Rationaliteit en Racisme: het Griekse Model*
door
Herman De Ley (©1999)
Inleiding
1. Hellenen en Barbaren
2.
Beeldvorming en Moderniteit 3. Filosofie en Racisme
Epiloog
Literatuurlijst
Inleiding
Deze bijdrage vertrekt van
een paradoxale, of althans paradoxaal lijkende, dubbele vaststelling betreffende
het middeleeuwse denken, zowel in de christelijke als in de moslimse
cultuursfeer.
(1) Het eerste luik van de paradox is dat
processen van rationalisering steeds een context vereisten die algemeen
kan getypeerd worden als een
open en pluralistische
debat- of dialoogsituatie -
maatschappelijk-institutioneel en cultureel[1]. Wat de vormingseeuwen
betreft van het Arabisch-islamitisch humanisme, zoals bekend,
kwamen zowel de
"religieuze" als de "rationele wetenschappen" tot ontwikkeling binnen
een bloeiende discussiecultuur - aanvankelijk in of rond de moskeeën, nadien ook
in de kringen van het kalifale hof en, vanaf de 9de eeuw, in instellingen van
hoger onderwijs die
werkten op basis van een uitgewerkte
scholastische methode. De drie peilers ervan waren: (1) de khilâf - in de
latere christelijk-Latijnse terminologie: het sic-et-non of de
quaestio; (2) de jadal - dat wil zeggen de dialectiek of
debattechniek; (3) de munâzara - in het Latijn: de disputatio, als
een volgens vaste regels georganiseerde publieke discussie. De geciteerde
Latijnse equivalenten geven aan dat voor het Latijns-christelijke denken, vanaf
de 11de eeuw, een vergelijkbare gang van zaken vaststelbaar is. Er zijn, zoals
bekend, redenen om te argumenteren dat op het formele vlak de
eerdere moslimse
methodes en instituties model hebben gestaan voor de christelijke (met
inbegrip
van de universiteit)[2].
(2) Het paradoxale pendant is de even
historische vaststelling dat dergelijke rationalisatieprocessen steevast geleid
hebben tot
de vorming van
een orthodoxie (of:
tot
elkaar bestrijdende orthodoxieën)[3].
Het finale product, anders gezegd, van jaren of eeuwen van vrij en
dialectisch onderzoek waren doctrines die, logisch onderbouwd, pretendeerden
voortaan de éne en exclusieve waarheid te bieden; alle ervan afwijkende
theorieën werden gebrandmerkt als "heterodoxie", "ketterij", enzovoort,
en bijgevolg bestreden en eventueel vervolgd. Rationalisatie heeft op die manier
finaal geleid tot een gesloten identiteitsbesef - en vandaar tot vormen van
intolerantie, en dus uitsluiting van de "ander(sdenkend)e". Zoals het in
moslimse beeldspraak geformuleerd werd: de "poort van de ijtihâd", die
aanvankelijk wijd open stond, werd tenslotte "gesloten" -
àls resultaat precies van het rationalisatieproces[4].
Dergelijke dubbele vaststelling verplicht ons
vraagtekens te plaatsen bij het positieve vooroordeel dat westerlingen
gewoonlijk koesteren over rede en rationaliteit, namelijk als een, zo al niet
voldoende dan toch noodzakelijke voorwaarde voor tolerantie en pluralisme. Een
gemakkelijke repliek, weliswaar, bestaat erin de verantwoordelijkheid voor
intolerantie en exclusiviteitsdenken niet te leggen bij de rede, maar bij de
geopenbaarde religie. Het feit dat het om twee, zogenaamd Semitische
godsdiensten gaat die voor hun doctrinale uitwerking een beroep deden op het
Oudgriekse of Helleense erfgoed, heeft die vluchtroute nog aantrekkelijker
gemaakt. Zoals bekend, heeft de 19de-eeuwse filoloog Ernest Renan aldus het
Semitische denken in het algemeen en het islamitische in het bijzonder in zulke
termen geopponeerd aan de antieke en westerse rationaliteit[5]. Ook
vandaag blijft dit dichotomische schema ideologisch werkzaam. In de
politiek-culturele context van een groeiende Europese eenmaking, fungeren de
oude Grieken nog altijd als de grondleggers van de voornaamste westerse waarden,
in het bijzonder degene die onafscheidelijk gekoppeld lijken aan de
rationaliteit als een specifiek westerse creatie.
Het lijkt daarom nuttig een kritische
kanttekening te maken bij die antieke rationaliteit, zoals zij geconstrueerd
werd door Platoon en Aristoteles als grondleggers van de filosofie. Een
dergelijke kritische kijk - laat dat al onmiddellijk gezegd zijn - voert mijns
inziens onvermijdelijk tot de slotsom dat de aangestipte samenhang tussen
rationaliteit, enerzijds, en intolerantie en uitsluiting, anderzijds, van bij de
aanvang aanwezig was in de antieke rede. Het essentialistische denkkader ervan
maakte onder meer de naturalisering en verabsolutering mogelijk van de
cultuurverschillen tussen Hellenen en niet-Hellenen, vrijen en slaven. Als
zodanig "rationaliseerde" de filosofische beeldvorming het gebruik van
cultuurverschillen als uitsluitingscriteria en gaf ze een
pseudo-wetenschappelijke legitimatie aan de bestaande maatschappelijke
ongelijkheid en uitbuiting.
1. Hellenen en Barbaren.
In het eerste boek van zijn Politica wil Aristoteles de "natuurlijkheid"
aantonen van de (Helleense) polis. Volgens hem is die polis de "voleindigde"
of "volmaakte
gemeenschap", waarin een volwaardig menselijk leven pas mogelijk is. Zoals hij
het zelf formuleert:
"(de polis) heeft, om zo te zeggen, de eindstreep bereikt van
de totale autarkie, en ze komt weliswaar tot stand ter wille van het leven maar
bestaat ter wille van het goed-leven"[6].
