|
"Ten
onrechte denkt men ieder keer dat men het ergste doorstaan heeft.
Er
komt toch altijd weer iets onvoorstelbaars…"
Eric De Volder(uit:
Zwarte vogels in de bomen)
Moe getergd door de
aanhoudende sociaal-economische puinhoop heeft een deel van de Turkse
kiezers bij de verkiezingen van november 2002 met hooggespannen
verwachtingen zijn hoop gevestigd op de ‘moslimdemocratische’ AKP (Adalet
ve Kalkınma Partisi, Partij van Rechtvaardigheid en Vooruitgang). De
partij van Erdoğan (AKP) begon zijn verkiezingscampagne met een licht
anti-kapitalistisch discours, bekritiseerde de soberheidsrecepten van het
IMF en kanaliseerde zo het ressentiment. Maar naarmate de verkiezingsdag
naderde, trachtte Erdoğan het ‘vertrouwen’ van de financiële markten, het
IMF en de westerse politieke kringen te winnen. In de eerste fase van de
verkiezingscampagne verklaarde Erdoğan nog dat hij ‘over de buitenlandse
schuld opnieuw zou onderhandelen met het IMF’. Maar geleidelijk aan heeft
hij zijn houding sterk gemilderd en zegt nu dat de ‘afbetaling van de
schuld niet in het gedrang zal komen’. Hij is zelfs persoonlijk afgereisd
naar New York en Brussel om de angst van de internationale financiële
instellingen en de westerse politieke kringen weg te nemen en hij
verzekerde hen dat hij de spelregels van de ‘vrije’ markt niet zal
afwijzen. Zijn verkiezingszege werd dan ook warm onthaald.
We zien duidelijk
dat de AKP compromissen heeft afgesloten om aan de macht te kunnen komen,
zowel met de interne machtsblokken (de Turkse bourgeoisie, het leger en de
bureaucratische elite) als met die in het buitenland (internationale
instellingen van het kapitaal, westerse politieke kringen). De AKP die nu
aan de Turkse staat vorm en inhoud moet geven, handelt vanuit een
pragmatisch praktisch oogpunt en onder omstandigheden die ze noch gekozen,
noch begrepen heeft. Uit haar politieke discours blijkt dat ze geen besef
van de diepgang van de mechanismen van de kapitalistische wereldeconomie
heeft. Dit zowel omdat haar belangen samenvloeien met die van een deel van
de Turkse bourgeoisie, als omdat ze werkelijk geen inzicht heeft in de
realiteit van het kapitalisme en in de consequentie ervan voor Turkije. De
AKP vertrekt van een vaag discours dat zowel versluierend als op lange
termijn zichzelf ondermijnt. Ze belooft zonder de bewegingswetten van het
kapitalisme in vraag te stellen, binnen de perken van één natiestaat een
‘rechtvaardige welvaart’ tot stand te brengen. Dit is een kreupele
strategie aangezien een natiestaat in de dynamische, interdependente
wereld slechts over een zeer beperkte beslissingsruimte beschikt. De
vrijheid van handelen van een semi-perifere regering als Turkije is zeer
beperkt, wat het gevolg van zowel de interne machtsverhoudingen (b.v. het
leger) als van de externe afhankelijkheid is. Immers, het kapitalisme
functioneert niet in één staat maar binnen een wereldsysteem dat berust op
de structurele ongelijkheid tussen kapitaal en arbeid en tussen kern en
periferie.
Intussen ontdekt de
AKP ook dat ze om haar macht te kunnen behouden, gedwongen is om haar
politieke discours aan te passen en dat ze zich in haar machtsuitoefening
moet schikken naar de wensen van de heersende groepen in de
kapitalistische wereldeconomie. Op die manier zullen er ongetwijfeld
groeiende wanverhoudingen ontstaan tussen de beloftes van de AKP inzake
verbetering van de werk- en leefsituatie van de loontrekkers en de kleine
producenten en haar realisaties in het kader van het kapitalistische
wereldsysteem. Economische politiek bedrijven impliceert het maken van
keuzen. De keuzen van de AKP laten weinig ruimte voor de realisatie van
haar beloftes.
Turkije in het wereldsysteem
Om de huidige situatie
in Turkije te kunnen begrijpen moet men dan ook het vage politieke discours
en het korte termijn perspectief van een journalist overstijgen. Iets
begrijpen is betekenissen ontdekken in voorvallen en feiten en de verbanden
zien. Dit is niet evident, want de heersende groepen bedekken historisch
gegroeide en sociaal bepaalde verschijnselen met een mentale sluier van ‘normaliteit’,
‘evidentie’ en ‘universaliteit’. Zo geven de mainstream-media en de meeste 'intellectuelen’
vorm aan de heersende ideeën, waarden en overtuigingen. Al te vaak richten
de media zich zeer sterk op mediagenieke gebeurtenissen die de diepere
politieke, economische en sociale dimensies van een probleem ontkennen. Elke
dag krijgen we in de media de clichés van de gangbare mening, de ‘publieke
opinie’ en het voorgekauwde denken voorgeschoteld. Deze heersende mentale
structuur is taai en kleverig, tast iedereen aan en slaat vaak om in
verstarring en blindheid. Maar bovenal legitimeert ze de heersende opinies,
behoedt ze zichzelf voor subversieve ontmaskering en minimaliseert ze de
nood aan kritische en grondige analyse. Men moet daarom de aandacht
verleggen naar (a) hoe het kapitaal op wereldniveau en in Turkije wordt
geaccumuleerd, en welke rol de staat daarin speelt; (b) welke plaats Turkije
binnen de wereldwijde, kapitalistische arbeidsdeling inneemt; (c) de mate
waarin de productieprocessen in Turkije ingeschakeld, afhankelijk,
geïntegreerd zijn in de productieprocessen in andere zones; en (d) hoe al
deze processen de besluitvorming en het bestaan van de mensen in Turkije
bepalen. Een dergelijk structureel perspectief is mijns inziens nodig om het
onderscheid te kunnen maken tussen oppervlakteverschijnselen en diepere
betekenis van de gebeurtenissen, om de werkelijkheid te construeren en om
aan haar betekenissen te ontlokken.
Sinds de opname van
Turkije in de kapitalistische wereldeconomie is één ding zeker: hoe meer de
Osmaanse en later de Turkse staat de liberale recepten en principes als
leidraad voor ‘ontwikkeling’ overnam, des te groter werd de economische
catastrofe en de sociale ellende. De kapitalistische wereldeconomie
verkruimelt de economie en samenleving in de (semi-) periferie tot een ruïne,
waarin alleen enkele pieken van ‘ontwikkeling’ overeind blijven. Want, zoals
Wallerstein zegt, het kapitalisme is “gebaseerd op de voortdurende absorptie
van economische verliezen door politieke eenheden, terwijl economische winst
in particuliere handen overgaat.”[1]
Dit betekent dat de kapitalisten zich niet het hoofd breken over de
‘nationale economie’. Ze handelen in functie van hun winsten die ze desnoods
tegen de ‘nationale belangen’ in willen realiseren. Het kapitaal heeft
immers haar aspiraties nooit laten bepalen door de nationale grenzen. Het
heeft altijd al getracht maximale winst uit de ongelijke en onvrije
wereldmarkt te halen, waarbij de nationale regeringen veeleer als beschermer
en regelgever van de kapitaalaccumulatie optraden. Kortom, het kapitalisme
drijft op individualisering van de winsten en socialisering van de verliezen.
