Aanloop
Tijdens de eerste examenzittijd van het voorbije
academiejaar werd ik opgebeld door een Gentse dame - zoals ik uit haar
naam achteraf kon afleiden: een "autochtone" Gentse dame. Zij was (is)
actief geëngageerd in het "vluchtelingenwerk", en ze belde me om lucht
te geven aan haar morele verontwaardiging, maar ze was ook op zoek naar
eventuele "actieperspectieven". In de weken voorafgaand aan dat telefonisch
gesprek, was één van "haar mensen", een vluchteling uit Irak,
het slachtoffer geworden van een tragisch verkeersongeval. Uit respect
voor de geloofsovertuiging van de man, had ze zich tot de stedelijke overheid
gewend voor een islamitische begrafenis. Zij ontving nul op het rekest:
26 jaar na de "erkenning" van de islam als Belgische eredienst kunnen moslims
in Gent nog altijd geen menswaardige begrafenis krijgen - "menswaardig":
in overeenstemming met hun overtuiging. De dame had zich dan tot Antwerpen
gewend: daar is, sedert een 7-tal jaren, wél een perceel beschikbaar
(het "perceel P" op de stedelijke begraafplaats van het Schoonselhof) dat
in overeenstemming is met de minimumvereisten vanuit islamitisch oogpunt.
Weliswaar is het voorbehouden voor inwoners uit het Antwerpse. Om een lang
verhaal kort te maken: de dame is er na veel geloop toch in geslaagd "haar"
Irakese gast in Antwerpen te begraven - maar het heeft haar een kleine
100.000 BEF gekost om het meest fundamentele, misschien, van alle mensenrechten
- het recht op een waardige begrafenis - te kunnen waar maken.
"Moslims in de Belgische lekenstaat"...?
1. Let op het kleine woordje "in"
- niét "en", in de titel. Ook het nieuwe opleidingsonderdeel
draagt als benaming: "Islam in de Europese Lekenstaat" -
niét: "Islam én de lekenstaat". Een detail? Toch niet. Al
te vaak en al te lang werd en wordt er met islam en moslims een "debat"
gevoerd (maar het woord "debat" dekt vele ladingen: van daadwerkelijk
gesprek tot scheldpartij, intimidatie, zoal niet chantage) over hun verhouding
tot de westerse seculiere of lekenstaat (de westerse rechtsstaat in het
algemeen) als een préalabele, of voorwaarde, voor
het toepassen van die rechtsstaat en zijn grondrechten op
islam en moslims. Soms gebeurt zo iets uit (een wat misbegrepen vorm van)
"respect", maar vaak, zo niet meestal, is er van respect weinig sprake.
Ik denk hier bv. aan de uitspraak van een eminent academicus van deze instelling,
dat zijns inziens moslims voorafgaandelijk een loyauteitsverklaring aan de Belgische
grondwet dienden te ondertekenen, vooraleer er sprake kon zijn van een
gelijke behandeling.
Terecht daarom, mijns
inziens, wordt door iemand als Soheib
Bencheikh, moefti van Marseille, over dat debat met de islam opgemerkt
dat het op "een soort van discriminatie" lijkt:
"De islam", zo schrijft hij, "hij
weze rijk of arm vanuit menselijk of spiritueel opzicht, is niet absurder
dan de andere, reeds lang in (Europa) gevestigde religies, die ten volle
genieten van de voordelen die de lekenstaat zelf toewijst" (in: Confluences
Méditerranée, "Islam et laïcité, Parcours européens",
nr. 32, Hiver 1999-2000, p. 74).
2. De titel van deze korte, inaugurale presentatie
- "Moslims in de Belgische lekenstaat: wélke lekenstaat?"
- klinkt wellicht wat provocerend (om eerlijk te zijn: hij is ook wel wat
provocerend bedoeld). In de eerste plaats, nochtans, wil hij duidelijk
maken dat de tweeledigheid van de titel van het opleidingsonderdeel niét
de bedoeling heeft om nog maar eens het (al dan niet) "democratisch" gehalte
van de islam, d.w.z. van de Belgische moslims àls moslims, onder
de "bureaulamp" te plaatsen. De klemtoon zal daarentegen gelegd worden
op de lekenstaat waarvan de Belgische moslimpopulatie een integraal bestanddeel
uitmaakt ("integraal",maar niét: gelijkwaardig).
Die bevraging van de lekenstaat gebeurt niét
- zoals door ideologische tegenstanders van het C.I.E. bij tijd en wijl
beweerd wordt - vanuit enigerlei "subversieve" of "gauchistische" bedoelingen.
