|
Op zondag, 13 december
jongstleden [1998], had in ons land een stembusgang plaats, die vanuit
Belgisch en Europees oogpunt uniek mag worden genoemd. Georganiseerd
onder supervisie van de Belgische overheid[1],
vormde zij een eerste fase in de creatie van het "hoofd van eredienst"
van een reeds lang (sedert 1974) erkende Belgische cultus: de islam.
Enkele kleine dissonanties niet te na gesproken, kon die publieke
verschijning van de moslimgemeenschap rekenen op de goodwill van de
gezeten samenleving. Bijna twee jaar na de begrafenis van Loubna
Benaïssa lijkt aldus een nieuwe stap gezet in het proces van
institutionalisering én acceptatie van wat reeds vele jaren de grootste
minderheidsgodsdienst vormt in ons land.
Elke vorm van euforie zou weliswaar misplaatst
zijn. Vooraleer we toe zullen zijn aan een behandeling op voet van
gelijkheid met de overige levensbeschouwingen, zal er nog veel water
door Maas en Schelde moeten vloeien. De religieuze discriminatie,
immers, waarvan de moslimbevolking het slachtoffer is, is geen
geïsoleerd gegeven. Ze is nauw verweven met haar achterstelling in de
overige maatschappelijke domeinen: politiek, sociaal en economisch,
juridisch en cultureel (onderwijs). De verklaring hiervoor moet gezocht
worden in het feit dat de moderne geschiedenis van de Europese islam
samenvalt met de cyclus van de arbeidsimmigratie in de zestiger en
zeventiger jaren. Anders gezegd, de islam is niet zo maar een religie,
in ons levensbeschouwelijke landschap: het is de religie van de laatste
grote groep van arbeidsimmigranten, en slechts in heel beperkte mate
van oorspronkelijke ingezetenen.
De sociaal ongunstige positie van deze
moslimimmigranten is de laatste decennia globaal genomen niet
verbeterd, wel integendeel. De maatschappelijke processen van
marginalisering en uitsluiting, niet enkel in België maar ook in andere
landen van de E.U., lijken de laatste jaren veeleer sterker dan zwakker
te worden. Niet verwonderlijk, wordt die discriminatie gelegitimeerd
door een racistische ideologie die sedert de tweede helft van de jaren
‘80 in volle opmars is. In dit laat-twintigste-eeuwse racisme speelt
net het religieus-culturele element een doorslaggevende rol -- vandaar
de term "anti-moslimisme", die gecreëerd werd door
de Britse islamkenner, Fred Halliday[2].
Evenzeer als het antisemitisme in de jaren ‘30, zo niet in sterkere
mate nog, beoogt het hedendaagse racisme de ontwaarding van het
culturele, intellectuele en religieuze, d.w.z. het symbolische kapitaal
van de minderheidsgroep[3].
De systematische hetze, daarom, van uiterst-rechts tegen "islam" en
"moslims" -- het weze in pers of propaganda, het weze in straatterreur
tegen moskeegebouwen of individuele woningen -- mag niet worden
afgedaan als politieke folklore of "spijtig" vandalisme. Het feit dat
de anti-racisme wet voorbij gaat aan
religieuze discriminatie is daarom erg betreurenswaardig.
Binnen dit ongunstige maatschappelijke kader, dus,
voltrekt zich de institutionalisering van de islam -- in ons land, maar
ook in de overige landen van de Europese Unie. Net in deze jaren,
inderdaad, van eenmaking wordt Europa overspoeld door een golf van "racialisering"
- alsof ook de nieuwe Europese identiteit sociaal-psychologisch een
stereotiep vijandbeeld nodig heeft. De politieke discussies over het
stemrecht voor "niet-E.U.-ingezetenen" moeten binnen deze ideologische
context worden geplaatst. In wat volgt zal ik een bondige beschouwing
wijden aan de manier waarop de islam zich in de voorbije halve eeuw
"her(be)vestigd" heeft in West-Europa in het algemeen, en in België en
Vlaanderen in het bijzonder.