Beloften van
economische ontwikkeling, hoe overtuigend die ook mogen klinken, zijn geen
waarborg voor de realisatie ervan. De staat grijpt meestal in het economisch
leven in om zijn machtspositie te legitimeren en bijna nooit uit economische
overwegingen. Idealiter zou staatstussenkomst in de periferie gericht moeten
zijn op het stimuleren van de ontwikkeling van een stijgende productie van
goederen en diensten per capita van de bevolking. Maar getoetst aan de
praktijk van de kapitalistische wereldeconomie blijkt deze veronderstelling
een theoretische bewering te zijn. Ondanks alle ‘goede raad’ van de
internationale kapitalistische instellingen, verzinken de
ontwikkelingslanden dieper in hun onderontwikkeling. Er zijn twee nauw met
elkaar samenhangende processen werkzaam.
Het eerste proces is
de wijze waarop de diverse sociale formaties binnen een staat en samenleving
op de politieke besluitvorming invloed uitoefenen. Twee vragen dringen zich
op: Hoe komen politieke beslissingen tot stand? Op welk manier worden ze
uitgevoerd? Eerst en vooral moet men een liberale mythe uit de wereld helpen.
In tegenstelling tot wat de liberale ideologen beweren, wordt de politieke
besluitvorming niet bepaald door abstract rationeel gedrag. Sinds men alles
in het teken van de kapitaalaccumulatie begon te plaatsen, wordt
rationaliteit met eigenbelang verward en herleid tot kortzichtig nastreven
van winst. Wie de geschiedenis kent, weet dat politieke beslissingen de
neerslag van de strijd voor concrete belangen tussen de verschillende
klassen zijn. Daarbij wordt de reële ongelijkheid in de productiesfeer
versluierd en in stand gehouden via de formele gelijkheid in de wetten. De
staat tracht om zijn gezag te doen aanvaarden voor sociale cohesie te zorgen
en is daarvoor afhankelijk van de instemming van de overheerste klassen. Om
die instemming te verkrijgen doet de staat zich voor als een onpartijdige,
regulerende actor en voert ze een politiek van compromissen. De staat is dus
de neerslag van de sociale relaties tussen mensen en van een manier waarop
mensen zich tot elkaar verhouden. Deze toestand wordt gewijzigd door andere
relaties aan te gaan. Maar pas wanneer de overheerste klassen (b.v. de
arbeidersklasse) hun belangen kunnen vertalen in een ideologische en
organisatorische tegenmacht, dan kan binnen deze compromispolitiek ruimte
ontstaan voor wijzigingen in de manier waarop de heersende groepen de
sociale relaties regelen. Pas dan wordt de heersende klasse (zoals de
kapitalisten en de bureaucratische elite) gedwongen om aan de eisen van de
overheerste klassen voor bij voorbeeld meer inspraak- en
beslissingsmogelijkheden tegemoet te komen. Daarbij worden de overheerste
klassen die aanvankelijk als bedreigend voor het kapitalisme worden gezien,
‘onschadelijk’ gemaakt door hen als een onderdeel van de gevestigde orde in
te schakelen, om zo de heersende posities binnen de bestaande
staatsstructuur en het kapitalistisch systeem niet te verliezen en om aldus
de status-quo in een gewijzigde vorm te kunnen reproduceren. Dit is de
aloude Lampedusa-strategie: veranderen om eigenlijk niets te veranderen.
Wijzigingen in de
politieke structuur hebben het reële inkomen van veel mensen opgetrokken en
de kwaliteit van hun bestaan gedeeltelijk ook verbeterd. Maar dit gebeurde
ten koste van de ondermijning van het inkomen en de bestaanskwaliteit van
nog meer mensen (elders in de wereld). Door de uitbuiting en ongelijkheid te
verzachten en te verhullen, heeft men de kapitaalaccumulatie en de
imperatieven van het kapitalisme ongeschonden kunnen behouden en
reproduceren. De impulsen voor ‘verandering’ en besluitvorming liggen dus in
de spanning tussen de tegengestelde belangen en binnen de complexe
machtsverhoudingen.
Zo hangt de manier
waarop in Turkije de besluitvorming tot stand komt en besluiten worden
uitgevoerd in belangrijke mate af van de machtsverhouding tussen enerzijds
het leger en de bureaucratische elite en anderzijds de bourgeoisie. De
bourgeoisie wil ‘gunstige’ omstandigheden creëren voor onbeperkte
kapitaalaccumulatie. Het leger en de bureaucratische elite komen aan deze
vraag tegemoet zolang ze hun machtsposities kunnen handhaven. De kracht van
deze spelers is ook gerelateerd aan de mate waarin deze spelers via
belangenallianties met groepen en organisaties elders op wereldniveau kunnen
opereren. Het spreekt voor zich dat binnen deze machtsconstellatie de
vakbonden en de organisaties gericht op emancipatie en gelijkheid in een
zeer zwakke positie verkeren.
Ten tweede wordt op
het niveau van de wereldeconomie de politieke besluitvorming in een
semi-perifere staat[2]
als Turkije bepaald door de werking van het interstatensysteem[3].
Uit de analyses van Marx, Wallerstein, e.a. weten we dat het kapitalisme
historisch gezien een systeem is waarin de productie bedoeld is voor verkoop
op de wereldmarkt in de hoop een maximale kapitaalaccumulatie te behalen.
Deze productiewijze steunt op twee componenten. Vooreerst bestaat er een
geografische arbeidsdeling tussen kern, semi-periferie en periferie. De
economische taken zijn over de verschillende ruimtelijke gebieden
ongelijkmatig verdeeld, waardoor de kern het grootste deel van de op de
wereldmarkt geproduceerde meerwaarde kan afromen. Zo beschikken landen in de
kern over belangrijke concentraties van bedrijven en markten met een
internationale sturing en macht. Daarentegen zijn in de periferie veel
minder ‘internationale’ actoren die over het vermogen tot internationale
sturing, coördinatie en macht beschikken. De structurele ongelijkheid van de
kapitalistische wereldeconomie berust dus op de geografische
machtsconcentratie bij de actoren in de kerngebieden. De geografisch
bepaalde arbeidsdeling reproduceert zich zo op een ruimtelijk schaalniveau,
waarin de machtsverdeling tussen kern en periferie ongelijk is, met de ene
sterker (welvarender) en de andere zwakker (onderontwikkeld).[4]
Dit is ‘de ontwikkeling van de onderontwikkeling’, zoals André G. Frank het
uitdrukte. Ten tweede is kapitaalaccumulatie enkel mogelijk door een
voortdurend veranderende maatschappelijke arbeidsdeling. Maar het cruciale
onderscheid tussen kapitalisten en niet-kapitalisten blijft zonder meer
bestaan: met name dat tussen de klasse die de productiemiddelen bezit en de
andere aan wie de toegang tot de productiemiddelen ontzegd wordt en die
daardoor gedwongen wordt haar arbeid in ruil voor loon te verkopen.