In de genealogie van deze volmaakte associatievorm komt
Aristoteles al dadelijk te spreken over "de Barbaren", en wel als
een mensensoort die kan getypeerd worden als "slaaf-van-nature". Directe
aanleiding ertoe is de differentiatie die hij maakt bij de start tussen de twee
fundamentele, als het ware dwangmatige, en dus "natuurlijke", paarvormige
relaties tussen mensen onderling:
(a) de seksuele relatie tussen man en vrouw, gericht op de
voortplanting (en als zodanig niet moreel of rationeel, maar biologisch van
aard);
(b) de despotisch-instrumentele relatie, gericht op het
fysieke zelfbehoud, namelijk tussen (slaven)heer (despótès)
en slaaf; beiden staan voor de belichaming van respectievelijk het
verstandig-voorzienige, en dus: "bevelende", en het verstandsloos-lichamelijke,
en dus: "gehoorzamende" en dienende[7].
De leidinggevende partners in elk van beide hiërarchische
paren - man en slavenheer - kunnen probleemloos met elkaar
vereenzelvigd worden: de volwassen burger is tegelijkertijd huisheer (in het
Latijn: pater familias) en slavenheer. Voor de twee ondergeschikte termen
daarentegen is dat normaler wijze niet het geval. Aristoteles concludeert daarom[8]:
"Van nature dus zijn vrouwelijk en slaaf van elkaar
onderscheiden (...). Bij de Barbaren, evenwel, hebben vrouwelijk en slaaf
dezelfde rang. De oorzaak daarvan is dat Barbaren het van nature regerende
beginsel ontberen en dat de gemeenschap die bij hen tot stand komt, er een is
van slavin en slaaf. Daarom zeggen de dichters: ‘Het is billijk dat Hellenen
heersen over Barbaren’, vanuit de overweging dat barbaar en slaaf-van-nature
identiek zijn".
Een vergelijkbare passus in boek III van de Politica
specifieert dit zowel op geografisch als politiek vlak[9]:
"Wegens het feit dat de Barbaren in hun gezindheid (èthos)
slaafser zijn dan de Hellenen, en de Barbaren die Azië bewonen nog eens in
hogere mate slaafser zijn dan degene die in Europa wonen, dulden zij een
despotisch [dat wil zeggen slavenheer-] regime zonder morren".
Opmerkenswaard aan deze passussen is alvast het volgende:
- "Helleen" en "Barbaar" worden gehanteerd als
de twee fundamentele mensentypes waarover de mensheid in haar geheel verdeeld
lijkt; dat wil zeggen: de benaming "Barbaar" staat hier voor alle
niet-Grieken;
- die "etnische" tweedeling wordt vereenzelvigd met een psycho-somatische tweedeling, namelijk tussen verstand/geest en
onverstand/lichaam, alsook met een politieke, namelijk tussen vrijheid/heerschappij
en onvrijheid/onderdanigheid, of nog ruimer: tussen politiek (democratie) en
despotisme;
- de drie antithesen worden tegelijkertijd verabsoluteerd en
gelegitimeerd als een "natuurlijk" gegeven[10];
- het argument wordt in Politica I.2 geïllustreerd
en ondersteund met een dichterlijk citaat, meer in het bijzonder uit een
tragedie van Euripides (Iphigeneia in Aulis, vers 1400): "Het is billijk
dat Hellenen heersen over Barbaren".
Wat het citeren betreft van dichters in een filosofisch
exposé, Aristoteles doet zoiets wel vaker. Die praktijk is niet louter een
kwestie van literaire of retorische opsmuk, maar kadert ook in zijn algemene
kennistheorie: net zoals tradities en gebruiken, taal, opinies, enzovoort, kan
ook poëzie een bijdrage leveren tot de vorming van wetenschappelijke kennis[11].
In het geval, nochtans, van Politica, I.2, heeft het tragische citaat
een bijzondere relevantie. Nog voordat de 4de-eeuwse filosofie het onderscheid
tussen "Hellenen" en "Barbaren" conceptualiseerde, en aldus uitbuiting en
onderdrukking van niet-Grieken theoretisch legitimeerde, had het Attische drama
reeds in de 5de eeuw zijn toeschouwers jaar in jaar uit een nieuwsoortig,
"spontaan Atheens/Helleens bewustzijn" aangeleerd[12]. De Atheense
tragici, anders gezegd, hadden bij middel van de geëigende artistieke middelen
(taal en beeldspraak, muziek, zang en dans, kostumering en spektakel, enzovoort)
een soort van literair "barbarendiscours" ontwikkeld. Met dit (in
vergelijking met de eraan voorafgaande periode) nieuwe discours werd
"de Barbaar" stelselmatig geconstrueerd als de anti-Helleen.
Anders gezegd:
zelf een complex systeem van betekenisdragers (termen, thema’s, handelingen en
beelden), beoogde dat discours gestalte te geven aan "de Andere" in zowel etnische, culturele, psychologische als
politieke zin. Terzelfdertijd werd het nieuwe ideologische
zelfbegrip, of de identiteit, gecreëerd van het Helleen-zijn. Vele van die
beelden, stereotypes, enzovoort zouden een blijvende invloed hebben op de
latere, westerse visie op vreemde culturen, met name wat de Aziatische volkeren
betreft. Voor een diepgaande studie hieromtrent verwijs ik naar de publicatie
van Edith Hall, Inventing the Barbarian. Greek Self-Definition through
Tragedy . De auteur vertrekt van de vaststelling dat, voor zover we kunnen
nagaan op basis van de overgeleverde, fragmentarische informatie, de Attische
tragediedichters bijzonder gefascineerd waren door de "Barbaren", en ze
poogt het waarom ervan begrijpelijk te maken[13].
2. Beeldvorming
en Moderniteit.
Het woordje "barbaros" ging in de 5de eeuw gebruikt
worden én als substantief (liefst in het meervoud) én als adjectief - maar het
was natuurlijk veel ouder. Ironisch genoeg wellicht van oosterse oorsprong
(vergelijk het Babylonisch-Sumerische woord, "barbaru", voor
"vreemdeling"), is het adjectief gevormd als een onomatopee met
reduplicatie: het bootste de klank na (vergelijk ons "gebrabbel") van
onverstaanbare, want niet-vertrouwde taal - ongetwijfeld vaak met een
pejoratieve connotatie[14]. In contrast met sommige andere volkeren,
ontwikkelde het Griekse of Helleense zelfbewustzijn zich aldus vanuit een talig
criterium, namelijk de heterofonie. Nochtans werd de term barbaros vóór
de 5de eeuw niét gebruikt ter aanduiding van de universele niet- of anti-Griek,
in polair contrast waarmee dan in de klassieke periode de eigen, in het
bijzonder Atheense cultuur of identiteit gedefinieerd kon worden[15].
