Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • 

Het Verdriet van het Moslimkind

of: De nood aan interculturalisering van het Vlaamse onderwijs

door:

Herman De Ley, i.s.m. Fadime Köse en Rajae Slaoui (© 1998)*




1. Inleiding: het Verdriet van het Moslimkind.

1.1. Moslimkinderen ervaren op school regelmatig moeilijkheden wat het respect betreft van hun religieuze rechten. Deze situatie, wanneer zij niet onderkend wordt en geen oplossing krijgt binnen het pluralistische project van het stedelijke [en gemeenschaps]onderwijs [respectievelijk, voor het katholieke net, binnen de menselijke grondrechten, zoals erkend in het ook door België geratificeerde Internationale Kinderrechtenverdrag], kan ten grondslag liggen aan gevallen van marginalisering, delinquentie en zelfs criminaliteit, die later onder deze jongeren worden vastgesteld.

De actuele situatie in onze scholen is van die aard dat de meerderheid van de leerlingen van niet-Europese oorsprong (doelgroepleerlingen: in het Gentse stedelijke lager onderwijs: 28%) bestaat uit kinderen van in oorsprong Turkse of Maghrebijnse (in meerderheid Marokkaanse) of gemengde families, waarvan 99% moslim (in één van de categorieën die hoger werden onderscheiden, zie [Memorandum], p. 4).
 

1.2. Naast de onvermijdelijke, soms pijnlijke ervaringen voor élk kind, wanneer het zich, uit de geborgenheid van het gezin, maatschappelijk moet integreren in een schoolgemeenschap, wordt een moslimkind bovendien én als allochtoon (of: als kind uit een gemengd huwelijk) én als moslim geconfronteerd met bijzondere vormen van uitsluiting en/of discriminatie.

Het is ongetwijfeld juist dat moslimkinderen een aantal problemen delen met andere, niet-moslimse, "vreemde" kinderen (bv. slechte schoolresultaten, oververtegenwoordiging in het bijzonder en in het beroepsonderwijs, enz.). Maar het is even juist dat zij, precies omdat ze moslim zijn, ook hun religieuze rechten vaak niet-gerespecteerd zien vanwege de onderwijsinstelling waar ze tegelijkertijd hun schoolse opleiding en hun burgerlijke vorming moeten krijgen. Niet zozeer racisme of onverschilligheid, als wel gebrek aan vertrouwdheid met de islam én bezorgdheid om het "neutrale" karakter van de school vanwege de schoolverantwoordelijken zijn daarvoor de meest frequente motieven.

Gelijk welke opvoedkundige, nochtans, zal bevestigen dat het in die omstandigheden niet erg verwonderlijk is dat zich vooral binnen die groep van moslimjongeren - meisjes en jongens - (i) gedragsvormen ontwikkelen van protest, agressiviteit en rebellie, en/of (ii) zich schoolmoeheid en schoolverzuim voordoen, alsook het vroegtijdig stopzetten van de opleiding - met als onvermijdelijk correlaat verdere sociale uitsluiting en marginalisering.
 

1.3. Veel te vaak worden allochtone kinderen niet intelligent of niet goed genoeg geacht voor het algemeen vormend onderwijs: ze zouden het niet aankunnen, niet willen, zouden geen werk vinden, enz., enz. Er wordt hen (hun ouders) nog steeds routinematig aangeraden om een technische of beroepsopleiding te volgen, waarmee ze "zeker" aan werk zullen geraken (bv. "een verpleegster die bovendien Turks/Arabisch kent, vindt zeker werk; universitaire studies hoeven dus niet", enz.); tegelijkertijd worden ze vaak onder druk gezet om zich bv. qua kledij, enz. te "conformeren", d.w.z. "in hun eigen belang" te verzaken aan hun identiteit (cf. de hoofddoekkwesties, met name ook in het beroepsonderwijs).
 

1.4. Het is ook erg belangrijk dat men in dit debat niet te pas of te onpas schermt met particuliere gevallen en die dan vervolgens, generaliserend, aan de allochtone bevolking in haar geheel toeschrijft. Wanneer een individuele vader bv. beweert dat meisjes eigenlijk niet hoeven te studeren, is dat een uitspraak die enkel hemzelf bindt; vele andere vaders zullen het daaromtrent met hem niet eens zijn. Veralgemeningen van dergelijke aard zijn even fout als wanneer niet-Belgen bv. op basis van de informatie die bijna wekelijks in de pers verschijnt, zouden concluderen dat alle Belgen (of: alle priesters, enz.)... "pedofielen" zijn(1).
 

