Antieke Wijsbegeerte: van Thales tot Augustinus.
Een syllabus
door Herman De Ley (© 2009)

• 1ba-INDEX • Syllabi-Index • CIE-INDEX •

HOOFDSTUK 4:

Sokrates: "Leven en Sterven

voor de Filosofie" *

Sokrates




Inhoud:

1.: Wiens Sokrates?

1. Inleiding
2. Sokratische "representaties"
3. De platoonse Sokrates

2.: De sokratische filosoof

1. Inleiding
2. Sokrates' veroordeling
3. De "Apologie van Sokrates"
4. Het Orakel van Delphi
5. De "Zeven Wijzen"
6. De sokratische sophía

3.: Sokratisch filosoferen

1. Inleiding
2. Elenchos
3. Wezensdefinities
4. Sokratische waarheden
5. De sokratische religiositeit

Epiloog

Literatuurlijst

Noten



1. Wiens Sokrates?


1.1.  Inleiding

Laat ik starten met twee "anonieme" citaten.

Citaat A:

"Voor wie zich niet laat overreden, moge de volgende wet van toepassing zijn betreffende de goddeloosheid (asébeia).

Als iemand zich aan goddeloosheid schuldig maakt, hetzij in woorden hetzij in daden, zal wie er toevallig in contact mee komt, de verdediging opnemen door aangifte te doen van het feit bij de archonten. De magistraten die er het eerst van in kennis worden gesteld, zullen de beklaagde overeenkomstig de wetten voor de rechtbank brengen... Er zullen véle soorten van zulke lui bestaan... De ironische soort (to eironikón eîdos), evenwel, bedrijft fouten die - méér dan één- of tweemaal - de dood verdienen".

Aldus een 4de-eeuws, Atheens auteur die ik voorlopig anoniem laat zijn. Van dezelfde auteur lezen we in een andere tekst:

Citaat B:

"De éne voorzorgsmaatregel is er een massa andere waard, namelijk dat men niet laat proeven van argumentaties (lógoi), zolang zij nog jong zijn. Ge zult zelf ook al opgemerkt hebben, denk ik, dat jongelui, als ze voor de eerste maal van argumentaties geproefd hebben, daarvan een soort van spel maken en gebruiken voor antilogiek. Naar het voorbeeld van de anderen die hén weerleggen, gaan ook zij weer anderen weerleggen, en ze scheppen er plezier in om, net als puppies, met hun argumentaties te trekken en plukharen aan al wie maar in hun buurt komt".

Het B-citaat volgt, in de betreffende tekst, op een eerdere vaststelling, namelijk dat

"wij allemaal van jongs af... bepaalde opvattingen hebben meegekregen over wat rechtvaardig en schoon is. Met die leuzen zijn we grootgebracht als onder de hoede van ouders".

Hoewel er, zo wordt opgemerkt, ook tegenovergestelde opvattingen bestaan, die "het genot huldigen", laat iemand die aldus is grootgebracht, zich door die laatste normalerwijze toch niet beïnvloeden,

"neen, zo iemand houdt de bovengenoemde vaderlijke leuzen in ere en gehoorzaamt dààraan... Maar wàt, wanneer zo iemand geconfronteerd wordt met de vraag, 'Wat is het schone?'... En wanneer zijn antwoord, dat herhaalt wat hij van de wetgever heeft gehoord, door de argumentatie (lógos) weerlegd wordt en kéér op kéér, met velerlei argumenten, weerlegd wordt, zodat hij gaat geloven dat dat schone evengoed schandelijk als schoon is; en dat het hem evenzo vergaat voor het rechtvaardige en het goede en voor alles wat hij tot dan toe bovenal in ere placht te houden? Denkt ge dat zo een mens voor al die dingen nog evenveel eerbied en ontzag zal hebben als tevoren?"

Dààrom, dus, het hoger geciteerde "advies".

De twee passussen zouden perfect dienst kunnen doen als een veroordeling van het optreden van Sokrates, en vooral als een motivering of justificatie voor diens vervolging en terdoodveroordeling, in 399. De aanklacht, immers, die toen tegen Sokrates werd ingediend - door de tragicus Meletos, de retor Lukoon en de leerlooier-politicus Anutos -, betrof precies de twee thema's die bekritiseerd worden in citaten A en B, :

1) dat van de "asebie": cf. Sokrates werd beschuldigd van "het niet erkennen van de goden die de polis erkent, en het introduceren van andere, nieuwe goden (daimónia)"[1];

2) dat van het "gevaar" van het - voortijdig en onvoorbereid - in-contact-brengen van jongeren met de dialectiek en elenchos, en wel voor het door hun opvoeding meegegeven traditioneel waardebesef: cf. Sokrates werd er, tweedens, van beschuldigd, "de jongeren te corrumperen"[2].

Bovendien, wat in Sokrates' optreden bovenal als typisch "sokratisch" werd ervaren door zijn gesprekspartners, en wat vaak ook steen des aanstoots was[3], dat was natuurlijk zijn "ironie" (eironeía), of zijn "veinzen van onwetendheid" - en daarop wordt uitdrukkelijk gealludeerd in citaat A.

Zoals dus gezegd, de twee citaten zouden perfect dienst kunnen doen, beter: lijken zelfs bedoeld, als rechtvaardiging voor Sokrates' vervolging door de Atheense dêmos..., wàre het niet dat het gaat om teksten van de hand van een auteur wiens gehele oeuvre juist bedoeld lijkt om Sokrates' nagedachtenis te éren en hem te verdedigen tégen de Atheense democratie, namelijk Platoon[4].


1.2. Sokratische "Representaties".

De paradox - want van een "paradox" mag hier toch wel gesproken worden - wordt er alleen maar groter op, als we bedenken dat ons Sokratesbeeld, vandaag, omzeggens volledig gebaseerd is op (teksten van) dezelfde Platoon.

Dat geldt zowel voor ons historisch als voor ons filosofisch Sokratesbeeld. Wat het eerste betreft, in afwezigheid van eigen teksten van Sokrates[5], is wat we weten, juister: menen te weten, over diens leven, optreden en veroordeling, in de eerste plaats gebaseerd op Platoons "Apologie van Sokrates" en op diens "vroege" of "sokratische" dialogen.

Weliswaar hebben we ook een "Apologie" van de hand van de Atheense militair-literator, Xenophoon - zij het dat Xenophoon niet pretendeert de rechtstreekse woorden van Sokrates weer te geven[6]. In de filologisch-historische literatuur is er dan ook al veel gediscussieerd over de chronologische verhouding tussen de platoonse en de xenophontische Apologie. M.i. lijkt het onmiskenbaar dat de laatstgenoemde ook de jongste is:

- Xenophoon, zoals bekend, bevond zich tijdens het proces in Klein-Azië, waar hij als huurling diende onder de Perzische troonpretendent, Kuros, die Athene vijandig gezind was; daarop aansluitend door de Atheners veroordeeld tot ballingschap, zou Xenophoon pas meer dan 30 jaar later naar Athene terugkeren;

- bovenal: Xenophoon herneemt, in getrivialiseerde vorm, een aantal elementen van de platoonse Apologie, die alleen dààr volledig tot hun recht komen (bv. het orakel en de verwijzing naar de Griekse held, Palamedes).

Wat de "filosofische" Sokrates betreft: Sokrates' grote en langdurige filosofische werking[7] - en dus ook zijn filosofische betekenis voor ons, vandaag - berust uitsluitend op, en is slechts verklaarbaar vanuit, de manier waarop zijn optreden literair uitgebeeld is in de dialogen van Platoon[8].

Het gemaakte onderscheid mag natuurlijk niet begrepen worden als een onderscheid tussen de "historische Sokrates" - "wie er eigentlich gewesen ist" - en de "literaire" (bv. platoonse, xenophontische, enz.). De historische Sokrates, immers, is voor ons onbereikbaar. We moeten het stellen met de historiciteit van "representaties", d.w.z. van Sokratesbeelden, zoals zij in de bewaarde Griekse teksten geconstrueerd zijn[9].

Wat betekent dat concreet, wat de platoonse Apologie van Sokrates betreft? Binnen de hedendaagse literatuur luidt de gevestigde, quasi communis opinio omtrent dit literaire meesterwerk:

1) dat deze tekst weliswaar niet woordelijk maar toch "naar inhoud en geest" een betrekkelijk betrouwbare weergave is van wat Sokrates betoogd heeft op zijn proces - of althans: van wat Platoon zich daarvan herinnerde, in afwezigheid van procesnotities[10], en dat hij vervolgens literair en artistiek (retorisch) heeft vorm gegeven [11];

2) dat de gegevens die door Sokrates naar voren worden gebracht, bijgevolg als historisch moeten beschouwd worden.

Eén van de argumenten die hiervoor is gebruikt (voor het eerst door Charles Kahn), berust op het aparte statuut van de tekst binnen het platoonse oeuvre: het gaat (vermoedelijk) niét om een "sokratikós lógos", het nieuwe genre dat ontwikkeld was door Sokrates' leerlingen en dat, zoals Platoons eigen Dialogen, heel soepel kon omspringen met de historische gegevens, maar in tegendeel om de weergave van een redevoering of gerechtspleidooi, waarvan alleszins de oorspronkelijke (niet-platoonse) versie was opgesteld of alleszins uitgesproken naar aanleiding van een reëel én publiek gebeuren: het tegen Sokrates gevoerde proces, in aanwezigheid van véle honderden Atheners.

In die visie is de Apologie dus een quasi historisch document, in de dubbele zin van het woord. Daartegenover wil ik hier de opvatting vertolken dat de platoonse Apologie alleréérst een literair-filosofische tekst is, d.w.z. een creatie waarin de auteur, Platoon, met literaire middelen een filosofische visie, d.w.z. een visie op de "filosofie" (φιλοσοφία)[12] heeft willen construeren[13]. Zoals verder nog zal herhaald worden, kan de Apologie nog het best beschouwd worden als een soort van funderingsmythe van de filosofie, in ideologische betekenis enigszins vergelijkbaar met de betekenis van de (canonieke) evangelieverhalen over Jezus van Nazareth voor de latere christenheid[14].

De fameuze "Sokratische Kwestie", bijgevolg, d.w.z. de vraag, wié van onze drie (vier) getuigen uit de klassieke periode: Aristophanes, Platoon of Xenophoon (eventueel ook Aristoteles), de "ware", historische Sokrates brengt, kan hier terzijde worden gelaten. Vanuit de gekozen optiek, gaat het in alle drie (vier) van de gevallen, zoals gezegd, per definitie om "representaties". Een keuze voor de "platoonse" Sokrates berust niet op historische, maar veeleer op literaire en filosofische gronden.


1.3. De Platoonse Sokrates.

Eens we Platoons Sokratesbeeld gekozen hebben, moeten we er ons goed van bewust zijn dat we, in Platoons teksten, inderdààd te doen hebben met een platoonse Sokrates, d.w.z. met een "platonisering", en dus "simplifiëring", van een complexe, om niet te zeggen contradictorische en paradoxale persoonlijkheid[15]. Hoe anders te verklaren dat zulke uiteenlopende, om niet te zeggen: tegengestelde, richtingen en persoonlijkheden de sokratische erfenis voor zich konden opeisen, als: het Hedonisme, met Aristippos van Kurene, het Cynisme (later ook de Stoa), met Antisthenes en Diogenes, verder ook Eukleides van Megara, Aischines, Xenophoon, Phaidoon van Elis, Simoon "de schoenmaker", Kritoon, Isokrates en... Platoon?

Dat betekent dat zelfs al ware het mogelijk, in Platoons oeuvre op ondubbelzinnige manier de plaats en het moment aan te wijzen waar het personage "Sokrates" opvattingen verdedigt die niét langer compatibel waren met die van de "historische Sokrates", wij dienen te beseffen dat ook in de eraan voorafgaande, "sokratische" dialogen een Sokrates aan het woord komt, die "herleid" is tot een fase in Platoons éigen filosofische ontwikkeling.

Anders gezegd, als Platoon, in gelijk welke dialoog, door "Sokrates" een standpunt laat innemen, doet hij dat nooit vanuit de ("historische") overweging, daarmee recht te doen (eventueel, dus, tégen zijn eigen opvattingen in) aan de opvattingen van de historische Sokrates, maar altijd omdat hij zélf dàt bepaalde standpunt, op dàt ogenblik, als het juiste beschouwt. Nog anders geformuleerd: in gelijk welke dialoog laat Platoon de persona van Sokrates slechts datgene zeggen wat hij zélf, op dat ogenblik, als waar beschouwt. De "paradox", waarmee we deze bespreking gestart zijn, vindt van hieruit een verklaring.

Het voorgaande is de algemene methodologische hypothese waarop de Amerikaanse historicus, Gregory Vlastos, in zijn monografie, Socrates. Ironist and moral philosopher (1991), zijn interpretatie baseert van "Socrates-in-Plato"[16]. Terwijl zulke bekommernis wel uitdrukkelijk aanwezig is bij Xenophoon[17], was Platoons hoofdbedoeling, aldus Vlastos, niét, herinneringen te bewaren aan sokratisch filosoferen, maar wel dat filosoferen te herscheppen, tot leven te brengen in drama's waarvan de protagonist filosofeert more Socratico, "op Sokratische wijze". Wat Platoon dus doet,

"is sokratisch filosoferen produceren, niét reproduceren. Door gebruik te maken van een literair medium [de dialoog] dat Sokrates toelaat voor zichzelf te spreken, doet Platoon hem zeggen wat hij - Platoon - op het ogenblik van het schrijven telkens als het meest redelijke beschouwt dat Sokrates juist dàn in het uiteenzetten en verdedigen van zijn eigen filosofie kan zeggen"[18].

Wannéér Platoon, dan, vanaf een bepaald ogenblik door "Sokrates" standpunten laat vertolken, die onmiskenbaar indruisen tegen die van de eraan voorafgaande, "vroege" of "jeugddialogen", betekent dat niet dat hij een punt zou gezet hebben achter een jarenlang, piëteitsvol "rapporteren" van de overtuigingen van de historische Sokrates[19]. We moeten daar, integendeel, een beslissende aanwijzing in zien voor een fundamentele omslag in Platoons éigen opvattingen, zowel met betrekking tot de methodes als met betrekking tot de inhoud en de doelstellingen van de filosofie[20].

 



2. De Sokratische Filosoof


2.1.
 Inleiding.

In het licht van wat hierboven gezegd is, wil ik het verder hebben over dié "platoonse Sokrates", die in Platoons oeuvre samenvalt met de "sokratische Platoon", d.w.z. met de Sokrates zoals hij optreedt in de ("vroege") dialogen waarin de elenchos aangewend wordt als dé, i.e. enige, methode om (eventueel) tot kennis te komen, d.w.z. tot kennis van morele waarheden. Anders gezegd: waar morele kennis gezocht wordt door het weerleggen van de thesissen die gehuldigd worden door Sokrates' gesprekspartners.

Ik volg hierbij nogmaals de interpretatie van Vlastos, die, wat de relatieve chronologie betreft van Platoons oeuvre, de geldende 3-deling ervan[21] op de volgende manier interpreteert:

(1) "Vroege":

a) de "elenctische" dialogen (alfabetisch): Apologie, Charmides, Crito, Euthyphro, Gorgias, Hippias Minor, Ion, Laches, Protagoras, Republiek I.

b) de overgangsdialogen (alfabetisch): Euthydemus, Hippias Maior, Lysis, Menexenus, Meno.

(2) "Midden" (chronologisch): Cratylus, Phaedo, Symposium, Republiek II-X, Phaedrus, Parmenides, Theaetetus.

(3) "Late" (chronologisch): Timaeus, Critias, Sophista, Politicus, Philebus, De Wetten.

Wanneer we, binnen dat kader, de betekenis willen toelichten van Sokrates en van de sokratische filosofie, lijkt het voor de hand liggend dat we ons daarbij in de eerste plaats baseren op de platoonse Apologie van Sokrates. Zoals hoger al aangestipt, kunnen we die tekst lezen als de funderingsmythe van de (sokratisch-platonische) filosofie. De (nieuwe) bíos philósophós wordt verzinnebeeld in het leven en de persoon van "Sokrates", en gaat er de publieke confrontatie aan met de gevéstigde bíoi, of levensvoeringen - of, om het wat modieus te zeggen: met de gevestigde, maatschappelijke discours en praktijken. Als zodanig biedt de tekst veel méér dan een verdediging van Sokrates, of gewoon een portret van Sokrates: de tekst wil ook een krachtige oproep zijn (in het Grieks: een protreptikós lógos) om aan filosofie te doen.

"Op zijn begrip gebracht" - zoals Hegel zou zeggen -, draaide die confrontatie rond de notie sophía (σοφία): d.w.z. Sokrates' leven én dood worden in de Apologie gezien in termen van een "Kulturkampf" tussen de traditionele visie op sophía, als de hoogste vorm van kennen-en-kunnen - visie die verzinnebeeld werd in de legende van de "Zeven Wijzen" -, en de nieuwe, filosofische interpretatie ervan[22]. De sokratische philosophía (φιλοσοφία) - en dus ook de filosofie als zodanig - is, vandaar, tegelijkertijd een voortzetting van die sophía-traditie én een radicale, zeg maar revolutionaire herduiding ervan.


2.2. Sokrates' Veroordeling

Aangezien het ons te doen is om de filosofische betekenis van Sokrates, ga ik niet nader ingaan op de politieke problematiek, d.w.z. wààrom het in Athene, enkele jaren na de definitieve nederlaag tegen Sparta (in 404) en na het herstel van de democratie (in 403) - waarbij een algemene amnestie was afgekondigd -, tot een vervolging en veroordeling is gekomen van de 70-jaar oude Sokrates[23].

Evenmin zullen we ingaan op de "morele", of misschien beter: ideologische discussie, of we die actie onvoorwaardelijk moeten appreciëren, d.w.z. veroordelen, als een ("typische") uiting van tirannieke en willekeurige "mob-rule"[24] - namelijk van een extreem-democratisch regime, waarin de massa nu eenmaal "altijd" de speelbal is van demagogen en agitatoren -, een interpretatie die doorheen de eeuwen o.m. bij filosofen en historici altijd de meest gangbare is geweest[25]; dan wel of de Atheners, althans vanuit politiek oogpunt, "gelijk" hadden, zo al niet met het ter-dood-brengen van Sokrates, dan toch met het vervolgen van een medeburger die er met zijn optreden onmiskenbaar leek toe bijgedragen te hebben de geldende normen en waarden zowel als de democratische orde te ondermijnen, en die van daaruit medeaansprakelijk kon en moest worden gesteld voor het terreurbewind van zijn volgelingen, Kritias en Charmides, leden van de "Dertig Tirannen", onmiddellijk na de overgave aan Sparta.