Dit geheel is ingebed
in de machtshiërarchie tussen de zogenaamd ‘soevereine’ staten in het
interstatensysteem. In tegenstelling tot de liberale mythe zijn de
kapitalistische staten nooit volledig soevereine of onafhankelijke
structuren geweest. Ze werden gevormd als integrale delen van een
interstatensysteem dat opgebouwd is uit een verzameling van regels
waarbinnen de staten opereren, en uit een geheel van legitimaties die de
overleving van de staten verzekeren. De regels van dit systeem worden
gehandhaafd door de wil en het vermogen van de sterkere staten om deze
beperkingen in de eerste plaats aan de zwakkere staten en in de tweede
plaats aan elkaar op te leggen.[5]
Vandaag zien we dit gebeuren via supranationale instellingen als VN, WTO,
NAFTA, EU, IMF, G8, enz. Het uitgangspunt is hier de intrinsieke relatie
tussen de kapitaalaccumulatie en de politieke structuren die de vorm van een
interstatensysteem aannemen. Zo reguleert en waarborgt deze relatie de
ongestoorde stroom van kapitaal, goederen, diensten en informatie over de
staatsgrenzen heen. Dit betekent dat het politieke gezag in de (semi-)periferie
voldoende sterk moet zijn om de spelregels van het kapitalisme op te kunnen
leggen. Maar het politiek systeem mag ook weer niet zó sterk zijn dat het de
bevoordeelde positie van de kernstaten kan bedreigen doordat het de stromen
van kapitaal, goederen en diensten in gedrang brengt. Binnen deze ongelijke
machtsverhoudingen worden de semi-perifere gebieden vertegenwoordigd door
kernregio’s in verval en door perifere zones die hun positie binnen het
wereldsysteem trachten te verbeteren. Ze fungeren – dit naar analogie met de
middenklasse[6]
– als een buffer tussen de kern en de periferie. Binnen de machtshiërarchie
in het interstatensysteem nemen zij een middenpositie in, met onderaan de
zwakke staten van de periferie en bovenaan de sterke staten van de kern.
Door deze ongelijke posities kan de kern de semi-periferie en de periferie
uitbuiten en kan de semi-periferie op haar beurt weer de periferie uitbuiten.
Zo verzacht de semi-periferie de tegenstellingen tussen kern en periferie en
voorkomt ze dat het systeem in elkaar stort. In dat opzicht vervullen de
staatsstructuren een sleutelrol die de ongelijke ruil van kapitaal, goederen
en arbeid binnen de kapitalistische wereldeconomie in stand helpt houden.[7]
Kortom, de manier waarop tussen kern en (semi-)periferie de concrete
belangenstrijd geregeld of uitgevochten wordt, bepaalt ook hoe het met de
relatie economie-samenleving-staat in Turkije is gesteld. Uiteraard zijn het
vooral de belangen van de heersende groepen in Turkije – waar economische en
politieke macht samenvallen – die de aard van die relatie bepalen en die in
de beleidsbeslissingen vertaald worden. Wie empirische bewijzen voor deze
stellingen wil zien, moet maar eens kijken naar de geschiedenis van Turkije
van de laatste twintig jaar.[8]
Een semi-perifeer land
Na de militaire
staatsgreep van 1980 werd Turkije als semi-perifere economie met haar
laagtechnologische en arbeidsintensieve productie gebaseerd op lage lonen
sterker in de wereldeconomie geïntegreerd. De vanaf 1977 in een financiële
crisis terechtgekomen strategie van importsubstitutie werd in 1980 tegelijk
met de liberalisering van de economie beëindigd. Deze integratie in de
wereldeconomie was gericht op de opheffing van alle controles en beperkingen
op het verkeer van goederen, diensten en kapitaal. De staat greep toen in de
maatschappelijke verhoudingen in en maakte een grotere surplusoverdracht
naar de ‘nationale bourgeoisie’ mogelijk. Dit is een prachtig voorbeeld van
het feit dat ondanks alle neoliberale retoriek er in werkelijkheid geen
intrinsiek verband tussen ‘vrije’ markt en democratie bestaat. De
schokbehandeling die de militairen aan economie en samenleving oplegden, was
gebaseerd op het door het IMF geëiste economisch herstructureringspakket dat
als voorwaarde diende voor het verkrijgen van kredieten. Zoals vele landen
werd Turkije ook afhankelijk van de bereidheid van de rijke kernlanden om
leningen te verstrekken. Die leningen waren aan de voorwaarde onderworpen
dat een aan de internationale instellingen van het kapitaal welgevallig
neoliberaal beleid werd gevoerd.
De geschiedenis van de
herstructurering van de Turkse economie kan in twee fasen worden ingedeeld:
de periode 1981-1988 en de periode 1989-2002. De eerste periode wordt
gekenmerkt door de promotie van de export met behulp van zware subsidies,
waarbij de invoerrechten op grondstoffen en onderdelen bestemd voor de op de
export gerichte industrieën werden afgeschaft. De liberalisatie van de
binnenlandse financiële markt was een bijkomende doelstelling van het ‘stabilisatiepakket’.
Dat had in 1989 wel als ingrijpende consequentie de volledige integratie in
de wereldkapitaalmarkt. De beperkingen ten aanzien van de rentestanden
werden in 1981 opgeheven. In 1984 werden de aan- en verkoop van deviezen
geliberaliseerd, de banken mochten voortaan deposito’s in vreemde valuta
aanvaarden en ze mochten wisselkoerstransacties verrichten. Faciliteiten
voor een interbanken geldmarkt voor kortlopend kapitaal werden ingevoerd. In
1987 diversifieerde de Centrale Bank haar monetaire instrumenten door
operaties op de open markt te starten. Om de kapitaalmarkt te reguleren werd
een ‘Raad van de Kapitaalmarkt’ opgericht en werd de aandelenbeurs van
İstanbul heropend.
Integratie in de wereldmarkt
In de periode
1981-1988 werd de integratie in de wereldmarkt vooral via de liberalisatie
van de handel verkregen, waarna de op de export gerichte productiebedrijven
en handelsfirma’s rendabel werden. De meest ingrijpende verandering was de
scherpe uitholling van de koopkracht van de lonen als gevolg van de
beperkingen aan de vakbonden opgelegd. De lasten van de neoliberale
economische politiek kwamen op de schouders van de arbeiders en ambtenaren
terecht omdat ze afhankelijk waren van een vast inkomen. De vermindering van
de arbeidskosten had tot doel om de binnenlandse koopkracht en vraag te
verlagen ten einde aldus een surplus te scheppen dat geëxporteerd kon worden.
Het aandeel van de loonarbeid in de toegevoegde waarde van de private
productiesector ging daardoor in 1987 achteruit van 27,5 naar 17 procent en
in de staatssector van 25 naar 13 procent. Daarnaast werden de belastingen
op het binnenlandse kapitaal drastisch verminderd ten einde een surplus voor
de industriële ondernemers te scheppen. Men hoopte dat dit surplus door de
ondernemers ‘efficiënt’ zou worden aangewend. Voorts stegen de winstmarges
in de productiesector van 31 naar 38 procent.
