracht met tal van negatieve
betekenissen. De tijd waarin gesproken kan worden van "islamitische Europeanen",
op één lijn met bijvoorbeeld katholieke of protestantse Europeanen,
lijkt verder weg dan ooit. Onder invloed van de processen van afwijzing
en stigmatisering die zich de afgelopen jaren in West-Europa hebben voltrokken,
heeft het begrip "moslims" onder meer ook een etnische betekenis
gekregen. "Moslims" gelden zonder meer als leden van een "etnische groep",
als personen van buitenlandse herkomst met eenzelfde godsdienst die ook
op grond van uiterlijke kenmerken als zodanig kunnen worden onderscheiden.
Deze massieve etikettering van bijvoorbeeld Turkse en Marokkaanse groepen
als moslims verdoezelt echter de belangrijke gradaties in religiositeit
en de grote verschillen in de inhoud van de religieuze opvattingen die
binnen deze groepen zelf bestaan.
Om te beginnen met de mate
van religiositeit. Vrijwel in alle discussies wordt er min of meer
als vaststaand feit van uitgegaan dat de in West-Europa woonachtige personen
van Turkse en Marokkaanse achtergrond actieve belijders van de islamitische
godsdienst zijn. Dit is een ernstige misvatting. Naar het besef van de
betrokken groepen is men allereerst moslim krachtens het feit dat men uit
islamitische ouders geboren is. Men groeit op in een islamitisch milieu
en maakt kennis met bepaalde facetten van de islamitische cultuur. Dit
brengt ons op de betekenis die door de betrokkenen zelf aan hun naam wordt
gehecht. De definitie (en zelfdefinitie) van mensen als moslims is binnen
de meeste landen van de islamitische wereld in de eerste plaats van belang
omdat deze bepaalde gevolgen in de maatschappelijke en juridische sfeer
met zich meebrengt. Zo vallen bijvoorbeeld moslims en christenen in tal
van landen in de "islamitische wereld" onder verschillende stelsels van
familierecht. Hiermee krijgt het begrip moslim in met name die landen een
uitgesproken sociaal-juridische betekenis. Daarbij wordt doorgaans stilzwijgend
aangenomen dat een moslim de islam als persoonlijke geloofsovertuiging
innerlijk aanhangt, ook indien daarvan uit zijn gedrag weinig blijkt. Naast
het begrip moslim wordt in de islam dan ook wel het begrip gelovige gebezigd,
waarbij met de eerste term iedere persoon wordt aangeduid die in een islamitisch
milieu is geboren en opgegroeid, terwijl de tweede betrekking heeft op
hen die in hun dagelijkse leven, door de navolging van religieuze voorschriften,
daadwerkelijk uiting geven aan de islam als hun persoonlijke geloofsovertuiging.
Uit onderzoek in een aantal
moskeeën in de Marokkaanse stad Casablanca bleek dat tijdens de vijf
dagelijkse gebedsdiensten niet meer dan ongeveer 1 promille van de bevolking
een moskee bezoekt. Tijdens de wekelijkse gebedsdiensten op vrijdagen is
dit cijfer beduidend hoger, maar toch niet meer dan bij benadering ongeveer
10 procent.2 Dit, terwijl het bezoeken van de moskee
tijdens deze wekelijkse diensten volgens de leer van de islam een individuele
plicht is voor de volwassen mannelijke moslims, terwijl vrouwen eraan kunnen,
maar niet hoeven deel te nemen. Voor Nederland zijn geen vergelijkbare
kwantitatieve gegevens bekend, maar men kan veronderstellen dat het percentage
hier niet veel hoger ligt. Het lijkt eerder waarschijnlijk dat het beduidend
lager ligt, ook omdat de betreffende mannelijke moslims die werk hebben
alleen met toestemming van hun werkgever voor moskeebezoek vrijaf kunnen
nemen. De benodigde afspraken in CAO's ontbreken namelijk nog en deze gebedsdienst
valt doorgaans slechts gedeeltelijk met de lunchpauze samen.