Islam in Europa
"Her(be)vestigd"? In contrast,
inderdaad, met het traditionele zelfbeeld van de Europeaan, is de islam
van oudsher verankerd in "Europa". In 1492, zoals bekend, werd het
laatste moslimkoninkrijk, Granada, geannexeerd door het katholieke
vorstenpaar, Ferdinand V van Aragon en Isabella van Castilië. Aan ruim
800 jaar openbaar moslimbestuur -- onder de Arabische naam van
al-Andalus -- kwam daarmee een einde. In de eeuw die erop volgde,
werden de autochtone moslims die het schiereiland bleven bewonen,
collectief en onder dwang bekeerd. Door de discriminatie en vervolging
waarvan die katholieke, zogenaamde Morisken (Moriscos) het slachtoffer
werden -- ideologisch gelegitimeerd door de constructie van wat
Christine Stallaert een "biologisch katholicisme" heeft genoemd[4] --, werd de
instandhouding van een vorm van crypto-islam veeleer versterkt dan
verzwakt. Uiteindelijk, na een mislukte revolte tegen de repressie,
werden in de beginjaren van de 17de eeuw (1609-1614) alle overgebleven
Morisken (vermoedelijk meer dan 300.000 mensen, op een totaal van 8 tot
9 miljoen Spanjaarden) manu militari uit hun geboorteland verdreven.
Toch werd met die "etnische zuivering" geen einde gesteld aan het
bestaan van een Europese crypto-islam. Behalve voor Spanje (waar
allicht duizenden Morisken ondergedoken zijn bij de zigeunerbevolking)
kan ook voor andere mediterrane landen tot in deze eeuw de aanwezigheid
worden aangetoond van crypto-moslims[5].
De publieke islam, vanzelfsprekend, bleef de
voorbije eeuwen beperkt tot Centraal- en Zuid-Europa, in het kader van
het Osmaanse rijk. Daarin kwam een dramatische verandering in de tweede
helft van deze eeuw, bovenal in het kader van de arbeidsimmigratiegolf
in de jaren zestig en zeventig jaren. De start ervan werd, niet
toevallig, gegeven door de Duitse Bondsrepubliek in oktober 1961, in
een bilaterale overeenkomst met Turkije: "niet toevallig", want drie
maand eerder was de bouw begonnen van de Berlijnse Muur, zodat de
West-Duitse industrie niet langer vrijelijk kon beschikken over het
Oost-Duitse arbeidersreservoir[6].
Meer dan dertig jaar later leven er in de landen
van de E.U. miljoenen moslims[7].
In een periode waarin de christelijke religie zich steeds meer
terugtrekt op het platteland, verwerft de islam een als maar grotere
zichtbaarheid als stedelijk fenomeen: de moslimpopulaties leven
geconcentreerd in de steden en in dat stedelijke milieu krijgen ook de
symbolische attributen van hun geloof -- gebedsruimtes, de hoofddoek ,
e.a. -- een vaste plaats in het straatbeeld. Anders gezegd: in de
slotjaren van deze eeuw is West-Europa meer dan ooit tevoren een ruimte
waarin islamitische, christelijke, joodse en ook vrijzinnige tradities
elkaar ontmoeten om "elkaar te bekampen, te ondersteunen en
te bevruchten"[8].
Anders dan in de Middeleeuwen, lijkt het institutionele kader van de
lekenstaat bij uitstek geschikt om deze moderne "convivencia" op een
egalitaire en pluralistische basis te realiseren. Ware het niet, dat
het heersende islambeeld een onoverkomelijke contradictio in terminis
proclameert tussen "islam"en "lekenstaat" -- en ik heb het dit keer
niét over extreem-rechts, maar over gevestigde, democratische milieus,
niet in de laatste plaats van vrijzinnige (vooral liberale) signatuur[9].
Moslims in België.
