Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Economie en samenleving in Turkije.

Een treurspel over kapitalistische onderontwikkeling

door

Hilmi Kaçar

"Ten onrechte denkt men ieder keer dat men het ergste doorstaan heeft.
Er komt toch altijd weer iets onvoorstelbaars…"

Eric De Volder(uit: Zwarte vogels in de bomen)



Moe getergd door de aanhoudende sociaal-economische puinhoop heeft een deel van de Turkse kiezers bij de verkiezingen van november 2002 met hooggespannen verwachtingen zijn hoop gevestigd op de ‘moslimdemocratische’ AKP (Adalet ve Kalkınma Partisi, Partij van Rechtvaardigheid en Vooruitgang). De partij van Erdoğan (AKP) begon zijn verkiezingscampagne met een licht anti-kapitalistisch discours, bekritiseerde de soberheidsrecepten van het IMF en kanaliseerde zo het ressentiment. Maar naarmate de verkiezingsdag naderde, trachtte Erdoğan het ‘vertrouwen’ van de financiële markten, het IMF en de westerse politieke kringen te winnen. In de eerste fase van de verkiezingscampagne verklaarde Erdoğan nog dat hij ‘over de buitenlandse schuld opnieuw zou onderhandelen met het IMF’. Maar geleidelijk aan heeft hij zijn houding sterk gemilderd en zegt nu dat de ‘afbetaling van de schuld niet in het gedrang zal komen’. Hij is zelfs persoonlijk afgereisd naar New York en Brussel om de angst van de internationale financiële instellingen en de westerse politieke kringen weg te nemen en hij verzekerde hen dat hij de spelregels van de ‘vrije’ markt niet zal afwijzen. Zijn verkiezingszege werd dan ook warm onthaald.  

We zien duidelijk dat de AKP compromissen heeft afgesloten om aan de macht te kunnen komen, zowel met de interne machtsblokken (de Turkse bourgeoisie, het leger en de bureaucratische elite) als met die in het buitenland (internationale instellingen van het kapitaal, westerse politieke kringen). De AKP die nu aan de Turkse staat vorm en inhoud moet geven, handelt vanuit een pragmatisch praktisch oogpunt en onder omstandigheden die ze noch gekozen, noch begrepen heeft. Uit haar politieke discours blijkt dat ze geen besef van de diepgang van de mechanismen van de kapitalistische wereldeconomie heeft. Dit zowel omdat haar belangen samenvloeien met die van een deel van de Turkse bourgeoisie, als omdat ze werkelijk geen inzicht heeft in de realiteit van het kapitalisme en in de consequentie ervan voor Turkije. De AKP vertrekt van een vaag discours dat zowel versluierend als op lange termijn zichzelf ondermijnt. Ze belooft zonder de bewegingswetten van het kapitalisme in vraag te stellen, binnen de perken van één natiestaat een ‘rechtvaardige welvaart’ tot stand te brengen. Dit is een kreupele strategie aangezien een natiestaat in de dynamische, interdependente wereld slechts over een zeer beperkte beslissingsruimte beschikt. De vrijheid van handelen van een semi-perifere regering als Turkije is zeer beperkt, wat het gevolg van zowel de interne machtsverhoudingen (b.v. het leger) als van de externe afhankelijkheid is. Immers, het kapitalisme functioneert niet in één staat maar binnen een wereldsysteem dat berust op de structurele ongelijkheid tussen kapitaal en arbeid en tussen kern en periferie.

Intussen ontdekt de AKP ook dat ze om haar macht te kunnen behouden, gedwongen is om haar politieke discours aan te passen en dat ze zich in haar machtsuitoefening moet schikken naar de wensen van de heersende groepen in de kapitalistische wereldeconomie. Op die manier zullen er ongetwijfeld groeiende wanverhoudingen ontstaan tussen de beloftes van de AKP inzake verbetering van de werk- en leefsituatie van de loontrekkers en de kleine producenten en haar realisaties in het kader van het kapitalistische wereldsysteem. Economische politiek bedrijven impliceert het maken van keuzen. De keuzen van de AKP laten weinig ruimte voor de realisatie van haar beloftes.



Turkije in het wereldsysteem

Om de huidige situatie in Turkije te kunnen begrijpen moet men dan ook het vage politieke discours en het korte termijn perspectief van een journalist overstijgen. Iets begrijpen is betekenissen ontdekken in voorvallen en feiten en de verbanden zien. Dit is niet evident, want de heersende groepen bedekken historisch gegroeide en sociaal bepaalde verschijnselen met een mentale sluier van ‘normaliteit’, ‘evidentie’ en ‘universaliteit’. Zo geven de mainstream-media en de meeste 'intellectuelen’ vorm aan de heersende ideeën, waarden en overtuigingen. Al te vaak richten de media zich zeer sterk op mediagenieke gebeurtenissen die de diepere politieke, economische en sociale dimensies van een probleem ontkennen. Elke dag krijgen we in de media de clichés van de gangbare mening, de ‘publieke opinie’ en het voorgekauwde denken voorgeschoteld. Deze heersende mentale structuur is taai en kleverig, tast iedereen aan en slaat vaak om in verstarring en blindheid. Maar bovenal legitimeert ze de heersende opinies, behoedt ze zichzelf voor subversieve ontmaskering en minimaliseert ze de nood aan kritische en grondige analyse. Men moet daarom de aandacht verleggen naar (a) hoe het kapitaal op wereldniveau en in Turkije wordt geaccumuleerd, en welke rol de staat daarin speelt; (b) welke plaats Turkije binnen de wereldwijde, kapitalistische arbeidsdeling inneemt; (c) de mate waarin de productieprocessen in Turkije ingeschakeld, afhankelijk, geïntegreerd zijn in de productieprocessen in andere zones; en (d) hoe al deze processen de besluitvorming en het bestaan van de mensen in Turkije bepalen. Een dergelijk structureel perspectief is mijns inziens nodig om het onderscheid te kunnen maken tussen oppervlakteverschijnselen en diepere betekenis van de gebeurtenissen, om de werkelijkheid te construeren en om aan haar betekenissen te ontlokken.

Sinds de opname van Turkije in de kapitalistische wereldeconomie is één ding zeker: hoe meer de Osmaanse en later de Turkse staat de liberale recepten en principes als leidraad voor ‘ontwikkeling’ overnam, des te groter werd de economische catastrofe en de sociale ellende. De kapitalistische wereldeconomie verkruimelt de economie en samenleving in de (semi-) periferie tot een ruïne, waarin alleen enkele pieken van ‘ontwikkeling’ overeind blijven. Want, zoals Wallerstein zegt, het kapitalisme is “gebaseerd op de voortdurende absorptie van economische verliezen door politieke eenheden, terwijl economische winst in particuliere handen overgaat.”[1] Dit betekent dat de kapitalisten zich niet het hoofd breken over de ‘nationale economie’. Ze handelen in functie van hun winsten die ze desnoods tegen de ‘nationale belangen’ in willen realiseren. Het kapitaal heeft immers haar aspiraties nooit laten bepalen door de nationale grenzen. Het heeft altijd al getracht maximale winst uit de ongelijke en onvrije wereldmarkt te halen, waarbij de nationale regeringen veeleer als beschermer en regelgever van de kapitaalaccumulatie optraden. Kortom, het kapitalisme drijft op individualisering van de winsten en socialisering van de verliezen. 