Het is in dit verband eveneens
nuttig de resultaten in herinnering te roepen van een onderzoek onder de
Marokkaanse gemeenschap in Nederland uit 1979 waaruit bleek dat 38.2 procent
van de ondervraagde steekproef opgaf de islamitische voorschriften te volgen
met betrekking tot het verrichten van de dagelijkse gebeden. (Deze gebeden
kunnen, maar behoeven niet in een moskee of gebedsruimte te worden verricht.
In verband met het geringe aantal moskeeën en gebedsruimten dat in
1979 bestond, maakte het onderzoek geen onderscheid tussen de thuis en
in moskeeën verrichte gebeden. Evenmin werd de deelname aan het vrijdaggebed
uitgesplitst.) Van de resterende 61.8 procent die opgaf de dagelijkse gebeden
niet te verrichten, deelde 16.4 procent mee de naleving ervan nog wel in
Marokko in acht te hebben genomen, maar hiermee in Nederland te zijn opgehouden.
Deze cijfers geven een vermindering aan in de naleving van religieuze voorschriften
in de periode die volgt op de migratie naar Nederland, een trend die in
hetzelfde onderzoek ook werd waargenomen met betrekking tot het volgen
van de islamitische spijswetten en andere voorschriften.3
In dezelfde richting wijst het feit dat de islamitische basisscholen in
Nederland tot nog toe slechts 3.5 procent van de islamitische kinderen
in de leerplichtige leeftijd hebben weten aan te trekken.4
Dit percentage zal waarschijnlijk nog enigszins toenemen, maar de groei
van deze scholen die in de nabije toekomst wordt verwacht is bescheiden
en rechtvaardigt nog geenszins de aanname dat op den duur meer dan zo'n
10 procent van deze kinderen een islamitische basisschool zullen bevolken.
Wij moeten ervan uitgaan dat de overgrote meerderheid van de ouders de
voorkeur zal blijven geven aan de bestaande onderwijsvoorzieningen, met
name aan de openbare school.
Een en ander is een aanwijzing
dat zich ook onder moslims het verschijnsel voordoet dat wel wordt aangeduid
met onkerkelijkheid en ontkerkelijking. Ook in hun geval moet
men een onderscheid maken tussen een relatief kleine groep actief-belijdende
leden die de kern van de plaatselijke gemeenschappen uitmaken, omringd
door een doorgaans veel grotere groep van mensen die alleen bij bijzondere
gelegenheden een bezoek aan de moskee brengen, terwijl de talrijkste groep
tenslotte nooit of vrijwel nooit de moskee van binnen ziet. Dit betekent
echter nog niet dat de islam in het leven van de min of meer passieve groep
geen enkele rol speelt. En nog minder, dat deze groep geen affectieve binding
met de belijdende groep moslims zou bezitten, met name wanneer deze groep
tot voorwerp wordt gemaakt van een uitgesproken vijandige en negatieve
beeldvorming. Het effect van de stigmatisering en etnisering van
de islam is veeleer dat ook zij zich uitdrukkelijker solidair gaan voelen
met de gestigmatiseerde groep. Zij worden hiertoe in zekere zin ook gedwongen,
omdat zij zelf, al was het alleen maar op grond van (al dan niet denkbeeldige)
uiterlijke kenmerken, mede het object van die processen van stereotypering
en stigmatisering worden. Zo worden zij pas onder de druk van de externe
stigmatisering als het ware "geïslamiseerd", hoe modern-secularistisch
hun opvattingen ook zijn. Deze stand van zaken, die van fundamentele betekenis
is voor een goed begrip van de verhoudingen binnen de islamitische groepen,
ontgaat vrijwel alle deelnemers aan de zo verhitte discussies over de islam
die de laatste jaren zijn gevoerd. Men weigert eenvoudig de significante
verschillen onder ogen te zien en "erkent" slechts belijdende moslims,
met name streng belijdende, zogenaamd "fundamentalistische" moslims.
|
|
2. Diversiteit
in religieuze beleving
Dat deze groepen niet alleen
verschillen naar nationaliteit met de daarbij behorende lokale talen en
niet-islamitische culturen maar ook naar religieuze stroming, en daarbinnen
ook verder naar rechtsschool, mystieke orde en socio-politieke denkrichting
begint langzamerhand door te dringen. De kaart van de islam in West-Europa
wordt gekenmerkt door een opvallende pluriformiteit. Zo vindt men hier
naast een overgrote meerderheid van soennieten ook kleinere groepen sjiïeten.