1.5. In het algemeen, daarom, lijkt het dringend nodig:

  •   dat scholen en inrichtende machten zich beter bewust worden van hun medeverantwoordelijkheid in mislukkingen inzake burgerlijke opvoeding en maatschappelijke integratie van tal van jongeren van Turkse of Marokkaanse afkomst;

  •  dat men men ermee ophoudt de ouders, als moslims, te responsabiliseren of in vraag te stellen ("blaming the victim"); individuele uitzonderingen niet te na gesproken (en die treft men óók aan bij autochtone ouders), wensen deze ouders niets liever dan dat hun kinderen - jongens én meisjes - mét behoud van hun identiteit kunnen opgroeien tot goed opgeleide volwassenen die met succes een maatschappelijke rol kunnen spelen;

  •  dat scholen ermee ophouden naar eigen goeddunken te handelen: scholen zijn of lijken zo machtig dat noch ouders noch kinderen initiatieven durven nemen om de school te wijzen op allerlei taken die zij op zich zou moeten nemen;

  •  dat men ermee ophoudt de (terechte) maatschappelijke strijd om de belangen van de eigen school of het eigen schoolnet te voeren op de rug van de maatschappelijk zwakste leerlingen (cf. de hoofddoekaffaire);

  •  dat men ermee ophoudt de islamreligie in staat van beschuldiging te stellen: de overgrote meerderheid van degenen die dat doen, hebben onvoldoende kennis inzake de islam om een gefundeerde analyse te maken, maar hebben voldoende vooroordelen om te falen in een neutrale benadering.
     

1.6. Het is de hoogste tijd dat voor deze problematiek integendeel een professionele benadering uitgewerkt wordt, nl.:

1) een adequate en nuchtere (na)vorming van leerkrachten en directies inzake islam; aldus kunnen zij zich ontdoen van de negatieve vooroordelen die zij (vaak onbewust) koesteren t.a.v. deze kinderen en hun religie;

2) binnen het bestaande, pluralistische en co-educatieve project van het stedelijke onderwijs én met respect voor ieders identiteit (zie verder), een doelmatige civieke opvoeding voor alle kinderen, met inbegrip van de moslimkinderen, zodanig dat deze laatsten voorbereid worden op hun toekomstige rol van "moslimburgers" in een geseculariseerde samenleving;

3) behalve betere en meer laagdrempelige overlegstructuren tussen directies en ouders, dienen er ook maatregelen genomen opdat de interculturalisering en sensibilisering van het onderwijs adequaat kan verlopen op school.

Als een préalabele, is het nuttig om even een informatieve opsomming te maken van de religieuze rechten van de moslimkinderen, die tot nu toe door scholen vaak (mede uit onwetendheid) onvoldoende of niet worden gerespecteerd.

 



2. Grondrechten van Moslimkinderen op School.

2.1. Het recht te kunnen eten op school.

Moslimkinderen verkeren vaak niet in de mogelijkheid (of hebben alleszins niet de garantie) - zelfs wanneer hun ouders het verzoek daartoe hebben geformuleerd - reguliere schoolmaaltijden te nuttigen; ze krijgen nl. geen eetmaalkeuze aangeboden die hen toelaat rekening te houden met de voorschriften van hun religie.

De meerderheid van de scholen is van oordeel dat men aan deze vraag niet mag tegemoet komen omdat het hier eens te meer om een tegemoetkoming zou gaan "zoals er voortdurend gedaan worden ten gerieve van die migranten".Er zal hen moeten duidelijk worden gemaakt dat het hier niet om een gunst gaat, maar om een recht.

De scholen die aan deze vraag wél tegemoet trachten te komen, stoten, naar verluidt, op het njet van de traiteur (private of andere) die door het stedelijk College belast werd met het verstrekken van schoolmaaltijden aan de scholen die zulks wensen. Gelet op het hoog percentage van zgn. doelgroepkinderen in het stedelijk onderwijs dient bij de openbare aanbesteding voor schoolmaaltijden in de toewijzingsvoorwaarden door het College uitdrukkelijk de eis te worden opgenomen dat zgn. hallâl-maaltijden moeten beschikbaar zijn, alsook strikt vegetarische maaltijden (gelet op de toenemende risico's die vandaag verbonden zijn met het eten van vlees - cf. de dolle koeienziekte, de illegale behandeling van vlees met hormonen en/of antibiotica -, zouden ongetwijfeld ook heel wat niet-moslimouders dergelijke maatregel op prijs stellen).

2.2. Het recht deel te nemen aan schoolreizen.

Het is begrijpelijk dat moslimouders, wanneer zij niet de garantie hebben dat hun kinderen tijdens de schoolreis (a) maaltijdpakketten zullen ontvangen die conform zijn aan de religieuze voorschriften, en (b) het nodige respect zullen krijgen wat bepaalde voorschriften betreft met betrekking tot hun lichamelijke/seksuele integriteit, weigeren hun kinderen de toelating te geven om aan die activiteit deel te nemen.

Ook hier zijn eenvoudige maatregelen mogelijk (bv. hallâl- en vegetarische voedselpakketten; waarborgen wat kledijregels, slaap- en wasruimtes betreft, enz.), die het vertrouwen bij de moslimouders kunnen herstellen, maar die in se niet fundamenteel verschillen van de pedagogische zorgvuldigheid en bekommernis die alle ouders mogen verwachten van het begeleidend schoolpersoneel.

