Communicatie, Informatie, Educatie

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

 De pragmatiek van tolerantie

door

Jan Blommaert*

Politieke sleutelbegrippen hebben een haast magische werking. Hun overvloedig gebruik suggereert een semantische eenduidigheid, ook al kon men verwachten dat de inflatie in het gebruik dit soort eenduidigheid al bij voorbaat onmogelijk zou maken. De begrippen hebben ook een structurerend, zeer actief effect. Ze laten toe een feit of een fenomeen te categoriseren, het begrijpelijk te maken, het te plaatsen in een raamwerk van reeds aanwezige kennis over de wereld, de samenleving, onszelf. Ze bepalen daardoor -- gedeeltelijk, weliswaar -- onze houding tegenover het fenomeen, onze reacties, onze morele opstelling, onze evaluatie. Termen kunnen hevige emoties opwekken, en andere sussen of lamleggen. Ronald Reagan sprak niet zonder reden over de Nicaraguaanse contra's als freedom fighters, bezuinigingen worden niet zonder reden aangekondigd als saneringen, afdankingen als personeelsherschikkingen, racisme als vooroordelen of angst voor het vreemde, enzovoort. Boris Jeltsin kreeg het voor mekaar zijn parlement met tanks te laten beschieten, en toch nog steeds als democraat of vernieuwer te blijven doorgaan, en Mobutu slaagt er al dertig jaar in versleten te worden voor unificateur en factor van stabiliteit in een staat die -- 'for all practical purposes' -- heeft opgehouden te bestaan. Wanneer politieke sleutelbegrippen met de nodige handigheid en expertise worden aangewend, kunnen ze moeiteloos staan voor een realiteit die precies het tegenovergestelde betekent.

In dit taalspel zijn twee belangrijke krachten aan het werk. Er is, ten eerste, de wijdverspreide misvatting dat een fenomeen verklaard is van zodra men er een woord voor heeft. Dat woord moet dan, liefst, een gesofistikeerde bijklank hebben. Het moet jargonesk zijn, en zo de suggestie meetrekken dat achter het mooi klinkende woord een hele analyse schuilgaat. Het gebruik van dat woord presupponeert die analyse, en ontslaat de gebruiker van de plicht om de analyse over te doen. Wanneer men een nieuw probleem ontdekt, dan bestaat de eerste opdracht er in een lexicon en een retoriek te ontwikkelen waarmee over dit probleem kan gesproken worden. Het lexicon en de retoriek kunnen helemaal nieuw zijn, maar dit is geen noodzakelijke voorwaarde. Het nieuwe probleem kan ook ingekapseld worden in oude, reeds gekende taalpatronen. In beide gevallen suggereert men een vorm van vergelijkbaarheid. In het eerste geval suggereert men dat het probleem inderdaad nieuw is, en niet besproken kan worden aan de hand van geijkte termen en retorische patronen. In het tweede geval suggereert men dat het probleem vergelijkbaar is met andere fenomenen, en dus net zo goed kan besproken worden in termen van die andere fenomenen. In de recente geschiedenis kan men voor beide types voorbeelden vinden. Het migrantenvraagstuk is een voorbeeld van het eerste type, waarin een 'nieuwe' problematiek wordt ingekapseld in een nieuw retorisch kader, voorzien van nieuwe begrippen zoals integratie en tolerantie. Een voorbeeld van het tweede fenomeen is de uitbarsting van etnische conflicten na de val van het IJzeren Gordijn, die gretig wordt gevat binnen het aloude retorische kader van nationalisme, met kernbegrippen zoals volk, territorium, zelfbeschikking, enz.1

