Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • TEKSTEN/TEXT(E)S •

Welke plaats voor moslims in het seculiere België?*

Meryem KANMAZ (2002)[1]

(Meryem Kanmaz, zelf een 'nieuwe Belg', stelt kritische vragen over onze omgang met de lokale islamitische gemeenschap)

Na de aanslagen in New York van 11 september 2001 is de islam niet meer weg te denken uit de nationale en internationale media en politiek. Hoewel tegelijkertijd vermeld dient te worden dat de Europese en in het bijzonder de Belgische media, in tegenstelling tot de Amerikaanse, hun best hebben gedaan om zo objectief mogelijk te berichten, ging de aandacht toch ook zeer snel naar de Belgische moslims en hun relatie tot en hun perceptie van het gebeuren.  Men wilde nagaan welke mogelijke, actieve of passieve, betrokkenheid er was. Moskeebestuurders en imams, maar ook jongeren op straat, gesluierde moeders en Marokkaanse bakkers en beenhouwers werden geïnterviewd en de islam werd in speciale bijlagen uitgelegd en verklaard. Het leek wel of werd nagegaan in welke mate de extremisten van Al-Qaida in eigen rangen aanwezig waren.

 



Een stoemmelingse erkenning

Indien we kijken naar de plaats die islam toegewezen kreeg en krijgt, zowel qua politiek beleid als in de beeldvorming zien we een hele evolutie. In tegenstelling tot andere Europese landen zoals Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland had België geen contact met moslims via haar kolonies. Het is vooral met de arbeidsmigratie uit het Middellandse-Zee gebied dat moslims en islam aanwezig werden in de Belgische samenleving. In die tijd echter, bestonden ze niet zozeer als moslims maar als gastarbeiders. Tot ver in de jaren tachtig is dat ook zo gebleven. Ondanks de officiële erkenning van de islam reeds in 1974, die bovendien zonder enig publiek debat goedgekeurd werd, was islam nog niet zichtbaar. Over de reden van die erkenning bestaan er verschillende meningen gaande van een oprechte bezorgdheid om de culturele identiteit van de migrantenkinderen (islamitisch onderricht op publieke scholen) tot een wederdienst in ruil voor de in 1974 ingevoerde migratiestop, tot een diplomatieke geste in het kader van de buitenlandse politiek onder de vorm van  een toegeving aan Saoudi-Arabië in tijden van volle oliecrisis. Gezien de aanwezige moslimmigrantengemeenschappen op geen enkele wijze geconsulteerd werden in die periode gaan we ervan uit dat het vooral een aangelegenheid van het ministerie van buitenlandse zaken was.[2]

Hoe komt het dat dit belangrijk aspect van de identiteit van migranten niet zichtbaar was? Dit hangt met verschillende factoren samen waaronder ook de gebeurtenissen binnen de migrantengemeenschappen zelf. Het is immers vooral na de gezinshereniging gepaard met het opgeven van de terugkeergedachte, dat moslimmigranten de nood aan openbare expressie van hun religieuze identiteit ervoeren. Het is in die periode dat men ook religieuze symbolen ziet opduiken, gaande van islamitische beenhouwerijen tot kleine moskeeën en gebedsruimtes met koranschooltjes. Het belang van de uitbouw van dit netwerk zat 'm vooral in de transmissie van het eigen normen- en waardepatroon aan de kinderen.

 



