 |
HOOFDSTUK 5:
Introductie tot Platoon (1)*
Leven en Werk
|
Inhoud:
Hoofdstuk 1:
Platoons Leven
1.
Bronnen
2. De "mythe" van
Platoons leven
Noot over de
antieke Platoonportretten
Hoofdstuk 2:
Platoons Werken
1. De
Dialoog.
2. Overlevering
3. Chronologie
4. Personages
Literatuur
Hoofdstuk 1:
Platoons Leven
1. Bronnen[1].
Zoals het een auteur van "Sokratische
dialogen" betaamt, confronteert Platoon de hedendaagse
onderzoeker met een paradox:
--
enerzijds is hij te allen tijde - zowel in de
latere oudheid, middeleeuwen en renaissance als in de moderne tijd - de
Griekse filosoof geweest waarmee de Europese intellectueel het meest
vertrouwd was (of: dacht vertrouwd te zijn); hij is trouwens
één van de weinige Griekse filosofen waarvan we
alle geschriften bezitten, die hijzelf ooit "gepubliceerd" heeft;
-- anderzijds weten we omtrent zijn leven en
persoonlijkheid omzeggens niets dat vanuit strikt historisch oogpunt
als volledig betrouwbaar mag gelden.
In de moderne literatuur is de situatie zelfs
vergeleken met die van Shakespeare. Zoals J.H. Randall, Plato,
dramatist of the life of reason (1970), p. 7, het formuleert:
"In
terms of actual facts, we know as much - and as little - about the life
of Plato as we know about the life of Shakespeare - enough to write
long accounts of his times, but not enough to understand a single force
that made him what he was"[2].
1.1.
Allusies op Platoon bij zijn tijdgenoten zijn opvallend zeldzaam. Bij
zijn grote opponent en concurrent, de rhetor Isokrates, worden noch
Platoon noch de "Akademie" ergens uitdrukkelijk vermeld. Bij Xenophoon
gebeurt dat slechts éénmaal[3],
bij de jongere Demosthenes tweemaal, maar met bijzonder weinig
informatorische waarde[4].
Uit de schaars bewaarde fragmenten, evenwel, van de Midden-Komedie
blijkt dat Platoon, vooral in zijn latere jaren, een geliefkoosd
mikpunt was van de komedieschrijvers[5].
Wat Platoons eigen teksten betreft, zoals bekend
zijn zij in dialoogvorm geschreven maar de auteur laat er zichzelf
nooit aan het woord komen. Ook verwijzingen naar zichzelf zijn uiterst
zeldzaam (ze suggereren wel dat Platoon aanwezig was op Sokrates' proces[6],
maar niet bij diens dood[7]).
Weliswaar werden er door vrienden en volgelingen
tal van geschriften óver hem geproduceerd: bv. door
Aristoteles, Speusippos, Xenokrates, Philippos van Opous, Hermodoros,
Erastos, e.a.; ook door leerlingen van Aristoteles, zoals Aristoxenos,
Dikaiarchos, Klearchos... Maar daarbij ging het in de eerste plaats om
"eulogieën", of lofschriften, die niet terugschrokken voor een
hyperbool meer of minder. Zo maakte onder meer Platoons neef en
opvolger, Speusippos, in zijn geschrift, "Platoons
Begrafenismaal", melding van de "mare" (logos)
die in Athene de rond deed, dat Platoon eigenlijk de zoon was van...
god Apolloon[8].
In het
algemeen, zoals bekend, was wat de Grieken
onder "biografie" verstonden (bios, in het Latijn vita),
nogal afwijkend van onze ideeën daaromtrent: niet de
historische waarheid stond, al was het maar als betrachting, vooraan,
maar het zedelijk stichten (m.b.v. een positief, of een negatief
"model") en/of literair "amuseren" van de lezer:
"entertainment", dus, bv. met behulp van de "chronique
scandaleuse" die omtrent het onderwerp in omloop was, of die
zonder gewetensproblemen door de biograaf zelf verzonnen werd[9].
Hoe dan ook, alle vroege vitae over Platoon zijn
voor ons verloren gegaan. Degene die wel bewaard bleven, zijn pas vele
eeuwen later geschreven, wanneer hij definitief een mythische, quasi
bovennatuurlijke status had verworven - het type van de "goddelijke
man" (theîos anèr)
-, en de laat-antieke, met name "platonische" filosofie een
(semi-)religieuze richting was ingeslagen, gericht op de visio
Dei. Daarin gold Platoon voortaan als onfeilbare autoriteit
voor de Waarheid (d.w.z. wat zijn filosofie verkondigde was niet louter
altijd waar, maar
was noodzakelijk waar)[10].
De vitae zijn daarom "infected by gossip,
legend, and fiction", zoals Irwin het formuleert[11].
Laten we het materiaal even overlopen:
(1)
de oudst bewaarde vita is
het De Platone et eius dogmate ("Over
Platoon en zijn leer"), van Apuleius (2de
eeuw nK), een auteur die filosofisch gerekend wordt tot het zgn.
midden-platonisme, maar die vooral bekend is gebleven voor zijn
Latijnse "ezelroman", Metamorfosen, of De
Gouden Ezel[13].
(2) Van niet veel later, namelijk uit de 3de
eeuw
(waarschijnlijk), dateert de verzameling Filosofenlevens,
in 10 "boeken", van Diogenes Laertios[14].
Het 3de boek ervan is volledig gewijd aan Platoon. Hoewel behept met
alle gebreken van de antieke biografie, verwijst D.L. naar tal van
bronnen uit Platoons tijd (hij geeft ook Platoons testament) - wat zijn
werk voor ons toch waardevol maakt[15].
(3) Uit de 6de eeuw is er dan nog de vita
van de hand van de neoplatonische commentarenschrijver, Olumpiodoros en,
nauw daarbij aansluitend, de biografische noot in een anonieme
inleiding tot Platoons filosofie (Prolegomena).
Mythologisering en het beroep op het bovennatuurlijke zijn hier zo
mogelijk nog sterker aanwezig. Platoon verschijnt als tegelijkertijd
filosoof, theoloog, priester en magiër.
Maar naast een "hagiografische", zijn er in de
overlevering ook sporen aan te treffen van een Platoonvijandige
traditie, in de oudheid. Daarin werd Platoon beschuldigd van allerlei
lelijks: trots, hebzucht, plagiaat, jaloersheid, leugenachtigheid,
gevlei van tirannen, enz. Athenaios (ca 200 nK), in zijn Deipnosophistae,
of "Banketgeleerden"[16],
vermeldt in dat opzicht o.m. Theopompos, historiograaf
en leerling van Platoons opponent, Isokrates; hij schreef een werk "Tegen
de School van Platoon".
Naast dat
alles zijn er nog enkele Platoonanekdotes
te vinden bij latere auteurs zoals Cicero, Cornelius Nepos,
Ploutarchos, Ailianos, e.a. Chronologische gegevens tenslotte zijn ons
bewaard bij D.L., uit Apollodoros' Chronica[17].
1.2.
