Europa en haar "identiteit": De zondebokken
van Europa
Europalezing
2000door
Raymond
Detrez
|
‘… dan zal hij den levenden bok brengen, en
Aäron zal zijn beide handen op den kop van den levenden bok leggen
en over hem al de ongerechtigheden der Israëlieten en al hun overtredingen
in al hun zonden, belijden; hij zal die op den kop van den bok leggen en
dien door iemand, die daarvoor gereed staat, naar de woestijn laten brengen.
Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een onvruchtbaar
land …’ (Lev. 16: 21).
U kunt ze zich nog herinneren: de Hongaarse grenswachters
in hun groene uniformen die met zware metaalscharen gaten knipten in het
prikkeldraad langs de Oostenrijkse grens; de Oost- en West-Berlijners die
een gat hakten door de met graffiti beschilderde muur en elkaar onder tranen
in de armen vielen; de manifestanten in Praag die hun sleutelhangers lieten
rinkelen aan de voet van het standbeeld van de Tsjechische patroonheilige
Vacláv; de burgers van Boekarest die het echtpaar Ceausescu van
het balkon van het Partijgebouw joelden. Het IJzeren Gordijn, dat Europa
bijna vijftig jaar lang verdeeld had, werd eindelijk neergehaald.
Het was een vruchtbare tijd voor publicisten met
zin voor het visionaire. Het discours over de Europese identiteit, dat
al enkele decennia meedraaide onder de benaming ‘Europese Gedachte’ - om
zijn gedram ook wel eens de ‘Zeuropese gedachte’ genoemd -, kreeg opeens
een nieuwe dynamiek en een nieuwe dimensie. Oost-Europa, zo luidde het,
was sinds de Tweede Wereldoorlog onder de knoet van een Aziatisch despotisme
van zichzelf vervreemd geraakt; alleen West-Europa had de authentieke Europese
waarden levend gehouden. De landen van Oost-Europa schudden de bolsjevistische
dictatuur af en gingen net zo democratisch worden als West-Europa. Daarmee
zou Europa, net als Duitsland, weer ééngemaakt zijn.
Maar er stelde zich een conceptueel probleem. De
Europese Gedachte, die de diverse politieke en economische Europese instellingen
ideologisch legitimeerde, was sinds de stichting van de Raad van Europa,
de NAVO en de EGKS rond 1950 een West-Europese aangelegenheid geweest.
De Europese Gedachte had zich ontwikkeld zonder rekening te houden met
Oost-Europa en nog vaker juist in een geest van vijandigheid jegens Oost-Europa.
Na 1989 moest de Europese identiteit dan ook grondig herdacht worden. Als
ook de landen achter het voormalige IJzeren Gordijn tot Europa behoorden,
dan moest Europa anders gedefinieerd worden of aan die landen een Europese
identiteit toegeschreven worden. Maar hoe? En behoorden ál die landen
achter het neergehaalde IJzeren Gordijn tot Europa? Waar hield Europa eigenlijk
op?
Het antwoord op die vraag was méér
dan een academische aangelegenheid of een journalistieke Spielerei.
De toekenning van een ‘Europese identiteit’ zou immers bepalen welke volken
en staten ‘erbij hoorden’ en welke andere ‘uitgesloten’ bleven. ‘Erbij’
of ‘niet erbij’ had uiteindelijk betrekking, niet op een of ander abstract
Europa, maar op de Europese Unie. En de Europese Unie ging over economische
belangen. Over de vraag tot hoever in het oosten de Europese identiteit
zich zou uitstrekken beslisten uiteindelijk niet de denkers over Europa,
maar politici en Eurocraten en vooral managers, aandeelhouders en bankiers.
Die hadden al becijferd wat een uitbreiding van de Europese Unie kon opbrengen
toen de Koude Oorlog nog warm was. Het draaide erop uit dat de denkers
over Europa dié Oost-Europese volken of staten een Europese identiteit
toedachten, die voor West-Europa economisch interessant waren. Denkers
die anders dachten waren dromers.
Ik wil het hier hebben over de constructie van
de Europese culturele identiteit sinds het einde van de Koude Oorlog in
1989. Om misverstanden te vermijden wil ik eerst nog twee opmerkingen maken.
De constructie van de Europese culturele identiteit wijkt nauwelijks af
van de wijze waarop in de 19de eeuw en in sommige achtergebleven
gebieden vandaag nóg nationale identiteiten worden geconstrueerd.
Binnen de Europese Unie wordt gewerkt aan een soort van Europese natie.
Op basis van het voorhanden zijnd historisch, taalkundig, religieus, artistiek
en ander materiaal wordt een min of meer coherent, idyllisch of pervers
verhaal gecreëerd over de eigen aard en geschiedenis, waarbij pour
les besoins de la cause het ene wordt weggemoffeld en het andere bijgefantaseerd.
Culturele identiteit is dan ook in vele opzichten veeleer een kwestie van
geloof dan van wetenschap. Wie gelooft in het bestaan van een bepaalde
culturele identiteit ziet ze overal; wie er niet in geloofd ziet ze nergens.
Dat maakt erover praten net zo moeilijk als de discussie over het godsbestaan.
Maar het geloof in een culturele identiteit op zich is natuurlijk, net
als het ‘echte’ geloof, in Hem, een reëel gegeven en kan enorme sociale
en politieke krachten losmaken.
Ik ben niet van oordeel dat culturele identiteit
- in een andere betekenis van dat woord - niet bestaat. De sociologie,
de culturele antropologie, de geschiedkunde en andere wetenschappen beschikken
over degelijke methoden om de collectieve waarden, die aan de basis liggen
van culturele identiteit, adequaat te beschrijven. Misschien bestaat er
wel een systeem van morele, religieuze, sociale, esthetische en andere
waarden dat alle inwoners van Europa gemeen hebben en dat hen onderscheidt
van niet-Europeanen. Maar wat politici en nationale en Europese ideologen
onder culturele identiteit verstaan is een intellectuele constructie die
met een wetenschappelijk beschrijfbare, sociologische realiteit niets te
maken heeft. Die constructie wil in het beste geval de eigenliefde strelen
en het slechtste bepaalde groepen tegen hun zin insluiten of uitsluiten.
De constructie van de Europese culturele identiteit
heeft enig hersenwerk vereist. Nationale identiteiten worden veelal geconstrueerd
uit etno-culturele kenmerken: taal, religie, cultuur, historisch verleden.
Voor de Europese identiteit zijn die minder evident: er worden veel talen
gesproken in Europa; er worden veel vormen van christendom beleden en een
groeiend aantal Europeanen belijdt helemaal niets; er bestaan aanzienlijke
culturele verschillen (wat hebben de Lappen gemeen met de Corsicanen?);
diverse regio’s van Europa hebben heel specifieke historische ontwikkelingen
doorgemaakt. Die grote diversiteit aan concrete componenten heeft gemaakt
dat de beweringen over de Europese identiteit een erg abstract - of laten
we maar zeggen vaag - karakter kregen.
