Realisme
als retoriek
Waarin schuilt toch de aantrekkingskracht
van het realisme? Deze vraag bleef me tijdens het schrijven van dit boek
fascineren. Oppervlakkig gezien lijkt het een vraag naar de bekende weg.
Niemand wil toch de ogen sluiten voor de werkelijkheid, iedereen is toch
op zoek naar de waarheid? Maar zodra we het hebben over een bepaalde werkelijkheid,
kunnen we daarover een x aantal zeer uiteenlopende en toch 'ware' verhalen
vertellen. Neem de interetnische verhoudingen in Delfshaven: alle verhalen
daarover- journalistieke reportage, wetenschappelijke analyse, ervaringen
van een buurtbewoner - willen recht doen aan wat er werkelijk in Delfshaven
gebeurt. Al deze verhalen zijn realistisch - toch kunnen ze diametraal
tegenover elkaar staan. Hoe dan nog vast te stellen welk ervan de waarheid
in pacht heeft?
Realisme, zo is de veronderstelling
die aan de analyses in dit boek ten grondslag ligt, is niet louter een
verwijzing naar het waarheidsgehalte, naar de
inhoud van een verslag.
Het is ook de naam voor een stijl van spreken en schrijven, die zich van
andere onderscheidt door het gebruik van bepaalde retorische en stilistische
middelen. De retoriek van het realisme appelleert aan bepaalde verlangens:
aan ons verlangen naar waarheid, objectiviteit en onpartijdigheid, met
andere woorden, aan ons verlangen naar morele en politieke onschuld.
Zelfverklaarde realisten
stellen hun tegenstanders dan ook vaak voor als naïeve idealisten.
Terwijl realisten de waarheid vooropstellen, zouden idealisten feitelijke
uitspraken beoordelen op hun wenselijkheid. De waarheid zou het bij hen
uiteindelijk verliezen van het goede. Realisten bedienen zich dan ook graag
van de retorische gemeenplaats van het taboe - door hun tegenstanders angstvallig
in stand gehouden, door henzelf moedig doorbroken. Zij reserveren daarmee
voor zichzelf het vermogen tot rationeel en onbevooroordeeld redeneren,
terwijl hun tegenstanders in magisch denken vervallen. Idealisten zouden
geloven in de kracht van ritueel taalgebruik, waarbij niet de inhoud, maar
de vorm van taaluitingen cruciaal is. Idealisten, zo lijken realisten soms
te suggereren, schrijven aan taal een magische kracht toe, doen alsof met
taal werkelijkheden in het leven kunnen worden geroepen en werkelijkheden
kunnen worden bezworen. Volgens idealisten zou iets niet bestaan zolang
je er maar niet over praat. Vandaar hun oproep tot omzichtig taalgebruik.
Realisten daarentegen beschouwen taal als een neutraal instrument, een
middel om over de werkelijkheid te spreken, om problemen bespreekbaar te
maken opdat je ze kunt beheersen en oplossen.
Dit boek neemt het op voor
dat zogenaamde magisch denken. Ik noem dat alleen niet idealisme, maar
constructivisme. En ik laat zien dat het niet de magie, maar de macht
van
woorden is waarvoor critici van het realisme beducht zijn. Immers, sociale
verhoudingen worden mede bepaald door de manier waarop wij over die verhoudingen
spreken, waarop wij ze interpreteren en betekenis geven. Elk spreken over
de sociale werkelijkheid maakt tegelijkertijd ook deel uit van die werkelijkheid.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat alles slechts een kwestie van interpretatie
is - dat onze wereld simpelweg verandert als we er maar anders tegen aankijken.
Dan zouden we vervallen in een vorm van filosofisch idealisme, waarin er
geen verschil is tussen onze ideeën over de wereld en hoe de wereld
werkelijk is.
