Gepubliceerd in Trouw, 6
september 2003,
Tevens inleiding van het
Trouwdossier over inburgeren, nummer 27.
Aan de andere kant van de overlegtafel
zitten bestuursleden van het buurthuis, vergezeld door de
plaatselijke opbouwwerker. Tegenover hen zitten mijn collega en ik,
beiden adviseurs. Het buurthuis bevindt zich in de Roosendaalse wijk
Kalsdonk. Een wijk met een concentratie arme bevolking, onder wie
veel allochtonen. Vier jaar geleden besloot de gemeente de wijk
grotendeels te slopen om er een nieuwe wijk, evenwichtiger van
samenstelling te maken. Bewoners worden verspreid over de hele stad,
moskeeën en andere voorzieningen worden naar elders verplaatst, maar
het sinds vijf jaar gerenoveerde Buurthuis mag toch blijven, kreeg
het bestuur onlangs te horen.
Deze ingrijpende veranderingen is voor
de bovengenoemde bestuursleden aanleiding om zich te heroriënteren
op de nieuwe uitdaging waar het Buurthuis voor staat. Het wil een
vindplaats worden voor alle wijkbewoners, dus ook voor rijken en
allochtonen. Twee groepen die er tot nu toe maar zeer beperkt
gebruik van maken. Toen het onderwerp allochtonen aan de orde kwam,
zuchtte de oprechte en van nature humoristische voorzitster: “Wij
willen graag beleid maken voor allochtonen, maar ik begin me
ondertussen af te vragen wanneer het allochtoon-zijn nou eindelijk
ophoudt?” Met deze opmerking heeft zij indirect en treffend, een
belangrijk criterium verwoord waar iemands integratie aan getoetst
kan worden. De perfecte integratie van een allochtoon is inderdaad
als hij of zij op een gegeven moment ophoudt allochtoon te zijn. Dat
wil zeggen ophoudt zich als allochtoon te profileren en alleen
vanwege dit feit specifieke aandacht van zijn of haar nieuwe
thuisland te (ver)eisen.
Het ophouden allochtoon te zijn is een
innerlijke gesteldheid, een beweging die uit de allochtoon zelf moet
komen. Het op gang brengen van zo’n proces is afhankelijk van vele
factoren en kan van buitenaf gestimuleerd worden. Een voorbeeld van
een dergelijke stimulans is ermee te stoppen allochtonen op hun
afkomst of culturele achtergrond aan te spreken. Wat op zich een
natuurlijke grondhouding is. Kinderen weten dat maar al te goed. Een
paar jaar geleden doceerde ik het vak levensbeschouwelijke vorming
op een middelbare school. Gedurende mijn hele dienstverband heeft
van de onderbouw klassen niemand van de kinderen, op één na, naar
mijn afkomst gevaagd. Zij zagen mij als docent en ik behandelde hen
niet als autochtonen maar als scholieren. De interesse voor mijn
afkomst begon pas in de bovenbouw, bij scholieren die op het punt
stonden naar de universiteit te gaan. Sommigen hadden moeite met
mijn afkomst en gaven daar indirect uiting aan door mij overdreven
aan te spreken op de fouten die nu eenmaal behoren bij beginnend
leraarschap, of door mij voortdurend te attenderen op mijn accent en
taalfouten. Eén van hen ging, achteraf gezien, zelfs te ver toen hij
mij bij het begin van het eerste lesuurtje van een maandagochtend
vroeg: “Meneer, kunt u koken?”
Koken is inderdaad mijn favoriete
hobby. Ik heb het geleerd tijdens mijn studentenleven in de
Marokkaanse stad Fes, vierhonderd kilometer ver van mijn
geboorteplaats Nador. In het begin mocht ik als eerstejaars student
van mijn meer ervaren huisgenoten alleen de afwas doen. Daarna mocht
ik van hen voorzichtig en onder toezicht experimenteren. Binnen de
kortste tijd leerde ik de lekkerste Marokkaanse gerechten klaar te
maken.
In Nederland zag ik mijn kans schoon
om mijn hobby verder uit te bouwen toen ik aantrad als kok voor de
studentenverenigingen in Amsterdam. Ik kookte voor honderden
tegelijk. Maar het meeste plezier beleefde ik toen ik voor de
junkies, zwervers en daklozen mocht koken. Ik was zelf doelbewust
dakloos. De warme opvang van mijn tante beviel me blijkbaar niet.
Wat ik overdag in mijn Nederlandse les aan woordenschat leerde,
vergat ik ’s avonds doordat ik alleen in eigen taal werd
aangesproken. Het schoot dus niet op en ik besloot om het contact
met de eigen gemeenschap tijdelijk af te breken en mij uitsluitend
tussen het Nederlandse volk te begeven. Een eigen kamer lukte mij
niet. Dat was of te duur of mensonwaardig of allebei. Een huisbaas
van Marokkaanse origine: “Je ziet het! Eigenlijk is alles bezet.
Alle bedden en banken zijn verhuurd. Maar voor jou wil ik een
uitzondering maken. Als het donker is kun je deze salontafel aan de
kant zetten en hier gaan slapen.” “Kosten?”
“Tweehonderdvijftig gulden per maand!!”
Koken voor de daklozen (in een
dagopvang) was een bescheiden tegenprestatie tegenover wat zíj mij
leerden. In een eerder schijven (Trouw 24 maart) berichtte ik
dat mijn beste huiswerkbegeleider een oudere Nederlandse clochard
was. Deze mensen leerden mij de Nederlandse samenleving van onderop
kennen en verzorgden mij daarom de beste cursus maatschappij
oriëntatie. Het verbaasde mij dat nog bij niemand het idee is
opgekomen om deze categorie in te zetten voor de begeleiding van
nieuwkomers. Lijkt mij een betere daginvulling dan het verkopen van
de daklozenkrant.