Zoals bekend, werd deze discussie[26] vijftien jaar geleden opnieuw in de belangstelling gebracht - niet zozeer op het academische, als wel op het publieke forum - door de bestseller van de Amerikaanse ex-journalist en columnist, I.F. Stone: The Trial of Socrates (1988). Uitdrukkelijk bedoeld als een poging tot reconstructie van "the missing case for the prosecution"[27], is het boek ongetwijfeld een staaltje van Amerikaans "investigative journalism", zoals dat met de beruchte Watergate-affaire wereldvermaard is geworden. Hoe verdienstelijk ook, nochtans, op het persoonlijke vlak[28] en hoezeer ook een kritiek op de traditionele Sokrateshagiografie gewenst is, toch kan Stone's interpretatie - waarin Sokrates wordt afgeschilderd als een overtuigd tegenstander van de Atheense democratie - niet overtuigen. Dat is wellicht niet uitsluitend te wijten aan het feit dat Stone het oude Athene - "the first citadel of free speech", zoals hij het noemt - wat al te veel bekijkt door de naïeve bril van het Amerikaanse "liberalism". Élke eenzijdige parti pris - het weze die van "Sokrates, de oligarch", of die van "Sokrates, de democraat"[29] - doet ongetwijfeld afbreuk aan de historische complexiteit.

In plaats van partij te kiezen, daarom, voor één van beide kampen in het Sokratesdebat, zou ik me willen aansluiten bij (de teneur van) het dialectische standpunt van Hegel, in zijn Vorlesungen über die Geschichte der Philosophie. Hegel beschouwt Sokrates als de interessantste figuur in de filosofie van de oudheid, zelfs als een"welthistorische Person" - want "er ist Hauptwendepunkt des Geistes in sich selbst; diese Wendung hat auf Weise des Gedankens in ihm sich dargestellt"[30]. Tegelijkertijd kwalificeert hij Sokrates' lot als "höchst tragisch". "Tragisch", evenwel, mag hierbij niet in "de oppervlakkige zin van het woord" begrepen worden,

"zoals men elk ongeluk - wanneer iemand sterft, of (onschuldig) terechtgesteld wordt - tragisch noemt; dat is treurig, maar niet tragisch" [31].

Sokrates' lot is tragisch, volgens Hegel, in de diepe ("vernünftige") zin van het woord, omdat zijn lijden juist géén onschuldig lijden was, dat hem volkomen onrechtvaardig overvallen had. Het was integendeel een lijden dat Sokrates vanuit zijn eigen vrijheid heeft teweeggebracht, en waaraan hij dus zélf schuld droeg. Voor Hegel, m.a.w., ging het om een botsing tussen twee machten of principes die allebei hun morele rechtvaardiging hadden, namelijk tussen wat we abstract de "objectieve vrijheid" kunnen noemen - i.e. "Sittlichkeit, Religiosität" -, aan de zijde van de Atheense polis, en de "subjectieve vrijheid", als "das ebenso göttliche Recht des Bewusstseins, das Recht des Wissens..., das allgemeine Prinzip der Philosophie für alle folgenden Zeiten"[32]. Vandaar Hegels conclusie:

"(das sokratische) Schicksal ist nicht bloss sein persönliches, individuell romantisches Schicksal, sondern es ist die Tragödie Athens, die Tragödie Griechenlands, die darin aufgeführt wird, in ihm zur Vorstellung kommt"[33].



2.3. De "Apologie van Sokrates".

De platoonse Apologie[34] van Sokrates bestaat in werkelijkheid uit drié tekstgedeeltes:

A. de eigenlijke verdedigingsrede - in het kader van het proces wordt ze gevolgd door de uitspraak "schuldig" vanwege de 501-koppige jury (met 281 vóór die uitspraak, en 220 stemmen tegen);

B. Sokrates' tegenvoorstel i.v.m. de geëiste strafmaat (namelijk de doodstraf): eerst, provocerend, gratis maaltijden in het prutàneion (of presidentiële paleis); dan, lichtjes inbindend: een boete van 1 Mine; tenslotte, onder druk van zijn vrienden, w.o. Platoon, een boete van 30 Minen - gevolgd door de stemming van de doodstraf (dit keer met 361 vóór en 140 tegen);

C. Sokrates' laatste woorden aan de volksrechtbank.

Wat meer in het bijzonder de eigenlijke "verdediging" betreft, zij kan in haar geheel geconstrueerd worden als een soort van bespreking van het thema, "wie" of "wat is Sokrates?", op een analoge manier als bv. in de dialoog Laches het onderwerp besproken wordt, "Wat is moed?". In dergelijke sokratische discussies worden de deelnemers ondervraagd over een of andere morele notie waarmee zij zich, om een of andere reden, erg nauw verbonden voelen, zo ze er zich al niet mee vereenzelvigen: cf. de militairen Laches en Nikias, over "moed"; de priester Euthuphroon, over "vroomheid"; de rapsode Ioon, over "kunst"; de sofist Protagoras, over "voortreffelijkheid", enz.

Sokrates verwacht daarbij van zijn gesprekspartners dat ze naar waarheid antwoorden op zijn vragen, d.w.z. slechts dié opvattingen verwoorden, die zij zélf effectief voor "waar" houden. Zij moeten zich dus engageren, om zo te zeggen, "op hun leven". Vandaar dat, wanneer Sokrates hen, telkens opnieuw, door zijn elenchos of vraag-en-antwoordtechniek, in aporía, of perplexiteit, stort[35], het niét gaat om een louter intellectuele, vrijblijvende verlegenheid. Integendeel, Sokrates' elenchos moet hen in een soort van identiteitscrisis storten en hen er aldus toe brengen, "verantwoording over zichzelf af te leggen" (logon didónai peri autoû), d.w.z. over hun bíos, of leven(svoering), tot dan toe.

M.a.w. de sokratische elenchos dient geen louter kennisbelang, maar heeft een wezenlijk existentiële dimensie: wat onderzocht of bevraagd wordt, zijn niet louter proposities of thesissen (lógoi), maar: levens. Bedoeling daarbij is, te maken dat de gesprekspartners hun levens(voering) ook zouden verànderen. Zoals Nikias, een oude bekende van Sokrates[36], het uitlegt ten behoeve van zijn vrienden, Laches en Lusimachos, in de Laches (187Ev.):

"Jullie lijken wel niet te weten dat als iemand in Sokrates' onmiddellijke buurt komt en hem in een gesprek benadert, het voor (die persoon) onontkoombaar is - ook al zou het gesprek aanvankelijk over iets totaal anders hebben gehandeld -, zo lang zonder ophouden door de discussie rond en rond gevoerd te worden tot hij in de toestand terecht komt dat hij verantwoording aflegt over zichzelf: over de wijze waarop hij nú leeft en waarop hij in het verleden zijn leven gevoerd heeft... Ik ben er al aan gewend... Al een heel poosje was ik er zo goed als zeker van dat, met Sokrates erbij, ons gesprek niet zou lopen over de jongelui, maar over onszelf".

In gelijkaardige zin, dus, legt ook Platoons Sokrates in de Apologie verantwoording af over zichzelf, over zijn gehele leven. Weliswaar met enkele belangrijke verschillen:

1) Sokrates bevindt zich, op het proces, niet actueel in een toestand van aporie (wel stárt zijn verhaal met de "aporie" waarin hij terecht kwam als gevolg van het Delphische orakel), en zijn zelfverantwoording onthult geen existentiële tegenstrijdigheden, wel integendeel: Sokrates' gehele leven ontvangt een hogere zingeving en justificatie;

2) Sokrates' zelfverantwoording gebeurt niet met behulp van dialectische middelen, maar - wat de vorm betreft - met retorische middelen.

Dat laatste ligt natuurlijk voor de hand, aangezien het kader niet dat van een gesprek is, maar van een rechtsgeding. Desalniettemin lijkt een dergelijk beroep op de retorica wel degelijk problematisch in het geval van Sokrates/Platoon. De sokratisch-platoonse visie, immers, op retoriek was uitermate negatief. Denken we bv. aan de Gorgias, een dialoog die, ironisch genoeg, de ondertitel van "of over de retoriek", heeft meegekregen. Om even mezelf te citeren[37]:

"Platoon (drukt in deze dialoog) in vrij krasse bewoordingen zijn afwijzing uit voor de retoriek en de 'wereldbeschouwing' die ermee samengaat. Aangenomen mag worden dat we daarmee zijn algemene stellingname t.a.v. de retoriek lezen, ten tijde van de stichting van de Akademie (ca 487 vK). Plato neemt de retoriek vooral op de korrel in haar hoedanigheid van wezenlijk bestanddeel van de 'politieke' vorming. Daartoe ontzegt hij haar het recht zich als een téchnè of kunst te beschouwen; z.i. gaat het louter om, 'ondervinding en routine' (462C3; 463B4). De retoriek heeft immers geen eigen object; bovendien is ze niet op de waarheid of de kennis gericht, maar enkel op het waarschijnlijke, op geloof en illusie. Het is de retor te doen om mooi-praterij, het vleien van de massa".

De retoriek, m.a.w. verdraait systematisch de waarheid, ter wille van de overreding en manipulatie: hoe kan Sokrates (= Platoon) het gebruik ervan dan rechtvaardigen als het zijn bedoeling is, een waarheidsgetrouw beeld van zichzelf te geven?

Tussen haakjes, het "retorisch" karakter van de Apologie is onloochenbaar. De tekst is zonder meer een staaltje van hoogwaardige retoriek en de auteur ervan heeft doelbewust gebruik gemaakt van de gevestigde retorische technieken[38]. Verwijzen we bv. naar

1) de duidelijke retorische structuur (dispositio)[39]. We onderscheiden moeiteloos de volgende traditionele "delen", zoals zij in de retorica-handboeken (téchnai) werden voorgeschreven:

1. Inleiding (exordium): 17A-18A (kap. I);

2. Argumentatie (tractatio), 18A-34B, met twee thesissen (propositiones):

2.1. Sokrates' veroordeling is onrechtvaardig:

2.1.1. distinctie tussen twee groepen van aanklagers: "oude" en "nieuwe" (partitio), 18A-19A (II);

2.1.2. bewijsvoering (probatio) dat de beschuldigingen van elke groep onjuist zijn:

2.1.2.1. de oude verdachtmakingen, 19A-24B (III-X), met relaas (als een soort van narratio) van het orakel en Sokrates' respons erop (20E-22E);

2.1.2.2. de huidige aanklacht, met ondervraging van Meletos, 24B-28A (XI-XV);

2.1.3. weerlegging van bezwaren (refutatio), 28B-30C (XVI-XVII);

2.2. Athene berokkent zichzelf schade door Sokrates ter dood te brengen:

2.2.1. Bewijsvoering (probatio), 30C-31C (XVIII);

2.2.2. Weerlegging van twee bezwaren (refutatio), 31C-34B (XIX-XXII), met telkens een testimonium.

De ganse sectie kan tevens beschouwd worden als een soort van uitweiding (digressio of excursus), met de bedoeling Sokrates' welwillendheid (eunoia) jegens Athene in het licht te stellen.

3. Epiloog (peroratio), 34B-35D (XXIII-XXIV).

2) Het gebruik van retorische argumentatieschema's (topoi, Latijn: loci; letterlijk: "vindplaatsen"): bv.

- Sokrates start met het belijden van zijn retorische "ónkunde";

- de concrete aanklacht wordt naar het achterplan geduwd, en gekoppeld aan oudere "laster", zodat de aanklacht zelf binnen die sfeer van laster en verdachtmaking gebracht wordt[40].

3) De opvallende overeenkomsten, zowel qua taal als qua argumentatietechnieken, met de bewaarde demonstratierede, de Apologie van Palamedes, van... Gorgias [41]! Sokrates zal zelf, in zijn afscheidswoorden, uitdrukkelijk naar Palamedes verwijzen, als één van de helden "die in de oude tijd door een onrechtvaardig vonnis gestorven zijn" (Apologie, 41B), met wie hij in de Onderwereld hoopt te kunnen spreken.

De vraag blijft dus,

"why Socrates uses, at the climactic point of his life, the techniques of a profession that he claims elsewhere to despise"?[42]

Een bevredigend antwoord op die vraag, zoals o.m. geargumenteerd door Feaver & Hare, luidt dat we de Apologie moeten begrijpen als een parodie, maar dan wel een parodie waarbij de conventionele retorische vormen op zo'n manier worden aangewend, dat de functie die er conventioneel aan toe kwam, wordt omgekeerd. Immers, het opzet van deze literaire redevoering is niét: het proces te winnen[43], maar: Sokrates een waarheidsgetrouw beeld van zichzelf te doen geven. Anders gezegd: de waarheid te doen zeggen, wat daarvan ook de praktische consequenties mogen zijn. Als zodanig beantwoordt de Apologie aan de eisen die Platoon nadien, in de Phaedrus (geschreven in de jaren '70), zou stellen aan een filosofisch gefundeerde retoriek[44].

Die filosofische waarheid die Sokrates/Platoon aldus in de Apologie op het oog heeft, mag natuurlijk niet verward worden met onze, historische "waarheid"; d.w.z. zij staat niet borg voor de historiciteit van de erin weergegeven "feiten". Wel integendeel, de Apologie kan nog het best geapprecieerd worden als een voorbeeld van Sokrates' bekende, zeg maar: beruchte, "ironie" [45]. Zo formuleert de tekst, voor wie aandachtig luistert, niet enkel een verdediging van Sokrates, maar ook een aanklacht tegen Athene, d.w.z. tegen de Atheners. Anders gezegd, niet Sokrates blijkt te recht te staan, maar - in een typisch sokratische "peripetie", of ommekeer (reversal) -: de juryleden! Sokrates is niet langer de aangeklaagde, maar de aanklager[46].


2.4.  Het Orakel van Delphi
.

De hoofdbedoeling van de Apologie, als tekst, is niét, de concrete aanklachten daadwerkelijk te weerleggen [47] - en dus: een vrijspraak te bekomen -, maar, zoals gezegd, een filosofische verantwoording en zingeving te presenteren van Sokrates' leven: namelijk als een leven in dienst van de filosofie, waarbij dat engagement de bereidheid impliceert, ook te willen sterven voor de filosofie.

Hoe radicaal nieuw ook van inhoud, "revolutionair" zelfs, dan gebeurt die zelfverantwoording toch in eerste instantie met behulp van traditionele vormen (die daarmee een nieuwe betekenis krijgen). Ik denk hierbij niet enkel aan de retorische middelen, waarover ik het net had, maar vooral aan de centrale rol die in de sokratische "belijdenis" gespeeld wordt door het "orakel" dat de Delphische Pythia, namens Apolloon, zou hebben gegeven aan Sokrates' boezemvriend, Chairephoon. Dat orakel, inderdaad, fungeert zowat als het organisatie- en zingevingsprincipe van Sokrates' latere, jarenlange optreden in Athene, zeg maar: van zijn leven als filosoof.

Het orakelverhaal komt vrij vroeg in de Apologie, 20D-21A: in antwoord op de "verdachtmakingen" van zijn "oude", anonieme aanklagers, als zou hij een "sophós" zijn, een "geleerde", in de zin van de phusikoí, of natuurdenkers, die zich met astronomie en kosmologie inlaten, maar ook in die van de Sofisten, die tegen betaling mensen onderwijzen, erkent Sokrates dat hij zijn reputatie inderdáád te danken heeft aan een soort van "σοφία" - niét, nochtans, die van de natuurvorsers en sofisten: dat is z.i. een sophía die de mens te boven gaat, maar een sophía "die wellicht menselijk is", d.w.z. voor een mens past (20D). Als getuige daarvoor roept hij "de god in Delphi" op, i.e. Apolloon: zijn goede vriend Chairephoon, zo vertelt hij, was eens naar Delphi gereisd en had daar aan de Pythische priesteres de vraag gesteld, "of iemand wijzer was dan Sokrates?". Het orakel had daarop, orakelgewijs, met een "neen" geantwoord[48].

Dit verhaal is in de Sokratesreceptie omzeggens universeel als historisch beschouwd [49]; méér nog, het is altijd gebruikt als de "kapstok" waaraan ook de onbetwiste historiciteit van de Apologie kon worden opgehangen. Historisch of niet? De vraag hoeft ons hier niet bezig te houden [50]. Belangrijker is dat het orakel literair-poëtisch een functie heeft, in de Apologie, die analoog is aan die van de mythologie bv. in de tragedies. In deze laatste worden menselijke handelingen en/of conflicten dank zij de mythe verbonden met, geïntegreerd in een bovenmenselijk, goddelijk perspectief, zodanig dat die handelingen en conflicten een hogere duiding en zingeving krijgen. Het orakel doet net hetzelfde met betrekking tot Sokrates' gehele verdere leven[51]: dat laatste krijgt aldus een hogere finaliteit en identiteit - d.w.z. krijgt de "officiële" status van een (nieuwe) "bíos", de "bíos philósophós".

Sokrates' eerste reactie, zo vertelt hij, op de goddelijke uitspraak was er een - typisch voor de platoonse Sokrates - van aporie: "wat bedoélt de godheid toch? welk raadsel formuleert hij?"[52]; hij was er zich immers van bewust, helemaal géén sophós te zijn. Vanuit de overtuiging dat een godheid niet kon liegen[53], was hij dan, na lange vertwijfeling[54], naar diegenen gestapt die "geacht werden 'sophós' te zijn", met de bedoeling zich - publiekelijk - met hen te confronteren, te méten, en aldus het orakel te "weerleggen": namelijk, met een eventuele repliek als: "gij, Apolloon bewéérde wel dat ík de meest wijze was, maar kijk, hier heb ik iemand die wijzer is".

Belangrijk, nu, is dat, vanuit narratief oogpunt, Sokrates' confrontaties met de "gevestigde "wijzen" niet op willekeurige of onsystematische wijze gebeuren, of op louter individuele basis, maar integendeel georganiseerd worden per maatschappelijke categorie:

(1) Sokrates loopt vooreerst de vooraanstaande politikoí af - namen worden "uitdrukkelijk" niet genoemd. Bij elk gesprek, zo vertelt hij, komt hij tot de bevinding

"dat de man in kwestie als wijs gold bij veel andere mensen en met name bij zichzelf, maar dat hij het in werkelijkheid niet was. Daarop probeerde ik hem dat duidelijk te maken, dat hij wel méénde wijs te zijn, maar het niet wás. Het gevolg was dat ik mij zijn vijandschap op de hals haalde en ook die van een heleboel omstanders. Enfin, ik ging mijns weegs met de gedachte dat ik wijzer was dan die man: geen van ons beiden - zo redeneerde ik - schijnt iets waardevols te weten, maar hij meent iets te weten, terwijl hij het niét weet; ik daarentegen weet het wel niet, maar ik méén het ook niet te weten. In ieder geval schijn ik dus in die ene kleinigheid wijzer te zijn dan hij, dat ik hetgeen ik niet weet ook niet méén te weten" (21C-D).

(2) Na het rijtje van politici, wendt Sokrates zich, nog altijd onder goddelijke "orders", tot de dichters - tragici, dithyrambendichters, enz. -, om hen te ondervragen over bedoeling en betekenis van hun poëtische teksten. Ook die confrontaties gebeuren, uitdrukkelijk, in aanwezigheid van een publiek[55]. Opnieuw wordt hij ontgoocheld, en hij concludeert, vooreerst wat hun poëtisch kunnen betreft, 22 B-C, dat

"(de dichters) wat ze dichten niet door sophía dichten, maar door een soort van natuurlijke aanleg (phusis) en bezield door een godheid, net als de geïnspireerde voorspellers en de orakelgevers(!)".

Tweedens, en algemener, komt hij weerom tot de vaststelling

"dat zij vanwege dat dichten tegelijk het gevoelen hadden ook in de andere zaken tot de meest wijze mensen te behoren, zaken waarin ze het niet waren" (22C).