Het is juist dat individuele ouders, ook wanneer zulke garanties door een plichtsbewuste directie persoonlijk gegeven worden, soms tóch nog hun toelating weigeren: dit soort van problemen (t.a.v. dewelke schoolverantwoordelijken zich machteloos voelen en waardoor schoolexcursies eventueel in het gedrang komen) zullen adequater kunnen aangepakt worden via een centrale overlegstructuur (waarbij ook de imâms/moskeeën als morele autoriteit betrokken moeten worden).

2.3. Het recht op verlof tijdens religieuze feestdagen (2 tot 3 dagen per jaar).

Sommige scholen weigeren, in afwezigheid van wettelijke bepalingen, dit recht te respecteren en eisen de strikte naleving van het interne reglement, onder dreiging met straffen die ze niet aarzelen toe te passen. Andere scholen stellen er zich mee tevreden "de ogen te sluiten" en te laten begaan. Op die wijze, nochtans, laten ze het kind (en zijn/haar religie) de verantwoordelijkheid dragen voor de lessen die het niet heeft bijgewoond. Wanneer het kind hulp vraagt om de achterstand in te halen, krijgt het dan soms als antwoord: "je had maar aanwezig moeten zijn, zoals alle anderen". Anders gezegd: "laat je godsdienst in de steek en je zal minder problemen hebben".

P.S. 1) Begripvolle directies die wél de nodige soepelheid aan de dag leggen (bv. een dag verlof geven voor het Suikerfeest) klagen dat leerlingen dan vaak zónder toelating een twééde dag afwezig blijven. Een centrale regelgeving, waarbij de stedelijke inrichtende macht haar verantwoordelijkheid neemt én de religieuze overheid (imâms, moskeeën) betrokken wordt, kunnen hier willekeur en misbruik - mede in het belang van de moslimkinderen zelf - doeltreffend voorkomen of, indien nodig, ook bestraffen.

P.S. 2) Wanneer moslimkinderen officieel/officieus toelating krijgen om hun religieuze feesten te vieren, nl. door schoolverlof, is het belangrijk dat het waarom en de modaliteiten van zulke maatregel aan hun niet-moslimse klasgenootjes zowel als aan alle leerkrachten op pedagogische wijze worden uitgelegd (cf. het verwijt dat "moslims tweemaal profiteren", nl. ook van het kerstverlof, enz.). Eventueel kunnen die klasgenootjes op een of andere manier meer actief betrokken worden bij het gebeuren - de "interculturalisering" van het onderwijs zou op die manier een grote stap vooruit zetten; en er kunnen ook praktische onderlinge afspraken worden gemaakt. Ook in dit opzicht is het belangrijk dat t.a.v. autochtone kinderen de indruk van "willekeur" of "misbruik" vermeden wordt.

2.4. Het recht op het in acht nemen van de voorschriften m.b.t. je lichamelijke integriteit:

2.4.1. het recht je lichaam niet bloot te stellen aan de blikken van anderen:

dit recht betreft hoofdzakelijk de turn- en zwemlessen: moslimkinderen hebben hier vaak niet de mogelijkheid zich buiten andermans blikken om te kleden; tevens wordt, om onduidelijke redenen, het dragen van een erg minimale kledij (zwemslipje, short, enz.) geëist. Dit betreft evenzeer de schoolreizen: jongens en meisjes worden soms verplicht dezelfde kamer te delen en/of zich samen in dezelfde badkamer te wassen.

N.B. Het algemene principe van de coëducatie dient hierbij niet in vraag te worden gesteld (cf. ook in scholen zonder moslimleerlingen bv. worden de lessen L.O. voor meisjes en jongens om een aantal praktische redenen apart georganiseerd). Zie hierover ook verder, onder § 4.

2.4.2. Het recht op fysieke afstandelijkheid vanwege volwassenen:

sommige leerkrachten, die geleid worden door de beste bedoelingen (wekken van vertrouwen, enz.), nemen, bij het verstrekken van individuele begeleiding, uitleg, enz., zo dicht mogelijk naast het kind plaats. Ze zijn dan "geschokt" door de negatieve reacties hierop vanwege een moslimkind: afhankelijk van zijn/haar leeftijd, zal het kind zich vaak verward tonen, niet-cooperatief en soms zelfs brutaal of agressief. In de meerderheid van de gevallen verwijdert het kind zich zo ver mogelijk van de leerkracht; deze laatste interpreteert die reactie dan ten onrechte als een teken van persoonlijk wantrouwen, als een tekortkoming in de seksuele opvoeding van het kind, in zijn/haar familie, of als zelfs een persoonlijke belediging. In werkelijkheid gaat het hier om religieus-culturele codes waarmee de opvoeder vertrouwd moet zijn, wil hij/zij doelmatig kunnen werken.

2.4.3. Het recht voor wie zulks wenst, zich het haar te bedekken met een hoofddoek en de vestimentaire uitrusting aan te passen aan de religieuze voorschriften.