Het aantal mosliminwoners in ons land -- d.w.z.
mensen die persoonlijk of via hun (groot)ouders afkomstig zijn uit een
moslimland, en/of zichzelf als moslim beschouwen -- neemt snel toe.
Concrete cijfers, weliswaar, zijn onvermijdelijk inaccuraat: (a) het
nationaliteitscriterium wordt geleidelijk minder relevant naarmate meer
mensen de Belgische nationaliteit verwerven; (b) de definitie van
"moslim" zelf vertoont vele nuances, van strikt pratikerend tot
vrijzinnig. Om een idee te geven van die demografische dynamiek: in het
begin van de jaren ‘90 werd het totaal aantal mensen in België met een
moslimse culturele achtergrond geschat op 289.400, d.w.z. 2,9 % van de
totale bevolking[10];
vandaag wordt dat totaal gesitueerd rond de 350.000, d.w.z. 3,4 % of
meer[11].
Met de demografische aangroei ging ook een
proliferatie gepaard van gebedsruimten en moskeeën. Wat de concrete
cijfers betreft, tot voor enkele jaren werd het nationale aantal op
ongeveer 240 geschat, waarvan een honderdtal in Vlaanderen. Ter
gelegenheid, echter, van de recente verkiezingen, is dat cijfer al
opgetrokken tot 280 of 290[12].
De verklaring voor die toename is niet ver te zoeken. De islam is een
religie waarin de collectieve geloofsbeleving een doorslaggevende rol
speelt. Binnen de immigratiegemeenschappen, vandaar, is de religieuze
groepsvorming één van de belangrijkste vormen van sociaal-culturele en
politieke structurering. Die moskeeën zijn een belangwekkend fenomeen:
het gaat om religieuze ruimtes opgericht in een reeds lang
geseculariseerde maatschappij.
De West-Europese moskeeën onderscheiden zich op
tal van punten van de moskeeën in de moslimlanden. Tegen de achtergrond
van een grote onderlinge diversiteit, zowel inzake denominaties of
richtingen als inzake nationaliteiten (met binnen de nationaliteiten
vaak nog verdere opsplitsingen, vanuit regionaal, lokaal of etnisch
oogpunt)[13],
werden de moskeeën meestal opgericht op mono-etnische of nationale
basis en worden zij beheerd door één religieuze denominatie.
Voor België, of alleszins voor Vlaanderen, liet
een omvattende en systematische studie van de inplanting en
maatschappelijke functies van de moskeeën, vergelijkbaar met wat in
Nederland reeds verschillende malen gebeurd is, op zich wachten[14]. Een wezenlijk gegeven van de
inplanting van moslimse immigrantengemeenschappen is daardoor tot nog
toe grotendeels aan de aandacht ontsnapt van onze nationale en lokale
beleidsverantwoordelijken. Onderzoeken in de buurlanden wijzen nochtans
uit dat moskeeën een wezenlijke schakel vormen in het vitale sociale
weefsel van moslimimmigranten, en bovenal dat, mits ze de nodige
ondersteuning krijgen, zij wel degelijk een gunstig effect kunnen
hebben op de socialisatie en integratie van moslims in een
geseculariseerde samenleving. Zulke aandacht vanwege het beleid lijkt
ook een voorwaarde om de bevoogding vanwege de landen van herkomst op
termijn af te bouwen. Voor de Marokkaanse moskeeën gebeurt die controle
vaak informeel via de consulaten. In het geval van de Turkse is zij
meestal strakker: zij gebeurt via de Belgisch-Turkse Religieuze
Stichting (Diyanet Vakfi,)in Brussel. De Diyanet
werd in 1982 in Turkije opgericht om de toenemende invloed van
islami(s)tische oppositiebewegingen in de Turkse emigratie tegen te
gaan. In ons land zijn er een honderdtal Turkse moskeeën. Iets minder
dan 3/4 hiervan valt onder de jurisdictie van de Diyanet Stichting. Het
resterende kwart is overwegend verbonden met de islami(s)tische
emigratieorganisatie, Millî Görüş.
