|
I. Secularisme
- een moeilijk begrip . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . .
klik |
|
II. Rechtsstaat en
secularisme . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . .
klik |
1. Secularisme als
consequentie van de godsdienstvrijheid . . . . . . . .
klik
2. Geen "postreligieuze"
laïcistische staatsideologie . . . . . . . . . . . . .
klik
3. Geen scheiding tussen
religie en politiek . . . . . . . . . . . . . . . .
. . .
klik
4. Geen
exclusief "westers-christelijk" civilisatiemodel . . . . . . .
. . . . .
klik
|
|
III. Mosliminterpretaties
van het politiek secularisme . . . . . . . . . . . . . . . . . .
klik |
1. Secularisme: verlies
van religieuze waarden? . . . . . . . . . . . . . . . . .
klik
2. De lekenstaat: de
oplossing voor een specifiek christelijk probleem?
klik
3.
Waardering van het secularisme vanuit een islamitisch perspectief:
de erfenis van Ali cAbd al-Raziq . . . . . . .
klik
|
|
IV. Conclusie . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . .
.
klik |
|
Literatuurlijst . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
.
klik |
|
Personalia . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . .
.
klik |
|
Noot van de vertaler . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . .
.
klik |
I. Secularisme - een moeilijk begrip.
In de Duitse Bondsrepubliek en de
overige West-Europese samenlevingen vormt de seculiere rechtsstaat, of
de lekenstaat, het politiek-institutionele kader waarbinnen moslims
leven en hun geloof belijden. Ten gevolge van minder of meer
recente immigratie vormt de islam in de meeste van deze landen de tweede
grootste religie[1].
Die situatie roept vragen op. Hoe staan moslims tegenover de lekenstaat?
Vormt hij voor gelovige moslims louter een kwaad dat zij omwille van de
getalsmatig massale superioriteit van de niet-moslims nolens volens
moeten aanvaarden? Of biedt het secularisme van de
politiek-juridische orde mogelijkheden voor het uittesten van nieuwe
vormen van islamitische zelforganisatie - zo mogelijk zelfs met effecten
buiten de diaspora, in de moslimlanden van herkomst? Ook in
omgekeerde richting, echter, stellen zich vragen. Is het, algemeen
gesproken, legitiem moslims te willen verplichten tot het secularisme
van de rechtsstaat? Is het geen vereiste van interreligieuze en
multiculturele tolerantie, voor moslims de optie open te houden dat zij
hun gemeenschappelijke aangelegenheden volgens het islamitische recht
zouden organiseren in plaats van naar het seculiere recht? Vormt
het secularisme niet op zijn beurt een soort van religieus of
postreligieus “geloof”, dat enkel verplichtend zou mogen zijn voor wie
zich vrijwillig tot dat geloof bekent?
Een antwoord op deze en dergelijke
vragen hangt af van wat we precies verstaan onder “secularisme”.
Méér nog dan andere politiek-juridische sleutelbegrippen roept het
begrip secularisme uiteenlopende, en zelfs
tegenstrijdige associaties op[2].
Het wordt begrepen: als een antireligieuze of postreligieuze ideologie;
als een specifiek westers-christelijke organisatievorm van de verhouding
tussen staat en religie; als een poging tot staatscontrole over de
godsdienstige gemeenschappen, of als een uitdrukking van respect voor de
godsdienstvrijheid van de mensen. Voeg daarbij dat zich ook binnen
de West-Europese staten - Frankrijk, Groot-Brittannië, Nederland, België,
Duitsland, Italië, Spanje... - zeer verschillende tradities hebben
gevormd van politiek-juridisch omgaan met godsdienst: in de context
daarvan wordt ook het secularisme iedere keer op een andere wijze
beklemtoond[3].
En het debat dreigt helemaal onoverzichtelijk te worden wanneer ook nog
eens verschillende wetenschappelijke disciplines - rechtswetenschap,
sociologie, theologie, filosofie - zich met hun visies op het
secularisme met elkaar confronteren[4].
Het doel van het hierna volgende opstel
bestaat er niet louter in, het begrip van het secularisme theoretisch te
verhelderen tegen een verwarrende veelheid aan interpretaties.
Veeleer streef ik tegelijkertijd en bij voorrang ook een
praktisch-politiek opzet na: het is er mij om te doen, het secularisme
van de rechtsstaat te verdedigen als een onmisbare voorwaarde
voor een politieke vormgeving van het religieus en levensbeschouwelijk
pluralisme, die georiënteerd is op de mensenrechten. Een dergelijke
verdediging kan in elk geval slechts dan overtuigen wanneer ze de
kritische vragen over het secularismeconcept ernstig neemt én aanpakt.
