Godsdienstvrijheid
en dierenleed.
Slachten door middel van de halssnede tussen
levensbeschouwelijke tolerantie en ethische verantwoording*
Koen
Raes (Universiteit Gent)
Summary:
Religious liberty and tolerance are basic norms in
any constitutional state. Yet, the right to protection of religious
practices and rituals is not absolute. According to the European
convention on Human Rights, the law may restrain religious liberty, if
this is necessary to protect public order or public morality. The
ritual slaughtering of animals, without previous anaesthesia, as a
religious requirement and part of the dietary rules in the Muslim
community conflicts with generally held convictions on animal welfare
in Belgium. In this contributions, the scope of this requirement is
analysed and a proposal is developed which respects multiculturalism
yet takes into account the welfare of animals as well.
Non-discrimination requires that Muslims, as other citizens, respect
the norm of minimal harm to animals. Previous anaesthesia is not
fundamentally opposed to the religious meaning of religious
slaughtering in Islam. A dialogue should therefore be started with the
Muslim community in order to stop painful killings of animals.
1. De bescherming van de
godsdienstvrijheid
Levensbeschouwelijke
verdraagzaamheid is een fundamentele norm in een moderne democratische
rechtsstaat. Zij vormt de mogelijkheidsvoorwaarde opdat diverse
levensbeschouwelijke gemeenschappen vreedzaam binnen hetzelfde
samenlevingsverband zouden kunnen samenleven. Daarom is de
godsdienstvrijheid ook grondwettelijk verzekerd. Het komt de staat niet
toe zich te mengen met de inhoud van een
levensbeschouwing, haar overtuigingen en geloofspunten noch met haar rituelen,
voorschriften, erediensten en sacramenten, noch
met de gezagsaanspraken van haar woordvoerders tegenover de leden van
de geloofsgemeenschap.
De tolerantienorm impliceert niet
dat eenieder zijn levensbeschouwing 'relativistisch' zou begrijpen, als
een kwestie van een persoonlijke of groepsvoorkeur. Zij impliceert wél
de aanvaarding van het onderscheid tussen waarheid en waardigheid.[1]
Aanhangers van een levensbeschouwing hebben het volste recht hun
levensbeschouwelijke opvattingen als de enig ware of juiste te
beschouwen. Maar de tolerantienorm vereist dat zij afzien van geweld om
deze levensbeschouwing af te dwingen en aan anderen op te dringen. Hij
impliceert godsdienstige en levensbeschouwelijke vrijheid, niet alleen
als groepsrecht, maar ook als een individueel recht. De tolerantienorm
vergt aldus tegelijkertijd vrijheid binnen de groep of cultuur en
gelijkheid tussen de groepen of culturen.
Artikel 9 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en van de
fundamentele vrijheden (E.V.R.M.) stelt daarom ook dat de vrijheid van
gedachte, geweten en godsdienst, ook de vrijheid impliceert om van
godsdienst of overtuiging te veranderen.
Enkel waar schade aan
anderen wordt berokkend - bijvoorbeeld door iemand te dwingen
tot een zekere levensbeschouwing of levensbeschouwelijke praktijk -
heeft de overheid een legitieme reden om op te treden.[2]
De interne organisatie en de geloofsinhoud van een levensbeschouwing
zijn none of the law's business, ook indien
sommigen die gebeurlijk immoreel zouden vinden. Zo kan men van oordeel
zijn dat het priesterlijk celibaat, zowel als de uitsluiting van
vrouwen uit de priesterlijke roeping fundamenteel immoreel zijn, maar
gezien niemand gedwongen is om zich tot het katholicisme te bekeren,
wordt dit als een louter interne, kerkelijke aangelegenheid beschouwd.[3]
Toch is het recht op
levensbeschouwelijke vrijheid niet absoluut. Zo wordt algemeen aanvaard
dat levensbeschouwingen zich in Europa aan het vermelde E.V.R.M. dienen
te houden evenals aan de Grondwet. Waar de overheid
levensbeschouwelijke gemeenschappen bovendien erkent, subsidieert en/of
in de leerplannen van het onderwijs integreert, kan zij ook verdere
voorwaarden opleggen aan de uitoefeningsmodaliteiten van de
levensbeschouwing. In sommige situaties laat de overheid de
godsdienstvrijheid primeren - ten tijde van de zesdagenweek werden
joodse kinderen op de sabbat vrijgesteld van hun schoolplicht - in
andere situaties primeert het interne recht - ook islamitische kinderen
moeten deelnemen aan de zwemlessen op school -.
De scheiding tussen
kerk en staat vormt de mogelijkheidsvoorwaarde opdat verschillende
levensbeschouwingen binnen hetzelfde politieke verband geweldloos samen
zouden kunnen leven. Dat vereist dat het politieke gezag niet zelf op
één specifieke levensbeschouwing zou berusten en dat dit gezag evenmin
een beleid voert dat slechts vanuit één specifieke levensbeschouwing
kan worden verantwoord. Van de bevolking wordt daarbij gevraagd dat zij
het onderscheid kan maken en erkennen tussen de waarheidsaanspraken van
de eigen levensovertuiging en de menselijke waardigheid: de 'waarheid'
van een levensbeschouwing is op zich nog geen doorslaggevende reden om
die levensbeschouwing met geweld aan anderen op te dringen, want dat
zou in strijd zijn met de menselijke waardigheid. Alleen een in
vrijheid aanvaarde levensbeschouwing schendt die waardigheid niet. En
dat geldt ook voor die levensbeschouwing zélf, in die zin dat een
afgedwongen (geloofs)overtuiging geen enkele authenticiteit heeft.
In die benadering zit ook een
zeker individualisme vervat. Het is de individuele, menselijke persoon
die uitmaakt welke levensbeschouwing hij erop nahoudt en niet de groep
of de cultuur waartoe hij behoort. Weliswaar betekent dit niet
noodzakelijk dat iedereen zijn levensbeschouwing zomaar zou 'kiezen',
maar het betekent wél dat iedereen de aanspraken van een zekere
levensbeschouwing kan afwijzen of van levensbeschouwing kan veranderen.
En die gewetensvrijheid is een individueel recht dat niemand anders dan
de betrokkene zelf kan uitoefenen.
