Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

JAARVERSLAG 1999 Comité-P (onderdeel)


5.10. Politie en allochtone jongeren

5.10.1. Inleiding

Op 4 augustus 1999 werd door de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P een rapport overgemaakt betreffende een ambtshalve toezichtsonderzoek aan deze dienst opgedragen ingevolge een beslissing van het Vast Comité P van 11 juni 1996.

Aanvankelijk had het ambtshalve toezichtsonderzoek betrekking op het functioneren van een politiedienst in het Brussels Gewest, meer bepaald in de relatie tot de bevolking, inzonderheid de jeugd, en de gevolgen daarvan op het leefklimaat in de gemeenschap. 

De opdracht was ingedeeld in drie delen:

Het peilen naar de oorzaken van de "schijnbare" slechte verstandhouding tussen de politiediensten enerzijds en de jeugdige bevolking anderzijds.

Het meten van de mate waarin maatschappelijke en structurele oorzaken de relatie tussen politie en bevolking beïnvloeden.

Het zoeken naar de externe factoren die de relatie tussen politiediensten en bevolking beïnvloeden of tracht te beïnvloeden met als finaliteit het voorstellen van aanbevelingen die het functioneren van de politiediensten in hun relatie tot de bevolking kunnen verbeteren.

Dit onderzoek is onder meer gesteund op talrijke gesprekken en contacten met politiemensen, beleidsverantwoordelijken, personen en organisaties betrokken bij deze problematiek; op de kennisname en ontleding van studies en publicaties hieromtrent; op de gegevens die blijken uit de desbetreffende klachten en aangiften gericht aan het Vast Comité P. Alhoewel het toezichtsonderzoek werd toegespitst op Marokkaanse jongeren, omdat deze groep niet langer alleen in grootstedelijke agglomeraties, maar recentelijk ook in kleinere steden, meer en meer met de politie in aanraking komt, terwijl de aanpak van de politie ten aanzien van die groep nochtans zou kunnen verbeterd worden.

Er werd ook vastgesteld dat tussen Marokkaanse jongeren en jongeren van andere minderheidsgroepen veel parallellen te trekken zijn. Er werd doelbewust gekozen dit onderzoek op het niveau leefwereld te voeren, teneinde aan te zetten tot dialoog, zowel tussen allochtone jongeren en politie, als binnen beide betrokken gemeenschappen. In beide gemeenschappen zijn de noodzakelijke positieve aanzetten tot dergelijke dialoog aanwezig. 

Uit de antwoorden op een bij een weliswaar beperkte groep allochtone jongeren, gevoerde enquête, is gebleken dat deze jongeren niet totaal negatief stonden tegenover de politiediensten en dat zij een redelijk exact beeld hadden van de basispolitietaken. Daarnaast bleek uit de antwoorden een positief opbouwende kritiek m.b.t. de politiediensten, een politie die men noodzakelijk acht en waarvan de meerderheid vond dat ze haar opdrachten naar behoren vervult. Ook bij de politiediensten zijn aanzetten hiertoe aanwezig.

Het gedrag van allochtone jongeren en in het verlengde daarvan de hulpverlening aan deze jongeren, zijn veelbesproken onderwerpen binnen de
maatschappelijke hulpverlening, justitie en politiediensten. De vraag blijft nochtans : hoe komt het dat allochtone jongeren meer kans lopen om tot deviant gedrag te komen ? Wanneer jongeren ontsporen komen zij, wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven, vaak in aanraking met de politie, in het bijzonder de zogenaamde basispolitiezorg, de geüniformeerde politieman. Bij de burger is de politie de emanatie van de "aanpak van criminelen". Door deze misvatting wordt de ontradende, raadgevende, regulerende en preventieve aanpak van de politie naar de diverse doelgroepen zwaar onderbelicht en onderschat. Deze aanpak maakt deel uit van de Community Policing, ingeschreven als basis filosofie voor het nieuwe geïntegreerde politiemodel en wordt steeds actueler. In dit verband dient de maatschappelijke rol van de politie nog maar eens te worden benadrukt.

