MOSLIMS EN VRIJZINNIGEN IN DE LEKENSTAAT>
door Herman De
Ley (© 2003)*
|
Inleiding.
Bestaat God?
Het klinkt wellicht wat
ouderwets of “passé” vandaag een lezing met dergelijke vraag te
openen. De vraag lijkt me nochtans op haar plaats wanneer we het willen
hebben over islam en laïciteit, moslims en vrijzinnigen binnen een
Europese context. Kunnen vrijzinnigen, die volgens het sociologische
gebruik van die term in Vlaanderen de godsvraag gewoonlijk met een
gedecideerd “neen” beantwoorden, kunnen zij samenwerken met mensen die,
met een minstens even grote stelligheid, de vraag met een “ja”
beantwoorden? En omgekeerd: kunnen overtuigde moslimgelovigen
desalniettemin samenwerken met mensen waarvan ze weten dat zij overtuigde
“ongelovigen” zijn? “Samenwerken”, zei ik. We hebben het dus niet
over louter tolerantie, in de zin van duldzaamheid, maar over
gemeenschappelijkheid in de zin van wederzijdse acceptatie en
positieve interactie.
Met deze tussenkomst,
die ik eerder ook al in andere vrijzinnige middens heb mogen houden, wil
ik alvast pleiten voor een grotere aanvaarding en openheid in de omgang
met onze moslimmedeburgers. Ik ben me ervan bewust dat een dergelijk
pleidooi “tegen de stroom in” gaat - méér dan ooit, na “11 september” -,
maar voor een academicus behoort tegen-de-stroom-ingaan tot één van
zijn maatschappelijke verplichtingen.
Laat ik terugkeren naar
die “gemeenschappelijkheid”. De objectieve grondslag ervoor - ik
herhaal: niet louter voor tolerantie, maar voor acceptatie of aanvaarding,
waarbij ieder het recht behoudt op zijn/haar identiteit - is gemakkelijk
aan te geven: ze bestaat in eerste orde in ons aller
mens-zijn.
Religie en
levensbeschouwing zijn een mensenzaak. Dat wil zeggen, of God nu
bestaat of niet, dus ook àls hij zou bestaan, is het finaal door
menselijk optreden, door menselijke begripsvorming en
verzinnebeelding dat religies ontstaan, bestaan en voortbestaan.
De islamitische
geloofsbelijdenis (shahâda) bevestigt ons dat zelf, namelijk door
in één adem het bestaan en de uniciteit van God te koppelen aan het
profeetschap van de mens Muhammad: “Er is géén god dan God, Muhammad is
zijn gezant”. Welke voorstellingen de gelovige zich ook moge maken
over de rol van Muhammad en het soort van openbaring dat door hem werd
ontvangen (als louter “spreekbuis” voor Gods Woord; als vertolker van “ingevingen”,
enz.), het is onloochenbaar dat de God van de Koran Muhammad (evenals alle
vorige profeten) nodig had, ten einde zichzelve en z’n boodschap
bekend te kunnen maken. Ook door de hedendaagse, vernieuwende
Koranexegeten wordt dat menselijke, of culturele karakter van de
koranieke verkondiging beklemtoond. Ik verwijs naar twee van de bekendste
hedendaagse Egyptische experten, de professoren Nasr Hâmid Abû Zayd
(leeft en werkt al een 10-tal jaar als balling in Leiden) en Hassan
Hanafî. Beiden stellen ze dat de kwestie van de goddelijke oorsprong
van de Koran wetenschappelijk onbewijsbaar is en dus ‘tussen haakjes’ moet
worden geplaatst. De Koran dient derhalve beschouwd en bestudeerd te
worden als een tekst zoals alle andere teksten, en dus als een
historisch en cultuurproduct.(1):
Godsdienst, élke
godsdienst, is fundamenteel een mensenzaak, voor haar voortbestaan
hangt ze af van de dagelijkse menselijke reproductie ervan - en dat houdt
in, met name wat islam betreft, dat elke demonisering van die islam
of van zijn belijders uit den boze is, of zou moeten zijn. "Les
religions", aldus Mohamed Arkoun, "ne produisent pas les
sociétés, les sociétés produisent les religions".
|
1. Moslims in Europa.
Laat ik beginnen met een
algemene maatschappelijke situatieschets:
1.1. Sedert bijna een
halve eeuw leven er in de hartlanden van (West-)Europa weerom substantiële
populaties van moslimorigine of moslimgeloof. “Weerom”, namelijk
sedert honderdduizenden zogenaamde “Morisco’s” na jaren van onderdrukking
aan het begin van de 17de eeuw massaal uitgedreven of
gedeporteerd werden uit katholiek Spanje. Volkomen nieuw echter aan
de hedendaagse situatie is de seculiere en democratische context
waarbinnen deze moderne convivencia, dit samenleven nù plaats vindt.