Beloften van economische ontwikkeling, hoe overtuigend die ook mogen klinken, zijn geen waarborg voor de realisatie ervan. De staat grijpt meestal in het economisch leven in om zijn machtspositie te legitimeren en bijna nooit uit economische overwegingen. Idealiter zou staatstussenkomst in de periferie gericht moeten zijn op het stimuleren van de ontwikkeling van een stijgende productie van goederen en diensten per capita van de bevolking. Maar getoetst aan de praktijk van de kapitalistische wereldeconomie blijkt deze veronderstelling een theoretische bewering te zijn. Ondanks alle ‘goede raad’ van de internationale kapitalistische instellingen, verzinken de ontwikkelingslanden dieper in hun onderontwikkeling. Er zijn twee nauw met elkaar samenhangende processen werkzaam.

Het eerste proces is de wijze waarop de diverse sociale formaties binnen een staat en samenleving op de politieke besluitvorming invloed uitoefenen. Twee vragen dringen zich op: Hoe komen politieke beslissingen tot stand? Op welk manier worden ze uitgevoerd? Eerst en vooral moet men een liberale mythe uit de wereld helpen. In tegenstelling tot wat de liberale ideologen beweren, wordt de politieke besluitvorming niet bepaald door abstract rationeel gedrag. Sinds men alles in het teken van de kapitaalaccumulatie begon te plaatsen, wordt rationaliteit met eigenbelang verward en herleid tot kortzichtig nastreven van winst. Wie de geschiedenis kent, weet dat politieke beslissingen de neerslag van de strijd voor concrete belangen tussen de verschillende klassen zijn. Daarbij wordt de reële ongelijkheid in de productiesfeer versluierd en in stand gehouden via de formele gelijkheid in de wetten. De staat tracht om zijn gezag te doen aanvaarden voor sociale cohesie te zorgen en is daarvoor afhankelijk van de instemming van de overheerste klassen. Om die instemming te verkrijgen doet de staat zich voor als een onpartijdige, regulerende actor en voert ze een politiek van compromissen. De staat is dus de neerslag van de sociale relaties tussen mensen en van een manier waarop mensen zich tot elkaar verhouden. Deze toestand wordt gewijzigd door andere relaties aan te gaan. Maar pas wanneer de overheerste klassen (b.v. de arbeidersklasse) hun belangen kunnen vertalen in een ideologische en organisatorische tegenmacht, dan kan binnen deze compromispolitiek ruimte ontstaan voor wijzigingen in de manier waarop de heersende groepen de sociale relaties regelen. Pas dan wordt de heersende klasse (zoals de kapitalisten en de bureaucratische elite) gedwongen om aan de eisen van de overheerste klassen voor bij voorbeeld meer inspraak- en beslissingsmogelijkheden tegemoet te komen. Daarbij worden de overheerste klassen die aanvankelijk als bedreigend voor het kapitalisme worden gezien, ‘onschadelijk’ gemaakt door hen als een onderdeel van de gevestigde orde in te schakelen, om zo de heersende posities binnen de bestaande staatsstructuur en het kapitalistisch systeem niet te verliezen en om aldus de status-quo in een gewijzigde vorm te kunnen reproduceren. Dit is de aloude Lampedusa-strategie: veranderen om eigenlijk niets te veranderen.

Wijzigingen in de politieke structuur hebben het reële inkomen van veel mensen opgetrokken en de kwaliteit van hun bestaan gedeeltelijk ook verbeterd. Maar dit gebeurde ten koste van de ondermijning van het inkomen en de bestaanskwaliteit van nog meer mensen (elders in de wereld). Door de uitbuiting en ongelijkheid te verzachten en te verhullen, heeft men de kapitaalaccumulatie en de imperatieven van het kapitalisme ongeschonden kunnen behouden en reproduceren. De impulsen voor ‘verandering’ en besluitvorming liggen dus in de spanning tussen de tegengestelde belangen en binnen de complexe machtsverhoudingen.

Zo hangt de manier waarop in Turkije de besluitvorming tot stand komt en besluiten worden uitgevoerd in belangrijke mate af van de machtsverhouding tussen enerzijds het leger en de bureaucratische elite en anderzijds de bourgeoisie. De bourgeoisie wil ‘gunstige’ omstandigheden creëren voor onbeperkte kapitaalaccumulatie. Het leger en de bureaucratische elite komen aan deze vraag tegemoet zolang ze hun machtsposities kunnen handhaven. De kracht van deze spelers is ook gerelateerd aan de mate waarin deze spelers via belangenallianties met groepen en organisaties elders op wereldniveau kunnen opereren. Het spreekt voor zich dat binnen deze machtsconstellatie de vakbonden en de organisaties gericht op emancipatie en gelijkheid in een zeer zwakke positie verkeren. 

Ten tweede wordt op het niveau van de wereldeconomie de politieke besluitvorming in een semi-perifere staat[2] als Turkije bepaald door de werking van het interstatensysteem[3]. Uit de analyses van Marx, Wallerstein, e.a. weten we dat het kapitalisme historisch gezien een systeem is waarin de productie bedoeld is voor verkoop op de wereldmarkt in de hoop een maximale kapitaalaccumulatie te behalen. Deze productiewijze steunt op twee componenten. Vooreerst bestaat er een geografische arbeidsdeling tussen kern, semi-periferie en periferie. De economische taken zijn over de verschillende ruimtelijke gebieden ongelijkmatig verdeeld, waardoor de kern het grootste deel van de op de wereldmarkt geproduceerde meerwaarde kan afromen. Zo beschikken landen in de kern over belangrijke concentraties van bedrijven en markten met een internationale sturing en macht. Daarentegen zijn in de periferie veel minder ‘internationale’ actoren die over het vermogen tot internationale sturing, coördinatie en macht beschikken. De structurele ongelijkheid van de kapitalistische wereldeconomie berust dus op de geografische machtsconcentratie bij de actoren in de kerngebieden. De geografisch bepaalde arbeidsdeling reproduceert zich zo op een ruimtelijk schaalniveau, waarin de machtsverdeling tussen kern en periferie ongelijk is, met de ene sterker (welvarender) en de andere zwakker (onderontwikkeld).[4] Dit is ‘de ontwikkeling van de onderontwikkeling’, zoals André G. Frank het uitdrukte. Ten tweede is kapitaalaccumulatie enkel mogelijk door een voortdurend veranderende maatschappelijke arbeidsdeling. Maar het cruciale onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten blijft zonder meer bestaan: met name dat tussen de klasse die de productiemiddelen bezit en de andere aan wie de toegang tot de productiemiddelen ontzegd wordt en die daardoor gedwongen wordt haar arbeid in ruil voor loon te verkopen.