(3) Sokrates gaat, tenslotte, naar de ambachtslieden, en stelt vast dat de knappe vaklui onder hen ("de goede demiurgen") weliswaar hun stiel of "kunst" (téchnè) perfect verstaan, maar toch in dezelfde fout vervallen als de dichters:

"ieder van hen had, omdat hij zijn kunst behoorlijk uitoefende, de pretentie, dat hij ook verder, in de belangrijkste zaken, zeer wijs was" (22D).

Zoals gezegd, wat bij de beschrijving van deze confrontaties opvalt, is dat Sokrates nergens namen noemt. Het effect hiervan is dat de betrokkenen niet geconfronteerd worden als individuen, maar als vertegenwoordigers van een welbepaalde, gevestigde "beroepsgroep" die, elk, in het bezit is van, en gedefinieerd wordt door,

"haar karakteristieke en distinctieve vormen van praktijk en discours, waaruit de vertegenwoordigers ervan hun reputaties van wijsheid afleidden" [56].

Ook de rol van Sokrates, daarom, in het verhaal, moet in die "sociologische" context begrepen worden: als niét louter een sympathiek en ondernemend enkeling, maar als, op zijn beurt, de vertegenwoordiger van een maatschappelijke praktijk en discours, een bíos, maar dan een die pas in opkomst was: die van de filosofie. Sokrates en zijn volgelingen waren volop bezig die bíos te vestigen en op te werpen als een rivaal voor de andere, oudere en gevestigde levensvoeringen, waarvan ze de (traditionele) aanspraken op "σοφία" op nogal agressieve en publieke wijze contesteerden.

Het is bijgevolg hoogst betekenisvol dat de drie aanklagers van Sokrates, aan het einde van zijn leven, door de Apologie geportretteerd worden als vertegenwoordigers van veruit dezelfde beroepsgroepen als degene die door Sokrates, bij het begin van zijn filosofencarrière, publiekelijk uitgedaagd en "verslagen" waren, cf.

- Anutos: was leerlooier-"industrieel" én leidend politicus[57];
- Meletos: was, net zoals zijn vader, tragediedichter [58];
- Lukoon: wordt door Sokrates als een retor getypeerd [59], en kan dus worden gerekend tot de categorie van de ambachten en "kunsten" (hoewel Anutos in de Apologie onder meer als zodanig wordt getypeerd).

Dit parallellisme mag niet afgedaan worden als accidenteel. Het wil integendeel de sleutel zijn, die ons het proces o.m. moet doen begrijpen als een soort van wraakneming vanwege die gevestigde groepen, die het statusverlies (inzake sophía) dat hen door Sokrates en de zijnen jarenlang berokkend was, niet langer "gepikt" hadden.

Tegelijkertijd, aldus Bruce Lincoln, moeten we het 3-voudig schema zelf, dat door Platoon ook elders gehanteerd is, appreciëren als een wapen in de aan de gang zijnde "struggle for authoritative status"[60]: d.w.z. als een "zet", vanwege de filosofen, om dié vormen van discours en praktijk, die voorhéén het grootste gezag en prestige genoten, óndergeschikt te maken, hiërarchisch[61], aan de filosofie,

- de politieke (vooral in hun wetgevend aspect),
- de poëtische, en
- de technische (te verdelen in de artisanale en de retorische)[62].

Vanuit "sociologisch" oogpunt, m.a.w., kan de confrontatie die door de Apologie uitgebeeld wordt, begrepen worden als een hoogtepunt in de strijd om status en prestige, gevoerd tussen de gevestigde, professionele categorieën en de nieuwe bíos philósophós.


2.5. De "Zeven Wijzen".

De status en het prestige waarom het ging in deze maatschappelijke confrontatie, werden op het vlak van de Griekse taal dus vereenzelvigd met de noties "sophós" en "sophía", "wijs" en "wijsheid"[63].

Dat element van confrontatie, evenwel - dus van strijd, rivaliteit en competitie -, zoals het in de Apologie op verschillende manieren aan de dag treedt, was zélf een integraal bestanddeel van de traditionele sophía-cultuur, in de Griekse samenleving. Meer bepaald de vraag, "wie is de gróótste sophós?", sc. van de zich met elkaar metende "wijzen", stond centraal in die traditie. Sophía m.a.w. kon (en moest!) gewonnen worden, en... kon verloren worden. Die archaïsch-Griekse sophía-cultuur heeft exemplarisch gestalte gekregen in de "Zeven Wijzen" (hoi heptà sophoí).

Het gaat hier om een legende die in de late oudheid zeer populair was, maar waarvan de kern ongetwijfeld teruggaat tot in het midden van de 6de eeuw[64]. Voor de zeven "plaatsen" die erin voorzien waren, vinden we in de latere overlevering een twintigtal "kandidaten", d.w.z. namen, vermeld. Tot de bekendste, die het vaakst terugkeren, behoren in de eerste plaats "politiekers", zoals Soloon van Athene, Bias van Priëne, Periandros van Korinthe en Pittakos van Lesbos, verder ook Anacharsis de Skythiër, Thales van Milete, e.a.

Hun "wijsheid" circuleerde later onder de vorm van verzamelingen van spreuken en gezegdes [65]. Om er slechts enkele te citeren:

"maat is het beste"; "je moet je vader eren"; "in niets te veel"; "als je geleerd hebt te gehoorzamen, weet je te bevelen"; "verkeer niet met de slechten"; "ken jezelf"; "gehoorzaam aan de wetten"; "schenk je vertrouwen niet aan iedereen"...[66]

Maar, net zoals dat geldt voor de bewaarde poëtische teksten en fragmenten uit die (archaïsche) periode, zijn ook deze spreuken(verzamelingen) in feite niet meer dan het (extreem gereduceerde) tekstuele residu van een wijsheidscultuur, die zich oorspronkelijk in de allereerste plaats realiseerde in en door handelingen. Die traditionele wijsheid, inderdaad, was wezenlijk praktisch - niet alleen omdat de spreuken betrékking hadden op alle mogelijke praktische (levens)problemen - niet in de laatste plaats op "politieke" -, maar ook omdat de betekenis ervan geproduceerd en gereproduceerd werd middels daadwerkelijke, publieke vertolkingen (performances) en demonstraties [67].

De "Zeven Wijzen" waren dus publieke "performers", wat wil zeggen dat zij bij het creëren van hun spreekwoordelijke gezegdes functioneerden als, tegelijkertijd, "dichters" én "acteurs". Geen wonder dus dat in de overlevering zoveel nadruk wordt gelegd op hun gevatheid of taalvaardigheid[68] en hun "acteertalent"[69]; geen wonder ook dat van omzeggens alle Wijzen overgeleverd is dat zij inderdaad ook poëzie schreven (en dus vertolkten)[70].

Niet toevallig ook zijn dergelijke traditionele "wijsheden" meestal narratief omkaderd: het verhaal - dat dan zélf kon vertolkt worden - zorgt voor het inbedden van de betreffende wijsheid in concrete, "poëtische" situaties, d.w.z. situaties waarin het maatschappelijk gebruik van kunstige taal en metafoor een krachtig werktuig wordt voor het beïnvloeden van gebeurtenissen[71]. Vooral de metafoor is belangrijk: metaforisering ligt a.h.w. "at the heart of a poetics of performance" [72]. De metafoor, evenwel, waarvan de uitkomst gewoonlijk afhangt, kon zowel verbaal als niet-verbaal, of een combinatie van beide zijn. Een mooi voorbeeld van een niet-verbale metafoor - want een demonstratie-van-wijsheid zónder "tekst" - levert het verhaal over Periandros, tiran van Korinthe, die een bode stuurde naar Thrasuboulos, tiran van Milete (vriend van Thales), om door hem geadviseerd te worden in de kunst van het regeren:

"Thrasuboulos nam de gezant van Periandros mee naar buiten de stad, liep met hem een bezaaide akker op en wandelde over die akker heen en weer, terwijl hij hem telkens en telkens weer vroeg met welke opdracht hij uit Korinthe was gekomen. Ondertussen rukte hij alle korenaren uit, die boven de andere uitstaken, en wierp ze meteen weg, totdat hij het deel van de akker, waar het koren het mooist en het hoogst stond, op die manier grondig vernield had. Na de wandeling over dat terrein stuurde hij de gezant weg zonder hem verder één enkel woord mee te geven" [73].

Maar de publieke "performance" en demonstratie van hun sophía door de Zeven Wijzen impliceerde ook, zoals gezegd, een agonale context, d.w.z. een context van competitie en "wedstrijd": "σοφία" was a.h.w. de trofee of prijs in een soort van "competitiesport"[74]. Naar analogie met de helden van Homeros, die zichzelf steeds moesten "bewijzen" - zowel verbaal als martiaal -, in de confrontatie met àndere helden[75], werd ook elke sophós geacht zich voortdurend met zijn rivalen te meten en hen te overtreffen - of zij daarbij zelf aanwezig waren of niet. Vandaar, precies, de legende van de "Zeven Wijzen", als een groep of corporatie van tijdgenoten:

"One sage always sought to outdo the others, whether or not the others were present. In other words, there had to be an idealized corporate body of sages for the very notion of archaic sage to make sense. One wise man doesn't work"[76].

De Griekse archaïsche "σοφία" was dus intrinsiek agonistisch. Eén van de traditionele (oeroude) vormen, nu, waarin deze (listige) wijsheid steeds weer "uitgedaagd" werd[77] en zich steeds weer moest bewijzen, waren raadsels (ainigmata). Naar analogie nogmaals met de (martiale) "prouesse"  van de homerische helden,[78] kon ook iemands mate van beslagenheid in (het oplossen van) raadsels beslissen over leven en dood. Het bekendste, mythologische exemplum van dergelijke "raadselwijsheid" is natuurlijk de Thebaanse sfinx, een vrouwelijk wezen dat iedere passant met eenzelfde raadsel confronteerde, "wat loopt eerst op vier, dan op twee en tenslotte op drie poten?". Elkeen die de oplossing niet vond (namelijk: "de mens"), werd door haar gedood, tot Oidipous (Oedipus) in Thebe kwam en het raadsel wél oploste (hij won er de koningskroon mee en... Iokaste, zijn moeder): de sfinx stortte daarop zichzelf in de afgrond[79]. Ook Homeros, dé sophós nochtans par excellence, heeft zich, volgens een legende, finaal gewonnen moeten geven voor de "challenge" van deze raadselwijsheid[80]. We herinneren ons natuurlijk dat ook Sokrates, volgens de Apologie, zich door het orakel van Delphi voor een raadsel geplaatst zag (Apol., 21B), een raadsel dat hij, het koste wat het wou (een massa vijanden en, op termijn, zijn terdoodveroordeling) diende op te lossen.

Wat precies dat Delphische orakel betreft: in die constante kompetitie, in de archaïsche periode, voor de titel van "Σοφός", werd de rol van scheidsrechter, en tevens van referentiepunt, traditioneel gespeeld door... Apolloon van Delphi[81]. Zeer bekend, in dat verband, is het verhaal over "de Wijzen en de gouden driepoot"[82], dat ons in verschillende versies is overgeleverd[83].

Volgens één versie, hadden Ionische jongeren de totale vangst opgekocht van milesische vissers. Bij de ontdekking, tussen de vis, van een gouden driepoot, was ruzie ontstaan over de vraag, aan wie de driepoot nu toekwam. De Milesiërs wendden zich ten einde raad tot het orakel van Delphi, dat als antwoord gaf: "(aan degene die) de absolute eerste is in sophía". Daarop gaf men de driepoot aan Thales; Thales, op zijn beurt, gaf hem door aan een andere; die weer aan een andere, tot het kostbare object bij Soloon belandde; hij begreep dat "de godheid de eerste was in sophía, en stuurde de driepoot daarom, als wijgeschenk naar Delphi" [84].

Een heel direct "precedent" voor Chairephoons orakelvraag over Sokrates, dat tegelijkertijd ook het contrast illustreert tussen het archaïsche en het sokratische sophía-begrip, bieden verhalen over Wijzen die zélf tot het orakel de vraag richten, "wie wijzer was dan hijzelf?" [85], respectievelijk "óf iemand wijzer was dan hijzelf?"[86]. Het is allicht betekenisvol dat Apolloon in de twee, door Diogenes geciteerde gevallen, hetzelfde antwoord gaf: dat een onbekende Musoon, uit een "verloren boerengat", Chen, "wijzer" was dan de vraagsteller.


2.6.  De Sokratische  Sophía.

Het is in die traditionele context, dus, d.w.z. die van de archaïsche, pre-filosofische wijsheidscultuur, belichaamd door de "Zeven Wijzen", dat, door middel van het orakelverhaal, de sokratische bíos philósophós in de Apologie uitdrukkelijk geplaatst wordt - én in dewelke zij dus moet begrepen worden.

Anders gezegd: het beroep op het orakel - of dat nu historisch was of niet - diende om aan Sokrates' confrontatie met de vertegenwoordigers van de traditionele sophía (gegroepeerd in hun verschillende "beroepsgroepen") een religieuze, en dus "officiële", erkenning geven; tegelijkertijd gaf het er ook een extreem provocerend karakter aan (cf. de verwijzingen, in de Apologie, naar de rumoerige reacties vanwege de juryleden)[87].

Maar de sokratische "challenge" was natuurlijk veel méér dan een zoveelste toepassing, of verlengstuk, van de traditionele wijsheidsconceptie die toegespitst was op louter "practical skill". M.a.w. de Apologie beoogt niet louter een soort van kandidaatstelling te zijn vanwege Sokrates om opgenomen te worden in het bestaande "korps" van de Wijzen. Integendeel, Sokrates' optreden wil die traditionele sophía radicaal in vraag stellen, op haar kop zetten. De sokratische φιλοσοφία is als zodanig het resultaat van een "Umwertung aller Werte".

Nemen we bv. Sokrates' dood - in casu zijn bereidheid om te sterven voor zijn sophía, welke ook de betekenis moge zijn van "dood"[88]. In de traditionele visie was een dergelijke dood het onvermijdelijk gevolg van, en dus: onweerlegbare bewijs voor de mislukking en nederlaag van de Wijze[89]. In de Apologie, daarentegen, wordt die schijnbare nederlaag tot een overwinning omgevormd, d.w.z. tot een bewijs juist van Sokrates' superioriteit en van zijn (filosofisch) gelijk[90]. We zouden Sokrates' dood dus a.h.w. kunnen waarderen als een ultieme vorm van sokratische ironie.

Maar fundamenteel in de sokratische Umwertung van de traditionele wijsheidscultuur was bovenal de belijdenis van de eigen "onwetendheid"[91]. Zoals gezegd, werd zij door de gesprekspartners ervaren als een typische, en bijzonder provocerende, vorm van sokratische eironeía. Die ironie - die niet als bedrog of veinzerij mag getrivialiseerd worden - wordt een regelrechte paradox, wanneer Sokrates stelt dat die "onwetendheid" niet alleen niet strijdig is met het statuut van sophós, maar dat zijn "sophía", waarvan de superioriteit erkend is door Delphi, dergelijke "onwetendheid" juist als basis heeft. Om nog eens de conclusie te citeren, waartoe hij komt in zijn confrontatierondes[92]:

"Toen ik wegging, dacht ik bij mezelf: 'Wijzer dan deze man ben ik wél. Want ook al riskeert het dat géén van ons beiden iets deugdelijks weet, toch (heb ik dàt voor): hij méént te weten hoewel hij niét weet; terwijl ik, die het evenmin weet, daarmee overeenkomstig ook niet méén iets te weten. In dit éne kleine puntje blijk ik dan toch wijzer te zijn dat hij, dat ik, wat ik niet weet, ook niet méén te weten".

Hiermee stoten we op de centrale sokratische paradox: terwijl "sophía" tot dan toe altijd gebruikt was voor vormen van buitengewone (daarom ook godgegeven), positieve en parate kennis of kunde (skill), bestond de sokratische "sophía" in het zelfkritische besef van de eigen ónwetendheid (sc. van "iets deugdelijks"), d.w.z. het besef, "niets (deugdelijks) te weten", d.w.z. géén kant-en-klare "wijsheid" te bezitten[93].De traditionele sophía-conceptie was daarmee "binnenste buiten" gekeerd: van positief en praktisch, was zij reflectief en theoretisch, d.w.z. filosofisch geworden.

Voor de sokratische filosoof hield dat vooreerst in dat de (ware) sophía de vraag stelde naar de rationele gronden van ons handelen, van ons leven, ten einde een gefundeerd antwoord te kunnen geven op de vraag: "hoe moeten wij leven?", sc. om "goed" te leven en, dus, "gelukkig" (eudaímoon) te zijn. Althans in deze reflectieve zin, m.a.w., was ook de sokratische sophía nog steeds moreel, en dus "praktisch", georiënteerd.

Maar die (morele) zelfreflectie wordt door Sokrates, in de Apologie, bovendien verabsoluteerd tot de zin zélf van het menselijke leven, cf. 38A (Sokrates repliceert op de suggestie dat hij misschien zou willen beloven te zwijgen, in de toekomst, of Athene te verlaten, in ruil voor zijn leven):

"Zeg ik dan verder dat voor een mens het hoogste goed juist daarin gelegen is, elke dag argumentaties (lógoi) te voeren over de morele voortreffelijkheid (aretè) en over die andere onderwerpen, waarover jullie mij horen dialogeren en mijzelf zowel zowel als de anderen onderzoeken, en dat een leven zonder dat zelfonderzoek niet levenswaard is voor een mens, dan zullen jullie mijn woorden nog minder aanvaarden. Toch is het daarmee gesteld zoals ik zeg, mannen, maar het is niet makkelijk dat aannemelijk te maken."

De oude Delphische spreuk, "ken jezelf" (γνῶθι σεαυτόν, gnôthi seautón) - die oorspronkelijk niet meer wou zeggen dan: mens ken je menselijke beperkingen, weet dat je sterfelijk bent; maak dus geen aanspraak op wat van de goden is, pleeg geen hybris; en die als zodanig zowat het "eerste gebod" was van de traditionele, Griekse religiositeit - werd door (Platoons) Sokrates dus gehérinterpreteerd in een filosofisch-kritische zin. "Gemandateerd" als hij zich voelde door het Delphische orakel en de uitkomst van zijn confrontatieronde, beschouwde Sokrates het voortaan als zijn missie, al zijn medemensen,"jong en oud, burgers en vreemdelingen", tot zelfreflectie en zelfverantwoording te brengen - d.w.z. dag-in dag-uit hun "onwetendheid van hun onwetendheid" bloot te leggen. Hij bestempelt zichzelf daarom, metaforisch, als een "horzel" of "paardenvlieg" die door de Delphische god in de "nek" van (het "paard") Athene was geplaatst om de Atheners bestendig "wakker te schudden, te overtuigen en te verwijten, ieder individueel, van de morgen tot de avond" (30E).

Daarom, zolang hij ademde, zou niets of niemand hem er kunnen van afhouden, aldus te "filosoferen" [94].



3. Sokratisch Filosoferen


3.1. Inleiding.

Als slotdeel van deze schets, zou ik toch ook nog een aantal "positieve" inbrengen van de sokratische σοφία althans even willen aanstippen - waarbij ik me, zoals hiervoor, zal baseren op de "elenctische" dialogen van Platoon (ten einde toch nog even de historische betrekkelijkheid van wat volgt in het licht stellen, citeer ik de conclusie van D.Morrison, 2005:116, namelijk dat "we geen [historische] redenen hebben om met vertrouwen aan Sokrates ook maar iets in de aard van een precieze filosofische thesis toe te schrijven").