Die West-Europese moslimbevolking (in de brede zin van het woord) wordt
vandaag geschat op ruim 12 à 13 miljoen. Grosso modo bedraagt ze op dit
ogenblik dus een 4% van de bevolking van de Europese Unie. Zoals iedereen
weet, kent die populatie grote lokale concentraties. Zo leven er in
de regio Brussel-hoofdstad ca 165.000 mensen met een moslimachtergrond, dat
is ca 17% van de bevolking van die regio; in Gent bedraagt dat ca 5.2%;
Antwerpen: ca 6.6%. Die bevolking kent een bestendige aangroei en ze is jong:
ongeveer 1/3 ervan is jonger dan 18 jaar. Het geboortecijfer ervan is
nog altijd groter dan dat van de autochtone bevolking.
De (maatschappelijke,
economische en politieke) integratie van die bevolking, de aanvaarding van
haar cultuur en meer in het bijzonder van haar islamconfessie stuit vandaag
(meer dan ooit) op grote problemen, ook in ons land. De belangrijkste
verklaring daarvoor moet m.i. gezocht worden in haar socio-economische
oorsprong. Het grootste deel van de Europese moslims komen voort uit de
dekolonisatie na W.O. II en uit de laatste golf van arbeidsimmigratie die op
het continent georganiseerd werd. De aankomst van die “gastarbeiders” viel
samen met het einde van een periode van economische groei en volledige
tewerkstelling. Hun permanente vestiging gebeurde in een periode gemarkeerd
door economische krisis en onzekerheid en stijging van de werkloosheid. Een
niet onaanzienlijk deel van de mensen die rechtstreeks of onrechtstreeks
afkomstig zijn uit een moslimland, bevinden zich vandaag in een
maatschappelijk precaire situatie, zo al niet in een situatie van
economische uitsluiting. Naast de schrijnende discriminatie op de Europese
arbeidsmarkt, dient ook de kwetsbaarheid beklemtoond te worden van jonge
moslims op de “schoolmarkt”.
Een gelijkaardige
opmerking geldt voor hun rechtssituatie. Terwijl ze tot de belangrijkste
niet-Europese bevolkingsgroep behoren, genieten moslims meestal niet
dezelfde rechten als de zgn. autochtonen. Ze genieten niet hetzelfde recht
op mobiliteit, op respect en waardigheid. Dat moet althans geconcludeerd
worden uit alledaagse praktijken zoals identiteitscontroles, fouilleringen,
arrestaties, verwijderingen en administratieve aanhoudingen: zij alle vormen
wat Franstalige onderzoekers [van het Luikse I.R.F.A.M.] noemen: “les cérémonies de dégradation
sociale”. Als gelovigen, tenslotte, genieten moslimimmigranten en hun
kinderen niet van dezelfde rechten als degene die verleend worden aan
belijders van de andere, door de lidstaten erkende confessies en
levensbeschouwingen.
1.2. Wat de
institutionalisering en officiële erkenning betreft van de islamcultus: er
is een groot verschil vast te stellen tussen de EU-landen onderling, maar
globaal genomen dient gezegd dat dat proces verre van voltooid is. Laat ik
me beperken tot België: er was de wettelijke erkenning van de islam als
Belgische cultus, in 1974, en dan in 1999, een kwart eeuw later (!), de door
de Belgische overheid gestuurde (en in feite mislukte) installatie van een
hoofd van eredienst, de zgn. Executieve van Moslims van België. Die
installatie heeft géén punt gezet achter die zoektocht naar erkenning en
gelijkberechtiging. Slechts één dossier werd sedert 1999 geregeld: dat van
de bezoldiging van aalmoezeniers. Belangrijke dossiers (bovenal de erkenning
van moskeeën en gebedsruimtes, met bezoldiging van de imams - dwz de
oprichting van zgn. “moskeefabrieken”) wachten in dit land nog altijd op een
oplossing, wil de islamitische eredienst ooit op voet van gelijkheid
behandeld worden met de andere erkende confessies. Ook wanneer, binnen x
aantal jaren (?), de Belgische overheid daadwerkelijk zal voldoen aan haar
financiële verplichtingen, dan nóg blijven tal van godsdienstige rechten van
moslims “hangende”, dwz niet gerealiseerd en/of voorwerp van discussie, en
dus discriminatie. Voorbeelden hiervan zijn: de erkenning van religieuze
feesten, de religieuze rechten van moslimkinderen op school (de “hoofddoek”
en halâl-voedsel zijn slechts enkele van de pijnpunten), het
begrafenisrecht, en algemeen: allerlei zaken die de maatschappelijke
zichtbaarheid van de islam betreffen.
I.v.m. het begrafenisrecht
de volgende anekdote. Tijdens een examenzittijd, een tweetal jaren geleden,
werd ik opgebeld door een (katholieke) Gentse dame. Zij was actief
geëngageerd in het vluchtelingenwerk en ze belde me om lucht te geven aan
haar morele verontwaardiging, maar ze was ook op zoek naar eventuele
“actieperspectieven. Enige tijd ervoor was één van “haar mensen”, een
vluchteling uit Irak, het slachtoffer geworden van een tragisch
verkeersongeval. Uit respect voor de geloofsovertuiging van de man, had ze
zich tot de stedelijke overheid gewend voor een islamitische begrafenis. Zij
ontving nul op het rekest: ondanks de wettelijke “erkenning” van de islam
als een Belgische eredienst, sedert meer dan een kwart eeuw, is het voor
moslims in Gent nog altijd niet mogelijk een menswaardige begrafenis te
bekomen - “menswaardig”, in de zin van in overeenstemming met hun
persoonlijke overtuiging. De dame had zich dan tot Antwerpen gewend, waar
sedert een kleine tien jaar wél een perceel beschikbaar is op de stedelijke
begraafplaats (het “perceel P” op de begraafplaats van het Schoonselhof),
dat in overeenstemming is met een aantal minimumvereisten vanuit islamitisch
oogpunt. Weliswaar is het voorbehouden voor inwoners uit het Antwerpse. Om
een lang verhaal kort te maken: de dame is er na veel geloop toch in
geslaagd “haar” Irakese gast in Antwerpen te begraven - maar het heeft haar
een kleine 100.000 BEF gekost ten einde het misschien meest menselijke van
alle mensenrechten - het recht op een waardige begrafenis - te kunnen waar
maken. |
2. “Moslims” in de lekenstaat.