Het is hier niet de plaats om dieper in te gaan op de zgn. hoofddoekproblematiek. We mogen ermee volstaan erop te wijzen (i) dat niet-moslims veel te snel geneigd zijn om, zeker op dit terrein van kledingcodes, aan een stereotype invulling/interpretatie te doen van een religieus gebruik/geloof dat niet het hunne is: denken we bv. aan de vastgeankerde overtuiging van vele beleidsverantwoordelijken dat meisjes/vrouwen onmogelijk uit eigen, vrije wil de hoofddoek kunnen dragen; of de steeds weerkerende twijfel of deze religieuze verplichting "wel in de Koran staat?"; (ii) dat het dragen van een "islamitische kledij" (het gaat om méér dan alleen maar de sjaal) uitreligieuze overtuiging wel dégelijk vrouw-emancipatorische effecten kàn hebben: het weze dat het meisje, of de jonge vrouw vanwege haar ouders alleen onder die (beschermende) voorwaarde hogere studies mag aanvatten; het weze dat het meisje of de jonge vrouw zélf haar maatschappelijk engagement uitdrukkelijk en voor iedereen zichtbaar wil koppelen aan haar islamitische identiteit, en dat ze die ook wil gerespecteerd zien.

Algemeen moet opgemerkt worden dat in de grote meerderheid der gevallen het dragen van de "hoofddoek" niet noodzakelijk een afwijzing van of weigering tot integratie in de huidige samenleving inhoudt, maar dat het integendeel heel vaak een uitdrukking is van integratiewil - míts respect wordt gekregen voor de eigen identiteit(2). De schade die berokkend wordt door rechtlijnige verbodsmaatregelen vanwege (al dan niet goedmenende) directies is onmiskenbaar: bedoeld om de emancipatie en integratie van moslimmeisjes en -vrouwen zgn. te bevorderen, hebben zij juist het tegenovergestelde effect (er zijn bv. voldoende aanwijzingen dat vele jonge vrouwen hun opleiding om die reden vroegtijdig afbreken, met alle negatieve, anti-emancipatorische gevolgen van dien)(3).

Tenslotte, blijkt uit gesprekken, zowel met beleidsverantwoordelijken als met directies, dat het verbod op de hoofddoek - in welke ideologische of juridische argumentatie ook ingekleed - vaak in werkelijkheid een politiek-opportunistisch doel dient, nl. te vermijden dat de reële moslimaanwezigheid op een school " te zichtbaar" of "te groot" zou worden, en dat "dus" de "kwaliteit" van de school, of in alle geval de reputatie daaromtrent, daaronder zou te lijden hebben. Hoe goed bedoeld ook, moet een dergelijke politiek als moreel volkomen onaanvaardbaar worden bestempeld. Zoals hoger al aangestipt: hier wordt de politieke strijd voor de eigen school of het eigen officiële net (waarvan de belangen in het gedrang worden gebracht, niét door de moslimleerlingen, maar door het beleid van de hogere, nu Vlaamse overheid, i.c. de minister van Onderwijs) gevoerd op de rug van de zwaksten (want politiek rechtelozen) in de samenleving.

 

2.5. Het recht te vasten tijdens de Ramadanmaand in de omstandigheden die vereist worden door deze belangrijke pijler van het islamitische geloof.

2.5.1. Het recht op respect tijdens de pauze-uren.

Tijdens de pauze-uren krijgt het kind, wanneer het deelneemt aan de vasten, vaak niet het recht om een rustige plaats uit te kiezen binnen de school, of om die nochtans "vrije tijd" voor persoonlijke, godsdienstige bezinning te gebruiken. Het kind verlangt niets dat niet realiseerbaar zou zijn binnen de school: het wil gewoon uit de kou staan, ver van alle eten en drinken, én ver van de grote massa van medeleerlingen, die zijn/haar religie veelal toch maar misprijzen.

Zo goed als geen enkele school geeft gehoor aan die wens, en toch klagen bijna alle scholen over een toegenomen agressiviteit onder hun leerlingen tijdens de Ramadanmaand.

2.5.2. Het recht tijdens de Ramadanmaand tijdelijk vrijgesteld te worden van sportactiviteiten die een zware lichamelijke inspanning vergen.

De vastenverplichting - althans voor kinderen en adolescenten die haar op zich nemen - vergt wel degelijk een zware inspanning (verschillend naar gelang van het seizoen): er mag niet enkel niet gegeten, maar ook niet gedronken worden, tot zonsondergang. Het lijkt niet meer dan redelijk dat daarmee rekening wordt gehouden (waarbij de nodige praktische afspraken kunnen worden gemaakt om misbruiken te voorkomen).

2.5.3. Het recht voor jonge moslims in de internaten, om tijdens de Ramadanmaand hun avondmaal na zonsondergang te nuttigen.

De situatie is voor deze kinderen nog ondraaglijker: ze worden zonder meer gedwongen het vasten op te geven, door de burokratische onwil of weigering het avondmaal voor hen op te dienen na zonsondergang. Gelet op de huidige technische mogelijkheden zou ook dit geen probleem mogen zijn, mits minimale goede wil wordt opgebracht door het personeel.

2.6. Het recht op godsdienstonderricht.

In tal van scholen krijgen moslimkinderen jarenlang niet het verplicht godsdienstig onderricht (2 uur per week), omdat er geen islamleerkracht verbonden is aan de school.

