Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Voorbij de onschuld.

Het debat over de multiculturele samenleving.

Baukje Prins

Uitg. Van Gennep Amsterdam, 2000, 189 blz. ISBN 90-5515-199-8.

De commotie rond het onlangs door Paul Scheffer gesignaleerde "multiculturele drama" vertoont grote gelijkenis met die rond het "nationale minderhedendebat" dat Frits Bolkestein in de zomer van 1991 aanzwengelde. Vanuit verschillende invalshoeken verwoorden beide auteurs het nieuw realisme, dat zich de laatste jaren in een toenemende belangstelling mag verheugen. In Voorbij de onschuld zet Baukje Prins vraagtekens bij de waarde van dit realisme. Zodra we uitspraken doen over een bepaalde realiteit, kunnen we daarover immers zeer uiteenlopende en toch 'ware' verhalen vertellen. Verhalen over de werkelijkheid zijn met andere woorden niet 'onschuldig'- ze beïnvloeden die werkelijkheid op hun beurt. Na een heldere analyse van de diverse stemmen tegen het realisme - waarin onder meer het werk van Philomena Essed, Herman Vuijsje en Anil Ramdas aan de orde komt - bespreekt Baukje Prins een nieuwe, heterogene, benadering die zich in het multiculturele debat aftekent. Hierin bestaat ruimte voor verhalen die met elkaar botsen, elkaar tegenspreken, elkaar onderuithalen, kortom voor het niet-onschuldige karakter van elke discussie over multiculturaliteit.

Baukje Prins is vanaf het najaar 2000 werkzaam als universitair docent sociale filosofie bij de vakgroep Praktische Filosofie van de Rijksuniversiteit Groningen. E-mail: <b.prins@philos.rug.nl>


Uittreksel: INLEIDING,  pp. 14-18:


Realisme als retoriek

Waarin schuilt toch de aantrekkingskracht van het realisme? Deze vraag bleef me tijdens het schrijven van dit boek fascineren. Oppervlakkig gezien lijkt het een vraag naar de bekende weg. Niemand wil toch de ogen sluiten voor de werkelijkheid, iedereen is toch op zoek naar de waarheid? Maar zodra we het hebben over een bepaalde werkelijkheid, kunnen we daarover een x aantal zeer uiteenlopende en toch 'ware' verhalen vertellen. Neem de interetnische verhoudingen in Delfshaven: alle verhalen daarover- journalistieke reportage, wetenschappelijke analyse, ervaringen van een buurtbewoner - willen recht doen aan wat er werkelijk in Delfshaven gebeurt. Al deze verhalen zijn realistisch - toch kunnen ze diametraal tegenover elkaar staan. Hoe dan nog vast te stellen welk ervan de waarheid in pacht heeft?

Realisme, zo is de veronderstelling die aan de analyses in dit boek ten grondslag ligt, is niet louter een verwijzing naar het waarheidsgehalte, naar de inhoud van een verslag. Het is ook de naam voor een stijl van spreken en schrijven, die zich van andere onderscheidt door het gebruik van bepaalde retorische en stilistische middelen. De retoriek van het realisme appelleert aan bepaalde verlangens: aan ons verlangen naar waarheid, objectiviteit en onpartijdigheid, met andere woorden, aan ons verlangen naar morele en politieke onschuld.

Zelfverklaarde realisten stellen hun tegenstanders dan ook vaak voor als naïeve idealisten. Terwijl realisten de waarheid vooropstellen, zouden idealisten feitelijke uitspraken beoordelen op hun wenselijkheid. De waarheid zou het bij hen uiteindelijk verliezen van het goede. Realisten bedienen zich dan ook graag van de retorische gemeenplaats van het taboe - door hun tegenstanders angstvallig in stand gehouden, door henzelf moedig doorbroken. Zij reserveren daarmee voor zichzelf het vermogen tot rationeel en onbevooroordeeld redeneren, terwijl hun tegenstanders in magisch denken vervallen. Idealisten zouden geloven in de kracht van ritueel taalgebruik, waarbij niet de inhoud, maar de vorm van taaluitingen cruciaal is. Idealisten, zo lijken realisten soms te suggereren, schrijven aan taal een magische kracht toe, doen alsof met taal werkelijkheden in het leven kunnen worden geroepen en werkelijkheden kunnen worden bezworen. Volgens idealisten zou iets niet bestaan zolang je er maar niet over praat. Vandaar hun oproep tot omzichtig taalgebruik. Realisten daarentegen beschouwen taal als een neutraal instrument, een middel om over de werkelijkheid te spreken, om problemen bespreekbaar te maken opdat je ze kunt beheersen en oplossen.