De scheiding tussen kerk en staat
vertolkt een ethiek van de geweldloosheid. Iedereen heeft het recht
zijn levensovertuiging in volle vrijheid te beoefenen - zolang hij
daarbij geen schade berokkent aan anderen - en iedereen heeft het recht
de 'waarheid' van zijn levensovertuiging te verkondigen via de vrijheid
van meningsuiting.
Omgekeerd mag de overheid geen
beleid voeren waardoor de aanhangers van een bepaalde levensovertuiging
gedwongen zouden worden handelingen te stellen die daar radicaal in
strijd mee zijn. Abortus en euthanasie blijken in strijd te zijn met de
katholieke geloofsleer, maar door de legalisering van beide wordt ook
niemand gedwongen tot het (doen) uitvoeren van abortus of euthanasie.
Dat wil echter nog niet zeggen
dat de levensbeschouwelijke vrijheid absoluut is. Een eerste
belangrijke grens wordt door het schadebeginsel geformuleerd: men heeft
niet het recht om in en door het uitoefenen van de eigen
levensbeschouwing anderen schade te berokkenen. Een tweede belangrijke
grens betreft de rechten van de mens: iedere geloofsovertuiging dient
de rechten van de mens - ook intern - te respecteren. Polygamie wordt
hiermee in strijd geacht (tenzij het huwelijk rechtsgeldig gesloten
werd in een land dat dergelijk huwelijk erkent) , evenals gedwongen
uithuwelijking: indien twee jongeren van Turkse origine zich niet
verzetten tegen de beslissing van hun families om met elkaar te huwen,
dan zal de overheid zich afzijdig houden, maar indien zij zich
daartegen verzetten, kunnen zij zich op de steun van de overheid
beroepen. Een andere belangrijke grens wordt geformuleerd door de
bijzondere verantwoordelijkheid van de overheid ten opzichte van
minderjarigen. Hoewel het ouderlijk gezag mede het recht impliceert om
minderjarigen volgens de beginselen van de eigen levensovertuiging op
te voeden - met inbegrip van de initiatie volgens de eigen rituelen -
zal de overheid zich verzetten indien dit irreversibele schade
berokkent aan de minderjarige. Zo mogen Getuigen van Jehova een
bloedtransfusie weigeren, gezien dit in strijd is met hun
geloofsovertuiging, maar mogen zij dat niet doen voor hun minderjarige
kinderen. Zo mag evenmin clitoridectomie worden uitgevoerd op
minderjarige meisjes. En er bestaat een schoolplicht, waardoor alle
minderjarigen een verplicht leerplan moeten doorlopen, ook al worden in
dit leerplan onderwerpen behandeld die in strijd zijn met zekere
geloofspunten.
Dit is althans de situatie in
Europa. In de Verenigde Staten is men daarentegen geneigd het ouderlijk
gezag meer te laten doorwegen. Amish-meisjes mogen in hun puberteit uit
het officieel onderwijs worden gehaald indien de ouders menen dat dit
onderwijs strijdig is met hun geloofsleer. Jehova's Getuigen mogen ook
voor hun kinderen een bloedtransfusie weigeren, terwijl in sommige
staten het 'creationisme' - dat stelt dat het Bijbelse
scheppingsverhaal wel degelijk de historische waarheid beschrijft over
het ontstaan van de wereld - als een aan de evolutieleer gelijkwaardig
verhaal moet worden gedoceerd in het onderwijs.
De scheiding tussen kerk en staat
kan worden samengevat in vier beginselen. Het vrijheidsbeginsel stelt
dat eenieder het recht heeft zijn levensovertuiging in volle vrijheid
te beleven, zolang daarbij geen schade wordt berokkend aan anderen. Het
gelijkheidsbeginsel stelt dat ieder individu, wat ook zijn
levensbeschouwing moge zijn recht heeft op een gelijke behandeling en
op behandeling als een gelijke. Het stelt tevens dat ook iedere
levensbeschouwing gelijk moet worden behandeld. Discriminatie van
levensbeschouwingen of discriminatie op grond van
levensbeschouwing is uit den boze. Het tolerantiebeginsel stelt dat
levensbeschouwingen elkaar extern moeten respecteren en dat zij intern
niemand mogen verbieden de eigen levensbeschouwelijke gemeenschap te
verlaten. Tenslotte stelt het neutraliteitsbeginsel dat de overheid
geen enkele wet mag uitvaardigen die slechts kan worden verantwoord op
basis van één specifieke levensbeschouwing: wetten moeten ofwél
levensbeschouwelijk neutraal zijn, ofwel berusten op een overlappende
consensus tussen de diverse levensbeschouwingen.
Het schadebeginsel is een
belangrijke inperking van de godsdienstvrijheid net zoals het recht van
kinderen op bescherming tegen misbruik van afhankelijkheid. Maar is de
godsdienstvrijheid daarbuiten wel (zo) volledig? En is de overheid wel
zo neutraal tegenover eender welke levensbeschouwelijke overtuiging? We
onderzoeken deze vraag aan de hand van de actuele controverse over de
toelaatbaarheid van zogenaamde 'rituele' slachtingen middels de
halssnede in de joodse en de islamitische gemeenschap.
De grondvraag is hierbij of
levensbeschouwingen in Europa zich ook dienen te houden aan opvattingen
van zedelijkheid die de relaties tussen mens en dier betreffen? Kan
religie of cultuur een argument zijn om dieren - en meer bepaald
'hogere' zoogdieren - dan weer wel en dan weer niet in de 'morele
horizon' op te nemen?[4] Kan men, meer in het
bijzonder, het dierlijk lijden slechts in die mate als een ethisch
relevant gegeven opvatten naargelang van de culturele praktijken - waar
dat dier buiten staat ook al is het in hoge mate het product van
menselijke cultuur - die het legitimeren?
2. Slachten door middel van de halssnede
Zoals het verbod op het eten van
varkensvlees als onrein voedsel, en zoals de Kosher dan wel de Halal
dieetregels, hebben de joodse en de islamitische geloofsgemeenschap met
elkaar gemeen dat zij, in beginsel, slechts vlees mogen eten van dieren
- pluimvee, geiten en schapen, runderen - die 'rein' of 'gaaf' zijn en
die door middel van de halssnede en zonder voorafgaande bedwelming of
verdoving worden gedood en uitgebloed zijn. Dat gebeurt door met een
heen en weer gaande beweging met een scherp mes de slokdarm, de
luchtpijp en de halsslagaderen door te snijden, zodat het slachtdier
door snelle verbloeding buiten bewustzijn raakt en sterft. Al
naargelang van de vaardigheid van de slager kan dit een fractie van een
minuut of enkele minuten duren, een periode waarin het slachtdier
ongetwijfeld aanzienlijk lijdt.