De monteurs van de Europese identiteit kwamen zo
gezwind op een centraal concept dat in vaagheid moeilijk te overtreffen
is. Typerend voor de Europese culturele identiteit zou zijn - u hebt het
tot vervelens toe gehoord en gelezen - ‘eenheid in verscheidenheid’. Die
‘eenheid in verscheidenheid’ werd door de bouwers van de Europese staat
- lang voor de Euro - in omloop gebracht en als gangbare munt aangenomen
door alle belijders van het Europese geloof. Diep nadenken werd er over
die ‘eenheid in verscheidenheid’ niet gedaan en dat verwondert ons ook
niet, want er valt helemaal niets over te denken. Het is een typering die
in de Leopoldswijk wellicht voor ‘spits’ doorgaat, maar die door het feit
dat ze zowat op alles kan toegepast worden, geen enkele betekenis heeft.
Het publiek in een theater, een symfonieorkest, het alfabet, hutsepot,
een bibliotheek, de inhoud van mijn vuilnisemmer, noem maar op - ze zijn
allemaal op een of andere manier ‘één in verscheidenheid’.
Als elk continent op zich en alle continenten samen ook ‘één
in verscheidenheid’ zijn, waarom dan niet ook Europa? Wat is er dan nog
zo typisch Europees aan die ‘éénheid in verscheidenheid’?
Het is bovendien mathematisch aantoonbaar dat je bijvoorbeeld in Afrika
op een territorium ter grote van Europa veel meer diverse talen, godsdiensten,
zeden en gewoonten bij elkaar vindt dan in Europa. Europa is cultureel
bij de meest homogene gebieden ter wereld.
Wat hebben de volkeren van Europa volgens de monteurs
van de Europese identiteit eigenlijk gemeen? Waarin zijn ze zo ‘één’?
Welke zijn de ‘gemeenschappelijke Europese waarden’ waarover zo druk gedaan
wordt?
Europeanen zijn blank. Daar wordt door de bruine
voorstanders van Europa - bruin aan de binnenkant - graag op gewezen. Voor
de blanke Europeaan met een minimum aan political correctness
is het een beetje gênant om daarmee uit te pakken. Bovendien is blank
alleen in de waspoederbranche een echte waarde.
Europeanen zijn christenen. Dat ligt al bijna even
moeilijk. Wie uitgaat van het strenge criterium dat alleen wie rotsvast
overtuigd is van de letterlijke waarheid van de geloofspunten, geformuleerd
in het Credo van de katholieken, een echte christen is, zal in Europa
maar een handvol christenen tellen. De christenen van vandaag geloven in
wat hun goed uitkomt of plausibel lijkt, en dat kan niet Zijn bedoeling
geweest zijn. Welke christenen behoren tot Europa? Alleen de katholieken
en de protestanten, of ook de orthodoxe christenen? Zo ja, dan mag ook
Rusland in de Europese Unie. Zo niet, dat moet Griekenland eruit. Een niet
te verwaarlozen deel van de burgers van Europa noemt zich bewust ongelovig.
Hoe christelijk is Europa dan eigenlijk? Of zijn niet gelovigen slechte
Europeanen? Vele miljoenen burgers van de Europese Unie zijn moslims. Horen
zij niet thuis in Europa? Neen, roepen de bruine Europeanen, maar Europeanen
van andere kleuren denken daar genuanceerder over. De islam heeft immers
een belangrijke bijdrage geleverd tot ‘de wordingsgeschiedenis’ van het
moderne Europa.
Samuel Huntington, de bekende groothandelaar in
identiteiten, heeft het flink lastig met de religieuze identiteit van Europa.
Voor hem valt de oostelijke grens van de Westerse beschaving in Europa
samen met de grens tussen aan de ene kant de katholiek-protestantse, en
aan de andere kant de orthodox-christelijke en de islamitische wereld.
Dat belet hem niet om de conflicten tussen de democratische, fascistische
en communistische staten tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog
te zien als conflicten bínnen de Westerse beschaving, als ‘Westerse
burgeroorlogen’. Maar nadat de orthodoxe landen dank zij de Koude Oorlog
vijfenveertig jaar lang tot de ‘Westerse beschaving’ behoord hebben, zijn
de daar na het einde van de Koude Oorlog weer uit verwijderd. Ze behoren
nu tot de Slavisch-orthodoxe beschaving. Het woord ‘Slavisch’ is blijkbaar
toegevoegd om de EU- en NAVO-lidstaat Griekenland niet méé
uit de West-Europese club te zetten. Tot de Slavisch-orthodoxe beschaving
behoren dan volgens Huntington wél volken als de Roemenen en de
Albanezen, die geen Slaven zijn, terwijl Slavische volken als de Polen,
Tsjechen en Kroaten dank zijn hun Roomse geloof ín de club mogen
blijven. Huntington voegde er een kaartje van Europa bij, om vooral geen
misverstanden te laten bestaan over wie waar thuishoort, maar op dat kaartje
bevond Griekenland zich per ongeluk aan de verkeerde, Slavisch-orthodoxe
kant van de scheidingslijn.
‘Europa is niet christelijk, maar seculier’, vinden
verlichte collega’s-monteurs. ‘Het christendom heeft een belangrijke plaats
in Europa, maar binnen een seculier kader.’ Voor hen is juist de seculaire
staat één van de meest authentieke Europese uitvindingen.’
Je zou inderdaad verwachten dat de Europese Unie, zoals de meeste van haar
lidstaten, een seculiere organisatie is, die zich niet identificeert met
een of andere godsdienst en de religieuze overtuigingen van al haar burgers
respecteert zonder enig onderscheid of discriminatie. Dat is ook zo, zolang
puntje niet al te dicht bij paaltje komt. Een revelerend debatje steekt
af en toe de kop op naar aanleiding van de kandidatuur van Turkije voor
de Europese Unie. Eén van de bezwaren tegen de toetreding van Turkije
is dat Turkije een islamitisch land was en derhalve niet in Europa thuishoort.
Nu kun je vanuit de ‘Europese waarden’ veel bezwaren bedenken tegen de
toetreding van Turkije tot de Europese Unie, maar dit religieuze argument
is wel erg inconsequent. Indien de Europese Unie inderdaad een echte seculiere
organisatie was, zou die overweging helemaal niet in de hoofden mogen opkomen.
Ze zet het seculiere karakter van de Europese Unie op de helling en maakt
er net zo’n crypto-katholieke of -protestantse organisatie van als de meeste
van de EU-lidstaten in feite zijn.
De idee van de seculiere staat komt uit de Verlichting.
