ISLAM
EN DE UITDAGING VAN HET PLURALISME
Prof.Dr. Mehmet
S. AYDIN*
( English
Original)
Kan
de Islam, als religie en cultuur, voldoen aan de vereisten van de moderniteit?
Op het einde van de 19de eeuw werd een gelijkaardige vraag gesteld [over de
Islam] in verband
met wetenschap en technologie. De bekende Franse denker en oriëntalist
Ernest
Renan antwoordde met 'neen'. Niet omwille van de Moslims, maar omwille
van de Islam zélf. Voor hem was er in het wezen zelf van de Islam iets
fout.
Sindsdien zijn geleerden, wetenschappers,
filosofen en vele anderen beginnen spreken over de verschillende concepties
en de talrijke beperkingen van de wetenschap, vooral de sociale wetenschap,
alsook over verschillende zienswijzen op moderniteit en pluralisme. Moslimintellectuelen
zijn daarop tot het besef gekomen die kwesties vanuit hun eigen culturele
en theologische visies te formuleren: is het mogelijk althans
in onze filosofische analyses en evaluaties van het wetenschapsbegrip
een Islamitisch element te introduceren? Moet Islam voldoen aan alle kenmerken
en eisen van moderniteit? In haar dominante vormen vereist moderniteit
minstens een soort van rationalisme, relativisme, liberalisme enz. Kan
Islam een rationalisme aanvaarden dat niet openstaat voor bijvoorbeeld geopenbaarde
kennis? of zelfs voor de morele en esthetische ervaringen van de mensheid?
Anders gezegd, kan Islam akkoord gaan met een rationalisme dat overwegend
steunt op een eng gedefinieerde, bijzondere kennisstructuur en zingevings-
en waardensysteem?1
Het hoeft geen betoog dat niet enkel
het islamitische zelfbewustzijn, maar de gehele hedendaagse, postmoderne,
deconstructionistische en hermeneutische benadering ons dwingen deze vragen
ernstig te nemen met het oog op de ontwikkeling van ruimere begrippen van
rationaliteit, moderniteit, enz.
In vergelijking met het theoretisch
onhanteerbaar concept van moderniteit, is 'pluralisme' gemakkelijker
te definiëren. Deze term is vrij recent ontworpen, maar verwijst naar een
probleem dat zo oud is als de mensheid zelf. 'Pluralisme', dat weten we
allemaal, wordt zowel beschrijvend als normerend gebruikt. In de eerste
betekenis verwijst het naar culturele, politieke, etnische, raciale en
religieuze pluraliteit of veelvormigheid als een bestaande toestand. In
deze betekenis wordt de term in verband gebracht met een denkwijze en een
sociaal-politieke context. Als we over pluralisme spreken bedoelen we op
de eerste plaats een stevig ingeburgerde psychologische houding tegenover
verschillende toepassingen van vrijheid, mensenrechten, democratie, secularisme
alsook onze 'relaties met anderen'. Ten tweede verwijst pluralisme ook
naar ons beheer van, of tenminste omgang met deze toepassingen, op een
voorgeschreven manier, in een sociaal, politiek en zelfs eschatologisch
perspectief. We herinneren eraan dat vele debatten tussen theologen en
gelovigen soms eindigen met een diepe, existentiële bezorgdheid over eschatologie,
d.w.z. 'wie zal er gered worden, in het licht van onze heilige teksten
en onze religieuze tradities?' Dat is vooral een theologische kwestie.
Daarom wordt ze nu bestudeerd onder de benaming 'Theologie der Wereldreligies'
of 'Wereldtheologie'.
Zoals vele andere ernstige theologische
kwesties, is dit onderwerp ook een onderdeel geworden van de filosofie
der religies. Een bekend vertegenwoordiger hiervan is de Britse filosoof
John
Hick. In mijn verder betoog zal ik naar sommige van zijn meningen verwijzen.
Hier volstaat het te vermelden dat volgens hem de Uiteindelijke Realiteit
(of Waarheid) één is. Aangezien evenwel die Realiteit tot het 'niet-kenbare'
behoort, of het 'noumenon', in de kantiaanse terminologie, kan ons
'religieus' antwoord op die Realiteit niet op 'kennis' berusten (nogmaals
in de kantiaanse zin). Daarom moeten we elk antwoord ernstig nemen en respecteren.
Zal deze benadering ons leiden naar relativisme of irrationalisme? Ik kom
op dit punt terug als ik de relatie probeer aan te duiden tussen het engagement
voor het eigen geloof en het aanvaarden van een pluralistische visie.
We mogen niet uit het oog verliezen
dat de theologische en filosofische aspecten slechts de twee belangrijkste
dimensies van pluralisme zijn. Het onderwerp is ook belangrijk met betrekking
tot maatschappelijke en politieke kwesties en de internationale betrekkingen.
Prof.
Dieter Senghaas, van de Universiteit van Bremen, wiens publicaties
daaromtrent ik heb kunnen lezen, is vooral geïnteresseerd in dit
laatste aspect van pluralisme, alhoewel hij hier en daar enkele verwijzingen
maakt naar de theologische problemen. Ook ik besteedde niet veel tijd aan
de filosofische problemen van dit onderwerp omdat de pluralismediscussies
met betrekking tot de Islam meestendeels draaien rond de theologische en
sociaal-politieke kwesties.
Wat het prescriptief en normerend
gebruik ervan betreft, verwijst de term naar 'pluralisme' de iure,
d.w.z. het idee dat pluralisme zelf verdient te worden gerespecteerd. Pluralisme,
hier, wordt niet enkel beschouwd als iets dat moet gedefinieerd, herkend
en getolereerd maar ook als iets dat moet worden aanvaard, aangemoedigd
als een sociale verworvenheid en deugd, en dus verdedigd en beschermd op
wettelijke, morele, politieke en volgens velen zelfs op religieuze gronden.