2.1. Het joodse geloof
In de joodse geloofsgemeenschap
gebeurt dergelijke rituele manier van slachten van dieren voor
dagelijkse consumptie door professionele slagers, die zeer strenge
voorschriften moeten volgen, die zijn vastgelegd in gezaghebbende
religieuze geschriften, zoals de Thora (met name Leviticus 11:1-31 en
41-47) de overige boeken van het Oude Testament en de Talmud. Rond 1500
legde Rabbi Joseph Karo in het deel Yoreh Deah van de Shulkhan Arukh de
joodse dieetregels (kashrut) vast. Volgens de regel van de Shechita mag
slechts een religieuze en in slagen getraind slager
(schochet) de halssnede toebrengen. Volgens de regel van de Bedika
wordt het vlees er bovendien nog gekeurd door een speciale keurmeester
(bodek), die onderzoekt of het vlees inderdaad maximaal van bloed is
ontdaan en geen fysiologische abnormaliteiten of verwondingen
vertoont. Nikkur legt de regels vast die bij het snijden van
het vlees dienen gevolgd en Kosher bepaalt de procedures die moeten
worden gevolgd opdat het vlees zo bloedloos mogelijk zou zijn (door
inzouten en braden).[5] Joden mogen bovendien slechts de
voorbouten van geslachte dieren consumeren. Dat betekent dat door de
joodse keurmeester 'afgekeurd' vlees zowel als de rest van het
slachtdier op de 'gewone' binnenlandse markt wordt verkocht.
In veterinaire kringen wordt
aangenomen dat een deskundig uitgevoerde halssnede geen significant
groter leed meebrengt voor het dier, dan de courante slachtmethode.
Doordat het bloed direct na de halssnede uit de hersenen wegvloeit
treedt tussen de 10 en de 20 seconden bewusteloosheid op. Wel kunnen de
dieren - vooral grotere dieren, zoals runderen - lijden doordat zij
voorafgaandelijk aan de halssnede op hun zij dienen te worden gelegd.
Het joodse geloof is zeker niet
diervijandig of dieronverschillig. Binnen de joodse gemeenschap is het
eten van vlees, en het slachten middels de halssnede, dan ook niet
onbetwist. Er bestaat een organisatie, de Jews for Animal Rights (JAR)
die zich, op basis van de denkbeelden van rabbi Avraham Kuk en van de
Joodse traditie van het in Genesis geformuleerde tsa'ar
ba'alei chaim - gij zult geen lijden veroorzaken aan levende
schepsels - inzet voor het vegetarisme. In de Thora verwijzen diverse
voorschriften naar medeleven met dieren, zoals Deuteronomium 22, 10 en
25, 4 die begrip vraagt voor het grazen van een dier op 'vreemde'
akkers en die voorschrijft om geen sterk met een zwak dier in eenzelfde
trekspan te verenigen en zoals Exodus 20,10 die ook rust voorschrijft
voor dieren op de sabbat.[6]
2.2. Het
islamitische geloof
In de islamitische
geloofsgemeenschap gebeurt het slachten door middel van de halssnede
eveneens door professionele slagers voor wat betreft de dagelijkse
consumptie: in dit geval staat de deskundigheid van de slager in voor
een relatieve pijnloosheid. Maar bovendien vereist het
islamitische geloof ook een rituele slachting door leken
naar aanleiding van belangrijke familiefeesten en naar aanleiding van
het Offerfeest, dat een tijdje na de Ramadan plaatsgrijpt.(Al Baqarah,
§ 197)[7]
De vereiste tot slachten middels
de halssnede staat niet letterlijk in de Koran, maar men kan haar wel
afleiden uit diverse Soeras, zoals de Soera Al-Baqarah § 174, die een
verbod op het eten van bloed formuleren. Zij maakt deel uit van een
hele reeks dieetvoorschriften, gericht op de bevordering van
Halal-voedsel en het verbod op Haram-voedsel. In de Soera Al Maidah §
4 luidt het : 'Verboden is u het gestorvene, het
bloed en het varkensvlees en al waarover een andere naam dan die van
Allah is aangeroepen; hetgeen is gewurgd en is doodgeslagen en hetgeen
is doodgevallen of hetgeen door de horens van dieren is gedood en
hetgeen door een wild beest is aangevreten, behalve wat gij hebt
geslacht'. In de Soera Al-An'aam §146 wordt 'het
gestorvene of vloeiend bloed of varkensvlees' als onrein
aanzien. Ook de Hadith - de aan Mohammed toegeschreven woorden en daden
- bevat leefregels die dit gebod impliceren.[8]
Het slachten door middel van de
halssnede wordt tijdens het Offerfeest gezien als
nagedachtenis aan de offerbereidheid van Abraham: zij herinnert eraan
hoe moeilijk het is iets zeer waardevols te moeten offeren ter ere van
de schepper. Maar bovenvermelde Soera wijst wellicht nog op een andere
reden voor de voorkeur voor het slachten middels de halssnede: het was,
in die tijd, wellicht ook de minst pijnlijke manier
om een dier te doden en zeker minder pijnlijk dan wurgen of doodslaan.
De Islam kan dus geenszins worden beschouwd als dieronvriendelijk, of
als onverschillig tegenover dierenleed. Mohammed schreef
vriendelijkheid en medeleven voor jegens ieder levend wezen, verbood
het organiseren van dierengevechten en het jagen omwille van het spel,
verbood vivisectie, veroordeelde dierenverminking en beschouwde het als
een grote zonde om dieren in gevangenschap te nemen. Binnen de
islamitische beweging bestaat er op die grond ook een vegetarische
stroming, de Muslim Vegetarian/Vegan Society (UK,
1995).