Mijn bijzondere belangstelling geldt de
mogelijkheid, de lekenstaat ook te waarderen vanuit moslimzijde. Ten
einde bij voorbaat een mogelijk misverstand te vermijden, weze duidelijk
gesteld dat ik zelf geen moslim ben, maar wel sedert vele jaren
regelmatig in dialoog treed met moslims. Met velen onder hen
voel ik mij politiek en gedeeltelijk ook persoonlijk verbonden; anderen
beschouw ik veeleer als politieke tegenstanders. Het voorliggende opstel
bevat oordelen en inzichten die ik gewonnen heb uit mijn gesprekken met
moslims. Die gesprekken zijn voor mij aanleiding geworden om over
de zin van het grondwettelijke secularisme grondig na te denken.
II. Rechtsstaat en Secularisme.
1. Secularisme als Consequentie van de
Godsdienstvrijheid.
Het secularisme van de rechtsstaat, zo luidt
mijn fundamentele stelling, is een consequentie van de mensenrechten in
het algemeen en van de godsdienstvrijheid in het bijzonder. Het
volgt noodzakelijk uit de normatieve gedachte dat de staat ermee belast is,
de godsdienstvrijheid als mensenrecht op een systematische manier
te realiseren. Om het in alle scherpte te stellen: er is geen
volledige realisatie mogelijk van de godsdienstvrijheid buiten de
rechtsorde van de lekenstaat. Wellicht lijkt deze these niet onmiddellijk
evident. Laat de godsdienstvrijheid zich soms ook niet realiseren
binnen een religieus gefundeerde rechtsorde? Kan ook een
christelijke of islamitische staat de religieuze vrijheid niet eerbiedigen?
Zijn er geen historische voorbeelden van een vreedzame coëxistentie
tussen uiteenlopende godsdienstgemeenschappen, bijvoorbeeld onder de
heerschappij van moslimsultans?
Toegegeven: de geschiedenis leert dat
religieuze tolerantie ook denkbaar is onder auspiciën van een religieuze
rechtsorde. Dat is in het bijzonder het geval voor de geschiedenis
van de islam: al heel vroeg heeft zij een traditie ontwikkeld van
tolerantie ten overstaan van andere monotheïstische
religies[5].
Godsdienstvrijheid evenwel als mensenrecht is een principe dat veel
verder gaat dan tolerantie, en ze mag er niet mee worden gelijkgesteld of
verwisseld. Net zoals alle mensenrechten vereist godsdienstvrijheid
gelijkberechtiging, d.w.z. het recht van iedere persoon op gelijke
zorg en respect[6],
terwijl tolerantie gerust kan samengaan met ongelijkheid. De
normatieve standaard die ingesteld is door godsdienstvrijheid als een
menselijk grondrecht, ware bijgevolg nog verre van ingelost met een
politiek van louter tolerantie ten aanzien van religieuze minderheden.
Daarbij komt nog dat de eis van
gelijkberechtiging zoals vervat in de mensenrechten niet beperkt blijft
tot de “voorpolitieke” sfeer van private activiteiten, maar dat ze de
politiek-juridische orde in haar totaliteit moet doordringen[7].
Mensenrechten markeren niet enkel een grens voor het staatsgeweld, maar ze
fungeren bovendien, naar de woorden van de Duitse grondwet,
“als grondslag voor elke menselijke gemeenschap”[8].
Ze vormen niet alleen de grens van legitiem staatsgeweld, die niet
mag overschreden worden, maar tegelijkertijd zijn zij de grondslag
voor de legitimiteit van de rechtsstaat. Die legitimiteit van de
democratie berust in laatste instantie op het feit dat ze in
overeenstemming is met het gelijkheidsprincipe van de mensenrechten in het
algemeen[9].
Uit dat principe volgt dat participatie in de politieke orde
gelijkelijk moet openstaan voor alle personen, welke ook hun
religieuze (of niet-religieuze) overtuiging en toebehorigheid mag zijn.
Dat is alleszins de normatieve eis die inherent is aan het moderne
begrip van godsdienstvrijheid, een eis die seculiere democratieën
verplicht zijn te realiseren - hoewel dient te worden toegegeven dat zij
nog in vele opzichten tekort schieten bij de consequente implementering
ervan.