Onze interpretatieruimte
is, net als onze handelingsruimte, begrensd: door onze (persoonlijke en
collectieve) geschiedenis, door onze taal en door materiële gegevenheden,
zoals schaarste en lichamelijke kwetsbaarheid. Maar ook deze begrenzingen
kunnen we alleen met behulp van de taal begrijpen. Het zijn onze interpretaties
ervan die ze hun plaats en betekenis als begrenzingen van onze interpretatieruimte
geven.
Onze taal, ons spreken, heeft
in die zin inderdaad een magische kracht. Met zijn benaming verlenen we
een zaak bestaansrecht, door over iets te spreken verkrijgt een fenomeen
een legitieme plaats in de symbolische ordening van onze wereld. Zolang
iets geen naam heeft, is het zonder betekenis, is het niet eens 'iets'
- bestaat het voor ons niet. Bovendien heeft de taal die we leren spreken
een geschiedenis waar we als individuele taalgebruiker niet omheen kunnen.
We worden ermee opgezadeld. Met elk woord dat we uitspreken boren we een
laag aan betekenissen aan. Of we willen of niet, of we er nu wel of geen
weet van hebben, die betekenislagen spelen een rol in het effect dat onze
woorden hebben op anderen. Taal is dus niet slechts een medium met behulp
waarvan we spreken over de wereld buiten ons, taal is tegelijk een vorm
van handelen die de wereld (mede) vorm geeft, construeert. Volgens deze
opvatting is spreken (en bijgevolg ook schrijven) een vorm van handelen,
het brengt zogenaamde performatieve
effecten teweeg.
Dat is simpel uit te leggen
aan de hand van taalhandelingen zoals beloven of zweren, die in zichzelf
al een rituele dimensie bevatten. Iemand die zegt 'ik beloof' of 'ik zweer',
heeft daarmee daadwerkelijk een belofte gedaan of een eed gezworen. Maar
ook taalhandelingen als beschrijven, constateren of onthullen, typerend
voor het taalspel van het realisme, hebben een performatieve dimensie.
De retoriek van het taboe is hiervan een mooi voorbeeld. Het louter constateren
dat een bepaald taboe bestaat, betekent immers al dat men het aan het doorbreken
is. De kracht van de retoriek van de taboedoorbreking is dat geen weldenkend
mens er bezwaar tegen kan aantekenen. Moderne mensen hebben immers geen
last van taboes. Een taboe bestaat alleen voor degene die ermee af wil
rekenen - nooit voor degenen van wie men zegt dat ze het hanteren. Willen
de laatsten zich in een debat verweren, dan rest hun ofwel de strategie
van de verdediging van bepaalde normen en waarden, bijvoorbeeld over juiste
of beschaafde omgangsvormen, ofwel de strategie van waarschuwen voor nadelige
effecten, bijvoorbeeld voor negatieve beeldvorming over etnische minderheden.
Het verwijt uit realistische
hoek van 'politieke correctheid' of moedwillig taboes in stand willen houden
is dan gemakkelijk gemaakt. Waarbij moet worden opgemerkt dat een beroep
op realisme niet per definitie uit de politiek 'rechtse' hoek komt. Ook
de recente nota over integratiebeleid roept de autochtone bevolking op
tot realisme, dat wil zeggen tot het inzicht dat ze de samenleving moet
delen met migranten en hun nakomelingen. De uitspraak 'Nederland is
een immigratieland' staat eveneens (al jaren!) te boek als de doorbreking
van een conservatief taboe. Van Boxtel geniet voorlopig de eer de laatste
te zijn die dit taboe doorbrak. En ook hier geldt dezelfde retorische dynamiek:
Van Boxtel wilde met deze uitspraak een al lang bestaande realiteit erkennen,
terwijl tegenstanders bang zijn voor de aanzuigende werking die ze kan
hebben op aspirant immigranten en asielzoekers. Met andere woorden, ook
hier geven tegenstanders van een zichzelf als realistisch presenterende
visie blijk van 'magisch' denken: ze menen dat een uitspraak over een realiteit
die realiteit (alsnog) waar kan gaan maken.