3. Slachtpraktijken en dierenwelzijn
De wellicht mede door bekommernis
om het dierenleed ingegeven slachtregel contrasteert fel met de
hedendaagse praktijk van het rituele slachten. Niet alleen zijn er
thans minder pijnlijke methoden voorhanden - zoals het doden mits
voorafgaande verdoving door een schietmasker of electronarcose - maar
bovendien brengen de massale rituele slachtingen tijdens het Offerfeest
heel wat bijkomend dierenleed met zich. De dieren worden soms in
autokoffers vervoerd en worden naar grote slachtruimtes of naar huis
gebracht waar zij geconfronteerd worden met het leed en met de dood van
andere dieren.[9]
Het omleggen en het vasthouden van het dier - tijdens hetwelk er soms
enige tijd gebeden wordt - gebeurt niet altijd met enige bekommernis om
wat het dier beleeft en het doorsnijden van de hals door onbevoegden is
al evenmin van aard de pijn van het dier te minimaliseren.
Deze praktijk is in verschillende
opzichten in strijd met de algemene strekking van
de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn
van dieren, ook al maakt die wet een uitdrukkelijke uitzondering voor
rituele slachtingen, en van de wet van 24 maart 1987 betreffende de
dierengezondheid. Naar Belgisch recht :
(a) mag er niet zomaar thuis
een dier worden geslacht, zonder licentie;
(b) mag niet eender wie een
dier slachten;
(c) mag niet eender wie
veedieren vervoeren;
(d) moeten dieren op de meest
pijnloze manier worden geslacht;
(e) mogen dieren niet in de
aanwezigheid van andere dieren worden geslacht;
(f) is het leken verboden om
slachthuizen te betreden;
(g) mag slachtafval niet bij
het gewone huisafval worden gedeponeerd.
In naam van het respect voor de
godsdienstvrijheid werden er in Koninklijke Besluiten of in
gemeentereglementen uitzonderingen voorzien:
(a) gemeenten zoals Gent of
Mechelen voorzien in speciale slachtruimten, vuilnisbakken en
ophaaldiensten voor thuis geslachte dieren tijdens het Offerfeest;
(b) gemeenten als Antwerpen
zorgen voor infrastructuur - een grote hangar - voor de rituele
slachtingen door leken tijdens het Offerfeest;
(c) hierbij worden de dieren
vaak onprofessioneel getransporteerd, geconfronteerd met reeds
geslachte dieren en onprofessioneel gedood.
Het lijdt geen twijfel dat deze
praktijken én in strijd zijn met de algemeen geldende juridische regels
terzake én in strijd zijn met het dierenwelzijn, én in strijd zijn met
de hier geldende zedelijke opvattingen van dierenwelzijn, waarbij
dieren niet (meer) als loutere zaken worden opgevat - er staan straffen
op dierenmishandeling - maar waarbij men het vermogen van die dieren om
te lijden en te genieten erkent en dit vermogen als moreel en
juridisch beschermingswaardig beschouwt.[10] Slechts
omdat deze praktijk momenteel juridisch wordt gezien als een
godsdienstig voorschrift, dat wordt beschermd door de
godsdienstvrijheid, wordt zij niet opgevat als een vorm van
dierenmishandeling die zij in alle andere omstandigheden (indien men,
bijvoorbeeld, middels de halssnede, varkens, honden of katten zou
doden) ongetwijfeld zou hebben.
4. Godsdienstvrijheid en ethische beginselen
Dat deze praktijk thans door de
bescherming van de godsdienstvrijheid wordt gedekt is echter niet
evident. Immers deze vrijheid is, zoals gezegd, niet absoluut.
Weliswaar dient erover gewaakt dat de voor een multiculturele
samenleving zo essentiële verdraagzaamheid niet wordt aangetast, maar
tegelijk dient erover gewaakt dat fundamentele ethische waarden niet
met voeten worden getreden. Godsdienstige argumenten zijn daarom, in
tegenstelling tot morele argumenten, niet doorslaggevend. Waar
fundamentele ethische waarden in het geding zijn, moet de godsdienst
voor de ethiek wijken.
Die opvatting impliceert dat
ethiek niet tot levensbeschouwing kan worden gereduceerd. De ethiek
vormt immers zowel mogelijkheidsvoorwaarde als fundament van
levensbeschouwelijke tolerantie. Slechts binnen de grenzen van die
ethisch gefundeerde tolerantie is godsdienstvrijheid überhaupt
mogelijk. Waar levensbeschouwelijke tolerantie door de grenzen van de
(eigen) godsdienst wordt beperkt, houdt zij op een interculturele of
interreligieuze norm te zijn. De tolerantienorm staat dus, als
voorwaardescheppende norm, boven godsdienstige voorschriften. Waar een
godsdienst de tolerantienorm niet respecteert, primeert de
tolerantienorm, en de ethiek van het intermenselijk respect waarvan hij
de uitdrukking is, op de godsdienstvrijheid en kan die vrijheid aan
banden worden gelegd. De grenzen van de godsdienstvrijheid worden met
andere woorden door de tolerantienorm bepaald, en niet andersom.
Dat wordt, over het algemeen,
aanvaard waar het intermenselijke verhoudingen betreft. Niemand mag
worden gedwongen om tot een godsdienstige gemeenschap te behoren of om
zich, tegen zijn wil, aan godsdienstige voorschriften of rituelen te
onderwerpen. Hoewel het enigszins nonsensicaal is te beweren dat men
een godsdienstige overtuiging eenvoudig zou 'kiezen' - men wordt er,
veeleer door 'aangesproken' - heeft men wel de vrijheid om religieuze
aanspraken af te wijzen. Omdat die vrijheid slechts in de volwassenheid
tot ontplooiing kan komen, is het niet in strijd met de bescherming van
de godsdienstvrijheid om minderjarigen tegen zekere godsdienstige
voorschriften in bescherming te nemen, indien die voorschriften een
fundamentele aantasting van hun integriteit impliceren, waarover zij
zelf (nog) niet kunnen oordelen. In die zin is het, zoals gezegd, niet
strijdig met de godsdienstvrijheid om minderjarige kinderen van
Jehova's Getuigen, tegen de wil in van hun ouders, een bloedtransfusie
te geven (die ouders kunnen in dit geval overigens 'overmacht' inroepen
tegenover hun god) of om minderjarige meisjes uit sommige
(noord)Afrikaanse culturen te beschermen tegen clitoridectomie en
infibulatie.
Ook in juridisch opzicht wordt
aanvaard dat het recht op bescherming van de vrijheid van godsdienst,
zoals het in de grondwet en in het E.V.R.M. is vastgelegd, bepaalde
wettelijke beperkingen op de uitoefening van die
vrijheid - zoals van eender welke andere vrijheid - niet in de weg
staat. De vrijheid van godsdienst of overtuiging, zo stelt §2 van art.
