De
islamitische hoofddoek: te nemen of te laten?
Michèle
GOETHALS*
|
|
INLEIDING.
In '89 deed zich in een stadje in
Frankrijk een "affaire" voor die belangrijk genoeg was om er, zoals bleek
uit een studie van 8 nationale en 2 regionale kranten en 10 tijdschriften,
in één trimester 1200 artikels aan te besteden1.
De hevigheid in de pers weerspiegelde (en was medebepalend voor) de opschudding
die hetzelfde feit teweegbracht in de politieke wereld. Dit alles werd
veroorzaakt door 3 Marokkaanse meisjes in Creil die na de zomervakantie
weigerden hun hoofddoek af te nemen in de klas. Gelijkaardige feiten deden
zich voor in andere landen van Europa, onder andere in België. De
vraag of een dergelijke daad moet geminimaliseerd worden dan wel of het
een symptoom is van het oprukkende moslim 'fundamentalisme'2
in Europa, gaf tevens een nieuwe impuls aan de discussie onder juristen,
academici en politici over de islam in Europa, in de Arabische wereld en
vaak een ongenuanceerd amalgaam van beide. In hoeverre dit debat zich vertaalt
in politieke maatregelen betreffende de moslims in België zal de toekomst
moeten uitwijzen. Het lijkt ons echter niet overbodig om in afwachting
daarvan en nu de controverse geluwd is, een overzicht te geven van de feiten
en deze te plaatsen in een historische en sociale context.
Hoewel in het Westen de islamitische
wereld nog vaak beschouwd wordt als een monolithisch blok, is het zo dat
een grote diversiteit van opinies bestaat, ook wat betreft het dragen van
hoofddoekjes. Het debat daaromtrent gaf in Europa een staalkaart van belangen-
en ideologische tegenstellingen, diversiteit in wetenschappelijke methodes,
denkbeelden over laïciteit en religiositeit en dergelijke meer. Aan
de verschillende reacties in enkele Europese landen op het ogenschijnlijk
futiel fenomeen blijken oorzaken ten gronde te liggen die minder te maken
hebben met de islam op zich dan met het gebrek aan coherentie in het bepalen
van een standpunt bij de betrokkenen.
I. HISTORISCHE CONTEXT.
Een vaak gehoord verwijt betreffende
de studie van de islam en vooral de situatie van de vrouw daarin, is dat
deze gebaseerd is op klassieke teksten en niet aansluit bij de maatschap-
pelijke evolutie. De visie op de islam als statisch gegeven is geen prerogatief
van westerse oriëntalisten; het feit dat in de traditionele islamstudie
niet kan getornd worden aan de wetenschap van de plichtenleer3
heeft er mede voor gezorgd dat interpretatie van bronnen niet bepaald als
flexibel omschreven kan worden. Gezien het belang dat binnen de islam gehecht
wordt aan de historische bronnen lijkt het ons aangewezen om een beeld
te geven van de manier waarop de sluier voor de enen evolueerde tot symbool
van onderwerping van de vrouw in een mannenmaatschappij en voor anderen
tot uiting van prestige.
I.1. De hijab in de koran.
De term hijab, die in de hedendaagse
islam geëvolueerd is naar 4 betekenissen4
met als meest bekende die van sluier, wordt in de koran 7 maal vermeld.
Hoofdstuk 33 vers 53: "...En als jullie haar [de vrouwen van de profeet]
iets om te gebruiken vraagt, vraagt haar dat dan van achter een afscheiding
(hijab)", staat bekend als het "hijab" vers5.
Volgens de traditionele mosliminterpretaties is dit de neerslag van de
goddelijke wetgeving betreffende de hijab. De oorspronkelijke betekenis
die er in de revelatie aan gegeven wordt (scherm, gordijn) had tot doel
de privacy van de vrouwen van de profeet Mohammed te beschermen in het
overbevolkte Medina en hen fysiek te beschermen in periodes van onrust.
De vraag of deze maatregel alleen bedoeld was voor de vrouwen van de profeet
ofwel moest uitgebreid worden tot de vrouwelijke elite van de moslimgemeenschap
is eeuwen onderwerp van discussie geweest tussen islamexegeten, mede omdat
de interpretatie die één rechtsschool geeft aan bepaalde
gezegden niet hoeft gedeeld te worden door een andere6.
Daarenboven is het onvermijdelijk dat in tekstexegese nieuwe betekenissen
toegekend worden aan oude teksten, waarbij in dit geval een bijkomende
moeilijkheid ligt in het feit dat de hadith een aantal tegenstrijdige
voorschriften bevat7.
Het ligt voor de hand dat deze combinatie van factoren niet heeft bijgedragen
tot éénduidige normering, wat zijn weerslag heeft tot de
dag van vandaag. Kort na de revelatie over de hijab verscheen in de Koran
een richtlijn waarin gesteld werd dat vrije moslimvrouwen, om zich te onderscheiden
van slavinnen, buitenshuis een jilbab (lange mantel) moesten dragen
om hen te beschermen tegen vrijpostigheden van mannen. Daarop volgde nog
een revelatie waarin de noodzaak tot bescheiden gedrag, ook in kledij,
benadrukt werd voor zowel mannen als vrouwen. Vooral in de Abbasidenperiode
verkregen de richtlijnen een dwingend karakter. Het is niet onwaarschijnlijk
dat de twee bovenvermelde verzen door islamtheologen gebruikt werden om
de hijab op te leggen aan alle moslimvrouwen en dat tevens de basis
gelegd werd voor het aspect prestige en deugdzaamheid: de hijab
als middel om zich te onderscheiden van onvrije en andere vrouwen die buitenshuis
werkten (de meerderheid) en dit, zoals in de meeste gemeenschappen in de
pre-industriële maatschappijen, harder dan de mannen. Deze vrouwen
bedekten het haar maar waren niet gesluierd.
Volgens de interpretaties van Surat
an-nur (24;31) door de 4 erkende rechtsscholen, bevestigd door ijma (consensus),
is het een moslimvrouw toegelaten haar gezicht en handen niet te bedekken
tijdens de pelgrimstocht en het gebed. De rest van het lichaam wordt beschouwd
als awrah een term die in de islamitische theologie gedetailleerd
is uitgewerkt en kan vertaald worden als "dat wat moet bedekt worden",
d.w.z. wat niet zichtbaar mag zijn voor personen met wie een huwelijk niet
onwettig is. De vrouwelijke hoofddoek (khimar) moet het haar verbergen
en lang genoeg zijn om de boezem te kunnen bedekken. Over één
zaak zijn de traditionele interpretaties het roerend eens: de niet-deelname
van vrouwen aan het gemeenschapsleven (buitenshuis) vermijdt dat zij door
Satan gebruikt worden als corrumperend instrument in de maatschappij. Daarom
was het voor de bemiddelde echtgenoot een erezaak om zijn vrouw(en) binnen
te houden, niet alleen als ware gelovige, maar ook als statussymbool. Ook
voor de traditioneel gelovige vrouw zelf was en is het een eer de fundamentele
waarden van de islam te belichamen door uiterlijke kenmerken in de kledij.
De codering heeft de mannelijke suprematie
in de moslimmaatschappij bevorderd, een tendens die in de loop der eeuwen
door de politieke en religieuze machthebbers en tekstinterpretatoren -
zo goed als uitsluitend mannen - grondig werd uitgewerkt.
I.2. Traditionele islam.