De opvolging van de erkenning

Anderzijds blijkt ook dat, ondanks de wetgeving van 1974, geen praktisch gevolg werd gegeven aan de erkenning van de islam aangezien de uitvoeringsbesluiten op zich lieten wachten.  Het duurde tot de jaren negentig alvorens weer actie ondernomen werd in  het dossier 'erkenning van de islam'.  De reden van deze vertraging is net de onwil om dit dossier te regelen. Het is immers pas eind jaren tachtig, met de oprichting van het Koninklijk Commissariaat voor Migranten (KCM), dat de islam terug op de politieke agenda geplaatst wordt. Niet zozeer vanuit de principes van de gelijkberechting van de erkende erediensten of de grondwettelijke vrijheid van godsdienst als wel vanuit een problematisering in het kader van het migrantendebat. Vooreerst in het 1ste rapport van het KCM duikt islam op als een belangrijk element in het migrantendebat.[3] De commissarissen verklaren zelf dat hoewel ze niet over de bevoegdheid beschikken om deze materie te behandelen, ze het wel opnemen in hun nota's. Vanuit die problematisering binnen het migrantendebat werd islam op de politieke agenda geplaatst. De katalysator hierbij vormde het succes van het Vlaams Blok, in 1988 en later opnieuw met Zwarte Zondag in 1991.  In het licht van de internationale gebeurtenissen gaande van de politieke situatie in Iran, het Midden-Oosten, de aanslagen van het FIS en GIA tot op Europees niveau de hoofddoekenaffaire in Frankrijk en de Rushdie-affaire in Groot-Brittannië werd niet enkel islam geproblematiseerd maar werden de Belgische migranten ook gezien als moslims. De eerste incidenten doken ook op in België en Vlaanderen. Denk maar aan de hoofddoekaffaire het Molenbeeks schooltje en iets later ook in Vlaanderen, Gent of het Brusselse incident waarbij enkele Brusselse burgemeesters weigerden voortaan islamonderricht te verschaffen in stedelijke schooltjes. Ook in het brede debat dat is ontstaan naar aanleiding van het integratieconcept van het KCM ziet men dat bij de definiëring van het concept, in het tweede luik, ontzettend veel aandacht ging naar de 'conformiteit met de westerse rechtsstaat', met impliciete en expliciete verwijzingen naar de rol van de vrouw en de beginselen van de westerse rechtsstaat. Het integratieconcept werd klaarblijkelijk geschreven met in het achterhoofd de moslimmigranten en de islamitische extremisten in moslimlanden. Aan Franstalige zijde was, vanuit de beïnvloeding door het debat in Frankrijk over de compatibiliteit van 'islam en democratie', de islamofobie explicieter in de vele debatten die gingen over de politieke islam en de mogelijke aanwezigheid ervan binnen migrantenkringen. Aan Nederlandstalige zijde kwam het dus vooral in beeld binnen het integratiebeleid waar het als een obstakel voor integratie werd gezien. Aan beide zijden van de taalgrens werden de godsdienst en de aanhangers ervan geproblematiseerd, weliswaar vanuit een verschillend perspectief.

 



Een islamitische internationale?