Ter wille van de gelijkberechtiging
van alle mensen en uit respect voor hun verschillende overtuigingen is het
de rechtsstaat ontzegd, zich te vereenzelvigen met één bepaalde godsdienst
of levensbeschouwing, of die te verheffen tot normatieve basis van zijn
eigen orde. De rechtsstaat, bijgevolg - gehouden als hij is aan de
mensenrechten en de godsdienstvrijheid -, moet religieus en
levensbeschouwelijk “neutraal” zijn. Die
religieus-levensbeschouwelijke neutraliteit betekent geen algemene “waardeneutraliteit”;
en ze heeft ook niets van doen met een teloorgang van morele principes of
met een scepticisme tegen alle normen en waarden. Carl Schmitt zit er
volledig naast wanneer hij de levensbeschouwelijke neutraliteit van de
lekenstaat polemisch in verband brengt met de moderne “periode
van neutralisering” waarin religieuze en ethische vragen volgens hem
als maar meer aan betekenis verloren hebben[10].
Het tegendeel is waar: bij de religieus-levensbeschouwelijke
“neutraliteit” van de staat gaat het om een neutraliteit die
juridisch-ethisch opgelegd is. Uit achting voor de
religieuze of levensbeschouwelijke vrijheid van de mens beperkt de staat
zich ertoe, als “wereldlijk” gezag de voorwaarden te organiseren voor een
menswaardig samenleven. In dié zin is hij religieus en
levensbeschouwelijke neutraal en in zoverre is hij “seculier”.
Laten we een voorbeeld geven: de
Grondwet verkondigt de onaantastbare waardigheid van elke mens, en het is
de verplichting van elk staatsgezag die waardigheid te respecteren en te
beschermen[11].
Het blijft evenwel volledig open of het idee van menselijke waardigheid
afgeleid wordt uit het bijbelse motief van het geschapen-zijn van de mens
naar Gods evenbeeld; dan wel of men het begrijpt in het licht van de Koran
, als het geroepen-zijn van de mens tot stadhouder (khalîfa) van God op
aarde, dan wel of men het moet interpreteren vanuit humanistische
principes. Hierover kan, beter: hierover mag de staat geen
autoritaire uitspraak doen. Wanneer de staat zulke religieuze of
levensbeschouwelijke vragen open laat, dan gebeurt dat niet uit
onverschilligheid of scepsis, maar uit respect voor de vrijheid van
de mensen: ongeacht hun uiteenlopende overtuigingen moeten zij allen de
staat als hùn politieke gemeenschap kunnen beschouwen. De
“levensbeschouwelijke neutraliteit” van de lekenstaat heeft haar basis in
het mensenrecht op godsdienstvrijheid en ze toont daarmee dat ze het
tegendeel is van een sceptische “waardeneutraliteit”. Zij heeft zin
en verdient het verdedigd te worden. Ja, we kunnen ons politiek
tot haar bekennen, hoewel, dat wil zeggen: juist omdat de
lekenstaat van zijn burgers geen omvattende levensbeschouwelijke
overtuiging kan eisen.
2. Geen “postreligieuze” laïcistische staatsideologie.
Wil de lekenstaat “levensbeschouwelijk
neutraal” zijn, dan volgt daaruit dat het secularisme niet mag gestileerd
worden tot een quasi-religieuze of postreligieuze staatsideologie. De
politieke loyauteit die de rechtsstaat verlangt van zijn burgers, is niet
gericht op een omvattende trouw in gezindte. En ook het zich
bekennen tot het secularisme, waarvoor de staat kan pleiten (maar wat hij
finaal niet kan afdwingen), blijft als politieke belijdenis verre
verwijderd van een omvattende religieuze of levensbeschouwelijke
geloofsbelijdenis[12].
Het is ongetwijfeld waar: het
secularisme kan ideologisch opgeschroefd worden tot een
levensbeschouwelijk concept. Vooral in de 19de eeuw waren dergelijke
pretenties sterk aanwezig. Het secularisme werd dikwijls gepropageerd als
een quasi-religieuze, postreligieuze of antireligieuze Weltanschauung
die historisch superieur was aan de traditionele religies. De
“Secular Society”, gesticht in Londen in het midden van de 19de eeuw,
en de “Duitse Associatie voor Ethische Cultuur”, die enkele
decennia later werd opgericht, waren toegewijd aan een secularistisch
missioneringswerk dat in opzet en structuur vergelijkbaar was met dat van
de christelijke kerken[13].
Het feit dat de “Monistenbond”, een groepering van secularistisch
gezinde mensen die werden aangevoerd door Darwin’s vurige leerling Ernst
Haeckel, hun eigen “Monistische Zondagssermoenen” uitgaven, stelt
de quasi-religieuze aanspraken in het licht van deze alomvattende
secularistische Weltanschauung.