Onvermeld gebleven, bij dit alles, zijn de Brieven,
13 in getal, die ons op Platoons naam overgeleverd zijn in het
platoonse Corpus. Op het eerste gezicht, althans, vormen zij "one
great piece of good fortune"[18].
Vooral de Zevende Brief, waarin
door de oude Platoon een soort van balans wordt gemaakt van zijn leven,
is altijd een ware goudmijn geweest voor "Platoonjagers". Bijna alles
wat we denken te weten over Platoons leven, aldus J.E.Raven[19],
ook het grootste deel van de laat-antieke informatie, is op directe of
indirecte wijze afkomstig uit deze brief. In (veel) mindere mate geldt
dat ook voor de 8e Brief. De Zevende en Achtste
zijn uiteindelijk onze enige bron voor Platoons beruchte
Sicilië-reizen.
Maar in de 19de eeuw zijn deze "Brieven",
net zoals de gehele antieke epistolografie, onderworpen aan een strenge
authenticiteitskritiek. Terecht, want in de latere oudheid is er
ongetwijfeld, deels uit commerciële motieven, deels in het
kader van het retorica-onderwijs (in het kader van "oefeningen"), aan
"schriftvervalsing" op grote schaal gedaan. Zo kregen Herakleitos,
Demokritos, Hippokrates, Sokrates, Aristoteles en vele andere bekende
personaliteiten uitvoerige "correspondenties" in de pen geschoven[20].
Wat de zgn. Platoonbrieven betreft, is de vraag dan ook niet, of het
wel zeker is dat ze allemààl van zijn hand zijn,
als wel, of er überhaupt
één brief authentiek is. In de ("hyperkritische")
19de eeuw was de grote meerderheid van de historici geneigd, de meeste,
zoniet àlle brieven van "Platoon" als niet-authentiek te
verwerpen[21].
Om me hier te beperken tot die Zevende,
kan vastgesteld worden dat - enkele belangrijke "dissenters"
niet te na gesproken (zoals Ludwig Edelstein) - de meeste historici
vandaag geneigd zijn de authenticiteit ervan te aanvaarden; of althans
dat
"zelfs
door de sceptici erkend wordt dat de tekst geschreven en gepubliceerd
moet zijn door iemand uit Platoons onmiddellijke omgeving, kort voor of
na zijn dood"[22].
Ook al werd de brief ongetwijfeld opgesteld met
apologetische doeleinden (in de eerste plaats: het justifiëren
van Platoons "Sicilische avonturen"), dan nog moet de inhoud ervan
wellicht grotendeels correct zijn, aangezien flagrante onjuistheden
wellicht (?) onmiddellijk aan de kaak zouden zijn gesteld.
Mócht de Zevende Brief
inderdaad authentiek zijn, dan zouden we vanzelfsprekend het, voor een
schrijver en filosoof van Platoons tijd en statuut, uitzonderlijke
voorrecht genieten,
"een
autobiografisch document te bezitten, dat de fazen schetst van zijn
ontwikkeling en zich toespitst op zijn aandeel in een historische
periode, namelijk de gewelddadige koers die de Syrakusaanse politiek
insloeg in de 4de eeuw"[23].
2. De
"mythe" van Platoons leven[24].
Het chronologische stramien dat ons door de
antieke
traditie is overgeleverd in verband met Platoons leven (D.L., III.2),
maakt een bijzonder aprioristische indruk:
-- geboren in 427[25],
leerde Platoon op 20-jarige leeftijd, in 407,
Sokrates kennen;
-- stichtte hij in 387, d.w.z.
op 40-jarige leeftijd (leeftijd door Apollodoros
steeds vereenzelvigd met iemands akmè,
of "bloei"), kort na zijn terugkeer uit
Sicilië, de Akademie;
-- keerde hij 20 jaar later, in 367,
naar Syracuse terug;
-- en stierf hij nog eens 20 jaar later, op 80-jarige
leeftijd, in 347.
De
conclusie van Randall[26],
dat de chronologie in haar geheel sterk de indruk wekt dat ze het
resultaat is van Apollodoros' apriori schema's, lijkt dan ook niet
onredelijk.
Niet eens
Platoons geboortejaar kennen we met
zekerheid: zoals gezegd, plaatste Apollodoros het in (mei) 427
- wat thans algemeen aanvaard wordt -, maar sommige bronnen vervroegen
het met twee of drie jaar[27].
Heel belangrijk is dat meningsverschil natuurlijk niet: vast staat dat
Platoons jeugd en jonge volwassenheid samenviel met de Peloponnesische
Oorlog(en) (d.w.z. de oorlog tussen Athene en Sparta, die, met
rustpauzen, geduurd heeft van 431 tot 404, en eindigde met de nederlaag
van Athene). Wat zijn naam betreft, volgens de traditie zou "Platoon",
wat zoveel betekent als "de Brede", eigenlijk een
latere bijnaam zijn (D.L. III.4).
Over zijn
familie en sociaal milieu zijn we beter
geïnformeerd: zijn vader, Aristoon, voerde zijn afstamming
terug op Kodros, de laatste koning van Athene; zijn moeder, Periktione,
de hare op Soloon. Beiden behoorden dus tot de hoge Atheense
aristocratie (de zgn. Eupatriden).
Platoon had twee oudere broers, Glaukoon en Adeimantos (die beiden
optreden in de Politeia), en een zuster, Potone,
moeder van Platoons leerling en opvolger, Speusippos. Uit een tweede
huwelijk van zijn moeder had Platoon nog een halfbroer, Antiphoon (die
fungeert als verteller in de Parmenides). Uit het
feit dat twee naaste familieleden, namelijk Kritias, kozijn van zijn
moeder, en Charmides, haar broer, een vooraanstaande rol hebben
gespeeld in de "witte terreur" van de zgn. "Dertig Tirannen"[28],
onmiddellijk volgend op Athene's nederlaag, mogen we afleiden dat
Platoon al in zijn adolescentie getekend werd door sterke
anti-democratische gevoelens (ook al hadden die aristocratische kringen
oorspronkelijk tot het kamp van Perikles behoord). Merkwaardig is wel
dat Platoon zelf afzijdig is gebleven van het politieke avontuur van
zijn oudere verwanten.
Nog wat
Platoons adolescentie en jonge
volwassenheid betreft, weet de traditie te vertellen dat hij
poëzie zou hebben geschreven: epos, lyriek, zowel als
dithyramben (koorlyriek). Hij zou zelfs een tragedie hebben
gecomponeerd, met het oog op het Atheense theaterfestival. Na zijn
ontmoeting met Sokrates, evenwel, zou hij al zijn poëzie
verbrand hebben[29].
Waarover niets verteld wordt, maar wat we als een zekerheid kunnen
poneren, is dat hij vanaf zijn 18 jaar tot het einde van de oorlog,
ongeveer 5 jaar later, nogal continu moet geëngageerd geweest
zijn met het vervullen van zijn militaire dienst - allicht, gezien zijn
sociale status, in de cavalerie. In de laatste jaren van de oorlog had
zij de opdracht de Spartaanse strooptochten vanuit het fort van
Dekeleia af te slaan. Op làtere militaire prestaties van
Platoon, wanneer Athene rond 395 opnieuw in een oorlog verwikkeld was,
wordt gezinspeeld in D.L. III.8, op gezag van Aristoxenos. Althans
deze, voor een Griek uitermate belangrijke soort van maatschappelijke "praxis"
was Platoon dus niet vreemd.