Wanneer we het gemakshalve,
in de Europese context, over “moslims” hebben, verwijzen we in
werkelijkheid naar een erg heterogene groep van mensen:
Het betreft zowel mensen
die zichzelf op een of andere wijze als “moslim” vereenzelvigen,
als mensen van moslimorigine (via hun familie: vanuit moslimoogpunt
is “moslim” iedereen wiens ouders moslim zijn).
Als “religieuze” groep, in
ieder geval, vertoont de Europese moslimgemeenschap intern een bijzonder
grote diversiteit: niet enkel verschillen naar nationaliteit/etniciteit met
de daarbij horende talen en culturen, maar ook naar religieuze stroming, en
daarbinnen ook verder naar rechtsschool, mystieke orde en/of socio-politieke
denkrichting. De kaart van de islam in West-Europa vertoont dus een
opvallende pluriformiteit (alleen al daarom moet de zogenaamde
islamitische dreiging als een mythe worden bestempeld). Dat soort van
diversiteit, echter, zegt weinig over de mate van religiositeit of
over de waarde die een moslim hecht aan de islam als een zingevingssysteem
en een identiteitssymbool. Ook onder moslims, inderdaad, doet zich het
verschijnsel voor dat in verband met het christendom wordt aangeduid als
onkerkelijkheid en ontkerkelijking of secularisering. Bij een
classificatie op het vlak van religieuze beleving moet rekening
worden gehouden met drie belangrijke dimensies: het geloof in de goddelijke
openbaring, de naleving van de religieuze voorschriften (de “vijf pijlers”)
en de rol van de religie als een identiteitssymbool. Uit de combinatie van
die drie dimensies onderscheiden de Leidense professoren Wasif Shadid
en Sjoerd van Koningsveld een viertal categorieën(2):
(1) de “strengen”
of “preciezen”: zij leven de religieuze voorschriften na tot in de
details; de islam, en in het bijzonder de specifieke richting waartoe ze
behoren, is het enig juiste richtsnoer voor hun leven en ze beschouwen de
religie als het voornaamste bestanddeel van hun identiteit;
(2) wat S&vK de
“rekkelijken” noemen: het gaat om de “modale” moslims, die de
islam wel aanvaarden als een religieus, socio-politiek en ethisch
stelsel en zich als moslim identificeren, maar die tegelijkertijd uit
gemakzucht of nalatigheid de voorschriften slechts gedeeltelijk of geheel
niét nakomen;
(3) de derde categorie
betreft de zgn. liberalen: in onderscheid met de “rekkelijke” of
gewone moslims, staan zij kritisch t.a.v. de voorschriften en de
socio-economische en ethische stellingen; het niet naleven van de
voorschriften en niet-benadrukken van hun religieuze identiteit gebeurt
bewust, maar is ook wisselend en contextueel bepaald;
(4) de agnosten:
hiertoe behoren ook personen die een atheïstische levenshouding
hebben. Ze geloven niet in de goddelijke openbaring, verwerpen elke
binding met deze religie als maatschappelijk systeem en identificeren zich
tegelijkertijd niet langer als moslim.
Omtrent de relatieve
grootte van elk van die categorieën zijn ondanks het gebrek aan omstandig
cijfermateriaal toch enkele trends duidelijk. Zo kan uit wetenschappelijk
onderzoek onder Turkse en Marokkaanse immigranten in Nederland afgeleid
worden dat 85% van de jongeren niet godsdienstig actief is; van de ouders is
in totaal slechts 32% godsdienstig streng georiënteerd, dwz amper een derde.
Wat de categorie agnosten betreft van islamitische achtergrond, toont
onderzoek aan dat het bij de eerste generatie om 10% gaat en bij jongeren
van Turkse afkomst om 22%.