De effecten van een sterk veranderende samenleving op demografisch gebied maar ook, en misschien in het bijzonder op het gebied van normen- en waardepatronen, zijn er mede de oorzaak van dat de politie zich voortdurend moet beraden over haar eigen rol en plaats in de samenleving en dat zij het klassiek preventie-repressiemodel moet overschrijden. Uiteraard heeft de politie niet altijd de pasklare oplossing bij de hand wanneer "nieuwe problemen" zich aandienen. Ligt een probleem op het maatschappelijk terrein dan begeeft die politie zich in de schemerzone tussen politie en hulpverlening. Dit impliceert dat kennis en ervaring moet worden overgedragen van gespecialiseerde diensten naar de basispolitie, die op het terrein de contacten met de jeugd zal moeten invullen. Alhoewel hiertoe reeds een aanzet werd gegeven en verschillende plaatselijke initiatieven in dezelfde richting gaan blijkt dit nog steeds onvoldoende te zijn. *


5.10.2. Besluit

De groep allochtone jongeren vormt een onomkeerbaar onderdeel van onze samenleving en de problematiek een onderdeel van het politiewerk. Pas wanneer de politie het vertrouwen van de allochtone gemeenschappen kan herwinnen, zal die politie haar legitimiteit naar deze gemeenschappen herstellen.
Een democratische rechtsstaat kan zich niet veroorloven dat een deel van de bevolking de politie ervaart als een louter repressief discriminerend apparaat. De basisfilosofie van het op stapel staande geïntegreerde politiemodel, "community policing", spreekt van een totale gerichtheid op de bevolking, zonder enig onderscheid. Een moeilijke opdracht weliswaar, maar een democratische rechtsstaat kan zich geen verloren bevolkingsgroepen of generaties veroorloven.

Er wordt vastgesteld dat het repressief, pro-actief, preventief, regulerend en hulpverlenend optreden van de politiediensten ten overstaan van allochtone jongeren weinig relevant is en dat vooral door gebrek aan voldoende voorkennis, het ontkennen van de eigenheid van de doelgroep en de balkanisering van beleid visie en ingezette middelen.

Ondanks alle goedbedoelde ingezette middelen en initiatieven is er weinig of geen meetbaar resultaat. Politiediensten komen hierdoor gemakkelijk tot een keiharde repressieve aanpak, zonder ook maar de politionele aanpak op zich te bevragen en te toetsen aan de doelgroep.


5.10.3. Algemene aanbevelingen

1. Het oppositioneel denken en ageren tussen politie en allochtone jongeren dient doorbroken 

De misgroeide verhouding tussen politiediensten en allochtone gemeenschappen dient dringend genormaliseerd. Vertrouwen en samenwerking moeten gestimuleerd en in de plaats te komen van het " vijanddenken" tussen beide groepen. Uiteraard dient de politie als professionele organisatie daaraan te werken, want indien op dit terrein gefaald wordt, zal haar eigen legitimiteit nog verder in gevaar worden gebracht.

2. Politiediensten dienen actief werk te maken van een geloofwaardige aanpak van discriminatie en racisme.
 

Dat betekent vooreerst het (h)erkennen van het bestaan van discriminatie en racisme in de maatschappij, zowel als in het eigen werkmilieu. Pas als allochtonen ervaren dat politiediensten hen niet louter als potentiële daders, maar ook als burgers met rechten beschouwen, kan het geschade vertrouwen in de politiediensten worden hersteld. Het ene racisme is het andere niet. Het effect van racisme bij ordediensten naar maatschappelijk zwakke jongeren is enorm nefast. Men onderschat schromelijk de impact van racistische attitudes bij een paar leden van de ordediensten op de relatie tussen allochtone jongeren en politiediensten in het algemeen.

3. Open en goede communicatie met elke bevolkingsgroep, dus ook met allochtone gemeenschappen en allochtone jongeren, is een professionele noodzaak voor politiediensten.

Geen enkele overheidsinstelling kan degelijk functioneren zonder goede relaties en open communicatie met alle lagen van en groeperingen binnen de samenleving. Voor politiediensten is dat een specifieke voorwaarde opdat alle burgers zouden meewerken aan sociale controle, criminaliteitspreventie en aan de ontwikkeling van burgerzin. Communicatie is essentieel om de feitelijke behoeften van burgers te kunnen inschatten.

4. De moeizame of falende communicatie tussen politie en allochtone jongeren vergt de nodige basisattitudes bij elke politieambtenaar, tevens veronderstelt het andere specialisten en samenwerkingsverbanden

Communicatie met allochtone jongeren vereist in de eerste plaats dat elke politieambtenaar over de nodige basisattitudes dient te beschikken en mag dus niet langer enkel het domein zijn van specialisten. Naast deze despecialisatie dienen in de korpsen gespecialiseerde politieambtenaren in staat te zijn om met de nodige kennis van de politiesubcultuur en de culturele achtergrond van allochtonen, als een interculturele bemiddelaar communicatiestoringen en –verschillen te duiden en te situeren.