Daarnaast zijn zijrichtingen als die van de Ahmadiyyah en de Alevieten
vertegenwoordigd. Binnen de soennitische islam hebben we verder te maken
met de vier wetsscholen, de Malikitische, de Hanafitische, de Sjafi'itische
en de Hanbalitische. Tevens vindt men dwars door de wetsscholen heen de
zogenaamde mystieke genootschappen en aftakkingen daarvan zoals de Qadiriyyah,
de Naqshbandiyyah, de Suleymanci's, de Darqawiyyah, de Alawiyyah en tenslotte
de Chistiyyah. Daarenboven bestaan er ook religieus-politieke bewegingen
zoals de Salafiyyah uit Noord-Afrika en de Nurci's en de Milli Görüs,
beide uit Turkije. Binnen elke etnische groep in Nederland bestaan verschillende
koepelorganisaties die op nationaal niveau uiteenlopende aantallen plaatselijke
moskeeën bundelen die tot één of meer van bovengenoemde
richtingen behoren. Zo zijn er meerdere van dergelijke koepels binnen de
Turkse, Marokkaanse en Surinaamse gemeenschappen.5
Het behoeft geen betoog dat
het kennen en onderkennen van deze verscheidenheid aan islamitische richtingen
zeer fundamenteel is voor het begrijpen van de morfologie en diversiteit
van denkkaders bij deze groepen. Een dergelijke empirische typologie zegt
echter eveneens nog weinig over de mate van religiositeit en evenmin over
de waarde die men hecht aan de islam als een zingevend systeem en een identiteitssymbool.
Met betrekking tot de godsdienstige oriëntatie van Marokkaanse en
Turkse ouders wordt in de wetenschappelijke literatuur een onderscheid
gemaakt tussen "streng", "gewoon" en "liberaal". De categorie "gewoon"
behoort tot de groep traditionele moslims die niet (meer) praktiseren.
In deze indeling betekent "liberaal" "een breuk met de traditie: men voelt
zich ook niet langer "moslim".6 Het is onontbeerlijk
om voor deze groepen ook een deugdelijke "belevingsclassificatie" van de
religie te ontwikkelen die rekening houdt met drie fundamentele dimensies:
het geloof in de goddelijke openbaring, de naleving van de religieuze voorschriften
en de rol van de religie als een identiteitssymbool. Uit de combinatie
van deze drie dimensies zouden we voor de praktijk de volgende categorieën
kunnen onderscheiden:
Allereerst zijn er de preciezen.Hiertoe
kunnen personen gerekend worden die de religieuze voorschriften tot in
de details naleven. Zij beschouwen de islam, en in het bijzonder de specifieke
richting waartoe ze behoren, als het enig juiste richtsnoer voor hun leven
en zien de religie als het voornaamste bestanddeel van hun identiteit.
Een tweede categorie betreft
de rekkelijken. Hiertoe behoren personen die wel de islam als een
religieus, socio-politiek en ethisch stelsel accepteren en zich als moslim
identificeren, maar tegelijkertijd de voorschriften, primair uit nalatigheid,
slechts ten dele en op wisselende tijdstippen, of in het geheel niet, nakomen.
De derde categorie betreft
de liberalen. Het verschil met de rekkelijken is dat het hier gaat
om personen die een kritische houding hebben ten aanzien van de voorschriften
en de socio-economische en ethische vraagstukken van deze religie. Het
niet naleven van de voorschriften en het niet-benadrukken van hun religieuze
identiteit is bij deze categorie niet alleen bewust, maar ook wisselend,
en contextueel bepaald.