Volgens de traditionele interpretatie
in de islam zoals beschreven door Seyyed Hossein Nasr7bis schiep
Allah alles wat leeft in paren (zawaj) en werden man èn vrouw
geschapen voor onsterfelijkheid en spirituele bevrijding. Onder dit metafysische
niveau echter zijn er verschillen tussen de geslachten die het biologische
overstijgen. Het absolute en majestatische uit zich in het mannelijke,
het oneindige en de schoonheid in het vrouwelijke. De bescherming van gods
wet en de sociale orde, de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de
vrouwen en de kinderen zijn in handen van de man. Het doel van de islam
is niet iedereen gelukkig te maken vermits dit onmogelijk is in deze wereld
maar de verwezenlijking van maximale harmonie, evenwicht en perfectie.
Differentiatie tussen de twee menselijke types is hiervoor het aangewezen
middel en niemand kan het heiligdom van god binnengaan zonder in zijn persoon
de positieve elementen van zijn/haar geslacht geïntegreerd te hebben.
Seksuele vereniging symboliseert de androgyne totaliteit die beide geslachten
zoeken maar deze vereist duidelijk onderscheid en scheiding. De kenmerkende
geslachtseigenschappen verwerpen, betekent de opoffering van het eeuwig
leven voor een onrealistisch wereldbeeld gebaseerd op uniformiteit. Sociale
patronen en kledij moeten ertoe bijdragen uitgesproken mannelijke en vrouwelijke
types te creëren die hun onderscheiden maar complementaire taken beter
kunnen vervullen. De evolutie in een moderne maatschappij waarbij de vrouw
toegang heeft tot de arbeidsmarkt, waar veel moslimvrouwen in westerse
landen leven en beïnvloed worden door de westerse cultuur en mode,
maakt de toepassing van religieuze richtlijnen des te noodzakelijker.
I.3. Reactie op de traditionele
interpretatie.
Interpretaties die evenwicht en harmonie
realiseerbaar zien door onderdrukking van één van beide categorieën
worden niet door alle moslims in dank aanvaard. Traditionele interpretatie
van een hadith zoals "de beste moskeeën voor vrouwen zijn de binnenste
kamers in hun huizen", verbiedt een vrouw niet de moskee te bezoeken
vermits de profeet dit nergens oplegde maar toch wordt dergelijk bezoek
niet beschouwd als zijnde in overeenstemming met de waardigheid en eer
van een goede moslimvrouw. Vermits naast de koran het leven en de gezegden
van de profeet Mohammed de richtlijn zijn voor een goed moslim is volgens
Fatima Mernissi de attitude van de profeet ten opzichte van de vrouw verantwoordelijk
voor de code voor moslimmannen desbetreffend8.
Zo zou het tijdstip waarop bepaalde revelaties van Allah aan Mohammed geopenbaard
werden een indicatie zijn van het feit dat zij ontstonden vanuit de individuele
situatie van de profeet. Het vers bijvoorbeeld, "mannen zijn zaakwaarnemeers
voor de vrouwen, omdat... zij van hun bezittingen uitgegeven hebben"
(4;34), kwam pas tot stand na de dood van Khadija, die voor ze Mohammed
als echtgenoot koos, als welgestelde zakenvrouw zijn werkgeefster was.
Gezien zijn persoonlijke situatie kon hij voormelde richtlijn tijdens haar
leven moeilijk poneren.
Het voorschrift tot het dragen van
bescheiden kledij wordt door de islamitische wet opgelegd zowel voor vrouwen
als voor mannen. De reden waarom deze regels voor vrouwen zoveel strenger
zijn, is gebaseerd op het uitgangspunt dat de vrouw vanuit haar aard de
mannen aanzet tot zina, ontucht, en zo de door Allah gevestigde
orde verstoort. Niet de seksualiteit wordt aangevallen, want ze is een
positieve kracht, maar wel de vrouw.
I.4. Vrouwbeeld.
Het spreekt vanzelf dat in een maatschappij
waar normen en waarden betreffende kledij zo belangrijk zijn, het seksuele
aspect een grote rol speelt. Volgens Fatima Mernissi is de segregatie van
de geslachten, die in de praktijk neerkomt op de isolatie van de vrouw,
het gevolg van het feit dat de vrouw in de islamwereld, in tegenstelling
tot de christelijke opvatting, gezien wordt als seksueel actief. Dit is
gevaarlijk want het leidt de man af van zijn religieuze en sociale verplichtingen,
die hem superieur maken aan de vrouw. Dat de vrouwen nodig moeten ingekapseld,
wordt overigens beeldend weergegeven in een Arabische "volkse wijsheid":"On
a beau les (de vrouwen) enfermer, elles sortiront par le trou de serrure."
Om fitna (chaos) te vermijden, moet de maatschappelijke orde de
macht van de vrouw om door list en intrige de man te verleiden, de kop
indrukken.
Men mag echter niet uit het oog verliezen
dat een islamitisch deterministische visie met een aantal elementen geen
rekening houdt. De mannelijke bezorgdheid is geen prerogatief van de islam.
We verwijzen hier bijvoorbeeld naar een richtlijn uit 1936 van Monseigneur
Van Waeyenbergh, vice-rector van de Leuvense universiteit, waarin gesteld
wordt:
"... Zoolang zij aan
de vaderlijke zorgen van de bisschoppelijke en ander college's toevertrouwd
waren, was het groote gevaar dezer tijden, namelijk de vrouw, voor hen
een gesloten boek. Aan de universiteit gekomen, staan zij alleen tegenover
dit gevaar. Daarom weest op Uwe hoede...De meisjesstudenten zullen door
hun houding, hun naarstigheid en stilzwijgendheid, hun aanwezigheid doen
vergeten aan de studenten, voor wie zij geen afleiding mogen beteekenen
in het ijverig volgen van de geleerde woorden der heeren professoren."9
In het kader van het onderwerp van deze
bijdrage is de opmerking betreffende het dragen van een hoofddeksel ook
niet oninteressant: " Het dragen der pet (door meisjesstudenten n.v.d.a.)
is geoorloofd, zijnde dit ook door mijn voorganger, maar er weze op gedrukt
dat koketterie in deze uit den boze is."
Moslimauteurs die het egalitaire
aspect van de koran wensen te benadrukken verwijzen ook regelmatig naar
de anti-emancipatorische component in de bijbel. In Women's rights in
Islam verwijst auteur, Sarah Sheriff10,
naar de koran (7;19) waaruit blijkt dat Adam en Eva beiden berouw toonden
om hun verantwoordelijkheid in de val van de mens, dat god hen beiden vergiffenis
schonk en aan man noch vrouw schuld kon ten laste gelegd worden. De bijbel
daarentegen stelt dat de vrouw de val van de man veroorzaakte en dat zij
als straf hiervoor in pijn kinderen zal baren. De auteur verwijst ook naar
het Concilie van Nicea (eind 7de eeuw) waarbij slechts met nipte meerderheid
beslist werd dat vrouwen menselijke wezens waren en ook een ziel hadden,
en naar Paulus en de eerste kerkvaders die de vrouw voorstelden als "the
door to hell" en "mothers of all human ills".
We kunnen het misschien met Edward
Said ruimer stellen:
"the fact is that in
many - too many - Islamic societies...abrogations of personal freedoms...
are either falsely legitimated or casuistically explained with reference
to Islam which is doctrinally as blameless in this regard as any other
of the great universal religions." 11
Wel is het onvermijdelijk dat, door
de beperking van de mogelijkheden tot interpretatie van de goddelijke wet
en de gezegden en daden van de profeet, een evolutie die gelijke tred houdt
met de wijzigigen in maatschappelijke en persoonlijke relaties (i.c. tussen
mannen en vrouwen) quasi onmogelijk gemaakt wordt. De stemmen in de moslimwereld
die de islam willen doen aansluiting vinden met de twintigste eeuw komen
door de beperkte weerklank zowel in moslimlanden (onder druk van integristische
stromingen en conservatieve regimes) als in het Westen (waar de media-aandacht
zich toespitst op sensationelere aspecten van de islam) niet voldoende
aan bod om het debat open te trekken.