De tweede factor is die van ideologische neutralisering of normalisering. Hier belanden we bij de Bourdieuaanse idee dat de begrippen, standpunten en uitgangspunten van de leidende groepen binnen een samenleving systematisch worden voorgesteld als 'neutraal', 'gematigd', 'objectief', 'normaal' of 'vanzelfsprekend'. Aan dit statuut van normaliteit ontlenen zij hun macht. Ze worden de default mode om over bepaalde fenomenen of maatschappelijke ontwikkelingen te spreken, en krijgen zo het statuut van maatstaf waaraan andere begrippen, standpunten of uitgangspunten worden afgemeten. Afwijkende meningen bestempelt men als 'extreem' of 'radicaal', niet omdat ze dat in zichzelf meedragen, maar omdat ze afwijken van het ideologische nulpunt: de heersende, als consensusdragend voorgestelde, opvatting. Het is een open deur intrappen, je le sais, maar dit ideologische nulpunt, deze 'normale' versie van de feiten, is evident niet ideologisch neutraal. De heersende opvatting is precies dat: de opvatting van zij die heersen, en niet een optelsom van individuele opinies bij de 'gewone man' zoals bepaalde vormen van opinie-onderzoek ons willen doen geloven.2
 


Ik heb deze lange bocht genomen om duidelijk te maken waarom een analyse van politieke sleutelbegrippen geen vorm van filibusteren is. Het is, integendeel, een essentieel kritisch instrument, dat macht moet blootleggen in domeinen waaruit macht geëlideerd lijkt te zijn. Het komt erop aan de sleutelbegrippen te voorzien van een pragmatiek, d.w.z. hun gebruiksvormen aan te duiden samen met de maatschappelijke contexten waarin ze optreden. Het doelwit van de oefening die ik hier aanvat is het discours rond migranten -- een discours dat uitwaaiert naar bredere politieke themata zoals diversiteit, multiculturaliteit, en pluralisme. Binnen dit discours richt ik mij op één van de sleutelbegrippen: tolerantie, verdraagzaamheid. Tolerantie heeft, binnen de nieuwe retoriek over het migrantenvraagstuk, een buitengewoon mobiliserende kracht verworven. Het gaat door voor het tegendeel van 'racisme', dat in één adem wordt gelijkgeschakeld met 'intolerantie', 'onverdraagzaamheid'. Opkomen tegen racisme staat daardoor gelijk met opkomen voor 'méér verdraagzaamheid', en elke goedmenende organisatie in dit land, van jeugdhuizen tot en met de Vlaamse regering, beroept zich op 'tolerantie'.

Een uitvoerige kritiek van dit begrip is reeds eerder ondernomen.3 Onze voornaamste opmerkingen hierbij zijn als volgt samen te vatten. 'Tolerantie' is een begrip dat betrekking heeft op een individuele attitude. Het is een begrip dat slaat op de nobele individuele inborst van mensen, die ervoor zorgt dat zij -- op basis van welke criteria ook -- bepaalde dingen 'verdragen'. Wanneer men 'tolerantie' als tegendeel van 'racisme' gebruikt, dan associeert men racisme meteen ook met individuele opvattingen of attituden. Racisten zijn dan mensen die de bepaalde dingen waarvan sprake niet verdragen. Meteen wordt hieraan ook een morele evaluatie toegevoegd: tolerantie is goed, ruimdenkend en nobel, intolerantie is slecht, kleingeestig of kortzichtig. Aan de termen hangt tegelijkertijd een politieke categorisering: links en het centrum zijn tolerant, (extreem) rechts is intolerant. De individualisering van racisme via het contrasterende paar 'tolerantie-intolerantie' houdt een analyse van racisme in, waarbij racisme herleid wordt tot individuele, karakteriële eigenschappen van mensen. De maatschappij, of (om verouderde terminologie te gebruiken) het systeem wordt niet gezien als een producent van racisme. Racisten zijn stoute mensen, die weigeren dingen te verdragen die men met een beetje goeie wil best zou kunnen verdragen. De diepere politieke dimensies van racisme worden weggevlakt, en het is opvallend hoe zwak racisme als politiek fenomeen wordt omschreven.4  Politieke actieplannen tegen racisme benadrukken voortdurend de individuele, attitudinele kant van de zaak, en gebruiken een jargon dat aan de psychotherapie is ontleend: de mensen zijn angstig of onzeker, zij voelen zich uitgesloten, hebben geen greep meer op hun toestand of hun omgeving, zij ervaren een bedreiging vanwege de vreemdelingen, zij hebben het gevoel dat hun oude waarden niet meer afdoend zijn, enzovoort. Dat racisme wel eens iets zou kunnen te maken hebben met algemene politieke processen of met structurele kenmerken van ons type samenleving, wordt niet in aanmerking genomen.