Het tekort aan islamleerkrachten dat daarvoor in eerste instantie verantwoordelijk is(4), kan vanzelfsprekend noch door het schoolhoofd noch door de stedelijke inrichtende macht worden opgevuld. Wel zou het stedelijke College, eventueel in samenspraak met andere steden, bij de minister van Onderwijs kunnen aandringen op de spoedige erkenning - op het niveau van regentaat en universiteit en in nauwe samenspraak met representatieve moslimorganisaties in Vlaanderen - van een landelijke opleiding voor (o.m.) islamleerkrachten. Op die manier zou dit tekort althans op middellange termijn kunnen opgevuld worden met beroepsbekwame leerkrachten.

In afwachting evenwel van een oplossing ten gronde, zouden de betreffende scholen de negatieve effecten van deze situatie voor de betreffende kinderen zoveel als mogelijk moeten opvangen. Betreurenswaardig, inderdaad, is indien er (zoals vaak het geval is) binnen scholen geen constructieve of instructieve voorzieningen worden getroffen om de betreffende kinderen althans pedagogisch te omkaderen: zij worden dan onverantwoord gedurende ongeveer 86 uur per schooljaar aan hun lot overgelaten.

2.7. Het recht op niet-racistisch gedrag vanwege leerkrachten en directie:

Moslimkinderen hebben het recht vanwege hun leerkrachten geen misprijzende signalen te ontvangen m.b.t. hun godsdienstig geloof. Een aantal, spijtig genoeg, van onze leerkrachten en schooldirecties hebben - vaak huns ondanks - de grootste moeite om het nodige respect te betonen t.a.v. de islam en de moslims. De negatieve en soms zelfs racistische vooroordelen die ze kenbaar maken t.a.v. deze kinderen zijn van aard het zelfvertrouwen van die kinderen aan te tasten, hun persoonlijkheidsontwikkeling te verstoren en hun schoolprestaties negatief te beïnvloeden. Tegelijkertijd - hoeft het gezegd? - versterken ze de (eventueel latente) racistische attitudes bij de niet-moslimse leerlingen, en ondermijnen ze dus doende het democratisch en multicultureel project van het Gentse stadsonderwijs. Het wordt hoog tijd dat, zoals vele gemeenschapsscholen, ook alle stadsscholen zichzelf uitroepen tot "scholen zonder racisme".

De recente waarschuwing, daarom, vanwege de Schepen van Onderwijs aan de schooldirecties voor inbreuken op de antiracismewet moet ten zeerste toegejuicht worden; wel moet ze uitgebreid worden tot álle vormen van racistische gedrag vanwege personeelsleden, en zulks ook t.a.v. islamitische godsdienstbeleving. Het door Mevr. Moerman aangestipt probleem, nl. dat het "moeilijk is een waterdicht controlesysteem op poten te zetten" (De Morgen, 14/2/98), kan alleszins gedeeltelijk via de op te richten overlegstructuur (m.i.v. het hoger voorgestelde "meldpunt") opgevangen worden. Anderzijds moeten behalve repressieve zeker ook positieve initiatieven worden genomen, op het vlak van de (interculturele) bijscholing van het onderwijzend personeel. Het FoGI biedt daartoe alvast zijn goede diensten aan.

Spijtig genoeg moet ook worden vastgesteld dat uitlatingen en beslissingen vanwege het College zelf, als inrichtende macht - en we denken dan natuurlijk aan de spijtige beslissing inzake de hoofddoek (4/12/1997) -, de racistische vooroordelen bij het personeel onvermijdelijk versterken.

 



3. De PMS-Centra(5):

3.1. Allochtone leerlingen worden veel te vaak naar het beroepsonderwijs of zelfs buitengewoon onderwijs "doorgesluisd". Het optreden van het PMS is hierin van groot belang. Allochtone leerlingen worden vaak al vanaf het kleuteronderwijs achtergesteld:

  •   men laat ze bv. in de 3e kleuterklas zittenblijven, "om Nederlands te leren", in plaats van ze naar het 1e leerjaar te laten overstappen en gewoon mee te doen (al doende leert men);

  •  of het kind wordt aangeraden een jaartje buitengewoon onderwijs te volgen (dat kan zowel in het LO als in het MO) om zogezegd na dat jaartje weerom gewoon onderwijs te volgen; uiteraard gebeurt dergelijke latere omschakeling heel moeizaam of zelfs helemaal niet.

3.2. De PMS-centra hebben een bijzonder slecht imago bij allochtone ouders: zij zijn het, in hun ogen, die hen komen zeggen dat hun kind "achterlijk" is; die hun kind naar het buitengewoon onderwijs sturen; die de kansen van hun kind op een gewone schoolloopbaan ondermijnen, in plaats van te helpen mogelijk maken.