Ongetwijfeld is dit een gevoelig punt, zowel ethisch als religieus . Hoe
kan een religieus persoon een religieus systeem verdedigen waarvan hij/zij
gelooft dat het minstens gedeeltelijk 'gecorrumpeerd' is 'door menselijk
ingrijpen'? of slechts een erg bleek straaltje Goddelijk Licht doet schijnen,
of een erg lang en met doornen bezaaid pad aanwijst naar het Rijk der Hemelen?
Hoe kan een gelovige een andere religie aanmoedigen terwijl zijn/haar eigen
religie vraagt te 'verkondigen', te 'evangeliseren', of 'voor dacwa te
werken' (d.w.z. Islam te propageren en verspreiden)?
William Montgomery Watt, de
bekende Britse islamoloog, in zijn boek, getiteld Islam
en Christendom vandaag' (Londen, 1983), stelt de volgende vraag:
'Zijn de verschillende Wereldreligies
klaar om elkaar te aanvaarden als medeklimmers op de 'Berg van het Geloof'
waarvan de door God bewoonde top in de mistige wolken gehuld blijft?'
In
zijn bespreking van dit boek van W.M. Watt stelt E.H. Maurice Bormans
de volgende vraag aan de eigen geloofsbroeders en -zusters :
'kunnen
christenen akkoord gaan met deze parabel over de 'ongeziene God' terwijl
zij door genade weten dat God ... door Zijn Zoon heeft gesproken; ...dit
schitterend licht van Zijn Grootheid en de perfecte kopie van Zijn natuur
(Brief aan de Hebreeërs, 1:2-3)'? 'Wijsheid', aldus M.Bormans,
'vraagt Christenen en Moslims zich voortdurend bewust te zijn van de
echte beperkingen en mogelijke ontwikkelingen van dialoog, alsook bereid
zijn... onverwacht lijden te ervaren...'.2
Het gevoel en zelfs de moeilijk te
definiëren angst waaraan Prof. Bormans uitdrukking geeft, zijn zeer authentiek
en erg verspreid bij gelovige mensen van verschillende Tradities. Ik zal
hierover meer zeggen in deze lezing wanneer ik het belang benadruk van
engagement in het proces van het zich inzetten voor religieus pluralisme.
Net zo min als het begrip pluralisme,
is Islam (als geloof, cultuur en beschaving) ooit begrepen en geïnterpreteerd
in een monolithische zin. Precies daarom heeft de moslimwereld vroeger
een grote verscheidenheid van religieuze bewegingen gekend, en kent ze
die ook vandaag nog.
Ongetwijfeld heeft Islam, zoals alle
grote geloofsgemeenschappen, zijn eigen onveranderlijke essenties en daarmee
een sterke geloofsbasis. Zo kan niemand Moslim worden genoemd tenzij hij/zij
gelooft in de Eenheid van God, de profetische Openbaring, het leven na
de dood, de menselijke aansprakelijkheid. Bovendien dient hij of zij te
geloven dat er in geloofskwesties waarheid (al-haqq) en onwaarheid
(al-batil) is; wat is toegelaten (al-halal) en wat is verboden (al-haram),
in religie en dagelijkse praktijk; wat wordt aangeraden (al-ma'ruf)
en wordt afgeraden (al-munkar), in morele kwesties. Niets hiervan kan worden
verwaarloosd, ontkend, of weggeredeneerd.
Nochtans betekent dat niet dat de
details van deze kwesties vrij zijn van meningsverschillen. Zo twijfelt
geen enkele Moslim aan de Eenheid van God, maar de natuur ervan en die
van andere kenmerken van God zijn altijd het voorwerp geweest van een verhit
debat. In de intellectuele geschiedenis van de Islam hebben zich een honderdtal
theologische scholen gemanifesteerd, onderverdelingen meegerekend. Er zijn
ongeveer tien rechtsscholen, meer dan twee filosofische hoofdtradities
en een grote verscheidenheid aan (Sufi) mystieke genootschappen of 'paden'.
Net zo min als andere grote wereldreligies, kan de Islam ontsnappen aan
een interpretatiepluralisme. Dat fenomeen niet enkel op te vatten als een
historisch feit, maar als een situatie die theologisch onontkoombaar is,
kan een belangrijke voorwaarde zijn voor een vruchtbare verhouding tot
het pluralisme. Niet alleen de theologische scholen ontwikkelden zich ten
volle na de vormingsperiode van Islamitisch denken en praktijk, maar ook
de verscheidenheid aan Qur'an interpretaties vanaf de 7de eeuw kan begrepen
worden als intern pluralisme. Islam heeft, tegen wil en dank, een verscheidenheid
aan interpretaties voortgebracht, zelfs tot aan het schisma. Daarom is
het passend de woorden van Al-Ghazali (gest. 1111) in herinnering
te brengen, namelijk dat "de Tekst (of het Boek) één is maar de betekenissen
veelvoudig".
Sommige interpretaties, of beter
gezegd verklaringen, steunen vooral op de 'uitwendige' of 'zahir'
betekenis van woorden. Andere dan weer benadrukken de 'omstandigheden
der Openbaring' (asbab al-nuzul). Sommige geleerden spitsen zich toe
op de juridische aspecten van belangrijke verzen; anderen op de spirituele
of de filosofische betekenissen. Die meervoudige interpretatie-activiteit
gaat nog altijd voort - zij het met ernstige problemen, zoals ik nog zal
uitleggen. Om dat te zien volstaat een korte blik op het werk van twee
hedendaagse denkers die uit dezelfde religieuze omgeving voortkomen, namelijk
Pakistan: Fazlur Rahman en Al-Mawdudi, waarbij de eerste
als de modernist bij uitstek wordt beschouwd en de tweede soms als dé 'fundamentalist'
bij uitstek.