Een klassiek voorbeeld hiervan biedt
de positivistische geloofsbelijdenis van Auguste Comte, een van de
grondleggers van de sociologie. Comte formuleert zijn leer als een
soort van atheïstische religie, die hij “religie van de menselijkheid”
(religion de l’humanité) noemt[14].
Op de grondslag van de moderne wetenschap moeten de sociologen volgens
Comte als het ware een secularistische clerus vormen die aanspraak maakt
op een wereldwijde autoriteit. Hun opdracht bestaat erin als moderne
“priesters van de menselijkheid” de samenleving ideologisch te vormen
en voor dat doel de vooruitstrevende krachten in te schakelen van de
economie en de industriearbeiders. Staat en levensbeschouwing, die zich in
de crisis van de moderniteit van elkaar hebben losgemaakt, dienen volgens
Comte herenigd te worden, namelijk onder het postchristelijke,
trinitarische banier van “Orde, Liefde en
Vooruitgang”[15].
Deze nieuwe “sociocratische” synthese is niet minder gesloten is
dan de oude theocratische eenheid van staat en religie[16].
En zoals in de christelijke theocratie van de Middeleeuwen andere religies
bestreden werden, of hoogstens geduld in de marge van de samenleving, zo
geldt analoog ook voor Comte’s sociocratie dat zij haar ideologische
waarheidsaanspraken tegen alle concurrenten met politieke middelen tracht
door te zetten.
Een dergelijke secularistische
ideologie is radicaal tegengesteld aan het concept van het politieke of
constitutionele secularisme, want ze is gebaseerd op een technocratische
en autoritaire vooruitgangsideologie veeleer dan op mensenrechten en
godsdienstvrijheid. Ondanks al zijn progressieve retoriek, is Comte’s
post-religieuze ideologie uiteindelijk antiliberaal; ze is erop gericht de
“subversieve” mensenrechten te vervangen door een codex van universeel
bindende plichten en het individu te onderwerpen aan de eredienst van het
collectieve geheel van de mensheid[17].
Wanneer het levensbeschouwelijke secularisme
zich verbindt met de staatsmacht, leidt het finaal zelfs tot de
vernietiging van de op godsdienstvrijheid gefundeerde lekenstaat.
Vanuit het principe van de godsdienstvrijheid moet de seculiere
rechtsstaat er zich bijzonder voor hoeden, dat hij zich voor de kar zou
laten spannen van de doelstellingen van een wereldbeschouwelijk
secularisme of laïcisme.
Restanten van het 19de-eeuwse type van
vooruitgangsideologieën, met inbegrip van de ermee samenhangende vormen
van geïdeologiseerd
secularisme, blijven ondanks de crisis van het modernisme een
vooraanstaande rol spelen in hedendaagse debatten over religieuze kwesties
- in het bijzonder in debatten over de islam. In de sterk emotionele
conflicten die dezer dagen plaats vinden in Duitsland - bijvoorbeeld
over de bouw van “zichtbare” moskeeën, het verrichten van de publieke
oproep tot het gebed, het recht van vrouwelijke moslimleerkrachten op het
dragen van de hoofddoek, enz. - worden moslims typisch geconfronteerd met
het verwijt van achterlijkheid. Beleidsmakers, in deze context, die
gekant zijn tegen de verbreiding van de islam en zijn zichtbare symbolen
in een Europese samenleving, voeren dikwijls het secularisme van de staat
aan als een argument om de vraag voor een actieve participatie van moslims
in het openbare leven te verwerpen[18].
Ook het “project van de moderniteit” wordt gereïficeerd
tot een vooruitgangsideologisch civilisatiemodel en als zodanig
dichotomisch geopponeerd aan “voormoderne culturen” (waarmee dan
meestal de islam wordt bedoeld); het kan dan een onderdeel worden van een
retoriek van politieke uitsluiting[19].
Het is daarom van het grootste belang dat we
ons realiseren dat een dergelijke geïdeologiseerde
versie van het secularisme zich niet legitiem kan baseren op de principes
van een “liberale” constitutie. Het concept van de seculiere
rechtsstaat, als een afgeleide van de godsdienstvrijheid, is géén
postreligieuze levensbeschouwing waardoor traditionele religies - zoals
christendom of islam - zouden moeten vervangen worden. Het is er dit
secularisme niét om te doen, anders gezegd, de religieuze gemeenschappen
in de samenleving tot randfenomenen te verdringen, maar integendeel hen
veeleer de mogelijkheden te waarborgen voor hun vrije ontplooiing.