Zij gebeurt integendeel vanuit het vandaag (officieel, dan toch) vanzelfsprekende
besef dat een permanente, kritische bezinning over de principes van de
rechtsstaat én hun praktische toepassing niet minder dan vitaal
is voor de toekomst van een democratische samenleving. Als ik even "onszelf"
mag citeren (en dit is géén "pluralis majestatis",
maar verwijst naar een collectief), namelijk uit de Memorandumtekst, 1998,"Gent:
een stad waar ook moslims zich 'thuis' kunnen voelen", p. 8:
"Elke samenleving,
dus ook de Belgische, die in overeenstemming wil leven met de basisprincipes van
de lekenstaat, dient bereid te zijn tot een regelmatige en dynamische
herinterpretatie of, zo nodig, aanpassing van het te voeren beleid, ten einde
(1) de algemene principes toe te passen op nieuwe maatschappelijke fenomenen, en
(2) hoe dan ook de implementering van onze waarden en principes te
verfijnen/verbeteren, ten einde deze waarden zelf geloofwaardiger te maken,
zowel naar de autochtone als naar de allochtone bevolking toe. In dit geval,
komt het erop aan, overeenkomstig de principes van laïciteit en godsdienstvrijheid, onze moslimmedeburgers
in de gelegenheid te stellen hun geloofsovertuiging daadwerkelijk te belijden,
op voet van gelijkheid met de andere erkende cultussen".
3. Precies met het oog op die levensnoodzakelijke maatschappijkritische bezinning,
moeten wij (durven) erkennen dat de "nieuwe"
(maar nu toch al bijna 40 jaar "oude") moslimaanwezigheid in het seculiere
West-Europa een waardevolle bijdrage te leveren heeft.
Met het voorgaande doel ik niét alléén
op de verrijkende sociale, culturele, ménselijke aanwezigheid
van vele miljoenen moslims in de Europese natiestaten (nu ook: de "Europese
Unie"), een aanwezigheid en lotsverbondenheid die er ons toe "verplichten"
de zogenaamde verworvenheden en/of evidenties van de laatste eeuwen kritisch
te herdenken; of om het even te zeggen met een wat verouderde term: op
het, voor ons kritische zelfbesef heilzame, "vervreemdingsproces"dat
ze leveren t.a.v. die vastgeroeste (en vaak regelrecht onjuiste) vanzelfsprekendheden.
Ik doel óók op de arbeid van moslimintellectuelen
- filosofen, theologen, sociologen, historici, leerkrachten, enz. -, het
weze in de moslimlanden het weze in Europa. Ik denk daarbij niét
enkel aan vaak ook bij ons bekende of beroemde vernieuwers, zoals Ali Abderraziq,
Fazlur-Rahman, Mohamed Talbi, Mohamed Mahmoud Taha, Mohamed cAbed
al-Jabiri, Mohamed Arkoun, Abu Zayd, Salih Akdemir, Tariq Ramadan... (bij
een dergelijk lijstje wordt dan altijd graag opgemerkt dat het veelal
om figuren gaat die "spijtig genoeg erg marginaal zijn in de moslimwereld"-
alsof dat óók niet zou gelden voor echt vernieuwende denkers
in het Westerse heden en verleden!). Maar ik denk óók aan
de vele jonge (en minder jonge) sociale en menswetenschappers - moslim
of van moslimafkomst -, die hetzij gegroepeerd zijn in eigen, vaak internationale
structuren: zoals bv. de Association of Muslim Social Scientists (AMSS),
hetzij in academische samenwerkingsverbanden met niet-moslims, zoals het Center
for Muslim-Christian Understanding (Georgetown, US, o.l.v. John L.Esposito);
het Centre for the Study of Islam & Christian-Muslim Relations (CSIC,
Birmingham, UK, o.l.v. Jørgen Nielsen); rond het Franse tijdschrift "Confluences
Méditerranée", of... in het Gentse CIE. Zij leveren,
in dialoog met de bestaande moslimse en westerse literatuur, een belangrijke
kritische bijdrage en helpen ons, eurocentrische westerlingen, de nodige
afstand te nemen van ogenschijnlijk "feitelijke", zo al niet "natuurlijke"
instituties, concepties, enz. uit de westerse traditie (PS wat uiteraard
geenszins wil zeggen dat men het met hun argumentaties altijd eens hoeft
te zijn!).