Toen
Sokrates de gifbeker dronk, in 399,
was Platoon 28 jaar oud. Volgens onze bron, namelijk Platoons leerling
Hermodoros[30],
zou hij zich in die periode, samen met enkele andere volgelingen,
teruggetrokken hebben in Megara, waar Eukleides, een andere leerling
van Sokrates, een school had opgericht[31].
Nadien zou Platoon een reis naar Kurene (Cyrene, kust van het huidige
Lybië) gemaakt hebben om er de befaamde wiskundige, Theodoros,
te bezoeken[32];
hij zou ook een bezoek hebben gebracht aan Egypte, "bij de
profeten"[33].
Iets sterker betuigd lijkt de reis, "rond mijn veertigste"[34],
naar Groot-Griekenland (i.e. Zuid-Italië en Sicilië).
In Zuid-Italië legde hij contacten met pythagoreïsche
middens (vooral met de politicus-geleerde Archutas van Tarente).
Vervolgens trok hij naar Syracuse, waar de tiran Dionusios de Oude aan
de macht was. Hij smeedde er nauwe vriendschapsbanden met Dionusios'
zwager, Dioon[35].
Volgens een laat-antieke traditie zou Dionusios Platoon hebben laten
deporteren naar Aigina (eiland ten Z. van Athene), om daar als slaaf te
worden verkocht; hij zou er vrijgekocht zijn - voor 20 of 30 Minen -
door Annikeris van Kurene[36].
Na zijn terugkeer in Athene, in 387
of niet lang daarna, is Platoon met een eigen "school" gestart, in de
Akademeia of het Akademos-gymnasium, een druk bezochte publieke
ontmoetingsplaats, gelegen buiten (ten N.W. van) de stadsmuren - zie
het plannetje op
deze site [37].
Wat het statuut van deze school betreft, wordt in de moderne literatuur
doorgaans geponeerd dat het om een cultusvereniging (thíasos)
ging, die zoals andere scholen gewijd was aan de Muzen[38].
Platoons school had in elk geval een open
karakter:
iedereen was er welkom, op voorwaarde dat men zelf kon instaan voor
zijn onderhoud. De eigenlijke "colleges" werden waarschijnlijk in de
(publieke) lokalen van het gymnasium gegeven - zoals dat reeds ten
tijde van de Sofisten gangbaar was. Naast filosofie, werd ook de studie
aangemoedigd van astronomie en wiskunde. Grote wetenschappers maakten
er deel van uit, niet als leerlingen maar als gelijkwaardige partners
naast Platoon (bv. de astronoom en wiskundige Eudoxos van Knidos, die
zijn eigen leerlingen zou hebben meegebracht)[39].
Trouw aan een gemeenschappelijk doctrinaal systeem, sc. dat van de
"Meester" (zoals later bij Epikouros), werd duidelijk niét
verwacht[40].
Maar Platoons bedoelingen waren wellicht in de eerste plaats
politiek-ideologisch van aard[41]:
d.w.z. hij beoogde een soort van "politieke hogeschool", waarin
toekomstige politici of politieke adviseurs opgeleid werden; de latere
traditie vermeldt alleszins een lange reeks namen van personen die
nadien politiek of wetgevend actief zijn geweest[42].
Platoons
Akademie moest opboksen tegen de
concurrentie van de ongeveer acht jaar oudere Isokrates, die in zijn
school (opgericht rond 490) óók een "philosophia"
onderwees, maar dan wel gebaseerd op de principes van de retorica[43].
De tegenstellingen tussen beide scholen waren zowel filosofisch[44]
als politiek-ideologisch van aard, en tal van leerlingen van Isokrates
zouden zich ontpoppen als verbeten vijanden zowel van Platoons Akademie
als van Aristoteles' latere school (het "Lyceum").
In 367 stierf Dionusios I,
tiran van Syracuse. Zijn zoon, Dionusios de Jongere, die onvoorbereid
heerser werd over het rijk dat zijn vader op Sicilië en in
Italië had opgebouwd, werd er door zijn oom Dioon toe aangezet
om Platoon opnieuw uit te nodigen (zo althans de 7e Brief,
327Bv.). Platoon, nu al 60 jaar oud, bezweek voor het aanbod (of voor
de morele druk?) om zijn ideeën over de "koning-filosoof"
alsnog in de praktijk te komen brengen. Hoewel ook dat bezoek op niets
uitliep - in 365 was hij opnieuw in Athene -, zou hij zich enkele jaren
later, in 361, nóg maar eens laten
overhalen hebben. De jonge tiran had ondertussen enkele filosofen in
zijn hofhouding opgenomen, o.m. Aristippos, en schakelde ook Archutas
in, om Platoon te doen zwichten (cf. 338A-340A).
In tegenstelling tot wat Platoon hoopte, was "derde
keer" géén "goede keer",
en hij mocht zich gelukkig prijzen dat hij, dank zij de tussenkomst van
zijn Tarentijnse vrienden, nog heelhuids kon terugkeren naar Athene
(zijn goede vriend Dioon, daarentegen, zou zijn poging om met militaire
middelen greep te krijgen op de situatie, kort nadien met de dood
bekopen). Het minste, in elk geval, dat van Platoon mag gezegd worden
i.v.m. zijn "Sicilische avonturen", is ongetwijfeld "that the
years had brought him no increase in
practical wisdom"[45].
Toch lijkt die negatieve ervaring zijn sporen te
hebben nagelaten: uit zijn laatste (onvoltooid gebleven) werk, De
Wetten, spreekt het pessimisme van iemand die definitief
verzaakt heeft aan Sokrates' primaat van de kennis - "deugd
is kennis" - maar integendeel de noodzaak heeft leren inzien
om beperkingen en controles op te leggen aan de machthebber[46].
Noot
over de antieke Platoonportretten[47].
Volgens D.L., III, § 25 - onze enige
betrouwbare verwijzing naar een Grieks origineel -, heeft een Pers,
Mithridates, een Platoonbeeld dat gebeeldhouwd was door Silanioon, in
de Akademie opgesteld en toegewijd aan de Muzen.
De moderne identificatie van Platoons portret is
gebeurd op basis van de hermè, in 1884
verworven door het Berlijnse Museum (nr. 300: bij Richter afb. 903-5 en
908: zie de afbeelding hoger), en, in tweede instantie, de dubbelherme
(samen met Sokrates) in het Vatikaan (inv. 128; Richter afb. 909-911).
In totaal gaat het om een 20-tal kopieën die op hetzelfde
origineel teruggaan (mogelijk maar niet zeker dat van Silanioon): zie
Richter, afb. 915-959. Het hoofd was oorspronkelijk vermoedelijk een
onderdeel van een sculptuur waarin Platoon gezeten was weergegeven
(Richter afb. 960).