Een voorbeeld van pre-klassiek gebruik van het woord
"barbaros" is te vinden in het
fragment 107 van de Ionische natuurdenker, Herakleitos van Efeze[16]:
"Slechte getuigen zijn voor mensen ogen en oren, wanneer zij een
barbaros
psuchè
[‘barbaarse’ ziel] hebben".
De uitdrukking "barbaros psuchè"
moet begrepen worden vanuit Herakleitos’ logosleer. Alle aardse tegenstellingen:
licht en duister, winter en zomer, oorlog en vrede, recht en onrecht, vrijheid
en slavernij, leven en dood, enzovoort, zijn wel degelijk gevat – zo verkondigt
hij - in een hogere samenhang of verhouding. Meer nog,
àls
tegengestelden vormen zij geen bedreiging (zoals de oudere Anaximander van
Milete het wilde) maar integendeel een zijnsvoorwaarde voor de hogere eenheid of
samenhang: zónder tegengestelden, zónder verschillen en hun onderlinge,
weerstrevende spanning of dialectiek, géén eenheid[17]. In de bewaarde
fragmenten roept Herakleitos zijn medeburgers voortdurend op "gehoor te geven"
aan die communicatieve verhouding, of logos (zij "spreekt" als het ware,
en moet "begrepen" worden)[18], en bekritiseert hij hun gebrek aan
dergelijk begrip. Fragment 107 past in die kritische context. Met het
woordje "barbaros" roept het inderdaad de gangbare antithese op tussen de
eigen taalgroep (in dit geval, de Ionisch-sprekenden van Efeze, met hun grote
taalfierheid) en heterofonen. Het gaat echter om een overdrachtelijk gebruik: de
pointe ervan is dat wat de alles-overstijgende, kosmische logos betreft,
de hoedanigheid "barbaros" op de Ioniërs zélf toepasselijk is; en dat zij
met een dergelijke, "begripsloze" psyche geen deugdelijke informatie kunnen
krijgen van hun zintuigen[19].
Laat ik terugkeren naar de creatie, in de eerste helft van de 5de eeuw,
van een nieuw barbaros-begrip: "de Barbaar", als
alomvattend, universeel genus van de niet- of zelfs anti-Hellenen, waaraan
allerlei extreme en negatieve hoedanigheden werden gehecht. Op die wijze kon het
fungeren als bevestiging en grensafbakening ten opzichte van de positieve
kenmerken die opgeëist werden voor de nieuwe, eigen identiteit[20], en
de basis leggen van een etnocentrische (vandaag zouden we zeggen: racistische)
machtsideologie. Zoals gezegd, heeft het Attische drama daartoe in wezenlijke
mate bijgedragen. Dat gebeurde op een wijze die ongetwijfeld goed vergelijkbaar
is met de rol van de media vandaag, de televisie in de eerste plaats, wat de
beeldvorming betreft bijvoorbeeld ten aanzien van moslimse en allochtone
minderheidsgroepen.
Dat nieuwe, specifiek Atheense genre (met integratie van oudere,
niet-Attische componenten) moet gesitueerd worden binnen de doorbraak, in de
eerste helft van de 5de eeuw, van een Atheense moderniteit. De
"bewegingsoorzaak" ervan was de jarenlange strijd tegen de Perzische grootmacht,
vanaf de mislukte Ionische opstand, in 499, tot de glorieuze overwinningen, meer
in het bijzonder van de Atheners (490 en 480/479). Ook de door de Perzen
aangerichte verwoestingen in Athene hadden de breuk versneld: precies uit die
materiële ruïnes
ontstond het nieuwe, "moderne" Athene. Op het vlak van de plastische kunsten
kunnen we de overgang visueel aanschouwen in de sculpturen van de Akropolis: ze
zijn geconcentreerd op de menselijke vorm in haar dynamisch aspect, en staan
aldus in sterk contrast met de archaïsche
tempels, met hun dieren en monsters. Er kwam een proces op gang van
rationalisatie van de samenleving. Het publieke, gesproken betoog (de logos)
gold voortaan als het rationeel bestuursmedium bij uitstek, en de
welsprekendheidskunst als de basiskundigheid voor al wie een politieke rol
ambieerde (vandaar het optreden van de zogeheten Sofisten, als professionele
leermeesters).
De overwinning op het machtige Perzische
rijk bracht begrijpelijkerwijze een enorme versterking
met zich van het eigen zelfbewustzijn. Zij was vanuit Athene ook ervaren als een
politieke confrontatie, want verweven met het eigen verzet tegen de
voormalige tirannie van de Peisistratiden, die verdacht werden van pro-Perzische
gezindheid: de overwinning was daarom ook een overwinning van de democratie op
de tirannie, en op elke vorm van despotisme. Dat had belangrijke implicaties
voor de constructie van "de Barbaar" als de universele tegenstander van
de civilisatie en, daarmee verbonden, van een Helleens zelfbewustzijn en
identiteitsbesef[21]. Het gevoel van samenhorigheid tussen de leden van
de zogenaamde Delische bond - opgericht onder de leiding van Athene als een defensieve
alliantie tegen mogelijke nieuwe agressies vanwege Perzië - werd erdoor
aangewakkerd; maar al heel vlug zou ook de suprematie, zeg maar: het
imperialisme van de Atheners ten aanzien van hun bondgenoten, erdoor
gelegitimeerd worden.