4. Eén van de belangrijkste bijdragen,
in dit verband, betreft het fenomeen van het secularisme, of de
laïciteit, die, misschien nog het méést van al, in contrastieve
vergelijkingen tussen "Islam" en het "Westen", steeds weer als het fundament
zélf van de westerse moderniteit wordt gehuldigd en, vandaar, als
"incompatibel" per se met "de islam" (om de naam dan toch éénmaal
te vernoemen: bv. door Samuel Huntington, in zijn "clash of civilisations"-thesis).
Eén van de stellingen die de
westerse sociologie
decennia lang beheerst heeft, is de zogenaamde"secularisatiethesis". Daaronder
werd en wordt verstaan dat onder welbepaalde sociale en economische
omstandigheden - namelijk van industrialisatie, verstedelijking, marktekonomie,
enz. - de maatschappelijke betekenis van religie noodzakelijk achteruit
gaat. Processen van sociale differentiatie, vermaatschappelijking en rationalisatie
(cf. Max Weber, natuurlijk, één van de grondleggers van de
westerse sociologie) leiden "onvermijdelijk" tot het voor de wésterse
samenleving gekende gevolg, namelijk - en ik citeer nu de bekende godsdienstsocioloog
van de KUL, Karel Dobbelaere (Het Volk-Gods de mist in? 1988, p.
10):
"het godsdienstig systeem (is) niet
langer een overkoepelend zingevingssysteem, maar een maatschappelijk subsysteem,
naast vele andere subsystemen, zoals de economie, de politiek, het onderwijs
en het gezin".
In die secularisatiethesis wordt de klemtoon omzeggens
uitsluitend gelegd op het socio-economische, ten koste van bv. het politieke.
Bovendien moet aangestipt dat zij (a) dergelijke ontwikkeling meestal begrijpt
als een progressief, éénrichtingsproces: dwz samenlevingen
én hun leden worden meer "seculier" naarmate ze meer en meer gemoderniseerd
worden (cf. het artikel van Nikki R.Keddie,"Secularism and the State:
Towards Clarity and Global Comparison", in: New Left Review, 226, Nov-Dec
1997, p 21.e.v.); (b) ervan uitgaat dat gelijkaardige moderniseringsprocessen
in andere maatschappelijke en historische constellaties, en dus ook in
de rest van de wereld, tot een gelijkaardig proces van secularisatie en
laïcisering leiden.
Door de wereldbefaamde socioloog Ernest Gellner
werd in 1993 omtrent die thesis opgemerkt dat zij grotendeels correct is,
maar dan wel
"met één kapitale uitzondering:
de Islam. Tijdens de laatste 100 is de greep van islam over de moslims
niet verminderd maar integendeel nog toegenomen. Het vormt één
treffend tegenvoorbeeld voor de secularisatiethesis".
In werkelijkheid staat de thesis al veel langer onder
vuur in de sociologische literatuur, en dan niét in de eerste plaats
wegens "de islam" - d.w.z. de ontwikkelingen in de moslimwereld (de beruchte
"uitzonderingsthesis") -, maar om wille van de ontwikkelingen in bv. de
Verenigde Staten van Amerika, dan toch hét prototype van de moderniteit.
Eén van de belangrijkste namen is hier ongetwijfeld die van de socioloog
David A.Martin (bv. reeds in 1969, met zijn "The Religious and the Secular").
Vandaag de dag wordt in de westerse literatuur openlijk gesproken van "seculariseringsmythe"
(Jose Casanova, 1994), van "ontsecularisering", de
"terugkeer van de religie", enz. En gelet op de reële maatschappelijke
ontwikkelingen in het laatste kwart van de 20e eeuw kan dat
niemand echt verbazen.
Bij moslimauteurs - indien ik gemakshalve even
deze globale benaming mag gebruiken - staan secularisme, secularisering,
laïciteit, lekenstaat, e.d. al lang ter discussie, en dat vanuit een
verscheidenheid van benaderingen. Om het nogmaals wat simplistisch te formuleren:
zowel bij figuren die men als liberale hervormers catalogeert, als bij
zogenaamde islamistische auteurs. De over het algemeen afwijzende houding die
zij aannemen, dient in de eerste plaats begrepen vanuit het historische
gegeven dat de moslimlanden het eerst geconfronteerd werden met de seculariseringspolitiek
die gevoerd is door de Europese koloniale bezetters. Terwijl in de Europese
landen zelf de secularisatie een emanciperend effect had (in de zin van
bevrijding van de kerkelijke hegemonie), werd ze in de "kolonies" meestal
gebruikt als een ideologisch wapen, namelijk tegen de islam, om de nationale
aspiraties van de betreffende moslimgemeenschap te onderdrukken. Nog vandaag
geldt het uit het Frans gearabiseerde woord, "laikiyya", in de Maghreb
als een scheldwoord, en wordt het gebruikt om politieke tegenstanders het
leven zuur te maken.