I.5. Evolutie vanaf de 19de
eeuw in enkele Arabische landen.
Vooral vanaf de 19de eeuw kwam mede
onder invloed van het liberale gedachtengoed van Mohammed Abduh12
in de Arabische wereld een emancipatiestroming op gang tegen de onderdrukking
van de vrouw, haar ongelijke kansen qua onderwijs, seksuele segregatie
en beperking van haar bewegingsvrijheid door isolatie binnenshuis. In 1923
werd de hijab in de Arabische wereld een symbool voor vrouwenonderdrukking
toen de Egyptische Huda Sha'rawi bij haar terugkeer van de Internationale
Vrouwenconferentie in Rome in publiek haar sluier van zich afgooide en
het voorbeeld werd voor veel vrouwen die zich wensten af te zetten tegen
hun ondergeschikte positie.
Door veel moslimmannen en -vrouwen
werd dit echter aangevoeld als uit het Westen geïmporteerd gedachtengoed
en geassocieerd met kolonialistische bemoeizucht. In een aantal Arabische
landen keerden veel mensen zich na de onafhankelijkheid door de beperkte
democratische uitlaatkleppen (parlementen en politieke partijen worden
grondig gecontroleerd) tot religieuze uitdrukkingsvormen.
In de praktijk is er, mede doordat
in de islam zoals in alle religies een kloof bestaat tussen de fundamentele
regels en de dagelijkse praktijk, een enorme variatie in het dragen van
de sluier en hoofddoek. In landen waar de overheid of drukkingsgroepen
dit verplichten, wordt de sluier gedragen door zowat alle vrouwen: Iran,
Jemen, Saoedi-Arabië en de Golfstaten in haar invloedssfeer. In andere
landen bestaat op dat vlak een meer liberale tendens en is het dragen ervan
een vrije keuze: Jordanië, Syrië, Irak en de meeste landen van
de Maghreb. Ook in Algerije is de symboolwaarde van de sluier geen recent
fenomeen: tijdens de onafhankelijkheidsstrijd (1956-'62), waarin de vrouwen
een zeer actieve rol speelden, was de sluier niet alleen erg praktisch
om zich onherkenbaar te maken in het verzet maar tevens symbool van islamitische
identiteit en oppositie tegen koloniaal-christelijke overheersing. Het
FLN stimuleerde uitingen van de islam als bindmiddel voor de nationalistische
beweging. Omgekeerd poogden de Fransen het afwerpen van de sluier in het
kader van de emancipatiegedachte te gebruiken om hun aanhang te vergroten.
Zowel het laïciserende gedachtengoed als het christendom zijn voor
velen die de koloniale periode meemaakten, onlosmakelijk verbonden met
alles wat het kolonialisme inhield aan politieke, economische en sociale
onderdrukking. De verdediging van de rechten, vrijheid en gelijkwaardigheid
van de vrouw zoals het Westen die, theoretisch althans, voorstond, werd
door moslims die betrokken waren in de strijd voor nationale onafhankelijkheid,
geassocieerd met dit westers imperialisme en met anti-islamitische waarden.
Maar evengoed wordt de sluier de dag van vandaag door Algerijnse vrouwen
die hun verworven vrijheden wensen te behouden, ervaren als "notre étoile
jaune" en geassocieerd met de strijd tegen het groene (islamitische)
fascisme en het nationaal-islamisme.
Niet alleen in de overgang van kolonie
of mandaatgebied naar onafhankelijke staten vormt de link tussen nationalisme
en traditie onderdeel van een machtsstrijd. Het meest uitgesproken voorbeeld
daarvan is het conservatief-nationalistische Iran waar het dragen van de
sluier verplicht is en er een doorgedreven segregatie bestaat tussen de
geslachten in opvoeding en werk. De fundamentalistische versie van de islam
die zich in Iran en van daaruit als exportprodukt manifesteert in een aantal
andere islamitische landen wordt niet door iedereen gezien als een terugkeer
naar de basiswaarden van de religie an sich. Het is volgens Shayegan een
fenomeen waarbij rigoureuze religieuze voorschriften, zoals die inzake
de kledij van vrouwen, een controlefunctie hebben met als doel het staatssysteem
te consolideren. Het regime mobiliseert vooral tegen vrouwen omdat deze
een permanente bedreiging vormen van de nieuwe orde, want zij zijn "des
duivels". De interpretatie die in Iran gegeven wordt aan de moslimwet is
volgens auteur "an attitude much closer to the negative ugliness of
totalitarian regimes rather than to the rather stiff bigotry of traditional
islamic communities."13Een
aantal vrouwen verzette zich tegen initiatieven zoals het herinvoeren van
het tijdelijk huwelijk (mut'a), de verplichting tot het dragen van
de sluier, de vorming van morele brigades, verbod op het bekleden van openbare
functies en dergelijke. Anderen namen een houding aan van masochistische
aanhankelijkheid aan het regime, een gedrag dat volgens voormelde auteur
overeenkomsten vertoont met dat van sommige vrouwen onder de fascistische
regimes in Italië en Duitsland, gekenmerkt door zelfverloochening
en onderwerping in ruil voor de abstracte, breedsprakerige, demagogische
liefde van de duce of Führer. Als specifieke context voor Iran verwijst
de auteur ook naar het feit dat onder het regime van de shah een vrouwenemancipatieproces
werd ingezet als onderdeel van een overhaast doorgedreven modernisering
waarbij de laatste stap, het stadium van politieke omschakeling, uiteindelijk
werd gezet door de nieuwe islamitische orde.
De studie van de context waarin religieuze
symbolen significant worden is een noodzakelijke voorwaarde om zich een
beeld te vormen van de complexiteit van de situatie. De sluier heeft, naast
de religieuze symboliek ook een traditie als verzetssymbool. Een ander
aspect dat bijvoorbeeld nog maar zelden bestudeerd werd is, zoals Marnia
Lazreg het omschrijft: "the strategic uses of the veil and what goes
on under the veil remains a secret".14Overigens
zijn het niet alleen mannen en staatssystemen die sluier en hoofddoek als
symbool van de traditionele deugden kuisheid en gehoorzaamheid propageren:
de reputatie van een jong meisje heeft een directe invloed op de eer en
het aanzien van haar familie en voor veel moeders vergroot het dragen van
hoofddoek of sluier de kans op een goede partij voor hun dochter. Ook schoonmoeders
appreciëren een deugdzame echtgenote voor hun zoon en een gehoorzame
schoondochter. Met de overgang echter van grote familiestructuren naar
gezinseenheden is de controle van familieleden afgenomen. De toenemende
financiële onafhankelijkheid van de buitenshuis werkende vrouwen verstoort
daarenboven de traditionele rolverdeling waarbij de vrouw in ruil voor
haar arbeidskracht, voortplantingsvermogen, gehoorzaamheid en totale beschikbaarheid
van het lichaam in haar financiële behoeften voorzien wordt door haar
echtgenoot. Met de inschakeling van de vrouw in het professionele leven
worden de regels betreffende de kledij meer en meer als hinderlijk ervaren.
Jongere en hoger opgeleide vrouwen zijn niet meer akkoord met de diepgewortelde
ongelijkheid binnen het huwelijk, wat leidt tot conflicten over kledij
en activiteiten buitenshuis.