Ervaring leert dat zogenaamde derden in deze rol het proces alleen maar ingewikkelder maken voor één van beide of voor beide betrokken partijen.
Politie dient intenser gestructureerd samen te werken met sociale, culturele en gezondheidswerkers en andere belangrijke personen binnen de etnische minderheden.

5. Criminaliseren/stigmatiseren van allochtonen dient doordacht te worden geweerd als voorwaarde tot het herstellen van het vertrouwen in de politie.

Het risico van stigmatisering doet zich in het bijzonder voor wanneer specifiek wordt gesproken over criminaliteitscijfers. Statistieken spreken nooit voor zich: hoogstens vertellen ze limitatief wat er aan de hand is, maar nooit verklaren ze waarom dingen gebeuren. Daartoe is kwalitatief onderzoek vereist. Statistieken met een etnische component dienen zo objectief mogelijk geïnterpreteerd, voorgesteld en verspreid.

Het is de taak en de verantwoordelijkheid van politiediensten om de aandacht te vestigen op hoge criminaliteitscijfers van specifieke groepen in de
samenleving, om zo de onderliggende problematiek de ruimere aandacht en aangepaste preventie en zo nodig repressie, te garanderen.

Criminaliteitspercentages dienen meervoudig gebruikt: enerzijds om criminaliteitspatronen van etnische minderheden in de gaten te houden, maar anderzijds om te checken of de politie allochtonen eerlijk en gelijk behandelt. Door cijfergegevens en statistieken op deze wijze te gebruiken kan de politieoverheid erop toezien dat alle lagen van de bevolking een dito behandeling krijgen. Zo zal de politie aan respect en vertrouwen winnen bij allochtone gemeenschappen.

6. Politiediensten dienen actief feedback te vragen aan allochtone gemeenschappen op de doelmatigheid en relevantie van hun optreden.

Gestructureerde periodieke ontmoetingen tussen politie en allochtone gemeenschappen, kunnen de aanloop zijn tot een constructief samenwerkingsverband. In situaties van spanningen tussen politie en allochtone gemeenschappen hebben dergelijke gesprekken reeds hun deugdelijkheid bewezen, zodat het meer dan wenselijk is dat dergelijke contacten niet beperkt blijven tot crisissituaties. 

De migrantengemeenschap zelf is vragende partij voor een doeltreffende maar correcte aanpak van het geweld en criminaliteit bij probleemjongeren. Ze handelen immers non-discriminatoir en maken even goed slachtoffers onder allochtonen als autochtonen. 

Doordat politiediensten er niet in slagen met allochtone gemeenschappen samen te werken rond de vermelde problemen, zullen de politiediensten, gevolgd door het beleid, makkelijkheidshalve de veiligheidsproblematiek stellen als migrantenprobleem. Daardoor wordt alle schuld en verantwoordelijkheid bij de migrantengemeenschap gelegd, wat de aliënatie van gemeenschappen en individuen zal aanwakkeren.

7. Een democratische politie moet bereid zijn haar mono-etnische karakter op ieder vlak te veranderen in een multi-etnisch karakter.

Het rekruteren van allochtonen is maar een deelaspect van dit proces. De politieorganisatie moet in staat zijn moeilijkheden, die voortkomen uit interne culturele diversiteit te overwinnen. Interculturele communicatie en verstandhouding zowel intern als extern dienen de nodige aandacht te krijgen. Politie dient de nodige kennis en vaardigheden te beheersen teneinde professioneel om te gaan met situaties waarin verschillende culturen elkaar ontmoeten en /of met elkaar in botsing komen. 

De werving en het behouden van allochtone politieambtenaren zullen maar rimpelloos verlopen, indien gestoeld op goede relaties met allochtone minderheden, uitgaand van de erkenning van de veranderende arbeidsmarkt en gepaard gaand met een positieve houding tegenover culturele diversiteit als meerwaarde.

8. Politiediensten dienen diversiteit onvoorwaardelijk te aanvaarden en niet te verdragen.

Verdraagzaamheid staat dwars tegenover de onvoorwaardelijke aanvaarding van diversiteit. Verdraagzaamheid is de deugd van mensen die zich lijdzaam en bewust instellen om zonder tegenwerking bepaalde moeilijkheden te willen ondergaan. Het verwijst dus duidelijk naar een gedoseerde mate dat allochtonen ons gevoel van zekerheid mogen verstoren, naar een tolerantie die ook een grens, een drempel, heeft die overschreden kan worden.