Tenslotte vormen ook de agnosten een
specifieke categorie in deze classificatie. Hiertoe behoren personen die
een atheïstische levenshouding hebben. Zij geloven niet in de goddelijke
openbaring van de islam, verwerpen elke binding met deze religie als maatschappelijk
systeem en identificeren zich tegelijkertijd niet meer als moslim.
De relatieve grootte van
elk van deze categorieën is door gebrek aan cijfermateriaal niet aan
te geven. Recent wetenschappelijk onderzoek onder Turkse en Marokkaanse
immigranten in Nederland van de eerste en tweede generatie geeft echter
wel enkele indicaties. Voor jongeren toont het sporadische onderzoek aan
dat "van Islam- of godsgetuigenis geen sprake is. De meesten zien de Islam
hoogstens als een ver ideaal dat weinig met de praktijk heeft te maken".
De overgrote meerderheid van hen (85%) is niet godsdienstig actief. Van
de ouders is maar in totaal 32% godsdienstig streng georiënteerd.7
Met betrekking tot de categorie agnosten van islamitische achtergrond toont
onderzoek in Nederland aan dat het bij de eerste generatie om 10% gaat
en bij jongeren van Turkse afkomst om 22%.8
Ten overvloede dient opgemerkt
te worden dat elk van de genoemde typen niet louter hoeft te bestaan uit
een dichotome indeling van wel of geen religieuze oriëntatie of wel
of geen waarde hechten aan de islam als een zingevend systeem. Binnen elke
categorie, en in het bijzonder binnen de categorieën rekkelijken en
liberalen, dient eerder rekening gehouden te worden met een continuüm
aan belevingsoriëntaties. Naast de eerder genoemde indeling kan ook
gerefereerd worden naar andere indelingen die binnen de wetenschappelijke
literatuur zijn ontwikkeld. Zo wordt bijvoorbeeld ook onderscheid gemaakt
tussen de categorieën "naive acceptance", "tensed acceptance",
"ambivalence", "scepticism toward traditional ideas and preference for
metaphorical interpretation", en "rejection".9
Met het voorgaande hopen
wij duidelijk te hebben gemaakt dat het automatisme waarmee personen in
en uit het islamitische cultuurgebied tot op de dag van vandaag als moslims
in religieuze zin worden geëtiketteerd, noch wetenschappelijk noch
voor beleidsdoeleinden aanvaardbaar kan zijn. Een dergelijke etikettering
mist niet alleen elke empirische fundering, maar kan tevens een averechtse
uitwerking hebben bij het uitstippelen van beleidsmaatregelen.
Bovendien hopen wij duidelijk
te hebben gemaakt dat het belang van de islam in de cultuurbeleving en
identiteitsvorming van met name jongeren met een islamitische achtergrond
niet moet worden overschat. Hun kennis van de islam en de islamitische
cultuur is, onder meer als gevolg van het ontbreken van de noodzakelijke
instituties voor socialisatie, over het algemeen oppervlakkig. Hierdoor,
alsmede door het ontbreken van de sociale controle en de invloed van de
autochtone omgeving (peer group, school en media), is bovendien de inhoud
van de aan hen bekende en door hen aangehangen islamitische normen en waarden
aan sterke druk onderhevig. Het zou ons niet verbazen dat zelfs bij vele
van deze jongeren die zich als moslim identificeren, de islamitische identiteit
een vlag is die bij lange na de lading niet dekt.
|
|
3. Het
islamitische reveil en integratie
Binnen de hedendaagse bewegingen
van het islamitische "reveil" wordt een bijzondere naam gehanteerd ter
aanduiding van degenen die aan dit "reveil" deelnemen, namelijk die van Islâmiyyûn.