3.3. Er schort ook heel wat aan de werkwijze van het PMS:

  •   ten eerste wat het testen betreft van allochtone leerlingen. Wanneer allochtone kinderen getest worden, gebeurt dat bijna altijd zonder rekening te houden met de cultuurgebondenheid van de gehanteerde tests, of met de reële kennis en vaardigheden van het kind. Alleen al omdat ze gebrekkig of geen perfect Nederlands spreken, scoren die kinderen over het algemeen laag tot zeer laag op deze testen (NB dat geldt eveneens voor autochtone kinderen uit de lagere sociale klassen, die thuis een bepaald dialect spreken); op basis daarvan worden uitspraken gedaan over het intelligentieniveau van het kind en worden "adviezen" gegeven die door de ouders gewoonlijk slaafs worden opgevolgd, gewoon al omdat deze ouders zulke adviezen verkeerdelijk opvatten als beslissingen die ze moeten uitvoeren; het PMS zou veel beter moeten informeren over zijn eigen (beperkte) rol én over de rechten van de ouders.

  •  Ten tweede, de "kennis" die het PMS bezit over de allochtonen en moslims. Die stelt doorgaans bitter weinig voor. Er wordt te vaak vertrokken van bepaalde "evidenties", zonder rekening te houden met de persoonlijke situatie van kind en ouders (bv. wordt ervan uitgegaan dat alle gezinnen verjaardagen vieren, of geschenken kopen voor Sinterklaas, enz.).

  • Ten derde wordt pas contact gezocht met de ouders wanneer er reeds problemen zijn. Vaak ook wacht men te lang met het contacteren van de ouders ten einde tijdig en gezamenlijk naar een oplossing te kunnen zoeken (vgl. ook met wat er vaak op scholen gebeurt: kinderen met gedragsmoeilijkheden worden uiteindelijk geschorst, maar de ouders worden pas op de hoogte gebracht wanneer het zover is).

  • Het verzamelen van informatie en kennis over de gezinssituatie van het kind kan veel verheldering brengen en bijdragen tot het passend nuanceren van conclusies die louter op basis van de op de testen behaalde scores worden getrokken.



4. Moslims en Co-educatie.

4.1. Hoger, in de Inleiding ([Memorandum], p. 16), is al opgemerkt dat het ijveren voor gelijkberechtiging van de islam niét de bedoeling heeft, de principes van de lekenstaat in vraag te stellen; dat het juist integendeel beoogt die principes van pluralisme en verdraagzaamheid doelmatiger, en dus geloofwaardiger te realiseren. Zo ook heeft de eis, dat de religieuze grondrechten van moslimleerlingen in het stedelijk onderwijs beter zouden worden gerespecteerd(6), niét de bedoeling, het pedagogisch project van dat onderwijs te ondergraven, maar beoogt hij integendeel de emancipatorische doelstellingen ervan met grotere consequentie én doeltreffendheid te implementeren.
 

4.2. Dat geldt vooreerst voor de pluralistische en interculturalistische oogmerken van het "Opvoedingsproject van het Gentse stedelijke onderwijs". Deze oogmerken worden op een ondubbelzinnige wijze geformuleerd in de geactualiseerde versie ervan (van begin 1992). Zo wordt o.m. gesteld dat "verschillende overtuigingen over mens en maatschappij in een gemeenschap naast elkaar moeten kunnen bestaan...". En: "De school zal zelf ook een samenleving moeten zijn waarin democratisering, gelijkwaardigheid en openheid bestaan...".En: "De stedelijke onderwijsinstellingen... moedigen de dialoog aan, ze indoctrineren niet en bestrijden elk vooroordeel; ze confronteren uiteenlopende opvattingen. Ze dragen bij tot de kritische en creatieve integratie van de jongeren in de multiculturele maatschappij...".
 

4.3. Tegelijkertijd willen we benadrukken dat de pedagogische objectieven ervan op het vlak van de leerinhouden en de opleidingsonderdelen (m.i.v. biologie, lichamelijke opvoeding, zwemmen, e.d.) onverminderd moeten gehandhaafd blijven - míts de lesgever blijk geeft van het normale,pedagogische respect voor de opvattingen en geloofspunten van l zijn/haar leerlingen(7). Er kan m.a.w. geen sprake van zijn - vanuit de wens om de islam een plaats te geven in dat onderwijs - om ten behoeve van moslimleerlingen het voorgeschreven lessenprogramma als zodanig te reduceren (bv. lessen LO af te schaffen, of zwemmen, enz.). Op die manier, immers, zou er inderdaad een soort van "apartheids"- of tweederangsonderwijs in het leven worden geroepen, en zou de huidige positie van allochtonen en mosliminwoners als tweederangsburgers nog verder geïnstitutionaliseerd worden. Vanzelfsprekend zullen er moslimgelovigen zijn (zoals er ook katholieke e.a. ouders zijn), die er de voorkeur aan (zouden) geven hun kinderen in een vorm van "gesegregeerd" onderwijs een aparte, monoculturele opvoeding te laten krijgen. We mogen er evenwel van uitgaan - en de islamleerkrachten zijn er om ons dat te bevestigen - dat de grote meerderheid van de moslimouders die hun kinderen naar het officiële onderwijs sturen, zich (voorlopig nog) kunnen vinden in de algemene, maatschappelijke doelstellingen ervan, en dat hun vragen of bezwaren vooral de gebrekkige implementatie van die doelstellingen betreft t.a.v. de moslimkinderen.
 