Het mag lijken of in deze
debatten de liefde voor de waarheid tegenover moralisme of politieke stellingname
staat. Maar vanuit constructivistisch perspectief zijn in elk vertoog het
epistemische en het politieke niveau, feitelijke uitspraken en waardeoordelen,
onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ook wat wij accepteren als 'kennis',
dat wil zeggen als uitspraken die zeker en onbetwijfelbaar waar zijn, heeft
onontkoombaar een morele en politieke dimensie. Met name wanneer die kennis
of wetenschap betrekking heeft op de multiculturele samenleving, blijkt
hoe omstreden uitspraken kunnen zijn die op het eerste gezicht toch louter
de feiten op een rijtje zetten.
Een van de redenen hiervoor
is dat vertogen deel uitmaken van de sociale werkelijkheid waarover ze
spreken. Vertogen over de multiculturele samenleving komen enerzijds voort
uit die samenleving, terwijl ze anderzijds die samenleving ook weer vorm
geven. Dit inzicht, omtrent zowel de lokale en historische bepaaldheid
als de lokale en historische effectiviteit van kennis, wordt in de kritische
kennistheorie samengevat in het concept van gesitueerde kennis.
Gesitueerde
kennis
Het begrip gesitueerde kennis
(situated knowledges)
wordt tegenwoordig vooral geassocieerd met
het werk van de Amerikaanse wetenschapsonderzoeker Donna Haraway. Haraway
stemt volledig in met de constructivistische idee dat (ook wetenschappelijke,
ook 'ware') kennis het toevallige product is van een specifieke plaats
en tijd. Toch, en dat maakt haar positie zo bijzonder, houdt ze ook vast
aan het criterium dat (ware) kennis bestaat uit een betrouwbare weergave
van de wereld zoals ze werkelijk is. Deze twee op het eerste gezicht moeilijk
met elkaar te verenigen stellingen brengt Haraway samen in haar uitgangspunt
dat alle kennis beschouwd kan worden als gesitueerde kennis. Nadere studie
van haar werk leert dat deze schijnbaar eenduidige stelling heel verschillende,
soms zelfs onderling tegenstrijdige claims herbergt.
Ten eerste bevat ze een descriptieve
aanspraak: elk inzicht, wetenschappelijk of anderszins, is intrinsiek
verbonden met de plaats en tijd waarin het is ontwikkeld. Hierin stemt
Haraways visie overeen met de aannamen van het (post)moderne wetenschaps-
en techniekonderzoek over de radicale geconstrueerdheid, de historiciteit
en lokaliteit, van al ons (zelfs hoog-technologische natuurwetenschappelijke)
weten. In deze betekenis verwijst 'gesitueerdheid' naar de context-afhankelijkheid
van alle kennis, en daarmee naar de relatieve geldigheid van al onze aanspraken
op waarheid en objectiviteit.
De tweede betekenisdimensie
van Haraways visie op gesitueerde kennis staat haaks op deze relativistische
invalshoek. Regelmatig doet ze namelijk ook
normatieve
uitspraken,
waarin 'gesitueerdheid' geen beschrijvende categorie is, van toepassing
op elke vorm van weten, maar fungeert als criterium waarmee onderscheid
gemaakt kan worden tussen minder en meer waardevolle vormen van weten.
Vanuit dit perspectief is gesitueerde kennis 'betere' kennis. 'Gesitueerdheid'
wordt hier verengd tot specifieke situaties van waaruit meer objectieve
kennis ontwikkeld zou kunnen worden. In deze tweede betekenisdimensie wordt
de van oorsprong marxistische idee verwerkt dat er een intrinsieke relatie
bestaat tussen praktijk en theorie, tussen de ervaringen van de onderzoeker
en het soort van kennis dat hij of zij genereert.
(.....) |