Platoon wordt met dit portret voorgesteld (met
een
aantal variaties) als
"a
man of commanding personality..., with a broad forehead, a domed skull
somewhat flat at the top, rather small eyes set close together,
protruding lower lip, protruding rounded chin, and finely curved nose"[48].
Het portret stemt overeen met de trekken die door
onze literaire bronnen aan Platoon toegeschreven worden: namelijk "his
broad forehead and chest, his bent back, his sombre expression, and his
aristocratic bearing" (ibid.). Het geeft hem weer op late
leeftijd. Het origineel werd vermoedelijk vervaardigd rond het midden
van de 4de eeuw, aan het eind van zijn leven, of kort na zijn dood.
Hoofdstuk 2: Platoons Werken.
1. De Dialoog.
Na zijn mislukte poëtische start, heeft
Platoon - behoudens eventuele brieven en epigrammen - nog bijna
uitsluitend filosofische dialogen geschreven[49].
Formeel gezien, behoren zijn
geschriften meer
bepaald tot het bijzondere genre van de "Sokratische
gesprekken", dat ook door andere Sokratesvolgelingen met
groot succes beoefend werd[50],
en dat tot ver in de hellenistische periode populair bleef, zij het als
een vulgariserende vorm van filosofiebeoefening. Kenmerkend voor het
genre was dat de auteur in kwestie volledig op de achtergrond trad, ten
gunste van de "Sokrates" in de gesprekken: de
literaire teksten golden m.a.w. - in de fictie van het genre - als,
letterlijk, sokratikoí logoi[51].
Een aantal dergelijke, korte, niet-platoonse "gesprekken"
zijn ons overgeleverd als behorende tot het Corpus Platonicum.
Wat de mogelijke beweegredenen van Platoon
betreft
om juist déze literaire vorm te kiezen voor zijn
filosofische beschouwingen - "te kiezen", zo al
niet als kunstvorm te creëren[52]
-, verwijs ik naar het tweede deel van deze Platoonbespreking. Ter
aanvulling, nochtans, wil ik de aandacht vestigen op de belangrijke
bijdrage die m.b.t. deze vraagstelling geleverd is door Martha
C.Nussbaum, in haar bekend werk, The fragility of goodness[54].
In het onderdeel ervan, "Interlude I: Plato's anti-tragic
theater"[55],
interpreteert zij Platoons dialoogvorm vanuit diens "haat-liefde"
verhouding tot de Attische tragedie. De dialogen zijn
inderdaad toneel, of "theater", maar tegelijkertijd verschillen ze
compleet van eender welk Grieks theaterstuk dat wij kennen.
Hoewel schatplichtig aan de tragische modellen,
dienen Platoons dialogen, in Nussbaums interpretatie, gezien te worden
in het kader van diens "Kulturkampf"
tégen de poëzie; d.w.z. ze moeten begrepen worden
als (filosofisch) "theater" dat de tragedie - als gevestigd paradigma
van ethische reflectie en onderricht - moest verdringen van
haar geprivilegieerde plaats. Zoals Nussbaum schrijft[56]:
"wat
we dus aantreffen, in (Platoons) middendialogen, is theater; maar
theater dat gepurgeerd en gezuiverd is van het voor theater zo
karakteristieke appel aan krachtige emoties, een zuiver, kristallijnen
theater van het intellect (a pure crystalline theater of the
intellect)".
Nussbaums kwalifikatie ervan, echter, namelijk
als "anti-tragisch theater",
slaat niet enkel op de formele verschillen tussen dialoog en tragedie,
maar geeft ook uitdrukking aan de fundamentele "inhoudelijke"
gerichtheid van de platoonse filosofie: namelijk op het uitwerken van
een epistèmè, een "wetenschap",
die de mens in staat moest stellen, zich te bevrijden
van de tragiek van "la condition humaine".
De typische, morele conflicten die het menselijk
leven een tragisch karakter (kunnen) geven, worden door Nussbaum,
vanuit platonisch perspectief, samengevat onder drie hoofdingen:
1) er is het tragische feit dat het goede leven
onderworpen is aan "de blinde gang van de wereld buiten ons"
(de túchè, Fortuna of het
lot);
2) de mens wordt dikwijls voor tragische dilemma's
geplaatst, d.w.z. voor keuzes tussen waarden of loyauteiten die
onderling onverzoenbaar of incommensurabel zijn (vgl. Antigone, in
Sophokles' Antigone, die moet kiezen tussen de
liefde voor haar broer en de loyauteit jegens haar land);
3) het menselijke leven wordt ook bedreigd van
binnenuit, door de eigen emoties en passies (de páthè),
die een rationele levensvoering onmogelijk kunnen maken:
"overrompeld
door de eros of een andere spontane begeerte maken we ons niet alleen
afhankelijk van een vergankelijk stukje buitenwereld, maar kunnen we
bovendien geen weloverwogen oordeel meer vormen over onze situatie,
worden we blind voor gevaren en alternatieven en drijven we misschien
stuurloos naar onze eigen ondergang"[57].
Geconfronteerd met deze bronnen van het
tragische,
heeft Platoon o.m. in de Protagoras en de Politeia
("Staat" of "Republiek") twee "anti-tragische,
levensreddende strategieën" ontwikkeld:
--
in de Protagoras,
toegespitst op de (kwalitatieve) incommensurabiliteit van waarden,
krijgen we een (hedonistische) "metriek" of
calculus aangeboden, d.w.z. een rationele meet- en weegmethode die het
mogelijk moet maken alles wat in onze ogen incommensurabel is, te
herleiden tot één universele waarde.
-- In de Politeia,
anderzijds,
en aanverwante dialogen zoals het Symposium,
concentreert Platoon zich op het risico van verlies (van het goede) en
op de kracht van de irrationele zielsvermogens: de oplossing die daar
aangeboden wordt, is de ascetische (alhoewel), puur intellectuele,
contemplatieve levensvoering van de filosoof (de
bíos philósophos), een levensvoering
gewijd aan de studie en contemplatie van de eeuwige, onveranderlijke
principes van Waarheid en Schoonheid (de "Ideeën"
of "Vormen"), en als zodanig verregaand onttrokken
aan de contingentie van het gewone, menselijke bestaan.
Platoon, zo zou men met Nussbaum kunnen zeggen,
wou
met zijn filosofie a.h.w. een nieuw, "tragiekloos"
mensenras creëren. Van dat nieuwe ras, dan, verschijnt
"Sokrates" - de Sokrates van de middendialogen - als de quasi
bovenmenselijke belichaming (vgl. Alkibiades' lofzang of
liefdesverklaring, in het slotdeel van het Symposium).
2. Overlevering.
Wat de latere overlevering van zijn oeuvre
betreft,
weten we van D.L. (III, § 56v.) dat Platoons geschriften door
Thrasullos, een Alexandrijns geleerde (maar ook hofastroloog van keizer
Tiberius, 1e eeuw nK), werden gerangschikt in negen
tetralogieën. Nochtans is die indeling
waarschijnlijk ouder, en mogelijk zelfs afkomstig uit Akademiekringen
(er zijn ook sporen van een nog oudere indeling, in
trilogieën, die waarschijnlijk het werk was van de grote
Alexandrijnse geleerde, Aristophanes van Byzantium, 3de eeuw vK).