Bij dat alles moet
opgemerkt worden:
(a) dat er binnen elke
categorie, vooral die van rekkelijken en liberalen, een breed spectrum of
continuüm aan belevingsoriëntaties voorkomt;
(b) dat indien de grootste
groep dan al niet-actief belijdend is, dat niét wil zeggen dat ze geen
affectieve band meer zouden hebben met de belijdende groep - met name
wanneer die groep het slachtoffer wordt van een uitgesproken vijandige en
negatieve beeldvorming. Omdat zij ook zelf het slachtoffer zijn van
processen van stereotypering, etnicisering en stigmatisering, gaan zij zich
uitdrukkelijker solidair voelen. Anders gezegd: pas onder de druk van de
stigmatisering vanwege de gezeten samenleving gaan zij zélf als het ware
“geïslamiseerd” worden, hoe modern-secularistisch hun opvattingen ook mogen
zijn (S&vK).
c) sedert “11 september”
beleven we hoogdagen van islamofobie; dat houdt in dat men voorbijgaat aan
de significante verschillen en nog enkel oog heeft voor streng belijdende
moslims; dat internationale gebeurtenissen “geplakt” worden op de Europese
moslimgemeenschappen; tenslotte dat alle “moslims” als het ware
opgesloten worden in hun moslim-zijn. Wat ook zij zelve daaromtrent
mogen geloven, als leden van onze moderne en gelaïciseerde samenleving zijn
zij wel degelijk onderworpen aan de maatschappelijke processen van
individualisering, functionele differentiatie en secularisering. Naast hun
“moslim” of gelovige zijn vervullen zij onvermijdelijk, velerlei andere
maatschappelijke rollen: als werknemer of werkgever, als consument, als
burger, als vader/moeder, student, stedeling, enz., enz. |
3. Moslims en secularisme (1)
De “nieuwe” (West-)Europese
moslimgemeenschappen leven en institutionaliseren zich als minderheden
binnen het kader van een seculiere of lekenstaat. We weten
allemaal dat dat secularisme zich in de landen van West-Europa op
verschillende manieren en in verschillende gradaties gerealiseerd heeft. Om
één voorbeeld te noemen: in het Verenigd Koninkrijk, een land zonder
constitutie, geldt de monarch nog altijd als het hoofd van de (Anglikaanse)
staatskerk, en als zodanig als “Defender of the Faith”. Sedert vele
jaren woedt er in het UK een discussie over een eventueel “disestablishment”,
zeg maar een institutionele scheiding tussen kerk en staat. Het debat is
mede daarom “interessant” omdat ook een aantal woordvoerders van
minderheidsgodsdiensten zoals hindoeïsme en islam pleiten voor het behoud
van het (christelijke) “establishment”. Ze doen dat dan vanuit een,
zeg maar, antiseculiere overweging, namelijk dat het voortbestaan van de
Anglikaanse staatskerk althans zou waarborgen dat ethisch-religieuze waarden
en normen in het algemeen een centrale rol zouden blijven spelen in het
openbare leven. Een analoge argumentatie, zoals we weweten, wordt ook in
Vlaanderen ontwikkeld door de katholieke gemeenschap als reactie op
initiatieven of voorstellen vanwege de politieke overheid om de scheiding
tussen kerk en staat consequenter door te voeren (cf. het TeDeum-debat;
kruistekens in openbare gebouwen; het behoud van het katholieke schoolnet,
enz.). Het is een visie die, schematisch geformuleerd, stoelt op het
impliciet of expliciet vereenzelvigen van “secularisme” met amoralisme, zo
al niet immoralisme.
In wat we het
secularismedebat kunnen noemen, wordt elke discussie fel bemoeilijkt door
het feit dat het begrip zelf van “secularisme” erg uiteenlopende en
zelfs tegenstrijdige betekenissen oproept. We kunnen ze samenvatten onder
een 4-tal noemers (ik citeer Heiner Bielefeldt, in zijn essay
“Moslims in de Lekenstaat. Het recht van moslims mee vorm te geven aan de
Europese samenleving”, Gent 2000):
“(1) als een
antireligieuze of postreligieuze ideologie; (2) als een specifiek
westers-christelijke organisatievorm van de verhouding tussen staat en
religie; (3) als een poging tot staatscontrole over de godsdienstige
gemeenschappen; (4) óf als een uitdrukking van respect voor de
godsdienstvrijheid van de mensen”.
Wanneer we het dan willen
hebben over de houding van moslims, dan moeten we vooreerst vaststellen dat
ook in de moslimwereld het secularismedebat reeds lang (sedert het
kolonialisme) heftig woedt én dat het te lijden heeft onder een
gelijkaardige conceptuele verscheidenheid en verwarring. Desalniettemin
loont een studie van de bijdragen van moslimauteurs aan dat debat zeker de
moeite. Ze helpt ons met name tot een verscherpt besef te komen van de
historiciteit en dus betrekkelijkheid van het Europese secularisme.
Zo wordt bv. door de Palestijnse auteur, Munir Shafiq, in zijn
bijdrage, “Secularism and the Arab-Muslim Condition” (2000)(2bis),
terecht beklemtoond dat de Europese laïciteit steeds en altijd afhankelijk
is geweest van compromissen, dus van machtsevenwichten. Voor België, zoals
we weten, geldt dat misschien nog het meest van al: de creatie zélf van de
Belgische staat berustte op een "historisch compromis” tussen katholieke
kerk en liberale burgerij. Het leverde de eerste een financieel
geprivilegieerde positie op en het herstel (en de versterking) van haar
greep op maatschappelijke basisinstituties zoals het onderwijs. Hoe dan ook:
in geen enkel Europees land (m.i.v. Frankrijk), en zeker niet in België, is
de scheiding tussen kerk en staat daadwerkelijk en voluit gerealiseerd. Tot
wat voor soort van “ironische” toestanden dat voor moslimingezetenen kan
leiden, leert het volgende (waar gebeurde) verhaal:
een studente aan een
sociale hogeschool is op zoek naar een stageplaats in een officiële
instelling. Met de nodige documenten van haar stagebegeleider biedt ze zich
aan op een Vlaams gerechtshof. De beambte wijst op de hoofddoek die de jonge
vrouw draagt en zegt dat hij haar “tot zijn grote spijt” niet kan helpen:
“wij dienen de neutraliteit van deze instelling absoluut te vrijwaren”.