“Meneer, kunt u koken?”, vroeg
de leerling. “Ja”, antwoordde ik, nadat bovengenoemde beelden
mijn hoofd in rap tempo passeerden. “U kunt dan beter gaan koken”,
vervolgde hij. Ik weigerde echter deze diskwalificerende opmerking
persoonlijk aan te trekken en hem in verband te brengen met mijn
afkomst. Met een kleine investering in het contact met deze leerling
waren we snel dikke vrienden geworden.
Het ophouden allochtoon te zijn is
niets anders dan ophouden ‘gast’ te zijn. Een Marokkaanse spreuk
zegt dat je als gast recht hebt op drie gastvrije dagen waarin je
een beroep kunt doet op gastvrijheidsrechten. De Nederlandse versie
luidt: ‘een gast en een vis blijven driedagen fris’. Daarna moet je
je als gelijkwaardige thuis voelen en mag je dus geen specifieke,
positieve of negatieve, aandacht meer eisen of verwachten. Bij
migratie zou je over een termijn van drie tot vijf jaar kunnen
spreken waarin je als vreemdeling alle kansen moet grijpen om die
gelijkwaardige status te bereiken. Ik praat niet over de
taalvaardigheden, over een dak boven je hoofd of een hoog inkomen.
Dat zijn slechts instrumenten. Ik heb het over die innerlijke
gesteldheid, die existentiële metamorfose die je ondergaat van gast
tot gastheer. Het gevoel van gastheer is wanneer je in echte
verbondenheid treedt met je nieuwe vaderland en jezelf als een
integraal lid ervan ziet. Ook al ben je de taal minder machtig, ook
al ben je arm, dakloos of zelfs crimineel. Die verbondenheid geef je
vervolgens vorm door er bewust voor te kiezen om, om in termen van
de filosoof Kant te spreken, wat hier is opgebouwd en opgetrokken
nog verder op te bouwen en op te trekken. Je loyaliteit ligt dan ook
hier en nergens anders en je bent bereid om, als puntje bij paaltje
komt zelfs afstand te doen van je oorspronkelijke nationaliteit. Je
kunt immers niet van twee walletjes eten en zoals de Koran het
verwoordt: ‘Wij (God) hebben u geen twee harten geschonken’
(Koran, 33, 4). Je kunt voor deze moeilijke beslissing ook niet
wegvluchten door te zeggen dat je maar een wereldburger bent of dat
je een transnationale identiteit hebt.
Wanneer deze grondhouding een
vanzelfsprekendheid wordt ga je als ex-vreemdeling je verbondenheid
met je nieuwe thuisland verder uitdiepen. Je gaat de Nederlandse
taal leren door er eerst van te houden en het te zien als de mooiste
taal van de wereld. Je voelt je gastheer, dus maak je vrienden en
nodig je ze uit om het gastheerschap te ervaren. De Marokkaanse
schrijver Benzakour klaagt vaak in zijn columns over het feit dat
moskeeën, in tegenstelling tot kerken, geen opvang bieden voor
(witte) illegalen, vluchtelingen en asielzoekers. Geen wonder, want
moskeeën nemen helaas nog steeds de houding van de vreemdeling aan,
die het ongepast vindt gastvrijheid te bieden op andermans
territorium. Moskeeën en andere islamitische organisaties hebben de
bovengenoemde metamorfose nog niet doorgemaakt. Je hoort dan op
vrijdagse preken sommige imams tot God bidden om ‘onze politieke
leiders’ bij te staan en dan bedoelen ze niet de arme Balkenende,
maar de president van Algerije en de Koning van Qatar. Je hoort de,
naar eigen zeggen, ‘verspreider van de islam’ en directeur van met
Wahabitische gelden gefinancierde Islamitische Wereld Liga, Mohammed
Shippih over Nederlandse moslims spreken. Niet als integraal
onderdeel van de Nederlandse samenleving maar als lid van een
zogenaamde wereldislamitische gemeenschap de Oemma.
Je versterkt als ex-vreemdeling je
verbondenheid met je nieuw vaderland door je werkelijk in zijn
geschiedenis en cultuur te interesseren. Je gaat terug naar de
Romeinse tijd en duizenden jaren vóór Christus en maak je vervolgens
een beeld van hoe het leven er toen uitzag. De mensen van toen zie
je ook als je voorouders. Je voelt je nu thuis, je voelt je gastheer
en loopt vrij alle openbare ruimtes binnen inclusief het Buurthuis.
Ik heb het voor de duidelijkheid niet
over verbondenheid in de vorm van naïeve politieke loyaliteit. Wat
dat betreft mag je ook kritisch zijn. Ik heb het ook niet over het
zogenaamde Oranjegevoel. Je hoeft ook geen affiniteit te hebben met
het koninklijke huis. Je mag best republikein zijn en toch prima
geïntegreerd. Je hoeft je persoonlijke culturele voorkeuren ook niet
op te geven. Maar je moet niet vluchten naar culturele uitingen om
de onzekerheden die nu eenmaal behoren tot het nieuwe bestaan uit de
weg te gaan.
Integratie is naar mijn mening dat
oergevoel. En dat boven omschreven oergevoel is de basis van een
geslaagde integratie. Alle ander materiële zaken die men
beleidsmatig onder de noemer inburgering rangschikt, zijn bijzaken.
Mohamed Ajouaou