Wanneer we ons naar de moderne tijd
richten, is het algemeen beeld grotendeels identiek. De algemene
activiteit van interpretatie en herdenking van de Islam is verbazingwekkend
rijk en verscheiden, alhoewel geen enkele denkrichting blijkbaar uitgegroeid
is tot een systematische denkschool. Er zijn traditionalistische en neo-traditionalistische,
'revivalist' en 'neo-revivalist', modernistische en liberale benaderingen
gekomen in het begrijpen en verstaan van Islam als geloof en cultuur. Elk
van die benaderingen heeft een verschillend idee over pluralisme, al hebben
ze wel vele zaken gemeenschappelijk: alle aanvaarden ze religieuze verscheidenheid
als een historisch en maatschappelijk feit. In de laatste decennia hebben
ideeën die interreligieuze dialoog en pluralisme bevorderen, meer en meer
aandacht gekregen. Inderdaad, sommige modernisten en liberale Moslims beschouwen
pluralisme, bijvoorbeeld, als een onderdeel van Gods plan en dus als een rijkdom.
Die ontwikkeling is niets nieuw. Inzake de verschillen binnen de geloofsgemeenschap
heeft Profeet Mohammed, volgens de overlevering, gezegd : 'verscheidenheid
van meningen is een zegen'. Ibn Kathir, de welbekende vroege
commentator van de Qur'an, stelt dat verscheidenheid in opvattingen zich
zal verder zetten tussen de mensen, op het gebied van religies, sekten,
denominaties en opinies. Daarbij baseert hij zich op het Qur'an vers dat
zegt: 'Als God het zo had gewild, dan had Hij van de mensheid één gemeenschap,
één Umma gemaakt. Maar de mensen zullen niet ophouden onderling van mening
te verschillen' (11:118).3
Ik denk dat, met uitzondering van
enkele afwijkingen hier en daar, Moslims zich de Qur'anieke houding eigen
hebben gemaakt ten aanzien van religieuze verscheidenheid. Zij weten -
althans de grote meerderheid onder hen - dat de "Tekst" de verscheidenheid
aan volkeren, rassen, talen en geloofsgemeenschappen als het resultaat
ziet van een Goddelijk besluit. Eerder verwees ik al naar een Qur'an vers
dat daarop betrekking had. Nu wil ik naar enkele andere verzen verwijzen
die de status beschrijven van de 'Mensen van het Boek', namelijk
Joden, Christenen en Sabiërs. Die status is altijd al het startpunt geweest
van het pluralistisch denken binnen de Islam. Vooral de erkenning van de
Sabiërs schiep de mogelijkheid de pluralistische geest van de Qur'an uit
te breiden tot andere, in het Boek niet-vermelde, religieuze gemeenschappen,
toen de Islam zich geografisch en cultureel uitbreidde. Zo werden de Hindoes
door Moslimheersers op gelijke voet behandeld met de Mensen van het Boek.4
Laten we nu de volgende verzen lezen:
Zeg : 'Wij
geloven in God en wij geloven in hetgeen werd neergezonden aan Abraham,
Ishmael, Isaak en Jacob en aan de Stammen. En wij geloven in hetgeen door
hun Heer werd gegeven aan Mozes en Jezus en de Profeten. Wij maken geen
onderscheid tussen enige onder hen en aan God onderwerpen wij ons.'
(Sura 2, v. 136; cf. 3:84).
Een ander vers verwijst duidelijk op
een meer directe manier naar de Mensen van het Boek:
'Zij die geloven, (Moslims),
Joden, Christenen en Sabiërs; al ieder die gelooft in God en de Oordeelsdag
en goede werken doet: zij zullen hun beloning van God krijgen; zij zullen
niets te vrezen hebben, noch zullen zij verdrietig moeten zijn.' (Sura
2 vers 62; cf. 5:69).
Terwijl de Qur'an deze inclusieve houding
vertolkt, bekritiseert hij het joodse en het christelijke exclusivisme
jegens elkaar, ten tijde van Mohammeds verkondiging van de Islam. Hier
zijn de betreffende verzen ;
'De Joden zeggen dat
de Christenen geen geloofsbasis hebben. En de Christenen zeggen dat de
Joden geen geloofsbasis hebben. Dit terwijl ze hetzelfde Boek lezen.
(2:113)
'Zij zeggen dat niemand
het paradijs zal binnengaan tenzij ze Jood zijn, of Christen. En zij nemen
elk hun wensen voor waarheid.'
(2:111)
Het was op basis van dit Qur'anieke
fundament dat de vroege Medinensische gemeenschap van Profeet Mohammed
ten volle het bestaansrecht erkende van andere geloofsgemeenschappen en
de principes van vreedzame coëxistentie vastlegde - waarnaar gewoonlijk
verwezen wordt als het 'Charter van Medina'. Die principes waarborgden
niet enkel de vrijheid van geloof en eredienst, maar ook morele, sociaal-politieke,
en dus wettelijke zelfbepaling.
Historisch gesproken heeft die houding
de weg vrijgemaakt voor het moslimbeleid van de "beschermde minderheden",
of de 'mensen van de Overeenkomst (dhimma)', en later voor
het Osmaanse 'millet', of '(religieuze) natie' systeem, dat
gedurende verschillende eeuwen tamelijk goed werkte.