De (alerte) studente antwoordt hem dat ze daar kan inkomen, maar, zo vraagt
ze, “wat doet dat kruisbeeld dan aan de muur?” Daarop wordt ze door
de (nu nijdige) beambte wandelen gestuurd.
De seculiere rechtsstaat
is gefundeerd op de mensenrechten in het algemeen, en op de
godsdienstvrijheid in het bijzonder. Ondanks hun (begrijpelijke) kritische
houding t.a.v. het Westen, leeft er in brede lagen van de Europese
moslimbevolking wel degelijk een pragmatische, positieve houding ten aanzien
van dat (politieke) secularisme. Door moslimtheologen en intellectuelen
wordt daaraan ook een theoretische uitdrukking gegeven. Het is precies dank
zij die mate aan godsdienstvrijheid dat moslims vanuit religieus oogpunt
gerechtigd zijn te leven in het Westen (in het andere geval zouden zij
er in principe toe gehouden zijn, de hijra te maken, d.w.z. te
emigreren naar een moslimland). Het is ook niet toevallig natuurlijk dat tal
van minder of meer oppositionele of minderheidsstromingen die in het “land
van herkomst” te lijden hebben onder discriminatie of vervolging, in de
Europese migratie tot een meer vrije ontplooiing zijn kunnen komen.
Voor de verantwoordelijken
van Europese moslimorganisaties, bijvoorbeeld de zgn. migranten- of
zelforganisaties in Vlaanderen, is het dan ook volkomen vanzelfsprekend het
pluralisme van de seculiere rechtsstaat openlijk en publiekelijk te
verdedigen - weliswaar, hoeft het gezegd? mits moslims en islam een
gelijkwaardige plaats hebben of krijgen in dat pluralistische
levensbeschouwelijke landschap. Daaromtrent mag geen twijfel bestaan.
|
4. Moslims en secularisme (2)
Tegelijkertijd, echter,
worden Europese moslims geconfronteerd met een àndere vorm (of
betekenis) van “secularisme”, die belichaamd wordt door veelal
autochtone medeburgers die zichzelf uitdrukkelijk identificeren als “agnosten”,
“vrijzinnigen”, “humanisten”, “secularisten”, “ongelovigen” of “atheïsten” -
d.w.z. met “secularisme” als een particuliere en tegelijkertijd omvattende,
naturalistische of humanistische wereldvisie of ideologie, een
ideologie die zich manifesteert naast (zoal niet tegen) de vele religieuze
gezindten en cultussen in onze pluralistische samenleving (dus
“laïcisme”, in onderscheid met “laïciteit”).
Het kan of mag niet
ontkend worden dat dit gegeven vanuit moslimoogpunt heel wat gevoeliger ligt.
“Humanisme” en nog meer “atheïsme” worden bijna algemeen afgewezen en moreel
veroordeeld. Nochtans doen we er verkeerd aan daaruit voorbarige conclusies
te trekken (bv. over de “onoverkomelijke incompatibiliteit tussen islam en
laïciteit”).
Ook al wordt dan op het
niveau van het publieke discours heel vaak (niet: altijd) zulke radicale
afwijzing verkondigd, dat betekent geenszins dat de interactie tussen beide
levensbeschouwelijke minderheidsgroepen (!) - namelijk moslims en
vrijzinnigen - onvermijdelijk antagonistisch moét zijn of blijven. Meer
bepaald in Vlaanderen zijn er al vele jaren vormen van nauwe, zowel
persoonlijke als organisatorische, samenwerking en dialoog tussen moslims (overwegend,
maar niet uitsluitend: islamleerkrachten) en vrijzinnigen. Het Gentse
Centrum voor Islam in Europa, dat in een aantal opzichten als vernieuwend
mag worden bestempeld (in België, maar ook in Europa) is precies op grond
van zulke ervaringen tot stand gekomen.
Dat soort van interactie
en samenwerking leidt - hoeft het gezegd? - tot een boeiend en
maatschappelijk belangwekkend leerproces langs beide zijden:
atheïsten, of ongelovigen, in de eerste plaats gemotiveerd door “politieke”
overwegingen, namelijk de noodzaak om het toenemend racisme te bestrijden,
leren het morele, spirituele en maatschappelijke engagement waarderen van
moslims, als een belangrijke bijdrage aan de hedendaagse samenleving;
moslims, anderzijds, komen tot het besef dat “ongelovigen” (het
klassiek-Arabische begrip, kufr, heeft nochtans sterke morele
connotaties) veel van hun waarden delen en dat zij zich, hoewel zelf
niet-religieus, inzetten voor de religieuze en mensenrechten van de
moslimminderheid. Daarbij moet beklemtoond worden: (1) dat de vrijzinnige
partners in deze samenwerking zich van bij het begin identificeerden als “ongelovigen”;
(2) dat de moslimpartners (van verschillende strekking) dat gegeven
aanvaarden én het geregeld ook publiekelijk erkennen (ondanks het feit dat
hun tegenstanders binnen de moslimgemeenschap die samenwerking met
“atheïsten” tégen hen gebruiken).