Behalve op de uitbuiting van die bondgenoten, was het Atheense imperium
bovenal gevestigd op twee maatschappelijke pijlers: een politieke en een
sociaal-economische. Vooreerst een radicaal democratische constitutie, met
verregaande burgerrechten voor vrije boeren, ambachtslui en zelfs dagloners. De
belangrijkste tegenstelling, vandaar, die Atheense auteurs gingen beklemtonen
tussen henzelf en de "Barbaren" was van politieke aard: de Hellenen waren
per definitie democratisch, vrij en egalitair; de Barbaren daarentegen tiranniek
en anti-egalitair: anders gezegd, despotisch en slaafs tegelijkertijd. De
belangrijkste socio-economische basis anderzijds van die radicale democratie was
de slavernij[22]. Veruit de meeste slaven in de stadstaten waren
niet-Grieken en naarmate het Helleense zelfbewustzijn toenam, groeide ook de
weerstand tegen de slavernij van mede-Hellenen. Die klasse-indeling volgens
etnische lijnen leverde een belangrijke impuls voor het genereren van argumenten
die het geloof versterkten dat de Barbaren in het algemeen inferieure mensen, en
zelfs "van nature" slaven waren.
Wat de aangestipte, beeldvormende rol betreft van de (dramatische)
literatuur, beperk ik mij tot het aanstippen van één voorbeeld. Het vormt tevens
het oudste bewaarde tragediestuk en heeft precies de overwinning op de Perzen
als historisch onderwerp: namelijk De Perzen van Aischulos, opgevoerd in
472. Bekend is de korte passus, verzen 241-242, waarin de Helleense zelfdunk
effectvol in de mond wordt gelegd van de Perzische hoogwaardigheidsbekleders (de
koningin vraagt informatie over de Hellenen):
Koningin: "Welke herder leidt die kudde, neemt de (slaven)heerschappij erover
waar?"
Koor: "Van geen mens heten zij slaven, zij zijn niemands onderdaan".
Het toneelstuk in zijn geheel vormt de eerste getuige voor wat Edith Hall
omschrijft als één van de belangrijkste ideologische "uitvindingen" van de
Grieken, en één van de meest invloedrijke in het westerse denken, namelijk de
cultureel Andere, de anti-Griek, de Barbaar[23]. Meer in het bijzonder
kunnen we het beschouwen als de oudste bijdrage in het dossier van wat we sedert
Edward Said het ideologische schema van het "Oriëntalisme" plegen te
noemen, met het stereotype beeld van de Aziaten als verslagen, weeldezuchtig,
emotioneel, wreed en onbetrouwbaar, altijd gevaarlijk, enzovoort.
Twee korte opmerkingen hierbij:
a. In de De Perzen wordt de Perzische nederlaag moraliserend gekaderd[24]
binnen de fundamentele Griekse wet van alle menselijke bestaan, namelijk dat
overdreven voorspoed en zelfgenoegzaamheid onvermijdelijk tot hubris
leiden, en vandaar door de goden bestraft worden met rampspoed en vernietiging[25].
De tegenstelling tussen Hellenen en Barbaren, "Wij" en "Zij", wordt aldus
ethisch-religieus onderbouwd.
b. De rol van toneeldichters en andere kunstenaars op het vlak van de
beeldvorming gebeurde in belangrijke mate via het proces van mythecreatie (muthopoïèsis,
in het Grieks) waarmee jaar na
jaar die Perzische oorlogen herdacht werden.
Dat laatste gebeurde op tweeërlei wijze. Enerzijds werd de militaire
confrontatie op een hoger, kosmisch plan getrokken door middel van systematische
parallellen met voorbeelden uit de mythologie. De oorlog, anders gezegd, tussen
Grieken en Perzen werd door de kunstenaars op één lijn geplaatst met de strijd
van de mythische helden tegen de Amazonen, de Kentauren, de Trojanen, enzovoort.
Dat gebeurde bijvoorbeeld op de (verloren) muurschilderingen van de bekende
Polugnotos in de Atheense Stoa Poikilè:
de overwinning bij Marathon werd er afgebeeld naast de overwinning van Theseus
en Herakles op de Trojanen en Amazonen.
Anderzijds ging men de oude mythen herinterpreteren, namelijk precies
vanuit het nieuwe "Barbarenparadigma". Dat gebeurde bijvoorbeeld met de Trojanen
in de tragediestukken: in het homerische epos worden Achaïers
en Trojanen nog op een vrij onpartijdige, niet-hellenocentrische wijze ten
tonele gevoerd (met dezelfde goden, dezelfde taal, dezelfde heroïsche
waarden, enzovoort; op het vlak, anderzijds, van wreedaardigheid moeten de Achaïers
er zeker niet onderdoen voor de Trojanen, integendeel), maar in de 5de-eeuwse
tragedies worden de Trojaanse helden systematisch "gebarbariseerd"[26].
3. Filosofie en Racisme.
Bovengenoemde twee pijlers van de Atheense moderniteit - democratie en slavernij
(met de radicale scheiding tussen hoofd- en handenarbeid)
- vormden ook de voorwaarden voor de constructie van een nieuw, rationeel
bewustzijn: dat van de filosofie. Zij was het werk van een nieuwe categorie van
intellectuelen, die in Sokrates hun voortrekker erkenden[27]. De plaats
ontbreekt hier om dieper in te gaan op de formele en psychologische kenmerken
van de nieuwe, rationele denkvorm die meer in het bijzonder Sokrates, Platoon en
Aristoteles in opeenvolgende fasen van interiorisering hebben geconstrueerd[28].
Heel lapidair zou je de nieuwe denkvorm, zoals zij in de dialogen van Platoon
haar eerste, literaire uitdrukking kreeg, kunnen omschrijven met de
(ogenschijnlijke) paradox van een dialogerende én autoritaire rede. Via
de Sofistiek - denken we aan Protagoras’ bekende uitspraak, "de mens [dus
niét het vuur, zoals Herakleitos het stelde] is de maat van alle dingen" - werd
in het Atheense denken het concept van de logos, of communicatieve
samenhang, van het totaalplan van de kosmos herleid tot het tussenmenselijke
plan van de dialoog - gebaseerd op wat (vanaf Aristoteles) de wetten van de
logica zouden worden. Die rationele ontwikkeling ging gepaard met de afwijzing
van alle interne tegenstrijdigheid. Het allerbelangrijkste fundament van de
nieuwe logica was voortaan de wet van de niet-tegenstrijdigheid: "of A of
niet-A, maar niet: én A én niet-A". De wereldorde berustte bijgevolg niet langer
op een dialektiek tussen onherleidbare tegengestelden, zoals Herakleitos het
wou; zij was een voortdurend wisselende, gebrekkige nabootsing van een
onveranderlijke en absoluut zelf-identische wereld van essenties (Vormen
of Ideeën): deze paradigmatische, ware werkelijkheid was absoluut homogeen
en eenduidig. Het platonisme verkondigde daarmee het "homogeneïsme" als zijnsfundament - óók voor
de menselijke samenleving[29].