Opvallend aan Thrasullos' indeling is dat zij
reeds
een speciale (tiende) sectie van "apocrypha"
bevatte - wat erop wijst dat déze, "onechte",
sokratische gesprekken al héél vroeg opgenomen
waren in de erkende verzameling van platoonse teksten (het zgn. corpus
Platonicum), zodanig dat men zich achteraf genoopt voelde, ze
in het corpus te behouden, d.w.z. ook toen men besefte dat ze
niet-platoons waren[58].
Het "miraculeuze", nu, aan Platoons overlevering
is
dat, wanneer ongeveer 1500 jaar later, in 1513, in de "editio
princeps" (d.w.z. de eerste gedrukte uitgave),
de zgn. "Aldina"[59],
de werken van Platoon voor het eerst sedert de oudheid opnieuw werden
samengebracht, alle titels uit de antieke kanon erin terug te vinden
waren[60].
Ziehier een overzicht van deze
tetralogieën (de volgorde ervan werd overgenomen door John
Burnet, in zijn nog altijd gangbare Oxford-uitgave, van 1899-1906, de Platonis
Opera)[61]:
I: Euthyphro,
Apologia
Socratis, Crito, Phaedo[62].
II: Cratylus,
Theaetetus, Sophista,
Politicus.
III: Parmenides,
Philebus, Symposium,
Phaedrus.
IV: Alcibiades
I, Alcibiades
II, Hipparchus, Amatores.
V: Theages,
Charmides, Laches,
Lysis.
VI: Euthydemus,
Protagoras, Gorgias,
Meno.
VII: Hippias
Maior, Hippias
Minor, Io, Menexenus.
VIII: Clitopho,
Respublica, Timaeus,
Critias.
IX: Minos, Leges,
Epinomis, Epistulae.
Tussen de 9de tetralogie en de "onechte"
(De
iusto, De virtute, Demodocus,
Sisyphus, Eryxias, Axiochus)[63]
werden nadien nog de (net zo apocriefe) Definitiones
gevoegd.
Reeds in de Oudheid werd ook aan de echtheid
getwijfeld van enkele in de kanon opgenomen werken: namelijk Alcibiades
I, Amatores, Hipparchus
en Epinomis (het laatste werd volgens D.L., III.37,
toegeschreven aan Platoons leerling, Philippos van Opous - wat vandaag
lange tijd als correct is aanvaard).
Na de verregaande echtheidskritiek van de 19de
eeuw, waarin bv. ook belangrijke dialogen als Charmides,
Meno, Parmenides, Sophista,
Cratylus e.a. (ten onrechte) in vraag
zijn gesteld, bestaat vandaag nog discussie over Alcibiades I,
Io, Menexenus, Hippias
Maior en Epinomis[64].
Over de onechtheid, daarentegen, van Alcibiades II,
Hipparchus, Amatores,
Minos, Theages en
Clitophon bestaat in de hedendaagse literatuur een grote
consensus.
3. Chronologie.
Behalve over de samenstelling van het corpus, is
er
sedert de vorige eeuw ook heel wat inkt gevloeid over de relatieve
chronologie van Platoons geschriften, chronologie die natuurlijk
belangrijk is voor de interpretatie, aangezien Platoons filosofische
activiteit zich heeft uitgestrekt over een periode van ten minste 50
jaar.
Platoon zelf geeft in zijn teksten bitter weinig
aanknopingspunten voor een absolute datering, sc. van compositie (niet
te verwarren met de "dramatische datering", d.w.z. het fictieve
ogenblik waarop het gesprek, volgens de dramatische enscenering in elke
dialoog, geacht wordt plaats te hebben gehad). Een relatieve datering,
anderzijds, die louter gebaseerd zou zijn op de inhoudelijke
interpretatie van de teksten, is onvermijdelijk subjectief en voert tot
een cirkelredenering.
Een echte doorbraak in het onderzoek is er daarom
pas gekomen met de zgn. "stylometrische" methode,
een methode gebaseerd dus op een "objectieve" en minutieuze analyse van
Platoons stijlontwikkeling (vocabularium zowel als ritme en eufonie:
bv. het vermijden van hiaat tussen woorden). De resultaten van zulke
analyse konden dan statistisch worden gepresenteerd. Die alternatieve
methode werd aan het einde van de vorige eeuw ontwikkeld door o.m.
Lewis Campbell (1867), W.Dittenberger (1881), Carl Ritter, die de
eerste was om er een boek over te schrijven (1888), en W. Lutoslawski,
wiens werk over Platoons logica (The Origin and Growth of
Plato's Logic, London 1897) algemene bekendheid heeft gegeven
aan het bestaan en de resultaten van de nieuwe methode, e.a.[65].
Mede op basis van de (nu niet langer betwiste)
wetenschap dat De Wetten Platoons laatste werk
vormde, is men kunnen overgaan tot een indeling van het corpus in drie
chronologische groepen, namelijk "vroege",
"midden-" en "late"
dialogen, die vrij algemene instemming heeft gevonden. Guthrie[66]
drukt ze, onder verwijzing naar Cornford, op de volgende manier af:
1) Vroege: Apologie,
Crito, Laches, Lysis,
Charmides, Euthyphro,
Hippias Minor en (?) Maior,
Protagoras, Gorgias,
Io.
2) Midden-: Meno,
Phaedo, Politeia, Symposium,
Phaedrus, Euthydemus,
Menexenus, Cratylus.
3) Late: Parmenides,
Theaetetus, Sophista,
Politicus, Timaeus, Critias,
Philebus, De Wetten.
Wat de volgorde binnen elke groep betreft,
schrijft
Guthrie dat er een aanzienlijke mate van overeenstemming bestaat over
de dialogen in de laatste twee groepen, maar een grote
ónzekerheid i.v.m. de eerste groep van "vroege",
of "jeugddialogen". De zwakte, inderdaad, van de
stylometrische methode is dat de voortgebrachte statistieken gewoonlijk
betrekking hebben op linguïstische kenmerken die in de eerste
plaats kenmerkend zijn voor de werken behorend tot Platoons
midden- en late periode[67].
Daarom
moet, naast de stylometrische en linguïstische gegevens,
vanzelfsprekend, waar mogelijk ook rekening worden gehouden met andere
aanwijzingen: eventuele gegevens die worden aangebracht door de
literatuurwetenschap (zoals de structuur en artistieke opbouw van de
dialogen); externe aanwijzingen (bv. zinspelingen op historische
gebeurtenissen: bv. in Wetten, 638B, wordt
gealludeerd op de verovering van Lokris door Syracuse, ca 356);
inhoudelijke en filosofische verbanden (maar dat is, zoals gezegd, een
subjectief criterium) en eventuele "cross-references"
tussen de dialogen onderling. Op basis van al die gezichtspunten stelt
Graeser[68]
dan weer een indeling voor in vier groepen:
1) Laches, Charmides, Protagoras,
Euthyphro, Lysis,
Politeia I, Io;
2) Apologie, Crito, Gorgias,
Meno, Euthydemus,
Cratylus, Hippias Maior, Hippias
Minor;
3) Symposium, Phaedo, Politeia
II-X, Phaedrus;
4) Theaetetus, Parmenides, Sophista,
Politicus, Timaeus, Critias,
Philebus, Wetten.