Sokrates, inderdaad, móge dan al keer op keer herhalen dat hij inzake het gespreksonderwerp "geen kennis bezit", en hij moge dan al de indruk wekken, sophía de facto te vereenzelvigen met vooral een negatief besef van de eigen onwetendheid, zijn optreden - d.w.z. leven én sterven - is, binnen de platoonse "representatie", wel degelijk gebaseerd op een aantal positieve waarheden en inzichten. Indirect illustratief ervoor is hoe, in de dialogen, Sokrates' belijdenis van zijn "onwetendheid" door zijn vrienden gewoon geïgnoreerd wordt: ze blijven hem behandelen als de grootste wijze die ze kennen. Zo bv. in de Laches heeft iedereen door Sokrates over zichzelf horen zeggen,

"niet beslagen te zijn in de (besproken) kwestie en niet bij machte te zijn uit te maken wie van... beiden gelijk heeft: op dat terrein heeft hij immers noch één enkele ontdekking gedaan, noch leermeesters gehad" [95].

Maar desalniettemin verklaart Laches even verder (198B): "Jou, dus, Sokrates, bied ik aan, mij zowel te onderwijzen als te weerleggen, in wat je maar wil".

En aan het slot (200C) geeft hij Lusimachos en diens zoon de raad,

"(Nikias) zowel als mijzelf de bons te geven voor de opvoeding (paideía) van de jongelui, maar Sokrates, hier, ik zei het al bij het begin, niet los te laten".

En ook Nikias brengt enthoesiast een gelijkaardig tribuut aan Sokrates, als een "leraar moraal" aan wie ze gerust hun zoons kunnen toevertrouwen... mocht hij daartoe bereid zijn (200C-D):

"Ook ik ben het daarmee eens, dat indien Sokrates bereid is de zorg voor de jongelui op zich te nemen, we naar geen andere (leermeester) moeten zoeken" [96].

Zoals vroeger gezegd, dient Sokrates' claim van "onwetendheid" ironisch begrepen te worden, d.w.z. niet letterlijk (zoals de latere "akademische Skepsis" zou menen dat te moeten begrijpen), maar evenmin als een leugen of veinzerij: anders gezegd, als tegelijk waar en onwaar [97].


3.2. Elenchos.

De eerste inbreng van Sokrates, die vermeld dient te worden, betreft de methode van het filosofisch onderzoek, met de elenchos (élenchos). Elenchos is de methode om bij middel van de gepaste vragen en antwoorden, d.w.z. rationeel-argumentatief, morele opvattingen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen, in casu te weerleggen. Zij vormt a.h.w. het methodologische luik van de sokratische, filosofische herinterpretatie van de archaïsche sophía. Geen enkele archaïsche Wijze, inderdaad, heeft de elenchos ontwikkeld of gehanteerd[98]: binnen die archaïsche wijsheidsconceptie werden oplossingen voor problemen en raadsels zowel als weerleggingen van andermans opvattingen altijd "geponeerd", d.w.z. dogmatisch-autoritair geproclameerd of praktisch geperformeerd[99] - nóóit: dialogisch geargumenteerd, op zo'n manier dat voor elke nieuwe stap de instemming van de gesprekspartner vereist is. Zoals Sokrates het paradigmatisch formuleert t.a.v. Kritoon, in de Crito, 48D-E:

"Laten we, mijn beste, de zaak gezamenlijk onderzoeken; en als je iets in te brengen hebt tegen wat ik zeg, spreek me dan tegen, en ik zal je gelijk geven... Ik hecht er immers veel belang aan, in overeenstemming met jou te handelen en niet tégen jouw mening in" [100].

Het "psychologisch" uitgangspunt voor de sokratische methode is zijn overtuiging dat de twee taken - het onderzoeken en bevragen van zichzelf én het onderzoeken en bevragen van de andere(n) - noodzakelijkerwijze sàmen en gelijktijdig gebeuren. Om het even historisch-psychologisch te formuleren: op het historische moment, dat het rationele zelfbewustzijn nog niet geconstrueerd was, kón Sokrates slechts aan "zélfbevraging" doen door ànderen te bevragen[101]. Vandààr dat Sokrates - in alle oprechtheid - t.a.v. zijn gesprekspartners steeds weer de éigen "onwetendheid" beklemtoont én, derhalve, de noodzaak om sàmen naar de oplossing te zoeken. Zie bv. zijn repliek op de hoger geciteerde vergelijking, door Menoon, van Sokrates met de verlammende sidderrog[102], Meno, 80 C-D:

"Wat mij betreft, als de sidderrog de anderen slechts zou verlammen door zélf verlamd te zijn, jà, dan gelijk ik erop. Maar anders niet. Als ik de anderen in verlegenheid breng, is het niet omdat ik zélf boven elke verlegenheid (aporía) sta. Neen, 't is maar omdat ik zélf bovenal aan aporie onderhevig ben, dat ik ook de anderen in verlegenheid breng. Zo weet ik thans niet, wat de deugd (aretè) voor iets is, terwijl jij, voordat je met mij in aanraking kwam, het misschien wel wist, al gelijk je nu op iemand die het niet weet. Toch ben ik bereid om samen met jou de zaak te onderzoeken en ook samen met jou te zoeken wat ze dan toch wel wezen mag".

Over de sokratische elenchos is al heel wat inkt gevloeid[103]. Het feit dat "Sokrates" zélf nergens zijn onderzoeksmethode bespreekt[104], vormt hierbij vanzelfsprekend een hinderpaal. Tegelijkertijd reveleert dat gebrek aan methodologische reflectiviteit de historische én filosofische beperkingen van "Sokrates" - of alleszins van de "sokratische Platoon"[105].

Met Vlastos [106] kan de volgende definitie of omschrijving van de elenchos worden gegeven:

"sokratische elenchos is een zoeken naar morele waarheid door middel van tegensprekelijke argumentatie (by adversary argument), waarin een thesis slechts dan gedebateerd wordt indien ze geformuleerd wordt als de eigen overtuiging van de gesprekspartner; deze laatste wordt als weerlegd beschouwd indien, en slechts indien de ontkenning van diens thesis gededuceerd is uit diens eigen overtuigingen".

Elenchos is dus in de allereerste plaats onderzoek: de tegensprekelijke procedure, die gesuggereerd wordt door het Griekse woord (maar niét: geïmpliceerd), is bijgevolg geen doel op zich. Zou dat wél zo zijn, dan zou het om "eristiek" gaan, die als enige bedoeling heeft: het verslaan of "vloeren" van de tegenstrever. Het opzet van de elenchos, daarentegen, is altijd: een positief betrachten, hunkeren en zoeken naar de waarheid[107] - dàt is wat "filosoferen", én (bewust) leven, voor Sokrates inhoudt[108]. De methode stelt hem inderdaad in staat, via het weerleggen van de anderen, ook een aantal eigen, positieve opvattingen te funderen (zie verder). Daarmee vergeleken, zal in Platoons "middendialogen" de elenchos niét langer gelden als hoofdmethode om de waarheid te zoeken, maar nog slechts als een hulpmethode, om foutieve opvattingen te weerleggen.

De zogenaamde "standaardelenchos"[109] van Sokrates volgt, weliswaar met enkele variaties, doorgaans een vast schema of patroon:

(1) de gesprekspartner formuleert een thesis, "p", die door Sokrates als onwaar wordt beschouwd en daarom tot voorwerp van weerlegging wordt gemaakt.

(2) Sokrates krijgt de instemming (homología) van zijn partner met verdere premissen, bv. "q" en "r". Die instemming is ad hoc, d.w.z. Sokrates argumenteert vanuit "q" en "r", niét ernaartoe.

(3) Sokrates argumenteert dan, en de partner stemt ermee in, dat "q" en "r" "niet-p" impliceren.

(4) Daarom claimt Sokrates (maar eventueel: pas in de Gorgias) dat "niet-p" bewézen is, en dat dus bewezen is dat "p" onwaar is.

Een toepassing hiervan vinden we in de Gorgias, 474Cv., waar Sokrates Gorgias' leerling Polos aan een dergelijke elenchos onderwerpt:

(1) "p": door Sokrates voor de keuze gesteld, poneert Polos als zijn thesis: het is "slechter" onrecht te lijden dan onrecht te begaan - of omgekeerd: het is beter onrecht te begaan dan onrecht te ondergaan;

(2) "q": Sokrates krijgt Polos' instemming met de propositie: het is "schandelijker" onrecht te begaan dan onrecht te lijden;

(3) uit "q" (en "r") wordt afgeleid dat onrecht-begaan "slechter" is dan onrecht-lijden, d.w.z. dat "niet-p" waar is;

(4) Daaruit concludeert Sokrates, 479E, dat de waarheid van zijn thesis, "niet-p", "bewezen is", d.w.z. dat van "p" bewezen is, niet alleen dat ze strijdig is met "q" (en "r"), maar dat ze onwaar is[110].


3.3. Wezensdefinities.

Een essentieel aspect van de sokratische elenctische methode - waaraan Vlastos m.i. onvoldoende aandacht schenkt - is de psychologische of cognitieve werking ervan[111].

Elke gesprekspartner van Sokrates, die gevraagd wordt een antwoord te geven op de vraag, "wat is x?", ziet zijn pogingen, via de elenchos, keer op keer weerlegd. Van een aanvankelijke zelfzekerheid, eventueel ook zelfgenoegzaamheid (zoals bij de priester Euthuphroon, wanneer hem, in de Euthyphro, naar een definitie van "vroomheid" gevraagd wordt), komt hij in een toenemende staat van aporie terecht. Hoger werd gezegd dat daarmee een proces van zelfverantwoording op gang werd gebracht. Hier moet verduidelijkt worden dat het een rationele zelfverantwoording betreft.

Zij situeert zich inderdaad op het niveau van proposities: ze moet de gesprekspartner leren, argumentatief om te gaan met proposities (lógoi), d.w.z. leren - in vraag en antwoord - proposities óver proposities te formuleren[112]. Beschouwd, daarom, als een gebruikskennis, naar analogie met de ambachtelijke téchnai[113], kan de sokratisch-platonische "dialectiek" (dialektikè téchnè) begrepen worden als de kennis of kunde van het correct omgaan met, "gebruiken" van proposities, en kan de "dialectieker" (dialektikós) gedefinieerd worden als iemand die in de eerste plaats "verstand heeft van het stellen van vragen en het geven van antwoorden"[114].

Bovendien, het allereerste wat Sokrates in de antwoorden van zijn gesprekspartners steeds weer bekritiseert, is de incorrecte, d.w.z. pre-rationele, manier waarop zij het betreffende (morele) begrip pogen te definiëren. Pre-rationeel denken, inderdaad, gekoppeld als het is aan (eventueel "residuele") oraliteit, is typisch situationeel en operationeel. Anders gezegd, het pleegt alle begrippen te gebruiken

"in situationele, operationele referentiekaders die minimaal abstract zijn in de zin dat zij dicht bij de levende menselijke leefwereld blijven"[115].

Vandaar dat vragen om definities gewoonlijk op weerstand stuiten[116] en dat antwoorden, als ze dan toch gegeven worden, vaak beperkt blijven tot eenvoudige opsommingen, sc. van concrete voorbeelden. De definitie voor "boom" kan dan luiden: "appelboom, olm, populier"[117]. Als toch gepoogd wordt kenmerken aan te wijzen, dan zijn zij toegespitst op de manier waarop iets opereert of functioneert[118].

Illustratief voor de situatie hieromtrent, in klassiek Griekenland, niet in de lagere klassen maar bij de culturele elite, die sofistisch onderwijs had genoten, is de openingsscène in de Meno, waar Sokrates de jonge, Thessalische aristocraat, Menoon, leerling van Gorgias, ertoe wil brengen, het begrip "voortreffelijkheid" (aretè, "deugd") te definiëren. Vooreerst kost het Sokrates enige moeite, Menoon ervan te overtuigen dat hij, Sokrates, oprecht niet weet "wat de deugd wel zijn mag", en dat hij ook nooit iemand ontmoet heeft, die het wist (cf. 71 B-D). Vervolgens geeft Menoon op Sokrates' definitievraag het volgende, "situationele" en "operationele" antwoord:

"Wel, Sokrates, dat is niet lastig te zeggen. Om te beginnen, als ge de deugd bij de man bedoelt, dan is 't gemakkelijk: deugd, bij een man, bestaat erin bekwaam te zijn de staatszaken te beheren en aldus goed te doen aan zijn vrienden, kwaad aan zijn vijanden, en er goed op te letten zelf geen enkele schade op te lopen. En bedoelt ge de deugd bij de vrouw? Dan is het niet lastig uiteen te zetten dat zij haar huishouden goed moet beheren door goed te bewaren wat in huis is, en door onderdanig te luisteren naar haar man. Nog anders is de deugd van het kind, verschillend naargelang het een jongen of een meisje is, en die van een oud man, vrije of slaaf, al naar ge verkiest. En nog een massa andere deugden bestaan er. In verlegenheid zitten we dan ook niet om over de deugd te spreken en te zeggen wat ze is. Voor elk van ons bestaat er immers, volgens elke activiteit en leeftijd, een speciale deugd in verband met elke functie; en insgelijks bestaat daarvoor, denk ik, een speciale ondeugd"[119].

Veel bondiger, maar exact in dezelfde zin, geeft de priester Euthuphroon op Sokrates' (nochtans expliciete) vraag, hem te vertellen wat "het vrome als zodanig" (to hósion autó) is dat in alle vrome handelingen "steeds identiek is met zichzelf", het volgende antwoord (Euthyphro, 5D2):

"wel, het vrome noem ik wat ik nu voor het ogenblik doe, een aanklacht indienen tegen wie zich schuldig maakt aan moord"[120].

Sokrates' typische repliek op dit soort antwoorden luidt dan: ik vraag niét, mij één, twee of meer voorbeelden op te sommen van "deugd", "vroomheid", enz., maar mij te zeggen, wat het gemeenschappelijke wezenskenmerk (de eîdos of idéa) [121] is, waardóór al die particuliere instanties van deugd, vroomheid, enz. precies "deugdzaam", "vroom", enz. zijn. Letterlijk vraagt hij dan bv. naar "de éne zelfde vorm (eîdos) die ze allemaal bezitten en waardoor ze 'deugd' zijn"[122]; of naar

"die éne vorm op zich waardoor alle vrome (handelingen) vroom zijn,... (zodat) ik die in het oog zou kunnen houden en als paradigma gebruiken voor de handelingen - hetzij de uwe, hetzij die van een ander - om alles wat ermee overeenstemt, vroom, alles wat ermee strijdig is, zondig te noemen"[123].

Sokrates vraagt m.a.w. naar wezensdefinities. Zijn gesprekspartners, i.c. de lezers van de dialogen, worden ertoe gebracht of alleszins toe aangezet (via de aporía waarin ze door Sokrates worden gebracht), de cognitieve "sprong" te maken naar een vorm van abstracte conceptualisering [124].


3.4. Sokratische Waarheden.

Zoals gezegd, als methode wordt de elenchos door de "sokratische Platoon" nergens ter discussie gesteld. Evenmin worden ooit de epistemologische of ontologische voorwaarden besproken voor Sokrates' vanzelfsprekend geloof, dat elenchos dé methode is om waarheden te zoeken en... te vinden. Zoals gezegd, dergelijke bekommernis treffen we pas vanaf de "midden"-dialogen aan (de anamnèsis-leer, in de Meno, is er een antwoord op). Sokrates, inderdaad, is geen epistemoloog, ontoloog of metafysicus: hij is "slechts" moraalfilosoof. De elenchos, trouwens, - we zeiden het al vaak - beoogt het ontdekken en/of op de proef stellen van morele waarheden.

Welnu, ook wat die morele waarheden betreft, moeten we vaststellen dat Sokrates' loochening van alle kennis te begrijpen is als "ironie". In Platoons "sokratische" dialogen, inderdaad, hanteert, respectievelijk verdedigt Sokrates wel degelijk een aantal positieve "waarheden". Die morele waarheden stonden éven haaks op de gevestigde "common sense" als de sokratische sophía-opvatting (niet toevallig, ontbreken de meeste ervan bij Xenophoon, of worden ze er "weggetrivialiseerd"). Ik som enkele van de belangrijkste op:

(a) het is beter onrecht te lijden, dan onrecht te begaan (cf. de sokratische elenchos t.a.v. Polos, supra); wat impliceert dat het beter is een verdiende straf te ondergaan dan eraan te ontsnappen.

(b) De wet van de (weder)vergelding (lex talionis) moet afgewezen worden als immoreel.

Sokrates verwierp m.a.w. het tribale principe dat ook nog voor de Grieken van de klassieke periode[125] als de evidentie zelf gold en in de moraal van alledag gewoonlijk de vorm aannam van de stelregel dat je "je vrienden moet wel-doen, je vijanden moet kwaad-doen"[126]. We vinden de sokratische afwijzing elenctisch geargumenteerd in de Crito, 48B-C (als "archè” of uitgangspunt, ter rechtvaardiging van Sokrates' beslissing in de gevangenis te blijven en zijn terechtstelling af te wachten). Voorafgaandelijk bekomt hij Kritoons hernieuwde instemming met hun "oude" positie, dat "goed-leven" hoger moet geschat worden dan leven tout court, en dat "goed-leven" identiek is aan "schoon-en-rechtvaardig-leven" (48B5-10). Vervolgens vuurt hij, in een snelle opeenvolging, op Kritoon de volgende vijf stelregels af[127]:

1) we mogen in géén geval onrecht begaan, d.w.z. wetens-en-willens;

2) daarom mogen we onrecht niet met onrecht vergelden;

3) we mogen nooit iemand kwaad doen;

4) we mogen dus nooit kwaad terugdoen;

5) mensen kwaad doen verschilt in niets van hen onrecht aandoen.

Vooral (2) en (5) waren voor Sokrates' tijdgenoten moeilijk te "pruimen".

(c) Voor het "goed-leven", dus voor de eudaimonía, of het gelukkig-zijn, is deugd (aretè, "morele voortreffelijkheid") de noodzakelijke én voldoende voorwaarde.

Dit is het principe van de "soevereiniteit van de deugd": telkens wij voor een (exclusieve of exhaustieve) keuze staan tussen twee alternatieve gedragswijzen, waarvan we de ene als rechtvaardig of "deugdzaam" erkennen, en de andere als onrechtvaardig of slecht, moet dàt inzicht zonder meer beslissend zijn voor onze keuze; verdere deliberatie is dan nutteloos. Ter illustratie kan verwezen worden naar de heroïsche "stance" die Sokrates inneemt, in de Apologie (28B-D), als repliek op het bezwaar, of hij zich niet schaamt voor een gedragswijze die hem het leven dreigt te kosten? Geen sprake van, reageert Sokrates. Een "man" (anèr) hoeft slechts op één zaak te letten, namelijk

"op de vraag, of hij rechtvaardig of onrechtvaardig handelt, en of hij zich als een goed of als een slecht mens gedraagt".

En onder uitdrukkelijke verwijzing naar de mythische helden van de Trojaanse oorlog ("die halfgoden", noemt Sokrates hen regelmatig), meer in het bijzonder naar Achilleus, verklaart hij plechtig en "manhaftig":

"ja, zo is het er in waarheid mee gesteld, mannen van Athene: op de plaats waar iemand zichzelf heeft neergezet, in de overtuiging dat hij daar het best kan staan, of op de plaats waar hij door iemand van de overheid is neergezet, op die plaats moet hij, volgens mij, blijven staan en het gevaar trotseren, zonder rekening te houden met de dood of wat dan ook: liever dàt dan oneer" [128].