Uit onderzoek gevoerd in Molenbeek[4] blijkt dat de perceptie van niet-moslims in wijken met een Maghrebijns-Turkse gemeenschap wordt bepaald door het in het Westen bestaande beeld van de islam (l'imaginaire occidentale concernant l'islam).[5] Uit gesprekken met niet-islamitische buurtbewoners blijkt dat de islam afgeschilderd wordt als gevaarlijk, veroverend en allesoverheersend; angstaanjagend. Dat gevoel van angst en onveiligheid vertaalt zich via geruchten, uitgedrukt als "de internationale islamitische macht". Het gaat niet om feiten of om reële situaties of ervaringen. Op die manier wordt het beeld gecreëerd van 'invloed' van grote islamitische mogendheden op 'uiterst manipuleerbare' lokale gemeenschappen. Zo beweren handelaars in de buurt met zekerheid dat er geheime relaties bestaan tussen de migrantengemeenschappen en de politieke mogendheden van de landen van herkomst.  De meerderheid van de niet-islamitische Belgen lijkt die latente dreiging van een onzichtbaar islamitisch netwerk te voelen. Het gaat steeds om geruchten in de zin van "ik heb geen bewijzen maar ik ben er zeker van dat ...". In het bijzonder de moskee blijkt bij uitstek de veruitwendiging te zijn van de islamitische dreiging. Voor zover ze discreet en onzichtbaar blijft is de tegenkanting minder expliciet en manifest. Vanaf het ogenblik dat ze met zichtbare symbolen naar buiten komt en op die manier in concurrentie treedt met de westerse, christelijke symbolen, ontstaat er ongerustheid en de vrees voor de 'overrompeling' door een steeds groeiende moslimgemeenschap.  Verschillende lokale overheden staan bijvoorbeeld de openbare oproep tot het gebed niet toe. In Engeland werd de aanwezigheid van een moskee, hoewel ze zich aan een drukke baan bevond, afgeschilderd als "noise pollution" - geluidsvervuiling of geluidsoverlast.   Er zijn talrijke voorbeelden aan te halen waarbij steeds op andere argumenten teruggevallen wordt om de bouw of beter de renovatie van een moskee of islamitisch centrum te counteren. In Nederland, Tilburg, werd, ondanks het feit dat de plannen voor de bouw van een Turkse moskee in overeenstemming waren met beleid ruimtelijke ordening, argumenten aangedragen zoals "zal op een verschrikkelijke manier afbreuk doen aan de kleinschaligheid van het gehele gebied waardoor het dorpse karakter ervan verloren gaat" of "dat er gevreesd moet worden voor geluidsoverlast, parkeerproblemen en toename van de gevaarlijke verkeerssituatie".[6]  Op een ander, minder zichtbaar niveau, stelt de aanwezigheid van islamitische symbolen of de als dusdanig gepercipieerde symbolen, de vraag naar de plaats naar de islam in deze Europese samenlevingen. Zo kwam in Londen bij de renovatie van een 18de eeuwse pand door de moslimgemeenschap, reactie vanuit middens van monumentenzorg, als zou de restauratie en renovatie op een 'brutale' wijze plaatsgrijpen. Echter het debat ging in sé niet over welke materiaal er gebruikt werd en hoe dit gebeurde, maar architecturale monumentenzorg wierp de vraag op naar wat nationaal erfgoed is en wat gelabelde dient te worden als "Brits" of "Engels".  De vraag die zich stelde was deze naar het plurale (multiculturele, multireligieuze) karakter van een staat en de rol die etnische en dus ook religieuze minderheden hierin (kunnen en mogen) spelen.[7]


Een meer bewuste islam wijst op integratie

Hoe moeten we die concrete voorbeelden begrijpen? Waar situeert een mogelijke 'islamitische dreiging' zich en wat wordt er dan bedreigd? De vraag die zich (nogmaals) stelt is: waarop die zichtbaarheid van islam wijst? Is het een verhoogde religiositeit, is het de religieuze uitdrukking van politiek en sociaal ongenoegen, is het een bevestiging van identiteit, ...? Los van de situatie in de moslimlanden zelf en de recente gebeurtenissen van 11 september, zijn de meeste auteurs het erover eens dat de zichtbare aanwezigheid van islam in de Europese steden wijst op een integratie van moslims in tegenstelling tot een terugplooiing of een reactionaire houding. Het is net vanuit de acceptatie van het idee dat ze niet meer terug zullen keren (1ste generatie) en dat ze Belgische burgers zijn (de jongere generaties) dat moslims in de publieke arena stappen om hun eisen en belangen kenbaar te maken. Dat is een daad van actief burgerschap in tegenstelling tot vermoede segregatie, gettovorming of conservatisme.  Het verschil is dat de participatie van groepen die zich ook als moslims identificeren bepaalde zekerheden en consensussen terug in vraag stelt. Meer bepaald deze rond de neutraliteit van de staat inzake geloofskwesties. Vanuit het 18de eeuwse Verlichtingsdenken is een basis gelegd voor een scheiding tussen kerk en staat. In de verschillende Europese landen heeft dat op diverse manieren vorm gekregen maar er bestaat een consensus 'gebetonneerd' in allerhande wetgeving, en nog belangrijker, in de geesten, dat religie geen plaats heeft binnen de politiek  Het debat over de islam situeert zich onder meer op dit niveau van de publieke, de openbare ruimte. Algemeen wordt er vanuit gegaan dat islam en dus het religieuze dient beperkt te worden tot de privé-ruimte, binnen de privé-sfeer van het gezin. Vanaf het ogenblik dat enkele meisjes het recht opeisten om de hoofddoek te dragen binnen de publieke scholen, werd dit aanzien als een aanval en een schending van de publieke ruimte, die zogenaamd neutraal is.  De norm om het debat te voeren lijkt veeleer 'laicité/secularisme' dan 'democratie'. Indien we naar de huidige maatschappelijke realiteiten kijken in de verschillende Europese staten, is religie helemaal niet verdwenen uit de publieke ruimte en is de staat niet neutraal. Indien we dat erkennen dan kunnen we niet anders dan deze ruimte ook toegankelijk te maken voor andere religieuze groepen.
 