Gregory Vlastos, tenslotte,
komt op grond van zijn
studie van de Sokratesfiguur tot een differentiatie binnen de "vroege"
dialogen, namelijk tussen "elenctische" en "overgangsdialogen"[69].
4. Personages.
Wat de personages betreft in Platoons dialogen,
hoe
"getrouw" Platoons artistieke genie hen ook moge uitgebeeld hebben -
ook op het vlak van langere teksten, zoals speeches, mythes, e.d. die
Platoon hen in de mond legt: Platoon was een meesterlijk pasticheur!
-, dan moet vanuit het oogpunt van de literatuurwetenschap toch het
primordiaal fictionele
statuut ervan beklemtoond worden. Het gaat m.a.w. om literaire
creaties, niét om de schriftelijke vastlegging van
daadwerkelijke gesprekken.
Dat geldt met name voor de Sokratesfiguur, ook al
zal die - vooral dan in de "vroege" of
jeugddialogen - allicht heel wat trekken van het historische personage
hebben bewaard[70].
Tot deze laatste behoren allicht zijn opvallende "Silenenuiterlijk"
(namelijk brede, platte neus, uitstulpende ogen, hoge kalende schedel,
dikke buik, "zoals een sater"...); zijn "ironie"
(d.w.z. het beklemtonen van zijn eigen "onwetendheid");
zijn "elenchos" (techniek van het kruisverhoor om
andermans evidenties te doorprikken); zijn "intellectualisme" (d.w.z.
zijn geloof in morele normen die de mens slechts hoeft te kennen om ze
ook te realiseren: m.a.w. "deugd is kennis")[71].
Ook enkele gebeurtenissen die in de dialogen ter sprake komen, zijn
mogelijk historisch. Bv. dat Sokrates zou geweigerd hebben, uit de
gevangenis te ontvluchten - ook al hoeft dat zeker niet het geval te
zijn met de argumentatie die "Sokrates" daartoe ontwikkelt in de
platoonse Crito (de zgn. "Prosopopee van
de Wetten").
In de
láte "vroege"
dialogen, echter, treedt er een verandering op in dat beeld: in de
plaats van de sokratische aporie, wordt in
toenemende mate een "positieve" Sokrates geschilderd, d.w.z. een
Sokrates die didactischer wordt, en doctrines ontwikkelt, doctrines
waarvan het hoogst twijfelachtig is of de "historische Sokrates" ze
ooit verkondigd heeft. Het beslissende "keerpunt" in dit verband is
ongetwijfeld de "Vormentheorie"
(leer van de idéai of eîdè)
die voor het eerst uitdrukkelijk gehanteerd en geargumenteerd wordt in
de Phaedo, een dialoog geschreven kort na Platoons
eerste Sicilië-reis, en in de Politeia (we
vinden wél al zinspelingen erop in vroegere dialogen: cf. de
mythe van de "anamnèsis" in de Meno).
Het spreekt vanzelf dat indien Platoons
"Sokrates"
een literaire creatie is, dat dan ook geldt voor de andere sprekers;
dat het m.a.w. fout zou zijn, te veronderstellen dat zij volledig "naar
het leven" getekend zijn. Zoals Sandbach schrijft[72]:
"Ook
zij moeten de rol spelen die Platoon in zijn filosofische drama's voor
hen geschreven heeft. Het is mogelijk dat Ioon niet zo'n imbeciel was
als in de Io, of dat Gorgias niet zo onwillig was
om discussies te voeren als in de Gorgias. Poogde
Alkibiades ooit wérkelijk Sokrates te verleiden, en heeft
hij dat dan bekend aan anderen? Of heeft Platoon dit verhaal verzonnen
om Sokrates' zelfbeheersing te illustreren en hem aldus te verdedigen
tegen de lasterlijke aantijging, dat hij 'de jongeren gecorrumpeerd
had'?"
Dergelijke twijfels zijn
óók
toepasselijk op Platoons Apologie van Sokrates. Net
zoals dat voor het gelijknamige werk van Xenophoon geldt, valt niet uit
te maken, in welke mate deze "zelfverdediging" gebaseerd is op wat
Sokrates effectief gezegd zou hebben. Méér nog,
er zijn redenen om te betwijfelen of Sokrates überhaupt
een apologie hééft uitgesproken[73].
Ook de "kapstok" waaraan de moderne literatuur de authenticiteit van de
Apologie altijd heeft opgehangen,
namelijk het orakel dat Sokrates' trouwe volgeling Chairephoon over
zijn meester in Delphi zou gekregen hebben[74],
werd enkele jaren geleden omstandig in vraag gesteld, namelijk door
Mario Montuori, Sokrates. Physiology of a Myth
(Amsterdam 1981; Italiaans uitgave 1974). Er kan in alle geval niet de
minste twijfel over bestaan dat althans de taal en de stijl, zo al niet
de inhoud zelf, van de Apologie van Sokrates van de
hand van Platoon zijn:
"de
zinnen hebben een elegante eenvoud gecombineerd met een kunstvolle
constructie en evenwichtigheid die de lezer aangrijpen en charmeren"[75].
Wat de inhoud betreft, tenslotte, worden we
getroffen door het feit dat Sokrates nauwelijks aandacht schenkt aan
het daadwerkelijk weerleggen van de concrete aanklachten, laat staan
aan het winnen van het proces. Hoewel niet uit te sluiten is dat hij
deze provocerende en suicidaire houding inderdaad heeft aangenomen,
lijkt het toch waarschijnlijker dat Platoon hem aldus doet spreken, ten
einde, post factum, een zo scherp mogelijk beeld te
creëren van zijn leermeester en diens houding t.a.v. de
Atheense (democratische) samenleving. Als zodanig maakt ze een
wezenlijk element uit van de betekenis van de Apologie
als "scheppingsmythe van de filosofie"[76].
____________________
_______________________________
NOTEN:
*
Overgenomen uit: H.De
Ley, "Eros
en Filosofie. Inleiding bij Platoons Symposium".
Syllabus, RUG 1996.
[1]. Voor
een bespreking van de antieke bronnen die ons over Platoons leven
berichten, zie het Platoonartikel van H.Leisegang, in RE 20.1(1950), k.
2342-7.
[2].
Vgl. T.H.Irwin (1992), p. 51: "We lack the materials for a
proper biography of Plato".
[3]. Memorabilia,
III.vi.1 (naar aanleiding van een gesprek van Sokrates met Platoons
broer, Glaukoon).
[4].
Zie G.Ryle (1972), pp. 314-5.
[5].
Geciteerd in Diogenes Laertios (voortaan: D.L.), III,
§§ 27-28.
[7]. Phaedo,
59B10: "Platoon,
meen ik, was ziek".