Het voorgaande betekent niét dat "deugd" door Sokrates  vereenzelvigd wordt met eudaimonie - zoals de Stoïcijnen dat zouden doen. Sokrates erként het belang van "natuurlijke goederen", zoals goede gezondheid, schoonheid, eer, rijkdom, enz: zij vormen wel degelijk een - kleine - bijdrage tot een gelukkig-leven. Ze bieden bijgevolg supplementaire criteria om keuzes te maken, althans in die gevallen waar we niet voor een keuze tussen "goed" en "kwaad" worden geplaatst[129]. Maar het principe van de "soevereiniteit van de deugd" impliceert wél dat zónder "deugd" al de rest waardeloos is.

(d) "Deugd is kennis", d.w.z. het volstààt het goede te "kénnen" om het ook te "willen"[130], en dus te doén.

Het feit, evenzo, jezélf te "kennen", impliceert (moreel) "bezonnen" te zijn, d.w.z. (rationele) zelfcontrole te bezitten. Mensen te leren, bijgevolg, wat rechtvaardigheid is, betekent ipso facto ze rechtvaardig maken (Gorgias, 460A-C).  De negatieve versie van hetzelfde principe luidt: "niemand handelt vrijwillig fout" (ibid., 509E). Anders gezegd: alle immoreel gedrag is te wijten aan onwetendheid, i.e. berust op een vergissing.

Het principe impliceert dus "that most perplexing of the consequences of a reductively intellectualist psychology"[131]: namelijk de "psychologische" onmogelijkheid dat iemand het goede - en dat is per definitie het goede voor hém - zou kénnen en tóch het slechte zou doén; of nog anders: de thesis van de "onmogelijkheid van akrasía"[132] - zoals Aristoteles ze nadien benoemde, cf. zijn Nikomachische Ethiek, VII, 1145b23:

"'t zou erg zijn - aldus de mening van Sokrates[133] - dat, wanneer iemand in het bezit is van kennis (epistèmè), deze laatste door iets anders zou worden overmeesterd en worden 'rondgezeuld als een slaaf'. Sokrates, inderdaad, placht deze opvatting (lógos) onvoorwaardelijk te bestrijden, als bestond er niet zoiets als controleloosheid (akrasía). Want niemand, zijns inziens, handelt in strijd met het beste in het beséf daarvan, maar uit onwetendheid (omtrent dat beste)".

In zoverre we mogen spreken van een "intellectualistische" ethiek, bij Sokrates[134], was ze een uitvloeisel van een rationalistische psychologie, d.w.z. van de quasi vereenzelviging van de menselijke psuchè met het redelijke of verstandelijke (i.e. het denk- en kenvermogen)[135]. Dergelijke rationalistische psychologie treffen we ook nog aan in Platoons Phaedo (geschreven kort na zijn terugkeer uit Sicilië), maar vanaf de Republiek en de Phaedrus wordt ze vervangen door een 3-delige zielsopvatting, die het mogelijk maakte de niet- of irrationele factoren in de ziel zélf te situeren[136].


3.5. Sokratische Religiositeit.

Sokrates treedt uit de teksten naar voren als een diep religieus mens. De sokratische visie op "de goden" moet gesitueerd worden binnen zijn, tegelijkertijd morele en rationele, basisopstelling. De betekenis ervan kan verduidelijkt worden via een vergelijking-en-contrast met de Ionische natuurtheologie. De Ionische phusikoí hadden het godsbegrip gerationaliseerd door het "natuurlijk" te maken[137]. Daarmee vergelijkbaar, zette Sokrates, maar dan wel bínnen het bovennatuurlijk kader dat door de Ioniërs blijkbaar verworpen was[138], een parallelle stap: hij rationaliseerde de goden door ze  moreel te maken. Zoals Vlastos het formuleert, als zijnde het sokratische "programma"[139]:

"(Socrates') gods can be both supernatural and rational so long as they are rationally moral".

Vandaar geen sokratische natuurlijke theologie, maar een sokratische "morele theologie": uit de nieuwe visie op menselijke goedheid werden normen afgeleid die ook bindende kracht hadden voor de goden.

De grote principes ervan vinden we nog geargumenteerd in de aanzet van een "theologische schets", in boek II van Platoons Republiek, 379Av., bedoeld als richtsnoer voor de dichters, bij al hun verwijzingen naar de goden[140]:

"Men moet de godheid (ho theós) voorstellen gelijk hij is, altijd, evengoed in een epos als in een lyrisch gedicht of in een tragedie... En is de godheid niet waarlijk goed (agathós), en moet men er dan ook niet in die zin over spreken? - Natuurlijk. - Nu is toch niets van wat goed is, schadelijk, niet? - Zo dunkt me. - En wat niet schaadt, doet dat kwaad (kakón)? - Ook dat niet. - En wat geen kwaad doet, zal toch ook wel geen oorzaak zijn van iets kwaads? - Hoe zou het? - Nu verder: is het goede nuttig? - Zeker. - Dus oorzaak van voorspoed? - Ja. - Bijgevolg is het goede ook niet de oorzaak van alles. Het is wel de oorzaak van alles wat het goed stelt, maar aan het kwade heeft het geen schuld. - Volstrekt, stemde hij in. - Dan is ook de godheid, daar hij goed is, niet de oorzaak van alles, zoals de massa voorhoudt. Hij is slechts oorzaak van een bepérkt aantal dingen die de mensen overkomen, maar aan het merendeel heeft hij géén schuld. Want in ons leven moet het goede ver onderdoen voor het kwade. Voor het goede kan niemand anders dan hij aansprakelijk worden gesteld, doch voor het kwade moeten we andere oorzaken zoeken, buiten de godheid."

De godheid is dus goed en wil alleen maar het goede, voor de mensen. Het kan dan ook niet verwonderen dat in de Apologie de sokratische bíos wordt gepresenteerd als een leven (én sterven) in opdracht van de godheid (Apolloon): "vroomheid" (eusébeia), immers, in deze sokratische religiositeit, betekent "gods werk" te doen, voor het welzijn van de mensen[141].

De sokratische visie op het goddelijke kunnen we begrijpen als een toepassing van Sokrates' intellectualistische ethiek. Zij volgt inderdaad logisch uit zijn vereenzelviging van de godheid met de ware, volmaakte sophía[142]. Die vereenzelviging als zodanig was een traditioneel gegeven[143]. Wanneer Sokrates er desalniettemin een radicaal nieuwe "theologische" conclusie uit trok[144], dan lag dat vanzelfsprekend aan zijn nieuw, moreel/ moraliserend sophía-begrip, d.w.z. aan het feit dat voor Sokrates de hoogste vorm van kennis of wijsheid niet theoretisch, maar moreel-praktisch was.

Het goddelijke werd aldus niet enkel onderworpen aan de normen van de moraliteit, maar tegelijkertijd ook aan die van de rationaliteit. Anders gezegd, de overtuiging dat het goddelijke alleen maar het goede kan beogen - en ons dus bv. ook niet kan beliegen[145] - verplicht ons de goddelijke boodschappen kritisch[146] te bevragen, ten einde er de ware betekenis of bedoeling van te vatten. Die goddelijke boodschappen - zoals ze tot ons komen via de traditionele vormen van dromen, dichterlijke inspiratie, mantiek, profetie, orakels... - moeten dus rationeel geïnterpreteerd worden, d.w.z. op basis van Sokrates' morele theologie. Zij brengen de mens m.a.w. geen uitgeschreven of eenduidige openbaringen, die naar de letter kunnen en dus moeten opgevolgd worden, maar slechts "tekens"[147].

In dié zin, aldus Vlastos[148] moet ook Sokrates' eigen, fameuze "daimónion" begrepen worden, d.w.z. zijn persoonlijke, goddelijke "stem" die hem regelmatig aanwees wat hem te doen, of beter: wat hem te laten stond. In tegenstelling tot een gangbare interpretatie ervan, hebben we, althans in de platoonse versie ervan, niét te doen met een twééde, a.h.w. buiten- en bovenrationele bron van morele kennis. Er is enkel sprake van "tekens"[149], die als zodanig telkens door Sokrates moeten geïnterpreteerd worden - en voor die "hermeneutiek" was hij aangewezen op zijn eigen, faalbare menselijke vermogens[150].




Epiloog

De sokratische "morele theologie" druiste volledig in tegen de eeuwenoude, heersende opvattingen over de  goden. De Griekse mythologie, zoals bekend, stond bol van de verhalen waarin goden onschuldige mensen beliegen en bedriegen, tormenteren, vervolgen en vernietigen: denken we slechts aan de onverbiddelijke persecutie van de held Herakles door oppergodin Hera, omdat hij de vrucht was van een buitenechtelijke slippertje van haar gemaal, oppergod Zeus; of aan die van het onschuldige meisje Io, omdat Zeus zijn oog op haar had laten vallen (de Griekse mythologie staat bol van "liefdesverhalen" die eigenlijk op verkrachting uitlopen)[151]. Maar ook onder elkaar hadden de verschillende godengeneraties de gruwelijkste mis- en schanddaden gepleegd, zoals beschreven werd in de Theogonia van Hesiodos.

De immoraliteit, of althans amoraliteit, van de goden was zonder meer één van de hoekstenen van de Griekse religie - en vandaar ook van de Griekse religiositeit en moraal, van de Griekse levenswijsheid. We vinden ze reeds, prototypisch, verwoord in Homeros' Ilias, wanneer Achilleus de oude Priamos ertoe wilt brengen, te berusten in zijn ongeluk: ongeluk, zo stelt hij, is nu eenmaal 's mensen lot, is "la condition humaine", want zoals de goden, zelf vrij van smart, het beschikt hebben, cf. z. 24, 524-533:

"'t Helpt toch allemaal niets, dat ijzingwekkende klagen.
Zo hebben nu eenmaal de goden, die zelf het lijden niet kennen,
ons, ongelukkige mensen, gedoemd in ellende te leven.
Want in de woning van Zeus staan twee vaten, waaruit hij
gaven bedeelt - uit het ene vat goede, uit 't andere kwade.
Wie door de god van de bliksem uit beide vaten bedeeld wordt,
treft het de ene keer slecht en gaat het een andere keer beter.
Wie hij slechts kwaad toebedeelt, stelt hij bloot aan hoon en verachting;
over de godlijke aarde jaagt hem de horzel van 't kwaad na
en hij gaat rond, door de goden zowel als de mensen geminacht".

In het licht van dat alles mag, behalve zijn sophía-conceptie, ook Sokrates' gods(dienst)opvatting als radicaal vernieuwend bestempeld worden. Zoals Vlastos het formuleert[152]: mochten de Olympische goden en godinnen onderworpen zijn aan de strikte normen van de sokratische moraliteit, waren ze volkomen onherkenbaar geworden. Hun ethische transformatie zou gelijk staan aan de vernietiging van de oude goden, en dus effectief aan de creatie van "nieuwe goden" . Weliswaar hoeft dat niét te betekenen dat Sokrates deze filosofische visie ook in zoverre in de praktijk bracht dat hij zou geweigerd hebben zich te conformeren aan de voorgeschreven en traditionele vormen van eredienst, zoals de verschillende soorten van offerandes (volgens Xenophoons Memorabilia, I, 3, 1, en IV, 3, 16, pleitte hij integendeel expliciet voor het navolgen in dit verband van de "nómos póleoos", de polisregelgeving, ter zake). De filosofen na Sokrates - zoals Epikouros, de stoïcijnen en de skeptici - zouden een gelijkaardig voorbehoud maken wat het in de praktijk brengen betreft van hun "verlichte", theoretische opvattingen inzake het goddelijke.

Wat daar ook van zij, Sokrates bracht zijn religieuze opvattingen wel degelijk "op straat" en wekte daardoor alleen al aanstoot. In zoverre moet het religieuze luik van de aanklacht die tegen hem was ingebracht, namelijk de beschuldiging van asébeia, althans vanuit "theologisch" oogpunt als terecht worden bestempeld[153]. Platoon, trouwens, laat Sokrates dat zelf erkennen, in de Euthyphro, als reactie op Euthuphroons allusie op de uit de mythologie bekende twisten en gevechten tussen de goden, Euth., 6A-B:

"Maar, Euthuphroon, ligt de reden waarom ik nu terecht sta, niet juist hiér: dat ik zulke (verhaaltjes) over de goden vijandig onthaal? Daarin precies ga ik buiten de schreef, zullen sommigen klaarblijkelijk beweren".

Wanneer we dan, van hieruit, terugblikken op het "citaat A", waarmee we deze bespreking gestart zijn, en "Sokrates" - en dat wil dus ook zeggen: de sokratische Platoon -, als het ware voor het tribunaal zouden brengen, dit keer niét van de Atheense dèmos, maar van de oudere Platoon (sc. van de Wetten), dan kunnen we besluiten dat inhoudelijk-doctrinaal, meer bepaald op het vlak van de morele theologie, Sokrates ongetwijfeld zou vrijgesproken zijn: de theologie van de Wetten is die sokratische theologie, het zij dan verabsoluteerd (de gehele kosmos is nu het product van de goddelijke Voorzienigheid - cf. de latere Stoa).

Wat evenwel de algemene, maatschappelijke effecten betreft van Sokrates' optreden in de straten van Athene, de daadwerkelijke subversiviteit ervan t.a.v. de gevestigde, ook moreel-religieuze, orde: gesleept vóór Platoons Inquisitie, namelijk zijn Nachtelijke Raad, had Sokrates geen schijn van een kans gemaakt. Zijn veroordeling en executie stonden bij voorbaat vast: in de totalitaire Staat van de Wetten is er voor een open discussie over de instellingen, het in vraag stellen van de heersende waarden en normen, of het introduceren van nieuwe ideeën principieel niet de minste ruimte meer[154].

Anders gezegd, in de Staat van (de oude) Platoon had Sokrates wel kunnen sterven voor de filosofie, maar hij zou er zeker nooit hebben kunnen léven voor die filosofie. Leven én sterven voor de filosofie heeft Sokrates alleen kunnen doen in de Atheense democratie.

_______________________


Noten:

* Deze tekst is een (beperkte) herwerking van de gelijknamige syllabus, UGent 1994; die syllabus zelf was gebaseerd op een lezing in Brugge, ter inleiding van een uitvoering door Julien Schoenaerts van de "Apologie van Sokrates". - Het antieke Sokratesbeeld (Romeinse kopie) dat vooraan gereproduceerd wordt, is te vinden in het Museo Nazionale van Napels.

[1] Diogenes Laertios, Vitae Philosophorum, II.40.

[2] Ibid.

[3] Vgl. Thrasumachos' uitval, in Platoons Politeia I, 337A3-7: "Bij Herakles, daar hebben we haar weer, die beruchte en versleten sokratische ironie. Wist ik het niet, en had ik het niet vooruit gezegd aan de anderen hier, dat ge niet zoudt willen antwoorden, maar dat ge u van den domme zoudt houden, en alles doen behalve antwoorden als men u een vraag zou stellen?" (vert. De Win). Zie hierover ook verder.

[4] Het A-citaat komt uit Platoons laatste werk, De Wetten, 907D6v. en 908D7v.; het B-citaat uit de Politeia (of: Republiek), 538C6-539B7, waar het in de mond wordt gelegd van... "Sokrates"!

[5] Stellen dat Sokrates "niets geschreven heeft", lijkt strikt genomen overdreven: er zijn aanwijzingen dat hij zich af en toe aan poëzie heeft bezondigd: tijdens zijn verblijf in de gevangenis, bv., zou hij fabels van Aisopos in versmaat hebben omgezet en ook een hymne - een proöimion - aan Apolloon hebben gedicht, zie Platoons Phaedo, 60D.

[6] We hebben er zelfs twéé: cf. ook in zijn Memorabilia, of "Herinneringen aan Sokrates" (I, 1-20), ontwikkelt Xenophoon een repliek of weerlegging van de aanklachten die (ook nà het proces: cf. Polukrates' Beschuldiging van Sokrates) tegen Sokrates waren ingebracht.

[7] Bv. ook in middeleeuwen: zowel een Petrus Abaelardus als zijn vervolger, Bernard van Clairvaux, beriepen zich op Sokrates.

[8] Daarmee vergeleken is de xenophontische Sokrates vaak niet meer dan een betweterige, zelfgenoegzame, vaak aanstellerige of platvloerse moralist.

[9] "What we can find is the truth of historical representations. We might glimpse the way in which the Greeks themselves thought things happened and pictured to themselves the ideal by which they then judged the real", R.P.Martin, The Seven Sages as Performers of Wisdom, in: C.Dougherty & L.Kurke (edd.), Cultural Poetics in Archaic Greece (1993), p. 108.

[10] Zie bv. W.K.C.Guthrie, History of Greek Philosophy, III, pp. 78-80: "it is permissible to side with those who think that Plato has done his best to recall and set down what he remembered hearing Socrates say, while giving it the amount of shaping and revision which everyone would expect... In any case what matters is that it is Socrates that Plato is giving us - what he saw in Socrates, naturally, and doubtless (as some of the critics have like to put it) an artist's portrait rather than a photograph, but all the truer to character for that".

[11] In de literatuur wordt vaak een parallel getrokken met de redevoeringen bij de geschiedschrijver Thoukudides. Voor een overzichtelijke bespreking van de hedendaagse literatuur, zie bv. Donald Morrison, On the Alleged Historical Reliability of Plato's Apology, nu heruitgegeven in: R.Kamtekar (ed.), Plato's Euthyphro, Apology, and Crito. Critical Essays (Oxford 2005), pp. 97-126.

[12] Met uitzondering van het medische traktaat, Over de oude geneeskunde, dat uit de laatste helft van de 5e eeuw stamt en waar, in kap. 20, naar de natuurspeculaties van o.m. Empedokles verwezen wordt met de (pejoratief bedoelde?) kwalificatie, philosophiè ("geleerddoenerij"?), dateert het systematisch zelfstandig gebruik van de samenstelling "filosoof/filosofie", pas van nà Sokrates, (de Puthagorasanekdote was vermoedelijk een creatie van de Akademie), met Isokrates (wiens school een retorische "filosofie" onderwees) en Platoon. Zie de syllabus ΦΙΛΟΣΟΦΟΣ (1988).

[13] Er zijn redenen om te betwijfelen of Sokrates op zijn proces überhaupt een verdedigingsrede hééft uitgesproken. O.m. Appianos (2de eeuw nK), Romeinse Geschiedenis, 11.7.41; Maximos van Tyr (2de nK), Oratio, 3.1-8 ("Had Sokrates gelijk met zich niét te verdedigen?"), en Philostratos (einde 2de, 1e helft 3de eeuw), Leven van Apollonios van Tyana, 4.46, vermelden als een algemeen gekend feit, dat Sokrates zou geweigerd hebben zich te verdedigen. In het Leven van Lusias van de Ps-Ploutarchos (Levens van de 10 Redenaars), 4.3., p. 826b, lezen we dat de logograaf Lusias een verdedigingsrede voor Sokrates zou hebben geschreven (zoals dat gebruikelijk was), maar dat Sokrates zou geweigerd hebben ze te gebruiken. Voor een "dossier" met alle bewaarde historische en apocriefe gegevens over Sokrates (in vertaling) zie J. Ferguson, Socrates. A source book, London 1970.

