De uitspraak van minister
Vanderpoorten – midden in de zomervakantie - omtrent haar voornemen om scholen
in bepaalde gevallen de toestemming te geven om allochtone leerlingen te
weigeren, is niet onopgemerkt voorbij gegaan. Veldwerkers signaleren nu reeds
dat er scholen zijn die zich op deze uitspraak beroepen om hun weigering te
motiveren en dat het bemiddelen om leerlingen na een weigering te kunnen
inschrijven, veel moeizamer verloopt dan vroeger. Dit alles al, nog voor er van
een decreet sprake is. In de commentaar ‘Bouwen aan een norm’ in De Standaard
van 25 juli 2001 zegt Bart Sturtewagen dat de minister met haar initiatief iets
wil ondernemen tegen verdoken manieren om allochtone kinderen te weigeren, dat
ze op die manier een stapje voorwaarts zet en zo helpt bouwen aan een morele
norm. Politiek is de kunst van het haalbare, zo stelt hij.
De minister zit effectief
gekneld tussen enerzijds de praktijk van openlijke of verdoken weigering van
allochtone kinderen in een aantal scholen en anderzijds de principes van gelijke
toegang voor iedereen. Bovendien stelt de zogenaamde ‘witte vlucht’ uit scholen
met een zichtbare aanwezigheid van allochtone leerlingen deze scholen voor de
uitdaging om hun school cultureel gemengd te houden.
Deze bekommernissen
blijken zo zwaar te wegen dat er gegrepen wordt naar een drastisch maar
eenvoudig recept: scholen zouden de mogelijkheid krijgen, decretaal bepaald, om
in het kader van het plaatselijk onderwijsoverleg en op voorwaarde dat zij
voldoende inspanningen doen om multicultureel te werken, allochtone leerlingen
te weigeren als hun aantal boven een bepaald percentage uitstijgt.
Hoe goed bedoeld en hoe
verfijnd men de voorwaarden daartoe in een decreet wil omschrijven, het
achterliggende denkpatroon blijft echter hetzelfde: uiteindelijk geeft men de
boodschap dat al wie niet tot de autochtone groep behoort (en de afbakening
daarvan is zo vaag dat ieder deze naar eigen goeddunken kan invullen), oorzaak
is van problemen in het onderwijs. Om deze problemen op te lossen moeten die
anderen, de allochtonen, ‘gedoseerd’ worden: door hen te spreiden, door hun
aantal te beperken. Het wij-zij denken wordt hiermee uitvergroot en onrechtmatig
versterkt. De alsmaar toenemende verscheidenheid in de samenleving wordt op die
manier herleid tot een eenvoudige tegenstelling. Het gelijke kansenbeleid
daarentegen berust onder meer op het principe van het respecteren en bevorderen
van diversiteit. Management van diversiteit en het denken over kansengroepen in
plaats van over kansarme groepen, gaat er wezenlijk van uit dat mensen op
velerlei manieren van elkaar verschillen en dat het een fout uitgangspunt is om
één element te isoleren. De realiteit is niet zo eenvoudig dat ze zich laat
vatten in een wij-zij-tegenstelling. De minister en de onderwijsnetten moeten
beseffen dat zij op deze manier de allochtone ouders en de allochtone
gemeenschappen nooit tot volwaardige partners zullen kunnen maken. Allochtone
ouders – zoals alle ouders – zijn op dit punt erg gevoelig: de confrontatie met
het gegeven dat anderen de afkomst van uw kind een probleem vinden om het in de
school in te schrijven, leidt tot verzet.
De non-discriminatieverklaring en alles wat daar rond gebeurd is,
heeft ons geleerd dat het werken met percentages en het weigeren van leerlingen
niets oplost. Hetzelfde mechanisme, zij het meer omkaderd en verfijnd, decretaal
verankeren, is voor de samenleving nog nefaster. Het pedagogisch project van
diversiteit als waardevol uitgangspunt, wordt door dit wij-zij-denken in wezen
gesmoord. Zowel aan autochtone als aan allochtone kinderen en hun ouders wordt
impliciet de boodschap meegegeven dat het anders-zijn minderwaardig is. Ook al
lijkt het voorzien van deze mogelijkheid slechts een klein onderdeel – een
uitzondering, zo wordt het voorgesteld - van het geheel aan bepalingen die de
minister met het voorontwerp van
decreet betreffende een gelijke kansenbeleid in het onderwijs wil realiseren,
het heeft verstrekkende gevolgen.