9 E.V.R.M.,
'kan aan geen nadere
beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en
die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van de
openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde,
gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en
vrijheden van anderen.'
Beperkingen - men denke aan
bouwvoorschriften, onderwijsvoorschriften of leefwijzevoorschriften -
dienen een wettelijke basis , met andere woorden:
een democratische legitimiteit, te hebben en moeten nodig zijn
voor de openbare veiligheid (geen godsdienst mag oproepen tot of actief
participeren aan geweldpleging) en/of de bescherming van de openbare
orde, de gezondheid, de zedelijkheid en de rechten en vrijheden van
anderen. Dit zijn, uiteraard, allemaal antropocentrische criteria: zij
viseren de (bescherming van de) rechten van mensen. Niettemin wordt ook
naar 'de zedelijkheid' verwezen en die kan mede de verhouding tussen
mensen en (bepaalde) dieren omvatten.
Het gaat er hier niet om dieren,
zoals mensen, als rechtssubjecten te benaderen, zoals Tom Regan[11]
verdedigt.[12]
Het gaat erom zekere dieren - omwille van hun vermogen om te lijden en
te genieten, hun vermogen tot zekere bewustzijnstoestanden of omwille
van hun hoge graad aan organische complexiteit - het statuut van
beschermingswaardige (drager van) waarde te verlenen, dat mede dient
afgewogen tegenover andere beschermingswaardige waarden.[13]
De wet op het dierenwelzijn erkent dit, aangezien hij dieren, in
tegenstelling tot zaken, het vermogen tot een zeker 'welzijn'
toeschrijft.[14]
Maar zelfs indien dit niet het geval zou zijn, is dergelijk statuut
niet helemaal vreemd aan ons recht. Ook zekere gebouwen, landschappen,
monumenten of kunstvoorwerpen worden aan de loutere
beschikkingsvrijheid van de mens onttrokken in die zin dat wie er ook
de eigenaar van is, niet eender wat met deze goederen mag doen, het
weze om esthetische, het weze om ethische redenen.[15]
Bovendien kan worden vastgesteld
dat het moderne recht steeds uitdrukkelijker normen uitvaardigt om
iedere vorm van misbruik van afhankelijkheid - in
de arbeidsverhoudingen, de relaties tussen mannen en vrouwen, ouders en
kinderen, artsen en patiënten enz. - te sanctioneren.[16]
In dergelijke afhankelijkheidsverhouding bevinden zich ook heel wat
dieren, die aldus blootstaan aan misbruiken onder de vorm van
mishandeling, waartegen alleen een wetgever bescherming kan aanreiken.
5. Hoe categorisch is het betreffende spijsgebod?
Het komt een andersgelovige niet
toe om de inhoud van een ander geloof voor die
gelovigen te interpreteren, gezien iedere levensbeschouwelijke
gemeenschap haar eigen interpretatieregels heeft. Dat doen zou in
strijd zijn met de tolerantienorm en met de godsdienstvrijheid. Wel kan
(a) worden vastgesteld of een bepaalde norm of een bepaald ritueel
inderdaad door eenieder van die levensbeschouwelijke gemeenschap als
absoluut noodzakelijk wordt aanvaard en (b) worden gestreefd naar
methoden opdat godsdienstige praktijken meer in overeenstemming zouden
worden gebracht met het hier geldende recht en met de ethiek. Ook in
een multiculturele samenleving is het 'culturele argument' geen
doorslaggevende reden om zekere praktijken te verantwoorden. Zij moeten
ook ethisch kunnen worden gejustifieerd.
Dit wil uiteraard niet zeggen dat
men de inhoud van een ander geloof of van haar rituelen niet
wetenschappelijk zou mogen onderzoeken. Een externe
analyse en evaluatie
is uiteraard legitiem, maar zij heeft geen automatische implicaties
voor de interne manier waarop een ritueel betekenis
heeft en wordt gewaardeerd. Een verklaring mag dan al wetenschappelijk
demystifiërend zijn, zij komt niet in de plaats van de symbolische
betekenis. Er zijn talrijke gebruiken en rituelen waaraan men een
'louter' functionele zin kan toeschrijven, die wordt bepaald door de
toenmalige kennis, technologie en ecologische omstandigheden. Maar
dergelijke contextuele verklaring heft de symbolische betekenis niet
noodzakelijk op.
Zo bestaat er een felle
controverse tussen de culturele materialist Harris[17] en de
antropologe Douglas[18] over de grondslagen van, met name
religieuze dieetregels. Terwijl die volgens de eerste uiteindelijk
allen kunnen worden verklaard op materialistische grond, in termen van
overlevingsstrategieën tegenover een specifieke ecologische context
(varkens stonden in een competitieve positie tegenover mensen, omdat
zij hetzelfde voedsel als mensen opeten - granen en geen grassen - en
bovendien die mensen weinig secundaire producten te bieden hadden -
zoals melk, wol of energie - ), zoekt die tweede veeleer een verklaring
in de symbolische orde waarbinnen mensen het onderscheid tussen het
heilige en het onheilige - of het reine en het onreine - trachten te
doorgronden door zelf een consistente interpretatie te ontwikkelen van
de Goddelijke voorschriften.[19]
Wat echter ook de historische verklaring
mag zijn voor specifieke rituelen en dieetvoorschriften, zij kunnen,
voor de gelovige, de religieuze betekenis van het
ritueel niet vervangen. Zelfs indien men kan aantonen dat de
oorspronkelijke functie van zekere rituele
handelingen (de besnijdenis van jongens, dieetvoorschriften enz.)
totaal is achterhaald, is dit nog geen argument om het ritueel haar
relevantie voor de betrokken gelovigen te ontnemen. Het is in die zin
dat men respect moet kunnen opbrengen voor een ritueel, ook al kan men
er de 'functies' van 'demystificeren'. Het gaat hier met andere woorden
niet om de rituele 'betekenis' als zodanig. Het gaat om haar
implicaties en consequenties op, in deze context, slachtdieren. De
vraag luidt dan ook of het mogelijk is de rituele betekenis in stand te
houden en tegelijkertijd het dierenleed te minimaliseren.