Dit geheel is ingebed in de machtshiërarchie tussen de zogenaamd ‘soevereine’ staten in het interstatensysteem. In tegenstelling tot de liberale mythe zijn de kapitalistische staten nooit volledig soevereine of onafhankelijke structuren geweest. Ze werden gevormd als integrale delen van een interstatensysteem dat opgebouwd is uit een verzameling van regels waarbinnen de staten opereren, en uit een geheel van legitimaties die de overleving van de staten verzekeren. De regels van dit systeem worden gehandhaafd door de wil en het vermogen van de sterkere staten om deze beperkingen in de eerste plaats aan de zwakkere staten en in de tweede plaats aan elkaar op te leggen.[5] Vandaag zien we dit gebeuren via supranationale instellingen als VN, WTO, NAFTA, EU, IMF, G8, enz. Het uitgangspunt is hier de intrinsieke relatie tussen de kapitaalaccumulatie en de politieke structuren die de vorm van een interstatensysteem aannemen. Zo reguleert en waarborgt deze relatie de ongestoorde stroom van kapitaal, goederen, diensten en informatie over de staatsgrenzen heen. Dit betekent dat het politieke gezag in de (semi-)periferie voldoende sterk moet zijn om de spelregels van het kapitalisme op te kunnen leggen. Maar het politiek systeem mag ook weer niet zó sterk zijn dat het de bevoordeelde positie van de kernstaten kan bedreigen doordat het de stromen van kapitaal, goederen en diensten in gedrang brengt. Binnen deze ongelijke machtsverhoudingen worden de semi-perifere gebieden vertegenwoordigd door kernregio’s in verval en door perifere zones die hun positie binnen het wereldsysteem trachten te verbeteren. Ze fungeren – dit naar analogie met de middenklasse[6] – als een buffer tussen de kern en de periferie. Binnen de machtshiërarchie in het interstatensysteem nemen zij een middenpositie in, met onderaan de zwakke staten van de periferie en bovenaan de sterke staten van de kern. Door deze ongelijke posities kan de kern de semi-periferie en de periferie uitbuiten en kan de semi-periferie op haar beurt weer de periferie uitbuiten. Zo verzacht de semi-periferie de tegenstellingen tussen kern en periferie en voorkomt ze dat het systeem in elkaar stort. In dat opzicht vervullen de staatsstructuren een sleutelrol die de ongelijke ruil van kapitaal, goederen en arbeid binnen de kapitalistische wereldeconomie in stand helpt houden.[7] Kortom, de manier waarop tussen kern en (semi-)periferie de concrete belangenstrijd geregeld of uitgevochten wordt, bepaalt ook hoe het met de relatie economie-samenleving-staat in Turkije is gesteld. Uiteraard zijn het vooral de belangen van de heersende groepen in Turkije – waar economische en politieke macht samenvallen – die de aard van die relatie bepalen en die in de beleidsbeslissingen vertaald worden. Wie empirische bewijzen voor deze stellingen wil zien, moet maar eens kijken naar de geschiedenis van Turkije van de laatste twintig jaar.[8]




Een semi-perifeer land

Na de militaire staatsgreep van 1980 werd Turkije als semi-perifere economie met haar laagtechnologische en arbeidsintensieve productie gebaseerd op lage lonen sterker in de wereldeconomie geïntegreerd. De vanaf 1977 in een financiële crisis terechtgekomen strategie van importsubstitutie werd in 1980 tegelijk met de liberalisering van de economie beëindigd. Deze integratie in de wereldeconomie was gericht op de opheffing van alle controles en beperkingen op het verkeer van goederen, diensten en kapitaal. De staat greep toen in de maatschappelijke verhoudingen in en maakte een grotere surplusoverdracht naar de ‘nationale bourgeoisie’ mogelijk. Dit is een prachtig voorbeeld van het feit dat ondanks alle neoliberale retoriek er in werkelijkheid geen intrinsiek verband tussen ‘vrije’ markt en democratie bestaat. De schokbehandeling die de militairen aan economie en samenleving oplegden, was gebaseerd op het door het IMF geëiste economisch herstructureringspakket dat als voorwaarde diende voor het verkrijgen van kredieten. Zoals vele landen werd Turkije ook afhankelijk van de bereidheid van de rijke kernlanden om leningen te verstrekken. Die leningen waren aan de voorwaarde onderworpen dat een aan de internationale instellingen van het kapitaal welgevallig neoliberaal beleid werd gevoerd.

De geschiedenis van de herstructurering van de Turkse economie kan in twee fasen worden ingedeeld: de periode 1981-1988 en de periode 1989-2002. De eerste periode wordt gekenmerkt door de promotie van de export met behulp van zware subsidies, waarbij de invoerrechten op grondstoffen en onderdelen bestemd voor de op de export gerichte industrieën werden afgeschaft. De liberalisatie van de binnenlandse financiële markt was een bijkomende doelstelling van het ‘stabilisatiepakket’. Dat had in 1989 wel als ingrijpende consequentie de volledige integratie in de wereldkapitaalmarkt. De beperkingen ten aanzien van de rentestanden werden in 1981 opgeheven. In 1984 werden de aan- en verkoop van deviezen geliberaliseerd, de banken mochten voortaan deposito’s in vreemde valuta aanvaarden en ze mochten wisselkoerstransacties verrichten. Faciliteiten voor een interbanken geldmarkt voor kortlopend kapitaal werden ingevoerd. In 1987 diversifieerde de Centrale Bank haar monetaire instrumenten door operaties op de open markt te starten. Om de kapitaalmarkt te reguleren werd een ‘Raad van de Kapitaalmarkt’ opgericht en werd de aandelenbeurs van İstanbul heropend.
 



Integratie in de wereldmarkt

In de periode 1981-1988 werd de integratie in de wereldmarkt vooral via de liberalisatie van de handel verkregen, waarna de op de export gerichte productiebedrijven en handelsfirma’s rendabel werden. De meest ingrijpende verandering was de scherpe uitholling van de koopkracht van de lonen als gevolg van de beperkingen aan de vakbonden opgelegd. De lasten van de neoliberale economische politiek kwamen op de schouders van de arbeiders en ambtenaren terecht omdat ze afhankelijk waren van een vast inkomen. De vermindering van de arbeidskosten had tot doel om de binnenlandse koopkracht en vraag te verlagen ten einde aldus een surplus te scheppen dat geëxporteerd kon worden. Het aandeel van de loonarbeid in de toegevoegde waarde van de private productiesector ging daardoor in 1987 achteruit van 27,5 naar 17 procent en in de staatssector van 25 naar 13 procent. Daarnaast werden de belastingen op het binnenlandse kapitaal drastisch verminderd ten einde een surplus voor de industriële ondernemers te scheppen. Men hoopte dat dit surplus door de ondernemers ‘efficiënt’ zou worden aangewend. Voorts stegen de winstmarges in de productiesector van 31 naar 38 procent.  