Dit klassieke op de
export gerichte accumulatiemodel dat de lonen verminderde om de winstmarges
te doen stijgen en dat ondersteund werd door exportsubsidies en
belastingvoordelen, was heel even ‘succesvol’. In de jaren tachtig steeg de
export jaarlijks met gemiddeld 15 procent en het BBP nam met 5,4 procent per
jaar toe. Ondanks deze rooskleurige ontwikkelingen was er evenwel geen
sprake van een aanhoudende groei van de vaste kapitaalvoorraad. De strategie
van ‘ontwikkeling via particulier ondernemerschap in een vrije markt’ kon de
verwachtingen niet inlossen, daar de jaarlijkse groeicijfers slechts de
helft van die in de jaren zeventig bedroegen. De belastinginkomsten van de
schatkist verminderden als gevolg van de belastingvoordelen die aan het
industriële kapitaal toegekend werden. Het stijgende bevolkingsaantal deed
ook de vraag naar publieke voorzieningen stijgen, waardoor de
begrotingstekorten bleven groeien. Door de verkleining van de staatssector
krompen de investeringen in de staatsondernemingen met 11,2 procent. De
investeringen in de private productiesector stegen in de periode van
1981-1982 met slechts 4,8 procent en tussen 1983 en 1988 met 7,7 procent. De
totale netto investeringen in de productiesector gingen bijgevolg in de
periode van 1977-1980 met 9,4 procent en in 1981-1982 met 0,8 procent
achteruit. Tussen de hele periode van 1983-1987 bedroeg de groei slechts 3,7
procent. Dit betekende dat de Turkse economie in die periode wel
exportgericht was, maar dat het land niet industrialiseerde!
Er werden vooral in de
bouw en de speculatie enorme fortuinen verdiend. De grote winnaars in de
jaren tachtig waren de grote familieholdings. Sommige, als de Koç Holding of
de Eczacıbaşı groep, waren al in de jaren twintig ontstaan. Andere, zoals de
Sabancı Holding, waren in de jaren vijftig via de katoenhandel in Çukurova
stinkend rijk geworden. Een derde generatie van holdings kwam voort uit de
bouwbedrijven die in het begin van dit decennium hadden geprofiteerd van de
bouwexplosie in de Arabische olieproducerende landen. Bijna al deze
bedrijven zijn eigendom van één familie. Ze hebben de structuur van een
holding met eigen banken, verzekeringsmaatschappijen, handelsfirma’s,
productiebedrijven en commerciële televisie- en radiostations. Via deze
‘comprador-bourgeoisie’ als partner konden de buitenlandse MNO’s de Turkse
markten gemakkelijker penetreren. De familieholdings kregen de productie van
goederen onder licentie (Siemens, Sony, Mercedes, Philips, enz.) in hun
greep. In de winkels was het verschil met de tijd van de importsubstitutie
duidelijk zichtbaar geworden: de nieuwste Amerikaanse, Japanse en Europese
snufjes waren overal verkrijgbaar, want luxe-artikelen werden zonder enige
beperkingen ingevoerd. De consumenten hiervan waren de nieuwe rijken (welgestelde
managers en ondernemers) en de middenklasse. De koopkracht van deze laatste
werd wel uitgehold, maar door de uitbreiding van faciliteiten als huurkoop
en afbetalingsregelingen werd zij tot consumptie aangemoedigd.[9]
Exportgerichte groei
De Turkse economie is
in de jaren 1980-1988 in de ban van een exportgerichte liberalisering van de
handel gekomen. Deze periode wordt ook gekenmerkt door stagnerende
investeringen, hoge fiscale kosten als gevolg van de exportsubsidies en een
oligopolistische bank- en industriesector. De lage groei van de
investeringen veroorzaakt een onevenwichtige economische ontwikkeling met
lage groeicijfers. De kosten van de exportsubsidies en de financiële lasten
van de buitenlandse schulden beginnen steeds meer op de overheidsbegroting
te drukken. Door de toenemende informalisering van de economie en de
aanhoudende belastingontduiking nemen de tekorten van de overheid toe en ze
worden alsmaar meer met buitenlandse leningen gefinancierd. De omvang van de
buitenlandse schulden stijgt hierdoor van 14,5 procent in 1980 naar 44,8
procent in 1988.
De toegenomen
buitenlandse schuld, waardoor ook de kosten van de afbetalingen stijgen,
stagnerende investeringen en inflatie zijn de directe oorzaken van de
economische onevenwichten. Daarbij bereikt de zwaar gesubsidieerde
exportgerichte industrialisatie niet haar doel, omdat de investeerders zich
uit deze sector terugtrekken. De kunstmatige exportgerichte groeistrategie,
die verkregen was door te snoeien in de lonen en door het toekennen van
subsidies, geraakt rond 1988 dan ook buiten adem, want ze had haar eigen
grenzen bereikt. Bijna alle macro-economische indicatoren van 1988 wijzen op
een stagnerende economie. De groei van het BBP valt in 1988 terug tot 2,1
procent, wat wijst op een recessie. De inflatie maakt een sprong naar 68,8
procent. De groei van de productie valt terug tot 1,6 procent en de reële
lonen in de productieve sector dalen met 7,1 procent.
De jaren 1988-1989
vormden aldus in vele opzichten een keerpunt in de economie. Landbouw en
veeteelt hadden weinig aandacht gekregen en de overheid had in 1981 in het
kader van het herstructureringspakket zelfs de landbouwsubsidies afgeschaft.
Tegelijk was de koopkracht van een groot deel van de bevolking, met name van
de middengroepen, ambtenaren, leraren, arbeiders en kleine ondernemers,
afgenomen. Het ‘klassieke’ accumulatieproces dat gebaseerd is op een
vermindering van de loonkosten had zichzelf uitgeput en kon daardoor niet
langer meer worden volgehouden. Desondanks bleef de overheid de privé-sector
met fluwelen handschoenen aanpakken en liet ze haar winsten onaangetast. De
overheid hoopte via de liberalisatie van de kapitaalrekening uit de impasse
te geraken. Dit begon met het invoeren in 1989 van de volledige
convertibiliteit van de lira. Door de liberalisatie van kapitaalbewegingen
hoopte men buitenlands kapitaal aan te trekken om zo de begrotingstekorten
aan te zuiveren en de economie draaiende te houden. Zo begon de meest
destructieve fase van de neoliberale herstructurering van de Turkse economie.