I.6. Het discours.
Aan de verwarring als gevolg van
diverse interpretaties van de islamitische wet, wordt in de discussie omtrent
het dragen van de hoofddoek bijgedragen door de taalkundige ontwikkeling.
De oorspronkelijke betekenis van "hijab" is gordijn als middel tot
segregatie. De vrouwen van de profeet werden in hun kamers door een gordijn
afgesloten van de buitenwereld om hen te beschermen tegen jaloersheid,
intriges en schandalen. Met de uitbreiding van deze gewoonte tot andere
moslimvrouwen evolueerde de term hijab tot sluier, het middel bij uitstek
om de vrouwen te "beschermen" indien zij zich buitenshuis begaven. Onder
invloed van de hadith onderging het begrip "hijab" een semantische
verschuiving waarbij het concrete aspect een abstracte connotatie kreeg
en bescherming verbond aan de noodzaak tot segregatie van de vrouwen. Deze
associatie had tot gevolg dat na verloop van tijd "hijab" gebruikt werd
voor bedekkende kledij voor vrouwen buitenshuis hoewel de correcte term
voor islamitische bescheiden kledij satr is. In het Westen is de
verwarring, door het oneigenlijk gebruik van "hijab" niet alleen voor sluier
maar ook voor hoofddoek (in het Arabisch khimar) nog groter geworden.
Sjaal, tjsador, sluier, hijab, khimar ... zijn maar enkele termen die door
elkaar gebruikt worden voor een fenomeen dat historisch, linguïstisch,
sociaal en cultureel een sterke evolutie doormaakte die door de huidige
polemiek ongetwijfeld nog in versnelling raakt. Keuze voor een bepaalde
term in de media is daarenboven niet vrijblijvend. De krant Libération
stelde het als volgt:"le mot foulard banalise: ce n'est qu'un morceau
de tissu. Le mot tchador ayatollise. Le mot hijeb maghrébise, voire
folklorise. Le mot voile religionise...".15Het
ligt voor de hand dat de associatie in het collectief geheugen van bijvoorbeeld
de term "tjsador" met het totalitair regime van de Islamitische
Republiek Iran niet van aard is om de angst voor het oprukkend moslimfundamentalisme
de kop in te drukken. Vanzelfsprekend wordt ook op politiek niveau met
het discours gespeeld. Als voorbeeld verwijzen wij hier naar de interpellaties
door het Vlaams Blok in de Vlaamse Raad waarbij Dewinter dubieuze retorische
technieken niet schuwde. In zijn tussenkomst gebruikte hij de termen hoofddoek
en sluier door elkaar, en stelde hij vast dat het dragen van de hoofddoek"ingaat
tegen de integratie van de tweede of derde generatie migranten", alsof
deze integratie een doelstelling zou zijn van het Vlaams Blok. Het dragen
van de sluier werd geplaatst in een ruimer kader van voor interpellant
nog meer verontrustende feiten, zoals: "...zo wordt in sommige scholen
het kruisteken geweerd in de klassen, ... en wordt er zelfs geen varkensvlees
meer opgediend in de refter."16 |
|
II. HOOFDDOEKJESAFFAIRE IN EUROPA
De reacties op de hoofddoekjesaffaire
in verschillende westerse landen maakten nogmaals en ten overvloede duidelijk
dat de religieuze symbolen van (vooral moslim)migranten tot conflictsituaties
leidt. De intensiteit van de discussies varieerde echter van land tot land.
II.1. Frankrijk.
Dat de zaak in Frankrijk tot een
nationale rel leidde, is volgens Haleber17
historisch te verklaren: met de kruistochten en later de Spaanse Reconquista
was een historisch proces in gang gezet waarbij het christendom onderdeel
vormde van de ideologische legitimering van de staat. Dit proces was en
is nog altijd medebepalend voor de visie van de westerse wereld op de Arabische
en vice versa. Met de Franse Revolutie werd de natiestaat gefundeerd op
ideologieën waarbij de radicale scheiding tussen religie en staat
essentieel was voor de maatschappelijke verhoudingen. In 1905 werd de wet
op de Scheiding van Kerk en Staat doorgevoerd en de instelling van het
openbaar onderwijs betekende een overwinning op het onderwijsmonopolie
van de katholieke kerk.
Dat een religieuze affirmering zoals
het dragen van de hoofddoek door moslimmeisjes net moest gebeuren binnen
de "école laique" die gericht is op emancipatie en individuele
zelfbepaling, kreeg dus een sterk geladen betekenis. Daarenboven is het
onderwijs in Frankrijk gecentraliseerd en wordt een conflict snel een zaak
op ministerieel niveau. Op de vraag van toenmalig minister van onderwijs
Jospin of het dragen van de hoofddoek in strijd was met de regels van het
openbaar onderwijs, besliste de Raad van State dat het dragen van religieuze
symbolen toegestaan is mits dit geen provocatie, propaganda of bekeringsijver
inhoudt. Probleemgevallen moesten door de plaatselijke autoriteiten onder
toezicht van een rechter geregeld worden. Dit schiep echter een "wettelijk
moeras" en daarenboven was het aantal moslimmeisjes dat een hoofddoek droeg
in vijf jaar toegenomen van vijf naar zevenhonderd. De Franse minister
van onderwijs, François Bayrou verscherpte de interpretatie van
het advies van de Raad van State in zijn circulaire van 20 september 1994:"het
is onaanvaardbaar dat op school steeds meer symbolen aanwezig zijn die
zo ostentatief zijn dat ze bepaalde leerlingen afzonderen van de gemeenschappelijke
leefregels van de school." De directeurs werd gevraagd "zo vriendelijk
te willen zijn om het verbieden van deze symbolen voor te stellen aan de
raad van bestuur."18
II.2. Nederland.
Zoals hoger vermeld, komt de term
hijab in de koran slechts zeven keer voor. Als richtlijn is dit, indien
men een kwantitatieve parameter zou gebruiken en het voorkomen van de term
vergelijkt met het aantal verzen waaruit de koran bestaat, een smalle basis.
De islam beroept zich echter ook op andere bronnen die even bindend zijn
als de koran om gedragsregels voor de moslims vast te leggen. Het verwaarlozen
van deze specificiteit lag mede aan de basis van het hoofddoekjesprobleem
in Alphen aan de Rijn toen in '85 het gemeentebestuur aan Professor J.
Brugman van de universiteit Leiden vroeg of de koran moslimmeisjes het
dragen van een hoofddoek voorschrijft. De professor meldde dat dit niet
het geval was. Op basis hiervan verbood de wethouder het dragen van de
hoofddoek, de consequentie van een vraag en antwoord waarbij geen rekening
werd gehouden met het feit dat de islam ook op andere bronnen gefundeerd
is. Dit misverstand is in niet onbelangrijke mate te verklaren door het
feit dat het protestantisme gebaseerd is op een concept betreffende legitimiteit
van religieuze bronnen dat lijnrecht staat tegenover dat van de islam.
Het protestantisme gaat uit van het "Sola Scriptura"-principe waarbij een
religieuze regel die niet voorkomt in de Heilige Schrift, niet gewettigd
is. Dit is niet het geval in andere religies, en zeker niet in de islam,
waar een aantal interpretaties van het leven en de gezegdes van de profeet
Mohammed deel uitmaken van de grondslagen van de islamitische wet.