Dit klassieke op de export gerichte accumulatiemodel dat de lonen verminderde om de winstmarges te doen stijgen en dat ondersteund werd door exportsubsidies en belastingvoordelen, was heel even ‘succesvol’. In de jaren tachtig steeg de export jaarlijks met gemiddeld 15 procent en het BBP nam met 5,4 procent per jaar toe. Ondanks deze rooskleurige ontwikkelingen was er evenwel geen sprake van een aanhoudende groei van de vaste kapitaalvoorraad. De strategie van ‘ontwikkeling via particulier ondernemerschap in een vrije markt’ kon de verwachtingen niet inlossen, daar de jaarlijkse groeicijfers slechts de helft van die in de jaren zeventig bedroegen. De belastinginkomsten van de schatkist verminderden als gevolg van de belastingvoordelen die aan het industriële kapitaal toegekend werden. Het stijgende bevolkingsaantal deed ook de vraag naar publieke voorzieningen stijgen, waardoor de begrotingstekorten bleven groeien. Door de verkleining van de staatssector krompen de investeringen in de staatsondernemingen met 11,2 procent. De investeringen in de private productiesector stegen in de periode van 1981-1982 met slechts 4,8 procent en tussen 1983 en 1988 met 7,7 procent. De totale netto investeringen in de productiesector gingen bijgevolg in de periode van 1977-1980 met 9,4 procent en in 1981-1982 met 0,8 procent achteruit. Tussen de hele periode van 1983-1987 bedroeg de groei slechts 3,7 procent. Dit betekende dat de Turkse economie in die periode wel exportgericht was, maar dat het land niet industrialiseerde!

Er werden vooral in de bouw en de speculatie enorme fortuinen verdiend. De grote winnaars in de jaren tachtig waren de grote familieholdings. Sommige, als de Koç Holding of de Eczacıbaşı groep, waren al in de jaren twintig ontstaan. Andere, zoals de Sabancı Holding, waren in de jaren vijftig via de katoenhandel in Çukurova stinkend rijk geworden. Een derde generatie van holdings kwam voort uit de bouwbedrijven die in het begin van dit decennium hadden geprofiteerd van de bouwexplosie in de Arabische olieproducerende landen. Bijna al deze bedrijven zijn eigendom van één familie. Ze hebben de structuur van een holding met eigen banken, verzekeringsmaatschappijen, handelsfirma’s, productiebedrijven en commerciële televisie- en radiostations. Via deze ‘comprador-bourgeoisie’ als partner konden de buitenlandse MNO’s de Turkse markten gemakkelijker penetreren. De familieholdings kregen de productie van goederen onder licentie (Siemens, Sony, Mercedes, Philips, enz.) in hun greep. In de winkels was het verschil met de tijd van de importsubstitutie duidelijk zichtbaar geworden: de nieuwste Amerikaanse, Japanse en Europese snufjes waren overal verkrijgbaar, want luxe-artikelen werden zonder enige beperkingen ingevoerd. De consumenten hiervan waren de nieuwe rijken (welgestelde managers en ondernemers) en de middenklasse. De koopkracht van deze laatste werd wel uitgehold, maar door de uitbreiding van faciliteiten als huurkoop en afbetalingsregelingen werd zij tot consumptie aangemoedigd.[9] 




Exportgerichte groei

De Turkse economie is in de jaren 1980-1988 in de ban van een exportgerichte liberalisering van de handel gekomen. Deze periode wordt ook gekenmerkt door stagnerende investeringen, hoge fiscale kosten als gevolg van de exportsubsidies en een oligopolistische bank- en industriesector. De lage groei van de investeringen veroorzaakt een onevenwichtige economische ontwikkeling met lage groeicijfers. De kosten van de exportsubsidies en de financiële lasten van de buitenlandse schulden beginnen steeds meer op de overheidsbegroting te drukken. Door de toenemende informalisering van de economie en de aanhoudende belastingontduiking nemen de tekorten van de overheid toe en ze worden alsmaar meer met buitenlandse leningen gefinancierd. De omvang van de buitenlandse schulden stijgt hierdoor van 14,5 procent in 1980 naar 44,8 procent in 1988. 

De toegenomen buitenlandse schuld, waardoor ook de kosten van de afbetalingen stijgen, stagnerende investeringen en inflatie zijn de directe oorzaken van de economische onevenwichten. Daarbij bereikt de zwaar gesubsidieerde exportgerichte industrialisatie niet haar doel, omdat de investeerders zich uit deze sector terugtrekken. De kunstmatige exportgerichte groeistrategie, die verkregen was door te snoeien in de lonen en door het toekennen van subsidies, geraakt rond 1988 dan ook buiten adem, want ze had haar eigen grenzen bereikt. Bijna alle macro-economische indicatoren van 1988 wijzen op een stagnerende economie. De groei van het BBP valt in 1988 terug tot 2,1 procent, wat wijst op een recessie. De inflatie maakt een sprong naar 68,8 procent. De groei van de productie valt terug tot 1,6 procent en de reële lonen in de productieve sector dalen met 7,1 procent.

De jaren 1988-1989 vormden aldus in vele opzichten een keerpunt in de economie. Landbouw en veeteelt hadden weinig aandacht gekregen en de overheid had in 1981 in het kader van het herstructureringspakket zelfs de landbouwsubsidies afgeschaft. Tegelijk was de koopkracht van een groot deel van de bevolking, met name van de middengroepen, ambtenaren, leraren, arbeiders en kleine ondernemers, afgenomen. Het ‘klassieke’ accumulatieproces dat gebaseerd is op een vermindering van de loonkosten had zichzelf uitgeput en kon daardoor niet langer meer worden volgehouden. Desondanks bleef de overheid de privé-sector met fluwelen handschoenen aanpakken en liet ze haar winsten onaangetast. De overheid hoopte via de liberalisatie van de kapitaalrekening uit de impasse te geraken. Dit begon met het invoeren in 1989 van de volledige convertibiliteit van de lira. Door de liberalisatie van kapitaalbewegingen hoopte men buitenlands kapitaal aan te trekken om zo de begrotingstekorten aan te zuiveren en de economie draaiende te houden. Zo begon de meest destructieve fase van de neoliberale herstructurering van de Turkse economie.