Het gaat erom, het pluralisme van de religieuze en levensbeschouwelijke
overtuigingen in de moderne samenleving op zulke wijze te structureren dat
de mogelijkheid geschapen wordt voor de vrijheid en gelijkberechtiging van
alle mensen, over religieuze en ideologische grenzen heen. Het
secularisme, bijgevolg, dat gefundeerd is op het mensenrecht op
godsdienstvrijheid, is precies het tegendeel van elke bevoogdende
staatsideologie, het tegendeel van een ideologisch laïcisme.
3. Geen Scheiding tussen Religie
en Politiek.
Dat in een moderne democratie religie en
politiek van elkaar zouden moeten gescheiden zijn, is een politieke
gemeenplaats waarvan de betekenis zelden of nooit kritisch onderzocht
wordt. Bij nader toezien, echter, blijkt dat de formule van
“scheiding tussen religie en politiek” op zijn minst blijk geeft van
een gemis aan precisie. Letterlijk geïnterpreteerd,
zou deze slogan zelfs de weg kunnen effenen voor een secularistisch
autoritarisme dat het tegendeel zou zijn van het democratische concept van
de lekenstaat.
Godsdienstvrijheid als mensenrecht is
niét beperkt tot het waarborgen van de vrijheid van elk individu op zijn
of haar persoonlijk geloof en zijn of haar persoonlijk
belijden ervan: daar bovenop omvat ze ook het recht van religieuze
gemeenschappen om zichzelf te organiseren vrij van staatsinmenging, en
tenslotte geeft ze hun ook het recht om te participeren in de
maatschappelijke debatten[20].
Dat religieuze gemeenschappen zich in de openbaarheid kunnen uitspreken
over politieke kwesties, is niet alleen verenigbaar met politiek
secularisme, maar het is ook een rechtstreeks gevolg van het principe zelf
waarop dit secularisme, als een democratisch concept, gebaseerd is.
Indien we ervan uitgaan dat in een moderne democratie de openbaarheid de
ruimte is waar het politieke gebeuren thuis hoort, dan moeten we
concluderen dat religieuze gemeenschappen, in zoverre ze erkend worden als
een deel van het openbare leven van een samenleving, ook kunnen deelnemen
aan de politiek[21].
Het secularisme van de rechtsstaat,
bijgevolg, vereist niet de scheiding tussen religie en politiek, maar
vereist het institutionele onderscheid tussen de religieuze gemeenschappen
en de staat. Dat onderscheid is van heel groot belang. Wie in naam
van de seculariteit de scheiding eist tussen religie en politiek, kan
eventueel pleiten voor een marginalisering van de religie, waarvan
sommigen wensen dat ze volledig verbannen wordt uit de publieke sfeer.
Een dergelijke autoritair-laïcistische
politiek van controle is strijdig met de godsdienstvrijheid als
mensenrecht en dus ook met het democratische concept van het politieke
secularisme.
De duidelijke institutionele scheiding
tussen de staat en de religieuze gemeenschappen heeft een bevrijdend
effect voor beide zijden. Ze behoedt de religieuze gemeenschappen
voor ongewenste vormen van staatsinmenging in hun interne aangelegenheden,
en tegelijkertijd creëert ze de mogelijkheid dat mensen ongeacht hun
religieuze toebehorigheid kunnen genieten van gelijke rechten en van een
gelijk statuut als burgers[22].
Op basis van hun wederzijdse onafhankelijkheid kunnen religieuze
gemeenschappen en de staat ook vormen van vrije samenwerking
aangaan. Hun institutionele scheiding betekent geen totale afwezigheid van
relaties. Alleszins zijn concrete samenwerkingsverbanden tussen beide
zijden slechts met de godsdienstvrijheid verenigbaar op voorwaarde dat de
coöperatie niet leidt tot de privilegiëring resp. discriminatie van
bepaalde religieuze groepen. Het principe van de
religieus-levensbeschouwelijke neutraliteit van de staat moet dus
gevrijwaard blijven. In de Duitse Bondsrepubliek werden, ondanks de
afwezigheid van een “staatsreligie”[23],
tal van samenwerkingsverbanden tussen de staat en de Kerken ontwikkeld op
vele gebieden van het maatschappelijke leven - te beginnen met de
staatsfinanciering van christelijke hospitalen, over theologische
leerstoelen aan staatsuniversiteiten, tot de erkenning van de kerken als
genootschappen van publiek recht. Deze traditie van hechte
samenwerking blijft nog steeds van kracht. Moslimse religieuze
gemeenschappen, evenwel, zijn in Duitsland tot nu toe grotendeels
uitgesloten gebleven van deze samenwerking - hoewel zij vanuit
grondwettelijk oogpunt dezelfde aanspraken kunnen doen gelden als de
christelijke kerken. Moslimorganisaties hebben daarom besloten
politieke en juridische middelen aan te wenden ten einde te strijden voor
een gelijke behandeling. In het licht van de nieuwe multireligieuze
realiteit dienen de samenwerkingsstructuren die tussen staat en Kerk
gegroeid zijn, ongetwijfeld kritisch opnieuw bekeken te worden. Die
noodzakelijke revisie, echter, mag geen aanleiding zijn voor een “kaalslag”;
zij moet er integendeel toe leiden dat overlegd wordt hoe ondersteuning
van staatswege op rechtvaardige wijze ook aan niet-christelijke religieuze
gemeenschappen ten goede kan komen.