[14] Maar deze vergelijking is natuurlijk bijzonder gevaarlijk. In de christelijke traditie is zij, vanaf de vroegste Apologetiek (Joustinos, 2e eeuw), letterlijk ontelbare keren gemaakt, en zij heeft de historische kijk op de Griek Sokrates veel kwaad gedaan. Het is interessant om vast te stellen dat in een recente historische Jezusstudie de rollen voor een keer omgekeerd worden: cf. Burton L.Mack, The Lost Gospel (Element Books, 1993), waarin deze Amerikaanse historicus, op basis van een studie van de "Boeken van Q" - d.w.z. de vermeende bronteksten van Mattheus, Marcus en Lucas -, tot de conclusie komt "dat Jezus tijdens zijn leven beschouwd werd als een soort joodse Socrates, en niet als een goddelijke Messiaanse verlosser". Jezus wordt door Mack meer bepaald in verband gebracht met het Cynisme (in de 1e eeuw vK zou er een Cynische school gefunctioneerd hebben in Gadara, op enkele kilometers van Nazareth) en het Stoïcisme.

[15] Eén van de vaak terugkerende typeringen van Sokrates, in de bronnen, is zijn “atopía" (bijv. naamw. àtopos), een Grieks woord dat moeilijk te vertalen is. Het is samengesteld uit de negatie "on"- en "plaats(baarheid)", en bestrijkt een spectrum van betekenissen, gaande van "vreemd, excentriek, paradoxaal", tot "verschrikkelijk, schandalig". Vgl. Alkibiades, in Platoons Symposium, 221D1v.: "Zodanig is de atopía van deze man - als persoon zowel als in zijn spreken -, dat, of je nu zou zoeken onder de mensen die nù leven, of onder de ouden, je zijns gelijke nooit zou vinden, ...of ja, je zou hem, zoals ik dat al deed, moeten vergelijken, niet met enig mens, maar met silenen of saters - hemzelf zowel als zijn argumenten".

[16] Zie Vlastos, o.c., p. 117 en n. 50.

[17] Vgl. zijn "Herinneringen aan Sokrates".

[18] Ibid., p. 50.

[19] Vgl. bv. W.K.C.Guthrie, (1975), p. 168, n.a.v. de bevraging, in de Charmides, van de sokratische notie van "zelfkennis": "It looks as if Plato is beginning to emerge from his Socratic shell and try his own wings".

[20] Volgens Vlastos, o.c., p. 118, moet voor die ommekeer waarschijnlijk een externe gebeurtenis aansprakelijk worden gesteld, Platoons contacten, tijdens zijn eerste reis naar Sicilië, met de Italische Pythagoreërs, vooral met Archutas van Tarente, filosoof, mathematicus én politicus. De effecten van Platoons kennisname van de wiskunde, m.i.v. de mathematische (vooral meetkundige) methodes van bewijsvoering, zien we voor het eerst in alle duidelijkheid in de dialoog Meno (cf. de anámnesis-doctrine; het "experiment" met de slaaf die, "louter" geleid door Sokrates' vragen, een meetkundig vraagstuk oplost, 82Bv. - als bewijs voor de aanwezigheid, in de ziel, van a priori kennis). Aanzetten voor deze wending, die lijnrecht ingaat tegen de visie in de "elenctische" dialogen en zal voeren naar het ideaal van de "filosoof-koning", zijn, volgens Vlastos, al te vinden in de Hippias Maior, en de Euthydemus. De terminus post quem, z.i., is de Gorgias (vermoedelijk geschreven kort na Platoons terugkeer, d.w.z. na 387).

[21] Zie het Platoon-deel 1.

[22] Over de "Zeven Wijzen", zie verder.

[23] Ik wil toch énkele hedendaagse antwoorden vermelden. M.I.Finley, Socrates and Athens (1977²), p. 71, wijt Sokrates' vervolging aan een ongelukkig toeval: "My answer is as unsensational as it could be, precisely the answer given in the (7th) letter attributed to Plato: Socrates was indicted by some chance. Anytus and Meletus and Lycon joined together for personal reasons, which we can only guess at. That they were able to do so is no problem: personal grievances have been the root cause of many trials, in Athens as elsewhere. That they succeeded, however, can be explained only by the long complicated (historical) background... It was this chance combination of history and personal factors that produced the great tragedy in 399. It was not inevitable that Socrates had to be tried and executed. But when he was accused in 399; it was immediately probable that the atmosphere which had been building up since 431 would destroy him". Vlastos (1991), anderzijds, in de "additional note 6.6: why was Socrates condemned?", pp. 293-7, verdedigt de opvatting dat Sokrates' onorthodoxe of onconventionele opvattingen op zich nooit aanleiding zouden hebben gegeven tot vervolging: cf. "the wide margin of deviant religious belief and practice that was tolerated at Athens" (p. 295); wàt echter "kwaad bloed" zette, was het feit dat Sokrates ermee naarbuiten, op de straat, kwam en dat hij volgelingen maakte. Cf. Vlastos' besluit (p. 297): "From these data, meager though they are, we can infer with considerable confidence that if Socrates had been content to pursue his philosophizing in private conversations with fellow-seekers after truth, he need have had no fear that his unorthodox religious views would have got him into trouble with the law. Since he wrote no books, the opinions he debated with his friends would not have made him vulnerable to prosecution. What did, was the aggressiveness of his public mission -the fact that he felt constrained to philosophize on the streets of Athens, 'examining himself and others'". Platoons stichting van de "Akademie" - waardoor de beoefening van de filosofie van het marktplein naar de school werd gebracht - toont alleszins dat hij die les begrepen had.

[24] S.G.Stock, bv., in de inleiding van zijn The Apology of Plato (1887), p. 17, heeft het over "the temerity of a city mob".

[25] Cf. natuurlijk de steeds terugkerende vergelijking tussen Sokrates' vervolging en terechtstelling en die van Jezus van Nazareth. Zie ook Finley, o.c., p. 61: "Socrates and Athenian democracy are both dead, but his trial remains alive as a great myth, and like all myths, it is believed - by those who believe it - to exemplify a universal truth. Here is the proof, it is said, of the tyranny of the majority, of the trampling of the voice of reason and individual conscience by mass rule, of the common man's hatred of the man of genius. Socrates may be dead, but the issues are not". Voor een verdediging van de Atheense democratie, zie ook Finley's, Démocratie antique et démocratie moderne (Frans vert., 1976).

[26] Die al van start ging in de 18e eeuw, met de controverse tussen "philosophes" en "savants". De platonische legende van "Sokrates, de martelaar", gekoesterd door de "philosophes", werd door een savant als bv. N.Fréret met de grond gelijk gemaakt: Sokrates, z.i., "fut uniquement la victime de ses railleries sur la forme du gouvernement démocratique établie de son temps" (Observations sur les causes et sur quelques circonstances de la condamnation de Socrate, 1736). Zie Mario Montuori, De Socrate iuste damnato. The Rise of the Socratic Problem in the Eighteenth Century (1981), met heruitgave van vier 18de-eeuwse teksten en een bibliografie van 18de-eeuwse geschriften over Sokrates.

[27] Stone, o.c., p. 5.

[28] Stone is nog op late leeftijd Grieks gaan leren, ten einde de bronnen in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen, en zijn boek is gebaseerd op een brede literatuur (zie de "Notes", achteraan).

[29] Cf. Karl Popper, die, in The Open Society and Its Enemies (19665), vol. I, net de thesis verdedigde, dat "Socrates was, fundamentally, the champion of the open society, and a friend of democracy" (p. 191), met als correlaat, dat hij door Platoon verraden was, cf., p. 194: "Socrates had only one worthy successor, his old friend Antisthenes... Plato, his most gifted disciple, was soon to prove the least faithful. He betrayed Socrates, just as his uncles [sc. Critias en Charmides] had done". Recentelijk heeft Vlastos (1993), met de nodige wetenschappelijke voorzichtigheid, enkele argumenten aangebracht ten gunste van de hypothese dat het beeld van Sokrates als een politieke subversieveling - beeld dat ook bij Sokrates' tijdgenoten bestond en dat mede aan de basis lag van zijn vervolging - een "misperception" was: cf. zijn artikel The historical Socrates and Athenian democracy (1993). Vlastos hecht veel belang aan de steun die Sokrates klaarblijkelijk bleef genieten, ook nog tijdens zijn proces, vanwege vrienden die hun leven op het spel hadden gezet voor het herstel van de democratie (cf. o.m. Chairephoon en Lusias).

[30] Hegel, Vorl., I, p. 441 (ed. Suhrkamp).

[31] Ibid., p. 446.

[32] Ibid., p. 447

[33] Ibidem.

[34]  Het Griekse woord “apología” mag niet, zoals ons woord apologie, begrepen worden in de betekenis van "verontschuldiging": het betekent "verdediging", sc. tegen een aanklacht, zónder de minste implicatie dat erkend zou worden dat men een onrecht of misdaad gepleegd heeft.

[35] Vgl. de bekende reactie vanwege de jonge sofistenadept, Menoon, in Meno, 79E7-80B7: "Sokrates, men had me verteld, voordat ik je zelfs maar ontmoette, dat je nooit iets anders doet dan zélf in verlegenheid zijn en de anderen in verlegenheid brengen. En nú heb ik de indruk dat ik thans zélf vol aporía zit. Ik heb helemaal de indruk, als we ook eens mogen schertsen, dat je zowel naar uiterlijk als naar de rest volkomen gelijkt op de bekende platte zeesidderrog. Ook die vis doet iedereen die hem nabij komt en aanraakt, verlammen. Iets van die aard heb ook jij op dit ogenblik met mij gedaan. Ik ben inderdaad werkelijk lamgeslagen, zowel naar ziel als naar tong. Ik weet niet wat ik je moet antwoorden. En nochtans, hónderden keren heb ik uitvoerig over de voortreffelijkheid (aretè) uitgeweid; en wel ten aanhoren van ganse massa's: en altijd met groot succes, naar het me voorkwam. En nu weet ik er helemaal niets over te zeggen: zelfs niet over wat ze is. Ook geloof ik dat het een gelukkig besluit van je is, nooit uit te varen, nooit op reis te gaan. Want zou je als vreemdeling in een vreemde polis zulke dingen doen als hier, je zou vlug worden ingerekend als tovenaar" (in het slotdeel van deze zelfde dialoog wordt een gelijkaardige waarschuwing/dreiging ook geformuleerd door... Anutos, de voornaamste van Sokrates' latere aanklagers, cf. Meno, 94E).

[36] Nikias was de ongelukkige generaal die, in 415, door Athene samen met Alkibiades belast werd met de leiding over de rampzalige expeditie naar Sicilië, een militaire onderneming waarvan hij nochtans een tegenstander was.

[37] In de syllabus Inleiding tot de lectuur van Aristoteles' Ars Rhetorica (1987-1988), p. 78.

[38] Zie D.D.Feaver & J.E.Hare, The Apology as an Inverted Parody of Retoric (1981), pp. 205-216.

[39] We hebben het hier, zoals gezegd, over de "eigenlijke" apologie (= A). Ter illustratie zullen we de (later) gangbare Latijnse terminologie citeren. Voor een goede, Nederlandstalige introductie tot retorica, zie A.D.Leeman & A.C.Braet, Klasssieke retorica. Haar inhoud, functie en betekenis (Groningen 1987): over de "dispositio of ordening" (taxis), zie p. 91v.

[40] Cf. Lincoln (1993), p. 234 n. 6: "this is part of a much broader retorical strategy... By this deliberate confusion of categories, the attempt is made to undermine the authority of the prosecutors by associating them with common critics, while simultaneously associating their legal speech with the speech of slander". Vgl. met de wijze waarop Demosthenes te werk gaat, in zijn beroemde Kransrede. Zie Aristoteles, Rhetorica, III.15, over "laster" (diabolè) als een retorisch middel.

[41] Zie D-K, 82b11a. Zie hierover Feaver & Hare, o.c.

[42] Feaver & Hare, o.c., p. 209.

[43] Over de vraag, of Platoon de Apologie vrij snel na Sokrates' terechtstelling schreef, eventueel zelfs als zijn eerste tekst, dan wel pas verschillende jaren later (eventueel in reactie op het pamflet, de "Aanklacht tegen Sokrates", in 492 verspreid door de sofist Polukrates), bestaat onder de historici geen eenstemmigheid. Maar Sokrates wàs hoe dan ook veroordeeld en terechtgesteld.

[44] De "filosofische retoriek", in onderscheid met de logografie, die onderwezen werd in de retorenscholen, is "gericht op (het reveleren van/ leiden naar) de Waarheid... Platoon is weliswaar bereid om te erkennen dat t.o.v. het gewone volk het gebruik van een monologische retoriek onvermijdelijk is. Voorwaarde, echter, is dat de spreker bij voorbaat in het bezit is van een algemeen inzicht en van de ware wetenschap, m.a.w. de "ware" redenaar moet éérst filosoof zijn" (uit de syllabus Inleiding tot... Aristoteles' Ars Rhetorica, p. 79).

[45] Alleszins sedert de Romeinse retor Quintilianus (2e helft 1e eeuw nK) verstaan wij onder "ironie" de stijlfiguur, of trope, waarin er een tegenspraak (of alleszins een contrast) bestaat tussen wat gezégd en wat bedoéld wordt; de wérkelijke betekenis moet dan afgeleid worden o.m. "uit de context, de spreeksituatie, de toon of de mimiek van de spreker" (H.van Gorp, e.a., Lexicon van literaire termen, 1986³, p. 201). De oorspronkelijke, Griekse woorden evenwel – eiroon, eironeia, eironeuesthai, e.a. - hadden doorgaans, weliswaar niet uitsluitend, een pejoratieve connotatie, namelijk van het opzettelijk en kwaadwillig misleiden. Het woord “eiroon”, in de klassieke periode, gold daarom gewoonlijk als een "Schimpfwort", cf. ons "huichelaar". Vgl. Theophrastos, Karakters, 1, bv. § 5: "hij heeft iets gehoord en doet alsof hij van niets weet; hij heeft iets gezien en zegt dat het hem niet is opgevallen; hij heeft iets afgesproken en zegt dat hij het vergeten is". De positieve gebruikswijze, daartegenover, die vanaf de 4de eeuw steeds meer ingang vond en nadien algemeen werd (bij de Romeinen, vanaf Cicero, gold "ironia" als een uiting van "prudentia", en dus als een teken van urbaniteit en goede smaak), is er mogelijk precies gekomen dank zij Sokrates. Zie vooral Vlastos (1991), ch. 1, "Socratic Irony", die argumenteert dat het bij Sokrates om méér ging dan om een onschuldig "doen alsof": hij maakt een onderscheid tussen banale, "simple irony", als een vorm van spel, en de eigenlijk sokratische, "complex irony" [die klaarblijkelijk z.i. een analoge, cognitieve functie bezit als de metafoor]: "in 'simple' irony what is said just isn't what is meant: taken in its ordinary, commonly understood, sense the statement is simply false. In 'complex' irony what is said both is and isn't what is meant: its surface content is meant to be true in one sense, false in another" (ibid., p. 31). Exemplarisch voor deze "complexe ironie" is Sokrates' steeds weerkerende bewering, tegenover zijn gesprekspartners, dat hij zelf "niets weet" (sc. over het onderwerp van onderzoek). Zie ook Feaver & Hare, o.c., n. 21 (p. 215, met verwijzingen), die eveneens de mogelijkheid opperen dat de betekeniswijziging van eironeia "was perhaps produced (by) the character of Socrates itself". Zij voegen daar evenwel aan: "But even with Socrates the 'irony' is not benign. He used it, says Bergson ([L., Eiron und Eironeia, in: Hermes 99, 1971, p.] 418), 'um die Gegner zu verspotten und sie damit ihres Scheinwissen zu überführen". 

[46] Vgl. met portrettering van Sokrates door Alkibiades, in het Symposium: "zijn hele leven lang houdt hij zich voortdurend van de domme, hij speelt maar met de mensen" (216E4). Maar Alkibiades heeft, in zijn eigen persoon, vooral de "ironie" leren inzien van Sokrates' "verliefdheid" op mooie knapen zoals hijzelf: ze loopt steeds op het omgekeerde uit, namelijk dat het de knààp is die Sokrates gaat achterna zitten, in plaats van omgekeerd, cf. Symp., 222B3: "Talloze jonge mensen heeft die man bedrogen door ze te laten denken dat hij een minnaar (erastès) was maar zich dan als de beminde (erómenos) te ontpoppen". 

[47] Zo belijdt Sokrates bv. nergens uitdrukkelijk zijn geloof in de traditionele, Olympische goden (met uitzondering van de Delphische Apolloon). Zie trouwens verder, over de sokratische religiositeit.

[48] Indien het verhaal historisch is, berustte het orakel waarschijnlijk op "kleromantie", d.w.z. de priesteres had vóór zich een kruik met daarin twee bonen, een witte en een zwarte; eens de vraag gesteld, trok zij blindelings één boon: was het de witte, dan was het antwoord "ja", was het de zwarte, was het antwoord "neen". Dergelijke techniek van voorspelling/orakel werd toegepast in de 4de eeuw, en was vermoedelijk al veel ouder. Het mogelijke gebruik ervan zou alleszins één van de problemen oplossen, die n.a.v. dit verhaal gerezen zijn, namelijk hoe een honkvaste Athener als Sokrates, die nooit iets gepubliceerd had en op het ogenblik van het orakel amper in de dertig kan geweest zijn, een dusdanige faam had verworven, dat hij door de Delphische priesters (die Spartaans gezind waren) tot "de meeste wijze van Hellas" werd uitgeroepen. Zie hierover Vlastos (1991), pp. 288-289.

[49] De belangrijkste uitzondering hierop, in de hedendaagse literatuur, is de Italiaanse historicus, M.Montuori: zie zijn Socrates. Physiology of a Myth (1981), Part II. Na een omstandig en kritisch onderzoek van het bronnenmateriaal en van de historische problemen die door het verhaal gesteld worden, komt hij tot de conclusie dat het orakel, "waar de beschrijving van Sokrates in de Apologie volledig op gebouwd is", fictie is, d.w.z. "an invention by Plato" (p. 140); een conclusie die op haar beurt "de betrouwbaarheid in vraag stelt van de volledige beschrijving van Sokrates in de Apologie" (ibid.).

[50] Vermelden we nog dat het orakel nergens elders ter sprake komt, in de dialogen van Platoon. Maar het wordt wél hernomen, zij het in een wat andere vorm, in Xenophoons Apologie, § 14: "Toen Chairephoon eens in Delphi over mij consulteerde, in aanwezigheid van vele mensen, antwoordde Apolloon dat er geen mens vrijgezinder, rechtvaardiger of (levens)wijzer was dan ik". Hierbij passen de volgende opmerkingen: 1) er wordt niet gezegd welke vraag Chairephoon precies voorgelegd had; 2) het antwoord laat zich niet gemakkelijk herleiden tot een toepassing van kleromantie; 3) de vermelding, dat het orakel zou gegeven zijn "in aanwezigheid van vele mensen", roept de vraag op, hoe het feit en de inhoud van het orakel dan al die jaren, d.w.z. tot op het proces, onbekend zijn kunnen blijven voor het grote publiek (cf. de manier waarop Sokrates het verteld, in béide apologieën, en de luidruchtige reactie van de juryleden); 4) inhoudelijk brengt Xenophoon, vergeleken met de platoonse versie (gecentreerd op het filosofisch begrip sophía), een gebanaliseerde, puur moralistische versie; de xenophontische Sokrates heeft ook niet de minste moeite met Apolloons lofspraak over hem: niet zonder zelfgenoegzaamheid, argumenteert hij ten gerieve van de jury dat hij inderdáád moreel superieur is aan alle andere mensen (§ 16v.). Zie Vlastos (1991), p. 253 n. 63, en pp. 288-289.