Ten einde u een goed idee te geven
van de algemene Osmaanse houding tegenover religieuze minderheden, zou
ik willen verwijzen naar een decreet ('ferman') van Sultan
Mehmet III. Zoals Bernhard Lewis aanstipt, "toont het duidelijk
aan, welke de verplichtingen zijn van de moslimstaat tegenover de dhimmi's".
Het document dateert van 1602.5
'In overeenstemming met
wat de Almachtige God, de Heer der Werelden, bevolen heeft betreffende de gemeenschappen
der Christenen en Joden, die de mensen van de dhimma zijn, in het duidelijke
Boek, zijn hun bescherming en behoud en de veiligheid van
hun leven en bezittingen een eeuwige collectieve plicht van het geheel
der Moslims, en een noodzakelijke verplichting opgelegd aan alle regeerders
en eerbare bestuurders in de Islam. Bijgevolg is het nodig en belangrijk
dat mijn verheven en religieus geïnspireerde bezorgdheid erop gericht is
dat ik verzeker dat overeenkomstig de edele Shari'a elk van die gemeenschappen,
die takse aan mij betalen, in de dagen van mijn imperiale staat en de periode
van gelukzaligheid in dit Kalifaat in vrede en gemoedsrust leven en hun
eigen zaken kunnen beredderen; dat niemand hen daarin hindert, of een onderzoek
zou uitlokken naar hun persoon of bezittingen, wat het gebod van God zou
schenden en een overtreding zou zijn van de Heilige Wet van de Profeet'.
Het is belangrijk om hierbij op te merken
dat de verplichting t.a.v. de Mensen van het Boek, die als plicht is vastgelegd
door de Goddelijke Wet, niet alleen door de regeerder moet worden opgevolgd
maar door iedere individuele Moslim. Het navolgen van de Wet is niet alleen
een politieke verplichting maar tegelijk ook een ethische en religieuze
plicht.
Gedurende de lange Osmaans-Turkse
ervaring heeft het 'millet' systeem grondige veranderingen ondergaan.
Vanaf de Tanzimat periode (1839: "Tanzimat Verklaring") is het geëvolueerd
naar een soort van grondwettelijk burgerschap dat nu in moslimlanden unaniem
wordt verdedigd, zelfs op theologische gronden.6
Zij die vertrouwd zijn met de inhoud
van de Qur'an weten goed dat het Boek ons enkele duidelijke richtlijnen
geeft waaruit algemene principes kunnen worden afgeleid in verband met
pluralisme, dialoog, enz.
Vooreerst wordt Islam, in zijn
primaire betekenis, vereenzelvigd met elke religie verkondigd en in de
praktijk gebracht door de vroegere Boodschappers, waarvan de Qur'an zegt
dat God tussen hen geen verschil ziet (2:285).
Tweedens, zoals reeds opgemerkt,
wordt de veelheid van religies in de Qur'an als het resultaat gezien van
een Goddelijk besluit (6:93 en 11:118). God zegt :
'Aan elk van uw geloofsgemeenschappen
hebben wij een Wet en een Gedragsregel gegeven... zodat God U een proef
kan afnemen. Wedijver dus met elkaar in goede werken. Naar God zult gij
allen terugkeren’ (5:48).
Onderlinge wedijver in goede werken, dat
vraagt God aan de gelovigen. Maar als onderlinge verstandhouding en samenwerking
falen, dan mag dwang niet de alternatieve gedragswijze zijn. In die gevallen
draagt de Qur'an aan Profeet Mohammed op het volgende te zeggen: 'Aan
jullie behoort jullie religie en aan mij de mijne' (109:6).
Ten derde lijkt de Qur'an de vrijheid
van geloof te koppelen aan de aard van het geloof zélf. In een veel
geciteerd vers wordt gesteld dat 'er geen dwang is in religie' (2:256),
wat wordt begrepen als: andere religies moeten worden gerespecteerd en
hun volgelingen mogen nooit gedwongen worden "binnen te komen".
Als we dat vers begrijpen in het licht van de verzen die Abrahams existentiële
zoektocht naar God vertellen (6:88-89), dan wordt het duidelijk dat religieus
geloof alleen aanvaardbaar is voor God als het wordt beleden met kennis,
in vrije wil en met liefde. Deze cognitieve, wils- en gevoelselementen
van geloof werden in het bijzonder in de 'Hanafitisch-Maturiditische rechtsschool
becommentarieerd en grondig uitgewerkt.7
Wat ik tot nu toe heb gezegd over
de Qur'an en de moslimse historische ervaring geeft ons volgens mij een
degelijke basis om het religieus pluralisme op een vrij positieve manier
te benaderen. We moeten er echter aan denken dat ook het pluralisme zélf
zijn grenzen heeft.
Ten eerste hebben alle wereldreligies
gemakkelijk herkenbare zelfbeelden gemaakt waarvan sommige elementen hun
wortels hebben in de betreffende heilige Teksten. Laten we even het vraagstuk
van de 'uniciteit' als een voorbeeld nemen. Er wordt gezegd dat de islamitische
houding tegenover de 'Uniciteit van de Qur'an als het Woord van God'
en de overtuiging dat Islam, als het laatst geopenbaarde geloof
de meest perfecte en volledigste vorm is van alle theïstische religies,
het moeilijk maakt voor het pluralisme. Ik ben de mening toegedaan dat
een dergelijke houding, gebaseerd op de Qur'an (5:2), niet strijdig is
met een realistische conceptie van pluralisme. Het is geen hinderpaal
bijvoorbeeld op de weg naar een religieus pluralisme dat wordt gedefinieerd in de
zin van erkenning, verdraagzaamheid en coëxistentie. In werkelijkheid ondersteunt
ze dergelijk pluralisme en legt ze het als een verplichting op aan de Moslims,
zoals ik kort hier voor heb gesteld. Maar ze ondersteunt geen relativistische
opvatting over pluralisme, die stelt dat één religieus geloof even goed
is als gelijk welk ander religieus geloof. Zulk relativisme wordt problematischer
indien het vergezeld gaat van een moreel relativisme. Veel Moslims staan
precies argwanend tegenover religieus pluralisme omdat zij vrezen dat het
kan leiden tot een soort van ethisch relativisme of in alle geval tot morele
onverschilligheid. Als een religie, zo stellen ze, om het even welke religie,
geen probleem maakt van ontoelaatbaar gedrag dat door de Islam volledig
wordt afgekeurd, moeten we dat dan als pluralistische verrijking beschouwen?