4. Geen Exclusief
“Westers-Christelijk” Civilisatiemodel.
Seculiere politieke constituties
werden voor het eerst ingesteld in Noord-Amerika en West-Europa. Als
historisch feit laat dit zich moeilijk bestrijden. Wel stelt zich de vraag,
hoe we dit historische feit interpreteren. Volgt daaruit dat de
constitutionele seculariteit een exclusief erfgoed is van het Avondland?
Is de lekenstaat het min of meer “organische” resultaat van een specifiek
westerse culturele ontwikkeling, die kan nagetrokken worden tot ver in het
verleden: de Protestantse Reformatie, de middeleeuwse Investituurstrijd
tussen Imperium en Sacerdotium, en misschien zelfs tot aan Jezus’ woorden:
“Geef dan den Keizer dat des Keizers is, en Gode dat Gods is”?[24]
De meest prominente vertegenwoordiger
vandaag van een dergelijke cultureel essentialistische kijk op het
secularisme is Samuel Huntington, die bekendheid heeft verworven door zijn
omstreden thesis over de dreigende “botsing der beschavingen” (clash of
civilizations). In Huntington’s geopolitiek landschap vormt de
scheiding tussen de kerk (of andere religieuze gemeenschappen) en de staat
een exclusief kenmerk van de westerse civilisatie; zij wordt er naar haar
wezen zelf door onderscheiden van alle andere civilisaties, en in het
bijzonder van de islam[25].
Wie echter de institutionele scheiding
tussen religie en staat afschildert als een exclusieve erfenis van het
christelijke Westen, begaat twee fundamentele fouten. Ten eerste
doet hij de langdurige politieke conflicten die nodig waren om de
seculiere staat te realiseren, volledig uit het gezichtsveld verdwijnen.
Men heeft bijvoorbeeld grotendeels vergeten dat de Katholieke Kerk de
godsdienstvrijheid na lange innerlijke tweestrijd pas officieel erkend
heeft na Wereldoorlog II, d.w.z. op het Tweede Vaticaanse Concilie,
1962-1965[26].
Jezus’ woorden,“Geef dan den Keizer dat des Keizers is, en Gode dat
Gods is”, die vertegenwoordigers van de christelijke Kerken vandaag
dienstig maken voor een theologische rechtvaardiging van de lekenstaat,
vormen niét zoiets als de religieus-culturele “wortel” van waaruit zich in
de loop van ongeveer tweeduizend jaar de seculiere staat min of meer
“organisch” ontwikkeld heeft. Het is veeleer net omgekeerd: pas moderne
ontwikkelingen zoals de mensenrechten en de godsdienstvrijheid leveren het
hermeneutisch standpunt van waaruit retrospectief religieuze en
culturele elementen van continuïteit
met de christelijke traditie kunnen gereconstrueerd worden, over de
historische breukmomenten heen[27].
Met andere woorden: het is zeker mogelijk, de lekenstaat vanuit een modern
christelijk perspectief theologisch positief te waarderen. Op geen enkele
wijze, echter, mag zulk een theologische waardering leiden naar een
“gedoopte versie” van het politieke secularisme dat daarmee zelf omgevormd
wordt tot een inherent onderdeel van exclusief “christelijke waarden” -
iets wat maar al te vaak gebeurt[28].
Het beperken van de lekenstaat tot een
exclusief erfgoed van het christelijke Avondland betekent bovendien - en
dat is het tweede fundamentele probleem - dat men daardoor aan mensen met
een niet-westerse achtergrond of een niet-christelijke oriëntatie (en in
het bijzonder aan moslims) van voren af aan de mogelijkheid ontzegt het
secularisme te verstaan en te waarderen in het licht van hun eigen
religieuze en culturele tradities. De wijd verspreide eis, dat
moslims de lekenstaat zouden moeten erkennen, verwordt daarmee onderhands
tot de verwachting dat zij zich ten minste cultureel zouden “bekeren”
tot een aantal zogenaamde “christelijke” waarden. Het mag ons niet
verwonderen dat moslims dergelijke verwachting afwijzen.