Moslims in Vlaanderen.
Wat de verdeling betreft van de moslimgemeenschap
over de Belgische regio’s, valt vooral op dat ruim de helft ervan, dus
50 %, geconcentreerd is in de regio van Brussel-Hoofdstad, terwijl het
Vlaamse en het Waalse gewest elk ongeveer een kwart (25 %) voor hun
rekening nemen. In het slotdeel van deze bijdrage zal ik me toespitsen
op enkele punten die de "Vlaamse islam" een wat eigen karakter helpen
verlenen.
Een belangrijk gegeven voor de houding van de
gezeten samenleving ten aanzien van immigranten vormt ongetwijfeld hun
sociale status, scholingsgraad, e.d. In het algemeen, dat spreekt voor
zich, werd met de wervingscampagnes naar Marokko en Turkije gemikt op
goedkope arbeidskrachten voor fabrieken en steenkoolmijnen. De eerste
golf, nochtans, betrof arbeiders uit voornamelijk stedelijke gebieden
en met een zekere scholingsgraad. De Noord-Afrikanen waren bovendien de
Franse taal machtig. Ook in het geval van de Turkse arbeiders, ging het
oorspronkelijk geenszins om werklozen, maar om gekwalificeerde
arbeiders uit de steden, na selectie door westerse agenten; het
grootste deel ervan, echter, verkoos Duitsland boven België[15]. Nadien, evenwel,
zouden de "gastarbeiders" uit steeds meer rurale en achtergestelde
gebieden komen. Vooral in het geval van Turkije werd die tweede exodus
sterk aangedreven door de liberalisering en mechanisering van de Turkse
landbouw, waardoor de kleine boeren van hun gronden verdreven werden.
Welnu, die kloof tussen stedelijke en rurale
achtergrond wordt in België weerspiegeld door het spreidingspatroon
tussen het Franstalige landsgedeelte (Brussel en Wallonië) en
Vlaanderen. Zo behoren de Marokkaanse immigranten in Vlaanderen tot een
veel recentere golf, met een opvallend meer rurale en Berberse
achtergrond (en dus ook een kleinere, of geen beheersing van de Franse
taal). Een analoge vaststelling kan gemaakt worden over de Turkse
immigratie. Zij kwam pas goed op gang rond 1970 en betrof overwegend
families afkomstig uit de arme regio’s van Centraal-Anatolië (Afyon,
Emirdag, Isparta, e.a.) en het verre Noord-Oosten (Kars, Ardahan,
e.a.). Dat gegeven is voor Vlaanderen des te belangrijker omdat
ongeveer de helft, of 50 %, van de Turkse immigratie in België zich
gevestigd heeft in de Vlaamse provincies (Limburg, Antwerpen en
Oost-Vlaanderen), tegenover ongeveer 25 % in Brussel en 25 % in
Wallonië (weliswaar vindt in het verlengde van de sluiting van de
Limburgse mijnen een "re-migratie" plaats, niet enkel naar Antwerpen,
maar ook naar Luik en Brussel).
Wat de integratie en acceptatie betreft van de
moslims, doen zich alleen al op basis van bovenstaande sociologische
gegevens duidelijke accentverschillen voor tussen het Vlaamse en het
Franstalige landsgedeelte. Wegens plaatsgebrek beperk ik me tot een
tweetal punten.