Hoe kunnen we onze kinderen de vereiste religieuze en morele opvoeding
geven, wanneer we het als zodanig beschouwen?
Geloof in de uniciteit van sommige
kenmerken van religie is niet 'uniek' voor de Islam. Het is zo goed als
universeel. Het lijkt erop dat vanaf de 60-er jaren ongeveer, toen religieuze
dialoog en pluralisme een nieuwe impuls kregen, de notie 'uniciteit' een
unieke rol begon te spelen in het religieuze woordgebruik, vooral bij Katholieken.
In vele officiële of semi-officiële katholieke publicaties vinden we verwijzingen
naar de zelfs absolute 'uniciteit' van Jezus. Amper een jaar geleden,
in het weekblad Newsweek,8 konden we
een verklaring lezen van Paus Johannes-Paulus II, waarvan de bijdrage
tot religieuze dialoog zeer wordt gewaardeerd. Hij stelt dat:
'Christus
absoluut oorspronkelijk en absoluut uniek is. Indien hij slechts een wijze
man zou zijn zoals Socrates, slechts een Profeet zoals Mohammed of slechts
een Verlichte zoals de Boeddha, dan zou Hij ongetwijfeld niet zijn wat
Hij is.'
Het overheersende moslimdiscours
verschilt niet veel van de bedoeling en de geest van deze verklaring. Gewoon
door het woord "Christus" in het citaat te vervangen door "de Qur'an" of
"Mohammed" en exact dezelfde vorm te gebruiken, kan een Moslim gemakkelijk
een gelijkaardige retoriek ontwikkelen, nl.: 'Als de Qur'an slechts
een wijsheidsverhaal zou zijn zoals het Nieuwe Testament,...'
enz.
Ik denk niet dat het noodzakelijk
is veel tijd te besteden aan het uitleggen van het unieke karakter van de
joodse religie. Zelfs enkele joodse vrijdenkers geloven eerlijk dat het
Judaïsme de meest volledige goddelijke onthulling was aan een particulier
volk - een volk met een absoluut unieke historische missie.
Ik zeg dat alles niet om te bekritiseren,
verre van te verwijten, maar wél ten einde een quasi universeel gevoel,
of idee of houding aan te wijzen tegenover het eigen Geloof. Dat brengt
mij bij het vraagstuk van engagement en trouw waarover ik wat zou willen
uitweiden.
Het lijkt me tamelijk vanzelfsprekend
dat het eigen geloof en de eigen verplichtingen niet moeten worden achtergelaten
om het religieuze pluralisme te erkennen, te verdedigen en zelfs aan te
moedigen. Psychologisch gesproken, kunnen we zonder dit geloof en deze
verplichtingen zelfs niet spreken van een religieuze persoonlijkheid of
een religieuze gemeenschap. Pluralisme en religieuze dialoog beoefenen
krijgen pas hun volledige betekenis indien het gebeurt tussen mensen die
verplichtingen hebben aangegaan. In ernstige zaken zoals dialoog, zijn
het de 'verplichtingen' en de standpunten die elkaar ontmoeten. Als mensen
zonder een religieus geloof zoals ik het hier beschrijf, of mensen die
onverschillig staan, zich aan dergelijke initiatieven interesseren, dan
is het vooral uit sociaal-politieke, culturele of historische belangstelling.
Ik ga akkoord met Paul Knitter, de Amerikaanse theoloog wanneer
hij beschrijft hoe iemand een intense verhouding en trouw kan hebben tot
zijn echtgenote en tegelijkertijd de waarheid en schoonheid van een andere
vrouw kan waarderen. Trouw, inderdaad, brengt meer zekerheid in het huwelijksleven
waardoor iemand onbevreesd waarheid en schoonheid kan appreciëren.9
Deze analogie is een goed voorbeeld om ons te tonen tot hoever de overgrote
meerderheid van een geëngageerde gemeenschap kan gaan in de richting van
religieus pluralisme; onze religie brengt 'Het' licht en 'De' waarheid,
maar dat belet ons niet andere religies te waarderen, die énig licht
en énige waarheid bezitten.
Misschien is het omwille van dezelfde
reden(en) dat het filosofische idee van de 'pluralisme-stelling' niet zoveel
aanhang heeft bij religieuze mensen. Dat stelt namelijk, zoals ik reeds
eerder zei, dat de Goddelijke Realiteit zichzelf onthult in vele vormen
en wegen die gelijkwaardig zijn. Indien je 'naar de top klimt', zo stellen
deze 'eeuwige-wijsheid' denkers, dan kun je bijvoorbeeld zien dat elke 'weg' een positieve
reactie is op de goddelijke aanwezigheid. Seyyed Hussein Nasr, de
welbekende moslimdenker zegt dat pluralisme en religieuze dialoog niet
mogelijk zijn voor gewone mensen, die niet in meer dan één religieus universum
kunnen leven, omdat zij de inwendige, mystieke betekenis van religies niet
kunnen aanvoelen en begrijpen.10 Slechts de
'uitverkorenen' zouden de Eenheid-in-de-veelheid kunnen waarderen.
