Indien wij de islam beschouwen als een stelsel van geloofsvoorstellingen,
rituele voorschriften en sociale ethiek die voor de belijders waar en bindend
zijn, dan hanteren we een definitie die in hoofdlijnen overeenstemt met
de "visie van binnenuit". Met andere woorden, ook islamitische godsdienstgeleerden
zullen met deze definitie weinig moeite hebben. Een zekere spanning met
de normatieve theologische traditie van de islam kan echter ontstaan -
en hetzelfde zou gelden voor de theologische tradities van andere godsdiensten
-, wanneer wij aan het voorgaande, vanuit de moderne menswetenschappen,
het dynamische karakter van de islamitische godsdienst benadrukken:
de islam is niet alleen een bespiegelend stelsel dat in de studeerkamer
van theologen tot stand komt, laat staan een stelsel met eeuwigheidswaarde
dat weliswaar "in de tijd is geplaatst langs de weg van de openbaring maar
door zijn goddelijke oorsprong eeuwig en onveranderlijk is" - integendeel:
zoals elke godsdienst en elke cultuur wordt de islam elke dag en onophoudelijk,
in relatie tot de omstandigheden van zijn belijders beleefd en herbeleefd,
en dit belevings- en herbelevingsproces omvat ook een proces van herschepping.
Als levende godsdienst is de islam meer dan een normatieve openbaringstekst,
hij is vooral ook "islam vécu". Sterker nog, ook de Koran,
evenals alle andere gezaghebbende, islamitische zowel als niet-islamitische
religieuze bronnen, kunnen naar het inzicht van de moderne godsdienstwetenschap
alleen volledig begrepen worden in het licht van de omstandigheden waarin
zij tot stand kwamen. Als onderdeel van de menselijke beschaving ontsnapt
in de godsdienst, inclusief de islam, niets aan de wisselvalligheden van
de menselijke cultuurgeschiedenis, of, in enkele woorden, aan de "tand
des tijds".
Het voorgaande betekent onder meer dat de islam in West-Europa
primair bestudeerd moet worden vanuit de godsdienstige uitingen van zijn
belijders in West-Europa zelf, terwijl deze uitingen, volgens de heersende
inzichten van cultuur- en godsdienstwetenschap, vooral begrepen zullen
moeten worden in het licht van de achtergronden en omstandigheden van de
moslims die in West-Europa leven. Daar nu, zoals bekend, een zeer belangrijk
percentage van de in West-Europa woonachtige moslims nog relatief kort
geleden uit een veelheid van landen in Afrika, Azië en Europa afkomstig
is, behoort de studie van de islam in West-Europa wel tot de allermoeilijkste
opgaven waarvoor de islamologie zich ziet geplaatst. Men heeft immers in
West-Europa niet alleen te maken met een mozaïek van islamitische
religieuze gemeenschappen van zeer talrijke uiteenlopende theologische,
juridische en mystieke tradities met de daarbij horende verschillende herkomsttalen,
maar ook nog met samenlevingen en staten binnen West-Europa zelf die elk,
op het punt van godsdienst en staat, hun eigen nationale regels hebben
- regels die ondanks overeenkomsten op hoofdlijnen onderling tal van verschillen
vertonen; regels, die veel moeilijker zullen worden ingewisseld voor één
uniforme code dan het geval is bij de inruil van gulden, frank en mark
voor de ene euro.
Wanneer wij het wetenschappelijke onderzoek naar de islam
in West-Europa van de afgelopen tien jaar overzien, valt op dat het leeuwendeel
ervan met name door uiteenlopende beoefenaars van de sociale wetenschappen
tot stand is gebracht. Meer dan de klassiek, filologisch-historisch gevormde
oriëntalisten of islamologen beschikten zij over de methoden en technieken
die hen in staat stelden om het religieuze leven van de belijders van de
islam binnen hun eigen samenleving in kaart te brengen. Meer dan de in
maatschappelijke zin veelal linkshandige arabisten, turkologen, iranisten
of indologen waren zij in staat om direct-nuttige kennis te vergaren ten
dienste van overheidsbeleid, bedrijfsleven, media en de maatschappij in
het algemeen. Al dan niet met behulp van tolken konden zij betrokkenen
direct ondervragen over hun religieuze praktijk, hun behoeften, hun problemen
bij de uitoefening van hun godsdienst binnen de verschillende sectoren
van de maatschappij, bijvoorbeeld de gezondheidszorg, het onderwijs, het
leger en het gevangeniswezen.
