CENTRUM VOOR ISLAM IN EUROPA (C.I.E.)

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • RUG-INFO •

De studie van de islam in West-Europa:

een beschouwing

door

Pieter Sjoerd van Koningsveld*

(RULeiden)


Indien wij de islam beschouwen als een stelsel van geloofsvoorstellingen, rituele voorschriften en sociale ethiek die voor de belijders waar en bindend zijn, dan hanteren we een definitie die in hoofdlijnen overeenstemt met de "visie van binnenuit". Met andere woorden, ook islamitische godsdienstgeleerden zullen met deze definitie weinig moeite hebben. Een zekere spanning met de normatieve theologische traditie van de islam kan echter ontstaan - en hetzelfde zou gelden voor de theologische tradities van andere godsdiensten -, wanneer wij aan het voorgaande, vanuit de moderne menswetenschappen, het dynamische karakter van de islamitische godsdienst benadrukken: de islam is niet alleen een bespiegelend stelsel dat in de studeerkamer van theologen tot stand komt, laat staan een stelsel met eeuwigheidswaarde dat weliswaar "in de tijd is geplaatst langs de weg van de openbaring maar door zijn goddelijke oorsprong eeuwig en onveranderlijk is" - integendeel: zoals elke godsdienst en elke cultuur wordt de islam elke dag en onophoudelijk, in relatie tot de omstandigheden van zijn belijders beleefd en herbeleefd, en dit belevings- en herbelevingsproces omvat ook een proces van herschepping. Als levende godsdienst is de islam meer dan een normatieve openbaringstekst, hij is vooral ook "islam vécu". Sterker nog, ook de Koran, evenals alle andere gezaghebbende, islamitische zowel als niet-islamitische religieuze bronnen, kunnen naar het inzicht van de moderne godsdienstwetenschap alleen volledig begrepen worden in het licht van de omstandigheden waarin zij tot stand kwamen. Als onderdeel van de menselijke beschaving ontsnapt in de godsdienst, inclusief de islam, niets aan de wisselvalligheden van de menselijke cultuurgeschiedenis, of, in enkele woorden, aan de "tand des tijds".

Het voorgaande betekent onder meer dat de islam in West-Europa primair bestudeerd moet worden vanuit de godsdienstige uitingen van zijn belijders in West-Europa zelf, terwijl deze uitingen, volgens de heersende inzichten van cultuur- en godsdienstwetenschap, vooral begrepen zullen moeten worden in het licht van de achtergronden en omstandigheden van de moslims die in West-Europa leven. Daar nu, zoals bekend, een zeer belangrijk percentage van de in West-Europa woonachtige moslims nog relatief kort geleden uit een veelheid van landen in Afrika, Azië en Europa afkomstig is, behoort de studie van de islam in West-Europa wel tot de allermoeilijkste opgaven waarvoor de islamologie zich ziet geplaatst. Men heeft immers in West-Europa niet alleen te maken met een mozaïek van islamitische religieuze gemeenschappen van zeer talrijke uiteenlopende theologische, juridische en mystieke tradities met de daarbij horende verschillende herkomsttalen, maar ook nog met samenlevingen en staten binnen West-Europa zelf die elk, op het punt van godsdienst en staat, hun eigen nationale regels hebben - regels die ondanks overeenkomsten op hoofdlijnen onderling tal van verschillen vertonen; regels, die veel moeilijker zullen worden ingewisseld voor één uniforme code dan het geval is bij de inruil van gulden, frank en mark voor de ene euro.

Wanneer wij het wetenschappelijke onderzoek naar de islam in West-Europa van de afgelopen tien jaar overzien, valt op dat het leeuwendeel ervan met name door uiteenlopende beoefenaars van de sociale wetenschappen tot stand is gebracht. Meer dan de klassiek, filologisch-historisch gevormde oriëntalisten of islamologen beschikten zij over de methoden en technieken die hen in staat stelden om het religieuze leven van de belijders van de islam binnen hun eigen samenleving in kaart te brengen. Meer dan de in maatschappelijke zin veelal linkshandige arabisten, turkologen, iranisten of indologen waren zij in staat om direct-nuttige kennis te vergaren ten dienste van overheidsbeleid, bedrijfsleven, media en de maatschappij in het algemeen. Al dan niet met behulp van tolken konden zij betrokkenen direct ondervragen over hun religieuze praktijk, hun behoeften, hun problemen bij de uitoefening van hun godsdienst binnen de verschillende sectoren van de maatschappij, bijvoorbeeld de gezondheidszorg, het onderwijs, het leger en het gevangeniswezen.

Direct na de sociale wetenschappers kwamen de juristen die in hun dagelijkse rechtspraktijk met uitheemse rechtsregels, al dan niet direct ontleend aan de islam, te maken kregen en die vanuit de invalshoek van het internationale privaatrecht aan de betekenis van het islamitische recht in West-Europa aandacht gingen schenken.