[51] Noch Platoon noch Xenophoon geven expliciete informatie over Sokrates' leeftijd, op het ogenblik van het orakel. Montuori, o.c., pp. 88-89, sluit zich aan bij het standpunt dat Platoon het al met al "voldoende duidelijk maakt", dat de Pythia door Chairephoon zou geraadpleegd zijn vóór de start van de Peloponnesische oorlog, meer bepaald vóór 432, d.w.z. toen Sokrates nog maar in zijn dertig was: later, tijdens de oorlog, was het voor een Athener zo goed als onmogelijk om naar (het Spartaans gezinde) Delphi te reizen.

[52] Ti pote légei ho theós, kai tí pote ainíttetai? Apol., 21B. Vgl. Herakleitos, fr. 93: "De vorst, van wie het orakel in Delphi is, legt niet uit of verbergt niet, maar geeft tekens". 

[53] Zie verder, voor het sokratische godsbegrip, kap. 3.5.

[54] Apologie, 21B.

[55] Cf. 22B7: "alle aanwezigen".

[56] Zo Bruce Lincoln, Socrates' Prosecutors, Philosophy's Rivals, and the Politics of Discursive Forms, in: Arethusa, 26 (1993), p. 236. Ook voor wat volgt.

[57] Bekleedde o.m. het (hoge) ambt van stratègós en speelde een leidinggevende rol in het herstel van de democratie (403). Zijn zoon zou korte tijd bij Sokrates in de leer geweest zijn. Cf. Anutos' optreden, in het slotdeel van Platoons Meno.

[58] De jaren volgend op het proces, produceerde hij een Oidipeia, i.e tragedie rond de Oidipous-mythe. Zie Lincoln, o.c., p. 234, met verwijzingen.

[59] Cf. Apol., 24A1: "Lukoon (heeft mij aangevallen) namens de redenaars".

[60] Lincoln, o.c., p. 238.

[61] Vergeten we niet dat de "uitvinding van de filosofie" óók de creatie met zich meebracht van een hiërarchisch denken. Anders gezegd: het archaïsche organisatieprincipe, gebaseerd op analogie en polariteit (d.w.z. in termen van "inclusie"/ "exclusie", binnen/buiten), werd door de filosofen vervangen door een strikt rationeel, verticaal systeem van superioriteit en inferioriteit, dominantie en subordinatie. In dat systeem werden "mens" en "dier", bv., net zoals "man" en "vrouw", "Griek" en "barbaar", niet langer polair aan elkaar geopponeerd (in termen van exclusie), waarbij dier/ vrouw/ barbaar onderling analogisch verbonden waren. Alle entiteiten werden integendeel geïntegreerd binnen een nieuwe, hiërarchische logica, zodanig dat "vrouwelijk", "barbaars" en "dier" - tevoren de uitgesloten "anderen" - nu ook aan elkaar gerelateerd werden, als even zovele graden van toenemende vervreemding/ degeneratie t.a.v. de lógos, of de rede. De "great chain of being" gedachte (cf. Arthur Lovejoy, 1936) - toegepast op het individu, de polis en op de kosmos in zijn geheel - startte inderdaad met Platoon. Zie hierover Page duBois, On the Invention of Hierarchy, in: Arethusa, 15 (1982), pp. 203-220. Haars inziens leverde de meester-slaafverhouding het maatschappelijk model voor het hiërarchie-denken van Platoon en Aristoteles.

[62] Lincoln, o.c., p. 241. Vgl. bv. de slotsectie van de Phaedrus (278 B-E): pas wanneer redenaars (cf. Lusias), dichters (cf. Homeros) en wetgevers (cf. Soloon) bereid zullen zijn, zich te onderwerpen aan het sokratische kruisverhoor om verantwoording af te leggen over wat ze geschreven hebben, kunnen ze de titel verdienen, niet van "sophós": "die komt alleen de godheid toe" -, maar van “philósophós", "of iets van die aard" (278D3-6). Zolang ze dat niét doen, blijven ze slechts "dichter", enz., d.w.z. blijven ze vasthangen aan een status die door de komst van de filosofie gedevalueerd is.

[63] Zie voor deze termen, de syllabus gewijd aan de Sofistiek, § 1.

[64] Het schema zelf van een 7-koppig college van experts is allicht veel ouder. We vinden het inderdaad ook terug in andere culturen, zoals in het Nabije Oosten: cf. bv. in het Gilgamesj-epos (tussen 2000 en 1200 vK), waarin verteld wordt dat de muren van Uruk gebouwd zijn door zeven wijze mannen. Maar vooral de oud-Indische Vedas hebben het regelmatig over een groep van "Zeven Rsis", waarbij deze mannen worden afgeschilderd als tegelijkertijd zieners en dichters, maar ook als scheppers, mystici, offeraars en... sterren (de Pleiaden) en levensadems. Zie hierover (en ook voor wat volgt) R.P.Martin, The Seven Sages as Performers of Wisdom, in: Dougherty & Kurke (edd.), Cultural Poetics in Archaic Greece (1993), p. 121v. Z.i. vormen de "Zeven Wijzen" mogelijk een overblijfsel, aangepast aan de archaïsche polissamenleving, van een Indo-Europese institutie, van een offer- of priestercollege: "a group of men learned not only in the craft of sacrifice but also in religious lore and precepts of all types" (p. 123; vgl. dergelijke colleges van pontifices bij de Romeinen, en van Brahmanen in het oude Indië).

[65] Zie vooral Diogenes Laërtios, bk. I, en de verzameling gezegdes (tôn hepta sophôn apophthégmata) op naam van Demetrios van Phaleron, in Stobaios (III.1, 172), opgenomen in D-K, nr. 10. Vgl. met gelijkaardige spreukenwijsheid in andere culturen: bv. het boek Spreuken, in de Bijbel.

[66] Zie reeds de ("ironische") bespreking van de "Zeven" en een aantal van hun spreuken, door Sokrates, in Platoons Protagoras (343Av.): zij worden er als aanhangers van de Spartaanse of Lakedaimonische, d.w.z. "lakonische philosophía" gepresenteerd (342A) - cf. de typische beknoptheid van de spreuken.

[67] Zie Martin, o.c., p. 118: "The work of ethnographers in the past few decades has confirmed the view that proverbs are actually 'performed' in traditional cultures" (met verwijzing naar C.Briggs, The Pragmatics of Proverb Provenance in New Mexican Spanish, in: American Anthropologist, 87, 1985, pp. 793-810). Voor de notie van "performance", of "vertolking", zie nogmaals Martin, o.c., p. 115: "By performance, I mean a public enactment, about important matters, in words or gesture, employing conventions and open to scrutiny and criticism, especially criticism of style. Performance can include what we call art. But as can be shown by the ethnographic record, it can also include such things as formalized greetings exchanged by chieftains, rituals, insult duels, and the recitation of genealogies". 

[68] Vgl. Thales die, zo word gezegd, beweerde dat er geen verschil was tussen leven en dood. Toen iemand hem daarop vroeg: "Waarom sterf je dan niet?", antwoordde hij: "Omdat het toch geen verschil maakt" (D.L., I, § 35).

[69] In traditionele, orale culturen zijn spreek- en acteertalent, m.i.v. vaardigheid met betrekking tot spreekwoorden, een voorwaarde voor het bekleden van politieke macht. Cf. Martin, o.c., p. 119: "In these cultures, it appears that one reason people obtain and maintain power is their performance ability. Again, proverb performance is essential: 'Political authority and proverbial authority have been allied since at least the time of Solomon', as a social historian notes". 

[70] Cf. Martin, o.c., pp. 113-115; alleen van de wat mysterieuze Musoon van Chen wordt niet gezegd dat hij verzen componeerde. N.B. Ook Sokrates zou zich aan poëzie hebben gewaagd (zie hoger).

[71] Martin, o.c., p. 118. Het woord "poëtisch" gebruiken we hier in de technische betekenis die het vandaag heeft in de (overwegend angelsaksische) ethnologie, cultuur- en literatuurwetenschap: cf. de noties van "social poetics" en "cultural poetics". Het beoogt bovenal 1) het maatschappelijk "gemaakt"-, of geconstrueerd-zijn, te beklemtonen van alle waarden en betekenissen; 2) de traditionele scheiding ongedaan te maken tussen "kunst" en "maatschappij": in àlle sferen van het maatschappelijk handelen, de banale zowel als de rituele of de artistieke, worden betekenissen gecreëerd - dwz maatschappelijke relaties vormen zelf een soort van discours -; anderzijds is elke expressieve act - bv. "literatuur" - ingebed in een netwerk van materiële praktijken. Zie bv. de Preface, van Michael Herzfeld, The Poetics of Manhood. Contest and Identity in a Cretan Mountain Village (1985), pp. xiv-xv ("a conviction that social relations themselves constitute a kind of discourse - the poetics described here - that parallels and converges with the discourse of narrative, jest, and song. Two kinds of structure, social and narrative, are thus approached within a single framework"); de Introduction van H.Aram Veeser, in The New Historicism (1989), p. xi; en de Introduction van C.Dougherty & L.Kurke, in Cultural Poetics in Archaic Greece (1993).

[72] Martin, l.c.

[73] Herodotos, Historiën, V, 93 (vert. Damsté). Aristoteles, Politica, 1284a26, laat Periandros het advies geven.

[74] Dit opvallend agonistisch kenmerk is mede te verklaren vanuit het oraal, of althans "residueel oraal", karakter van de Archaïsch-Griekse cultuur. Zie hierover W.J.Ong, Orality and Literacy (1982), ch. 3, "Some psychodynamics of orality", meer bepaald pp. 43-45, waarbij hij aanstipt, p. 45: "The agonistic dynamics of oral thought processes and expression have been central to the development of western culture, where they were institutionalized by the 'art' of retoric, and by the related dialectics of Socrates and Plato, which furnished agonistic oral verbalization with a scientific base worked out with the help of writing". 

[75] De beste heroïsche "performer", zowel met het woord als in de strijd, was natuurlijk Achilleus, "de beste der Achaïers". 

[76] Martin, o.c., p. 120. Volgens Platoons Protagoras, 342A-B, zouden de Zeven zijn samengekomen in Delphi en er hun spreuken, als "eerstelingen van hun wijsheid" hebben opgedragen aan Apolloon, "in zijn tempel". Opgemerkt moet worden dat de agonistische sophía-cultuur oorspronkelijk tribaal en lokaal gericht was, d.w.z. gebaseerd was op de wedijver tussen verschillende "wijzen" in eenzelfde regio. In die, op Delphi gecentreerde legende van de "Zeven Wijzen" werd ze a.h.w. "geïnternationaliseerd" - zoals dat ook al eerder met de martiaal-athletische competitie gebeurd was, middels de panhelleense spelen. Volgens Martin, o.c., p. 123, moet die ontwikkeling als een adaptatie aan de polismaatschappij begrepen worden: "the competition among sages (as local ritual experts) in a tribal context would have been incompatible with the ideological strains in the emerging polis that encouraged unification and hierarchy". Ter wille van de cohesie van de polis, m.a.w., werd het antagonistische model "geïnternationaliseerd" tot een lange-afstandscompetitie, bv. tussen Thales van Milete en Soloon van Athene. Sokrates' latere vervolging en veroordeling moet allicht in deze context gesitueerd worden: zijn agressief elenctisch en confronterend optreden binnen Athene vormde een bedreiging voor de cohesie van de Atheense polis.

[77] Cf. G.Colli, Die Geburt der Philosophie (Frankfurt, 1981), p. 45v.: "Die Herausforderung des Rätsels".

[78] Maar we denken natuurlijk ook aan Sokrates.

[79] Cf. de bekende afbeelding van de Sfinx en Oidipous, daterend uit de vroege 5de eeuw (bv. in A.N.Zadoks & J.Jitta, Antieke Cultuur in Beeld, Bussum 1958): zie op deze site.

[80] Cf. Aristoteles, Over Dichters, fr. 8 Ross. Zie bespreking bij Colli, o.c., p. 57v. Homeros zou het orakel hebben geraadpleegd over zijn herkomst en ouders, en daarbij door het orakel gewaarschuwd zijn voor "het raadsel van jonge mannen". Aangekomen op het eiland Ios (het land van zijn moeder, volgens het orakel), zou hij (jonge) vissers naar hun vangst hebben gevraagd. Omdat zij niets gevangen hadden, maar zich wel ontluisd hadden, antwoordden zij: "wat we gevangen hebben, hebben we achtergelaten, maar wat we niét gevangen hebben, brengen we mee" (het raadsel wordt ook verteld door Herakleitos, fr. 56). Homeros kon het raadsel niet oplossen. Uit schaamte en verdriet zou hij dan gestorven zijn.

[81] Cf. nogmaals de al enkele malen vermelde passus in Platoon, Protagoras, 342 A-B, over een samenkomst van de "Zeven Wijzen" in Delphi.

[82] Met de naam van "driepoot" werd een grote variëteit aan "huishoudapparaten" aangeduid: zo een bekken dat onderaan voorzien was van drie poten (en aldus boven een vuur kon worden geplaatst), een (onderzet)tafeltje waaróp een bekken of ketel werd geplaatst, een louter onderstel, waarín een ketel of kruik kon worden gehangen, een gewoon tafeltje, enz. Van brons of uit een edel metaal gesmeed, en dan vaak kunstig versierd, gold een tripous als een kostbaar siervoorwerp en dus ook geschenk. Het fungeerde derhalve traditioneel als ereprijs op athletische en poëtische concours, als wijgeschenk aan een godheid (bv. de Delphische Apolloon), e.d. Als cultisch gebruiksvoorwerp was het in de eerste plaats verbonden met... het Delphische orakel (oorspronkelijk vermoedelijk als een "bekkendriepoot" - cf. kleromantie? -; later begrepen als een "open" stoel waarin de Pythische priesteres gezeten was, boven een aardkloof waaruit hallucinogene dampen opstegen): cf. de driepikkel als stadsafbeelding op Delphische munten. Zie het zeer uitvoerige artikel "Dreifuss", van Reisch, in: RE, 10. Halbband (1905), kk. 1669-96. In zoverre het om een gebruiksvoorwerp ging dat dienst deed op feestmalen en symposia, zou het driepootmotief in de legende van de "Zeven Wijzen" een aanwijzing kunnen vormen dat het motief van de "tafelende wijzen", dat veeleer laat betuigd is (cf. Ploutarchos' Symposium van de Zeven Wijzen) al een bestanddeel vormde van de oorspronkelijke legende. Cf. Martin, o.c., p. 123.

[83] Zie D.L., I, §§ 28-33. Sommige versies hebben, als variant voor een "bekkendriepoot", een drinkbeker of "schaal" (phialè). Zie voor een bespreking, Martin, o.c., p. 120 en nn. 41-43 (met literatuurverwijzingen).

[84] In een andere versie, komt een schaal, na een ronde langs de Wijzen, tenslotte weer bij Thales, die hem naar de Apolloon van Diduma stuurt; of, in mogelijk de oudste versie, hem zelf houdt. Cf. Martin, o.c., n. 42 (p. 127): "The provenance of tripod dedications at Delphi suggests they were prestige items circulating in an aristocratic gift-exchange network. I suggest that such a network is represented in the tale of the sages".

[85] D.L., I, § 30, vraag gesteld door Chiloon, n.a.v. de driepoot/drinkschaal rondgang.

[86] D.L., I, § 106, vraag gesteld door Anacharsis.

[87] Vgl. bv. 20E en 21A: "Maakt u nu toch niet zo'n kabaal, mannen van Athene, ook al vindt u het kras wat ik zeg... En zoals ik al zeg, mannen, maakt u toch niet dat kabaal!”.

[88] Vgl. 40 C-D: "Dood-zijn is één van tweeën: het is om zo te zeggen niets meer zijn, en de dode wordt helemaal niets meer gewaar, of het is, overeenkomstig de verhalen, een soort overgang en verhuizing van de ziel, die van deze plaats hier naar een andere plaats gaat". Voor het sokratisch "filosofisch heroïsme" is een onsterfelijkheidsgeloof dus geen echte voorwaarde.

[89] Zie hoger, § 5, i.v.m. de sfinx en Homeros. Vgl. ook de typische objectie waarop Sokrates antwoordt, 28B: "Schaamt u zich nu eigenlijk niet, Sokrates, dat u zich met een soort van activiteit hebt beziggehouden waardoor u nu de dood riskeert?" 

[90] Vergelijk - en contrasteer! - dat met de reactie van de volgelingen van Jezus van Nazareth, na diens kruisiging: dank zij de "verrijzenis" werd wat op het eerste gezicht een definitief failliet leek, getransformeerd in een "success story", die van het christologische "Kerygma" van de kruisiging en de herrijzenis (vgl. Paulus, 1Kor, 15, 1-8, waar het "evangelie" vereenzelvigd wordt met het passieverhaal; ook het kruishout, als universeel christelijk symbool).

[91] Cf. in de dialogen zien we hem steeds weer herhalen dat hij geen kennis heeft van het besproken thema.

[92] 21 D2-7. Zie ook hoger. Hier in een vertaling gebaseerd op De Win.

[93] Cf. 21B en G. Vlastos (1991), p. 82 n. 4, wijst erop dat Sokrates nergens zegt dat hij "weet" dat hij niets weet - een "misreading" die Sokrates schuldig zou maken aan de bekende logische paradox van "de leugenaar die zegt dat hij liegt". Taylor (2000:46 e.v.) ontkent dat er in de Apologie sprake zou zijn van "ironie": z.i. bedoelt Sokrates er niet dat hij absoluut van niéts "kennis" zou hebben, maar wel dat hij geen (omvattende, weliswaar menselijke) sophía of expertise bezit (zoals zijn gesprekspartners wél denken te bezitten).

[94] 29D4-5.

[95] Laches, 186D-E, vertaling De Win.

[96] Sokrates, evenwel, verklaart zich enkel bereid, samen met hen, naar "de beste leermeester" te zoeken (201 A-B). Zie ook Vlastos (1991), p. 83 n.7 en p. 242.

[97] Cf. Vlastos (1991), "Additional Notes: 1.1. Socrates' Complex Philosophical Ironies", pp. 236-242.

[98] Zie Martin (1993), p. 524. - Het woord "élenchos" had oorspronkelijk de betekenis van "voorwerp van schaamte" (zo bij Homeros). Nadien echter ging het gebruikt worden voor een combinatie van argumenten, ten einde iemand te beschuldigen. "Elenchos" is als zodanig een collectieve term, d.w.z. een enkelvoud met een meervoudige betekenis: het combineert een reeks elementen, maar deze laatste moeten heel precies zijn: feiten, bewijzen en argumenten. In de juridische sfeer konden zij niet enkel gebruikt worden om iemand te weerleggen, maar ook om iets aan te tonen of bewijzen (bv. een misdaad). Een beschuldiging is een reeks van bewezen feiten of gegevens, en de som daarvan vormt een "élenchos". We hebben de term natuurlijk reeds ontmoet bij Parmenides, in de betekenis van het weerleggen van de "valse getuigen" van de menselijke zintuigen, de gewoonte of traditie, en de taal (zie het hfst. "Het Archaïsch Natuurdenken", § 3.1). Zie hierover N.-L. Cordero, By Being It Is. The Thesis of Parmenides, 2004:134-135.