In de geschiedenis van de Islam gaan
de wortels van een milde versie van deze filosofische thesis terug tot
Al-Farabi
(10de eeuw). Hij gelooft dat, in tegenstelling tot de taal der filosofie,
de taal van de Openbaring een symbolische taal is. Zij is het werk van
de creatieve verbeelding (al-takhayyul). Sommige symbolische vormen
zijn beter dan andere omdat zij de Waarheid (al-Haqq) op de best
mogelijke manier reflecteren. Andere vormen hebben zich dan weer zover
van de Waarheid verwijderd dat men nog nauwelijks kan zien welke waarheid
zij symboliseren.11
Al-Farabi zegt ons niet wélke vorm
welke religie vertegenwoordigt. Hij kan aan Islam denken als hij het heeft
over de meest perfecte vorm, en aan afgodendienarij wanneer hij de andere,
misschien zwakste vorm vermeldt. Tussen die twee uitersten bevinden zich
vele andere symbolische vormen die religies vertegenwoordigen waarmee hij
vertrouwd was.
Ibn al-Arabi (overleden in
1240) ontwikkelde dat idee en stond blijkbaar op het standpunt dat geen
enkele religie ons een adekwaat begrip kan geven van de 'God-die-God-kent';
alle religies zijn benaderingen. Het lijkt erop dat Ibn Al-Arabi een zekere
invloed heeft gehad op belangrijke Traditie-denkers (Traditie, met een
grote T) en 'Eeuwige-wijsheids' filosofen zoals S.H. Nasr, René Guenon,
Frithjof Schuon en anderen.
Deze filosofische
thesis heeft haar verdiensten zowel als enkele ernstige tekorten waar ik
hier niet kan over uitwijden. Het lijkt erop dat de belangrijkste uitgangspunten
ervan (nl. dat God niet kan worden gekend, dat religies antwoorden zijn,
enz.) over het algemeen aanvaard worden maar dat het voor de meeste gelovigen
moeilijk is om één van de hoofdconclusies ervan te aanvaarden, namelijk
dat 'het ene antwoord zo goed is als het andere , indien het wordt begrepen
en met wijsheid benaderd.'
Vooraleer te besluiten moet ik nog
één of twee punten behandelen die ook van belang zijn voor onze uiteenzetting.
Er wordt gesteld dat 'Islam substantieel gebaseerd is op de Qur'an waarvan
geloofd wordt dat hij, door openbaring vanwege God, overgemaakt is aan
Profeet Mohammed'. Daarom wordt er ook vaak verwezen naar de Qur'an als
'ver-Woording' of 'ver-Schriftelijking' van God. Dit uitgangspunt heeft
aanzienlijke gevolgen en het versterkt zienswijzen zoals een theonomisch
wereldbeeld [het zedelijk karakter van handelingen is afhankelijk van Gods
wil, NvdR], een op de gemeenschap gerichte (communitaristische) visie,
de heerschappij van God enz.
Kunnen deze implicaties de uitdagingen
van het pluralisme niet bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken? Wel, alles
hangt ervan af hoe we ze begrijpen en interpreteren. Indien ze begrepen
worden in een 'fundamentalistische' zienswijze, als het ware, dan krijgen
vooral sommige vormen van pluralisme geen kans om wortel te schieten.
Om het beknopt te formuleren: Islam,
zoals ik daarnet gesteld heb, is een 'religie van het Boek'. Het belang
van het Boek in het individuele en collectieve leven van de Moslims (met
inbegrip van hun sociale, economische en politieke activiteiten) staat
buiten kijf.
De Qur'an - het hoeft niet gezegd
- is géén boek over sociale of economische theorieën of systemen. Toch
is de Qur'an een bron van inspiratie voor de levenservaringen die ik zojuist
heb vermeld. Het rechtstreeks afleiden evenwel van een sociaal, politiek
of economisch systeem is één ding, en het aanwenden van het Boek als een
gids of bron is iets héél anders. Deze laatste houding hoeft ons niet
te verhinderen
de originele sociaal-culturele realiteit te zien tot dewelke de Tekst oorspronkelijk
gericht was. Eén van de eerste doelstellingen van de Tekst is een diep
en sterk Godsbesef te creëren in het individuele bewustzijn en de gelovige
man of vrouw de wereld te laten zien doorheen dàt besef.
Tweedens, is de andere centrale doelstelling
van de Qur'an, zoals Fazlur Rahman het stelt:12
een levensvatbare maatschappelijke orde op aarde in te stellen die op een
rechtvaardige en morele manier is uitgebouwd.' Het Boek vraagt de gelovigen (de umma)
te werken aan het vestigen van het goede en de uitschakeling van het kwaad.
De beste gemeenschap is degene die zich in het geluk-brengende midden situeert
[nl. tussen de extremen, toevoeging van de vertaler] en aldus getuigenis
aflegt aan de mensheid (2:143, 3:110, 4:135, 49:10). De Qur'an beklemtoont
sociale zachtmoedigheid, het morele weefsel van het maatschappelijk leven,
met inbegrip van het politieke aspect ervan, dat ook dient ontworpen te
worden overeenkomstig de Morele Wet. Dat is de betekenis van een op de
gemeenschap georiënteerde maatschappijvisie, die sociale deugd vereist
en een sterk verantwoordelijkheids- en plichtsbesef. Betekent dit dat de
Tekst de individualiteit ontkent en eventueel het 'recht' onderwerpt aan
het 'goede' in het maatschappelijke leven?