De Sokratische dialectiek, weliswaar,
berustte op de overtuiging dat enkel de kritische bevraging van de anderen, via
vraag en antwoord, toeliet tot zelfkennis te komen. Enkel de samenspraak, de
levende (dia)logos tussen vrijen en gelijken opende de weg naar rationele
kennis van de objectieve waarheid/werkelijkheid (zie Platoons schriftkritiek in
de Phaedrus). Deze praktijk nochtans van dwangloos want rationeel,
communicatief handelen vergde buiten de school een scherp hiërarchische
maatschappelijke structuur van onvrijheid en ongelijkheid, met een
verregaande instrumentalisering van de producenten, (juridisch) vrijen
zowel als onvrijen[30]. Platoon en Aristoteles hebben daartoe aan de
bestaande ongelijkheden een "wetenschappelijke" basis, en dus legitimatie, pogen
te verlenen. Dat gebeurde tegen de achtergrond van de reeds door het drama
gerealiseerde stereotypische beeldvorming rond de dichotomie Hellenen-Barbaren.
Onder de ideologische strategieën en betogen van de filosofen, die ongelijkheid
en uitsluiting theoretisch moesten helpen wettigen: op het gebied van
metafysica, antropologie, psychologie, mythecreatie (zie bijvoorbeeld de
"leugen" van de autochtonie, in Platoons Staat, 414D en verder), en
andere, speelde ook beeldvorming een belangrijke rol[31].
Bestialisering -
dat wil zeggen het tot lagere dieren herleiden, en dus
ontmenselijken, van de "anderen" - was ook toen al een van de meest gebruikte
methodes. De lagere, werkende klassen, aldus de platoonse Sokrates in de
Staat (Politeia), leefden "als varkens" die zich wentelden in
hun onwetendheid, of "als runderen" die voortdurend de kop naar omlaag
gericht hielden, "naar de aarde, naar hun eettafel; zo mesten ze zich vet en
paren ze..." (Staat, 586A-B). Van het bezit van rede of rationeel
communicatievermogen, dat wil zeggen van logos, was er bij hen geen
sprake - en dus al evenmin van vermogen tot zelfbeheer of heerschappij over
anderen. Meer in het bijzonder in de omgang met slaven diende de slavenheer zich
volgens de oude Platoon te onthouden van elke vorm van rationele communicatie,
zoals het geven van uitleg of redenen (logos), bijvoorbeeld: waarom
iets zus of zo moest gedaan worden; of van vermaningen: net zoals bij zijn
dieren, moest hij zich ook bij zijn slaven beperken tot het geven van bevelen
en, indien nodig, het tuchtigen, het weze dan op een rechtvaardige manier[32].
Aristoteles, vanuit een meer "empirische" attitude, poogde Platoons te
extreme beeldvorming te nuanceren. Weliswaar, schrijft hij, was er "inzake hun
gebruikswaarde, slechts een klein verschil tussen slaven en gedomesticeerde
dieren"; maar in onderscheid met de dieren, die louter
gehoorzaamden aan hun gevoelens (vandaar het nuttige gebruik van stok of zweep),
hadden slaven in beperkte mate toch deel aan de logos, namelijk "in
zoverre zij (de logos) gewaar worden maar niet bezitten" (Politica,
I.5, 1254b16, en volgende). Vandaar zijn kritiek op Platoon, aan het einde van
Politica I:
"Ongelijk hebben daarom degenen die [sc. zoals Platoon] aan slaven alle rede
(logos) ontzeggen, en beweren dat we (tegenover onze slaven) enkel
bevelen mogen gebruiken: slaven moeten inderdaad nog méér vermaand worden dan
kinderen"[33].
We mogen in dit verband van een verschuiving in de beeldvorming spreken,
namelijk van "dier" naar "kind", of: van
bestialisering naar infantilisering.
Als het ware voortbouwend op het
Griekse taalgebruik (slaven werden onder meer aangesproken met het Griekse woord
voor "knaap", namelijk pais - vergelijk het "boy" van de
kolonialen), maakte Aristoteles’ naturalisering van maatschappelijke
ongelijkheden en machtsrelaties gebruik van meer gediversifieerde
psycho-somatische categorieën. Met als norm de (Helleense) volwassen mannelijke
burger - tegelijkertijd huisheer en politicus -, werden de ondergeschikte
categorieën van (mannelijke) kinderen, vrouwen en slaven op een dalende lijn
geplaatst van afnemende psychische vermogens. In het geval van burgerzonen kon
gesteld worden dat de verstandelijke vermogens "nog onvolgroeid" waren; in het
geval van (burger)vrouwen, dat zij weliswaar beschikten over een overleggend
vermogen "maar dat het autoriteit mist(e)", bijvoorbeeld om hun emoties in toom
te houden; in het geval van natuurlijke slaven, daarentegen, dat zij
"helemaal niet beschik(t)en over het overleggende vermogen" - hoewel zij, zoals
gezegd, toch op een of andere wijze de uitleg van hun Griekse heer konden
"vatten" (Politica, I.13, 1260a4 en verder). Slaven, en dat wil
zeggen niet-Grieken in het algemeen, werden ten behoeve van hun slavenheer
gecategoriseerd als een soort van levenslange kinderen; of, in een hedendaagse
terminologie, als mentaal gehandicapten.