De desastreuze jaren
tussen 1989 en 2002 worden gekenmerkt door een deregulering van de
binnenlandse financiële markten en een volledige integratie van Turkije in
de internationale kapitaalmarkt. Door de verslechterde economische
omstandigheden in de jaren 1988/89 had de overheid de economische groei
trachten te herstellen door de instroom van kortlopend kapitaal vrij te
laten, echter zonder hierbij rekening te houden met de ermee gepaard gaande
groei van de schuldenlast. De regering hoopte, evenals in de andere
crisislanden, te profiteren van de veranderingen in de internationale
kapitaalmarkt. De instroom van buitenlands kapitaal werd beschouwd als een
zegen omdat men hoopte hierdoor de financieel moeilijke periode te
overbruggen. Men dacht zo fondsen aan te boren om de begrotingstekorten te
financieren. Om kapitaal naar Turkije te halen werden de buitenlandse
kapitaalverrichtingen geliberaliseerd. Daardoor werden de beperkingen en
controles op de internationale kapitaalbewegingen volledig opgeheven en werd
de binnenlandse financiële markt volledig opengesteld voor de speculatieve
bewegingen van het buitenlands kortlopend kapitaal. Zo werden ook de rente
en de wisselkoersen aan elkaar gekoppeld, waardoor de centrale bank niet
meer in staat was om die te controleren. Het enige middel om binnen deze
structuur de macro-financiële evenwichten te handhaven, was de binnenlandse
renteopbrengsten hoger te laten zijn dan de speculatieve opbrengsten uit de
deviezenhandel. Dit trok het buitenlands kortlopend kapitaal aan. Daarmee
kon men enerzijds de begrotingstekorten financieren en anderzijds de invoer
en de consumptie uitbreiden.
Deze neoliberale
economische beleidskeuzen van de Turkse overheid waren eigenlijk
geïnspireerd door het ‘monetarisme’ van het IMF. Dit monetarisme vormt de
basis van alle structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s). Volgens het
monetarisme van het IMF brengen de internationale kapitaalbewegingen, die
gevoelig zijn voor de wisselkoersen en rentevoeten (lees: snelle en maximale
winst), de betalingsbalans van een open economie in evenwicht. De expansie
van het geldaanbod wordt daarbij overgelaten aan marktmechanismen die ook
instaan voor het verlichten van de inflatiedruk. Het IMF ziet heil in een
onbeperkt kapitaalverkeer, waardoor een land volledig afhankelijk wordt van
de bewegingen op de gedereguleerde internationale kapitaalmarkt. Maar tot
nog toe hebben noch Turkije, noch een ander semi-perifere staat hiervan enig
voordeel ondervindt. Verwoestende financiële crisissen die Mexico, Turkije,
Zuidoost-Azië, Brazilië, Rusland en Argentinië als een orkaan hebben
getroffen, zijn echter overbekend. Het IMF heeft de semi-perifere landen via
de SAP’s in feite aangezet om met open sluizen te wachten op een
vernietigende vloedgolf van het op maximale winst beluste ‘flitskapitaal’.
Liberalisering
Alles wijst erop dat
de neoliberale jaren 1980-2002 de meest rendabele jaren voor het kapitaal
zijn geweest. Het overheidsingrijpen dat in dienst van de ‘nationale
bourgeoisie’ stond, en de liberalisering van de handel en de
kapitaalrekening hebben de verhoudingen tussen arbeid en kapitaal ten gunste
van het privé-kapitaal veranderd. De middelen die hiervoor werden toegepast,
zijn klassiek: een drastische devaluatie van de lira, een snelle stijging
van de rente, een uitholling van de koopkracht van de lonen om de
concurrentiepositie van de privé-bedrijven te vergroten, prijsstijgingen
door de afbouw van staatssubsidies, opheffing van de beperkingen op invoer
en uitvoer, privatisering van de staatsbedrijven en de liberalisering van de
financiële markten. Ook de relatieve machtspositie van de georganiseerde
arbeidersbeweging werd uitgehold. Dit gaf aan het privé-kapitaal de
mogelijkheid om de lonen zonder tegenstand te verminderen. En de overheid
bespaarde op haar beurt op de publieke en sociale voorzieningen.
Door de gebrekkige
belastinginning die niet in staat was de excessieve fortuinen van de
bourgeoisie te belasten, en door de fluctuerende groeicijfers moest de
overheid haar uitgaven met buitenlands kapitaal en kredieten financieren.
Hoewel men de toenemende overheidsuitgaven had kunnen financieren door
efficiënter belastingen te heffen op de groeiende winsten in de privé sector,
verkoos de overheid toch om alle lasten op zich – in laatste instantie was
dit de bevolking – te nemen en de kapitaalaccumulatie in de grote
ondernemingen onaangetast te laten. Zo stegen de winstmarges in de
particuliere sector van 33,5 procent in 1989 naar 47 procent in 1994. Dit
terwijl de leenbehoefte van de staat door het begrotingstekort steeds meer
toenam: in 1991 bedroeg het tekort 10 procent en in 1993 steeg het al naar
12 procent.[10]
Laat me de structurele
consequenties van de liberalisering van de kapitaalrekening op de Turkse
economie hier in het kort samenvatten. Er zijn vier overheersende tendensen
aanwijsbaar:
(1)
transformatie van het Turkse financiële systeem in een sterk gedereguleerde
financiële markt die de wisselkoers en rentevoet sterk destabiliseerde.
Hoewel dit bijdroeg in het begin van de jaren negentig tot een versnelde
groei, was deze heropleving van die aard dat de structurele kwetsbaarheid
van de economie eerder versluierd werd, dan dat ze die hielp te overbruggen;
(2)
de
kapitaalvlucht en het kapitaal dat opzij werd gezet om de officiële reserves
aan te vullen, zorgden ervoor dat de economische groei en de lopende
rekeningen en kapitaalbewegingen negatief correleerden;
(3)
de in-
en uitstroom van het ‘flitskapitaal’ begonnen een steeds groter aandeel in
de kapitaalbewegingen te krijgen en veroorzaakten aldus een toenemende
binnenlandse instabiliteit, terwijl de directe buitenlandse investeringen in
de productie in Turkije zeer marginaal bleven;
(4)
het
ontbreken van een doelgerichte industrialisatiepolitiek in combinatie met de
liberalisering van de invoer spijkerde de Turkse economie vast op
laagtechnologische en arbeidsintensieve productiemethoden en lage lonen. Dit
veroorzaakte spanningen op de betalingsbalans, waarbij het tekort op de
lopende rekening aangezuiverd werd door middel van een vermindering van de
economische groei en uitholling van de koopkracht van de lonen.[11]
Er bestaat een
belangrijk verschil in economisch patroon tussen beide periodes. In de jaren
tachtig was de economische groei in hoge mate onafhankelijk van het
kortlopende kapitaal. In de jaren negentig leidden de veranderingen in
structuur en richting van de kapitaalbewegingen eerst tot groeiversnelling
en daarna tot een financieel bankroet met groeicijfers die als een jojo op
en neer gingen. Hoewel deze exportgerichte groeistrategie uiteindelijk
uitliep op stagnatie (daling van de binnenlandse koopkracht) en uitputting (stilvallen
van de exportboom), was ze toch erg verschillend van de vicieuze
cirkel van groeiversnelling-bankroet-herstel die de Turkse economie in de
jaren negentig beheerste. Zo vertoont het laatste decennium van de
twintigste eeuw drie inzinkingen (1991, 1994 en 1998-1999), waarvan de
laatste twee in een financiële crisis zijn uitgemond, en drie groeispiralen
(1990, 1992-1993, 1995-1997). De onderliggende oorzaak van de crisissen werd
rechtstreeks beïnvloed door de op speculatie gerichte kapitaalbewegingen.