Een andere interessante
vorm van maatschappelijke interactie tussen “moslims” en de “vrijzinnigheid”
die hier toch even moet vermeld worden, heeft betrekking op de lessen NCZ,
in het onderwijs. Sedert vele jaren, inderdaad, en om een veelheid aan
diverse redenen wordt dit levensbeschouwelijk vak niet enkel gevolgd door
kinderen van vrijzinnige of areligieuze ouders, maar ook door een, relatief
gesproken, niet onbelangrijk aantal kinderen van moslimouders. Een aantal
jaren geleden heeft het HV, dwz de werkgroep Multicultureel Samenleven (MuSa)
hieromtrent een onderzoek gevoerd bij de leerkrachten NCZ (zie Martin
Hendrickx, Moslims in de les zedenleer. Vrijzinnige visies,
Antwerpen: Humanistische Vrijzinnige Dienst, 1996). De tijd ontbreekt om in
detail in te gaan op de bevindingen en conclusies.
[het aantal fluctueert in
de meeste gevallen tussen 1% en 20%, in sommige gevallen zelfs tot 100%; wat
de motivatie betreft van leerlingen en/of hun ouders: 54% nam het vak om
vak-extrinsieke redenen: 55% wegens de afwezigheid van een islamleerkracht;
15% omdat de aanwezige islamleerkracht een andere taal sprak of tot een
andere denominatie behoorde; de rest uit een veelheid van “sociale” redenen;
slechts 1/3 koos het vak om intrinsieke redenen, dwz 12,09% wegens zelf
verregaand geseculariseerd, en 19,53% omdat ze waren aangetrokken door vorm
en inhoud van het vak; sommigen ervan ook wegens afwijzing van de islam]
Laat ik daarom volstaan
met de volgende beschouwing: de particuliere redenen waarom moslimouders
en/of hun kinderen “opteren” voor niet-religieus, seculier of humanistisch
levensbeschouwelijk onderricht moeten op een heel genuanceerde wijze
benaderd worden (het HV pleit er terecht voor dat het grondwettelijk recht
van moslimouders op vrije keuze op een veel doeltreffender wijze zou
geïmplementeerd worden). Desondanks, moet erkend worden dat hoe dan ook die
praktijk (a) een mate aan reële tolerantie impliceert vanwege moslims t.a.v.
het “secularisme” of “laïcisme” (ook al wordt die niet uitdrukkelijk
verwoord; niemand echter stuurt z’n kinderen naar wat hij “weet” een “poel
des verderfs” te zijn); en (b) dat zij ook een mate impliceert aan
daadwerkelijke, levensbeschouwelijke interactie tussen moslims en
ongelovigen (m.i.v. een soms erg goede samenwerking tussen leraars NCZ en
islamleerkrachten op een school). Hoe beperkt ook, is de maatschappelijke
impact hiervan onloochenbaar. |
5. Vrijzinnigheid en Islam
In wat voorafgaat heb ik
het vooral gehad over de (ver)houding van moslims t.a.v. vrijzinnigheid,
secularisme, enz. In wat volgt wil ik de verhouding eventjes omdraaien,
d.w.z. de islam bekijken vanuit het oogpunt van (mijn) “vrijzinnigheid”.
U zult er, hoop ik, begrip
voor hebben dat ik noodgedwongen erg summier moet te werk gaan. Laat ik me
daarom beperken tot enkele “evidenties” of althans algemene uitgangspunten:
** islam is een godsdienst
of religie (eventuele nuances tussen beide termen zijn hier irrelevant);
** islam moet (bijgevolg)
op een gelijkaardige manier benaderd worden als andere godsdiensten (het
christendom in de eerste plaats), namelijk met de intellectuele middelen van
de hedendaagse godsdienstwetenschappen (godsdienstgeschiedenis,
-psychologie, -sociologie, vergelijkende godsdienstwetenschap...);
** een godsdienst is
“slechts” een godsdienst, dwz een menselijke, maatschappelijke constructie;
** godsdienstvrijheid is
een menselijk grondrecht; wie een andere mens - het weze een volwassene of
een kind - zonder wettelijke grond belet naar eer en geweten van dat
grondrecht gebruik te maken, met behulp van het culturele kapitaal waarover
hij/zij beschikt, ontzegt aan die mens het recht àls mens te leven,
en dus een menswaardig bestaan te leiden (en dat gaat tot en met... het
recht op een waardige begrafenis).
** atheïstische “evidenties”:
“God” bestaat niet; “de islam” bestaat niet; het enige wat bestaat zijn:
concrete, individuele mensen, met hun (onoverzichtelijke) veelheid van
meningen, gevoelens, motivaties, ideeën, bedoelingen, enz.
Voorgaande “evidenties” (het
lijstje is niet exhaustief) helpen ons de traditionele valkuilen te
vermijden in onze houding t.a.v. religies in het algemeen (in de zin van
minder of meer militante vormen van anti-religiositeit), en t.a.v. islam in
het bijzonder.