De desastreuze jaren tussen 1989 en 2002 worden gekenmerkt door een deregulering van de binnenlandse financiële markten en een volledige integratie van Turkije in de internationale kapitaalmarkt. Door de verslechterde economische omstandigheden in de jaren 1988/89 had de overheid de economische groei trachten te herstellen door de instroom van kortlopend kapitaal vrij te laten, echter zonder hierbij rekening te houden met de ermee gepaard gaande groei van de schuldenlast. De regering hoopte, evenals in de andere crisislanden, te profiteren van de veranderingen in de internationale kapitaalmarkt. De instroom van buitenlands kapitaal werd beschouwd als een zegen omdat men hoopte hierdoor de financieel moeilijke periode te overbruggen. Men dacht zo fondsen aan te boren om de begrotingstekorten te financieren. Om kapitaal naar Turkije te halen werden de buitenlandse kapitaalverrichtingen geliberaliseerd. Daardoor werden de beperkingen en controles op de internationale kapitaalbewegingen volledig opgeheven en werd de binnenlandse financiële markt volledig opengesteld voor de speculatieve bewegingen van het buitenlands kortlopend kapitaal. Zo werden ook de rente en de wisselkoersen aan elkaar gekoppeld, waardoor de centrale bank niet meer in staat was om die te controleren. Het enige middel om binnen deze structuur de macro-financiële evenwichten te handhaven, was de binnenlandse renteopbrengsten hoger te laten zijn dan de speculatieve opbrengsten uit de deviezenhandel. Dit trok het buitenlands kortlopend kapitaal aan. Daarmee kon men enerzijds de begrotingstekorten financieren en anderzijds de invoer en de consumptie uitbreiden.

Deze neoliberale economische beleidskeuzen van de Turkse overheid waren eigenlijk geïnspireerd door het ‘monetarisme’ van het IMF. Dit monetarisme vormt de basis van alle structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s). Volgens het monetarisme van het IMF brengen de internationale kapitaalbewegingen, die gevoelig zijn voor de wisselkoersen en rentevoeten (lees: snelle en maximale winst), de betalingsbalans van een open economie in evenwicht. De expansie van het geldaanbod wordt daarbij overgelaten aan marktmechanismen die ook instaan voor het verlichten van de inflatiedruk. Het IMF ziet heil in een onbeperkt kapitaalverkeer, waardoor een land volledig afhankelijk wordt van de bewegingen op de gedereguleerde internationale kapitaalmarkt. Maar tot nog toe hebben noch Turkije, noch een ander semi-perifere staat hiervan enig voordeel ondervindt. Verwoestende financiële crisissen die Mexico, Turkije, Zuidoost-Azië, Brazilië, Rusland en Argentinië als een orkaan hebben getroffen, zijn echter overbekend. Het IMF heeft de semi-perifere landen via de SAP’s in feite aangezet om met open sluizen te wachten op een vernietigende vloedgolf van het op maximale winst beluste ‘flitskapitaal’.




Liberalisering

Alles wijst erop dat de neoliberale jaren 1980-2002 de meest rendabele jaren voor het kapitaal zijn geweest. Het overheidsingrijpen dat in dienst van de ‘nationale bourgeoisie’ stond, en de liberalisering van de handel en de kapitaalrekening hebben de verhoudingen tussen arbeid en kapitaal ten gunste van het privé-kapitaal veranderd. De middelen die hiervoor werden toegepast, zijn klassiek: een drastische devaluatie van de lira, een snelle stijging van de rente, een uitholling van de koopkracht van de lonen om de concurrentiepositie van de privé-bedrijven te vergroten, prijsstijgingen door de afbouw van staatssubsidies, opheffing van de beperkingen op invoer en uitvoer, privatisering van de staatsbedrijven en de liberalisering van de financiële markten. Ook de relatieve machtspositie van de georganiseerde arbeidersbeweging werd uitgehold. Dit gaf aan het privé-kapitaal de mogelijkheid om de lonen zonder tegenstand te verminderen. En de overheid bespaarde op haar beurt op de publieke en sociale voorzieningen.

Door de gebrekkige belastinginning die niet in staat was de excessieve fortuinen van de bourgeoisie te belasten, en door de fluctuerende groeicijfers moest de overheid haar uitgaven met buitenlands kapitaal en kredieten financieren. Hoewel men de toenemende overheidsuitgaven had kunnen financieren door efficiënter belastingen te heffen op de groeiende winsten in de privé sector, verkoos de overheid toch om alle lasten op zich – in laatste instantie was dit de bevolking – te nemen en de kapitaalaccumulatie in de grote ondernemingen onaangetast te laten. Zo stegen de winstmarges in de particuliere sector van 33,5 procent in 1989 naar 47 procent in 1994. Dit terwijl de leenbehoefte van de staat door het begrotingstekort steeds meer toenam: in 1991 bedroeg het tekort 10 procent en in 1993 steeg het al naar 12 procent.[10]

Laat me de structurele consequenties van de liberalisering van de kapitaalrekening op de Turkse economie hier in het kort samenvatten. Er zijn vier overheersende tendensen aanwijsbaar:

(1) transformatie van het Turkse financiële systeem in een sterk gedereguleerde financiële markt die de wisselkoers en rentevoet sterk destabiliseerde. Hoewel dit bijdroeg in het begin van de jaren negentig tot een versnelde groei, was deze heropleving van die aard dat de structurele kwetsbaarheid van de economie eerder versluierd werd, dan dat ze die hielp te overbruggen;

(2) de kapitaalvlucht en het kapitaal dat opzij werd gezet om de officiële reserves aan te vullen, zorgden ervoor dat de economische groei en de lopende rekeningen en kapitaalbewegingen negatief correleerden;

(3) de in- en uitstroom van het ‘flitskapitaal’ begonnen een steeds groter aandeel in de kapitaalbewegingen te krijgen en veroorzaakten aldus een toenemende binnenlandse instabiliteit, terwijl de directe buitenlandse investeringen in de productie in Turkije zeer marginaal bleven;

(4) het ontbreken van een doelgerichte industrialisatiepolitiek in combinatie met de liberalisering van de invoer spijkerde de Turkse economie vast op laagtechnologische en arbeidsintensieve productiemethoden en lage lonen. Dit veroorzaakte spanningen op de betalingsbalans, waarbij het tekort op de lopende rekening aangezuiverd werd door middel van een vermindering van de economische groei en uitholling van de koopkracht van de lonen.[11]

 

Er bestaat een belangrijk verschil in economisch patroon tussen beide periodes. In de jaren tachtig was de economische groei in hoge mate onafhankelijk van het kortlopende kapitaal. In de jaren negentig leidden de veranderingen in structuur en richting van de kapitaalbewegingen eerst tot groeiversnelling en daarna tot een financieel bankroet met groeicijfers die als een jojo op en neer gingen. Hoewel deze exportgerichte groeistrategie uiteindelijk uitliep op stagnatie (daling van de binnenlandse koopkracht) en uitputting (stilvallen van de exportboom), was ze toch erg verschillend van de vicieuze cirkel van groeiversnelling-bankroet-herstel die de Turkse economie in de jaren negentig beheerste. Zo vertoont het laatste decennium van de twintigste eeuw drie inzinkingen (1991, 1994 en 1998-1999), waarvan de laatste twee in een financiële crisis zijn uitgemond, en drie groeispiralen (1990, 1992-1993, 1995-1997). De onderliggende oorzaak van de crisissen werd rechtstreeks beïnvloed door de op speculatie gerichte kapitaalbewegingen. Het is overduidelijk dat de structurele kwetsbaarheid van de Turkse economie het resultaat is van gedereguleerde en kortlopend kapitaalbewegingen die elke reële groeiperspectieven hebben vernietigd.[12]
 