Het is niet te verwonderen dat als gevolg van deze
'mathematische' en negatieve benadering van het 'anders-zijn' het ontwerpdecreet
vooral aandacht geeft aan controleren, klachtenbehandeling, percentages
vastleggen, enz. De sensibiliserende, motiverende en wervende kracht die van het
lokaal overleg zou moeten uitgaan, wordt er niet door aangemoedigd. Dit lijkt
ons een gemiste kans. Want het enige wat de zogenaamde witte vlucht kan
tegengaan is sensibiliseren, motiveren, kinderen en ouders een waardevol project
aanbieden. Wat kinderen en scholen – alle scholen, maar zeker degenen die men
multicultureel noemt – immers nodig hebben, is een uitnodigend project. Een
project dat niet gebaseerd is op afweerreacties en vrees voor een teveel aan
allochtone leerlingen, maar waar diversiteit als uitgangspunt wordt genomen, en
waarbinnen kinderen met verscheidenheid leren omgaan. Daar moet verder aan
gewerkt worden en moeten voldoende middelen in gestopt worden, structureel, niet
op projectbasis. Dààrom ook kunnen zogenaamde witte scholen niet buiten schot
blijven. Ook zij moeten leerlingen voorbereiden op de samenleving van morgen,
aantrekkelijk zijn voor autochtone én allochtone leerlingen en een actief
wervingsbeleid naar allochtone leerlingen voeren, indien zij deze niet bereiken.
Het lijkt ons niet onmogelijk dat deze scholen worden verplicht om, rekening
houdend met hun pedagogische eigenheid, hiervoor een project te ontwikkelen,
controleerbaar en niet vrijblijvend.
HET ENIGE WAT DE WITTE VLUCHT KAN TEGENGAAN, IS
KINDEREN EN OUDERS EEN WAARDEVOL PROJECT AANBIEDEN.
Indien men gelooft in een maatschappelijk project dat
gericht is op ‘het realiseren van optimale leer- en ontwikkelingskansen
voor iedereen ongeacht herkomst, en het vermijden van uitsluiting, segregatie en
discriminatie’([1])
evenals ‘het tegengaan van de dualisering in de maatschappij en bijdragen tot
grotere sociale cohesie’, dan moeten ook deze consequenties getrokken worden. De
overheid moet daarom zicht hebben op de etnische origine van de kinderen en het
opleidingsniveau van de ouders. In alle scholen. Pas dan kan ze nagaan of
scholen effectief bijdragen tot een grotere sociale cohesie. En om de scholen
ertoe aan te zetten hier effectief werk van te maken bestaan er volgens
onderwijsdeskundigen bepaalde modellen zoals een leerlinggebonden financiering
of andere. We achten ons niet deskundig hierover uitspraken te doen. Alleen
staan we met ongeloof te kijken dat een zo uitgebouwd en georganiseerd systeem
als het onderwijs, met zulke kaders en deskundigen, als reactie op de groeiende
diversiteit en multiculturaliteit in onze samenleving, - dé uitdaging voor de
komende decennia – gebruik wil maken van quota en de mogelijkheid tot weigeren.
We begrijpen niet dat men daar de consequenties niet van ziet. We willen er geen
misverstand over laten bestaan. De multiculturele school is ook voor ons een
belangrijk gegeven. Wij zijn overtuigd van de meerwaarde van een onderwijs
waarin het hanteren van de aanwezige verscheidenheid in de leerlingenpopulatie
om verschillende redenen (taalverwerving, houdingen, samenleven...) de beste
voorbereiding is van leerlingen op de toekomst in een alsmaar meer verscheiden
wordende samenleving. Alleen: dit moet gerealiseerd worden door een zeer sterke
sensibilisering en door middel van een uitnodigend project, in zo veel mogelijk
scholen, hoe moeilijk dit soms ook lijkt. Het kan niet gebeuren door maatregelen
die rechten van mensen aantasten. Daar ligt voor ons de grens. We hopen dat
deze visie uiteindelijk de bovenhand mag halen en dat alle energie daar naartoe
kan gaan.
______________________________