Het lijdt geen twijfel dat de sociale en juridische wetenschappen van blijvende betekenis zijn voor de studie van de islam in West-Europa, hoewel hun huidige over-dominantie (in sommige landen kan vrijwel van een monopolie worden gesproken), niet als eindideaal zou mogen gelden. Zonder islamologische bijscholing, inclusief de studie van talen, en met name van het Arabisch, blijven immers sociale wetenschappers en juristen veroordeeld tot een zekere mate van oppervlakkigheid, tot een benadering van buitenaf, waarbij die voor hen zo hopeloos ingewikkelde kern van de intern-islamitische discussies onaangeroerd blijft.

Dit nadeel begint meer en meer te klemmen, nu in de laatste jaren heel duidelijk in vrijwel alle landen van de Europese Unie sprake is van de opkomst van een islamitische normatieve literatuur, deels nog in herkomsttalen geschreven maar deels ook reeds in Europese talen. Het leven als moslim in een Europese samenleving wordt daarin vanuit een veelheid van islamitische confessionele invalshoeken aan de orde gesteld. Naast islamitische programma's voor radio en TV, is er sprake van de publicatie van religieuze week- en maandbladen, van islamitische opvoedkundige en theologische verhandelingen, van het drukken van preken en fatwa's. Studie van dit rijke materiaal door islamkenners zal de hoogst noodzakelijke verdieping kunnen aanbrengen in de reeds beschikbare resultaten van sociaal-wetenschappelijk en juridisch onderzoek. Hiermee voeren wij geen pleidooi voor het primaat van de filologische godsdienstwetenschapper bij de studie van de levende islam in West-Europa, maar wij hebben er evenmin waardering voor wanneer sociale wetenschappers, vanuit een eigenwaan die hen verblindt voor eigen beperkingen, genoemde filologische godsdienstwetenschapper als "tekstuoloog" kleineren. Wat wij bepleiten is een samenwerking tussen beide die recht doet aan de sociale betekenis en theologische complexiteit van het verschijnsel dat hun beider studieveld is. Een dergelijke multidisciplinariteit zal naar mijn stellige overtuiging leiden tot een aanzienlijke verbetering van de onderzoeksresultaten. Als recent voorbeeld van de bijdrage die de klassieke traditie van de islamologie aan de studie van de islam in Europa kan leveren noemen wij het boek van Ursula Spuler-Stegemann, Muslime in Deutschland: Nebeneinander oder miteinander? uit 1998, waarin het normatieve islamitische discours in Duitsland veel duidelijker naar voren treedt dan tot nog toe, in de geschriften van juristen en sociale wetenschappers, het geval was.

Wanneer wij nu in het volgende aandacht vragen voor een recent boek met fatwa's van de hand van een Marokkaanse imam in Rotterdam, dan geschiedt dat echter geenszins vanuit de pretentie dat daarmee ook maar bij benadering een beeld kan worden geschetst dat het bestaande min of meer wetenschappelijke beeld zou moeten vervangen. Wij zijn ons ervan bewust dat een min of meer representatief beeld van de godsdienstige opvattingen binnen bijvoorbeeld Marokkaanse kringen in Nederland nimmer zonder de kwalitatieve en kwantitieve onderzoeksmethoden van de sociale wetenschappen te schetsen zal zijn. Maar hoe zal die sociale wetenschapper zijn vragenlijst ooit zinnig samenstellen, indien hij geen weet heeft van de religieuze discussies die binnen de door hem te onderzoeken kringen leven? Misschien worden de opvattingen van de door mij onderzochte auteur slechts door een kleine minderheid van belijders van de islam met een Marokkaanse achtergrond in Nederland gedeeld, misschien ook wel door een meerderheid. Maar juist om dit vast te stellen zal men eerst kennis moeten nemen van de inhoud ervan. Studie van de inhoud van de islamitische geschriften is onontbeerlijk; geheel zonder de islamologie valt de islam niet te bestuderen, ook in West-Europa niet. Dat is mijn enige kritiek op sociale wetenschappen en rechtswetenschap.

 

*[Deze inleiding is afkomstig uit: P.S. van Koningsveld & M.Tahtah, "Leven als moslim in Europa. De Fatwa's van Khalil El-Moumni, Imam van de Nasr-moskee in Rotterdam", C.I.E.-Cahier Nr. 5 (Gent 1998), pp. 1-5. De tekst is de neerslag van de academische rede die door Prof. Van Koningsveld werd gehouden op de academische openingszitting van het C.I.E., op 17 mei 1998].

Zie ook publicatielijst van Prof. Van Koningsveld op deze site. Email: P.S.van.Koningsveld@let.leidenuniv.nl
• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • RUG-INFO •

Web master Update: 18 december 2005