Dit is al een oud Arabisch begrip waarmee in vroeger eeuwen wel nieuwe
bekeerlingen tot de islam werden aangeduid. In historische teksten moet
het vaak worden vertaald als "nieuwe moslims", van bijvoorbeeld christelijke
of joodse origine. In de huidige tijd kan de term eveneens met "nieuwe
moslims" worden vertaald, maar dan in die zin dat het thans gaat om mensen
die reeds nominaal moslim waren en pas ten gevolge van de religieuze beweging
die met de term Ontwaking wordt aangeduid, tot een hernieuwd bewustzijn
van hun islamitische wortels zijn gekomen. Eenzelfde voorstelling van een
"ontwaking" van een reeds sluimerend aanwezige religieuze identiteit vindt
men bijvoorbeeld in het christelijke begrip van de "reborn Christians".
Reeds dit simpele feit maant tot grote terughoudendheid tegenover de opvatting
van zeer velen die menen dat een religieuze beweging als de onderhavige
uitsluitend in de islam voorkomt. Het gaat in feite om een beweging van religieuze
revitalisering waarvoor tal van parallellen uit de geschiedenis van
andere godsdiensten, waaronder het christendom, zijn aan te wijzen.10
Dergelijke bewegingen doen zich vooral onder bepaalde sociaal-economische
en politieke omstandigheden voor, waarover hieronder nader.
Het begrip Islâmiyyûn zou
in het Nederlands het best door "islamieten" kunnen worden vertaald,
ware het niet dat nu juist die term de laatste jaren meer en meer als synoniem
van "moslims" in gebruik is gekomen. Het zal wel niet mogelijk zijn om
het heersende spraakgebruik op dit punt nog te veranderen, zodat aanvaard
moet worden dat voor weergave van het zuiver islamitische begrip Islâmiyyûn in
het Nederlands naar een ander begrip moet worden uitgezien. De term fundamentalisten is
uiterst ongelukkig, niet zozeer omdat deze van origine christelijk is,
maar ook omdat hij bepaalde aspecten benadrukt die we nu juist niet in
het oorspronkelijke begrip Islâmiyyûn aantreffen. Onder
invloed van de christelijke betekenis van de term "fundamentalisme" wordt
in de beeldvorming over de islamitische "fundamentalisten" veel nadruk
gelegd op de letterlijke uitleg en navolging van de gezaghebbende bronnen
van de islam. Dit zou volgens velen zelfs het belangrijkste kenmerk van
de islamitische "fundamentalisten" zijn. Nu is het waar dat de bedoelde
groepen terug willen keren naar de zuivere bronnen en dus in zekere zin
ook naar de "fundamenten" van hun godsdienst. Maar de vraag in hoeverre
zij daarbij op letterlijke wijze te werk gaan laat zich niet zo eenvoudig
en zeker niet eenduidig beantwoorden. In elk geval is opmerkelijk dat sommige
van de belangrijkste auteurs van deze nieuwe stromingen, zoals Sayyid Qutb
(Egypte) en Abdesslam Yasin (uit Marokko) in hun verhandelingen soms uitvoerig
reageren op ontwikkelingen binnen de moderne westerse filosofie, zij het
ook doorgaans in afwijzende zin. Men mag dit gedachtengoed dan ook zeker
niet reduceren tot een blinde letterlijkheid in het verstaan en volgen
van heilige teksten, de "islamisten" zijn in tal van opzichten moderne
mensen van de twintigste eeuw, ook wanneer het bijvoorbeeld gaat om de
scholing van meisjes, tot en met het universitair niveau.
Het hernieuwde bewustzijn
van het bezit van een islamitische identiteit uit zich op individueel
niveau vooral in een grotere toewijding in het nakomen van religieuze plichten
als de dagelijkse gebeden, de voedsel- en kledingvoorschriften, en in een
ijveriger studie van de godsdienst. Het uit zich echter ook in allerlei
nieuwe vormen van organisatie die in de twintigste eeuw naast de traditionele
vormen zijn ontstaan, zowel op plaatselijk, regionaal, nationaal als internationaal
niveau. Al naar gelang hun reikwijdte vervullen deze organisaties een breed
spectrum van functies in verschillende sectoren, zoals scholing, welzijn,
geloofsverkondiging en politiek. Hoewel het gezien de uiteenlopende functies
van al deze organisaties bijna niet doenlijk is om daarover een algemene
uitspraak te doen, kan tot op zekere hoogte op één punt een
uitzondering worden gemaakt. Vrijwel al deze organisaties zijn ontstaan
los van en dikwijls tegenover het establishment van het officiële
overheidsapparaat. Deze constatering is voor een goed begrip van de twintigste-eeuwse
ontwikkelingen binnen de islamitische wereld in de verhouding van godsdienst
en staat van groot belang.