[99] Dat geldt ook nog voor de "uitvinder" van de dialectiek, Zenoon van Elea. Vgl. bv. zijn paradoxen i.v.m. veelheid: "als er een veelheid is, zullen de dingen zowel groot als klein zijn; zo groot, dat ze oneindig in omvang zijn, en zo klein, dat ze helemaal geen omvang hebben..." (D-K 29B1); "als er een veelheid is, moeten de dingen precies zo talrijk zijn als ze zijn, niet meer en niet minder. En als ze dan zo talrijk zijn als ze zijn, zullen ze begrensd zijn. Als er een veelheid is, zijn de dingen die zijn, onbegrensd: tussen de dingen die zijn, zijn er immers altijd andere, en daartussen weer andere: aldus zijn de dingen die zijn, onbegrensd" (D-K 29B3).

[100] Zie hierover de syllabus ΦΙΛΟΣΟΦΟΣ, p. 90, waar ook de opmerking geciteerd wordt van E.De Strycker, De Kunst van het Gesprek. Wat waren de dialogen van Plato? (Antwerpen 1976), p. 118: "de fundamentele regel van het dialectisch spel is de homologia (overeenstemming of instemming): bij iedere stap van de argumentatie dienen de partners tot een akkoord of overeenstemming te komen". 

[101] Cf. nogmaals ΦΙΛΟΣΟΦΟΣ, p. 88, waar het bekende citaat gegeven wordt uit Karl Marx, Het Kapitaal (p. 15, vert. Lipschits): "Aangezien de mens noch met een spiegel ter wereld komt noch als een filosoof à la Fichte - waardoor hij zou kunnen zeggen: 'Ik ben ik' -, spiegelt hij zich eerst aan een ander mens. Pas door betrekking op de mens Paulus als zijn gelijke ziet de mens Petrus zichzelf als mens". Voor de bevestiging hiervan in de hedendaagse ontwikkelingspsychologie, meer bepaald de corresponderende opvattingen van Jean Piaget, zie in dezelfde syllabus, p. 104v.

[102] Cf. supra.

[103] Ik baseer me voor wat volgt, vooral op Vlastos (1993), maar zie ook reeds zijn bijdrage van 1983, in: Oxford Studies in Ancient Philosophy, I (1983).

[104] Er dient opgemerkt dat het Griekse woord "elenchos" in de dialogen niet als een (eigen)naam voor de methode wordt gebruikt: pas in de moderne tijd is men het woord als een soort van technische term ervoor gaan hanteren.

[105] In Platoons "middenperiode" komt daarin verandering (cf. het optreden van de notie méthodos), maar tegelijkertijd verliest de elenchos er haar monopoliepositie. De elenctische ontdekkingsmethode maakt er plaats voor de "maieutiek" (cf. de "vroedvrouw"-metafoor, in de Theaetetus), die vermoedelijk als een platoonse creatie moet worden beschouwd; zie Vlastos, 1983, p. 32 n. 17, met verwijzingen.

[106] Vlastos (1983), p. 30.

[107] Cf. de vele synoniemen voor "(onder)zoeken, naspeuren, vragen", in de dialogen.

[108] Cf. supra.

[109] Cf. Vlastos (1983), p. 38 en n. 29: "Because it is Socrates' main instrument of philosophical research. With a single major exception (Pr. 352d-358a), it is the only form of argument he uses not merely to expose contradiction in his opponent's beliefs, but to establish substantive doctrines of his own".

[110] Zie Vlastos (1983), pp. 46-47.

[111] Over de existentiële betekenis ervan hebben we het vroeger gehad, zie hoger.

[112] Cf. de vaste Griekse uitdrukking hiervoor, in de dialogen: lógon didónai kai déchesthai, "rekenschap afleggen en ontvangen" (bv. Laches, 187D; Protagoras, 336C; Gorgias, 501A; Meno, 81A; Phaedo, 76B, enz.).

[113] Zie hierover de syllabus ΦΙΛΟΣΟΦΟΣ, pp. 128-134.

[114] Cratylus, 390C10-11. Zie dezelfde syllabus, p. 99.

[115] W.J.Ong (1982), p. 49, met verwijzing naar A.R.Luria, Cognitive Development: Its Cultural and Social Foundations (1976).

[116] Cf. Ong, o.c., p. 53: "In Luria's field work, requests for definitions of even the most concrete objects met with resistance. 'Try to explain to me what a tree is'. 'Why should I? Everyone knows what a tree is, they don't need me telling them', replied one illiterate peasant, aged 22 (1976, p. 86). Why define, when a real-life setting is infinitely more satisfactory than a definition? Basically, the peasant was right. There is no way to refute the world of primary orality. All you can do is walk away from it into literacy".

[117] Cf. Ong, o.c., p. 54: "'How would you define a tree in two words?' 'In two words? Apple tree, elm, poplar'".

[118] Cf. Ong, l.c., met een voorbeeld van definitie van "auto".

[119] Meno, 71E-72A (vertaling De Win).

[120] Euth., 5D8. "Operationeler" kan het moeilijk. PS Euthuphroon staat op het punt een aanklacht wegens moord in te dienen tegen zijn eigen vader.

[121] Deze twee termen refereren bij de "sokratische Platoon" nog niét naar de (transcendente) Vormen of Ideeën.

[122] Meno, 72C7.

[123] Euth., 6 D-E

[124] Er dient nochtans opgemerkt te worden dat Sokrates en Platoon toch gebonden bleven aan een mate van "operationeel" denken. Cf. de vergelijking, in de Cratylus, met de gebroken schietspoel (389Av.): de "vorm" (eîdos, idea) waar het om te doen is, "is niét de zichtbare verschijningsvorm van de spoel, maar wordt gedefinieerd door de functie van de spoel in het weefproces" (ΦΙΛΟΣΟΦΟΣ, p. 130). Vgl. hiermee het commentaar van Ongs, o.c., p. 54, bij de definitiepoging van "a literate collective-farm worker" met betrekking tot een auto: "Although he was not well informed, he did make an attempt to define a car. His definition, however, is not a sharp-focused description of visual appearance - this kind of description is beyond the capacity of the oral mind - but a definition in terms of its operation". Ook Platoons Ideeën of Vormen - geen concepten, maar (weliswaar transcendente) concrete entiteiten - zijn een uitdrukking van die beperkte, antieke rationaliteit.

[125] Ook nog voor Aristoteles, klaarblijkelijk, cf. Rhetorica, 1367a19-20: "het is schoon (kalón) zichzelf te wreken op zijn vijanden..., want vergelding is rechtvaardig en het rechtvaardige is kalón”.

[126] Zoals in Menoons "definitie" van de mannelijke "deugd", geciteerd hoger.

[127] Zie Vlastos (1991), p. 194v.

[128] Vgl. ook Crito, 48C6-D5.

[129] De stoïcijnen, daarentegen, zouden alle niet-morele waarden per definitie als "onverschillig" (adiàphora) beschouwen, en moesten het bijgevolg stellen zonder dergelijke supplementaire criteria (weliswaar vormen zij het vertrekpunt voor moreel "passende" handelingen): zie hierover in hfst. 8, § 3.4.

[130] Over het typisch Griekse, dubbele woordveld voor "willen", waarbij de woordgroep voor actief "willen": namelijk boúlomai, enz., dergelijke ondergeschiktheid van de wil aan de kennis of het verstand reeds bij voorbaat impliceert, zie de syllabus De Late Oudheid (1985-86), pp. 19-22.

[131] Vlastos (1991), p. 96.

[132] In deze technische gebruikswijze is akrasía niet als een louter moreel begrip te verstaan, (als "teugelloosheid, genotzucht"): het gaat om een in de eerste plaats rationele "controleloosheid", d.w.z. de onmogelijkheid, zichzelf rationeel "in de hand te houden" (in het Engels gewoonlijk vertaald als: "incontinence", in het Frans: "intempérance").

[133] Hoewel Aristoteles in wat volgt een zinsnede uit de Protagoras herneemt (362C), is zijn verwijzing hier naar "Sokrates" klaarblijkelijk toch niet bedoeld als een verwijzing naar het platoonse dialoogpersonage. Cf. zijn inachtneming van de "Fitzgerald's canon", het gebruik van "Sokrates" voor de historische Sokrates, van "ho Sokrates" ("ho" is het Griekse lidwoord) voor het platoons personage. Zie Vlastos (1991), p. 97 n. 67.

[134] Maar de moderne term "intellectualistisch" is misleidend, want anachronistisch. Voor Sokrates gold immers ook omgekeerd, dat kennis nooit louter theoretisch, maar altijd óók praktisch was, want moreel motiverend. Zoals gezegd, de waarheid dient geen louter kennisbelang, maar altijd ook een  levensbelang. Vgl. zijn repliek, Apologie, 29D-E: "Beste man, u bent een Athener, woonachtig in die grote stad, die zo vermaard is op het punt van wijsheid en macht. Schaamt u zich nu niet dat u erop uit bent om zoveel mogelijk geld en aanzien en eer te krijgen, terwijl u zich geen zorgen en gedachten maakt over het juiste inzicht (phrónèsis) én over de waarheid én over de vraag, hoe uw ziel zo voortreffelijk mogelijk kan worden?" Vermoedelijk speelde hier tevens de overtuiging dat morele waarden (in contrast met materiële) vanuit zichzelf motiverend werken: "kennis" ervan impliceert dus tegelijkertijd de motivatie om ernaar te handelen (zie verder bij Platoon, i.v.m. de Ideeënleer).

[135] In de Alcibiades I, waarvan het platoons auteurschap controversieel is, wordt in dezelfde zin de psuchè in haar hoedanigheid van ken- en denkorgaan als "goddelijk" gekwalificeerd (133C1-2), en wordt sophía de "deugd", of "staat van (morele) voortreffelijkheid" (aretè), van die psuchè genoemd (133B9-10). Voor de "sokratische" en de platoonse "psuchè", zie de kleine syllabus PSUCHE. Lichaam en Geest bij de Grieken: Van Homeros tot Aristoteles (1993), pp. 20-24.

[136] Zie PSUCHE. Lichaam en Geest, pp. 25-32.

[137] Zie de syllabus, De Ioniërs, hfst. 2 (over Thales en Xenophanes); ook op deze site.

[138] Over Sokrates' aanvaarding, inderdaad, van het bovennatuurlijke, zie Vlastos (1991), p. 158: "(Socrates) subscribes unquestioningly to the age-old view that side by side with the physical world accessible to our senses, there exists another, populated by mysterious beings, personal like ourselves, but, unlike ourselves, having the power to invade at will the causal order to which our own actions are confined". Vlastos noemt de gangbare visie op Sokrates, als een "typische vertegenwoordiger van de Griekse Verlichting", een "gross error" (ibid., p.160 n. 18).

[139] Vlastos, o.c., p. 162.

[140] Een tekst dus uit de "middenperiode". Vlastos (1991), p. 163 n. 27, argumenteert echter dat Platoon pas vanaf 380Dv. een nieuwe, metafysische premisse ontwikkelt (nl. dat de goden niet kunnen veranderen). De passus wordt geciteerd in de (licht aangepaste) vertaling van De Win.

[141] Cf. Euthyphro, 13E6-11: "Zeg me nu eens, mijn beste: in de uitvoering van wélk werk (ergon) is onze dienstigheid aan de goden hen dienstig?... Vooruit dan, bij Zeus, welk is toch dat glorieuze werk dat de goden uitvoeren wijl ze ons als hun dienaars gebruiken?" 

[142] Cf. Apologie, 20 D-E en 23 A-B. Vgl. ook Symp., 204A1: "geen god filo-sofeert of verlangt sophós te worden: hij ís het immers". 

[143] Cf. de banden tussen de "Zeven Wijzen" en Apolloon van Delphi, zie hoger.

[144] Vgl. daarentegen Herakleitos. Diens vereenzelviging van het goddelijke met "het ene, ware wijze” voerde hem tot de conclusie dat de godheid bóven goed en kwaad stond, vgl. fr. 102: "voor de godheid is alles schoon en rechtvaardig, maar de mensen hebben het ene als onrechtvaardig, het andere als rechtvaardig opgenomen". 

[145] Apologie, 21B6:"liegen doet god zeker niet: dat is hem niet veroorloofd" (bij Homeros hadden de goden daar geen moreel probleem mee).

[146] "Kritisch", inderdaad: Sokrates, in de Apologie, beoogt met zijn confrontatieronde niet minder dan Apolloons orakel te "weerleggen"!

[147] Vgl. nogmaals Herakleitos, fr. 93: "de vorst, van wie het orakel in Delphi is, zegt niet of verbergt niet, maar geeft tekens”. 

[148] Vlastos (1991), vooral "add. note 6.1: Socrates' daimonion", pp. 280-287; ook ibid., p. 167.

[149] De Griekse uitdrukking "to daimónion" moet, alleszins bij Platoon, steeds gelezen worden als een contractie van "het goddelijke teken" ("to daimónion sèmeîon", vgl. ook uitdrukkingen in de Apologie, 40B1, en 40C3). Voor verwijzingen zie Vlastos, o.c., pp. 280-281. Alleen in hoofde van Sokrates' aanklagers wordt "daimónion" als een substantief gebruikt om te verwijzen naar een godheid: cf. de daimónia kainà, "nieuwsoortige godheden", die Sokrates volgens de aanklacht had willen invoeren.

[150] Cf. Vlastos, o.c., p. 282: "there is not a single Platonic text in which Socrates says or implies that the god causes him not only to hear 'the voice' but also to discern the right interpretation of its message".

[151] "It would be hard to find a human female acting more viciously than this goddess does in the myths", Vlastos (1991), pp. 166-167, die ook nog naar Euripides' Hippolytus verwijst: omdat Hippolutos haar "beledigd" heeft, zal Aphrodite niet alleen hem, maar ook nog zijn stiefmoeder, Phaidra, én zijn vader, Theseus, in het verderf storten.

[152] Vlastos, l.c.

[153] Zie hoger.

[154] Althans hierin sluit ik me aan bij het standpunt van Popper (1966), I, p. 195: "Free thought, criticism of political institutions, teaching new ideas to the young, attempts to introduce new religious practices or even opinions, are all pronounced capital crimes [sc. in Plato's Laws]. In Plato's state, Socrates might have never been given the opportunity of defending himself publicly; and he certainly would have been handed over to the secret Nocturnal Council for the purpose of 'attending' to his diseased soul, and finally for punishing it".




Literatuurlijst


1.  Platoon.

DE WIN, Xavier, Plato. Verzameld Werk. 3 dln, Antwerpen 1962-65.

STOCK, St. George, The Apology of Plato, with introduction and notes (1887). 3d ed., revised, Oxford 1961.

WEST, Thomas G., Plato's Apology of Socrates. An interpretation, with a new translation. Ithaca & London 1979.

WIJDEVELD, Gerard, Plato. Verdedigingsrede van Sokrates. Vertaald en ingeleid. Amsterdam 1977.


2.  Secundaire Literatuur.

COLLI, Giorgio (1981), Die Geburt der Philosophie (1975). Aus dem Italienischen von Reimar Klein. Mit einem Nachwort von Gianni Carchia und Reimar Klein. Frankfurt 1981.

DE LEY, Herman (1987), Aristoteles. Inleiding tot de lectuur van zijn "Ars Rhetorica". Syllabus RUG 1987-88.

DE LEY, Herman (1988), ΦΙΛΟΣΟΦΟΣ. Van "wereldwijs" naar "wereldvreemd"? Sophía, philosophía & theoria: betekenisontwikkeling van Homeros tot Epikouros. Syllabus RUG 1988³.

DE LEY, Herman (1993), PSUCHE. Lichaam en Geest bij de Grieken, Van Homeros tot Aristoteles. RUG.

DE STRYCKER, Émile (1976), De Kunst van het Gesprek. Wat waren de dialogen van Plato? Antwerpen.

DOUGHERTY, Carol & KURKE, Leslie, edd. (1993), Cultural Poetics in Archaic Greece. Cult, Performance, Politics. Cambridge.

duBOIS, Page (1982), On the Invention of Hierarchy, in: Arethusa, 15 (1982), pp. 203-220.

FEAVER, D.D. & HARE, John E. (1981), The Apology as an Inverted Parody of Retoric, in: Arethusa, 14 (1981), pp. 205-216.

FERGUSON, John (1970), Socrates. A Source Book. Compiled and in part translated by J.F. London.

FINLEY, Moses I. (1977), Socrates and Athens, in: Id., Aspects of Antiquity. Discoveries and Controversies, Harmondsworth 1977², pp. 60-73.

GUTHRIE, W.K.C. (1969), The Fifth-century Enlightenment, in: Id., A History of Greek Philosophy, vol. III, Cambridge.

GUTHRIE, W.K.C. (1975), Plato. The Man and his Dialogues, in: Id., A History of Greek Philosophy, vol. IV, Cambridge.

GUTHRIE, W.K.C. (1978), The Later Plato and the Academy, in: Id., A History of Greek Philosophy, vol. V, Cambridge.

LINCOLN, Bruce (1993), Socrates' Prosecutors, Philosophy's Rivals, and the Politics of Discursive Forms, in: Arethusa, 26 (1993), pp. 233-246.

MARTIN, Richard P. (1993), The Seven Sages as Performers of Wisdom, in: Dougherty & Kurke (1993), pp. 108-128.

MONTUORI, Mario (1981), Socrates. Physiology of a Myth (1974). Amsterdam 1981.

MONTUORI, Mario (1981), De Socrate Iuste Damnato. The Rise of the Socratic Problem in the Eighteenth Century. Amsterdam.

MORRISON, Donald (2005), On the Alleged Historical Reliability of Plato's Apology, in: R.Kamtekar (ed.), Plato's Euthyphro, Apology, and Crito. Critical Essays. Critical Essays on the Classics, Oxford, pp. 97-126.

ONG, Walter J. (1982), Orality and Literacy. The Technologizing of the Word. London & New York.

POPPER, Karl R. (1966), The Open Society and Its Enemies. Vol. I: The Spell of Plato. London (fifth ed., revised).

STONE, I.F. (1988), The Trial of Socrates. Boston & Toronto.

TAYLOR, C.C.W. (2000), Socrates. A Very Short Introduction. Oxford.

VLASTOS, Gregory (1983), The Socratic Elenchus, in: Oxford Studies in Ancient Philosophy, I (1983), pp. 27-58.

VLASTOS, G. (1991), Socrates. Ironist and Moral Philosopher. Cambridge.

VLASTOS, G. (1993), The Historical Socrates and Athenian Democracy, in: Modern Thinkers & Ancient Thinkers, ed. by R.W.Sharples (The Stanley Victor Keeling Memorial Lectures 1981-1991), London 1993, pp. 66-89.

Herman De Ley (© 27/5/2010) • 1ba-INDEX • Syllabi-Index • CIE-INDEX •