In onderscheid met de huidige visie, nochtans, beschouwde Aristoteles de
procreatie van zulke (mentaal) gehandicapte menselijke wezens niet als een spijtig, liefst
te vermijden ongeluk, maar integendeel als een voorzienigheid van (Moeder)
Natuur. Terwijl in de aristotelische antropologie aan de volwaardige
(mannelijke) mens een rationele natuur toewezen werd die hem voorbestemde voor
het goed-leven en de eudaimonie van de polisburger, had de Natuur ook gezorgd
voor de aanwezigheid van een soort van halfmensen (misschien beter:
Untermenschen), die de eerste categorie ten dienste moest staan (je kan nu
eenmaal onmogelijk "goed-leven" wanneer je zélf met vervreemdende arbeid moet
bezig zijn). De eerste groep beschikte van nature over de psychische vermogens
nodig om te overleggen en te plannen - en dus ook: om te commanderen en heersen
-, en aldus het goed-leven te realiseren. De tweede, daartegenover, moest het
van nature stellen met een verminkte psyche; zij waren derhalve voorbestemd om
levenslang te gehoorzamen aan de eerste groep en ten hunnen dienste te zwoegen
met hun lichaam. Vandaar dienden zij gecategoriseerd als "slaven-van-nature",
anders gezegd: als geboren slaven. In principe (Aristoteles was
pragmatisch genoeg om uitzonderingen te voorzien) viel, zoals in het begin al
aangestipt, de gehele niet-Griekse, barbaarse mensheid daaronder: "de Barbaren
ontberen het van nature regerende beginsel".
In het kader, tenslotte, van zijn bespreking van de heer-slaaf relatie, als
een "natuurlijk" basiscomponent van het huishouden (oikonomía),
ontwikkelt Aristoteles een functionalistische kijk op de slavernij, anders
gezegd gaat hij over naar een instrumentalisering
of reductie van de slaaf tot louter middel of werktuig;
gekocht op de markt (vergelijk de Engelse uitdrukking van "commodity slavery"),
was de slaaf een gebruiksgoed, eigendom. Net zoals de ambachtsmeesters
vakspecifieke werktuigen dienden te bezitten voor de productie (poièsis)
van hun artefacten – onbezielde (hamers, zagen, messen, enzovoort), zowel als
bezielde (namelijk knechten) -, zo ook de vrije burger met het oog op de
praxis van het goed-leven. De slaaf-van-nature was precies daartoe door de
voorzienige Natuur gecreëerd en beschikbaar gesteld, in het kader van een soort
van natuurlijk eigendomsrecht - namelijk als een "levend werktuig"
ten behoeve van de praxis van de volwaardige burger[34]. Zoals
Aristoteles het afsluitend formuleert[35]:
"Wie door natuur niet zichzelf toebehoort maar mens-van-een-ander is, die is
van nature slaaf; mens-van-een-ander, echter, is al wie, hoewel mens zijnde,
eigendom is; eigendom, tenslotte, is een werktuig (organon) voor het
handelen dat kan worden losgemaakt".
Ook die geboren slaven zelf hadden daar alle baat bij: precies omwille van
hun natuurlijke deficiënties - ze leefden als het ware als stuurloze robots -,
was "het slaaf-zijn voor (hen) zowel voordelig als rechtvaardig"[36].
De oorlog bijgevolg tegen volkeren die zich desalniettemin aan dat
voorbestemde slavenlot trachtten te onttrekken, was "van nature
gerechtvaardigd"; hij was perfect vergelijkbaar met de jacht op wilde dieren,
die eveneens onder het natuurlijk eigendomsrecht van de mens vielen[37].
Welke ook de persoonlijke relaties mogen geweest zijn tussen Aristoteles en de
Macedonische machthebbers (de overgeleverde informatie daaromtrent is
overwoekerd door legendevorming), het kan niet ontkend worden dat dergelijke
beschouwingen de latere Aziatische veroveringen van Alexander de Grote
ideologisch hebben helpen voorbereiden.
Epiloog.
"Dier", "kind" en "levend werktuig": het zijn drie categorieën van
ver-beelding of beeldvorming waarmee de klassieke filosofie de machts- en uitbuitingsrelaties,
vooreerst
binnen de Griekse polis, poogde te rationaliseren en legitimeren.
Aangezien de slaven, echter, zeker
vanaf de 4de eeuw per definitie als niet-Grieks of barbaars golden, was deze
beeldvorming tegelijkertijd richtinggevend op het vlak van de externe, interculturele
"communicatie" - in de praktijk: de imperialistische en agressieve veroveringspolitiek -
tussen Grieken en niet-Grieken in het algemeen.
In de context van zijn
antropologie leverde in het bijzonder Aristoteles het essentialistische
paradigma en de categorieën van beeldvorming waarmee in de hele verdere westerse
geschiedenis cultuurverschillen zouden geconceptualiseerd en genaturaliseerd worden
teneinde
discriminatie, uitbuiting, vervolging en eventueel zelfs genocide "wetenschappelijk" te
legitimeren. Denken we bijvoorbeeld aan de discussies onder de 16de-eeuwse
christelijke geleerden over de vraag of de onderdrukte Indios van de Nieuwe Wereld al
dan niet over een "ziel" beschikten: de toenmalige gezaghebbende
christelijke negationisten
vonden hun wetenschappelijke argumenten in hoofdzaak bij de "heidense" Aristoteles.
____________________

Noten:
1 Dat het hier om een psychologische voorwaarde gaat, is
algemeen bekend. Ik verwijs ter illustratie naar de bevindingen van Jean Piaget,
zo in La psychologie de l’ intelligence (Paris 1952), pp. 165-166. Piaget
gebruikt in dit verband de term " coopération": zij bestaat, schrijft
hij, "uit objectief gevoerde discussie (...), uit het samenwerken in het werk,
uitwisseling van ideeën, wederzijdse controle (oorsprong van de behoefte aan
verificatie en demonstratie), enz. (...) (Het) individu zou er nooit in slagen
zijn operaties te groeperen in een samenhangend geheel zonder de uitwisseling
van gedachten en de samenwerking met anderen".
2 Zie hierover de publicaties van G.Makdisi,
The Rise of Colleges: Institutions of Learning in Islam and the West (Edinburgh
1981), en The Rise of Humanism in Classical Islam and the Christian West.
With special reference to Scholasticism (1990).
3 Vergelijk ook, voor het antieke
christendom, de Patristiek.
4 Deze vaststelling is vanzelfsprekend
niet nieuw, en evenmin beperkt zij zich tot het religieuze denken: ook het
post-christelijke, geseculariseerde denken van de Verlichting manifesteerde - en
manifesteert vaak nog steeds - dergelijke intolerantie. Ik verwijs naar de
kritische passus daaromtrent van M.A.Sinaceur 1986, pp. ix-x. Voor een
bekend voorbeeld van moderne kritiek op het autoritarisme van de rede, zie Paul
Feyerabend, Against Method (London 1975).