Direct na de sociale wetenschappers kwamen de juristen
die in hun dagelijkse rechtspraktijk met uitheemse rechtsregels, al dan
niet direct ontleend aan de islam, te maken kregen en die vanuit de invalshoek
van het internationale privaatrecht aan de betekenis van het islamitische
recht in West-Europa aandacht gingen schenken.
Het lijdt geen twijfel dat de sociale en juridische wetenschappen
van blijvende betekenis zijn voor de studie van de islam in West-Europa,
hoewel hun huidige over-dominantie (in sommige landen kan vrijwel van een
monopolie worden gesproken), niet als eindideaal zou mogen gelden. Zonder
islamologische bijscholing, inclusief de studie van talen, en met name
van het Arabisch, blijven immers sociale wetenschappers en juristen veroordeeld
tot een zekere mate van oppervlakkigheid, tot een benadering van buitenaf,
waarbij die voor hen zo hopeloos ingewikkelde kern van de intern-islamitische
discussies onaangeroerd blijft.
Dit nadeel begint meer en meer te klemmen, nu in de laatste
jaren heel duidelijk in vrijwel alle landen van de Europese Unie sprake
is van de opkomst van een islamitische normatieve literatuur, deels nog
in herkomsttalen geschreven maar deels ook reeds in Europese talen. Het
leven als moslim in een Europese samenleving wordt daarin vanuit een veelheid
van islamitische confessionele invalshoeken aan de orde gesteld. Naast
islamitische programma's voor radio en TV, is er sprake van de publicatie
van religieuze week- en maandbladen, van islamitische opvoedkundige en
theologische verhandelingen, van het drukken van preken en fatwa's. Studie
van dit rijke materiaal door islamkenners zal de hoogst noodzakelijke verdieping
kunnen aanbrengen in de reeds beschikbare resultaten van sociaal-wetenschappelijk
en juridisch onderzoek. Hiermee voeren wij geen pleidooi voor het primaat
van de filologische godsdienstwetenschapper bij de studie van de levende
islam in West-Europa, maar wij hebben er evenmin waardering voor wanneer
sociale wetenschappers, vanuit een eigenwaan die hen verblindt voor eigen
beperkingen, genoemde filologische godsdienstwetenschapper als "tekstuoloog"
kleineren. Wat wij bepleiten is een samenwerking tussen beide die recht
doet aan de sociale betekenis en theologische complexiteit van het verschijnsel
dat hun beider studieveld is. Een dergelijke multidisciplinariteit zal
naar mijn stellige overtuiging leiden tot een aanzienlijke verbetering
van de onderzoeksresultaten. Als recent voorbeeld van de bijdrage die de
klassieke traditie van de islamologie aan de studie van de islam in Europa
kan leveren noemen wij het boek van Ursula Spuler-Stegemann, Muslime
in Deutschland: Nebeneinander oder miteinander? uit 1998, waarin het
normatieve islamitische discours in Duitsland veel duidelijker naar voren
treedt dan tot nog toe, in de geschriften van juristen en sociale wetenschappers,
het geval was.
Wanneer wij nu in het volgende aandacht vragen voor een
recent boek met fatwa's van de hand van een Marokkaanse imam in Rotterdam,
dan geschiedt dat echter geenszins vanuit de pretentie dat daarmee ook
maar bij benadering een beeld kan worden geschetst dat het bestaande min
of meer wetenschappelijke beeld zou moeten vervangen. Wij zijn ons ervan
bewust dat een min of meer representatief beeld van de godsdienstige opvattingen
binnen bijvoorbeeld Marokkaanse kringen in Nederland nimmer zonder de kwalitatieve
en kwantitieve onderzoeksmethoden van de sociale wetenschappen te schetsen
zal zijn. Maar hoe zal die sociale wetenschapper zijn vragenlijst ooit
zinnig samenstellen, indien hij geen weet heeft van de religieuze discussies
die binnen de door hem te onderzoeken kringen leven? Misschien worden de
opvattingen van de door mij onderzochte auteur slechts door een kleine
minderheid van belijders van de islam met een Marokkaanse achtergrond in
Nederland gedeeld, misschien ook wel door een meerderheid. Maar juist om
dit vast te stellen zal men eerst kennis moeten nemen van de inhoud ervan.
Studie van de inhoud van de islamitische geschriften is onontbeerlijk;
geheel zonder de islamologie valt de islam niet te bestuderen,
ook in West-Europa niet. Dat is mijn enige kritiek op sociale wetenschappen
en rechtswetenschap.
|