5. Eén van de grootste handicaps in
het "secularismedebat" in het algemeen, is ongetwijfeld het gegeven, dat,
in nog veel sterkere mate dan bij andere sleutelbegrippen, het begrip "secularisme",
of "laïciteit" erg uiteenlopende en zelfs tegenstrijdige betekenissen
oproept. Zoals onze vriend Heiner Bielefeldt het uitdrukt, in de bijdrage
van zijn hand die wij in Nederlandse vertaling gepubliceerd hebben als
CIE-Cahier ("Moslims in de Lekenstaat. Het recht van moslims mee vorm
te geven aan de Europese samenleving"):
"Het (begrip) wordt begrepen: als een
antireligieuze of postreligieuze ideologie; als een specifiek westers-christelijke
organisatievorm van de verhouding tussen staat en religie; als een poging
tot staatscontrole over de godsdienstige gemeenschappen; óf als
een uitdrukking van respect voor de godsdienstvrijheid van de mensen" (p.
2).
Dergelijke verscheidenheid, zo al niet verwarring,
die men kan aantreffen in de westerse literatuur, vindt men óók
terug in het gebruik van de Arabische vertalingen ervan (en dan hebben
we het vooral over de termen cilmaniyya, neologisme afgeleid
van het woordje cilm ("wetenschap" of "kennis"), en calamaniyya,
afgeleid van calam ("wereld" of "universum", in de profane
zin); maar een meer accurate vertaling is wellicht dunyawiyya, van dunya
("wereld", en vandaar "wereldlijk"). In de 4-delige encyclopedie over secularisme
die zal worden uitgegeven door Abdelwahab El-Messiri (emeritus professor
Engels en Vergelijkende Literatuurwetenschap, Ein Shams Universiteit in
Kaïro), "Deconstructie van het Seculier Discours" (titel vertaald
uit het Arabisch; het werk is gepland voor zomer 2001; zie Azzam Tamini,"The
Origins of Arab Secularism", in: A.Tamimi & J.L.Esposito, edd.,"Islam
and Secularism in the Middle East", London 2000, p. 17), worden niet
minder dan 18 verschillende definities gegeven van "secularisme", verzameld
uit de moderne Arabische literatuur (ibid.).
Op de complexe inhoudelijke discussies kunnen wij
hier - hoeft het gezegd? - niet ingaan. Ik beperk me ertoe op te merken
dat een aandachtige lectuur van bijdragen van moslimauteurs tot het debat
(zoals bv. verzameld in de hoger vermelde recente bundel van Tamimi en
Esposito) bij de onbevangen (wat niét wil zeggen: onkritische) lezer
tot een verscherpt besef voert van de fundamentele historiciteit,
en dus: betrekkelijkheid van het westerse secularisme (dat
we dan gemakshalve begrijpen in zijn gangbare betekenis van scheiding tussen
"kerk" en "staat"). En dan denk ik niet in de eerste plaats aan de bekende
rol van de langdurige godsdienstoorlogen in Europa, vanaf de 16e
eeuw, of aan die van de zogenaamde Verlichtingsfilosofen (Locke, Mill, Voltaire,
enz. - waarbij we gewoonlijk graag voorbijgaan aan het optreden van politieke
heersers, zoals Hendrik VIII, met zijn confiscatie van de kloosters en
versterkte staatscontrole over de kerk). Waar het om gaat is dat wij terdege
moeten leren beseffen dat uit het historische proces van confrontatie en
strijd - confrontatie en strijd die ook nà de Franse revolutie,
met name in Frankrijk (dan toch hét "thuisland" van de laïcité),
nog een volle eeuw voortduurden - géén "lekenstaat" is voortgekomen
als idealiteit - d.w.z. "af" en "untouchable". Alle
West-Europese landen (of alvast de ruime meerderheid, en daaronder zeker
ook België) bleven, en blijven, wat de verhouding betreft tussen
religie (of de kerk) en de samenleving, gedomineerd door in oorsprong christelijke
(katholieke of protestantse) tradities en instituties (aan de zo pas in
de pers berichte afschaffing in ons land, vanaf 2001, althans van het officiële Te Deum, op
het Feest van de Dynastie, is niét merkwaardig dat ze gebeurt, als
wel dat deze katholieke misviering zo lang, tot vandaag, is blijven bestaan
als een civieke plechtigheid, waartoe bv. ook alle professoren van
deze Gentse "rijksuniversiteit" jaarlijks werden uitgenodigd).