Wat betekenen 'gelijke rechten'?

We dienen ons ervoor te hoeden het debat te culturaliseren door het verkeerd te benoemen. Het gaat hier om gelijke rechten. Meer bepaald een minderheid met wiens rechten geen rekening gehouden wordt ondanks de bestaande grondwettelijke bepalingen. Een kwart eeuw heeft de implementatie van de wet op de erkenning van de islam op zich laten wachten. In tegenstelling tot de overige erediensten waarbij de principes van scheiding tussen kerk en staat consequent toegepast zijn, zien we bij de organisatie van de islamitische eredienst interventie en dirigisme vanuit overheidskringen, een lekenstaat niet waardig. Zonder hier in te gaan op de moeizame erkenning en de vele voorbeelden van overheidsinterventie, kunnen we stellen dat de manier waarop de organisatie van de islamitische eredienst en de verkiezingen van  december 1998  gebeurden een volledige constructie is vanuit Belgische overheids- en integratiemiddens.  De argumenten die nu vanuit verschillende hoeken aangehaald worden om de basisrechten voor deze groepen te miskennen lijken ingegeven vanuit een democratische bekommernis om een pluralistische maatschappij, maar zijn eigenlijk een uiting van discriminatie. Zie bijvoorbeeld het debat omtrent een potentiële islamitische zuil. Voornamelijk vanuit de linkerzijde gaan er stemmen op dat aangezien de ontzuiling zich inzet we zeker niet (meer)dienen te ijveren voor eigen netwerken van moslims in de vorm van eigen scholen of andere eigen voorzieningen. Het lijkt me echter historisch en principieel onjuist het debat op deze manier te voeren. De maatschappelijke realiteit voor de ontvoogding van verschillende groepen is in de Belgische geschiedenis steeds via eigen organisaties gegaan. Op het ogenblik dat de Belgische moslimgemeenschappen zich beginnen te organiseren en hun eisen en belangen vertegenwoordigen, is het intellectueel onjuist te stellen dat het debat voorbijgestreefd is. Het politiek spel wordt immers niet met gelijke partners gespeeld. Hoeveel moslimmigrantenvertegenwoordigers kunnen hierbij hun zeg doen binnen het klassiek politiek apparaat, de Kamer en Senaat? De enkele vertegenwoordigers van allochtone origine zijn op de vingers van één hand te tellen. 
 


Ook de islam is dynamisch!