Aan de ene kant ziet men,
vooral na de dekolonisatie, in vele landen een greep van de overheid ontstaan
op het godsdienstige leven van de burgers die groter is dan ooit tevoren.
Deze greep kreeg onder meer gestalte in de oprichting van speciale ministeries
van godsdienstzaken die controle uitoefenen op de eenvormigheid van het
religieuze leven, of het nu gaat om het godsdienstonderwijs op alle niveaus,
om de aanstelling van imams en de preken die zij voordragen tot in de kleinste
moskeeën, om religieuze tijdschriften met overheidssubsidie uitgebracht
of om de wetgeleerden en hun lessen en adviezen via radio en televisie
en in allerlei organen van de staat. Hier is, om kort te gaan, de godsdienst
ontwikkeld tot een echte staatsgodsdienst en tevens tot een apparaat ter
legitimatie en propagering van de officiële staatsleer en staatspolitiek.
Daartegenover ontstond echter
een groeiend aantal religieus gefundeerde organisaties die juist los van
die officiële overheidsgreep gestalte wilde geven aan de eigen religieuze
overtuiging en aan de wil tot verzet en het verlangen naar bevrijding.
Deze organisaties bouwden voort op hetgeen reeds tot stand kwam tijdens
de koloniale tijd, mede geïnspireerd op het verzet tegen de koloniale
overheersers. Naarmate de hoop op een sociaal-economisch betere tijd na
de onafhankelijkheid dieper de bodem werd ingeboord, de repressie van de
zijde van sommige overheden tegen deze afwijkende religieuze uitingen toenam
en ook de internationale politieke ontwikkelingen het gevoel van ontgoocheling
slechts versterkte, groeide de wil bij de bevolking om het lot op enigerlei
wijze in eigen handen te nemen.
Bij het ontbreken van democratische
kanalen om veranderingen te bewerkstelligen, vond het verlangen naar een
nieuwe tijd steeds duidelijker zijn uitweg in de vorm van godsdienstige
activiteiten, los en dikwijls ook tegenover het officiële staatsgezag.
Vooral aan het einde van de zestiger en het begin van de zeventiger jaren
ontstonden hieruit de bewegingen die men in het Westen met de verzamelterm
van het islamitische "fundamentalisme" is gaan aanduiden. In feite gaat
het, zoals opgemerkt, om uiteenlopende stromingen die onderling belangrijke
verschillen in omvang, leer, functies en doelstellingen vertonen. Slechts
enkele van deze zijn zodanig geradicaliseerd dat zij het gebruik van geweld
rechtvaardigen voor de omverwerping van heersende regimes.
Of de elementen van protest
en verzet inderdaad de meest wezenlijke onderdelen van deze bewegingen
uitmaken - zoals door velen, vooral in het Westen, wordt aangenomen - valt
echter te betwijfelen. Naar onze mening is dit niet het geval en zouden
deze bewegingen ook na een eventuele volledige democratisering van de betreffende
landen hun betekenis volop behouden, zij het ook in gewijzigde vorm en
met verschuivingen van accenten.
Van belang is hierbij in
aanmerking te nemen dat de islamitische wereld in de twintigste eeuw, ondanks
de afwezigheid van democratie, reeds een diepgaand proces van modernisering
en secularisatie heeft ondergaan. Dit proces is nog steeds in volle gang.