In Nederland worden maatschappelijke
en belangengroeperingen, als onderdeel van de overlegdemocratie, betrokken
bij de beleidsvorming. Het onderwijs aan minderheidsgroepen is gericht
op de mogelijkheid in de samenleving te participeren "vanuit hun eigen
culturele achtergrond".19
Vanwege de overheid is er enkel de vage aanwijzing dat de elementen daarvan
niet strijdig mogen zijn met de basiswaarden van de Nederlandse samenleving.
Minister van Onderwijs en Wetenschappen Deetman besliste na overleg dat
het verbieden aan leerlingen een hoofddoek te dragen niet past in de huidige
samenleving. Scholen oordelen zelf over wat mag en niet mag.
II. 3. Groot-Brittannië.
In Groot-Brittannië was het
aantal conflicten in verband met het dragen van de hoofddoek beperkt. Er
is geen grondwettelijke scheiding tussen kerk en staat: de Anglicaanse
kerk is er staatskerk. Het onderwijssysteem is er gedecentraliseerd. Bovendien
hebben de meeste migranten de Britse nationaliteit en zijn zij voor lokale
politici belangrijk als stemgerechtigden. Toen in '90 twee zusjes door
de directeur naar huis werden gestuurd omdat zij plots met een hoofddoek
op school verschenen, werd na een crisisvergadering van het schoolbestuur
beslist het huisreglement te wijzigen: hoofddoekjes werden toegestaan mits
gedragen in de kleur van het schooluniform en indien zij geen risico inhielden
voor de gezondheid.
In verschillende Europese landen
waar het hoofddoekjesprobleem zich stelde, werd het door extreem rechts
gebruikt om zich politiek te profileren. In Nederland ontvingen 25 Limburgse
scholen het advies van het Nederlands Blok om alle islamitische meisjes
met hoofddoek van school te sturen. Hiermee wilde het Blok opkomen voor
de katholieke waarden en normen20.
In Frankrijk vond Le Pen de hoofddoekjes een provocatie. Een katholiek
kruisje mocht wel omdat dit discreet onder de kleren kan gestopt worden.
II. 4. België.
Dit was in België niet anders.
In 1989 verboden de directies van enkele gemeentescholen uit het Brusselse
het dragen van de hoofddoek aan moslimmeisjes. Dit verbod werd genegeerd
en de meisjes buitengezet. De toenmalige conservatieve Saoedische imam
van het Islamitisch Culturreel Centrum (I.C.C.) stelde in een interview"dat
moslims beter uit België vertrekken als ze de echte islam niet kunnen
beleven. De hoofddoek is heilig want de richtlijnen daaromtrent staan in
de koran en die is niet voor compromissen vatbaar." Vanzelfsprekend
was dit koren op de molen van het Vlaams Blok: de reactie van Philip Dewinter
was dan ook dat de imam dat dan maar moest doen21.
Jammer genoeg is het zo dat uitspraken
zoals van het I.C.C. door velen als representatief worden beschouwd voor
de hele islamitische gemeenschap.
Nochtans bestaat er in dit land een
grote diversiteit aan moslimverenigingen, met de daarmee gepaard gaande
meningsverschillen en belangentegenstellingen. Deze liggen overigens aan
de basis van een verregaand gebrek aan onderliggende samenwerking. Het
aantal moslims dat deel uitmaakt van een organisatie die zich radicaal
opstelt wordt door Alain Grignard op 2% geschat22.
Via moskeeën en socio-culturele organisaties pogen zowat alle landen
van herkomst controle uit te oefenen op hun uitwijkelingen in Europa23.
Het I.C.C. te Brussel is financieel afhankelijk en vertolkt de standpunten
van Saoedi-Arabië. Het heeft dus geen zeggenschap over de Turkse moslimgemeenschap,
die de tweede grootste is in België. Naar aanleiding van de hoofddoekjesaffaire
publiceerde de imam van het I.C.C. op 1O november 1989 een officiële
verklaring gericht aan de islamleerkrachten. Daarin wordt gesteld dat
"de islamitische vrouw zich op een waardige wijze moet kleden: d.w.z. het
ganse lichaam bedekken van het hoofd tot de enkels." Het doel daarvan
is haar "te beschermen van al wat haar moreel naar beneden kan halen.
Het is geen gewoonte of plaatselijk gebruik waar men komaf zou kunnen van
maken... de kleding is nooit een rem geweest voor de ontwikkeling van de
islamitische vrouw." Op onze schriftelijke vraag in het kader van deze
bijdrage naar een recenter standpunt ontvingen wij van het Centrum geen
antwoord maar uit een artikel in Klasse blijkt dat het I.C.C. het
dragen van de hoofddoek niet als een koranieke verplichting beschouwt24.
Ondanks het feit dat op 1 december
1989 het verbod op het dragen van islamitische hoofddoekjes geannuleerd
werd door de Rechtbank van Eerste Aanleg in Brussel (een vonnis dat bevestigd
werd in 1990) op basis van de onderwijswet van 1959 die neutraliteit en
respect voor godsdienstvrijheid stipuleert, bleef de hoofddoek onderwerp
van politieke en publieke discussie.
In België stelt zich het bijkomend
probleem dat het onderwijs in de islamitische godsdienst niet op punt is
gesteld. De godsdienstleerkrachten worden aangesteld, betaald en in principe
benoemd door de staat op voorstel van een organisme dat de religieuze gemeenschap
vertegenwoordigt. In de praktijk was dit voor de moslimgemeenschap jarenlang
het Islamitisch Centrum te Brussel, tot onvrede van de Belgische politieke
klasse en van moslimgemeenschappen die de representativiteit van het I.C.C.
betwisten. De Hoge Islamitische Raad die deze vertegenwoordigende functie
moet overnemen, komt omwille van interne tegenstellingen en meningsverschillen
desbetreffend van de Belgische instanties, niet van de grond25.
II. 5. Beschouwingen.
Wat de praktijk betreft, is er natuurlijk
een even grote verscheidenheid in de kledij van moslimvrouwen in het Westen
als in de Arabische wereld. Hoewel de grote meerderheid van de jongere
generaties geen hoofddoek draagt, kan niet ontkend worden dat dit kledingstuk
meer in het straatbeeld voorkomt dan enkele jaren geleden. Is dit echter
een uiting van toegenomen religiositeit of is er meer "coming out" en dus
meer bewegingsvrijheid voor traditioneel-gelovige moslimvrouwen? Men mag
niet uit het oog verliezen dat de sluier een traditie heeft als protestsymbool,
wat zich in de westerse context kan vertalen als het dragen van de hoofddoek
om zich af te zetten tegen behandeling als tweederangsburgers. Dit is echter
slechts een deelaspect van een complexe situatie. Bestaat er niet de mogelijkheid
dat de hoofddoek een emancipatorisch effect teweegbrengt dat wij ons vanuit
tal van associaties moeilijk kunnen voorstellen? Ontnemen wij door onze
visie ("de hoofddoek is een uiting van onderdrukking van de vrouw") de
moslimvrouwen niet de kans om zich te manifesteren? Verhinderen wij vrouwen,
die een religie belijden die uitgaat van de mannelijke superioriteit en
die vrouwen politieke, economische, juridische gelijkheid ontzegt, de mogelijkheid
om deze religie in een eigentijds kader te plaatsen ? Anderzijds is het
risico groot dat door zich in te passen in een ideologie die uitgaat van
een sexuele hiërarchie de vrouwenemancipatie het individuele niveau
niet overstijgt26.