5 Denken we bijvoorbeeld aan Renans
inaugurale les aan het Collège
de France, in 1862, met als titel, "De la part des peuples sémitiques dans l’histoire
de la civilisation.
6 Politica, I.2, 1252b27 en
verder. Ik gebruik mijn eigen vertaling, zie De Ley 1996.
7 Pol., I.2, 1252a26 e.v. De
aanzet van dergelijke benadering vinden we reeds bij Platoon geformuleerd,
vergelijk in zijn Staat, 371D-E.
8 Pol., I.2, 1252a34 e.v.
9 Pol., III.14, 1285a19-22.
10 Eén van Aristoteles’
basisevidenties is het vereenzelvigen van het natuurlijke, het goede en het
voordelige/nuttige.
11 Zoals bekend, golden de dichters
in de Griekse cultuur traditioneel als opvoeders en als bronnen van moreel en
maatschappelijk gezag ("maîtres de vérité"). Zelfs Aristoteles’ meester,
Platoon, hoewel verwikkeld in een "Kulturkampf" met de dichtkunst (in
aansluiting wellicht bij Sokrates, wou hij de maatschappelijke rol van de
dichter doen overnemen door de "philosophos": zie de "verbanning"
van de dichters uit zijn ideaalstaat, bv. Staat, 398A, 595A e.v., 607A),
kon niet anders dan zijn dialogen met poëtische allusies te overgieten - vaak
met de nodige ironie of kritiek, maar vaak ook met een reële rol in de
argumentatie. Zie hierover nu Marian Demos, Lyric Quotation in Plato,
Lanham 1999.
12 Waarmee ik hier even de zogenaamde
eindtermen-discussie parafraseer die enkele jaren geleden woedde in de Vlaamse
Raad rond het voorstel van de nationalistische Volksunie om in het onderwijs de
vorming van een (sic)"spontaan Vlaams bewustzijn" als finaliteit op te
nemen.
13 Edith Hall 1991, p. 1.
14 Door de band wordt de
oorspronkelijke betekenis van het woordje "barbaros" (en het werkwoord
barbarízein) simpelweg omschreven met: "wie geen Grieks spreekt".
Mogelijk misleidend hieraan is dat aldus van de evidentie wordt uitgegaan van
het bestaan in Archaïsch-Griekenland
van een gemeenschappelijk "Grieks/Helleens" taalbewustzijn over de vele
"dialecten" heen, alsook van een verregaande mate van onderlinge (mondelinge)
verstaanbaarheid tussen die Griekse dialecten, in duidelijk contrast met de
"niet-Griekse". Jonathan Hall 1997, plaatst een aantal kritische kanttekeningen
bij die moderne evidenties, niet enkel wat de kennis betreft van de Grieken van
de relatie tussen een "nationale" taal en de zgn. "dialecten" (zie ibid., pp.
170-177), maar ook wat de relatie betreft tussen taal/dialect en wat vandaag etniciteit
wordt genoemd (zie
o.c., pp. 177-181).
15 Edith Hall 1991, p. 4, merkt op
dat er, ondanks analogieën in de conceptuele schema’s van andere oude culturen,
toch geen exact equivalent te vinden is voor de alomvattende uitdrukking
"barbaar", zelfs niet bij de xenofobe oude Mesopotamiërs, Chinezen en
Egyptenaren: geen enkele hiervan hanteerde een term die op een precieze en
exclusieve manier iedereen omvatte die geen aandeel had in de eigen
etniciteit.
16 Herakleitos stierf vermoedelijk
rond 480 vK. Ik volg de traditionele nummering van de fragmenten in de
standaarduitgave van H.Diels & W.Kranz, Die Fragmente der Vorsokratiker
(19516). Voor het Ionische, in het bijzonder heraklitische
natuurdenken, als constructie van een "archaïsche"
bewustzijnsvorm, zie De Ley 1993 (met eigen vertaling van de fragmenten).
17 Vgl. fr. 51: "zij begrijpen
niet hoe het, in tweespalt, met zichzelf samenspant, een opgespannen verbinding
(palíntonos harmoniè),
zoals van een boog of een lier"; het
bekende fr. 53: "Oorlog is vader van alles..."; enzovoort.
18 Bv. fr. 50: "niet mij maar de
logos horend, is het wijs ermee-in-te-stemmen dat alles één is". Een
vertaling van logos bij Herakleitos met "taal" (in de zin van een
tussenwereld tussen het "ik" en de wereld) is weliswaar verregaand
anachronistisch. Op de bijzonder complexe connotaties van dit Griekse woord in
het algemeen, en de gebruikswijzen ervan bij Herakleitos in het bijzonder kan
hier niet worden ingegaan.
19 Op de verdere betekenis van fr.
107 kan hier niet worden ingegaan.
20 Denken we bv. aan de bekende, zgn.
kardinale deugden van moed, matigheid, zelfbeheersing, wijsheid, e.a. Dergelijke
dichotomische constructie kan allicht nog het best begrepen worden naar analogie
met wat Roger Ballard schrijft over het negatieve islambeeld in de christelijke
Middeleeuwen, namelijk "as the consequence of boundary construction, and most
especially one in which those within the boundary have sought to establish and
validate their own (ideal) characteristics by attributing a wholly inverse set
of attributes to the alien others who stand immediately outside it". Zie
Ballard 1996, p. 25.
21 Ik steun me voor wat volgt, vooral
op het al vermelde boek van Edith Hall.
22 Ook op de uitgebreide en
(onvermijdelijk) ideologisch geladen moderne discussie omtrent de aard en
betekenis van de antieke slavernij kan hier niet worden ingegaan. Voor een
kritische en vernieuwende bespreking ervan, verwijs ik naar Ellen Meiksins Wood,
Peasant-Citizen and Slave. The Foundations of Athenian Democracy, London -
New York 1988.
23 Hall, o.c., p. 70.
24 Nogmaals in de mond gelegd van een
(overleden) Pers, nl. koning Darius, vv. 739-52, en 821-831.