Vooreerst is er het gegeven dat de
Noord-Afrikaanse gemeenschap, ten gevolge van haar koloniale
voorgeschiedenis, cultureel betrekkelijk dicht bij Franstalig Europa
stond. In het algemeen, daarom, heeft zij zich veel sneller en
overwegend op individuele basis "geïntegreerd". Weliswaar gebeurde dat
niet zonder problemen en moeilijkheden. Als het ware van de
weeromstuit, trouwens, is de afwijzing en discriminatie vanwege de
gezeten samenleving t.a.v. Marokkaanse inwoners vaak feller dan t.a.v.
de Turkse: deze laatsten genieten doorgaans het "voorrecht" van een
meer neutrale houding. Enigszins paradoxaal laat zich dit verklaren
door het feit dat de Turkse gemeenschap "de meest
geïsoleerde, de minst georganiseerde en vooral de meest onbegrepene is"[16]. Ook
hiervoor dienen de redenen voornamelijk in de historische en
socio-culturele achtergrond gezocht. De Turken hebben geen koloniale,
maar een imperiale voorgeschiedenis. Op het vlak van de taal,
anderzijds, is er een veel grotere homogeniteit (vergelijk daarmee de
verschillen tussen het Berbers en het Arabisch, de Marokkaanse
dialecten en het geschreven Standaard Arabisch, het Marokkaans en het
Frans, enz.). Anderzijds, bezit de eerste generatie doorgaans over een
heel beperkte vertrouwdheid met het Nederlands. Tenslotte blijft zowel
op het politiek-ideologische als op het strikt religieuze gebied de
gerichtheid op Turkije doorgaans groot. Samen met de meegebrachte
rurale tradities, heeft dat alles gemaakt dat de Turkofone
gemeenschappen zich doorheen de jaren grotendeels autarkisch en dus
meer gesloten ("insulair") t.a.v. de gezeten Vlaamse samenleving hebben
georganiseerd -- met eigen netwerken, verenigingen, moskeeën, winkels,
cafés, enz.
De sociale cohesie en etnische identiteit van de
gemeenschap werden op die manier alvast beter gevrijwaard (met als
praktisch effect, bijvoorbeeld, dat "Turkse" jongeren in mindere mate
met delinquentie en criminaliteit in aanraking komen dan
"Marokkaanse"). Tegelijkertijd echter houdt dit, op het vlak van de
maatschappelijke positionering, duidelijke gevaren in. Om de bijdrage
te eindigen wil ik dit illustreren met een concreet voorbeeld, dat
betrekking heeft op de moslimverkiezingen.
Zoals hoger al aangestipt, werden vooraf
verdeelsleutels opgesteld. Zij moesten aan de vier grote groepen
("Marokkanen", "Turken", "Anderen" en "Belgen") een vertegenwoordiging
garanderen die beantwoordde aan hun demografisch gewicht. Merkwaardig
hierbij is dat de Turkofone gemeenschap, die dan toch 1/3 vormt van de
totale moslimpopulatie, nog geen vierde van de mandaten toegewezen
heeft gekregen. Zie onderstaande tabel[17]:
|
|
Marokkanen
|
Turken
|
Anderen
|
Belgen
|
|
Geregistreerd
|
182.416
|
102.217
|
36.932
|
(20.000?)
|
|
Constituante
|
28
|
16
|
12
|
12
|
|
Executief
|
7
|
4
|
3
|
3
|
Het eerste wat opvalt, natuurlijk, is het feit dat
de Marokkaanse gemeenschap ondanks haar demografisch overwicht minder
dan de helft van de mandaten krijgt. Ongetwijfeld
wou men vermijden dat de "andere" nationaliteiten en de Belgische
bekeerlingen helemaal geen vertegenwoordigers zouden hebben. Het aantal
voorbehouden zetels, evenwel -- tweemaal drie -- lijkt buiten alle
proportie met de beperkte omvang van deze doelgroepen. De
verdeelsleutel onthult daardoor dat men een meer evenwichtige
vertegenwoordiging juist niét heeft willen bereiken door aan de
"Turken" meer inspraak te geven. Dat dit geen loze veronderstelling is,
wordt bewezen door een onbegrijpelijke anomalie in de verdeling van de
"Turkse" zetels over de Vlaamse provincies: in Antwerpen worden er voor
9.426 personen 2 zetels voorzien in de Constituante; voor Limburg, met
15.331 personen, 3 zetels; maar voor Oost- en West-Vlaanderen samen,
met niet minder dan 13.310 personen, is slechts één zetel voorzien. De
Turkse organisaties hebben vergeefs geprotesteerd tegen wat zij als een
grove onrechtvaardigheid aanvoelen. Al dan niet bedoeld, was het effect
ervan wel dat de verschillende strekkingen binnen de Turkstalige
gemeenschap de rangen gesloten hebben. Hoe dan ook, deze en andere
elementen van kritiek ondersteunen de visie van Dr. Adriaan Overbeeke
(De Standaard van 12 december 1998), dat België’s creatie van een
islamitisch "hoofd van eredienst"
inderdaad "een unieke, maar tegelijk fragiele constructie" vormt.