Het zou natuurlijk mooi zijn indien alle moslimvrouwen ter wereld in een
groots symbolisch gebaar hun sluiers en hoofddoeken afgooiden maar als
structurele oplossingsmethode is dit niet meer waard dan het verbranden
van b.h.'s door Dolle Mina's. Moslims in de westerse wereld ontlenen aan
de confirmatie van een succesvolle, wereldwijde religie een status. In
veel gevallen is het "één van de weinige gebieden waarbinnen
ze op hun intellectuele capaciteiten worden aangesproken."27
Voor moslimvrouwen in dezelfde situatie geldt dit dubbel: niet alleen moeten
zij zich waarmaken voor de buitenwereld maar tegelijk binnen hun eigen
gemeenschap. |
|
III. CASE STUDY VAN EEN HOOFDDOEKJESAFFAIRE
IN HET GENTSE ONDERWIJS.
Het gebrek aan coherente richtlijnen
van overheidswege leidde op lokaal vlak tot een aantal rechtszaken omwille
van geschillen tussen moslimouders en de inrichtende machten.
De evolutie van een hoofddoekjesprobleem
dat zich stelde in het Gentse vatten wij samen aan de hand van een interview
met de moeder van het gezin dat het recht opeiste voor de dochters om een
hoofddoek te dragen in de klas, het verslag van het kortgeding voor de
rechtbank van Gent28,
schoolreglementen, circulaires en persartikelen.
Uit de schets van de familiale achtergrond
die de moeder ons geeft, blijkt dat vader afkomstig is uit Mauretanië
en 25 jaar in België woont; moeder is Belgische en ongeveer 20 jaar
geleden tot de islam bekeerd. Na een verblijf van 3,5 jaar bij de familie
van de man in Mauretanië kwam dochter F. op 12-jarige leeftijd weer
bij haar ouders in België wonen. Door een achterstand in schoolse
vorderingen kon zij niet terecht in het secundair onderwijs en werd zij
ingeschreven in het vijfde leerjaar van een stedelijke lagere school. Daarna
werd geopteerd voor beroepsonderwijs in een vrije secundaire meisjesschool
omdat zij niet gewend was aan contact met jongens en de ouders dit ook
niet wensten te stimuleren. Bij inschrijving ondertekende de moeder het
schoolreglement dat bepaalde: "mutsen, hoeden en hoofddoeken worden
eenmaal binnen de school afgedaan - lange haren worden samengebonden. Er
worden geen uitzonderingen geduld!". In die periode echter was F. "volwassen"
geworden, wat volgens de islam het geval is met de eerste menstruatie.
Volgens de interpretatie van de koran die de ouders volgen, was ze vanaf
dat ogenblik verplicht een hoofddoek te dragen. De ouders beroepen zich
ook op de vrijheid van godsdienst en eredienst, gegarandeerd door de Belgische
grondwet en internationale verdragen. Het verbieden ervan wordt beschouwd
als discriminatie. Dit standpunt wordt ook ingenomen door de Liga van de
Mensenrechten die hiervoor verwijst naar het Internationaal Verdrag inzake
burgerlijke en politieke rechten dat ook door België is geratificeerd.
Wat betreft beperkingen aan de uitoefening van de vrijheid van godsdienst
wordt gesteld dat deze "vanuit andere rechten moeten verantwoord worden.
Dergelijke beperkingen mogen niet verder gaan dan noodzakelijk om de andere
rechten te vrijwaren."29
In een kortgeding op 25 maart 1994 werd de eis van de ouders door de rechtbank
van Gent ongegrond verklaard onder andere op basis van het feit dat de
rechtsverhouding tussen de ouders van een leerling en een vrije school
van contractuele aard is en dat de ouders het reglement ondertekenden.
De rechter respecteerde de bindende kracht van het contract. Een ander
argument was dat het verbod zoals vervat in het schoolreglement geldt voor
alle meisjes en er dus geen inbreuk is op de vrijheid van eredienst. Er
wordt ook verwezen naar het standpunt van de Imam van de Moskee te Brussel
die in een brief van 21 juni '89 stelde dat het dragen van een hoofddoek
geen koranische verplichting is. Dit werd door de ouders aangevochten op
basis van het feit dat de imam één stroming vertegenwoordigde
en dat hij geen zeggenschap had vermits er in de islam geen hiërachie
bestaat. De ouders gingen in hoger beroep waar de uitspraak van de eerste
rechter bevestigd werd. Het probleem stelde zich eveneens in een lagere
school van het stedelijk net waar twee jongere dochters (X., twaalf, en
A., tien jaar oud) ingeschreven waren. Alhoewel de meisjes nog niet verplicht
waren de hoofddoek te dragen, wensten de ouders dit toch te stimuleren
om de meisjes en hun omgeving eraan te wennen.
Als verschilpunt tussen het geval
op de vrije en dat op de stedelijke school is er in de eerste plaats het
feit dat, toen het probleem zich initieel stelde, de twee jongste kinderen
die in het stedelijk net les volgden nog niet, zelfs niet op basis van
strikte religieuze richtlijnen, verondersteld werden een hoofddoek te dragen.
Een tweede onderscheid is dat er op dat ogenblik binnen het stedelijk onderwijs
geen "contract" bestond tussen ouders en schoolgemeenschap waarin de problematiek
van het dragen van expliciete religieuze en/of culturele uitdrukkingsvormen
ondervangen werd. Een directie besliste bijvoorbeeld dat hoofddoeken ook
niet mochten gedragen worden op de speelplaats "wat naar verluidt ook
problemen doet rijzen voor de ingeduffelde niet-islamitische leerlingen."30
Voor de oplossing van de lokale hoofddoekjesproblematiek
baseerde het stadsbestuur zich op een beslissing van de Vlaamse regering
van 13 maart 1991 die een school het recht geeft een reglement op te stellen.
De inschrijving in een school impliceert dat men het schoolreglement accepteert31.
Het Stedelijk Onderwijs formuleerde in '92 een Opvoedingsproject waarin
gesteld werd:
"de stedelijke onderwijsinstellingen...confronteren
uiteenlopende opvattingen. Ze dragen bij tot de kritische en creatieve
integratie van jongeren in de multiculturele maatschappij".
Het institutionaliseren van het eigen
karakter van de diverse scholen vormde vanaf september '94 de basis van
een systeem waarbij elke school een reglement met eigen accenten ter goedkeuring
voorlegt aan het College van Burgemeester en Schepenen. In tegenstelling
tot het "Schoolreglement van de Stad Gent", dat een overkoepelende
functie heeft en waarin met geen woord gerept wordt over vestimentaire
aangelegenheden, bepaalt een "Reglement van de School" onder andere
of de leerlingen al dan niet een hoofddeksel mogen dragen. Beide stukken
moeten door de ouders ondertekend worden. Het reglement van de school wordt
ter advies voorgelegd aan de lokale participatieraad die samengesteld is
uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende macht, de ouders,
het personeel en de lokale gemeenschap.
In de zitting van 1 maart '94 had
het College van Burgemeester en Schepenen tevens beslist om een "commissie
voor studie" een dossier te laten samenstellen voor een beslissing
genomen werd betreffende de islamitische hoofddoek. In dit kader werd ook
het advies gevraagd van een wetenschappelijk medewerker van de Genste universiteit,
zelf moslim. Deze stelde dat het verbieden van de hoofddoek de persoonlijke
evolutie van jonge moslimmeisjes op hun eigen ritme (of dat van de ouders),
de ontdekking van de buitenwereld met haar nieuwe waarden en de vorming
van een relativerende attitude zou kunnen bemoeilijken. Volgens dezelfde
schrijver zou de gewoonte van het dragen van een hoofddoek met de volgende
generaties vanzelf afnemen.