4.4. Dit geldt met name ook voor het principe van de coëducatie. Individuele gevallen nogmaals niet te na gesproken, mogen we ervan uitgaan dat de meerderheid géén onoverkomelijke problemen heeft met het bestaande, gemengde onderwijs voor jongens en meisjes - mits dat principe op een redelijke manier wordt toegepast. Zoals al eerder opgemerkt: ook zonder aanwezigheid van moslimkinderen worden in vele, zo niet de meeste scholen de lessen lichamelijke opvoeding om heel praktische redenen gescheiden georganiseerd.

De coëducatie wordt dus niét in vraag gesteld. Wij zouden zelfs zeggen: wel integendeel. De vormen van islamitische regelgeving, waarop nu vanuit de hoek van de directies en inrichtende machten zo emotioneel of afwijzend wordt gereageerd: met name de hoofddoek en de aangepaste klederdracht (bv. tijdens de lessen lichamelijke opvoeding en tijdens het zwemmen) maken deze coëducatie ook vanuit gelovig standpunt metterdaad mogelijk. Betekenisvol in dit opzicht is ook het feit dat al twintig jaar islamonderricht gegeven wordt in het officiële onderwijs door (a) zowel vrouwelijke als mannelijke leerkrachten, en (b) voor gemengde klassen van jongens en meisjes, en dat dit zelden of nooit op enig bezwaar stuit vanwege ouders.
 

4.5. Het is correct, nochtans, dat er een aantal randproblemen blijven, die voor praktische moeilijkheden kunnen zorgen (bv. de weigering om, in het kader van lessen haarverzorging, de hoofddoek af te nemen in de reële of mogelijke aanwezigheid van jongens of mannelijke leerkrachten; de weigering van meisjes in een opleiding van verpleegster of bejaardenhulp om mannelijke patiënten uit te kleden, of te wassen). Voor vele van deze randproblemen, nochtans, zijn er pragmatische oplossingen mogelijk, mits (i) de leerkracht/directie de nodige soepelheid opbrengt (en dat impliceert: hoofd- en bijzaak van elkaar kan onderscheiden - de hoofdzaak hier zijnde dat het meisje of de adolescente wel degelijk haar opleiding kan vervolgen/voltooien: indien zij in haar later beroepsleven de keuze zal maken enkel vrouwelijke patiënten te behandelen, zal dat haar zaak zijn; en haar arbeid zal er niet minder belangrijk of zinvol om zijn); en (ii) mits de nodige overlegprocedures en -structuren worden georganiseerd. Wie hierbij reageert met bangelijke dooddoeners als: "ze moeten zich maar aanpassen!", of "waar gaat dat allemaal eindigen?", moet zich maar eens ter dege vergewissen van de vele handicaps zo al niet discriminaties waarvan allochtonen en moslims in ons land, in àlle sectoren van het maatschappelijke leven, het slachtoffer blijven.
 

4.6. Algemeen, trouwens, zouden "autochtonen" er goed aan doen, enige bescheidenheid, en dus ook soepelheid, aan de dag te leggen; zouden ze er goed aan doen, te bedenken dat het misschien niet zó evident is, in dit zgn. "Dutroux-tijdperk" (waarin er geen week voorbijgaat of de media weten te berichten over nieuwe gevallen van seksueel geweld of misbruik jegens kinderen, vanwege pastoors, leerkrachten, jeugdbegeleiders, notabelen, enz.), dat religieus-en-moreel bewogen moslimjongeren, meisjes en vrouwen, tóch de bereidheid hebben (en daartoe ook de nodige opleiding wensen te volgen) zich in déze samenleving te "integreren". Dat het misschien toch niet zó verwonderlijk is dat zij in dat geval hun maatschappelijk engagement uitdrukkelijk en voor iedereen zichtbaar willen koppelen aan hun islamitische identiteit, en dat ze die ook willen gerespecteerd zien.

 



5. Conclusie:

Ten einde onze schooldirecties en leerkrachten constructief te begeleiden bij de dagelijkse, individuele of meer algemene problemen waarmee zij te maken krijgen, als onderdeel van dit maatschappelijke leerproces (leerproces voor beide zijden) van interculturalisatie, dienen een aantal overlegprocedures en -structuren te worden uitgebouwd. De concrete vorm daarvan zal op punt moeten worden gesteld in het kader van het algemene overleg. Toch kan nu al gewezen worden op het belang van een permanent "contactlijn" waarbij de Gentse moskeeën, i.c. de imâms, zowel als de islamleerkrachten betrokken zouden zijn. Terwijl onderhandelingen met individuele ouders vaak tot mislukking gedoemd zijn (zonder dat één van beide partijen daarin schuld treft), kan een consultatie van deze morele autoriteiten, die bij de ouders over het nodige vertrouwen beschikken, vaak wonderen doen: nl. om aan problemen die onoplosbaar lijken, een praktische oplossing te geven die recht doet zowel aan de religieuze en morele bekommernissen van ouders en leerlingen, als aan de organisatorische of bestuurlijke zorgen van de school. Tegelijkertijd zullen ook de moskeeën en imâms aldus een grotere vertrouwdheid krijgen met de dagelijkse problemen van hun gelovigen, en met de bekommernissen van het stedelijke beleid.