Ik denk van niet. Dergelijke duidelijke
distincties worden meestal gemaakt in de boeken over moraalfilosofie. Vanuit
het Qur'anieke standpunt vormt het verzekeren van de individuele rechten
de morele fundering van het gemeenschapsleven. In een samenleving
waar de individuele rechten systematisch met de voeten worden getreden,
zal de gemeenschapsdimensie van het ethisch leven weinig groeikansen krijgen.
In de moslimwereld zijn er ernstige mensenrechtenproblemen en de heersende
klassen zijn er eerder autoritair. Religie echter als een maatschappelijk
gegeven is slechts gedeeltelijk verantwoordelijk voor die situatie. De
wortels van dit probleem van autoritair bestuur moeten in de eerste plaats
gezocht worden in de heersende politieke cultuur, in de ondraaglijke economische
situatie, in het web van internationale betrekkingen en pas dan, misschien,
in het moderne Islamitische denken en handelen.
Met andere woorden: religieus pluralisme
kan maar in rekening worden gebracht samen in combinatie met alle andere
betekenisvolle sociale factoren. In een samenleving waar (a) de rechtsstaat
en de sociale rechtvaardigheid worden erkend, (b) de vraag naar democratische
deelname aan het bestuur wordt beantwoord, (c) aan iedereen een brede
waaier van sociale rollen wordt toegewezen, (d) geweld systematisch wordt
verminderd en (e) er tenslotte een algemene politieke cultuur van constructieve
conflictbeheersing bestaat, zullen religie en het religieuze leven de kans
krijgen meer religieus te worden en minder politiek, ideologisch
en dergelijke. Als een land echter geen pluralistisch grondwettelijk kader
heeft, geen politieke cultuur, geen rechtvaardig sociaal-economisch systeem,
dan kan het nooit een religieus pluralisme ontwikkelen, zelfs
indien er liberale
tendensen zijn in het religieuze leven.
We weten dat de moderne Islam vele
liberale pogingen heeft gekend op religieus gebied, vanaf het midden der
19e eeuw. De beweging, opgestart door de Osmaanse Jonge Turken omstreeks
1860;13 de zogenaamde modernistische tendens, vertegenwoordigd door persoonlijkeden als Shah Waliyyullah Dehlevî en
Seyyed Ahmed Khan, op het Indische subcontinent; Jamaluddin al Afghanî
en Muhammad Abduh, in Egypte; Said Halim Pasha, Mehmet Âkif en anderen
in Turkije: zij hadden allen sterke liberale en bevrijdende elementen in
hun ideeën en gedachten. Zij mislukten echter allen op de ene of andere
manier, of bereikten tenminste niet het verhoopte peil. De redenen voor
dat falen waren talrijk: het bestaan van een sterk conservatieve, zelfs
reactionaire impuls; het misbruiken van religie voor wereldlijke doeleinden;
een antidemocratische politieke structuur; militaire interventies en het
ontbreken van liberale opvoedingsinstituten. Westers etnocentrisme, een
imperialistische internationale politiek en christelijke zendingsactiviteiten
hebben nog zout in de wonde gestrooid. Al die factoren samen droegen op
hun beurt bij tot de opkomst van de zogenaamde 'politieke Islam', met zijn
ondertussen welbekende agenda, waarvan de belangrijkste thema's meer politiek
dan religieus zijn: religiositeit in de zin van morele en religieuze gevoeligheid
en bewustzijn ('taqwa' zoals het in de Qur'an wordt genoemd), is
niet altijd overvloedig aanwezig - zoals we soms wat naïefweg veronderstellen.
Toch ben ik niet pessimistisch. De
behoefte aan een levensvatbare democratie en sociaal-economische rechtvaardigheid
is dringend. Het aantal moslimintellectuelen neemt toe. Zij zijn zich ook
bewust - gelukkig maar - van de westerse successen en mislukkingen.
Velen van hen lijken zich nu te realiseren dat het oplossen van tenminste
sommige van die dringende problemen maar kan verlopen langs een weg die
zich uitstrekt tussen een eerder abstract en formeel liberalisme en een
verstikkend, regressief communitarisme. Met de goed-gevestigde Islamitische
waarden in gedachten, én de resultaten van moderne wetenschap en filosofie,
moeten de moslimintellectuelen een nieuw begrip ontwikkelen van wat men
"een communitaristisch liberalisme" zou kunnen noemen. Bij die onderneming
moeten zij pogen volkomen vertrouwd te zijn met de westerse ervaring, met
inbegrip van de christelijke dimensies ervan, ten einde daarvan te leren,
enerzijds, én niet dezelfde fouten te herhalen,
anderzijds. Persoonlijk
sluit ik mij aan bij westerse denkers die aan het christendom verwijten
dat het, in het bijzonder vanaf de Verlichting, niet voldoende
inspanningen
heeft geleverd om de rationele, wetenschappelijke en liberale waarden
te combineren met de ethisch-religieuze waarden van religie.
Zij moeten uiteraard nog vele andere
taken uitvoeren. Bijvoorbeeld, een grote inspanning leveren om een sociaal-politiek
klimaat te scheppen waarin dialoog en 'communicatief handelen' (in de bekende
terminologie van Jürgen Habermas) kunnen plaatsvinden zonder angst
voor repressie. Alleen op die manier wordt het nieuw cultiveren mogelijk
van de publieke ruimte waarin een pluraliteit van alle soorten elkaar kunnen
ontmoeten.. Dat cultiveren zal op zijn beurt het praktische leven verrijken,
dat zijn eigen, speciale logica lijkt te bezitten. De meeste goede veranderingen
komen tot stand, niet als het resultaat van goed gedefinieerde en hardnekkig
nagevolgde projecten maar haast als toevallige bijproducten van het praktische
leven, of de 'Lebenswelt'. Vele islamitische bewegingen, bijvoorbeeld,
beschouwden het meer-partijensysteem, met verschillende programma's, als
iets onislamitisch, of zelfs als anti-islamitisch. Maar vandaag de dag
willen zijzelf als politieke partijen worden aanvaard en geregistreerd.