Een tweede punt van kritiek raakte het feit dat 'tolerantie' uitsluitend slaat op de attituden van de autochtone bevolking. De tolerantie van de minderheden -- tolerantie voor aanhoudend racisme vanwege autochtonen bijvoorbeeld -- komt niet ter sprake. Het accent ligt duidelijk op de welmenende opstelling van groepen allochtonen. In de behandeling van racisme blijken niet de reacties van de minderheden, en evenmin hun ervaringen terzake centraal te staan. Wat belang heeft is het feit dat er, naast een grote groep racisten, ook een grote groep antiracisten onder de autochtonen blijkt te bestaan. Racisme lijkt m.a.w. een zaak onder autochtonen te zijn, met minderheden als passief, lijdend, voorwerp.

Een derde reeks opmerkingen betrof de semantiek van het begrip zelf. 'Tolerantie' is een passief begrip. Het vereist een lijdzame, passieve houding waarbij men de feiten ondergaat. Ik verdraag dat X op mijn tenen trapt, ik onderga dat en vind dat niet erg. Tolerantie is in deze context een tegendeel van veranderingsbereidheid. De feiten worden verdragen, maar er wordt niets ondernomen dat de status-quo zou kunnen doorbreken. Een ander aspect van de betekenis van tolerantie is de negatieve normatieve oriëntatie van de term. Men gaat ervan uit dat hetgeen men tolereert een overtreding is, stoort of fout is. Men 'verdraagt' geen prachtige muziek, men 'verdraagt' kattegejank. Het object van tolerantie -- in de context van migranten: het gedrag of de 'eigenheid' van de vreemdelingen -- wordt zo impliciet aangeduid als een storende, afwijkende factor.5 Daarmee wordt meteen een mooi analytisch kader geschetst: tolerantie is een compliment voor de autochtonen, die het afwijkend gedrag van de migranten omwille van hun ruimdenkendheid of nobele inborst verdragen. Alle positieve kwalificaties slaan op de autochtone, alle negatieve op de minderheden. De schuldige en de onschuldige zijn meteen geïdentificeerd. Daarbij komt nog dat men ervan uitgaat dat men bepaalde dingen niet hoeft te tolereren. Tolerantie is m.a.w. legitiem beperkt, het kan in bepaalde omstandigheden met recht en reden opgeheven worden. Wanneer het gedrag van de vreemdeling tè afwijkend is, dan wordt de tolerantiedrempel overschreden. Het is op dit punt dat klassieke uitspraken opduiken zoals "wij zijn geen racisten maar...", of "wij zijn tolerant maar niet ten koste van onze veiligheid", of "ik heb niets tegen migranten, maar teveel is teveel". De begrenzing van tolerantie schakelt de tolerantie niet uit, ze beperkt ze enkel. Maar ook beperkte tolerantie is tolerantie, en Fernand Huts kan zichzelf en zijn Antwerpenaars nog steeds zonder moeite als gastvrije, verdraagzame mensen bestempelen. Het is wellicht niet nodig om aan te stippen dat in deze retorische beweging het slachtoffer veroordeeld wordt zonder proces, en dat de grens boven dewelke tolerantie uitgeschakeld wordt willekeurig kan getrokken worden.

Tolerantie, zo luidde onze conclusie, is een schraal begrip vol heel intolerante suggesties, en hoegenaamd geen antwoord op racisme, uitsluiting en maatschappelijke marginalisering van minderheden. Het is een zoethoudertje dat de status-quo in stand houdt, van alle betrokkenheid vrijpleit, en bovendien een lekker gevoel verschaft aan zij die beroep doen op de kwalificatie 'tolerant'. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat mensen niet tolerant hoeven te zijn. Tolerantie is ongetwijfeld een schone individuele deugd, maar geen systematisch verweer tegen een maatschappelijk en politiek fenomeen. Zolang de samenleving, via haar politieke organen en instellingen, geen blijk geeft van 'tolerantie' -- in de zin van aanvaarding -- dan is de individuele tolerantie van de goedmenende autochtoon een doekje voor het bloeden.