________________________
Noten
1. Zie het
K.B. van 24/6/1998, gepubliceerd in het B.S. van 23/07/1998, en het
Ministerieel Besluit van 24/9/1998, dat pas gepubliceerd werd in het
B.S. van 9/12/1998.
2. Fred
Halliday, Islam and the Myth of Confrontation,
London 1996, p. 161.
3. Zie Marc
Swyngedouw, La construction du ‘péril immigré’ en Flandre
1930-1980, in: Andrea Rea (ed.), Immigration et
racisme en Europe, Brussel 1998, pp. 107-130. Zie voor de
huidige situatie natuurlijk ook Jan Blommaert & Jef
Verschueren, Antiracisme, Antwerpen-Baarn 1994.
4. Zie
Christine Stallaert, Etnisch Nationalisme in Spanje. De
historisch-antropologische grens tussen Christenen en Moren,
Leuven 1996.
5. Het
huidige Andalusië kent een opvallende heropleving van een autochtone
islam; door vele bekeerlingen wordt het ervaren een terugkeer naar hun "roots".
Voor een iets uitvoeriger schets omtrent de
moslims in de katholieke Spaanse rijkjes, voor en na de val van
Granada, zie H.De Ley, Van Cordoba tot Mostar,
C.I.E.-Cahier nr. 2, Gent 1998; nu
op deze site.
6. Op dit
verband is al gewezen door Altay en Ural Manço, in hun bundel Turcs
de Belgique. Identités et trajectoires d’une minorité,
Brussel 1992, p. 25 (n. 5).
7. Een
basiswerk is W.A.R. Shadid en P.S. van Koningsveld,Religious
Freedom and the Position of Islam in Western Europe. Opportunities and
Obstacles in the Acquisition of Equal Rights, Kampen 1995.
8. Zo
T.Gerholm en Y.G.Lithman, in de inleiding van de door hen uitgegeven
bundel, The New Islamic Presence in Western Europe,
London 1988, p. 3.
9. Het
huidige islambeeld heeft zich vanzelfsprekend kunnen voeden aan het
eeuwenoude vijandbeeld dat reeds in de middeleeuwse christenheid t.a.v.
de islamwereld geconstrueerd is. De intellectuele, racistische
grondslagen ervan, nochtans, werden ontwikkeld in de negentiende eeuw.
10. Meer
gedetailleerde gegevens bij Felice Dassetto, Islam en
Belgique et en Europe: facettes et questions, in: Id. (ed.), Facettes
de l’islam belge, Louvain-la-Neuve 1997, p. 18.
11. De
verdeelsleutel voor mandaten, die gehanteerd werd bij de recente
verkiezingen, was gebaseerd op de gegevens van het I.N.S., op datum van
1 januari 1997.
12. In de
aanloop naar de verkiezingen, verscheen in De Standaard van 16/10/1998
een artikel van Guido Fonteyn. Het ging vergezeld door een ("tot
nu toe onuitgegeven") kaart van België met de inplanting van
281 moskeeën.
13. Bij de
Marokkanen tussen Berbers en Arabieren (of Arabofonen); bij de Turken
tussen Turken en Koerden, tussen Soenniten en Aleviten, enz.