Kapitaalbewegingen

Laat me dit in het kort toelichten. Door toevloed van buitenlands kapitaal ontstond in Turkije een overvloedige voorraad van kortlopende deviezen. Dit leidde tot een overwaardering van de eigen munt op de wisselmarkten. Deze bewegingen van kortlopend kapitaal, het zogenaamde ‘flitskapitaal’, waren niet bedoeld om de productiecapaciteit van de economie te verhogen. Ze wilden enkel van de hoge reële interestvoeten op de binnenlandse markt profiteren om maximale winsten te behalen. Door de overgewaardeerde wisselkoers en de koppeling van de eigen munt aan de dollar om de inflatie te bestrijden, daalden de prijzen van de importgoederen, ging het concurrentievermogen van de op de uitvoer gerichte sectoren achteruit en namen de tekorten op de lopende rekening toe. Daarnaast stegen de schulden in deviezen op de korte termijn snel en vond een snelle expansie van het bankkrediet plaats. Daardoor nam de omvang van de kredieten die de Turkse banken in het buitenland opnamen, fors toe: in 1999 bedroeg de kapitaalbeweging meer dan 120 miljard dollar. Of anders gezegd: deze speculatieve geldmassa die aangezogen werd door de hoge reële rentevoeten en de overgewaarde nationale munt, benaderde de waarde van het BBP (de totale jaarlijkse productie van goederen en diensten). Dit betekende niets anders dan dat de Turkse economie dusdanig door de speculatieve bewegingen van het internationale kapitaal overspoeld werd, dat ook de productie en de investeringen in de problemen moesten komen. In tegenstelling tot de kernlanden is het vermogen van een semi-perifeer land als Turkije om zich te beschermen tegen de schommelingen van de rentevoeten en de valutakoersen, zeer beperkt. Zo was de Turkse centrale bank steeds minder in staat om een autonome monetaire politiek en een rentebeleid te voeren.

Om buitenlands kapitaal te kunnen aantrekken, houden de centrale banken in de semi-perifere landen de rentevoeten zeer hoog. Die hoge rentevoeten hebben een remmend effect op de economische activiteiten. Deze toestand is al verschillende keren onhoudbaar geweest. Zeker als de verhouding tussen de rente en de wisselkoers als gevolg van devaluaties te sterk begint te schommelen, want dan kiest het kapitaal ijlings het hazenpad. Dan raken de wisselkoersen in een vrije val en slaat de ‘groei’ om in een financiële crisis. Om de wisselkoersen te ondersteunen worden dan de rentevoeten nog verder opgetrokken. Echter veelal zonder blijvend resultaat. Door de dalende invoerprijzen stijgt immers de consumptie weer, waardoor de productiesectoren in de kernlanden gouden zaken doen. De combinatie van een hoge buitenlandse schulden met hoge rentevoeten leidt dan tot het faillissement van groot aantal ondernemingen, dus tot nog grotere werkloosheid en armoede.[13] De ‘economische groei’ die dan in deze omstandigheden tot stand komt, is in essentie kunstmatig, want afhankelijk van de beschikbare hoeveel kortlopend kapitaal. ‘Open economieën’ die overgeleverd zijn aan de genade van de gedereguleerde kapitaalmarkten, maken weinig kans op stabiliteit. Economische groei wordt hierdoor quasi onmogelijk. Adelman en Yeldan noemen dit proces ‘het einde van de op ontwikkeling gerichte staat’.[14]

Zo werden eerst Mexico en Turkije in 1994 getroffen, de Zuidoost-Aziatische landen in 1997, daarna Rusland en Brazilië in 1998 en Argentinië in 2001. In al deze landen waren vóór de inzinking ogenschijnlijk weinig signalen die op een financiële crisis wezen, met als uitzondering dan Turkije dat reeds met begrotingsdeficiten en met tekorten op de lopende rekening te kampen had. Maar bij nader toezien wordt het duidelijk dat de speculatieve internationale kapitaalmarkt en de mechanismen van de wereldeconomie weinig ruimte overlaten voor een stabiele en reële economische groei in de (semi-)periferie. Deze invalshoek biedt een analytisch kader om de spiraal van inkrimping en financiële crisissen waarin de Turkse economie zich sinds 1989 bevindt, empirisch te bestuderen.
 



Concurrentievermogen

In de periode van 1989-1993 steeg de inflatie met 60 procent en doordat de koersdaling van de lira met 50 procent achter bleef op de inflatie, was de lira dus overgewaardeerd. De hoge inflatie verhoogde de productiekosten van de binnenlandse goederen, waardoor de Turkse exportproducten op de buitenlandse markten duurder werden. Dit holde het concurrentievermogen uit, terwijl de importgoederen ten opzichte van de eigen producten op de binnenlandse markt goedkoper werden. Hierdoor werden de Turkse producten steeds meer van de binnenlandse markt verdrongen. Het is duidelijk dat het onstabiele en ‘vrije wisselkoersbeleid’, dat zich had overgeleverd aan het mechanisme van vraag en aanbod, de investeringen in de exportgerichte sectoren ontmoedigde. Na de financiële liberalisering daalde de export van 12,8 procent in 1988 naar 9,1 procent in 1993 en viel de export van de industriesector van 14 procent terug naar 5,1 procent. In 1999 was de export met 5,5 procent gekrompen. Dat bewijst dat de productiesector veel van zijn exportgerichtheid had verloren.

Als de toevloed van kortlopend kapitaal sterk toeneemt, dan neemt ook de invoer van consumptiegoederen toe. Deze consumptiegoederen worden echter ook in Turkije geproduceerd of het zijn er die niet levensnoodzakelijk zijn (zoals auto’s). De gevolgen hiervan zijn tweeërlei: zo wordt de eigen industrie zwaar getroffen en het inkomen dat anders benut had kunnen worden voor investeringen in vast kapitaal, gaat verloren aan consumptie van importgoederen. Dit zijn de resultaten van een gedereguleerde buitenlandse handelspolitiek die de op de export gerichte productiesector niet met subsidies ondersteunt en die het binnenkomende kapitaal niet naar investeringen op de lange termijn in de productieve sector dirigeert. Het eindresultaat is dan een tekort op de lopende rekeningen, groeiende tekorten op de handelsbalans en een drastische verslechtering van de fiscale balans. Ieder jaar waarin de invoer steeg, nam het aandeel van de consumptiegoederen sneller toe dan dat van de overige importen. Tijdens de jaren waarin de totale invoer daalde, lag de invoer van consumptiegoederen lager dan van de overige ingevoerde goederen. Zo steeg tussen 1999 en 2000 de invoer van auto’s met 93,6 procent, van benzine met 89 procent en van de onbewerkte voedingsmiddelen met 42 procent. De invoerexplosie van auto’s, duurzame goederen en levensmiddelen had negatieve repercussies op de productie, de tewerkstelling en de investeringen in dezelfde sectoren. Dit betekent dat het streven naar het creëren van exportoverschotten door het laag houden van de reële lonen tot het wegstromen van een surplus naar het buitenland moet leiden, als men de positie van Turkije in de internationale arbeidsdeling niet wil veranderen.