Twee elementen uit het voorgaande verdienen een iets uitgebreider behandeling. In hetgeen volgt wil ik een denkoefening inzetten rond twee thema's: dat van het individualisme dat aan de grondslag ligt van het begrip tolerantie, en dat van de verhouding tussen tolerantie en een intuïtieve opvatting van 'vrije wil'. De twee punten zijn aan elkaar verwant, zoals zal blijken uit de uiteenzetting, maar ik meen de duidelijkheid van het betoog gebaat is bij een afzonderlijke bespreking. Beide punten zijn niet meer dan speculaties, en hebben geen andere bedoeling dan het suggereren van werkhypothesen die hopelijk door anderen kunnen worden onderzocht op hun validiteit.

 


De verwijzing van racisme naar het domein van de individuele attitudes is lang geen uitzonderlijk fenomeen. Het past in een ruimer kader van politieke verklaringen, waarbij maatschappelijke processen geïndividualiseerd worden. Werkloosheid wordt bijvoorbeeld in bepaalde middens zonder omwegen gezien als het gevolg van een individueel gebrek aan dynamisme, inzet of bereidheid tot werken. De oplossing voor werkloosheid wordt dan gezocht in de individuele aanpassing van de werkloze: hij/zij moet zich herscholen of bijscholen, moet nieuwe vaardigheden onder de knie krijgen, en zichzelf zo omvormen tot een aantrekkelijker product op de arbeidsmarkt. Het begrippenpaar 'werkgever-werknemer' is in het verleden vaak behandeld geworden als een illustratie van ideologisch gedetermineerd taalgebruik. Het is niet de ondernemer die 'werk/arbeid geeft', maar de arbeider die zijn 'werk/arbeid' aan de ondernemer 'geeft'. De ondernemer 'neemt' dat werk/arbeid. De interessante omkering van de arbeidsverhoudingen in het conventionele begrippenpaar wees dan op een neutralisering van de reële machtsverhoudingen in het alledaagse taalgebruik. Wat we nu zien, doorheen de individualisering van werkloosheid, is een nieuwe omkering van die relatie. De werkloze is nu de vragende partij, die zich moet aanbieden aan de ondernemer als een goed product. De ondernemer is hier ècht een 'werk-gever' geworden: degene die de mogelijkheid tot arbeid schenkt aan de meest biedende.

Hetzelfde proces ziet men aan het werk in domeinen zoals drugsverslaving, criminaliteit, enzovoort. De Amerikaanse 'boot camps', waarin drugscriminelen worden 'heropgevoed', zijn hiervan een extreme illustratie. De gevangenen -- in overweldigende meerderheid zwarten en leden van andere etnische minderheden -- krijgen er een zware opleiding, volkomen geënt op een militaire dril, compleet met militair uniform, pelotonsbanier, en "Sir, yes Sir!" aansprekingen. In de barakken heeft men slogans aangebracht van het type "No pain no gain", "Pain passes, pride stays". Het doel van deze opleiding is, in de woorden van de verantwoordelijken, ervoor te zorgen dat de gevangenen "zelfstandig leren denken", "nadenken vooraleer te beslissen", "zelfvertrouwen krijgen", "fier op zichzelf leren zijn" -- een zelfstandig individu worden, dat perfect past in het burgerlijke normatieve kader van de Amerikaanse samenleving. Dit tracht men, paradoxaal genoeg, te bereiken door elke vorm van eigen wil te breken door straffen en sancties voor 'afwijkend gedrag', een strakke hiërarchie op te leggen, en geen enkele vorm van individuele actie toe te laten. Ook het "zelfstandig denken" is van een merkwaardig allooi. Een instructeur vatte het zo samen: "We leren mensen zelfstandig denken, en we geven hen een denksysteem". Zelfstandig denken binnen een precies afgebakend, opgelegd kader, met andere woorden. De ideologische ondertoon is duidelijk: deze drugscriminelen zitten hier omwille van hun eigen individuele zwakheid, hun gebrek aan ruggegraat, hun gebrek aan "zelfstandig denken". Het is hùn eigen, persoonlijke schuld. De samenleving valt buiten schot. Meteen is ook de merkwaardige etnische en sociologische samenstelling van de doelgroep geneutraliseerd. Neen, dit zijn geen jongeren uit het getto of uit de barrio, dit zijn allemaal zwakke individuen. Het drugsprobleem is een individueel probleem geworden, en het maatschappelijke antwoord hierop bestaat in het heropvoeden van de betrokken individuen.