Het is overduidelijk dat de structurele kwetsbaarheid van de Turkse economie
het resultaat is van gedereguleerde en kortlopend kapitaalbewegingen die
elke reële groeiperspectieven hebben vernietigd.[12]
Kapitaalbewegingen
Laat me dit in het
kort toelichten. Door toevloed van buitenlands kapitaal ontstond in Turkije
een overvloedige voorraad van kortlopende deviezen. Dit leidde tot een
overwaardering van de eigen munt op de wisselmarkten. Deze bewegingen van
kortlopend kapitaal, het zogenaamde ‘flitskapitaal’, waren niet bedoeld om
de productiecapaciteit van de economie te verhogen. Ze wilden enkel van de
hoge reële interestvoeten op de binnenlandse markt profiteren om maximale
winsten te behalen. Door de overgewaardeerde wisselkoers en de koppeling van
de eigen munt aan de dollar om de inflatie te bestrijden, daalden de prijzen
van de importgoederen, ging het concurrentievermogen van de op de uitvoer
gerichte sectoren achteruit en namen de tekorten op de lopende rekening toe.
Daarnaast stegen de schulden in deviezen op de korte termijn snel en vond
een snelle expansie van het bankkrediet plaats. Daardoor nam de omvang van
de kredieten die de Turkse banken in het buitenland opnamen, fors toe: in
1999 bedroeg de kapitaalbeweging meer dan 120 miljard dollar. Of anders
gezegd: deze speculatieve geldmassa die aangezogen werd door de hoge reële
rentevoeten en de overgewaarde nationale munt, benaderde de waarde van het
BBP (de totale jaarlijkse productie van goederen en diensten). Dit betekende
niets anders dan dat de Turkse economie dusdanig door de speculatieve
bewegingen van het internationale kapitaal overspoeld werd, dat ook de
productie en de investeringen in de problemen moesten komen. In
tegenstelling tot de kernlanden is het vermogen van een semi-perifeer land
als Turkije om zich te beschermen tegen de schommelingen van de rentevoeten
en de valutakoersen, zeer beperkt. Zo was de Turkse centrale bank steeds
minder in staat om een autonome monetaire politiek en een rentebeleid te
voeren.
Om buitenlands
kapitaal te kunnen aantrekken, houden de centrale banken in de semi-perifere
landen de rentevoeten zeer hoog. Die hoge rentevoeten hebben een remmend
effect op de economische activiteiten. Deze toestand is al verschillende
keren onhoudbaar geweest. Zeker als de verhouding tussen de rente en de
wisselkoers als gevolg van devaluaties te sterk begint te schommelen, want
dan kiest het kapitaal ijlings het hazenpad. Dan raken de wisselkoersen in
een vrije val en slaat de ‘groei’ om in een financiële crisis. Om de
wisselkoersen te ondersteunen worden dan de rentevoeten nog verder
opgetrokken. Echter veelal zonder blijvend resultaat. Door de dalende
invoerprijzen stijgt immers de consumptie weer, waardoor de
productiesectoren in de kernlanden gouden zaken doen. De combinatie van een
hoge buitenlandse schulden met hoge rentevoeten leidt dan tot het
faillissement van groot aantal ondernemingen, dus tot nog grotere
werkloosheid en armoede.[13]
De ‘economische groei’ die dan in deze omstandigheden tot stand komt, is in
essentie kunstmatig, want afhankelijk van de beschikbare hoeveel kortlopend
kapitaal. ‘Open economieën’ die overgeleverd zijn aan de genade van de
gedereguleerde kapitaalmarkten, maken weinig kans op stabiliteit.
Economische groei wordt hierdoor quasi onmogelijk. Adelman en Yeldan noemen
dit proces ‘het einde van de op ontwikkeling gerichte staat’.[14]
Zo werden eerst Mexico
en Turkije in 1994 getroffen, de Zuidoost-Aziatische landen in 1997, daarna
Rusland en Brazilië in 1998 en Argentinië in 2001. In al deze landen waren
vóór de inzinking ogenschijnlijk weinig signalen die op een financiële
crisis wezen, met als uitzondering dan Turkije dat reeds met
begrotingsdeficiten en met tekorten op de lopende rekening te kampen had.
Maar bij nader toezien wordt het duidelijk dat de speculatieve
internationale kapitaalmarkt en de mechanismen van de wereldeconomie weinig
ruimte overlaten voor een stabiele en reële economische groei in de (semi-)periferie.
Deze invalshoek biedt een analytisch kader om de spiraal van inkrimping en
financiële crisissen waarin de Turkse economie zich sinds 1989 bevindt,
empirisch te bestuderen.
Concurrentievermogen
In de periode van
1989-1993 steeg de inflatie met 60 procent en doordat de koersdaling van de
lira met 50 procent achter bleef op de inflatie, was de lira dus
overgewaardeerd. De hoge inflatie verhoogde de productiekosten van de
binnenlandse goederen, waardoor de Turkse exportproducten op de buitenlandse
markten duurder werden. Dit holde het concurrentievermogen uit, terwijl de
importgoederen ten opzichte van de eigen producten op de binnenlandse markt
goedkoper werden. Hierdoor werden de Turkse producten steeds meer van de
binnenlandse markt verdrongen. Het is duidelijk dat het onstabiele en ‘vrije
wisselkoersbeleid’, dat zich had overgeleverd aan het mechanisme van vraag
en aanbod, de investeringen in de exportgerichte sectoren ontmoedigde. Na de
financiële liberalisering daalde de export van 12,8 procent in 1988 naar 9,1
procent in 1993 en viel de export van de industriesector van 14 procent
terug naar 5,1 procent. In 1999 was de export met 5,5 procent gekrompen. Dat
bewijst dat de productiesector veel van zijn exportgerichtheid had verloren.
Als de toevloed van
kortlopend kapitaal sterk toeneemt, dan neemt ook de invoer van
consumptiegoederen toe. Deze consumptiegoederen worden echter ook in Turkije
geproduceerd of het zijn er die niet levensnoodzakelijk zijn (zoals auto’s).
De gevolgen hiervan zijn tweeërlei: zo wordt de eigen industrie zwaar
getroffen en het inkomen dat anders benut had kunnen worden voor
investeringen in vast kapitaal, gaat verloren aan consumptie van
importgoederen. Dit zijn de resultaten van een gedereguleerde buitenlandse
handelspolitiek die de op de export gerichte productiesector niet met
subsidies ondersteunt en die het binnenkomende kapitaal niet naar
investeringen op de lange termijn in de productieve sector dirigeert. Het
eindresultaat is dan een tekort op de lopende rekeningen, groeiende tekorten
op de handelsbalans en een drastische verslechtering van de fiscale balans.