Ter wille van de vrijheid en gelijke
participatie van alle burgers in een multiculturele en multireligieuze
samenleving moet de rechtsstaat eraan verzaken zijn politieke
basisprincipes à la Huntington te
propageren als het exclusieve erfgoed van de westers-christelijke
beschaving. Het systematische inzicht dat ten grondslag ligt aan het
democratische begrip van de lekenstaat, namelijk dat van respectvolle
niet-vereenzelviging met een particuliere religie, zou daardoor zijn
kritische kracht verliezen. Het feit dat het politieke secularisme
historisch voor het eerst in Noord-Amerika en West-Europa ontwikkeld werd,
staat weliswaar buiten kijf. Het mag er ons echter niet toe
misleiden - in een soort van cultureel, religieus of historisch
exclusivisme -, de geldigheid van het lekenstaatmodel te beperken tot de
westerse civilisatie of cultuur. Integendeel, het laat zich
argumenteren dat het secularisme van de rechtsstaat, als democratisch
grondwettelijk principe voor de religieus en cultureel pluralistische
samenlevingen van de moderniteit, sedert lang buiten het “Westen”
betekenis heeft gekregen. Het zou politiek onverantwoord zijn dit
principe te ondermijnen door culturele erfenistwisten.
DEEL 2
NOTEN:
[1] Cf.
bijvoorbeeld Steven Vertovec en Ceri Peach (edd.),
Islam in Europe.
The Politics of Religion and Community
(London: MacMillan, 1997); Gerd Nonneman, Tim Niblock, Bogdan Szajkowski
(edd.), Muslim Communities in the New Europe (Berkshire: Ithaca
Press, 1997).
[2] Zie
Hermann Lübbe, Säkularisierung. Geschichte eines
ideenpolitischen Begriffs (Freiburg i.Br./München: Alber, 1965). Het
lijkt een probleem te zijn dat vele bijdragen die gewijd worden aan de
kwestie van de compatibiliteit tussen islamitische normen en het
secularisme nalaten een interpretatie te geven van het
politiek-juridisch secularisme.
[3] Zie Richard
Potz, Die Religionsfreiheit in Staaten mit westlich-christlicher
Tradition, in: Johannes Schwartländer (ed.), Freiheit der
Religion. Christentum und Islam unter dem Anspruch der
Menschenrechte (Mainz: Grünewald, 1993), pp.
119-134. [Cf. W.A.R.Shadid &
P.S.van Koningsveld, Religious Freedom and the Position of Islam in
Western Europe. Opportunities and Obstacles in the Acquisition of
Equal Rights (Kampen: Kok Pharos, 1995), pp. 7-22]
[4] Zie
Gerhard Dilcher/Ilse Staff (edd.), Christentum und modernes Recht.
Beiträge zum Problem der Säkularisierung (Frankfurt a.M.: Suhrkamp,
1984).
[5] Vergelijk
Adel Theodor Khoury, Toleranz im Islam (Mainz: Grünewald/München:
Kaiser, 1980); ook Ann Elizabeth Mayer, Islam
and Human Rights. Tradition
and Politics (Boulder: Westview Press, 1991),
p. 148: “de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat de moslimwereld,
wanneer beoordeeld met de toenmalige standaarden, over het algemeen een
veel grotere tolerantie en menselijkheid betoonde in zijn behandeling
van religieuze minderheden dan het christelijke Westen” (vert.
HdL).
[6] Zie
Ronald Dworkin, Taking Rights Seriously (Cambridge, Mass.:
Harvard UP, 1977), pp. 272-273: “Government
must not only treat people with concern and respect, but with equal
concern and respect”.
[7] Vergelijk
Heiner Bielefeldt, Philosophie der Menschenrechte. Grundlagen
eines weltweiten Freiheitsethos (Darmstadt: Wissenschaftliche
Buchgesellschaft, 1998), p. 87vv., p. 102vv.
[10] Vergelijk
Carl Schmitt, Der Begriff des Politischen. Tekst van 1932
met een Woord Vooraf en drie Corrolarien (Berlin: Duncker &
Humblot, 1963), p. 79.
[11] Duitse
Grondwet, Art. 1 § 1.
[12] Het is
misschien nuttig om in deze context te verwijzen naar het door John
Rawls voorgestelde onderscheid tussen het “liberale concept van
politieke rechtvaardigheid” en “alomvattende doctrines”, zie
zijn Political Liberalism (New York: Columbia UP, 1993).