In alle grote tradities zijn een
nieuw begrip en nieuwe interpretatie van de bronnen en van de rijke historische
ervaring onontbeerlijk. Wegens vele historische en politieke redenen zijn
in alle culturen de elementen die dialoog, pluralisme en gemeenschapszin
bevorderen, verwaarloosd gebleven. Nu moeten ook zij op de voorgrond worden
gebracht.
Hier kan een dubbele beweging nuttig
zijn: vertrekkend van de realiteit en de echte problemen naar de bronnen,
enerzijds, en van die bronnen weerom naar de realiteit, anderzijds. Met
andere woorden: de inductieve en de deductieve methode moeten samen worden
gebruikt. Terwijl we dit doen moeten we eraan denken dat alle nuttige methodes
in historische, culturele, taalkundige, literaire en filosofische studies
een bijdrage kunnen leveren - en dat ze dat ook metterdaad doen. Zowel
de zogenaamde hegemonische religieuze rede als het religieuze essentialisme
moeten het onderwerp zijn van deze omvattende wetenschappelijke benadering.
Ik ben ervan overtuigd dat de resultaten van de wetenschappelijke inzet
het pad zullen effenen voor het verwijderen van vele naïeve en irrationele
geloofsopvattingen, ongegronde vooroordelen en vele ideeën die eerder traditioneel
en historisch dan religieus zijn.
Als dat gebeurt, zal het de weg vrijmaken
voor intern pluralisme, d.w.z. pluralisme in het eigen huis - wat levensnoodzakelijk
is in vele zogenaamde ontwikkelingslanden. Ik wens dat uitdrukkelijk te
benadrukken. Historisch gesproken, bijvoorbeeld, is de moslimhouding tegenover
andere religies meestal veel toleranter geweest dan tegenover interne verschillen.
Het destructieve effect ervan was wellicht niet zo groot in periodes dat
sociale gelijkvormigheid de overhand had. In onze multireligieuze en multiculturele
tijd, echter, zou de mentale openheid en gevoeligheid voor pluralisme thuis
moeten beginnen groeien. Natuurlijk zijn divergenties niet in alle omstandigheden
aanvaardbaar, en hoeven ze dat misschien ook niet te zijn. Geen enkele
ernstige Moslim is bereid te aanvaarden, bijvoorbeeld, dat een mening als
Islamitisch wordt voorgesteld als ze niet kan toegelicht en verdedigd worden
op rationele en tekstuele gronden (tekstueel, in een zeer brede zin, met
inbegrip van een substantieel deel van de traditie).
Desalniettemin, moet er meer aanmoediging
en ruimte gaan naar vernieuwingen en nieuwe benaderingen, zelfs indien
ze de studie beogen met behulp van moderne wetenschappelijke middelen van
fundamentele bronnen, met inbegrip van de Qur'an. Het is op dit terrein
dat sommige moslimintellectuelen geconfronteerd worden met verontrustende
reacties afkomstig uit niet-verlichte, conservatieve en traditionalistische
sectoren van de Moslimgemeenschap (umma) Maar zelfs in zulke maatschappelijke
omstandigheden heeft de moslimwereld nood aan méér rationele argumenten,
méér vrijheid en méér democratie, onder de hoede van de rechtsstaat zonder
dewelke geen enkele vorm van pluralisme enige groeikans heeft.
Professor Mehmet S. Aydin*
__________________________
NOTEN
1.Voor meer informatie zie Mehmet
S. Aydin, "An Islamic Evaluation of the Modern concept of Rationality",
in Islam and the Challenge of Modernity, ed. Sharifa al-Attas, ISTAC,
Kuala Lumpur 1996, pp. 73-79.
2. Islamo-Christiana, 11, 1985, pp.
268, 270, 271.
3. Zie zijn Tafsir al-Qur'an al-Athim,Beirut,
1980, vol., 2, p.466.
4. Zie I.R. al-Faruqi, "Towards a Critical
World Theology", in Towards Islamization of Disciplines, Heindon,
I.I.I.T. 1989.
5. Citaat bij: Lewis, The Jews of
Islam, Princeton U.P. 1984, pp. 43-4. Cf. Adnan Arslan, Religious
Pluralism in Christian and Islamic Philosophy, Curzon Press, Surrey,1998,
pp. 199-200.
6. Zie Fehmi Huwaydi, Muwatnun la
Dhimmiyyun (Citizens not Dhimmis), Beirut 1985.
7. Voor meer informatie, zie Toshico
Izutsu, Belief in Islamic Theology, Tokyo 1965.
8. March, 2000, p. 73.
9. Paul Knitter, No Other Name,
New York 1985, p. 201.
10. A.Arslan, Op. Cit., p. 259.
11. Voor meer informatie, zie: Mehmet
S. Aydin, Islam en Dialoog, Amsterdam, 1996, pp. 53-61.
12.
Zie zijn Major Themes of the
Qur'an, Chicago, 1980, pp. 37 f.
13. Volgens M.G.S.Hodgson, ging het
meestendeels om overtuigde Moslims die ervan overtuigd waren dat Islam,
wanneer correct begrepen, essentiële principes bevatte van het westers
liberalisme. Zie: The Venture of Islam, 3, University of Chicago
Press, 1974, p. 325.
|