Jeugdcriminaliteit
en het daarmee samenhangende onveiligheidsgevoel is een hot item. Het
fenomeen werd door talrijke onderzoeksgroepen bestudeerd, maar het ging
telkens om vrij beperkte onderzoeken. Met de financiering van het vier
jaar durende onderzoek 'Verstedelijking, Sociale Uitsluiting van
Jongeren en Straatcriminaliteit' kwam de Dienst Wetenschap, Technologie
en Cultuur (DWTC) van het ministerie Van Wetenschapsbeleid begin '96
tegemoet aan de vraag naar een grootschalig onderzoek. De studie werd
uitgevoerd door de professoren Lode Walgrave, (jeugdcriminologie) en
Chris Kesteloot (sociale en economische geografie) v an de KU Leuven en
de onderzoekers Conny Vercaigne en Pascale Mistiaen.
"We wilden nagaan in hoeverre de
grootstedelijke omgeving eigen accenten geeft aan de
jeugdcriminaliteit", zegt professor Walgrave. "In de grootstad zijn de
sociale weefsels minder hecht. De recreatiemogelijkheden verschillen en
de kansen om te stelen zijn groter, omdat er in een beperkte omgeving
meer materiële zaken samengepropt zijn. Er is de verloedering van
buurten en het scherpe contrast tussen arm en rijk. Het ligt dus voor
de hand dat een aantal sociaal-geografische factoren de
jeugdcriminaliteit in een grootstedelijk milieu mee bepalen."
De analyse van het 'self
report' onderzoek (de anonieme bevraging van 4.700 Brusselse
scholieren) leert dat winkeldiefstal met voorsprong het meest gepleegde
delict is bij jongeren: 33,5 procent van de scholieren (40 procent van
de jongens tegenover 27 procent van de meisjes) steelt wel eens iets
uit de winkelrekken. Het verschil tussen meisjes en jongens is bij de
andere delicten nog groter. Ruim 20 procent van de jongens kwam het
afgelopen jaar in aanraking met drugs tegenover slechts 12 procent van
de meisjes. Het gaat daarbij meestal om softdrugs. Drieëndertig procent
van de jongens draagt een wapen, doorgaans een mes, tegenover slechts
8,3 procent van de meisjes. Jongens spuiten ook meer graffiti (17,6
tegenover 9 procent) en bezondigen zich vaker aan vandalisme (22,3
tegenover 6,2 procent). Ze vallen sneller mensen lastig op straat (17,6
tegenover 8,5 procent) en raken vaker betrokken bij een vechtpartij op
straat (19,9 procent tegenover 5,4 procent).
Als het om ernstigere delicten
gaat. wordt het verschil tussen meisjes en jongens nog groter.
Autodiefstal (10,1 procent tegenover 1,1), handtassendief- stal (6,3
procent tegenover 1,2), het dealen van drugs (8 procent, tegenover 2,2)
en inbraak (6,5 procent tegenover 0, 7) blijven uitgesproken
jongensaangelegenheden.
Er werd ook gepeild naar
risicofactoren die de kans op het plegen van criminele feiten verhogen.
"De schoolervaringen zijn bijzonder bepalend", zegt onderzoekster Conny
Vercaigne. "De twee extreme polen zijn aanwezig. Het gaat om elitaire
scholen die moeilijke leerlingen afstoten, of om scholen waar
leerlingen terechtkomen uit kansarme buurten of leerlingen die elders
geweigerd werden. Wat een 'gemiddelde school' genoemd zou kunnen
worden, bestaat in Brussel niet. We constateren dat de schoolkeuze van
allochtone jongeren uit armere milieus vaak zeer onbewust gebeurt. Ze
gaan naar een
bepaalde school omdat een oudere broer er zit of omdat ze er vrienden
kennen. Ze beschikken niet over voldoende informatie om bij hun keuze
andere criteria te hanteren. "Een ander belangrijk element is de
beroepsklasse van de vader. We stellen vast dat jongeren van wie de
vader in een hogere beroeps klasse zit doorgaans meer lichte criminele
feiten plegen. Ze bezondigen zich meer aan winkeldiefstal, graffiti,
vandalisme en drugsgebruik dan jongeren wier vader in een lagere
beroepsklasse zit of helemaal niet werkt. |
Deze laatste groep pleegt in
verhouding meer zware vergrijpen zoals inbraak of autodiefstal."
|
Voor het eerst betrouwbare criminaliteitscijfers. Bruikbare
criminaliteitscijfers verzamelen in ons land is geen sinecure.'De
politionele en gerechtelijke cijfers zeggen meer over de werking van de
diensten dan over het effectief aantal gepleegde feiten. Bovendien
verschilt de aangiftebereidheid naargelang de aard van het delict.
Autodiefstal wordt bijna altijd aangegeven, terwijl delicten in de
seksuele sfeer veel minder bij de politie worden gemeld. Criminologen
maken dan ook een onderscheid tussen de reële en de geregistreerde
criminaliteit. Om zicht te krijgen op de reële criminaliteit maken ze
gebruik van 'dark number' onderzoek. Daarbij worden mensen
anoniem bevraagd over het aantal keren dat ze dader of sláchtoffer zijn
geweest van bepaalde criminele feiten.