[8].
Bij D.L., III, § 2 (= fr. 27 Lang): "Speusippos, in
zijn geschrift Platoons Begrafenismaal, Klearchos,
in zijn Enkomion op Platoon, en
Anaxilaïdes, in het tweede boek van zijn Over
Filosofen, vertellen dat in Athene de mare de ronde deed dat Aristoon [Platoons vader, HdL] Periktione [Platoons moeder] met geweld
had pogen te winnen maar geen succes had; dat, toen hij van geweld had
afgezien, Apolloon hem in een droom verschenen was; waarna hij haar
ongemoeid had gelaten tot de geboorte van het kind".
[9].
Zie De Ley (1996a), pp. xxiv-xxvi. Zie ook de tekst "bronnen" op deze
site.
[10].
Zie het syllabusdeel, "Filosofie in de Late Oudheid (1): Van
Epikouros tot Plotinos", kap. 6.2.
[12].
Vgl. ook zijn tekst Over de 'daimoon' van Sokrates.
[13].
Verdere gegevens in De Ley (1985-86), p. 87. Zie ook in
"Encyclopedie vd Antieke Wijsbegeerte, 1" (EAW),
op deze site.
[14].
Cf. De Ley (1996a), p. 14; = EAW.
[15].
Maar zoals Irwin, l.c., opmerkt: "We cannot trust Diogenes
even when he cites an early and well-informed source, for he cites
Plato's own nephew Speusippus..., as a source for the story (which
Speusippus is not said to endorse) that Plato was the son of Apollo"
(cf. supra).
[16].
Vooral: V.215Cv. en XI.506Av.
[17].
Zie hierover De Ley (1996a), p. xxiv (= "bronnen").
[18].
Zoals G.C. Field (1930), p. 2, het formuleerde.
[19].
J.E.Raven (1965), p. 19.
[20].
Verzameld in R.Hercher, Epistolographi Graeci,
Paris 1871.
[21]. Bv. ook Eduard Zeller, die
zelfs de Zevende verwierp, hoewel hij erkende dat
hij onze belangrijkste bron is voor onze kennis van Platoons leven,
i.t.t. de overige die hij zo goed als waardeloos achtte als historisch
bewijsmateriaal, 2.1. (5. Aufl Leipzig 1922), p. 389 n.1.
[22].
W.K.C.Guthrie (1975), p. 8; zie ook Raven, o.c., p. 25. Irwin, l.c.,
daarentegen, neemt opnieuw het kritische standpunt in: "the
ostensibly autobiographical Seventh is probably
spurious", maar in een voetnoot (n. 4, p. 79) erkent ook hij:
"even if it is spurious, it was probably written
by somenone who knew Plato well and who wanted his forgery to be
undetected; hence many of the more straightforward and (for
contemporaries) easily verifiable historical claims may be accurate.
But we should not assume that the author must be telling the truth
about Plato's motives, attitudes, or aims on political or philosophical
questions".
[23].
Guthrie, o.c., p. 8.
[25].
Strikt genomen: 428/7, aangezien de Griekse jaartelling "te paard" zit
op de onze.
[26].
Randall, o.c., p. 11.
[27].
Cf. D.L. III, §§2-3: terwijl Diogenes Apollodoros
citeert voor Platoons geboortejaar, beroept hij zich voor diens
sterfjaar - "het eerste jaar van de 108ste Olympiade",
sc. 348/7 - op Platoons leerling, Hermippos, die hem 81 jaar oud deed
worden. Diogenes laat dit volgen door de bewering van een zekere
Neanthes, historiograaf, dat Platoon zou gestorven zijn op 84-jarige
leeftijd. Athenaios, V. 17A, geeft 429 (het jaar van Perikles' dood)
als geboortejaar, enz. Zie voor een uitvoerige bespreking van de
bronnen: Zeller, o.c., p. 390 n. 1.
[28].
Tussen 404 en 403. Op 8 maanden tijd werden 1.500 burgers
geëxecuteerd en werden er 5.000 verbannen.
[29].
D.L. III, § 5. Met uitzondering van een episch fragment, zijn
enkel epigrammen op zijn naam overgeleverd. De authenticiteit ervan is
hoogst twijfelachtig.
[30].
Geciteerd door D.L., III, § 6, en II, § 106.
[31].
Dat Platoon niet aanwezig was tijdens Sokrates' laatste uren, "weten"
we uit zijn eigen Phaedo, 59B10. Over Eukleides en
zijn "Megarische school", zie EAW.
[32].
Cf. de Theaetetus. Ook Aristippos, de "hedonist"
en stichter van de Cyrenaïsche school, was afkomstig van
Kurene. De wiskundige Theodoros mag niet verward worden met (de
jongere) Theodoros "de atheïst", die tot
de Cyrenaïsche school behoorde, zie De Ley (1996a), p. 48.
[35].
Zo althans 7e Brief, 327A. In de traditie is ook
sprake van een liefdesrelatie tussen beiden: zie Platoons epigram op
Dioons dood (volgens W.Ludwig, Plato's Love Epigrams,
in: Gr. & Rom. Stud., 1963, p. 63, het enige "zeker
echte"), bij D.L. III.30. Het laatste vers luidt, zinspelend
op hun eerste ontmoeting (Dioon was toen 20, Platoon ca 40j oud): "Dioon,
die mijn hart gek van verlangen (eros) maakte".
[36].
D.L. III, §§ 19-20. Volgens K.Praechter (1926), p.
184, gaat het niet om de Cyrenaïsche
filosoof van die naam (school van Aristippos), cf. De Ley (1996a).
[37]
Strikt
genomen, moet erkend worden dat er geen onweerlegbare, eigentijdse
bewijzen zijn dat Platoon een echte "school" heeft gesticht - d.w.z.
een min of meer "gesloten" instelling, met een min of meer vast groep
van "leden" (daarvan is pas echt sprake bij de dood van Speusippos, in
339). Bij Platoons tijdgenoten ontbreekt elke allusie op een dergelijke
school; zelfs Aristoteles gewaagt er niet van. In Platoons testament,
tenslotte, zoals bewaard in D.L. (III. 41-43), wordt de school al
evenmin vermeld. Zie Randall (1970), p. 11, met verwijzing naar H.
Cherniss (1945); ook P.A.Brunt (1993), p. 284.
[38].
Vandaar dat een "Muzenkapel" (Mouseîon)
een vast onderdeel vormde van de toenmalige scholen, zie Guthrie, o.c.,
p. 20. Maar gans deze theorie over het juridisch statuut van de
Atheense scholen (die teruggaat op U. von Wilamowitz) is krachtig in
vraag gesteld door J.P. Lynch (1972), pp. 108-127.
[40].
Platoons belangrijkste medewerkers - Eudoxos, Speusippos, Aristoteles,
e.a. - hielden er op wezenlijke punten andere opvattingen op na dan
hijzelf. Cf. Brunt, o.c., p. 284: "even Plato's closest
associates were united rather
by a common zeal and aptitude for enquiry than by commitment to a
common body of doctrine".
[41].