 

___________________________________


 





NOTEN:

1. Of vergelijk ook de discussies i.v.m. werkloosheidsvergoedingen die gevoerd worden op basis van individuele gevallen als de (nu al beruchte) "vrouw van de dokter/notaris", enz. (terug)

2. "De hoofddoek is geen heropleving van een traditie. Hij verschilt ervan op twee cruciale punten: nl. (a) de intrede van de draagster ervan in de publieke sfeer, en (b) de onderwerping van de hoofddoek aan de evolutie van systemen zij niet determineert (bv. de mode). Zij die de hoofddoek dragen verschillen op belangrijke punten van hun moeders. Hier geboren of reeds lang wonend, zijn zij een product van de Belgische maatschappij, in die zin dat zij openlijk deel uitmaken van de 'Belgische' of 'Vlaamse' publieke sfeer. Deze vaststelling alleen al rijt het idee aan flarden als zou 'de islam' de vrouw niet toelaten tot de publieke sfeer", Sami Zemni, De hoofddoek in de multiculturele maatschappij (1998), p. 10. (terug)

3. "Schooldirecties die het argument gebruiken dat hoofddoeken vrouwonderdrukkend zijn en integratie tegengaan, moeten maar eens nadenken over de emancipatie- en integratiekansen van de meisjes die door hun star beleid voor een gesloten schoolpoort staan", Mieke Richart, onderwijsmedewerker in het L.I.C.-Zuid, te Antwerpen, Over het dragen van hoofddoeken, in: Rood, 16 januari (1998), p. 8. (terug)

4. Sedert het lopende schooljaar is dat tekort nog verscherpt wegens de toepassing door de Vlaamse Gemeenschap van de eis (ondersteund door de georganiseerde islamleerkrachten), dat leerkrachten voortaan over een GPB (Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid) zouden beschikken; ten onrechte hebben enkele tientallen leerkrachten nagelaten zich daaromtrent tijdens de voorbije jaren in regel te stellen. (terug)

5. Nu hervormd, of althans herdoopt in: Centra voor LeerlingenBegeleiding, of CLB. (terug)

6. In eerste instantie in het "officiële", d.w.z. gemeenschaps- en stedelijk onderwijs, dat zich beroept op het neutraliteits- beginsel en ertoe gehouden is, toegankelijk te zijn voor alle burgers, ongeacht hun godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging. Nochtans willen we hier uitdrukkelijk stellen dat, in zoverre het hier inderdaad gaat om fundamentele mensenrechten, ook het gesubsidieerde, "vrije" onderwijs tot het respecteren van deze grondrechten moet gedwongen worden (net zomin als een schoolreglement, kan het "pedagogisch project" van een "vrije" school zich boven de mensenrechten plaatsen). Het is o.i. ontoelaatbaar dat met name het vrije, katholieke onderwijs gefinancierd zou blijven door de gemeenschap, wijl het deze grondrechten zou blijven schenden. De politieke overheden onder wiens competentie deze financiering valt, zullen daaromtrent, eventueel via juridische stappen, voor hun verantwoordelijkheid moeten worden geplaatst - maar voorwaarde is dan wél dat het officiële onderwijs daartoe reeds op een systematische wijze het voorbeeld heeft gegeven. Zie hierover ook het dossier over moslimkinderen in het katholieke onderwijs op deze site. (terug)

7. Bv. wat de darwinistische evolutietheorie betreft (die aan voortdurende wetenschappelijke controverse en correctie onderworpen is): deze wetenschappelijke theorie moét uiteraard onderwezen worden, maar dat hoeft niét gepaard te gaan met het ridiculiseren van het geloof van het moslimkind in het Koranverhaal - paradoxaal genoeg, wordt datzélfde moslimkind dan soms nóg eens geridiculiseerd of bekritiseerd omdat het... niét aan Sinterklaas gelooft en dat ook durft te zeggen! (terug)

*Hoofdstuk uit: C.I.E.-Cahier Nr. 3: "Gent: een stad waar ook moslims zich 'thuis' kunnen voelen. Memorandum voor Permanent Overleg tussen Stadsbestuur en Moslimgemeenschap (Overlegforum: FoGI)", door Jan Blommaert, Herman De Ley, Fadime Köse, Rajae Slaoui en Sami Zemni. x-62 blz., Gent 1998 (ISBN 90-5796-001-X). Geciteerd als: Memorandum. Uittreksel: pp. 33-46. Redactionele toevoegingen in de tekst staan tussen rechte haakjes. Zie nu ook Welmoet Boender & Meryem Kanmaz (edd.), Congresmap van de 2de Dag voor de Gelijkberechtiging:  Moslimkinderen in Vlaamse Scholen, C.I.E., RUG 1999.

Zie ook C.GALLE: "Discriminatie: Moslimkinderen op Vlaamse scholen: Een muur van onbegrip", op deze site.

Web master Update: 13 februari 2008  • CIE-INDEX •