Een andere premisse van het debat lijkt de onveranderlijkheid van de islam. Een statische waarheid waaruit alles verklaard kan worden. Verschillende partijen bezondigen zich hieraan door elk gedrag van Belgische moslims (of zelfs internationale politieke gebeurtenissen) te verklaren vanuit de klassieke teksten van de islam. "In de koran staat zus of zo".  Indien we er van uitgaan dat religie een maatschappelijke constructie is dan impliceert dit ook dat mensen haar construeren en er verder vorm aan geven en veranderen aangepast aan hun veranderde omgeving en noden. Belgische moslims kunnen of beter zullen daarom verschillen van hun geloofsgenoten in het Midden Oosten of in het voormalig Oostblok waar ze hun religie decennialang ondergronds beleefd hebben.[8] Het lijkt alsof de socio-economische verklaringsgronden die wel gehanteerd worden om allerlei andere maatschappelijke realiteiten en problemen te beschrijven en te analyseren absoluut niet opgaan als het om migranten en moslims gaat. Terwijl we in de beginjaren van de migratie de positie en het gedrag van deze groepen verklaarden vanuit hun cultuur (Marokkaan-zijn; identiteitscrisis) wordt nu de islam aangegrepen als ultieme verklaringsgrond.[9] Moslims functioneren niet in een vacuüm. Uiteraard zijn er bepaalde geloofsregels en praktijken die gelijklopend zijn waardoor we kunnen spreken van een 'groep', een minderheid. Ook de moslims zelf tonen en benoemen zich zelf meer en meer als een afzonderlijke groep. Maar tegelijkertijd zijn ze burgers van België (de ene meer gelijk dan de andere), genieten ze hetzelfde onderwijssysteem (dezelfde seculiere waardesystemen worden doorgegeven), wonen ze in dezelfde steden en dienen een plaats te verwerven op dezelfde beperkte arbeidsmarkt.
 


Waarover het debat wel gaat.

Het eigenlijke debat dat dringend gevoerd dient te worden is dat naar de Belgische multiculturele en multireligieuze samenleving. Hoe kan een model gecreëerd worden waarbij er een evenwicht dient te bestaan tussen rechten voor de minderheden vanuit respect voor hun eigenheid en een algemene (supra)nationale (universelere) loyauteit.  De bekommernis omtrent islam of een verhoogde religiositeit en de mogelijke incompatibiliteit met de westerse verworvenheden stelt immers niet enkel een vraag naar deze gemeenschappen maar ook naar de eigen gemeenschap. Vragen stellen over moslims is ook vragen stellen over de eigen maatschappij. Hoe zien wij de Belgische samenleving en wie willen we er een plaats in geven? Louter stellen dat er plaats is voor iedereen is de feitelijke negatie (van de eigenheid) van deze groepen. Dat geldt uiteraard ook voor de moslimgemeenschappen wier identiteit (mede) 'gevormd is door de Europese samenleving en de Europese instellingen; die identiteit kan daarvan niet los worden gezien alsof zij uitsluitend gevormd zou zijn binnen de 'moslimgemeenschappen.[10] Indien we ervan uitgaan dat minderheden het recht hebben hun identiteit te beleven dan moeten hier ook waarborgen voor zijn. Het moet gegarandeerd worden door de overheid en de groep dient beschermd te worden om haar identiteit te kunnen beleven. Met andere woorden hun (groeps)rechten moeten beschermd worden. Concreet gaat het ondermeer om: het dragen van een hoofddoek, voorzieningen voor halal-eten, mogelijkheden tot rituele slachting, flexibiliteit in vakantie- en verlofregelingen, islamitische percelen op gemeentelijke begraafplaatsen, etc. Zolang die garantie niet geleverd wordt, is er geen sprake van een keuze voor een multiculturele samenleving maar van het onthouden van fundamentele rechten. [11]
 

_____________________
 

NOTEN:

[1] Meryem Kanmaz behaalde het diploma maatschappelijk assistent aan de Erasmushogeschool te Brussel. In 1997 studeerde ze af in politieke wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel. Haar licentiaatsthesis behandelde het seculariseringsproces in Turkije ("Thank God we are secular" : een analyse van het Turks seculariseringsproject.). Tot mei 1999 was ze werkzaam als coördinator van het migrantenvrouwen-en meisjescentrum Casa Blanca te Vilvoorde. Momenteel is ze binnen het Centrum voor Islam in Europa, aan de Universiteit Gent, als onderzoekster gestart met het project"Islam in Vlaanderen : de inplanting en maatschappelijke rol van moskeeën. Sociaal-geografische, politieke en sociaal- & religieus-culturele aspecten." [zie infra]

[2] Voor een grondige analyse van de redenen van erkenning zie PANAFIT, L., Quand le droit écrit l'Islam - L'intégration juridique de l'Islam en Belgique, Bruylant, Bruxelles, 1999.