De Verlichting en het rationalisme worden ook vaak geroemd als hoekstenen
van de Europese identiteit. Het zou mooi zijn. Het geloof in de rede en
het redelijke, in de fundamentele goedheid van de mens, in het gestaag
beter en mooier worden van de wereld dank zij het gebruik van die bijzondere
gave die de mens van het dier onderscheidt: het verstand. Dat dit gelóóf
er is, lijdt geen twijfel, maar dat er ook redelijk gehandeld wordt en
dat de wereld - of althans Europa - sinds de 18de eeuw voortdurend beter
geworden is, behoort veeleer tot de mythen over Europa. De post-moderne
filosofen hebben de idealen van de Verlichting aan de historische realiteit
getoetst en de voosheid ervan aangetoond. Het kolonialisme, de slavernij,
twee wereldoorlogen, de communistische terreur, de holocaust, de koloniale
oorlogen, de houding van Europa ten aanzien van de Derde Wereld, noem maar
op. Je moet wel heel onredelijk zijn om iets redelijks te zien in deze
gruwelen-van-Europese-bodem en te blijven geloven dat het Europese rationele
en morele denken de wereld ‘beter’ gemaakt heeft. Tenzij je natuurlijk
al die gruwelen beschouwt als ‘accidenten’. Maar waarom zouden zulke gruwelen
buiten Europa dan ook geen ‘accidenten’ zijn? Waarom is de volkerenmoord
in Rwanda en in Bosnië een uiting van typisch Afrikaans of Balkanees
barbaars tribalisme, en is de holocaust alleen maar een accident
in het Europese parcours naar het schone en het goede?
Europa is democratisch. Al sinds de Atheense volksvergadering
in Athene in de 5de eeuw voor Christus. In die volksvergadering
zetelden zoals bekend alleen vrije mannen. Slaven, vrouwen en in Athene
residerende vreemdelingen (de metoikoi), zeg maar gastarbeiders,
waren uitgesloten. De Atheense volksvergadering was voor haar tijd een
bewonderenswaardige instelling, maar ze heeft niet lang bestaan. Na de
teloorgang van de Atheense democratie op het einde van de 4de
eeuw heeft het tweeduizend jaar geduurd alvorens er op sommige plekken
in Europa weer democratische instellingen het levenslicht zagen. Er waren
natuurlijk de Germaanse volksvergaderingen en de vroedschappen in de steden,
maar zulke vormen van lokaal zelfbestuur vindt je overal ter wereld. Daar
hoef je niet voor in Europa te zijn. In feite is de geschiedenis van Europa
vooral een aaneenschakeling van vorstelijke tirannieën en allerlei
verlichte en onverlichte dictaturen, zelfs nadat in sommige landen de adel
en later de rijke burgerij een geïnstitutionaliseerde vorm van inspraak
veroverd hadden. Democratieën die aan beide seksen en aan arm en rijk
een stem gaven, hebben in Europa een traditie die zich dikwijls in decennia
laat meten. De heibel over het migrantenstemrecht vooral in het Vlaamse
deel van België maakt duidelijk dat politieke medezeggenschap voor
ieder die deel uitmaakt van de samenleving nog steeds geen vanzelfsprekendheid
is. Op basis van het geografisch beperkte, kortstondige - en in hoge mate
formele - bestaan van democratische instellingen concluderen, dat de democratie
een wezenlijk kenmerk is van de Europese identiteit, lijkt me op zijn minst
voorbarig.
Europa is verdraagzaam. De verlichtingsfilosofen,
en daarvoor al de humanisten, hebben vurige pleidooien gehouden voor tolerantie.
Met het ontstaan van de democratische instellingen ontstond ook een zekere
mate van religieus pluralisme. Diverse religies hebben geleerd met elkaar
samen te leven en ook gelovigen en ongelovigen leerden elkaar verdragen.
Met moslims hebben sommigen al meer moeite, maar de tijd van de kruisvaarten
en de reconquista is toch voorbij. Toch is ook deze religieuze tolerantie
een relatief recent fenomeen. Religieus fanatisme, godsdienstoorlogen,
vervolgingen, pogroms en discriminatie zijn frequenter voorgekomen en derhalve
veel typerender voor de Europese geschiedenis dan pleidooien voor verdraagzaamheid
van Erasmussen en Montaignes. Tijdens de Dertigjarige Oorlog, de finale
afrekening tussen katholieken en protestanten in de 16de eeuw,
kwam een derde van de Europese bevolking om door slachtpartijen, executies
en epidemieën. De Dertigjarige Oorlog is natuurlijk lang geleden,
maar veel slachtoffers van de holocaust, die vooralsnog in omvang en gruwel
door niets waar en wanneer ook overtroffen wordt, konden nog in leven zijn.
Vandaag krijgen xenofobe partijen in vele landen van de Europese Unie een
aanzienlijk deel van de stemmen. Rond de moslim migranten wordt een discours
ontwikkeld, dat herinnert aan dat over de joden in Duitsland in het begin
van de jaren dertig (‘islamieten - parasieten!’), om nog maar te zwijgen
van het impliciete racisme dat het migranten- en asielbeleid in veel Europese
staten kenmerkt. Zouden we niet liever nog een paar eeuwen wachten alvorens
‘tolerantie’ een wezenskenmerk van de Europese identiteit te noemen?
Kortom, de Europese identiteit, gebaseerd op de
‘Europese waarden’, is alleen maar een erg flatterend zelfbeeld, de vrucht
van zelfgenoegzaam wishful thinking. We denken dat we zijn
zoals we ons verbeelden dat we zijn. We denken ook dat we niét zijn
zoals we ons verbeelden dat de anderen zijn. De term ‘Europese waarden’
lijkt te suggereren dat deze waarden exclusief een product zijn van Europese
bodem en alleen in Europa gerespecteerd worden. Niet-Europese waarden zijn
géén waarden of in ieder geval inferieure waarden. Het resultaat
is een nieuw soort eurocentrisme, een nieuw superioriteitsgevoel ten aanzien
van volken en samenlevingen, die de ‘Europese waarden’ niet zouden toegedaan
zijn. Als Europa van Griekenland de democratie geërfd heeft, dan waarschijnlijk
ook de onbedwingbare behoefte de wereldbevolking in te delen in ‘wij’ -
die naar de woorden van Kavafis ‘alleen maar door de goden overtroffen
worden’ - en ‘de barbaren’. |
Deze Europese eigenwaan komt op een pijnlijke
manier naar voren in de houding ten aanzien van Oost-Europa. Na 1989 werden
in Oost-Europa de bestaande politieke, economische en culturele instellingen
afgeschaft en - onder druk van de Westerse geldschieters - vervangen door
kopieën van de West-Europese modellen. Voortdurend worden de burgers
daarbij met de ‘Europese waarden’ op de vingers getikt. Met wat zij zélf
voor hún waarden hielden - recht op arbeid, recht op gratis onderwijs,
recht op gratis gezondheidszorg - wordt nauwelijks rekening gehouden. Want
de belangrijkste ‘Europese waarde’ blijkt vooralsnog de economische vrijheid,
het vrije ondernemerschap, de vrije markt, die pervers gepresenteerd worden
als een moréle waarde. De Oost-Europese economieën moeten geprivatiseerd
worden, niet zozeer als onderdeel van de ontmanteling van een moreel verwerpelijke
communistische dictatuur, maar natuurlijk omdat Westerse ondernemers er
anders niet bij kunnen. De teloorgang van de communistische economie was
dan ook geen morele overwinning van het neoliberalisme, alleen maar een
strategische.