Verdraagzaamheid vertrekt nog steeds van de onaangepastheid, het er niet bij horen, het anders zijn. Diversiteit is het (h)erkennen dat onze maatschappij intercultureel is en verscheidenheid inherent is aan ons samenleven. Diversiteit aanvaarden, allochtonen onder ons plaatsen, ze er laten bijhoren als volwaardig lid van onze samenleving.

9. Duidelijk onderscheid dient gemaakt tussen misdrijven en samenlevingsproblemen.

 Er moet een onderscheid gemaakt tussen het verveeld en vervelend samentroepen van allochtone jongeren enerzijds en criminaliteit anderzijds. Politie maakt een amalgaam van samenlevingsproblemen en criminaliteit. Misdrijven dienen justitieel te worden aangepakt. Geschillen en problemen echter vallen onder een andere aanpak maar dienen au serieus te worden genomen daar ze kunnen uitgroeien tot grotere problemen.

10. Een nieuw politieconcept dient dringend uitgebouwd, waarbij de discrepantie tussen repressie en preventie wordt overbrugd. Beleid en politie moeten onduidelijke, gespleten signalen weren.

Politiediensten hebben geen aangepaste aanpak van allochtone jongeren. Politiediensten zijn zich daarvan enkel bewust op het ogenblik dat ze worden geconfronteerd met ernstige conflicten, voortspruitend uit reeds lang aanwezige spanningen. Politiediensten overstelpen vormingswerkers en organisaties met de vraag "Leer ons omgaan met allochtone jongeren?" Een utilitaire vraag naar pasklare middeltjes en projecten die schaamteloos worden gekopieerd. Zoeken naar een nieuw politieconcept vanuit een kritische evaluatie van eigen werking en basisattitudes, getoetst tijdens contacten met allochtone gemeenschappen, is eerder een zeldzaamheid. De overdreven identiteitscontroles uit het verleden, als ze al tot het verleden behoren, maakten plaats voor overpolicing naar allochtonen en underpolicing naar autochtonen. Dat gaat gepaard met een algemene negatieve beeldvorming van de doelgroep. De criminaliteit van een kleine groep wordt doorgeschoven naar de ganse minderheidsgroep. Daarnaast ontwikkelt diezelfde politie ontmoetingen met allochtone jongeren en moskee contacten. Jongeren hebben nood aan duidelijke signalen, zoveel te méér geldt dat dan voor allochtone randjongeren. Als men jongeren aanspreekt, dient men klare en duidelijke boodschappen te hebben: wat is de taak, wat is de bedoeling, met wie en voor wie werkt men. Zonder enige tastbare cohesie ervaren jongeren politie als sterk repressief en intolerant en de andere keer als sociaal preventief. Politiediensten dienen inspanningen te leveren om zich te laten kennen bij allochtone jongeren als een dienst die rust, orde en veiligheid wil voor eenieder en niet als een apparaat dat louter repressief optreedt. Deze boodschap komt nog steeds niet over. Eens jongeren dit zullen begrijpen, zal het anders worden. Politiediensten worden door hun louter repressieve aanpak of hun verwarde signalen nog steeds beschouwd als vijand. Uiteraard dienen politiediensten de juiste taal te vinden om met allochtone jongeren te dialogeren. Jongeren hebben geen boodschap aan de vaak steriele ambtelijke taal van politiefunctionarissen, maar wel aan een taal die hen raakt. De openheid tot dialoog met jongeren zou zich niet mogen beperken tot de specialopgezette activiteitjes, maar vooral aanwezig moeten zijn op straat tijdens tussenkomsten en patrouilles.

11. Politie dient door een nauwe samenwerking met alle mogelijke initiatieven van jeugdhulpverlening, antwoorden te zoeken op de allochtone jongerenproblematiek.

Allochtone jongeren worden aangesproken door jeugdwerkingen, jeugdhuizen, straathoekwerkers, preventiewerkers, overlegassistenten, jeugddiensten en migrantencellen van politiediensten. Het aanbod is té groot: jongeren begrijpen het niet meer en lopen erin verloren, met het gevolg dat ze alle geloof in deze werkingen verliezen. De balkanisering, het ongecoördineerde van al deze werkingen op het terrein, wordt door allochtone gemeenschappen als een fundamenteel gebrek aan respect ervaren. Er dient dringend naar éénduidigheid van signalen gestreefd.