De "Europese lekenstaat" in het algemeen, en de
"Belgische" in het bijzonder, moeten dus sterk gerelativeerd worden. Zoals
de Palestijnse auteur, Munir Shafiq, in dit verband opmerkt (in zijn bijdrage "Secularism
and the Arab-Muslim Condition", in: Tamimi & Esposito, p. 140):
het zou compleet onjuist zijn te stellen dat Europa en haar leiders exclusief
of zelfs hoofdzakelijk geleid zijn door het secularisme:
"De Europese civilisatie en cultuur
kunnen nog het best gezien worden als een complex mengsel van relaties
tussen vijf componenten: secularisme, de staat, de samenleving, de kerk
en religie" (ibid.).
De belangrijkste vaststelling echter van Shafiq is
mijns inziens dat de Europese laïciteit steeds en altijd afhankelijk is geweest
van compromissen, dus van evenwichtsoefeningen, van historische
(en altijd labiele) machtsevenwichten. Voor België als zodanig,
dat is algemeen bekend, geldt dat méér dan voor gelijk welke
andere Europese staat: de creatie van de Belgische staat, in 1830, berustte
op een "historisch compromis" tussen katholieke kerk en liberale burgerij.
De eerste kreeg, in het kader van de zogenaamde schadevergoeding voor het Franse
bewind, een financieel geprivilegieerde positie (die tot vandaag voortduurt)
en behield haar greep op maatschappelijke basisinstituties zoals het onderwijs;
de tweede bekwam dat de kerk afstand deed van haar monopolie over het geloof
van de burgers (het oorspronkelijke compromis, zoals bekend, hield niet
stand: denken we aan de eerste "schoolstrijd" - maar dat is een ander verhaal).
Epiloog
Wanneer we van hieruit, dus: vanuit dit historische
besef omtrent de lekenstaat, de cirkel rondmaken en terugkeren naar het
concrete voorbeeld en die éne problematiek waarmee ik gestart ben,
namelijk die van de (afwezige) moslimbegraafplaatsen (het is slechts één
voorbeeld, slechts één thema: ik wou vandaag absoluut vermijden
in een jeremiade te vervallen, of een klachtenlijst), dan kunnen we, denk
ik, de weigering van lokale politieke verantwoordelijken "in naam van
de lekenstaat" (voor Gent verwijs ik naar het antwoord van de bevoegde
schepene in de gemeenteraad van maart van dit jaar; maar reeds enkele jaren
eerder heeft een notoir burgemeester van Leuven in gelijkaardige, zij het
nog krassere termen gereageerd op een soortgelijke vraag vanuit de oppositie),
weigering om daadwerkelijk te voorzien in dit specifieke basisrecht voor
mosliminwoners, beoordelen (en veroordelen) op zijn ware, machtspolitieke
- of moeten we zeggen: machts-cynische mérites, gerealiseerd
op de rug van de zwakke, politiek nog altijd overwegend rechteloze minderheid
in onze samenleving.
Tenslotte, voor wie hierop zou reageren met de
bedenking dat het "gemakkelijk praten is vanachter de academische katheder",
en dat er nu eenmaal onoverkomelijke problemen zijn vanuit de Islam zelf,
wil ik herinneren aan het publieke debat wij op 14 mei 1997,
hier in Gent, in het Geuzenhuis (!), i.s.m. het Humanistisch Verbond Gent,
hebben georganiseerd tussen Vlaamse en Gentse moslimwoordvoerders van uiteenlopende,
"etnische" en religieuze strekking, enerzijds, en de Gentse schepene,
verantwoordelijk voor "Migrantenzaken", anderzijds (moderator: Prof.Jan
Blommaert). Dat publieke debat - en dat was een verrassing, als ik dat
zo mag zeggen, voor àlle deelnemers - resulteerde in een verregaande
overeenstemming tussen de twee partijen. Er werd zelfs al een bepaalde
locatie van stedelijke begraafplaats vernoemd waar het vereiste perceel
in een mum van tijd kon worden ingericht. Helaas, de betreffende schepene
was wel verantwoordelijk voor migrantenaangelegenheden, maar niét
voor eredienst en begraafplaatsen. De schepen die dat wel was, behoorde
tot de andere partij in de coalitie en zei "njet".
Wat dus nog maar eens aantoont, mocht dat nog nodig
zijn, dat de discussie over "islam en lekenstaat" géén principiële
discussie is over zogezegd incompatibele cultuurwaarden, maar gewoon een
kwestie is van machtspolitiek, in dit geval in het kader van de Vlaamse
staatshuishouding.
_________________________ |