Het collectieve bezit van de productiemiddelen
is in moreel opzicht best verdedigbaar tegen het privé bezit, maar
de Europese Unie laat zich niet leiden door morele principes. De Europese
Unie een product van het Europese kapitalisme en de denkers achter de Europese
Gedachte zijn dan ook nooit op de idee gekomen om de kapitalistische en
de socialistische productiewijzen moreel tegen elkaar af te wegen. Bij
gebrek aan morele argumenten moet het kapitalisme zijn gelijk halen door
de gewetens te kopen met de weldaden van de consumptie- en verzorgingsmaatschappij.
Maar in Oost-Europa laten die weldaden nog steeds op zich wachten, waardoor
de ‘morele voortreffelijkheid’ van het kapitalisme door velen blijft in
twijfel getrokken worden. ‘De Oost-Europeanen willen veel te gauw ook het
sociale Europa,’ vertelde me een vertegenwoordiger van een belangrijke
Belgische bank, die druk bezig was om het neoliberale Europa in Oost-Europa
te introduceren. Wanneer de kiezers in Oost-Europa stemmen voor partijen
die meehelpen om de eigen, nationale markt open te stellen voor Westerse
zakenlui, leggen ze ‘een prijzenswaardige wil tot Europese integratie aan
de dag’. Kiezen ze voor partijen die sociale verworvenheden laten primeren
op buitenlandse investeringen, dan ‘raken ze niet los uit hun communistische
verleden’ en riskeren ze ‘buiten Europa’ te blijven.
In de oude geschiedenis van Europa vinden we een
interessant precedent van wat er vandaag aan de gang is. De relaties tussen
het Romeinse Rijk en de gebieden buiten de Romeinse limes - zoals
de Deense archeoloog Claus Randsborg ze beschreef, in termen van ‘centrum’
en ‘periferie’ - vertonen een treffende gelijkenis met de huidige relaties
tussen West-Europa of de Europese Unie en Oost-Europa. Er is natuurlijk
in de eerste plaats de geografische gelijkenis: Oost-Europa, het gebied
ten oosten van de Rijn en ten noorden van de Donau, heeft nooit of slechts
ten dele of slechts voor korte tijd behoord tot het Romeinse Rijk. Maar
dat is van bijkomstig belang. Interessanter is het volgende.
In de oudheid bestond in heel Europa een gedecentraliseerde,
maar gemeenschappelijke cultuur, die zich uitstrekte tussen het Balticum,
de Zwarte Zee en de Atlantische Oceaan en gedragen werd door een zichzelf
bedruipende economie. Het politieke ‘centrum’ van dit grote gebied - het
Romeinse Rijk - kende een spectaculaire economische ontwikkeling. Als gevolg
van de toenemende welvaart en de snelle bevolkingsaangroei werden de lokale
economische resources ontoereikend en moesten in toenemende mate gebieden
buiten het centrum, in de periferie, geëxploiteerd worden. De Romeinse
controle op het economisch interessante deel van de periferie werd versterkt
door de gebieden in kwestie in het Romeinse Rijk te integreren. Ook gebieden
in de periferie, waar door toedoen van de commerciële contacten met
het Romeinse Rijk de lokale producten kwalitatief ongeveer hetzelfde niveau
bereikt hadden als de Romeinse producten en zich dus konden ontpoppen als
concurrenten, werden ingelijfd. Andere, economisch minder interessante
gebieden bleven buiten de limes. Dit leidde tot de vernietiging
van de markten en handelsroutes in de periferie, tot de verstoring van
economische en politieke evenwichten. Er ontstonden enorme verschillen
wat het ontwikkelingsniveau betreft tussen het bloeiende centrum en de
kwijnende periferie. Terwijl de inwoners van de geannexeerde gebieden het
Romeinse burgerrecht verwierven, bleven degenen die buiten de limes
leefden beschouwd worden als ‘barbaren’.
De vernietiging van de economische en politieke
systemen in de periferie leidde uiteindelijk tot de ‘barbareninvallen’.
De ‘invallers’ verlieten de gebieden, die door het centrum economisch ontwricht
waren en trokken de Romeinse limes over, waarbij die limes
eigenlijk geliquideerd werden. De invallers deden dat niet alleen om de
rijkdommen in het Romeinse Rijk te plunderen, maar ook om de economische
en politieke evenwichten binnen de oude periferie te herstellen. De barbaren
vernietigden niet zozeer de beschaving, besluit Randsborg, voordien als
de beschaving de leefwereld van de barbaren vernield.
De vergelijking met wat vandaag in Europa gebeurt
gaat niet helemaal op, maar er zijn treffende overeenkomsten. De onstuimige
ontwikkeling van de West-Europese economie na de Tweede Wereldoorlog heeft
geleid tot een breuk in de economische ontwikkeling van het Europese continent.
Ook vroeger kwamen er verschillen voor tussen West- en Oost-Europa, maar
ze waren kleiner en de overgang was geleidelijker. De ontwikkeling van
de West-Europese economie heeft de Oost-Europese economieën in een
onmogelijke concurrentiepositie gemaneuvreerd, waardoor de Oost-Europese
producten enkel nog in Oost-Europa zelf of in de arme Derde Wereld aan
de man konden gebracht worden. Je zou ook kunnen argumenteren dat de ‘centrale’,
West-Europese economie een bepaalde limiet bereikt had, die het aanboren
van het economische potentieel in de Oost-Europese periferie noodzakelijk
maakte. West-Europa heeft zich na de val van het communistische systeem
in ieder geval gretig op Oost-Europa gestort. Daarbij worden, net als in
de Romeinse tijd, de economisch interessante gebieden binnen de limes
gehaald - een proces dat ‘uitbreiding van de Europese Unie’ heet. De Eurocraten
gaan daarbij niet over één nacht ijs, maar dat deden de Romeinen
ook niet toen ze Pannonië, Transilvanië en de Balkan annexeerden.
De Oost-Europese staten willen zelf graag bij de Europese Unie, maar ook
in de oudheid waren er barbaarse elites die zich uit vrije wil aan het
gezag van Rome onderwierpen.