Om zicht te krijgen op de
jeugdcriminaliteit in de hoofdstad werd het DWTC-onderzoek in vier
delen opgesplitst. "Bruikbaar cijfermateriaal verzamelen was onze
eerste opdracht", zegt Lode Walgrave. 1n een eerste fase hebben we een
grootschalig dark number daderonderzoek uitgevoerd bij 4.700
Brusselse scholieren. Deze cijfers werden naast de cijfers van het
Brusselse jeugdparket gelegd. Gedurende zeven maanden, van maart tot
november '98, hebben we daar alle binnenlopende zaken geregistreerd. De
kwantitatieve gegevens werden aangevuld met diepte-interviews, die als
het ware het verhaal achter de cijfers schetsten. Daarnaast hebben we
ook gepoogd de recreatiemogelijkheden in Brussel in kaart te brengen.
De summiere resultaten daarvan leren dat er te weinig
recreatiemogelijkheden zijn, dat ze vaak te wensen overlaten en niet
afgestemd zijn op het publiek uit de buurt." |
Een gelijkaardig
patroon vinden de onderzoekers terug bij migrantenjongeren. "Volledig
in overeenstemming met de gemiddelde beroepsklasse, stellen we vast dat
migrantenjongeren zich minder bezondigen aan lichte criminele feiten
zoals winkeldiefstal en vandalisme. Ze zijn ook minder snel geneigd
wapens te dragen. Daar staat tegenover dat ze oververtegenwoordigd zijn
bij autodiefstallen of inbraak. Statistische analyses bewijzen dat het
niet de etniciteit of cultuur is die bepalend zijn voor het plegen van
ernstige feiten, maar sociale factoren zoals de schoolervaring en de
beroepsklasse van de vader."
Deze heldere conclusies werpen
een ander licht op het fel besproken onderzoek dat justitieminister
Verwilghen wil laten uitvoeren naar het verband tussen migranten,
etniciteit en criminaliteit. Het bestuderen van de cijfers van het
Brusselse jeugdparket maken zo mogelijk nog duidelijker waar het
schoentje wringt. "Vooral het beperkte aantal geweldsdelicten is
opvallend en contrasteert scherp met het beeld dat bestaat bij de
bevolking. In zeven maanden tijd kreeg het jeugdparket in Brussel geen enkele keer te maken met doodslag of zelfs maar een poging daartoe.
Een ander beeld dat doorgeprikt wordt, is het idee dat jongeren op steeds jongere
leeftijd crimineel |
gedrag vertonen. We vinden,
|
Minderjarige migranten houden zich in verhouding tot autochtone Belgen amper bezig met het dealen van drugs. Ze worden wel tien keer meer aangehouden. |
perfect in overeenstemming met de
literatuur, dat het aantal delicten een piek bereikt op 16 jaar om vervolgens
weer te dalen".
De cijfers weerspiegelen perfect
de gerechtelijke en politionele aandachtspunten. Zo werd drugsgebruik
bijvoorbeeld amper geregistreerd. Als het al gebeurde, was het op vraag
van een school waar men leerlingen betrapte. Meisjes komen amper in de
parketcijfers voor. Als er een proces verbaal wordt opgesteld, gaat het
meestal om statusdelicten, zoals het weglopen uit instellingen.
Bijzonder opvallend is
de vergelijking tussen delicten waarbij geen aanhouding gebeurde en die
waarbij dat wel het geval was. Tegen migrantenjongeren wordt nagenoeg
even vaak proces verbaal opgemaakt als tegen autochtone Belgen. Maar
voor dezelfde feiten worden ze wel veel vaker aangehouden dan die
Belgen. 'We hebben in totaal 2.500 PV's geregistreerd", zegt Lode
Walgrave. "De cijfers zijn verassend. Voor alle onderzochte delicten
worden migranten veel sneller vervolgd dan autochtone Belgen. Voor
sommige delicten is het verschil immens groot. Het dealen van drugs
door jongeren, zo blijkt uit de parketcijfers en uit ons dark number
onderzoek, is bijna een volledig autochtone Belgische aangelegenheid.
Migrantenjongeren lijken amper te dealen. Als we dan kijken hoeveel
migranten en hoeveel autochtone Belgen werkelijk worden aangehouden, is
deze verhouding volledig omgekeerd. Er worden amper autochtone Belgen
aangehouden, terwijl het aantal aangehouden migrantenjongeren bijna
tien keer zo hoog ligt."
Harde cijfers die
levensgrote vraagtekens plaatsen bij de motivatie achter het optreden
van de Brusselse politie, die PVs ter info opstelt of verkiest om
jongeren aan te houden. Het kwalitatieve onderzoek, de gesprekken zeg
maar, brengt de schrijnende verhalen achter deze droge cijfers. "Je
voelt de spanning door de verhalen die migrantenjongeren vertellen",
zegt onderzoekster Vercaigne. "Ze voelen perfect dat ze geviseerd
worden. Het is bijna abnormaal dat er niet meer opstootjes en rellen
zijn."
Een meisje vertolkte tijdens een
van de interviews de gevoelens en de spanningen die leven bij heel wat
migrantenjongeren. Gevoelens die voor een groot deel ook opgaan voor
Belgische, autochtone jongeren die uit zwakkere sociale milieus komen.
"Ik heb het gevoel dat ik aan de start verschijn van een loopwedstrijd.
Bij de start heeft iedereen gelijke kansen. Alle deelnemers hebben een
perfecte uitrusting en witte loopschoenen. Als ik begin te
rennen, merk ik dat ik meer inspanningen moet doen dan de andere
deelnemers. Want er zit lood in mijn mooie witte loopschoenen." |