Het ging onder meer vergezeld van het ontstaan van een massaal onderwijssysteem,
industrialisatie, urbanisatie en bijbehorende ingrijpende veranderingen
binnen traditionele familieverbanden, en dit alles binnen nieuw gevormde
natiestaten naar westers model. Binnen de nieuwe verhoudingen is de totale
staatscontrole van het religieuze leven van burgers in feite een anachronisme
geworden, waarvan de functie meer en meer wordt gereduceerd tot legitimatie
van repressie door een regime dat zijn gezag bij de bevolking al goeddeels
heeft verloren.
Naar onze mening loopt de
ontwikkeling van eigen onafhankelijke religieuze organisaties dan ook parallel
aan het proces van modernisering en secularisatie, waarmee vooruit gelopen
wordt op een scheiding van godsdienst en staat zoals deze pas echt mogelijk
wordt binnen een gedemocratiseerde samenleving. Wanneer men let op de verschillende
stromingen die binnen de hedendaagse islamitische bewegingen bestaan, dan
ziet men een religieuze pluriformiteit van verschillende islamitische organisaties
die vergelijkbaar is met het naast elkaar bestaan van bijvoorbeeld christelijke
kerkgenootschappen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de islamitische
"moskeegenootschappen" die thans tegen de verdrukking in opbloeien, veelal
geheel of gedeeltelijk in de illegaliteit, niet in staat zouden zijn om
binnen de wettelijke kaders van een democratische rechtsstaat vreedzaam
naast elkaar te bestaan.
DEEL
2 |
|
NOTEN
1. Vgl.
HAMES, C., La construction de l'islam en France: Du côté de
la presse.Archives de Sciences Sociales des Religions 68, 1989, I :79-92.
2. Vgl. ETIENNE,
B., et M. Tozv, Le glissement des obligations islamiques vers le phénomène
associatif à Casablanca, Annuaire de l'Afrique du Nord 18, 1979-80,
235-259, i.h.b.241.
3.
SHADID, W.A.R.,Moroccan workers in the Netherlands, Leiden, 1979,
(dissertatie), 210.
4.
SHADID, W.A.R. and P.S. VAN KONINGSVELD, Islamic primary schools, in: idem
(ed.),Islam in Dutch society: Current developments and future prospects,
Kampen,
1992, 107-122.
5. Vgl.
SHADID, W.A.R. and P.S. VAN KONINGSVELD, Religious freedom and the position
of Islam in Western Europe. Opportunities and obstacles in the acquisition
of equal rights. (With an extensive bibliography), Kampen, 1995, 42-51.
6.
Vgl. FEDDEMA, 1992, 188.
7. FEDDEMA,
R., Op weg tussen hoop en vrees: De levensoriëntatie van jonge
Turken en Marokkanen in Nederland, Utrecht, 1992, 153, 206.
8. Zie
respectievelijk R. FEDDEMA, o.c., 1992, 189, en R00IJACKERS, M., Religious
identity, integration and well-being among young Turkish Muslims, in: SHADID,
W.A.R. and P.S. VAN KONINGSVELD (ed.), Islam in Dutch society:
Current developments and future prospects, Kampen, 1992, 66-73, i.h.b.
69.
9.
VAN DER LANS, J., and M. RODIJACKERS, Types of religious belief and unbelief
among second generation Turkish migrants, in: SHADID, W.A.R. and P.S. VAN
KONINGSVELD (ed.), Islam in Dutch society, Kampen, 1992, 56-65,
i.h.b. 61.
10. Duidelijke
parallellen tussen islamitische en christelijke vormen van fundamentalisme
worden gegeven in EL- AZM, S.T., Islamic Fundamentalism reconsidered, South
Asia Bulletin, 1993 en 1994; vgl. ook: KEPEL, G., La revanche
de Dieu: Chrétiens, juifs et musulmans à la reconquête
du monde, Paris, 1991.
|
|
*
Gepubliceerd
in: Tolerantie Getolereerd? Islamitische en Westerse Opvattingen,ed.
R.Doom. Gent, 1996, pp. 51-68. Mys & Breesch, uitgevers te Gent. <Publishers@Mys-Breesch.be>
Met onze oprechte dank
aan de uitgevers en de auteurs.
|
|