5.1. Overmacht
kan worden ingeroepen bij de overtreding van een religieus gebod
Vooreerst kan worden vastgesteld
dat het islamitisch geloof niet statisch is en dat in de loop der
tijden absolute voorschriften al eens soepeler werden geďnterpreteerd.
Dat is bijvoorbeeld het geval voor de verplichte sluierdracht voor
vrouwen (Soera Annoer § 32), die gedurende bepaalde historische
perioden dan weer soepeler dan weer strenger werd geďnterpreteerd al
naargelang de betekenis die het 'dat zij haar schoonheid niet
toont dan hetgeen ervan zichtbaar moet zijn' verwierf. Het
geldt evenzeer voor het verbod om rente te vragen voor uitgeleend geld
(Soera Al Baqarah § 276, § 277). Iets gelijkaardigs geldt voor
het slachtgebod dat uiteindelijk drie vereisten impliceert
(a) de vereiste om geen 'lopend' bloed te consumeren, (b) de vereiste
om slechts dieren die door de halssnede werden geslacht te consumeren
en (c) de vereiste dat bij dit slachten het dier niet voorafgaandelijk
wordt verdoofd. Welnu, de eerste en de tweede vereiste kunnen ook
worden vervuld zonder de derde.
Bovendien is het godsdienstige
verbod niet algemeen: men kan omstandigheden van overmacht inroepen om
het verbod niet te moeten naleven. In de reeds vermelde Soera
Al-Maidah, § 4 staat immers ook vermeld : 'Maar wie door
honger wordt gedwongen, zonder dat hij tot de zonde is geneigd,
voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol'. En in de
Soera Al-An'Aam § 146 staat eveneens: 'Maar wie door noodzaak
wordt gedreven en niet begerig is noch de grens overschrijdt: uw Heer
is dan voorzeker Vergevensgezind, Genadevol'. (idem: Soera An
Nahl § 116) De plicht tot het nuttigen van ritueel geslacht vee is
relatief. Indien men in de onmogelijkheid verkeert - bijvoorbeeld door
een wettelijk verbod - om op dergelijke manier vee te slachten of zich
dergelijk vlees aan te schaffen kan men zich beroepen op heirkracht:
het is niet een eigen keuze. Precies op grond hiervan hebben sommige
islamitische gezagsdragers hun gelovigen van deze religieuze plicht
vrijgesteld in landen - zoals Zwitserland - waar betreffende rituele
slachtingen reeds zeer lange tijd een absoluut verbod geldt. Ook toen
in ons land nog weinig (georganiseerde) islamieten woonden, werd op die
overmacht een beroep gedaan om niet ritueel geslachte dieren te
consumeren.
5.2. Slachten
middels de halssnede staat verdoving niet in de weg
Een tweede bedenking is dat in de
Koran zélf nergens staat vermeld dat het dier, voorafgaandelijk aan de
slachting middels de halssnede, niet zou mogen worden verdoofd. Er
wordt alleen gewag gemaakt van het verbod op het consumeren van bloed
en toentertijd was de halssnede wellicht de enige methode om een zo
bloedloos mogelijk vlees te bekomen. Hoewel de Koran, met andere
woorden, de halssnede niet uitdrukkelijk voorschrijft, is zij wel
onrechtstreeks geďmpliceerd in het verbod tot het consumeren van bloed.
Wel is vereist dat het dier 'gaaf' en 'onbezoedeld' zou zijn. Het is
bekend dat de Islam streng oordeelt over verdovende middelen, zoals
alcohol (Al-Baqarah §220, Al-Maidah §91 en §92). Niettemin wordt de
verdoving van mensen bij heelkundige ingrepen wel degelijk toegestaan.
Waarom wordt thans, wat dieren betreft, een verdoving wél, maar
allerlei inentingen tegen ziekten niet als een bezoedeling opgevat ? En
waarom zou een 'elektrische' verdoving dan niet kunnen worden
toegestaan ? Het 'leegbloeden' van het dier wordt door een voorafgaande
verdoving niet verhinderd. Alleen de pijn van het slachtdier wordt
aanzienlijk verminderd.
De vraag luidt dan ook of aan het
lijden van het dier zélf een religieuze betekenis wordt verleend. Dat
is weinig aannemelijk. Vooreerst omdat, zoals reeds werd aangestipt,
het voorschrift om te slachten middels de halssnede toentertijd
wellicht mede ingegeven is door de reden om het dier zo min mogelijk te
laten lijden. En vervolgens omdat de religieuze betekenis van dit
rituele offer veeleer de mens viseerde, in casu, zoals bij de
bereidheid van Abraham om op Gods verzoek zelfs zijn oudste zoon te
offeren, diens lijden bij het doden van een zeer
waardevol goed. Het leed van het dier speelt hierin slechts een
secundaire rol.
De Koran, maar vooral de Hadith
bevatten ook voorschriften die erop zijn gericht de dieren zo min
mogelijk extra te laten lijden. Zo wordt het veelvuldig scherpen van
het mes verplicht gesteld en mag men dit niet doen in het aangezicht
van het dier. Men dient verder de slachtdieren gerust te stellen en te
strelen en de dieren moeten van tevoren goed zijn gevoed en verzorgd.[20]
Het lijkt er daarom ook op dat de thans vigerende praktijken eerder in
strijd zijn met de intenties van de Islam dan dat zij die gehoorzamen.
6. Naar een open dialoog
Beide bedenkingen openen minstens
een weg tot het opstarten van onderhandelingen met de islamitische
geloofsgemeenschap. Zij is intern over de vraag of een dier
voor de rituele slachting al of niet verdoofd mag zijn verdeeld.
Er bestaat dus ruimte voor een dialoog. Niet het slachten door middel
van de halssnede dient in dergelijke dialoog centraal te staan en
evenmin de religieuze betekenis ervan, maar wel de wijze waarop en de
omstandigheden waaronder de halssnede wordt toegepast. Slechts het
verminderen van het dierenleed mag hierbij vooropstaan.
Het belang van een dergelijke
voorafgaandelijke dialoog ligt hierin dat vermeden dient te worden dat
de indruk zou worden gewekt dat mensen uit de 'christelijke cultuur'
een aanval zouden richten tegen andersgelovigen. Daarom is het ook van
belang om bondgenoten te vinden binnen de islamitische
cultuur.