De huidige ontwrichting van de Oost-Europese economieën is niet alleen het gevolg van hun intrinsieke zwakte, een gevolg van
hun inefficiëntie, maar ook van het economische beleid van de Europese
Unie. Er bestonden lokale markten voor de Oost-Europese producten en veel
van die producten zouden ondanks hun soms mindere kwaliteit, hadden ze
enige bescherming gekregen, een redelijke kans gemaakt hebben op de West-Europese
markt. De sociale neergang had daardoor minder dramatisch geweest. Maar
daar is niets van in huis gekomen. Aan de Oost-Europese producten worden
door de Europese Unie kwaliteitscriteria opgelegd, waaraan de meeste van
die producten onmogelijk kunnen voldoen. De Oost-Europese kandidaat-leden
voor de Europese Unie wordt verboden hun lokale markten te beschermen;
via de opgelegde privatiseringen worden ze gedwongen hun winstgevende bedrijven
aan Westerse ondernemingen te verkopen, omdat er in het land zelf niet
voldoende kapitaalkrachtige ondernemingen zijn. West-Europese bedrijven
kopen gevaarlijke concurrenten in Oost-Europa op en liquideren ze. Of terwijl
de mythe van de lagere kwaliteit van de Oost-Europese producten gewiekst
in stand gehouden wordt, krijgen producten uit Oost-Europa binnen de Europese
Unie een EU-label opgeplakt of -genaaid en worden verkocht als made
in the EU. Het resultaat is, net als in de Romeinse tijd, een totale
ontwrichting van de economische en sociale evenwichten binnen de diverse
staten, maar ook binnen de Oost-Europese periferie als geheel. Het gevolg
is - opnieuw - de komst van barbaren uit Oost-Europa - al laten hun aantallen
voorlopig nog niet toe van volksverhuizingen te spreken. Ook van hen kun
je zeggen dat ze hun oorspronkelijke woongebieden verlaten en de limes
oversteken omdat hun perifere economieën door het centrum ontwricht
zijn. En ook nu weer beveiligt het centrum de limes - onder meer
door het beschamende Schengenakkoord - en bedenkt theorieën over ‘beschaving’
en ‘barbarendom’ om zijn handelswijse te legitimeren.
Daarmee zijn we terug bij de Europese identiteit.
De uitbreiding van de Europese Unie in oostelijke richting is een operatie
die een ideologische legitimatie moet krijgen door de Europese identiteit
toe te kennen aan economisch-interessante staten en volken en deze vervolgens
binnen de Europese limes op te nemen - waarbij de inwoners ‘burgers’
van de Europese Unie worden, met alle (voor)rechten vandien -, en economisch-oninteressante
staten en volken als on-Europees of barbaars te bestempelen en de toegang
te weigeren. De eerste nieuwe lidstaten worden straks Estland, Polen, Tsjechië
, Hongarije en Slovenië - Centraal-Europese landen, die meteen als
‘Europees’ erkend werden. Het zijn ook de meest welvarende landen van het
voormalige Oostblok en wellicht ook de gevaarlijkste potentiële concurrenten.
Geen Eurocraat maakt er een geheim van dat ze om economische redenen het
eerst mogen instappen, maar dat blijkt een wat bevlogener legitimerend
discours over de culturele identiteit van deze landen niet overbodig te
maken.
De weg naar de prioritaire toetreding van deze
landen werd al gebaand door Centraal-Europese intellectuelen die in de
jaren tachtig een discours over Mitteleuropa lanceerden dat ook
in West-Europa aansloeg. Michnik, Kundera, Konrád en anderen betoogden
dat Mitteleuropa eigenlijk bij West-Europa hoorde en niet bij Oost-Europa
of Rusland, waaraan het door de akkoorden van Jalta onderworpen was. Laten
we even stilstaan bij deze constructie.
Typerend voor de Centraal-Europese identiteit waren,
volgens de meest eloquente ideoloog Milan Kundera in Die Tragödie
Mitteleuropas, de Rooms-christelijke wortels, een grote culturele verscheidenheid
op een klein oppervlak, een tolerante Centraal-Europese burger die deze
verscheidenheid erg op prijs stelde en als een ‘waarde’ beschouwde, een
indrukwekkende culturele creativiteit, een grote kwetsbaarheid. Met dit
laatste bedoelde Kundera dat de Centraal-Europese volken zo klein en weerloos
waren, dat ze door toedoen van hun meedogenloze buren wel eens van de kaart
konden verdwijnen. Wie de tekst van Kundera vandaag leest, vraagt zich
af hoe in 1984 zoveel mensen hem au sérieux konden nemen.
Polen en Hongarije waren elk gedurende vele eeuwen machtige multinationale
imperia geweest. Als nationale staten hadden ze absoluut geen prijs gesteld
op etno-culturele of religieuze verscheidenheid. In Polen en Tsjechië
werden tijdens het interbellum minderheden schaamteloos onderdrukt. Tsjechen
en Slowaken verkozen al meteen na het einde van de Koude Oorlog uit elkaar
te gaan en eigen staten te stichten, waarbij de Slowaken meteen hun Hongaarse
minderheid begonnen te koeioneren - zo tolerant waren Tsjechen en Slowaken
en zo verknocht aan culturele diversiteit. Van Kundera’s Centraal-Europese
identiteit klopte alleen de grote creativiteit, en dan kun je je nó
g afvragen of die in Wenen, Boedapest en Praag echt wel groter was dan
in Berlijn, Londen en Parijs. Daarnaast stond Kundera’s constructie van
een Centraal-Europese identiteit stijf van de bijna racistische vooroordelen
ten aanzien van Rusland en de orthodox-christelijke wereld. Die hoorden
niét bij Europa, want daar bestond helemaal géén respect
voor culturele diversiteit. Kundera construeerde een Centraal-Europa dat
naadloos aansloot bij de West-Europese waarden zoals die in die tijd in
Brussel gepromoot werden, en een Rusland dat het perfecte negatief was
van West- en Centraal-Europa. Nog maar net noemde de schrijver zich Europees,
of meteen zocht hij al barbaren om op af te geven. Maar Kundera’s knutselwerk
had succes en Centraal-Europa werd een kleine hype in de jaren tachtig
en negentig, ook in het Westen.
In het begin van de jaren negentig kreeg het discours
over Centraal-Europa een nieuwe teneur. Tolerantie, culturele diversiteit
en dergelijke bleven de vliegwielen van dat discours, maar het Europese
karakter van Centraal-Europa werd nu vooral een argument voor de ‘onmiddellijke’
toetreding tot de Europese Unie. Zo werd het ook in West-Europa overgenomen.
De landen uit Centraal-Europa klopten aan aan de deur van het huis, dat
altijd al ook het hunne geweest was: wie kon hun de toegang lang weigeren?
Polen - nog katholieker dan de Poolse paus. Tsjechië, met zijn humanistische
traditie van Jan Hus over Masaryk tot Havel, de incarnatie van civil
society zelf. Hongarije, de eerste martelaar van de sovjettirannie
en vervolgens al tijdens de Koude Oorlog de liberaalste barak in het kamp
- vanwege het beetje privé ondernemerschap dat er gedoogd werd.
Zo fungeerde voor Centraal-Europa de echo van het Mitteleuropa-discours
uit de jaren tachtig als glijmiddel richting Europese Unie in de jaren
negentig.