In dit laatste deeltje wil
ik uiterst beknopt én algemeen, als een soort van vrijzinnige oefening,
vooraande evidenties even toepassen op “islam”, als een authentieke, morele
visie op mens en samenleving, zeg maar: als een samenhangend geheel van
waarden en normen die mensen in de gelegenheid stellen àls “mensen” te leven
en samen te leven. Begrippen die centraal staan in deze ideaaltypische
synthese, zijn: “mens” en “gemeenschap”.
(a) De Mens (al-insân)
Louter àls “schepsel” -
wij zouden zeggen: als biologische soort - heeft de mens geen autonome,
bijzondere waarde; bezit hij/zij geen rechten, geen vrijheid. De gelijkheid
tussen de mensen is hier nog een negatieve notie, maar het betreft slechts
een abstracte uitgangspositie. De mens als méns krijgt in islam wel
degelijk een positieve invulling. In de religieuze, symbolische taal
van de koranieke openbaring wordt dat uitgedrukt middels de notie van
“het Verbond” of “Convenant” (al-mithâq) afgesloten tussen God en
het geslacht van Adam. Dwz nog in ‘n soort van “preëterniteit” heeft de
Schepper al zijn creaturen voor een keuze geplaatst. Van alle schepselen
heeft enkel de mens zich bereid verklaard, t.o.v. God verantwoordelijkheid
op te nemen voor zichzelve én voor de ganse schepping, Koran, s. 33, 72:
¶
“Wij hebben (sc. na het scheppingswerk) de trouwverplichting
aangeboden aan de hemelen en de aarde en de bergen, doch zij weigerden haar
op zich te nemen en waren beducht voor haar. En de mens heeft haar op zich
genomen...”.
Pas daarmee is de mens
“mens” geworden, dwz een moreel wezen. Centraal m.a.w. in de islamitische
antropologie is de fundamenteel morele notie van de menselijke
verantwoordelijkheid. Dergelijke verantwoordelijkheid impliceert
vrijheid van keuze, en vrijheid van keuze impliceert (vrijheid van) kennis.
Kennis is daarom een islamitisch ideaal, want zonder kennis (op basis van
vrijheid van onderzoek) kan de mens geen verantwoordelijkheid opnemen voor
de wereld. Zoals de Profeet zou gezegd hebben: “de
dood van een geleerde is de dood van het universum”.
Nogmaals in de religieuze
taal: door het “Convenant” werd de mens (élke mens) een “gelovige”
(je zou kunnen zeggen: een homo religiosus). Gelijkheid
verschijnt nu als een positief gegeven: ¶ "alle gelovigen zijn
broeders" (s. 49, 10). D.w.z. àls morele en bewuste wezens zijn alle
mensen elkaars gelijken, in rechten zowel als in plichten. Tegelijkertijd
zijn zij ook waarlijk "vrij": strikt genomen, zijn zij uitsluitend
onderworpen aan een transcendent principe, niét aan enige
empirische of historische, menselijke orde of hiërarchie. Dit
islamitische vrijheidsbegrip (hurriyya) heeft een intrinsieke
ethische dimensie: het roept noties op als menselijke waardigheid, adel
en zuiverheid. Als zodanig fundeert de mithâq of het Verdrag de trots
van de moslim, d.w.z. het intense besef dat hij of zij heeft van zijn of
haar waardigheid als 'verdraghoud(st)er' met God - waardigheid die de
grootste 'schooier' tóch hic et nunc tot de gelijke maakt van zeg maar de
Kalief.
Islam verkondigt van
hieruit de positieve rechten van "vrijheid, gelijkheid,
broederlijkheid" ("liberté, égalité, fraternité" ).
(2) De Gemeenschap (al-umma)
Zoals in een recente
geschiedenis van de islam geschreven wordt(3),
kregen de moslims vanuit hun Schriftuur, de Koran, bovenal een
historische missie, namelijk de realisatie van een rechtvaardige
gemeenschap, gebaseerd op hoger genoemde fundamentele waarden, niet op de
laatste plaats die van de gelijkheid.
In een recente
wetenschappelijke studie over “hiërarchie en egalitarisme in de islam”
(Louise Marlow)(4), wordt
uitdrukkelijk gesteld (ik citeer in vertaling):
"van alle
wereldgodsdiensten is de islam vermoedelijk de meest compromisloze in zijn
benadrukking van de gelijkheid van alle gelovigen voor God".
Die gelijkheid is
weliswaar in de eerste plaats van religieuze en morele aard (bv. tussen man
en vrouw). Toch strekt dat egalitarisme zich, als principe, ook uit tot het
maatschappelijke domein, binnen de historische en sociologische parameters.