[3] KONINKLIJK COMMISSARIAAT MIGRANTENBELEID, Integratiebeleid: een werk van lange adem, deel I: Bakens en eerste voorstellen, Brussel, 1989.

[4]Marie VERHOEVEN, 'Minorité musulmane et ville', in Dasetto, Facettes de l'islam belge, 1997, pp.123-139.

[5] VERHOEVEN, 1997:131.

[6] H.L. Beck 'Verborgen vooroordelen ? Beeldvorming rond de plannen tot nieuwbouw van een Turkse moskee in Tilburg', in W.A.S. Shadid en P. S. Van Koningsveld (red.), Religie, cultuur en minderheden. Historische en maatschappelijke aspecten van beeldvorming. Tilburg University Press, 1999, pp. 40-54.

[7] John EADE, 'Nationalism, Community, and the Islamization of Space in London', in Barbara METCALF, Making Muslim Space in North America and Europe, Londen, University of California Press, 1996, p.223.

[8] Dit zegt niets over de plaats van de 'Heilige Bronnen', Koran en Sunna (teksten en uitspraken van de Profeet) voor de gelovige zelf. Het is het kader dat de sociaal wetenschapper of de journalist, de buitenstaander dient te hanteren bij de  studie of analyse van moslims.

[9] Ook onderzoeken waarbij gedrag werd verklaard door te gaan kijken naar cultuur, geboortestreek e.d. bezondigden zich hieraan door die culturen voor te stellen als onveranderlijke gehelen.

[10] Ik gebruik hierbij K. Anthony Appiah's invulling van de Afro-Amerikaanse identiteit."De Afro-Amerikaanse identiteit is in de eerste plaats gevormd door de Amerikaanse samenleving en door Amerikaanse instellingen; die identiteit kan daarvan niet los worden gezien alsof zij uitsluitend gevormd zou zijn binnen de Afro-Amerikaanse gemeenschappen". 'Identiteit, authenciteit, overleving. Multiculturele samenlevingen en sociale reproductie', in  Charles Taylor, Multiculturalisme, De politiek van erkenning nader onderzocht, Meppel, Boom, 1995, p.178.

[11] Tijdens de voorbereidingen van het offerfeest 2002 vroeg de Gentse moslimgemeenschap de lokale overheden niet enkel voorzieningen voor rituele slachtingen mogelijk te maken zowel thuis als in een slachthuis maar tegelijkertijd ook om bescherming in het geval van verzet en manifestaties vanuit de  hoek van de dierenrechtenbeweging en Vlaams Blok. De mate waarin hierop in zal gegaan worden, zal een oefening zijn in lokaal multicultureel samenleven. Voorlopig zijn thuisslachtingen juridisch nog mogelijk, maar indien vanaf volgend jaar het verbod effectief in zal gaan, zal de lokale overheid, indien het oprecht rekening wilt houden met de lokale moslimgemeenschappen, dienen te voorzien in voldoende mogelijkheden tot rituele slachtingen in (stedelijke) slachthuizen en/of slachtvloeren. [PS Enkele foto's van de tijdelijke slachtvloer voor het offerfeest 2002: klik hier]

* Gepubliceerd in: Aktief, tijdschrift van het Masereelfonds, jg. 2002, nr. 1, pp. 8-11.

[25/05/2011] PhD Meryem Kanmaz is werkzaam als inhoudelijk expert binnen MANAvzw, Expertisecentrum voor Islamitische Culturen in Vlaanderen, http://www.manavzw.be/contact. Zij verzorgt de hoofdredactie van het tijdschrift MANAzine. Contact: meryem.kanmaz@manavzw.be

Web master Update: 25/05/2011  • CIE-INDEX • TEKSTEN/TEXT(E)S •