14. Zo
pas, weliswaar, is aan de Universiteit Gent een onderzoeksproject van
start gegaan, met als titel: "Islam in Vlaanderen: de
inplanting en maatschappelijke rol van moskeeën. Sociaal-geografische,
politieke en sociaal- en religieus-culturele aspecten".
15. Voor
wat volgt, baseer ik mij op de publicatie van Altay en Ural Manço, van
1992; ik maak met dankbaarheid ook gebruik van het rapport (in
manuscript vorm), Muslim Voices in the European Union:
Belgian Country Report, door Fabienne Brion en Ural Manço,
Brussel 1998, alsook van het rijke Dossier: Être musulman en
Belgique et en Europe, in: Nouvelle Tribune, N.S. n° 18,
Octobre/Novembre 1998.
16. Altay
en Ural Manço, o.c., p. 27.
17. De
verkiezing en aanstelling van een Orgaan Hoofd van Islamitische
Eredienst (OHIE) is zoals bekend "getrapt" gebeurd: de stembusgang van
13 december heeft 51 verkozenen aangeduid voor een zgn. "Constituante".
Deze groep van verkozenen is vervolgens aangevuld met 10 gecoöpteerden
uit de oude (of voorlopige) Executieve, en die
uitgebreide groep van 61 heeft vervolgens nog eens 7 "experten"
gecoöpteerd. De volledige Constituante telt aldus 68 leden. In haar
schoot diende dan het 17-koppige, eigenlijke OHIE, d.i. de nieuwe
Executieve, te worden verkozen. Met de voorafgaande, zgn. vrijwillige
screening (door de Staatsveiligheid) van al wie zelfs maar overwoog
zich kandidaat te stellen voor het OHIE, zijn dermate veel verkozenen
"gewraakt" dat van democratische verkiezingen nog nauwelijks kan
gesproken worden. De jacht op de zgn. "fundamentalisten" (op basis van
welke criteria?) en de negatieve weerklank ervan in de media hebben de
maatschappelijke winst die geboekt was met de verkiezingen, grotendeels
opnieuw doen verloren gaan. Het hele gebeuren (met de "woordbreuk"
vanwege de verantwoordelijke minister t.a.v. de geheimhouding) bewijst
nog maar eens dat de Belgische islam meer dan ooit
onder voogdij staat.
LITERATUURLIJSTJE.
Jan Blommaert & Jef Verschueren, Antiracisme,
Antwerpen-Baarn 1994.
Felice Dassetto, Islam en Belgique et en
Europe: facettes et questions, in: Id. (ed.), Facettes
de l’islam belge, Louvain-la-Neuve 1997.
Herman De Ley, Van Cordoba tot Mostar.
Islam in Europa: de Voorgeschiedenis. C.I.E.-Cahier nr. 2,
Gent 1998.
T.Gerholm en Y.G.Lithman (edd.), The New
Islamic Presence in Western Europe, London 1988.
Fred Halliday, Islam and the Myth of
Confrontation, London 1996.
Altay & Ural Manço (edd.), Turcs
de Belgique. Identités et trajectoires d’une minorité,
Brussel 1992.
W.A.R. Shadid en P.S. van Koningsveld,
Religious Freedom and the Position of Islam in Western Europe.
Opportunities and Obstacles in the Acquisition of Equal Rights,
Kampen 1995.
Christine Stallaert, Etnisch
Nationalisme in Spanje. De historisch-antropologische grens tussen
Christenen en Moren, Leuven 1996.
Marc Swyngedouw, La construction du
‘péril immigré’ en Flandre 1930-1980, in: Andrea Rea (ed.), Immigration
et racisme en Europe, Brussel 1998, pp. 107-130.
[In licht
aangepaste versie gepubliceerd in: Ons Erfdeel, 42e jaargang, nr. 3,
mei-juni (1999), pp. 366-374.
Web Site:
http://www.onserfdeel.be/ ]. |