25 De toepassing van dit morele
principe op de strijd tussen Perzen en Hellenen vinden we, zoals bekend, ook in
Herodotos’ Historiën.
26 Ook in de hellenistische
literatuur blijft dat het geval. Zie bv. het kunstepos van Apollonios van Rhodos,
de Argonautica. In zang III ervan wordt op een vrij systematische wijze
de tegenstelling opgeroepen tussen het Hellenendom (in de persoon van held
Iasoon) en het Barbarendom (de Kolchische koning Aiètès):
terwijl deze laatste wordt opgevoerd als het type van de barbaarse tiran,
vertolkt Iasoon alle deugden eigen aan Hellas; in het personage van Medea,
anderzijds, wordt a.h.w. het conflict uitgevochten tussen Barbarisme en
Hellenisme, waarbij de jonge barbarenvrouw uiteindelijk bezwijkt voor de
"obsessie" van Hellas.
27 Met de "Apologie van Sokrates"
schreef Platoon de funderingsmythe van de filosofie.
28 Ik verwijs opnieuw naar Piaget
(zie hoger, n. 1).
29 Zie over het hedendaagse "homogeneïsme" en de effecten ervan op het gebied van
racisme en antiracisme, Jan Blommaert & Jef Verschueren 1998.
30 Weliswaar met verschillende
accenten, hebben de vertegenwoordigers van de platonische en aristotelische
richtingen ervoor gepleit, de sociale scheiding tussen consumenten en
producenten weerom te doen samenvallen met de politieke scheiding tussen
heersers en onderdanen. Het juridische onderscheid tussen
"vrije" producenten en slaven werd vanuit die aristocratische optiek secundair.
Vandaar allicht de onduidelijkheid over de plaats van slavenarbeid in Platoons
ideaalstaat. Voor de moderne discussie daaromtrent, zie bijvoorbeeld Gregory
Vlastos, Does Slavery Exist in Plato’s Republic? (1968), opgenomen in: G.Vlastos,
Platonic Studies, Princeton 19815,
pp. 140-146; en, meer recent, Constantin Despotopoulos, La Philosophie
Politique de Platon, Bruxelles 1997, pp. 135-146.
31 Ik kan het hier niet hebben over
de mate waarin het strikt filosofische denken zelf van deze auteurs eventueel
door die maatschappelijke structuren, meer in het bijzonder de meester-slaaf
verhouding, intern bepaald werd. Ik verwijs ter illustratie naar het bekende
artikel van Vlastos, Slavery in Plato’s Thought (1941). De
slavernij-metafoor wordt hierin als één van de wezenlijke sleutels bestempeld
tot Platoons sterk hiërarchische denken. In een Postscriptum, weliswaar, van
ongeveer twintig jaar later, heeft Vlastos de stellingen van zijn "jeugdartikel"
genuanceerd; zie Vlastos 1981, pp. 147-163.
32 Aldus in Platoons laatste dialoog,
De Wetten, VI, 776E4-778A5. Zie ook de vergelijking, in dezelfde
dialoog, tussen het optreden van een slavenarts ("op de brutale manier van
een tiran") en de geneesheer van vrije burgers, Wetten, IV, 720B e.v.
Vlastos, o.c., p. 148, geeft hierbij als commentaar: "It is clear from such
passages that Plato thinks of the slave’s condition as a deficiency of reason".
33 Pol., I.13, 1260b3 e.v.
34 Zie Pol., I.4. Over het
"natuurlijk eigendomsrecht", zie I.8, 1256b7 e.v.
35 Pol., I.4, 1254a13 e.v.
36 Pol., I.5, 1255a1 en
volgende. Aristoteles beklemtoont, onmiddellijk hierop volgend (I.6), het
onderscheid tussen dergelijke "natuurlijke" slaven en degenen die per
accidens, d.w.z. door geweld of brute pech (volgens het antieke
"oorlogsrecht") als slaaf verkocht zijn, zonder dat hun "natuur" in
overeenstemming is met zulk slavenstatuut; dat laatste is bijvoorbeeld het geval
- in de ogen van Grieken - voor... Grieken.
37 Zie Pol., I.8, 1256b20 e.v.
Literatuurlijst
Ballard, Roger (1996), Islam and the Construction of
Europe, in: W.A.R.Shadid & P.S.van Koningsveld, eds., Muslims in the
Margin, Kampen: Kok Pharos, pp. 15-51.
Blommaert, Jan & Jef Verschueren (1998), Debating
diversity. Analysing the discourse of tolerance, London & New York:
Routledge.
De Ley, Herman (1999), De Ioniërs. Het Archaïsche Natuurdenken: van Thales tot Herakleitos,
5de, herwerkte uitgave, Gent: Universiteit Gent.
De Ley, Herman (1996), Phusis & Polis. Aristoteles’
"Praktische Filosofie", 3de, herwerkte uitgave, Gent:
Universiteit Gent.
Hall, Edith (1991), Inventing the Barbarian. Greek
self-definition through Tragedy. Oxford: Clarendon Press.
Hall, Jonathan (1997), Ethnic identity in Greek antiquity,
Cambridge: University Press.
Sinaceur, M.A. (1986), Avant Propos, in: D.Gimaret en G.Monnot,
Shahrastani, Livre des Religions et des Sectes, vol. I (Coll. Unesco d’
Oeuvres Représentatives, Série arabe), Paris: Peeters/Unesco.
Vlastos, Gregory (1981), Slavery in Plato’s Thought
(1941), in: G.Vlastos, Platonic Studies, Second Edition, Princeton:
University Press.
* Plenaire openingsvoordracht op het multidisciplinaire symposium
over "Beeldvorming en Interculturele Communicatie", ingericht op
30 en 31 maart 1999 in Leiden, onder auspiciën van het Centrum voor Niet-Westerse
Studiën (CNWS) en het Leiden Institute for the Study of Religions (LISOR),
organisatie: Prof.Dr.W.A.R.Shadid en Prof.Dr.P.S. van Koningsveld. Nadien
gepubliceerd in: W.A.Shadid en P.S. van Koningsveld (red.), Religie,
cultuur en minderheden. Historische en maatschappelijke aspecten van beeldvorming,
Tilburg UP, 1999, pp. 102-114. |