Dit boek neemt het op voor dat zogenaamde magisch denken. Ik noem dat alleen niet idealisme, maar constructivisme. En ik laat zien dat het niet de magie, maar de macht van woorden is waarvoor critici van het realisme beducht zijn. Immers, sociale verhoudingen worden mede bepaald door de manier waarop wij over die verhoudingen spreken, waarop wij ze interpreteren en betekenis geven. Elk spreken over de sociale werkelijkheid maakt tegelijkertijd ook deel uit van die werkelijkheid. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat alles slechts een kwestie van interpretatie is - dat onze wereld simpelweg verandert als we er maar anders tegen aankijken. Dan zouden we vervallen in een vorm van filosofisch idealisme, waarin er geen verschil is tussen onze ideeën over de wereld en hoe de wereld werkelijk is.

Onze interpretatieruimte is, net als onze handelingsruimte, begrensd: door onze (persoonlijke en collectieve) geschiedenis, door onze taal en door materiële gegevenheden, zoals schaarste en lichamelijke kwetsbaarheid. Maar ook deze begrenzingen kunnen we alleen met behulp van de taal begrijpen. Het zijn onze interpretaties ervan die ze hun plaats en betekenis als begrenzingen van onze interpretatieruimte geven.

Onze taal, ons spreken, heeft in die zin inderdaad een magische kracht. Met zijn benaming verlenen we een zaak bestaansrecht, door over iets te spreken verkrijgt een fenomeen een legitieme plaats in de symbolische ordening van onze wereld. Zolang iets geen naam heeft, is het zonder betekenis, is het niet eens 'iets' - bestaat het voor ons niet. Bovendien heeft de taal die we leren spreken een geschiedenis waar we als individuele taalgebruiker niet omheen kunnen. We worden ermee opgezadeld. Met elk woord dat we uitspreken boren we een laag aan betekenissen aan. Of we willen of niet, of we er nu wel of geen weet van hebben, die betekenislagen spelen een rol in het effect dat onze woorden hebben op anderen. Taal is dus niet slechts een medium met behulp waarvan we spreken over de wereld buiten ons, taal is tegelijk een vorm van handelen die de wereld (mede) vorm geeft, construeert. Volgens deze opvatting is spreken (en bijgevolg ook schrijven) een vorm van handelen, het brengt zogenaamde performatieve effecten teweeg.

Dat is simpel uit te leggen aan de hand van taalhandelingen zoals beloven of zweren, die in zichzelf al een rituele dimensie bevatten. Iemand die zegt 'ik beloof' of 'ik zweer', heeft daarmee daadwerkelijk een belofte gedaan of een eed gezworen. Maar ook taalhandelingen als beschrijven, constateren of onthullen, typerend voor het taalspel van het realisme, hebben een performatieve dimensie. De retoriek van het taboe is hiervan een mooi voorbeeld. Het louter constateren dat een bepaald taboe bestaat, betekent immers al dat men het aan het doorbreken is. De kracht van de retoriek van de taboedoorbreking is dat geen weldenkend mens er bezwaar tegen kan aantekenen. Moderne mensen hebben immers geen last van taboes. Een taboe bestaat alleen voor degene die ermee af wil rekenen - nooit voor degenen van wie men zegt dat ze het hanteren. Willen de laatsten zich in een debat verweren, dan rest hun ofwel de strategie van de verdediging van bepaalde normen en waarden, bijvoorbeeld over juiste of beschaafde omgangsvormen, ofwel de strategie van waarschuwen voor nadelige effecten, bijvoorbeeld voor negatieve beeldvorming over etnische minderheden.