De vele werkingen en projecten worden erkend en gesubsidieerd op basis van verslagen en rapporten. Werkingen en projecten dienen dringend op
het terrein en via de doelgroep te worden geëvalueerd. Tevens dient de overheid samenwerkingsverbanden als voorwaarde in te bouwen. Kritisch ingestelde allochtone sociale en maatschappelijke werkers stellen onomwonden dat de overheid de inefficiëntie subsidieert; er is geen enkele coördinatie op het terrein en heel wat van de werkingen en projecten doen wel lovenswaardige pogingen, maar bereiken zelden hun doel of doelgroep.
Het sociaal netwerk in een gemeente zou een ketting moeten zijn waarbij iedere schakel (organisatie en /of werking) in een totaalpolitiek past. Nog te veel jongeren, zo niet de grootste groep, valt door de mazen van het sociaal netwerk. Daarenboven is er te veel dubbel gebruik, werkingen die dezelfde doelgroep viseren en dat vaak op een boogscheut van elkaar.

12. Politiediensten moeten hun regulerende, ontradende, raadgevende en preventieve taken meer expliciet articuleren en zodoende duidelijk uitlijnen.

Ondanks het feit dat de politie steeds meer accent legt op deze taken, wat blijkt uit een toename aan activiteiten in de preventieve sfeer, is de basisattitude nog steeds onvoldoende aanwezig, noch beleidsmatig noch individueel. De opleiding is nog te weinig daarop gericht en zelfs gespecialiseerde diensten als Jeugdpolitiesecties werken hoofdzakelijk repressief. Uit wat voorafgaat, blijkt dat de basispolitiezorg ten aanzien van (allochtone) jongeren onvoldoende deskundig is.

 Naar de allochtone gemeenschappen en naar partners in het sociaal netwerk zal de politie duidelijk deze taken moeten afbakenen en uitlijnen, teneinde spanningen en misverstanden te vermijden. 

13. De politieopleiding zal meer aandacht moeten schenken aan de allochtone jeugdthematiek.

Ontbrekende deskundigheid en kennis aangaande allochtone jongeren hinderen op het terrein het vinden van goede oplossingen. Soms creëert de onaangepaste wijze van optreden van de politie een bijkomend probleem eerder dan de veronderstelde oplossing. De achtergronden en de omstandigheden van allochtone jongeren zijn complex en divers.

Het stigma van immorele en onhandelbare allochtone jongeren wordt door diverse omstandigheden te sterk benadrukt vanuit een volkomen onterecht "collectief zondebokmechanisme".

Ervaring leert dat de bestaande zogenaamde multiculturele vormingen weinig impact hebben op politieattitudes. Inhoudelijk zouden deze vormingen moeten worden herzien. Vaak blijven ze beperkt tot encyclopedische kennisoverdracht: wat is de islam? Wat is de Moslim?

Dergelijke kennisoverdracht wekt een homogeniteit, die er niet is en werkt dogmatisch denken in de hand. De teneur van de opleiding is te generaliserend en brengt meestal een verwetenschappelijking van bestaande stereotypen met zich mee.

Men dient terug van nul te starten en als basisprincipe te stellen: " Iedereen is gelijk".

Men zit te zeer vastgeroest in een probleemformulerende causerie. De opleiding moet vermijden culpabiliserend en moraliserend te werk te gaan.

Naast de verplichte opleiding dienen gespecialiseerde vormingen georganiseerd, waarop vrijwillig dient ingeschreven.
 

**************************************
 

Het Vast Comité P is voornemens de door dit ambtshalve toezichtsonderzoek bekomen ervaring uit te dragen en te confronteren met de praktijk en de visie van de algemene politiediensten die door de aanwezigheid van een relevante groep allochtonen in hun territorium in de behandelde problematiek dienen te werken. Ook zal dit rapport worden besproken met het Centrum voor gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding, met de Liga van de Rechten van de Mens en met de Beweging tegen Racisme, Antisemitisme en Xenofobie. Aldus zal het mogelijk zijn de geformuleerde aanbevelingen te testen aan de praktijk van de mensen op het terrein en zal ook de nodige feedback worden bekomen om deze zonodig aan te passen of te verfijnen. 

Terug naar begin

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Web master Update: 22 november 2005