Belangrijk is te weten dat de accumulatie in een niet-productieve sector als het bankwezen gericht is op de realisatie van speculatieve winsten. Uit gegevens verstrekt door de 500 Grote Industriële Ondernemingen (opgemaakt door de Kamer voor Industrie van İstanbul) kan men  de opbrengsten uit de niet-productieve activiteiten berekenen. Wat hier opvalt is de stijging van het aandeel van de niet-productieve activiteiten in de jaren negentig. Deze opbrengsten hebben duidelijk die welke afkomstig zijn uit de productie verdrongen. De speculatieve kapitaalaccumulatie nam jaarlijks met gemiddeld 18,7 procent toe. In verhouding tot de opbrengsten uit de productieve sector waren de speculatieve opbrengsten in 1998 tot 87,7 procent gestegen en ze maakten in 1999 zelfs een sprong naar 219 procent! De opbrengsten uit de productie daalden echter van 1.872 miljard lira in 1998 naar 1.077 miljard lira in 1999, wat een terugval met 42,5 procent betekende. De bourgeoisie kon dus de rentabiliteit van haar kapitaal dat in omloop was, handhaven door het maken van speculatieve winsten. Die laatste zijn in dezelfde periode met 43,5 procent gestegen. De slachtoffers van deze accumulatiestrategie waren uiteraard de werknemers.
 



De crisis

De ‘goudmijn van het op de import van kortlopend kapitaal gerichte groeipatroon’ stortte door de financiële crisis van 1994 in elkaar. Deze crisis werd gevolgd door die van 1998-1999 en recentelijk door die van november 2000 en februari 2001. De groeikansen van de economie zijn hierdoor ondermijnd, want de economische activiteiten zijn nu geconcentreerd op de speculatieve winsten in de financiële sfeer. Het productievolume en het concurrentievermogen gaan inderdaad achteruit, de investeringen worden van de productie losgekoppeld, de inkomensongelijkheid verbreedt bij elke crisis en werkloosheid, armoede, sociale spanningen nemen toe. Kortom, de financiële fase van het kapitalisme, waarin het op snelle winst beluste kapitaal elke kans aangrijpt om een land tot op het merg uit te zuigen, zorgt ervoor dat de semi-perifere en perifere economieën met de grond gelijk worden gemaakt.

Zo barstte de crisis van 1994 uit toen de overheid lagere rentevoeten wilde opleggen en de lira devalueerde. Direct hierop verlaagden Moody’s en Poors, twee Amerikaanse bureaus, tot tweemaal toe de ‘kredietwaardigheid’ van Turkije. Ze merkten daarbij op dat het land ‘riskant’ was. Een devaluatie betekent immers verlies voor het speculatieve kapitaal. Het resultaat was dan ook in vele opzichten desastreus. De investeerders trokken hun kapitaal in paniek terug. De kapitaalvlucht bedroeg 5 miljard dollar of ongeveer 5 procent van het BNP.[15] Het invoervolume steeg met 25 procent (dit betekent dat de binnenlandse consumptie toen groter was dan de productie), het BBP en de productiecapaciteit krompen respectievelijk met 5,5 procent en 7,6 procent, de investeringen in de publieke sector daalden met 44,6 procent en in de private sector met 9,6 procent, terwijl de inflatie naar 106 procent steeg. De financiële crisis van 1994 had in dat opzicht een uiterst  gewelddadig impact op economie en samenleving.

Ook de crisis van 1998 vertoonde een gelijkaardige ommekeer in de kapitaalbewegingen. Zo was er in 1998 een kapitaalvlucht van 417 miljoen dollar. Hoewel een muntcrisis kon worden voorkomen, gingen er toch de facto acht banken failliet. De verliezen en schulden van deze banken werden overgenomen door de staat. De binnenlandse verplichtingen van deze banken (ongeveer 4,5 procent van het BNP) kwamen ten laste van de Schatkist (arbeiders en andere loonverdieners).[16]

De crisis van februari 2001 vertoonde een gelijkaardige trend. Door de toevloed van 8 miljard dollar aan buitenlands kortlopend kapitaal geraakte de lira met ongeveer 15 procent overgewaardeerd. Daardoor groeide het invoervolume, terwijl de uitvoer achteruitging. Er ontstond een tekort van 19 miljard dollar op de handelsbalans. Het buitenlandse kapitaal werd bevangen door angst en trok zich in paniek terug. Het resultaat was dat de economie met 6 procent kromp. In 2000 bedroeg het BNP 202 miljard dollar. In 2001 was dat verminderd tot 150 miljard dollar, wat een verlies van 52 miljard dollar betekent. Het inkomen per capita viel van 3.000 dollar terug op 2.300 dollar. Het ‘hulppakket’ van het IMF en de Wereldbank bedroeg 22,4 miljard dollar, wat een extra aangroei van de buitenlandse schuld betekende. Samen met het verlies van 52 miljard dollar werd de schade zo in totaal op 74,4 miljard dollar geraamd. Daarnaast schoot de rentevoet van 65 procent naar 120 procent, waardoor de binnenlandse schuld naar 45 miljard dollar klom. De totale schade bedroeg dus 120 miljard dollar ofwel 80 procent van het BNP, wat per capita een last van 1.800 dollar betekent.[17] De inzinking had ook repercussies op de tewerkstelling. In 2000 waren er 20.182.000 werkenden, na de crisis van februari 2001 waren er nog maar 19.222.000. Bijna één miljoen mensen hadden hun baan verloren. De zogenaamde kaderleden waren daarbij zwaar getroffen: het aantal werkzoekenden in deze groep steeg met 60 procent. Ook de dienstensector werd getroffen (bankwezen, telecommunicatie en media). Alleen al in de mediasector vielen 5.000 banen weg en in het bankwezen werden 50.000 mensen ontslagen, plus nog eens 240.000 mensen in de productiesector, 312.000 mensen in de bouwsector en 287.000 in de handelssector. Kortom, een economie die jaarlijks zorgde voor een inkomen van 200 miljard dollar, is door de vlucht van het naar winst zoekende ‘flitskapitaal’ in elkaar gestuikt, met als gevolg een sociale en politieke puinhoop met veel menselijke leed.
 