Politiek secularisme, zo luidt mijn stelling, maakt deel uit van het
“liberale” rechtsbegrip, maar het mag niet, zoals vaak gebeurt,
omgevormd worden tot een alomvattende doctrine.
[13] Cf.
Hermann Lübbe, op.cit., p.
42vv.
[14] Voor
wat volgt, zie Auguste Comte, Système
de Politique Positive ou Traité de Sociologie, Instituant la Religion de
l’Humanité.
3 volumes (herdruk van de uitgave van 1851,
Osnabrück: Otto Zeller, 1967), vol.
1, pp. 321-399.
[15] Cf.
Auguste Comte, Système
de Politique Positive ou Traité de Sociologie, Instituant la Religion de
l’Humanité
(herdruk van de 1851 uitgave, Osnabrück: Otto Zeller, 1967), vol. 1, pp.
321-399.
[16] Comtes
nieuwe seculiere geloof reflecteerde op zijn manier ook het
“theocratisch” ideaal van de Franse Katholieke contra-revolutie.
Comte betoonde respect en bewondering voor dat ideaal, hoewel hij er
tegelijkertijd naar streefde het katholicisme en de traditionele religie
in het algemeen voorbij te streven. Zie op.cit., vol.
3, p. 605.
[17] Comte,
op.cit., vol. 1, pp. 363 vv.; vol. 3, p.
601.
[18] Een
voorbeeld: de voorzitter van de federale veiligheidsdienst (Bundesambt
für Verfassungsschutz), Peter Frisch, heeft Turkse ouders ertoe
opgeroepen, hun dochters zonder hoofddoek naar school te sturen; zijns
inziens wees die islamitische hoofddoek op een gebrek aan bereidheid om
zich te integreren in de seculiere maatschappijordening. Cf.
de Süddeutsche Zeitung, 14 april, 1997.
[19] Een
typisch voorbeeld van zulke uitsluitingsretoriek levert Bassam Tibi,
Im Schatten Allahs. Der Islam und die Menschenrechte (München/Zürich:
Piper 1994), p. 48: “Wegens het domineren, in de politieke cultuur
van de islam, van voormoderne waarden en normen, ontstaat er een
conflict tussen de islam en het moderne begrip van de mensenrechten, en
bijgevolg een conflict tussen de islamitische en de westelijke
civilisatie” (vertaling HdL).
[20] Cf.
Gerhard Luf, “Die religiöse Freiheit und der Rechtscharakter der
Menschenrechte”, in: Joh.
Schwartländer (ed.), Freiheit der Religion.
Christentum und Islam unter dem Anspruch der Menschenrechte (Mainz:
Grünewald, 1993), pp. 72-92.
[21] Cf.
José Casanova, Public Religions in the Modern World (Chicago:
University of Chicago Press, 1994).
[22] Cf.
José Casanova, “Chancen und Gefahren öffentlicher Religion. Ost-
und West-Europa im Vergleich”, in: Otto Kallscheuer (ed.),
Das Europa der Religionen.
Ein Kontinent zwischen Säkularisierung und
Fundamentalismus (Frankfurt a.M.: Fischer,
1996), pp. 181-210, hier p. 189.
[23] De formele
institutionele scheiding tussen de staat en de christelijke kerken werd
van kracht met de Weimar Constitutie, na Wereldoorlog I.
[24] Mattheus,
22:21 (Nederlandse vertaling van het Britsche en Buitenlandsche
Bijbelgenootschap, London 1922).
[25] Cf. Samuel P.Huntington, The Clash of Civilizations and the Remaking of
World Order (New York: Simon & Schuster, 1996), pp.
42vv.
[26] Cf.
Konrad Hilpert, Die Menschenrechte. Geschichte - Theologie -
Aktualität (Düsseldorf: Patmos, 1991), p. 147.
[27] Cf.
Heiner Bielefeldt, “‘Western’ Versus ‘Islamic’ Human Rights
Conceptions? A Critique of Cultural Essentialism in the Debate on
Human Rights”, in: Political Theory, vol.
28.1 (February 2000), pp. 90-121.
[28] Een
voorbeeld van deze wijd verspreide neiging is het artikel van the Duitse
protestantse theoloog, Wolfgang Pannenberg, “Civil Religion?
Religionsfreiheit und pluralistischer staat: Das theologische Fundament
der Gesellschaft”, in: Peter Koslowski (ed.),
Die religiöse Dimension der Gesellschaft. Religion und ihre Theorien
(Tübingen: Mohr-Siebeck, 1985), pp. 63-75.