Wat gebeurt er intussen met het economisch minder
interessante gebieden in Oost-Europa - Rusland en de Balkan? Die worden
- u raadde het al - als minder Europees gepercipieerd. Laat mij eens iemand
citeren. ‘Landen als de Baltische Staten, de Tsjechische Republiek en Slowakije,
Hongarije, Slovenië en laten we hopen Kroatië’ streven naar integratie
met West-Europa, terwijl in landen waar de Byzantijnse invloed groot is
(Rusland, Wit-Rusland, de Oekraïne, Roemenië, Bulgarije en Servië)
‘het communisme dieper wortel geschoten heeft in een oosterse wereldbeschouwing’,
omdat het ‘nauwer, zouden we durven zeggen natuurlijker aansluiting vindt
bij de latente mentaliteit van deze streken’.
Byzantium, het communisme, een oosterse, dus niet-Europese,
dus barbaarse levensbeschouwing (de barbaren leven altijd in het oosten)
en de onwil of het onvermogen om te streven naar integratie in West-Europa
worden hier vlot even toegeschreven aan landen die eigenlijk vooral hun
economische achterstand gemeen hebben. Waarom anders die twijfel over het
katholieke Kroatië? Waarom niet ook Griekenland, de erfgenaam van
Byzantium, genoemd? Ik citeerde de voormalige secretaris generaal van de
NAVO, de heer Willy Claes, in de zomer van 1993, kort voor zou blijken
dat deze pleitbezorger van de ‘Europese ethische normen’, die hij onder
meer bevroedde in ‘het evenwicht tussen geestelijke en materiële waarden’,
zelf niet vies bleek van wel zeer Byzantijnse spitsvondigheden om zich
te redden uit een penibele situatie waarin wel zeer oosterse steekpenningen
een cruciale rol speelden.
De Balkan, ten prooi aan economische ontwrichting
en sociale spanningen, was voor West-Europa economisch niet interessant
of bedreigend en werd als ‘minder Europees‘ want ‘oosters’ buiten de limes
gehouden. Er was aanvankelijk geen sprake van dat de Balkanlanden zouden
toetreden tot de Europese Unie. Dit standpunt werd gerechtvaardigd door
te verwijzen naar de recente oorlogen op de Balkan. Een zo barbaarse regio
moest op zijn minst eerst gepacificeerd en genormaliseerd worden voor er
van lidmaatschap van de Europese Unie sprake kon zijn.
Dit lijkt een plausibel standpunt, maar gaat uit
van een op zich minst wat vervormde perceptie van de realiteit. Er had
een oorlog van tien dagen gewoed in Slovenië, er braken oorlogen en
burgeroorlogen uit in Kroatië en vervolgens in Bosnië, en het
afgelopen jaar kwam het tot een groot militair conflict in Kosovo. Het
gezamenlijke oppervlak van de in de opeenvolgende oorlogen betrokken gebieden
is ongeveer een tiende van het totale oppervlak van de Balkan - Roemenië
inbegrepen. In de overige negen tienden van de Balkan zijn er geen oorlogen,
burgeroorlogen en zelfs geen ernstige onlusten voorgekomen (met als enige
uitzondering de politieke chaos in Albanië in 1997, die helemaal los
stond van de gebeurtenissen in ex-Joegoslavië en nooit als oorlog
bestempeld werd). Albanië, Bulgarije, Macedonië en Roemenië
hebben zich ver gehouden van de conflicten in Joegoslavië , ze hebben
braaf hun wetgeving op de rechten van minderheden aangepast aan de Europese
normen, ze hebben geijverd voor een betere onderlinge verstandhouding en
voor integratie in de diverse Europese instellingen en toch - let op het
taalgebruik in de media - blijft de héle Balkan als één
groot probleemgebied beschouwd worden. Zo werd na het einde van de militaire
ingreep in ex-Joegoslavië het Balkan Stability Plan gelanceerd
- om stabiliteit te brengen op de Balkan. Wat was er buiten Kosovo en eventueel
Bosnië dan niet stabiel op de Balkan? Ik zou het niet weten.
Is dit onwetendheid of slordigheid? Beide natuurlijk,
maar er is meer aan de hand. Al sinds het begin van de vorige (twintigste)
eeuw is de Balkan het voorwerp van een hele reeks vooroordelen. Sinds het
einde van de jaren tachtig worden die vooroordelen opgelepeld om de Europese
onverschilligheid te legitimeren en als excuus voor het falende beleid
ten aanzien van het probleemgebied Joegoslavië. Maar vooral is de
Balkan een curieuze rol gaan spelen bij de constructie van de Europese
identiteit. |
|
Ik moet hier even stilstaan bij de mechanismen
aan de hand waarvan nationale identiteiten gecreëerd worden. De constructie
van een collectief zelfbeeld is een ingewikkeld proces, dat vaak gebeurt
door negatie. Liah Greenfeld heeft uitgelegd hoe in de 19de
eeuw het Russische zelfbeeld ontstaan is uit een systematische oppositie
van Russische kwaliteiten tegen aan het Westen toegeschreven negatieve
eigenschappen. De Russen noemden zichzelf emotioneel, omdat ze anders wilden
zijn dan de Westerlingen en de Westerlingen in hun ogen rationalistisch
waren. Ze noemden zichzelf collectief ingesteld, omdat de Westerlingen
volgens hen individualistisch waren. Hoe rationalistischer en individualistischer
Westerlingen konden voorgesteld worden, hoe gevoeliger en kameraadschappelijker
de Russen in hun eigen ogen leken. Neal Ascherson beschrijft in Black
Sea
hoe de Grieken in de oudheid zichzelf definieerden als systematisch
verschillend van de ‘barbaren’: wij, Grieken, zijn alles wat de
barbaren
niet zijn. Hoe wreder, onredelijker en uitzinniger de barbaren
voorgesteld
werden, hoe humaner, redelijker en matiger de Grieken zichzelf vonden.
Volgens ditzelfde mechanisme heeft Europa een beeld van zichzelf
gecreëerd - of bevestigd - in systematische oppositie met het beeld dat
het zich
van de Balkan vormde. De onwetendheid over de Balkan lijkt vaak een met
opzet in stand gehouden onwetendheid - ‘aan de Balkan is geen touw vast
te knopen!’ - want kennis zou het hele mechanisme van beeldvorming in
de
war sturen. De neutrale term Balkan voor ‘Balkanschiereiland’
werd bedacht door een Oostenrijkse geograaf in het begin van de 19de
eeuw. Het woord balkan betekent gewoon ‘berg’. Sinds het begin van
de 20ste eeuw heeft de term Balkan een negatieve connotatie gekregen. Hij
werd een synoniem van ‘barbaars’ en ‘achterlijk’. Die betekenis had "balkan"
voordien niet. Er werden in de West-Europese talen woorden bedacht als
‘balkanisering’ in de betekenis van: ‘uiteenvallen van staten in kleinere,
niet-levensvatbare en elkaar vijandige staatjes’. Deze negatieve connotaties
van het woord ‘Balkan’ ontstonden vooral ten tijde van de Balkanoorlogen
in 1912-13. Waren deze oorlogen dan zo barbaars en leidden ze tot het ontstaan
van kleine, niet-levensvatbare en elkaar vijandige staatjes? Niets van
dit alles was het geval.