Van de zijde van de
Moslimveterinaire wereld zouden er overigens weinig principiële
religieuze bezwaren zijn tegen een voorafgaande bedwelming, mits zij
non-lethaal is.[21] Een der hoogste islamitische
hoogwaardigheidsbekleders, Dr. El Naggar, oud-rector van de Al Azhar
universiteit te Cairo, zou uitdrukkelijk hebben gesteld tegen
dergelijke verdoving geen bezwaar te hebben.[22]
Een openlijk debat hieromtrent
wordt, wat de islamitische gemeenschap betreft, alvast vergemakkelijkt
omdat één struikelblok recent werd weggewerkt. Door de democratische
verkiezing in België van een Raad voor de Islam heeft de overheid
alvast een representatieve gesprekspartner. Wel is niet helemaal
duidelijk of die ook bereid zal zijn zich over inhoudelijk-religieuze
aangelegenheden uit te spreken. Voor de Islam blijft dit een probleem.
Wie mag met gezag in naam van de islamitische gemeenschap spreken? De
Islam heeft immers geen met het katholicisme vergelijkbare clericale
hiërarchie. Maar thans bestaat er toch, zoals bij de protestanten, een
uniek orgaan waarin de diverse islamitische stromingen zijn
vertegenwoordigd.
Anderzijds ontbeert een groot
deel van de islamitische gemeenschap stemrecht bij parlementaire en
gemeentelijke verkiezingen. Een louter parlementair debat over deze
aangelegenheid zou aldus makkelijk kunnen worden gezien als 'externe' -
en dus vijandige - bemoeizucht. Dit is een reden te meer om eerst een
dialoog op te starten met vertegenwoordigers in de Raad voor de Islam.
7. De inzet van het debat en de problematische
context
De discussie over de morele
toelaatbaarheid van slachten middels de halssnede zonder voorafgaande
verdoving wordt momenteel bovendien nog door twee andere omstandigheden
verzwaard.
De eerste omstandigheid is dat
ook de thans in het westen gepraktiseerde methoden van industriële
veefokkerij in strijd kunnen worden geacht met een minimaal respect
voor het dierenwelzijn. Men denke aan de legbatterijen voor kippen, de
kistkalveren, de productiewijze van foie gras bij ganzen en eenden, de
varkensfokkerij (en de behandeling van varkens in de strijd tegen de
varkenspest), de veetransporten, de vetmesterij, dierenproeven, de
behandeling van dieren in sommige dierentuinen enz.[23] tot en met
het knippen, snijden en afhakken van oren en staart bij honden. Het zou
van een erg bevooroordeelde, selectieve verontwaardiging getuigen om in
naam van het dierenwelzijn slechts het dierenleed te viseren bij
rituele slachtingen en ondertussen de ogen te sluiten voor al het
andere leed dat dieren wordt aangedaan.
Dit probleem stelt zich des te
prangender, omdat de kritiek op het slachten middels de halssnede niet
altijd primair door een bekommernis om het welzijn van dieren wordt
gedragen, maar vaak in eerste instantie een culturele of religieuze
groep viseert. Zo werd ook reeds in de dertiger jaren het slachten
middels de halssnede op de korrel genomen en uiteindelijk verboden door
de Nationaal Socialistische Partij van Duitsland. Zij kaderde in een
uitgesproken racistische hetze tegen de joden en tegen hun godsdienst.[24]
Om die reden werden de standpunten van Peter Singer in progressieve
Duitse kringen op het grootste wantrouwen onthaald.[25]
Heden ten dage wordt de joodse
gemeenschap minder geviseerd, maar des te meer de Moslimgemeenschap. Zo
voerde in de tachtiger jaren een zogeheten Ecologische Partij in
Nederland reeds actie tegen rituele slachtingen in naam van het
dierenwelzijn. In werkelijkheid betrof het een afsplitsing van de
extreemrechtse Centrumpartij, die op die manier haatgevoelens jegens de
Islamitische gemeenschap voedsel gaf. In Frankrijk kwam ook
dierenactiviste Brigitte Bardot in extreemrechts vaarwater terecht en
ook zij heeft, sedert zij het gezelschap van Jean Marie Le Pen
frequenteert, momenteel haar engagement vooral toegespitst op het
slachten middels de halssnede, waarbij zij racistische opmerkingen
tegenover de Islamgemeenschap niet schuwt.
Die socio-culturele
omstandigheden zijn geenszins van aard om de ethische discussie te
vergemakkelijken. Want de ethiek mag dan al primeren op de cultuur, hij
kan de culturele context, om pragmatische redenen, niet ongestraft
veronachtzamen. In onze samenleving werden immers niet alleen strenge
voorschriften opgelegd voor wat betreft het slachten van dieren,
bovendien werden rattenschietingen, hanengevechten en paardenkoersen
als 'volksvermaak', net zoals de vogelvangst met netten beteugeld. Dat
waren ongetwijfeld 'culturele' activiteiten en nog wel 'van de gewone
man'. Des te meer steekt het die bevolkingsgroep de ogen uit indien
andere vormen van dierenleed met culturele argumenten worden
toegestaan. Het gevoelen dat hierbij met twee maten en twee gewichten
wordt gewogen is dus niet zonder grond. Juist om extreem-rechts op dit
vlak de wind uit de zeilen te nemen dringen initiatieven terzake zich
op.[26]
Het opstarten van een dialoog
over het verminderen van het dierenleed bij rituele én industriële
slachtingsmethoden mag daarom slechts zijn geďnspireerd door de
bekommernis om het dierenleed te verminderen
- als een vorm van illegitieme en nutteloze schade die aan
niet-menselijke derden wordt toegebracht - en mag geenszins de
levensbeschouwelijke en godsdienstvrijheid zélf viseren. Iedere indruk
dat een dergelijke dialoog de levensbeschouwing zélf zou ter discussie
stellen dient hierbij te allen prijze worden vermeden. Organisaties als
PETA (People for Ethical Treatment of Animals), of GAIA (Global Action
in the Interest of Animals) hebben het morele krediet om de kritiek
tegen pijnlijke slachtmethoden te dragen, omdat hun morele
verontwaardiging niet-selectief is. Zij zullen zich, bij hun acties en
voorstellen, echter moeten hoeden voor het aangaan van
bondgenootschappen met organisaties die kennelijk andere intenties
hebben.