Ieder jaar waarin de invoer steeg, nam het aandeel van de consumptiegoederen
sneller toe dan dat van de overige importen. Tijdens de jaren waarin de
totale invoer daalde, lag de invoer van consumptiegoederen lager dan van de
overige ingevoerde goederen. Zo steeg tussen 1999 en 2000 de invoer van
auto’s met 93,6 procent, van benzine met 89 procent en van de onbewerkte
voedingsmiddelen met 42 procent. De invoerexplosie van auto’s, duurzame
goederen en levensmiddelen had negatieve repercussies op de productie, de
tewerkstelling en de investeringen in dezelfde sectoren. Dit betekent dat
het streven naar het creëren van exportoverschotten door het laag houden van
de reële lonen tot het wegstromen van een surplus naar het buitenland moet
leiden, als men de positie van Turkije in de internationale arbeidsdeling
niet wil veranderen.
Belangrijk is te weten
dat de accumulatie in een niet-productieve sector als het bankwezen gericht
is op de realisatie van speculatieve winsten. Uit gegevens verstrekt door de
500 Grote Industriële Ondernemingen (opgemaakt door de Kamer voor
Industrie van İstanbul) kan men de opbrengsten uit de
niet-productieve activiteiten berekenen. Wat hier opvalt is de stijging van
het aandeel van de niet-productieve activiteiten in de jaren negentig. Deze
opbrengsten hebben duidelijk die welke afkomstig zijn uit de productie
verdrongen. De speculatieve kapitaalaccumulatie nam jaarlijks met gemiddeld
18,7 procent toe. In verhouding tot de opbrengsten uit de productieve sector
waren de speculatieve opbrengsten in 1998 tot 87,7 procent gestegen en ze
maakten in 1999 zelfs een sprong naar 219 procent! De opbrengsten uit de
productie daalden echter van 1.872 miljard lira in 1998 naar 1.077 miljard
lira in 1999, wat een terugval met 42,5 procent betekende. De bourgeoisie
kon dus de rentabiliteit van haar kapitaal dat in omloop was, handhaven door
het maken van speculatieve winsten. Die laatste zijn in dezelfde periode met
43,5 procent gestegen. De slachtoffers van deze accumulatiestrategie waren
uiteraard de werknemers.
De crisis
De ‘goudmijn van het
op de import van kortlopend kapitaal gerichte groeipatroon’ stortte door de
financiële crisis van 1994 in elkaar. Deze crisis werd gevolgd door die van
1998-1999 en recentelijk door die van november 2000 en februari 2001. De
groeikansen van de economie zijn hierdoor ondermijnd, want de economische
activiteiten zijn nu geconcentreerd op de speculatieve winsten in de
financiële sfeer. Het productievolume en het concurrentievermogen gaan
inderdaad achteruit, de investeringen worden van de productie losgekoppeld,
de inkomensongelijkheid verbreedt bij elke crisis en werkloosheid, armoede,
sociale spanningen nemen toe. Kortom, de financiële fase van het kapitalisme,
waarin het op snelle winst beluste kapitaal elke kans aangrijpt om een land
tot op het merg uit te zuigen, zorgt ervoor dat de semi-perifere en perifere
economieën met de grond gelijk worden gemaakt.
Zo barstte de crisis
van 1994 uit toen de overheid lagere rentevoeten wilde opleggen en de lira
devalueerde. Direct hierop verlaagden Moody’s en Poors, twee Amerikaanse
bureaus, tot tweemaal toe de ‘kredietwaardigheid’ van Turkije. Ze merkten
daarbij op dat het land ‘riskant’ was. Een devaluatie betekent immers
verlies voor het speculatieve kapitaal. Het resultaat was dan ook in vele
opzichten desastreus. De investeerders trokken hun kapitaal in paniek terug.
De kapitaalvlucht bedroeg 5 miljard dollar of ongeveer 5 procent van het
BNP.[15]
Het invoervolume steeg met 25 procent (dit betekent dat de binnenlandse
consumptie toen groter was dan de productie), het BBP en de
productiecapaciteit krompen respectievelijk met 5,5 procent en 7,6 procent,
de investeringen in de publieke sector daalden met 44,6 procent en in de
private sector met 9,6 procent, terwijl de inflatie naar 106 procent steeg.
De financiële crisis van 1994 had in dat opzicht een uiterst
gewelddadig impact op economie en samenleving.
Ook de crisis van 1998
vertoonde een gelijkaardige ommekeer in de kapitaalbewegingen. Zo was er in
1998 een kapitaalvlucht van 417 miljoen dollar. Hoewel een muntcrisis kon
worden voorkomen, gingen er toch de facto acht banken failliet. De
verliezen en schulden van deze banken werden overgenomen door de staat. De
binnenlandse verplichtingen van deze banken (ongeveer 4,5 procent van het
BNP) kwamen ten laste van de Schatkist (arbeiders en andere loonverdieners).[16]
De crisis van februari
2001 vertoonde een gelijkaardige trend. Door de toevloed van 8 miljard
dollar aan buitenlands kortlopend kapitaal geraakte de lira met ongeveer 15
procent overgewaardeerd. Daardoor groeide het invoervolume, terwijl de
uitvoer achteruitging. Er ontstond een tekort van 19 miljard dollar op de
handelsbalans. Het buitenlandse kapitaal werd bevangen door angst en trok
zich in paniek terug. Het resultaat was dat de economie met 6 procent kromp.
In 2000 bedroeg het BNP 202 miljard dollar. In 2001 was dat verminderd tot
150 miljard dollar, wat een verlies van 52 miljard dollar betekent. Het
inkomen per capita viel van 3.000 dollar terug op 2.300 dollar. Het
‘hulppakket’ van het IMF en de Wereldbank bedroeg 22,4 miljard dollar, wat
een extra aangroei van de buitenlandse schuld betekende. Samen met het
verlies van 52 miljard dollar werd de schade zo in totaal op 74,4 miljard
dollar geraamd. Daarnaast schoot de rentevoet van 65 procent naar 120
procent, waardoor de binnenlandse schuld naar 45 miljard dollar klom. De
totale schade bedroeg dus 120 miljard dollar ofwel 80 procent van het BNP,
wat per capita een last van 1.800 dollar betekent.[17]
De inzinking had ook repercussies op de tewerkstelling. In 2000 waren er
20.182.000 werkenden, na de crisis van februari 2001 waren er nog maar
19.222.000. Bijna één miljoen mensen hadden hun baan verloren. De zogenaamde
kaderleden waren daarbij zwaar getroffen: het aantal werkzoekenden in deze
groep steeg met 60 procent. Ook de dienstensector werd getroffen (bankwezen,
telecommunicatie en media). Alleen al in de mediasector vielen 5.000 banen
weg en in het bankwezen werden 50.000 mensen ontslagen, plus nog eens
240.000 mensen in de productiesector, 312.000 mensen in de bouwsector en
287.000 in de handelssector. Kortom, een economie die jaarlijks zorgde voor
een inkomen van 200 miljard dollar, is door de vlucht van het naar winst
zoekende ‘flitskapitaal’ in elkaar gestuikt, met als gevolg een sociale en
politieke puinhoop met veel menselijke leed.