Natuurlijk gingen de Balkanoorlogen met grote wreedheden
gepaard. Welke oorlog niet? Een internationale commissie deed een onderzoek
naar die wreedheden en schreef haar bevindingen neer in het Report of
the International Commission to Inquire into the Causes and the Conduct
of the Balkan Wars, uitgegeven door het Carnegie Endowment for International
Peace in 1914. Op die manier werden die wreedheden bekend en berucht
over de hele wereld. Het Carnegie Endowment gaf in 1993 het Report
nogmaals uit onder de titel The Other Balkan Wars, waarmee gesuggereerd
werd dat er een verband bestond tussen de oorlog in Bosnië en de Balkanoorlogen
van 1912-13. Die suggestie paste in het populaire beeld van de Balkan als
de arena van eeuwenoude etnische haat en conflicten - een beeld dat berustte
op een karikaturale veralgemening van wat tijdens de Balkanoorlogen gebeurd
was.
Want wat blijkt? De geschiedenis van de Balkan
omvat een periode van bijna vierhonderd jaar, van de 15de tot
de 19de eeuw, gekenmerkt door de afwezigheid van oorlogen tussen
de diverse Balkanvolken. Sommige historici gebruiken zelfs de term pax
ottomanica. Er kwamen opstanden voor, soms met een massaal karakter,
die wreed onderdrukt werden, maar dit waren opstanden tegen het feodale
systeem, tegen corruptie en te zware belastingen, van onderdrukte bevolkingen
tegen onderdrukkers, van christenen tegen moslims, maar ook van moslims
tegen moslims. Deze conflicten hadden nooit een etnisch karakter.
In 1830 leidden twee zulke opstanden tot de onafhankelijkheid
van Griekenland en Servië. Naast ontevredenheid over een aantal wantoestanden
was voor het eerst ook de ideologie van het nationalisme een motor achter
deze opstanden. Voor het eerst werden gebieden etnisch gezuiverd. In de
loop van de volgende decennia werd een aantal kleinere oorlogen uitgevochten
van Griekenland en Servië tegen het Osmaanse Rijk. Deze oorlogen waren
voornamelijk ingegeven door het verlangen naar uitbreiding van het nationale
grondgebied. Ook deze oorlogen gingen gepaard met etnische zuiveringen.
De vestiging van etnisch-nationale staten, die
op de Balkan zulke rampen veroorzaakt heeft, was dus niet de voortzetting
van ‘eeuwige etnische conflicten’, maar het gevolg van het verzet tegen
het Osmaanse feodale systeem en van het binnendringen op de Balkan van
het Westerse gedachtegoed, waartoe ook het nationalisme behoorde. Van
Herder tot Wilson hebben Westerse denkers de voortreffelijkheid van de
etnisch-homogene staat geprezen. Toen al stonden op de Balkan, net als
vandaag, de West-Europese landen model.
De oorlog van 1877-8 die Bulgarije, Montenegro,
Servië en Montenegro de onafhankelijkheid bracht, was in eerste instantie
een Russisch-Osmaanse oorlog, waarin de Balkanvolken zelf slechts een gering
aandeel hadden. Het eerste gewapende conflict tussen twee Balkanvolken
was de Bulgaars-Servische oorlog van 1886, die slechts een week duurde
en veeleer een operette leek. De strijd tussen Bulgarije, Griekenland en
Servië om het bezit van Macedonië in de periode van 1878 tot
1912 werd ook door middel van terroristische aanslagen uitgevochten en
mondde uit in de fameuze Balkanoorlogen van 1912-13. Deze Balkanoorlogen
zijn het eerste en enige voorbeeld van een echte, authentieke, omvangrijke
en home-made
volkenoorlog in de geschiedenis van de Balkan - vóór de oorlogen in
Joegoslavië van de jongste tien jaar. De Eerste Wereldoorlog
is uitgebroken naar aanleiding van de moord op de Habsburgse
aartshertog
in Sarajevo, maar die moord is uiteraard niet de oorzaak van de Eerste
Wereldoorlog. Servië werd aangevallen door Oostenrijk-Hongarije, maar
de andere Balkanlanden zijn pas later en onder grote druk door de
Westerse
mogendheden in het conflict meegesleept. Hetzelfde deed zich voor
tijdens
de Tweede Wereldoorlog. Natuurlijk hebben mensen in Joegoslavië en
elders op de Balkan elkaar massaal naar het leven gestaan, maar dat
gebeurde
tijdens de Tweede Wereldoorlog nog op veel andere plaatsen in Europa.
Je
kunt de twee wereldoorlogen dan ook niet laten meetellen als bewijs
voor
de wreedaardigheid van de Balkanvolken, want ze demonstreren even goed
de wreedaardigheid van de West-Europese volken.
Er is hoe dan ook geen enkele reden om de Balkan
een uitzonderlijk gewelddadig karakter toe te schrijven. Wie de oorlogen,
burgeroorlogen en andere slachtpartijen in de rest van Europa in dezelfde
periode - 19de en 20ste eeuw - voor zijn geestesoog
laat passeren, ziet ook daar het bloed in stromen vloeien: de Oostenrijk-Italiaanse
oorlog van 1848-9, de Krimoorlog in 1853-56, de Oostenrijk-Italiaanse oorlog
van 1859, de oorlog van Pruisen en Oostenrijk met Denemarken in 1864, de
Pruissisch-Oostenrijkse oorlog van 1866, de Frans-Duitse oorlog van 1870-71
en dan laat ik de vele opstanden, gevolgd door wrede onderdrukking, en
de oorlogen in en om de koloniën nog buiten beschouwing. De Eerste
Wereldoorlog eiste twintig miljoen; alleen al tijdens de slag bij Verdun
sneuvelden één miljoen soldaten. Daar kunnen ze op de Balkan
niet aan tippen.
De term ‘balkanisering’ is nog zo’n punt. Wat tijdens
de Balkanoorlogen, toen die term bedacht werd, gebeurde was precies het
omgekeerde van ‘balkanisering’. Kleine, nauwelijks leefbare staatjes breidden
hun grondgebied juist aanzienlijk uit - ten koste van het Osmaanse Rijk
- en werden daardoor veel leefbaarder staten. Bejegenden deze staten elkaar
met een buitengewone vijandschap? Bulgarije werd naderhand inderdaad -
net als Hongarije, Duitsland en de andere verliezers uit de Eerste Wereldoorlog
in West-Europa - gewantrouwd en diplomatiek geïsoleerd, maar de andere
Balkanlanden konden het over het algemeen uitstekend met elkaar vinden.