De inzet mag daarom niet het
slachten middels de halssnede zélf viseren, maar wel de voorwaarden
waaronder dit gebeurt. Vooreerst dienen de regels op het
transport van dieren gerespecteerd. Vervolgens kan worden geëist dat
dieren door een professionele slager worden gedood, die de nodige
deskundigheid heeft om de halssnede zo pijnloos mogelijk toe te
brengen. Tenslotte kan worden geëist dat, in ieder geval waar dieren
door leken worden gedood, het dier voorafgaandelijk wordt verdoofd. Dit
laatste veronderstelt dat zowel de uitvoering van de verdoving als het
toezicht op de naleving ervan, door deskundigen geschied. Die vereisten
kunnen in de praktijk slechts effectief zijn, indien het thuis slachten
wordt verboden en rituele slachtingen slechts in daartoe voorbehouden
ruimten, in aanwezigheid van deskundigen gebeuren, die er tevens op
moeten toezien dat het slachtdier niet geconfronteerd wordt met de
doding en de dood van soortgenoten.
Wie bekommerd is om de waarde van
levensbeschouwelijke verdraagzaamheid kan een discussie over deze
voorwaarden niet uit de weg gaan. Hij effent daardoor, integendeel, het
pad voor de 'politisering' van ergernissen die uiteindelijk die
verdraagzaamheid zelf viseren.
________________________
EINDNOTEN:
[1] K. Raes,
'Tolerantie is een norm. Over de verschillen tussen tolerantie en
cultureel relativisme, permissiviteit en groepsrechten', in R. Doom
(ed.), Tolerantie getolereerd. Westerse en Islamitische opvattingen,
Gent, 1996, 37-50
[2] Hier rijst
precies de vraag omtrent de toelaatbaarheid van clitoridectomie (het
wegsnijden van de clitoris) en infibulatie (het samenhechten van de
schaamlippen bij de vrouw nadat clitoris en de kleine schaamlippen zijn
verwijderd) als 'cultureel gebruik' bij bepaalde Afrikaanse volkeren,
precies omdat het op minderjarige meisjes wordt toegepast. Naar geldend
Belgisch recht is dit ongetwijfeld een bewust toebrengen van slagen en
verwondingen, dat niet kan worden verschoond op grond van medische
redenen, noch op grond van de instemming van de betrokkene. Kan hier
het tolerantie-argument worden ingeroepen of primeert het recht op
bescherming van minderjarigen ?
[3] De zaak ligt
enigszins ingewikkelder omdat in België de overheid de wedden van de
bedienaren van de eredienst betaalt.
[4] P. Singer, The
expanding circle. Ethics and sociobiology, Oxford, 1983
[5] C. Roden, The
book of Jewish food. An Oddyssey from Samarkand to New York, New York,
1996
[6] R. Kalechofsky
(ed.), Judaism and animal rights. Classical and contemporary responses,
Massachusetts, 1992
[7] L. Gardet, De
Islam, Utrecht/Antwerpen, 1967; A. Guillaume, Islam, Harmondsworth,
1990; Hughes T.P., Dictionary of Islam. A Cyclopedia of the doctrines,
rites, ceremonies and customs, together with the technical and
theological terms of the Muslim, New York, 1995; T.W. Lipman,
Understanding Islam. An introduction to the Muslim world, New York, 1995
[8] Muhammad Ali
(ed.), A manuel of Hadith, New York, 1997; Waleed Al-Essa, Authentic
supplications of the prophet, Detroit, 1993
[9] Weliswaar is er
geen wetenschappelijke zekerheid dat de dieren effectief lijden door
dit laatste.
[10] J. Braeckman,
'Ethiek en het gedrag van mensen tegenover dieren. Een historisch
overzicht', Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift, 1996, 65, 179-189
[11] T. Regan, The
case for animal rights, London, 1984
[12] Cfr. ook de
discussie in S. Gutwirth (ed.), Milieu rechtgezet. Een bezinning over
de grondslagen en de toepassing van het milieurecht, Gent, 1994
[13] L. Stone,
Should trees have standing? Toward legal rights for natural objects,
Los Altos, 1974
[14] In dezelfde
zin kan men het zgn. 'recht' op zo min mogelijk leed begrijpen in art.
9 van de (weliswaar juridische niet geldende) Universele Verklaring
voor de Rechten van het Dier uit 1977 van de Internationale Liga voor
de Rechten van het dier.
[15] K. Raes,
'Individualist subjectivism and the world as property. On the
interrelations between concepts of value and concepts of ownership', in
G.E. Van Maanen & A.J. van der Walt (eds.), Property at the
threshold of the 21st century, Antwerpen/Apeldoorn, 1996, 91-114
[16] K. Raes, Tegen
betere wetten in. Een ethische kijk op het recht, Gent, 1997, 91
[17] M. Harris,
Cows, pigs, wars and witches. The riddle of culture, New York, 1989
[18] M. Douglas,
Purity and danger. An analysis of concepts of pollution and taboo, New
York, 1966
[19] Dat is, voor
wat de interpretatie betreft van de categorisering van reine en onreine
zoogdieren op basis van de criteria 'al of niet gespleten hoeven' en
'al of niet een herkauwer', in Leviticus 11, 1-8, overigens geen
eenvoudige klus.
[20] Nederlandse
Vereniging tot Bescherming van Dieren, Slachten door middel van de
halssnede, 's Gravenhage, 1984, 26
[21] M. Abdussalam,
'Moslim attitudes to the slaughter of food-animals', in div., Animal
regulation studies, vol.3, Amsterdam, 1981
[22] Nederlandse
Vereniging tot Bescherming van Dieren, op. cit., 34
[23] P. Singer,
Dierenbevrijding, Breda, 1995; M. Vandenbosch, Recht voor de beesten,
Antwerpen/Baarn, 1996
[24] L. Ferry, Le
nouvel ordre écologique. L'arbre, l'animal, l'homme, Paris, 1992
[25] Cfr. Singer P.
(1993), 'On being silenced in Germany' appendix in id. Practical
Ethics, Cambridge University Press, 337-359
[26] Het Vlaams
Blok heeft overigens de zaak reeds aangekaart in het parlement, waarop
door democratische partijen bitsig werd gereageerd. Serge Moureaux
verwees al meteen naar de maatregelen tijdens het nazi-régime. De toon
is aldus reeds gezet voor een confrontatie die totaal voorbij gaat aan
het dierenleed zélf.
|