Besluit
De dynamiek van de
huidige financiële fase van de wereldeconomie biedt dus weinig gunstige
perspectieven voor de groeikansen van de semi-perifere en perifere
economieën. De wereldhandel in goederen en diensten wordt steeds meer
beheerst door strategische marketing, spreiding van de technologische
investeringen en door de ongelijkmatige bewegingen in de kapitaalstromen. Zo
staan de MNO’s in voor tweederde van de wereldhandel. Eenderde van de
wereldhandel bestaat uit interne handel binnen de multinationale
ondernemingen en eenderde gebeurt tussen de MNO’s onderling. Het resterende
eenderde van de handelsbewegingen voltrekt zich tussen de landen. Enkel de
kernlanden met hun sterkere handelspositie kunnen hieruit hun voordeel halen.
Dit betekent dat de wereldeconomie alsmaar meer door een groeiend netwerk
van MNO’s, door de financiële wereld en door de kapitalistische kernlanden
wordt gedomineerd. Binnen deze machtsconstellatie met een ongelijke
arbeidsdeling en ruilverhoudingen worden het concurrentievermogen en de
groeikansen van een semi-perifeer land als Turkije gefnuikt. Turkije is
immers een land met lage lonen, een laagtechnologische economie en een
arbeidsintensieve productie. Bovendien wordt Turkijes surplus afgeroomd door
het internationale kapitaal (internationale banken, speculanten,
beleggingsfondsen) en de MNO’s. Maar ook de eigen ‘comprador’ bourgeoisie
pikt een graantje mee. Elke politieke economie die de positie van Turkije in
de internationale arbeidsdeling niet wil veranderen en het kapitalisme niet
in vraag stelt, zal dan ook het land in een ondergeschikte en afhankelijke
positie in de kapitalistische wereldeconomie houden.
___________________________

EINDNOTEN:
[1]
I. Wallerstein, De Europese wereldeconomie in de zestiende eeuw. Het
Modern Wereldsysteem, Nieuwkoop: Heureka, 1978, blz. 216.
[2] Volgens
Wallerstein kan men de semi-perifere staten herkennen aan de volgende
criteria:
(a)
“the degree to which there is an overall fairly even
mix of core like and peripheral economic activities lying within the state
boundaries (that is, the state tends to lie at end-points of some
commodity chains and beginning points of others);
(b)
the degree to which on dimensions of coreness/peripherality
a given state falls in a middle grouping;
(c)
distinctive specialized economic tasks of the
world-economy, whose nature changes from epoch to epoch;
(d)
the degree to which, in political, military, and
economic terms, the state plays a dominant role in a region;
(e)
the pattern of distribution
between exports-imports and production for the home market, many
semiperipheral states showing
disproportionate numbers of commodity chains largely located within their
frontiers.” T. K. Hopkins en I. Wallerstein, ‘Capitalism and the
incorporation of new zones into the world-economy’, in Review , jg.
10 nr. 5/6, 1987, blz. 774.
[3]
I. Wallerstein, Historisch Kapitalisme, Weesp: Heureka, 1984, blz.
35
[4]
P. Saey, [z. t.], paper bij de lessen van WSA, 2002, blz. 2.
[5]
I. Wallerstein, Historisch Kapitalisme, 1984, blz. 47.
[6]
Marx zag de functie van de middenklasse in een kapitalistische
maatschappij als volgt: “(…) the continual increase of the middle classes,
(…) situated midway between the workers on one side and the capitalist and
landowners, on the other. These middle classes rest with all their weight
upon the working class and at the same time increase the social security
and power of the upper class.” T. B. Bottomore en M. Rubel, Karl Marx:
Selected Writings in Sociology and Philosophy, Londen: Watts and Co.,
1956, blz. 190-191.
[7]
Zie uitgebreid voor de manier waarop de semi-periferie verschilt van kern
en periferie: I. Wallerstein, ‘Dependence in an
interdependent world: the limited possibilities of transformation within
the capitalist world-economy’, in: The Capitalist World-Economy,
Cambridge: Cambridge University Press, 1979, blz. 66-94.
[8]
Tenzij anders vermeld, komen de cijfers en analyse in dit deel uit H.
Kaçar, Het Osmaanse rijk en Turkije in het wereld-systeem. Een
wereld-systeem analytische benadering van de sociaal-economische
geschiedenis, 1300-2002, ongepubliceerde licentiaatsverhandeling, RUG,
2002.
[9]
M. Sönmez, ‘Türkiye’de gelir eşitsizliği’
(De inkomensongelijkheid in Turkije), in:
Özgür Üniversite Forumu, nr. 14,
april-juni 2001, blz. 65-67.
[10]
E. Yeldan Küreselleşme sürecinde Türkiye
Ekonomisi: Bölüşüm, birikim ve büyüme (Turkije
in het proces van globalisering: herverdeling, accumulatie en groei),
İstanbul: İletişim, 2001, blz.129.
[11]
Zie voor een gedetailleerde bespreking van de veranderingen die de Turkse
economie na de liberalisering van de financiële sector onderging:
N. Ekinci, ‘Türkiye ekonomisinin büyüme ve kriz dinamikleri’(De
dynamiek van groei en crisis van de Turkse economie), in: Toplum ve
Bilim, nr. 77, 1998, blz. 7-27; N. Yetürk, ‘Short term capital inflows
and their impact on macroeconomic structure: Turkey in the 1990’s’, in:
The Developing Economies , 37(1), 1999, blz. 89-113; E. Balkan en E.
Yeldan, ‘Financial liberalization in developing countries: The Turkish
experience’, in: R. Medhora en J. Fanelli (red.), Financial
Liberalization in Developing Countries, London en New York: Macmillan
Press, 1998; K. Boratav en E. Yeldan, ‘Turkey, 1980-2000: Financial
liberalization, macroeconomic (in)stability and patterns of distribution’,
University of Ankara, Working Paper, mei 2001; en E. Yeldan,
Küreselleşme, a. w., 2001, blz. 127-158.
[12]
K. Boratav en Yeldan, ‘Turkey, 1980-2000’, a. w., 2001, blz. 10-12.
[13]
Z. Öniş en A.F. Aysan, ‘Neoliberal
globalization, the nation-state and financial crises in the
semi-periphery: a comparative analysis’, in: Third World Quarterly
, 21(1), 2000, blz. 133-135; E. Yeldan, a. w., 2001, blz. 52-54.
[14]
K. Boratav, E. Yeldan en A. Köse, ‘Globalization,
Distribution and Social Policy in Turkey, 1980-1998’, CEPA and The School
for Social Research, Working Paper Series, nr. 20,
February 2000,blz.23; Z. Öniş en
A. F. Aysan, a. w., 2000, blz. 136-139; I. Adelman en E. Yeldan,
‘The end of the developmental state’, in: Structural Change and
Economic Dynamics, September 2000.
[15]
N. Ekinci, Türkiye Ekonomisinin…, 1998, blz.22.
[16]
K. Boratav, E. Yeldan en A. Köse, a. w., 2000, blz. 8.
[17]
De cijfers voor 2001 zijn gebaseerd op de gegevens van de ministerie van
Financiën en van de Schatkist van Turkije.
|