Het is mijn overtuiging dat racisme in hetzelfde kader moet geplaatst worden. Het wordt gevangen gezet in een retorisch en analytisch patroon waarin een individuele casuïstiek centraal staat. Het is net als armoede, werkloosheid, drugs, AIDS en andere kwalen een kwestie van slecht geïnformeerde, zwakke mensen, die leven binnen een nagenoeg perfect systeem en daarin a bloody nuisance zijn. Racisme wordt zo gedepolitiseerd, en belandt in het goed hanteerbare, onschuldige domein van de socio-culturele vorming en de psychotherapie. Men kan het dan hebben over de 'cultuur' van de vreemdeling, en niet over zijn rechten als burger.6 Ik weet zeker dat deze depolitisering een bijzonder genoegen doet aan politici, die maar wat graag steun verlenen aan symbolische en vormingsinitiatieven die harde politieke verhoudingen ongemoeid laten en ingrijpende politieke veranderingen overbodig maken.

 


In het proces van de individualisering van deze maatschappelijke domeinen lijkt zich nog een ander element te ontwikkelen: een betrekkelijk primitieve rationalisering van deze maatschappelijke verhoudingen, die gebaseerd is op een tegenstelling tussen 'het lot' en 'de vrije wil' van individuen.

Onze samenleving erkent talloze 'minderheden', soms gedefinieerd vanuit de basis (bijvoorbeeld homoseksuelen) en soms het product van een segregatie van bovenaf (bijvoorbeeld migranten), maar voorziet geen gelijke behandeling voor die verschillende minderheden. Voor sommige groepen bestaat er een consensus over het feit dat zij intrinsiek recht hebben op een inspanning vanwege de overheid, terwijl men bij andere groepen aanneemt dat zij de gevolgen van hun minderheidspositie maar zelf moeten dragen. Bepalend hierbij lijkt een onderscheid tussen 'minderheden omwille van het lot' en 'minderheden uit vrije wil'. De eerste categorie wordt beschouwd als een groep mensen die het ook niet kan helpen dat ze een maatschappelijk problematische positie bekleden. De tweede groep heeft blijkbaar voor die achterstelling gekozen.

Tot de eerste groep reken ik -- uit de losse pols en zonder enige aanspraak op exhaustiviteit -- vrouwen, gehandicapten, bejaarden en zieken. Zij zijn minderheden omwille van het lot, en zij hebben er niet zelf voor gekozen. Als gevolg daarvan hebben zij recht op steun vanwege de samenleving. Meer nog, onze samenleving ontleent een deel van haar gunstig zelfbeeld aan de faire behandeling van deze groepen. De emancipatie van de vrouwen is bijvoorbeeld een constante in opsommingen van de grote verwezenlijkingen van ons maatschappijmodel, en is steeds terug te vinden in de normatieve omschrijvingen van de criteria voor integratie van migranten. Daardoor onderscheidt onze samenleving zich van 'minder ontwikkelde', 'totalitaire' of 'achterlijke' samenlevingen. De verzorgende behandeling van bejaarden, gehandicapten en zieken valt onder de 'welvaartstaat' -- een begrip dat stilaan vervangen wordt door een 'sociaal gecorrigeerde vrije-markteconomie'. Het is een kwaliteit van onze samenleving, dat ze solidariteit met de zwakkeren heeft ingebed in haar structuren en instellingen. Zelfs al wordt de welvaartstaat thans uitgehold, toch blijft er een consensus bestaan dat 'er iets moet gedaan worden' voor bejaarden, gehandicapten en zieken.