Op 21 september '94 weigerde de moeder
zich akkoord te verklaren met beide reglementen in de school van haar jongste
dochter. Hiervoor werd als argumentatie aangevoerd dat het schoolreglement
discriminerend is en vooral gericht tegen de moslimjongeren. Als gevolg
daarvan verzocht de directie om A. te laten inschrijven in een andere school
waar de moeder zich wel akkoord kon verklaren met het reglement. Die keuzemogelijkheid
was inderdaad geschapen sedert 1 september vermits onder andere 5 basisscholen
het dragen van hoofddeksels in de lokalen tijdens de lesuren hadden toegestaan.
De moeder weigerde dit en A. bleef verder de lessen volgen, zij het zonder
hoofddoek. De reglementen zijn nog steeds niet ondertekend. X. was intussen
overgegaan naar een secundaire school van de Argo waar zij een hoofddoek
mocht dragen en de turn- en zwemlessen volgde in voor haar aanvaardbare
kledij. Voor F. werden tevergeefs verschillende beroepsscholen verzocht
haar in te schrijven met hoofddoek. Zij werd tenslotte probleemloos aanvaard
in een provinciale secundaire school met als enige voorwaarde dat ze alle
lessen bijwoonde.
Dat de moeder zichzelf een strijdbare
voortrekkersrol toekent, heeft te maken met het doel dat ze zich gesteld
heeft. Naar eigen zeggen vertolkt ze wat leeft bij veel moslimmigranten
die echter uit schrik voor represailles (niet-verlengen van paspoort, moeilijkheden
bij bezoek aan thuisland) en taalproblemen niet voor zichzelf kunnen opkomen.
Het Centrum voor Gelijke Kansen en
Racismebestrijding raadde in mei '94 de scholen aan geen al te dogmatische
houding aan te nemen en enkel op te treden bij aanwijzingen van manipulatie
of radicale religieuze houding waarvan andere leerlingen hinder zouden
ondervinden. Navraag bij de verschillende Vlaamse integratiecentra toont
aan dat zij de visie zoals geformuleerd door het overkoepelende Vlaams
Centrum voor Integratie van Migranten delen: een absoluut verbod is onaanvaardbaar
en het is onverstandig om over de hoofddoek een politieke rel uit te lokken.
Wij ontvingen reactie van acht Vlaamse integratiecentra waaruit blijkt
dat
"een hoofddoekjesprobleem
zich in de praktijk zelden stelt. De ervaring leert dat de hoofddoek vooral
in de ogen van de autochtonen allerlei symbolische betekenissen krijgt
die meestal niet aansluiten bij de beleving zelf. Van enkele zeldzame individuele
gevallen wordt door de media een groot probleem gemaakt. Het dragen van
de hoofddoek mag geen aanleiding zijn tot het weigeren van de toegang aan
de betrokken persoon. De school kan enkel beperkingen inbouwen wanner leerlingen
uiterlijke kenmerken hebben die tegen de democratie ingaan, onhygiënisch
zijn of op een andere manier anderen in gevaar brengen. Het innemen van
een principieel standpunt in de zaak is uit den boze: elk geval vraagt
een individuele beoordeling en een pragmatische oplossing in samenspraak
met de betrokkenen." 32
Ook de moeder van het Gentse gezin ontving
de aanmaning van het Centrum voor Gelijke kansen om niet te provoceren.
Voor deze bijdrage peilden wij ook
naar de opinies van de Arabische ambassades in België. Wij ontvingen
antwoord van de ambassades van de Democratische Volksrepubliek Algerije
en van de staat Koeweit. De eerste stelde dat
"le droit positif algérien
ne réglemente en aucune façon le comportement vestimentaire
des nationaux qu'ils vivent en Algérie ou à l'étranger,
s'agissant d'un choix personnel issue de la jouissance d'une liberté
fondamentale telle consacrée par la constitution algérienne
du 23 février 1989."
De ambassade van Koeweit gaat uit van
de verplichting voor elke volwassen moslimvrouw om de sluier te dragen.
Zij verwijst naar artikel 1 van "the World Declaration relating to abolition
of all forms of fanaticism and dicriminations in religions" waardoor
elk individu het recht heeft zijn geloof te uiten. Er wordt aan toegevoegd:"...it
is possible to reach many noble objectives such as forgiveness, friendship
between nations or racial and religious groups. These objectives should
be the aim of all nations."
IV. BESLUIT.
De meeste betrokken partijen zijn
erop gesteld om escalatie van de problematiek te vermijden. Ook de tussenkomst
van de imams (wiens functie zich niet meer beperkt tot voorgangers in het
gebed maar die vaak bemiddelend optreden) in de door ons bestudeerde Gentse
context droeg bij tot een beter contact tussen de betrokken partijen. Met
een migrantenpopulatie die in de Gentse agglomeratie ongeveer 8% bedraagt,
is samenwerking tussen de verschillende actoren geen onverstandige optie.
Dat de problematiek van de hoofddoekjes
op school nog altijd behandeld wordt in de gedoogzone (staan wij hen dit
toe of niet?) is onvermijdelijk zolang de rechten en plichten van minderheidsgroepen
niet klaar en duidelijk omlijnd zijn en in praktijk worden gebracht. Het
blijft een zaak van onze tolerantie tegenover hun afwijkend gedrag. Zelfs
indien de multiculturele maatschappij gerealiseerd was naar ieders genoegdoening,
dan nog waren botsingen tussen die culturen niet uit te sluiten: iedereen
wenst eigen grenzen af te bakenen met zo min mogelijk verlies van eigen
waarden. De in deze bijdrage behandelde thematiek speelt zich af op het
raakvlak van de verworvenheden van de seculiere maatschappij enerzijds
en die van een bevolkingsgroep die haar cultureel-religieuze waarden wenst
te behouden anderzijds. De belangenverwezenlijking wordt door beide partijen
als aan elkaar tegengesteld en fragiel ervaren. Polemiek en gerechtelijke
acties tussen moslimouders en Belgische scholen waren uitzonderlijke gevallen
die wel veel media-aandacht kregen. Dit fenomeen is echter typerend voor
alles wat te maken heeft met de relatie tussen de westerse en de Arabische
wereld en beïnvloedt die dan ook zeer sterk.
_________________________
 |
|
NOTEN:
1. SIBLOT, P., 'Quand la France se voile la face',
in BASFAO, K., en J.-R. HENRY, 1992, Le Maghreb, l'Europe et la France,
CNRS Parijs, p. 361.
2. Over deze "uiterst ongelukkige", maar
ingeburgerde term, zie W.A.R.Shadid en P.S.van Koningsveld, 'Moslims
als Minderheid: Vergruizeling van het westerse islambeeld', in de bundel
Tolerantie Getolereerd? (1996), p. 57, maar ook op
deze site.
3. Arabische term
cilm
al fiqh. Ze bestaat uit commentaren op de wetsbepalingen die
uit de hadith (overlevering van daden, gezegden en stilzwijgende
goedkeuring van de profeet Mohammed) moesten afgeleid en begrepen worden.
Deze studie wordt aangeduid als ijtihad: het zich beijveren om gods
wil te doorgronden. Het tijdperk van de zelfstandige arbeid op gebied van
de fiqh is afgesloten d.w.z. dat zowel geleerden als leken verplicht zijn
tot taqlid: het als gezaghebbend erkennen van wat vroegere autoriteiten
vastgelegd hebben. Tot een eigen oordeel kan niemand zich nog bevoegd achten.