Besluit

De dynamiek van de huidige financiële fase van de wereldeconomie biedt dus weinig gunstige perspectieven voor de groeikansen van de semi-perifere en perifere economieën. De wereldhandel in goederen en diensten wordt steeds meer beheerst door strategische marketing, spreiding van de technologische investeringen en door de ongelijkmatige bewegingen in de kapitaalstromen. Zo staan de MNO’s in voor tweederde van de wereldhandel. Eenderde van de wereldhandel bestaat uit interne handel binnen de multinationale ondernemingen en eenderde gebeurt tussen de MNO’s onderling. Het resterende eenderde van de handelsbewegingen voltrekt zich tussen de landen. Enkel de kernlanden met hun sterkere handelspositie kunnen hieruit hun voordeel halen. Dit betekent dat de wereldeconomie alsmaar meer door een groeiend netwerk van MNO’s, door de financiële wereld en door de kapitalistische kernlanden wordt gedomineerd. Binnen deze machtsconstellatie met een ongelijke arbeidsdeling en ruilverhoudingen worden het concurrentievermogen en de groeikansen van een semi-perifeer land als Turkije gefnuikt. Turkije is immers een land met lage lonen, een laagtechnologische economie en een arbeidsintensieve productie. Bovendien wordt Turkijes surplus afgeroomd door het internationale kapitaal (internationale banken, speculanten, beleggingsfondsen) en de MNO’s. Maar ook de eigen ‘comprador’ bourgeoisie pikt een graantje mee. Elke politieke economie die de positie van Turkije in de internationale arbeidsdeling niet wil veranderen en het kapitalisme niet in vraag stelt, zal dan ook het land in een ondergeschikte en afhankelijke positie in de kapitalistische wereldeconomie houden.  

___________________________




EINDNOTEN:

[1] I. Wallerstein, De Europese wereldeconomie in de zestiende eeuw. Het Modern Wereldsysteem, Nieuwkoop: Heureka, 1978, blz. 216.

[2] Volgens Wallerstein kan men de semi-perifere staten herkennen aan de volgende criteria:

(a) “the degree to which there is an overall fairly even mix of core like and peripheral economic activities lying within the state boundaries (that is, the state tends to lie at end-points of some commodity chains and beginning points of others);

(b) the degree to which on dimensions of coreness/peripherality a given state falls in a middle grouping;

(c) distinctive specialized economic tasks of the world-economy, whose nature changes from epoch to epoch;

(d) the degree to which, in political, military, and economic terms, the state plays a dominant role in a region;

(e) the pattern of distribution between exports-imports and production for the home market, many semiperipheral states showing disproportionate numbers of commodity chains largely located within their frontiers.” T. K. Hopkins en I. Wallerstein, ‘Capitalism and the incorporation of new zones into the world-economy’, in Review , jg. 10 nr. 5/6, 1987, blz. 774.

[3] I. Wallerstein, Historisch Kapitalisme, Weesp: Heureka, 1984, blz. 35

[4] P. Saey, [z. t.], paper bij de lessen van WSA, 2002, blz. 2.

[5] I. Wallerstein, Historisch Kapitalisme, 1984, blz. 47.

[6] Marx zag de functie van de middenklasse in een kapitalistische maatschappij als volgt: “(…) the continual increase of the middle classes, (…) situated midway between the workers on one side and the capitalist and landowners, on the other. These middle classes rest with all their weight upon the working class and at the same time increase the social security and power of the upper class.” T. B. Bottomore en M. Rubel, Karl Marx: Selected Writings in Sociology and Philosophy, Londen: Watts and Co., 1956, blz. 190-191.

[7] Zie uitgebreid voor de manier waarop de semi-periferie verschilt van kern en periferie: I. Wallerstein, ‘Dependence in an interdependent world: the limited possibilities of transformation within the capitalist world-economy’, in: The Capitalist World-Economy, Cambridge: Cambridge University Press, 1979, blz. 66-94.

[8] Tenzij anders vermeld, komen de cijfers en analyse in dit deel uit H. Kaçar, Het Osmaanse rijk en Turkije in het wereld-systeem. Een wereld-systeem analytische benadering van de sociaal-economische geschiedenis, 1300-2002, ongepubliceerde licentiaatsverhandeling, RUG, 2002.

[9] M. Sönmez, ‘Türkiye’de gelir eşitsizliği’ (De inkomensongelijkheid in Turkije), in: Özgür Üniversite Forumu, nr. 14, april-juni 2001, blz. 65-67.

[10] E. Yeldan Küreselleşme sürecinde Türkiye Ekonomisi: Bölüşüm, birikim ve büyüme (Turkije in het proces van globalisering: herverdeling, accumulatie en groei), İstanbul: İletişim, 2001, blz.129.

[11] Zie voor een gedetailleerde bespreking van de veranderingen die de Turkse economie na de liberalisering van de financiële sector onderging: N. Ekinci, ‘Türkiye ekonomisinin büyüme ve kriz dinamikleri’(De dynamiek van groei en crisis van de Turkse economie), in: Toplum ve Bilim, nr. 77, 1998, blz. 7-27; N. Yetürk, ‘Short term capital inflows and their impact on macroeconomic structure: Turkey in the 1990’s’, in: The Developing Economies , 37(1), 1999, blz. 89-113; E. Balkan en E. Yeldan, ‘Financial liberalization in developing countries: The Turkish experience’, in: R. Medhora en J. Fanelli (red.), Financial Liberalization in Developing Countries, London en New York: Macmillan Press, 1998; K. Boratav en E. Yeldan, ‘Turkey, 1980-2000: Financial liberalization, macroeconomic (in)stability and patterns of distribution’, University of Ankara, Working Paper, mei 2001; en E. Yeldan, Küreselleşme, a. w., 2001, blz. 127-158.

[12] K. Boratav en Yeldan, ‘Turkey, 1980-2000’, a. w., 2001, blz. 10-12.

[13] Z. Öniş en A.F. Aysan, ‘Neoliberal globalization, the nation-state and financial crises in the semi-periphery: a comparative analysis’, in: Third World Quarterly , 21(1), 2000, blz. 133-135; E. Yeldan, a. w., 2001, blz. 52-54.

[14] K. Boratav, E. Yeldan en A. Köse, ‘Globalization, Distribution and Social Policy in Turkey, 1980-1998’, CEPA and The School for Social Research, Working Paper Series, nr. 20, February 2000,blz.23; Z. Öniş en A. F. Aysan, a. w., 2000, blz. 136-139; I. Adelman en E. Yeldan, ‘The end of the developmental state’, in: Structural Change and Economic Dynamics, September 2000.

[15] N. Ekinci, Türkiye Ekonomisinin…, 1998, blz.22.

[16] K. Boratav, E. Yeldan en A. Köse, a. w., 2000, blz. 8.

[17] De cijfers voor 2001 zijn gebaseerd op de gegevens van de ministerie van Financiën en van de Schatkist van Turkije.

Gepubliceerd in het Vlaams Marxistisch Tijdschrift, maart 2003, 37ste jg., nummer 1, pp. 56-68.

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Web master Update: 11 december 2005