De tweede categorie is minder goed af. Zij hebben zogezegd gekozen voor een positie in de marge, en verzaken daardoor aan een aantal gunsten van onze samenleving. Tot deze groep behoren (en niet enkel in een reactionair discours) de migranten, homoseksuelen, alternatieven (punkers, daklozen, ongehuwde moeders...) en meer en meer ook werklozen. Migranten hebben zelf gekozen voor hun minderheidspositie door het eenvoudige feit van hun migratie. Hun vertrek uit het thuisland, zo stelt men het voor, was een individuele wilsbeschikking, iets wat ze deden uit goesting. Daardoor moeten ze dan ook de gevolgen hiervan aanvaarden, en zich aanpassen. Door die nadruk op aanpassing als het logische gevolg van de beslissing tot migreren wordt ook de culturele eigenheid, incluis de godsdienstbeleving, van migranten een zaak van eigen wil. Men is Moslim omdat men dat wil, men kiest daarvoor. Wanneer men hierom gediscrimineerd wordt moet men niet komen klagen: men kan zich aanpassen. Homoseksuelen hebben klaarblijkelijk ook voor hun seksuele geaardheid gekozen. Deze opvatting reflecteert zich in courante uitdrukkingen zoals "seksuele voorkeur" -- een uitdrukking van bewuste keuze uit een reeks mogelijke alternatieven. Hetzelfde geldt voor alternatieven. Men kan leven zoals de rest, zich kleden zoals de rest, en doen zoals de rest, of men kan kiezen voor iets anders. In dat geval is men zelf schuldig aan de achterstellingspositie waarin men zich bevindt. Daklozen worden merkwaardig genoeg tot deze groep gerekend: men gaat ervan uit dat zij de straat opzoeken uit een romantische drang naar een clochard-ideaal.7  Werklozen zijn een categorie die verschoven is van 'marginalen omwille van het lot' naar 'marginalen uit vrije wil', en de manier waarop deze verschuiving gebeurt is hierboven al kort beschreven. "Als men echt wil werken, dan vindt men wel werk". Niets is dan ook erger dan een werkloze die op een werkaanbod weigert in te gaan. De motieven die hieraan ten grondslag liggen worden zelden in ogenschouw genomen. Dit soort weigering staat voor een weigering om te werken, in de algemene en abstracte zin, los van het type werk, de arbeidsvoorwaarden, enzovoort, die het werkaanbod inhield.

In de aanloop naar de verkiezingen van mei 1995, toen de VLD de greep op het verkiezingsdebat begon te verliezen, produceerde de partij een folder die het anti-sociale imago van de partij moest oppoetsen. In die folder beklemtoonde Guy Verhofstadt het feit dat de VLD geen enkele negatieve ingreep zou doen ten aanzien van "gepensioneerden, zieken, gehandicapten en echte werklozen". Deze categorieën komen merkwaardig goed overeen met diegene die ik heb aangeduid als 'minderheden omwille van het lot' -- incluis de verschuiving van de categorie werklozen, die zich uit in de kwalificatie 'echte' (versus 'onechte') werklozen -- en we speuren dan ook vergeefs naar andere categorieën: daklozen, ongehuwde moeders, migranten. Het sociale imago van de VLD is selectief, en de selectie berust kennelijk op een onderscheid tussen mensen die ècht recht hebben op sociale steun, en anderen die daar geen recht op hebben, ook al verkeren zij in een maatschappelijke achterstellingspositie.

Groepen die 'uit vrije wil' in de marge van de samenleving zitten (een merkwaardig inactieve metafoor trouwens) zijn het voorwerp van tolerantie. Het is voor hen dat het individu, en niet de samenleving, een groot hart moet opbrengen. De samenleving heeft haar taak vervuld van zodra zij de door het lot slecht bedeelden heeft verzorgd. Tolerantie geldt hier als omwegje en als excuus voor maatschappelijke verzorging. Het is aan de mensen om uit te maken of zij migranten, homo's, punkers, daklozen tolereren of niet. Doen zij dat, dan is dat zoveel te beter, doen zij dat niet, tant pis.

 


Beide punten zijn enkel historisch te verifiëren. Het zijn elementen van een veranderingsproces dat zich in onze samenleving en elders voltrekt, en het is enkel vanuit dit historisch perspectief dat men de verschuivende machtsverhoudingen kan ontdekken die dit proces begeleiden. Een grote tekortkoming van het huidige migrantendebat is het momentane, particularistische perspectief, dat de problematiek situeert in het hier en nu, ze isoleert van andere maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, en voorstelt als feit-op-zich, onbeïnvloed door bredere en diepere ontwikkelingen. Tolerantie, als tegendeel van veranderingsbereidheid, draagt ook dit momentane en particularistische cachet. Het wordt losgemaakt van de geleidelijke evolutie in onze samenleving, die iedereen in talloze domeinen van het dagelijks leven aanvoelt, en hangt er ergens boven, in een duidelijke niche die een eigen leven is gaan leiden. Ik betwijfel dan ook of 'tolerantie' een nuttig instrument is om het migrantenvraagstuk te dissecteren, omdat er teveel elementen van de ideologisch bepaalde probleemformulering en voorstellen tot oplossing in het begrip zelf vervat zitten.