De onfeilbare grondslagen (wortels) van de fiqh zijn: de koran, de sunna
(levensloop van de profeet), de ijmah, of consensus: de overeenstemmende
mening van alle in een zeker tijdperk levende moslimgeleerden (alle volgende
geslachten zijn door ijmah gebonden), en qiyas, of redenering
naar analogie: het overbrengen van een boodschap van de "wortel" (namelijk
het uitdrukkelijk in de gewijde bronnen geformuleerd geval) op een "tak"
(een ander, niet in de tekst genoemd geval).
4. Voor meer informatie over de verschillende
betekenissen van "hijab", zie: LEWIS, B., V.L. MENAGE, CH.
PELLAT, J. SCHACHT, 1971, The Encyclopaedia of Islam, E.J. Brill,
Leiden, volume III, pp. 359-361; ook STOWASSER, B.F., 1994, Women in
the Qur'an, Traditions and interpretation, Oxford University Press,
p. 90. [Nu ook: het artikel "hijâb", door Fadwa EL GUINDI,
in The Oxford Encyclopedia of the Modern Islamic World, vol. II
(Oxford 1995), pp. 108-111; en vooral het boek van dezelfde auteur, Veil:
Modesty, Privacy and Resistance, in de reeks "Dress Body Culture",
Berg, Oxford -New York 1999. Zie ook De 'hoofddoek': Moslim-zijn in
de lekenstaat, FoGI-Dossier samengesteld door H.De Ley, Gent 1998.
Voor een moslim web site die het verzet tegen het verbod op de hijab internationaal
coördineert, zie Nassira
Network, e-mail: abdelmalek@nassira.net]
5. Andere relevante verzen zijn: 24;30-31 (betreft
de khimar, hoofdbedekking) en 33;59 (betreft de jilbab, mantel).
6. De vier erkende (Soennitische) rechtsscholen
of wetsrichtingen zijn: de Malikitische, de Shafi'itische, de Hanafitische
en de Hanbalitische, genoemd naar de stichters-wetsgeleerden. Om historische
redenen is hun toepassingsgebied vooral geografisch bepaald. Meer hierover
o.a. in WAARDENBURG, J., red., 1987, Islam. Norm, ideaal en werkelijkheid,
Het Wereldvenster, Houten, p. 175.
7. Hadith: het corpus van "tradities",
door generaties overgeleverd die de daden en uitspraken van de profeet
Mohammed beschrijven.
7bis. NASR, S.H., 1994, Traditional Islam in the Modern World,
London & New York.
8. MERNISSI, Fatima, 1994, Achter de sluier,
De Geus, Breda.
9. Uit: Het Nieuwsblad, van donderdag 6
februari 1992, onder de titel: De weldoende scheiding der geslachten.
10. SHERIFF, Sarah, 1989, Women's rights in
Islam, Londen, p. 5.
11. SAID, Edward W., 1981, Covering Islam.
How the media and the experts determine how we see the rest of the world,
Routledge and Kegan, Londen, p.XVI.
12. "Muhammad Abdu... generally considered
as the founder of the modern reformistic movement in Islam... His ideas
in the fields of politics and religion: in the former a patriotic liberalism...;
in the latter a spiritual renaissance by which true islam, purified from
the formalism of an antiquated scholastic theology, could be brought into
harmony with modern, scientific thought... a convinced advocate of a close
synthesis of western and eastern civilisation" , RONART, S. en N. RONART,
1959, Concise Encyclopaedia of Arabic Civilization, Djambatan
Amsterdam, p. 385.
13. SHAYEGAN, D., 1992, Cultural Schizophrenia.
Islamic Societies confronting the West, Al Saqi Books Londen, p.93.
14. LAZREG, M., The Eloquence of Silence. Algerian
Women in Question, 1994, Routledge New York-London, p. 14.
15. Libération, 18 november 1990.
16. Beknopt verslag van de Vlaamse Raad, dd. 17
februari 1993.
17. HALEBER, R., 1992, Islam en humanisme,
de wereld van Mohammed Arkoun. Met de medewerking van P.S.van Koningsveld,
V.U., Amsterdam.
18. Citaten overgenomen uit De Morgen dd.
22 september 1994.
19. COPPES, Rosan, 1994, 'Niet zomaar een stukje
stof. Hoofddoekjesaffaire in Frankrijk, Nederland en Groot-Brittannië',
in Sociologische Gids, 94/2, uitg. Boom Amsterdam.
20. Uit: De Limburger van woensdag 15 februari
1995.
21. Uit De Morgen dd.10/02/1990.
22. BISTOLFI, R en F. ZABBAL (Eds.), 1995, Islams
d'Europe. Intégration ou insertion communautaire?, éd.
de l'Aube, La Tour d'Aigues, p. 115.
23. Voor een grondige behandeling van dit onderwerp
verwijzen wij naar: SHADID, W.A.R. en P.S. VAN KONINSVELD (1995), Religious
Freedom and the Position of Islam in Western Europe, Kampen, Kok Pharos,
Nederland;
BISTOLFI, R. & ZABBAL F. (1995), o.c.
24. KLASSE, Ministerie van Onderwijs, mei
1994, nr. 45, artikel onder de titel: Schending godsdienstvrijheid, p.
14.
25. [Ondertussen werd in 1999 de zgn. Executieve
van Moslims van België geïnstalleerd en door de Belgische
staat erkend als "Hoofd van de Islamitische Eredienst" (K.B. van
3 mei 1999, Belgisch Staatsblad dd. 20.05.1999; in het K.B. van
4 mei 1999 werden de 16 leden ervan erkend). Voorzitter ervan is dhr. Nordin
Maloujahmoun].
26. Zie hierover ook: JANSEN, W. (red.), 1985,Lokale
Islam, Geloof en ritueel in Noord-Afrika en Iran, Muiderberg. [Voor
de bredere context van de Europese natie-staat, in comparatistisch perspectief,
zie nu Leora AUSLANDER, 'Bavarian Crucifixes and French Headscarves: Religious
Signs and the Postmodern European State', in: Cultural Dynamics,
Vol. 12, N° 3, November 2000, pp. 283-309].
27. Uit: HOFFMAN E. en W. ARTS, 1994, Interculturele
Gespreksvoering, Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Zaventem, p. 88.
28. Verschenen in het Tijdschrift voor Gemeenterecht.
29. Uit: Tijdschrift V.S.O.P., nov.-dec.
1994, Over het dragen van de hoofddoek in het onderwijs, C.S.C. Gent-Eeklo,
21ste jg., nr. 2.
30. Uit: De Morgen, dd. 22/03/94.
31. VENY, L., 1990, Rechtsbescherming in het
onderwijs, Die Keure, Brugge.
32. De tussen aanhalingstekens geplaatste opmerkingen
zijn een compilatie van de reacties die wij ontvingen van: V.C.I.M. Brussel,
Foyer Brussel, Centrum Buitenlandse Werknemers Borgerhout, Provinciaal
Integratie Centrum Migranten Antwerpen Boom, Regionaal Integratiecentum
Migranten Oost-Vlaanderen St.-Niklaas, Lokaal Integratiecentrum Merksem-Luchtbal,
Lokerse Integratiedienst, Lokaal Integratiecentrum St.-Niklaas. Waarvoor
onze dank.
 |
|
*
Gepubliceerd in: Ruddy DOOM (Ed.), Tolerantie Getolereerd? Islamitische
en Westerse Opvattingen. (Tegenspraak, Cahier 16), Gent 1996,
pp. 149-163.
© Mys & Breesch, uitgevers: e-mail:
<Publishers@Mys-Breesch.be>
Enkele noten werden met meer recente gegevens
geactualiseerd.
Info: Dra Michèle Goethals <michele.goethals@skynet.be> |
|