Ook hier weer vraag je je af waar de term ‘balkanisering’ eigenlijk op
slaat. Je zou natuurlijk de resultaten van de jongste oorlogen op de Balkan
‘balkanisering’ kunnen noemen. Dat is dan pure chance voor de verzinners
van die term dat hun vlag tachtig jaar later eindelijk een lading dekt.
Overigens valt nog af te wachten of die kleine ex-Joegoslavische staten
inderdaad niet levensvatbaar zijn.
Twee geleerde vrouwen hebben dat tendentieuze beeld
van de Balkan in het Westen geanalyseerd en aangeklaagd: de Bulgaarse Maria
Todorova in Imagining the Balkans (New York & Oxford: Oxford
University Press, 1997) en Vesna Goldsworthy in Inventing Ruretania.
The Imperialism of the Imagination (New Haven & London: Yale University
Press, 1998). Todorova gaat uit van het begrip ‘oriëntalisme’, zoals
Edward Said dat invulde en noemt de perceptie van de Balkan, ingegeven
door vooringenomenheid, economische en politieke dominantie en gevoelens
van superioriteit ‘Balkanisme’. De jongste tien jaar werd dat ‘balkanisme’
op een geraffineerde wijze ingebed in het grote discours over de Europese
identiteit en de Europese waarden. Het beeld van de Balkan werd, zoals
ik al zei, geconstrueerd als de antipode van de Europese Unie, of de Europese
Unie vertegenwoordigde het volmaakte tegendeel van alle verwerpelijke eigenschappen,
die de Balkan werden toegeschreven. Op de Balkan vielen staten uiteen in
kleinere staten, terwijl in West-Europa staten juist opgingen in een prachtig
nieuw geheel, de Europese Unie. Op de Balkan richtte het nationalisme ravages
aan, terwijl in West-Europa het nationalisme juist bezig was te verdwijnen
als een achterhaalde ideologie. Op de Balkan heerste etnische onverdraagzaamheid,
terwijl in de Europese Unie gebouwd werd aan een harmonieuze multiculturele
samenleving. Etnische zuiveringen en genocide, die als een bloedrode draad
door de geschiedenis van de Balkan heetten te lopen, waren in West-Europa
ondenkbare aberraties.
Deze beweringen over de Balkan konden eigenlijk
alleen maar betrekking hebben op een deel van Joegoslavië; elders
gebeurde er niets van dat alles. De andere Balkanlanden vielen niet uiteen,
de relaties tussen de etnische gemeenschappen verbeterden geleidelijk,
etnische zuiveringen en genocide kwamen helemaal niet voor. Maar was wat
over Europa verteld werd wel zo waar? Waren er ook binnen de Europese Unie
soms geen staten die door separatisme geteisterd werden en dreigden delen
van hun grondgebied te verliezen of uiteen te vallen in kleinere staten?
België, Frankrijk, Italië, Spanje, het Verenigd Koninkrijk schieten
me te binnen. Bestond er soms binnen de Europese Unie geen nationalisme
meer, dat nog steeds de nationale belangen deed primeren op de belangen
van de andere lidstaten of van de Unie in haar geheel? Nationalistische
partijen behalen in verscheidene West-Europese landen naar verhouding méér
stemmen dan in de Oost-Europese landen. Was binnen de Europese Unie het
culturele pluralisme wel zo’n vanzelfsprekende verworvenheid, wanneer xenofobe
en/of etno-centrische partijen zulke beangstigende verkiezingsresultaten
behaalden? De genocide op de Joden in West-Europa was in historisch perpectief
- het perspectief dat de monteurs van de Europese identiteit zo graag hanteren
- pas gisteren gebeurd, net voor de Volksduitsers het slachtoffer werden
van de grootste etnische zuivering uit de recente Europese geschiedenis
- hun verdrijving uit Polen, Tsjechië, Hongarije en Joegoslavië.
De waarden waarmee de Europese Unie zich zo graag
opmaakt blijken maar een dun en schilferig laagje make-up. De realiteit
ziet er veel minder flatterend uit. Die Europese waarden hebben in vele
gevallen maar een korte en smalle historische traditie. Gebeurtenissen
in het recente verleden maken duidelijk hoe makkelijk Europa zijn Europese
waarden opzij schuift en hervalt in barbaarsheid. Ziet de realiteit binnen
de Europese Unie er vandaag zo humaan uit? Hoe passen discriminatie, nationalisme,
vreemdelingenhaat, epidemisch geweld als voetbalvandalisme en verkeersagressie,
negationisme en dergelijke - om maar een paar producten van Europese bodem
te noemen - in het Europese waardensysteem? Al het barbaarse dat Europa
heeft voortgebracht en voortbrengt, wordt - naar mijn smaak wat al te vlot
- uit dat flatterende zelfbeeld weggeschminkt. Maar de zelfvoldane retoriek
over de Europese identiteit heeft de angst niet doen verdwijnen. De opkomst
van etnisch-nationalistische en xenofobe neofascistische partijen doen
niet alleen afbreuk aan het flatterende zelfbeeld, ze vormen op den duur
ook een bedreiging voor de hechtheid van de Europese Unie zelf. De Balkan,
zoals Europa zich die voorstelt, dat barbaarse oord van redeloze stammenhaat
en stammentwisten, is het kwade ego van Europa, het imaginaire gebied waarheen
Europa al het barbaarse dat het in zich weet verbannen heeft. De volken
van de Balkan zijn, in de bijbelse betekenis van het woord, Europa’s zondebokken
geworden, waarop de ongerechtigheden uit verleden en heden geladen worden
en die de woestijn ingestuurd worden ten einde Europa van haar zonden te
reinigen. Daarom klinkt het Europese discours over de barbaarse Balkan
soms een als een wanhopige bezwering om de eigen boze geesten te bedwingen
en hun terugkeer te verhinderen.
Laat ik het om te besluiten zo zeggen. Het is beter
op te houden met onze grootspraak over de Europese identiteit tot enkele
eeuwen van vreedzaam en verdraagzaam samenleven, van echt pluralisme kunnen
opwegen tegen de vele eeuwen van onverdraagzaamheid, onvrijheid en geweld.
Het is verstandiger te beseffen dat onverdraagzaamheid en onvrijheid veel
representatiever zijn voor Europa dan verdraagzaamheid en democratie, dat
onze illusoire Europese identiteit geen enkele bescherming biedt tegen
‘accidenten’. De Europese waarden zijn geen historische verworvenheden,
maar principes op basis waarvan we moeizaam en niet altijd even oprecht
proberen om een humanere samenleving op te bouwen. Er zijn geen garanties
voor de toekomst. Europa heeft nog alles te bewijzen.
__________________________________
|
|
Raymond
Detrez doceert Zuidoost-Europese Talen en Geschiedenis aan de Universiteit
Gent; hij is directeur van het "Centrum voor Zuidoost-Europese Studies".
Deze tekst is naar voor gebracht in het kader
van de Europalezingen in de Bottelarij in Brussel op 25 mei 2000.
© Raymond Detrez, 2000. |
|