 

_____________________________

Noten

1. Zie J. Blommaert & J. Verschueren, Het Belgische migrantendebat (Antwerpen 1992) voor het migrantenvraagstuk; voor nationalisme, zie o.a. Sigurd D'hondt, Nationalistische ideologie in twee Nederlandse dagbladen (Wilrijk 1994), J. Blommaert & J. Verschueren, "The role of language in European nationalist ideologies", Pragmatics 2/3 (1992): 355-375, id. "European concepts of nation-building", in P. McAllister & E. Wilmsen (eds.) The politics of difference (Chicago, in druk), J. Blommaert, "Nationalisme in Afrika: een poging tot terminologische verduidelijking", Vlaams Marxistisch Tijdschrift 29/2 (1995): 53-78, en de inleiding tot R. Detrez & J. Blommaert (eds.), Nationalisme: Kritische opstellen (Berchem 1994). Een behandeling van politieke sleutelbegrippen uit het moderne Vlaams nationalisme is te vinden in S. Slembrouck & J. Blommaert, "La construction politico-rhétorique d'une nation flamande", in A. Morelli (ed.) Les grands mythes de l'histoire de Belgique, de Flandre et de Wallonie (Brussel 1995): 263-280.

2. Het is mijn overtuiging dat naief opinie-onderzoek de machtsverhoudingen binnen een samenleving versluiert, elitaire opinies toeschrijft aan de man-in-de-straat en ze aldus legitimeert. Er bestaat geen 'publieke opinie' los van het spel van hegemonie, en in de structuur van de publieke opinie zou men minstens ook de aanbod-zijde moeten in aanmerking nemen, d.w.z. de vormen van autoritair discours die algemeen verspreide opinies scheppen en vorm geven. Zie J. Blommaert & J. Verschueren, "Taal en groepsverhoudingen: de pragmatiek van het migrantendebat", Tijdschrift voor Sociale Wetenschappen 40/1 (1995): 1-23.

3. Zie J. Blommaert & J. Verschueren, Antiracisme (Antwerpen 1994): 63-67. In een ruimer kader zijn ook de beschouwingen die Zygmunt Bauman aan dit begrip wijdt in Modernity and ambivalence (Cambridge 1991) zeer behartenswaardig.

4. Zie voor uitstekende analyses: R. Miles, Racism after Race Relations (London 1993), J. Solomos, Race and racism in Britain (2nd ed., London 1993), J. Rath, Minorisering: De sociale constructie van 'etnische minderheden' (Amsterdam 1991).

5. Als Gedankenspiel kan men eens proberen te spreken over deze kwesties met behulp van positief georiënteerde termen zoals 'genieten' of 'plezier'. Het zou iets heel anders zijn indien men zou kunnen zeggen: wij zijn niet tolerant tegenover migranten, wij genieten van en scheppen plezier in hun aanwezigheid.

6. Zie ook Phil Cohen, Monstrous images, perverse reasons. Cultural studies in anti-racist education (Centre for Multicultural Education, University of London, Working Paper no. 11, 1991) voor een kritiek.

7. Dat hier wel degelijk sprake is van een samenhangend domein kan worden geïllustreerd aan de hand van de hoofddoekaffaires. Een vaak gehoord argument hierbij is dat het dragen van een hoofddoek op dezelfde hoogte staat als de opvallende haartooi van punkers. Zie de uitspraak van Johan Leman, in J. Blommaert & J. Verschueren, Antiracisme: 77.

Gepubliceerd in Ruddy Doom (red)Tolerantie getolereerd: 13-19. Gent: Mys & Breesch, 1996.
[2011] J.Blommaert@uvt.nl

• CIE-INDEX • ARCHIEF • TEKSTEN/TEXT(E)S • eBOEKEN • LINKS • 

Web master Update: 29 oktober 2005