De Profeet zelf, trouwens, zou in een soort van afscheidsrede of 'testament'
kort vóór zijn dood uitdrukkelijk de gelijkheid van alle moslims hebben
geproclameerd. Het steeds terugkerende verzet daarom van de
islamitische traditie tegen inbreuken op dat gelijkheidsideaal, in zijn
religieuze én sociale dimensies,
"is ongetwijfeld één van
islams sterkste en meest universele aantrekkingskrachten. Vermoedelijk heeft
het moslims over de hele wereld nooit méér aangesproken dan vandaag, wanneer
- naarmate vele moslims zich opnieuw bewust worden van hun religieuze
identiteit en zij als immigranten (en in toenemende mate als bekeerlingen)
een moslimaanwezigheid creëren in traditioneel niet_moslimse gebieden - de
onbeduidendheid van status, rijkdom en sociale achtergrond voor een
inspirerend gemeenschapsgevoel zorgt".
(Marlow)
De onvrijheid en
ongelijkheid in vele hedendaagse moslimlanden, met inbegrip van een quasi
constante aanslag op het vrij onderzoek en het monddood-maken van
intellectuelen vormen een directe aanslag op het religieuze ideaal van de
islam.
EPILOOG
"De Europese moslims
bevinden zich onmiskenbaar in een situatie van marginalisering op het vlak
van hun cultuur of identiteit. Zij zijn het slachtoffer van een hardnekkige
socio-culturele stigmatisering. Hun manier van leven wordt als “oneuropees”,
als “anders” aangevoeld, en wordt veelal negatief gewaardeerd. Vele
Europeanen hebben het er moeilijk mee medeburgers van Maghrebijnse of Turkse
enz. afkomst zonder angst te beschouwen. Op basis van oude vooroordelen en
stereotypen die sedert de jaren ‘80 en ‘90 een nieuw leven zijn gaan leiden,
mede dank zij een populistisch politiek discours, zijn Europeanen de islam
als de bedreiging bij uitstek gaan zien. Europese moslims worden
steeds meer in de rol geduwd van “binnenlandse vijand”. Die situatie
wordt natuurlijk nog versterkt naar gelang van de internationale
geopolitieke gebeurtenissen. Zowel de meeste media als een bepaald
academisch discours dragen bij tot het gestalte geven aan de mythe van het
islamitische gevaar. “Islamofobie” vormt aldus een obstakel voor de
dialoog onder burgers van verschillende afkomst en gezindte, alsook voor de
dialoog tussen de publieke overheden (m.i.v. lokale of gemeentelijke) en de
moslimgemeenschappen. Wegens hun culturele alteriteit hebben
moslims al jaren te lijden onder een verregaande demonisering. Die
demonisering dient dan weer als rechtvaardiging voor hun maatschappelijke
uitsluiting" [I.R.F.A.M.].
Daartegenover zou ik een
oproep willen doen, niet zozeer voor een “integratie”- (want
assimilatie)beleid maar wel voor een aanvaardingsbeleid,
dwz een politiek die de aanvaarding van deze minderheidsgroep door de
samenleving actief stimuleert(5). Ook
moslims moeten zich “thuis” kunnen voelen in Europa. Daartoe dienen zijzelf
hun land van vestiging als een tweede vaderland te aanvaarden, terwijl de
autochtonen overtuigd moeten worden dat ook hun donker gekleurde moslimburen
loyale burgers kunnen zijn. Dat kan maar indien door de overheid een
multi-dimensionaal beleid ontwikkeld wordt, dat zowel gericht is naar de
moslims als naar de samenleving in haar geheel. Daarbij dient gefocust op
(a) het vergroten van de kansen van de moslimingezetenen om actief te
participeren in het maatschappelijke leven en (b) op het versterken van hun
loyauteit t.a.v. de samenleving die ook de hunne is. Kortom er dient een
maatschappelijk klimaat te worden gecreëerd waarin moslims metterdaad kunnen
aanvaard worden door de autochtonen als “fellow-citizens”, met “alles
erop en eraan”.
Herman De Ley
herman.deley@UGent.be
|
| NOTEN:
(1) Nasr Hamid Aboe Zaid, Vernieuwing in
het islamitische denken. Een wetenschappelijke benadering (uit het
Arabisch vertaald en ingeleid door Fred Leemhuis en Rob Leemhuis), Bulaaq,
Amsterdam (1996), p. 17; Hassan Hanafi, "Method of Thematic Interpretation
of the Qur'an", in: The Qur'an as Text, edited by Stefan Wild, Leiden
1996, p. 210. Zie ook op deze site:
http://www.flwi.ugent.be/cie/hdeley/islam_syl4.htm (§ 4.1).
(2)
W.A.R. Shadid en P.S. van Koningsveld, "Moslims als
Minderheid: Vergruizeling van het Westerse Islambeeld" (Gent 1996), op deze
site: shadid&koningsveld1.htm
(2bis) In: Azzam
Tamimi & John L. Esposito (eds.), Islam and Secularism in the Middle East.
London 2000.
(3)
Karen Armstrong, Islam. A Short History,
London 2001, p. x.
(4)
Louise Marlow, Hierarchy and egalitarianism in Islamic
thought, Cambridge 1997, p. xi.
(5)
Zie W.A.R. Shadid en P.S. van Koningsveld, "The Negative
Image of Islam and Muslims in the West: Causes and Solutions", in: W.A.R.
Shadid & P.S. van Koningsveld (Eds.), Religious Freedom and the
Neutrality of the State: the Position of Islam in the European Union (Leuven
2002), p. 194. |
|
Tekst van lezing, gehouden op 22 januari 2003, voor het LVSV. |
|