Het verwijt uit realistische hoek van 'politieke correctheid' of moedwillig taboes in stand willen houden is dan gemakkelijk gemaakt. Waarbij moet worden opgemerkt dat een beroep op realisme niet per definitie uit de politiek 'rechtse' hoek komt. Ook de recente nota over integratiebeleid roept de autochtone bevolking op tot realisme, dat wil zeggen tot het inzicht dat ze de samenleving moet delen met migranten en hun nakomelingen. De uitspraak 'Nederland is een immigratieland' staat eveneens (al jaren!) te boek als de doorbreking van een conservatief taboe. Van Boxtel geniet voorlopig de eer de laatste te zijn die dit taboe doorbrak. En ook hier geldt dezelfde retorische dynamiek: Van Boxtel wilde met deze uitspraak een al lang bestaande realiteit erkennen, terwijl tegenstanders bang zijn voor de aanzuigende werking die ze kan hebben op aspirant immigranten en asielzoekers. Met andere woorden, ook hier geven tegenstanders van een zichzelf als realistisch presenterende visie blijk van 'magisch' denken: ze menen dat een uitspraak over een realiteit die realiteit (alsnog) waar kan gaan maken.

Het mag lijken of in deze debatten de liefde voor de waarheid tegenover moralisme of politieke stellingname staat. Maar vanuit constructivistisch perspectief zijn in elk vertoog het epistemische en het politieke niveau, feitelijke uitspraken en waardeoordelen, onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ook wat wij accepteren als 'kennis', dat wil zeggen als uitspraken die zeker en onbetwijfelbaar waar zijn, heeft onontkoombaar een morele en politieke dimensie. Met name wanneer die kennis of wetenschap betrekking heeft op de multiculturele samenleving, blijkt hoe omstreden uitspraken kunnen zijn die op het eerste gezicht toch louter de feiten op een rijtje zetten.

Een van de redenen hiervoor is dat vertogen deel uitmaken van de sociale werkelijkheid waarover ze spreken. Vertogen over de multiculturele samenleving komen enerzijds voort uit die samenleving, terwijl ze anderzijds die samenleving ook weer vorm geven. Dit inzicht, omtrent zowel de lokale en historische bepaaldheid als de lokale en historische effectiviteit van kennis, wordt in de kritische kennistheorie samengevat in het concept van gesitueerde kennis.


 

Gesitueerde kennis

Het begrip gesitueerde kennis (situated knowledges) wordt tegenwoordig vooral geassocieerd met het werk van de Amerikaanse wetenschapsonderzoeker Donna Haraway. Haraway stemt volledig in met de constructivistische idee dat (ook wetenschappelijke, ook 'ware') kennis het toevallige product is van een specifieke plaats en tijd. Toch, en dat maakt haar positie zo bijzonder, houdt ze ook vast aan het criterium dat (ware) kennis bestaat uit een betrouwbare weergave van de wereld zoals ze werkelijk is. Deze twee op het eerste gezicht moeilijk met elkaar te verenigen stellingen brengt Haraway samen in haar uitgangspunt dat alle kennis beschouwd kan worden als gesitueerde kennis. Nadere studie van haar werk leert dat deze schijnbaar eenduidige stelling heel verschillende, soms zelfs onderling tegenstrijdige claims herbergt.

Ten eerste bevat ze een descriptieve aanspraak: elk inzicht, wetenschappelijk of anderszins, is intrinsiek verbonden met de plaats en tijd waarin het is ontwikkeld. Hierin stemt Haraways visie overeen met de aannamen van het (post)moderne wetenschaps- en techniekonderzoek over de radicale geconstrueerdheid, de historiciteit en lokaliteit, van al ons (zelfs hoog-technologische natuurwetenschappelijke) weten. In deze betekenis verwijst 'gesitueerdheid' naar de context-afhankelijkheid van alle kennis, en daarmee naar de relatieve geldigheid van al onze aanspraken op waarheid en objectiviteit.

De tweede betekenisdimensie van Haraways visie op gesitueerde kennis staat haaks op deze relativistische invalshoek. Regelmatig doet ze namelijk ook normatieve uitspraken, waarin 'gesitueerdheid' geen beschrijvende categorie is, van toepassing op elke vorm van weten, maar fungeert als criterium waarmee onderscheid gemaakt kan worden tussen minder en meer waardevolle vormen van weten. Vanuit dit perspectief is gesitueerde kennis 'betere' kennis. 'Gesitueerdheid' wordt hier verengd tot specifieke situaties van waaruit meer objectieve kennis ontwikkeld zou kunnen worden. In deze tweede betekenisdimensie wordt de van oorsprong marxistische idee verwerkt dat er een intrinsieke relatie bestaat tussen praktijk en theorie, tussen de ervaringen van de onderzoeker en het soort van kennis dat hij of zij genereert.

(.....)

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Web master Update: 18 december 2005