Cf. de Zevende Brief, 326A-B: "Zo kwam ik
dan tenslotte tot het inzicht dat alle huidige staten, van de eerste
tot de laatste, slecht bestuurd worden... En ik voelde me ook gedwongen
tot lof van de filosofie te erkennen, dat zij het uitgangspunt is van
waaruit men kan onderscheiden waar in elk opzicht de rechtvaardigheid
ligt, zowel in openbare als in particuliere aangelegenheden. Ook zullen
de menselijke geslachten hun kwalen niet zien ophouden voordat ofwel
het ras der degelijke en echte filosofen toegang verkrijgt tot de
politieke leidersposten, ofwel het ras der machthebbers, dank zij een
goddelijke beschikking, werkelijk de wijsbegeerte gaat beoefenen".
[42].
Zie de lange lijst bij Zeller, o.c., p. 420 n. 1; zie ook Lynch, o.c.,
p. 59 en n. 32, met verwijzingen. Deze visie, nochtans, die door tal
van historici wordt gehuldigd, namelijk dat Platoons Akademie als
hoofdbedoeling had, politieke experten op te leiden, en dat zij als
zodanig zelfs een reële invloed zou hebben uitgeoefend in de
Griekse wereld (met uitzondering dan van Athene zelf), wordt door Brunt
(1993), p. 282 en n. 1, afgewezen als "largely mistaken"
(met verwijzingen naar de moderne literatuur).
[43].
Zie De Ley (1988), hfst. 1, pp. 24-26. Naast Isokrates en Platoon,
waren er in Athene natuurlijk nog andere intellectuelen actief die in
scherpe onderlinge wedijver leerlingen poogden aan te trekken (o.m.
Aischines van Sphettos). Zie Lynch (1972), ch. 2, over de verschillende
"scholen" die in deze periode werden opgericht. De strijd evenwel
tussen Isokrates en Platoon om de toeëigening van de term "philosophía"
plaatst hen in een wat aparte categorie. Zie hierover Nightingale
(1995), ch. 1: "Plato,
Isokrates, and the property of philosophy".
[44].
Isokrates loochende de grondslagen zelf van het "platonisme" door de
mogelijkheid van een trefzekere "wetenschap" (epistèmè)
van het moreel-politieke handelen zonder meer te verwerpen. Zoals hij
in zijn late bilantekst Antidosis, § 271,
schrijft: "Aangezien het niet in de menselijke natuur ligt epistèmè
te verwerven, door het bezit waarvan wij zouden wéten wat
moet gedaan of gezegd worden, beschouw ik voortaan als 'wijzen' (sophoí)
degenen die door hun opinies (doxai) in staat zijn
meestendeels de beste oplossing te treffen, en als 'wijsheidsvrienden' (philósophoi)
degenen die zich met die zaken bezig houden, waaruit ze het vlugst zulk
inzicht (phronèsis) kunnen opdoen".
In radicale oppositie, dus, met vooral Platoon en diens geloof in (een
absolute kennis van) absolute handelingskriteria, herwaardeerde
Isokrates de "wereld van de doxa, of opinie".
Deze "leer van de opinie" moet,
zoals A. Graeser (1983), p.80, schrijft, "aanzien worden als
een oorspronkelijke bijdrage
van Isokrates tot de discussie over de opvoedingsidealen, en (ze) kan
inhoudelijk model hebben gestaan voor de aristotelische conceptie van
de praktische verstandigheid (phrónèsis)".
[45].
Guthrie, o.c., p. 29.
[46].
Zo Graeser, o.c., p. 125.
[47]. Zie
G.M.A.Richter, The Portraits of
the Greeks, vol.II, London 1965, pp. 164-170.
[48].
Richter, o.c., p. 169.
[49].
De Apologie is natuurlijk geen dialoog, maar een
redevoering. Ook van een aantal andere, zgn. dialogen moet, vanuit
formeel oogpunt, het dialoogkarakter gerelativeerd worden. Cf. Halperin
(1992), p. 95: "One
of the most curious and seldom-remarked facts about Plato's Dialogues
is that many of them are not, in fact, dialogues".
[50].
D.L., II, § 121v., vermeldt er meer dan honderd op naam van
Kritoon, Simoon ("de schoenlapper"), Glaukoon,
Simmias en Kebes. Ook meer bekende figuren zoals Antisthenes, Aischines
van Sphettos en Xenophoon beoefenden het genre.
[51].
Vgl. bv. bij Aristoteles, die de gewoonte heeft naar "Sokrates"
te verwijzen, wanneer het eigenlijk om teksten van Platoon of Aischines
gaat. Zie C.M.Müller (1975), p. 17v.
[52].
Ondanks precedenten (volgens Aristoteles zou een zekere Alexamenos, van
Stura of Teos, de eerste dialogen hebben geschreven), kan volgens D.L.,
III, § 48, Platoon - "omdat hij deze vorm definitief
heeft op punt gesteld" - met het meeste recht
aanspraak maken op "de eerste prijs, niet alleen voor de
schoonheid maar ook voor de uitvinding
ervan".
[54].
(1986). Ondertitel: "Luck and ethics in Greek tragedy and
philosophy".
[55].
Nussbaum, o.c., pp. 122-135.
[56].
O.c., p. 133 (mijn vertaling).
[57].
Ik citeer uit G. van Donselaar, Van 'the fragility of
goodness' naar 'the goodness of fragility'. Martha Nussbaum
over ethiek, een inleiding tot Nussbaums werk,
afgedrukt in M.C. Nussbaum (1991), pp. 46-7.
[58].
Zie Müller, o.c., p. 22v.
[59].
Want het werk van de grote drukkerij van Aldus Manutius (1449-1515), in
Venetië.
[60].
Strikt genomen betekent dat natuurlijk niet dat we àlle
geschriften bezitten, die Platoon ooit geschreven heeft; enkel dat we
alle teksten hebben, die in de oudheid als platoons werden beschouwd
(Randall, o.c., p. 31). Vermelden we hier aanvullend nog dat het
referentiesysteem dat conventioneel gebruikt wordt om passussen in
Platoons dialogen precies aan te wijzen, teruggaat op de paginering in
de latere tekstuitgave van de Franse filoloog-drukker Henri
Étienne (Stephanus), van 1578.
[61].
Burnet's uitgave is in 5 volumes: vol. 1 bevat tetralogieën I
en II; vol. 2 nrs. III en IV; vol. 3 de nrs. V, VI en VII; vol. 4 de
achtste tetralogie; vol. 5 de negende en de apocriefen. Sedert enkele
jaren, nochtans, is er in dezelfde reeks een nieuwe uitgave gelanceerd
(onder een uitgeverscollectief).
[62].
Als erfenis van de humanistische traditie, waarvan de voertaal het
Latijn was, worden zowel de namen van de Griekse auteurs als de titels
van hun werken traditioneel in hun Latijnse vorm geciteerd. Ik volg
deze traditie (gewoonlijk) althans wat de titels
betreft, mede omdat aldus verwarring vermeden wordt tussen de dialoog
en het historische personage wiens naam als titel fungeert (bv.
Phaidros voor de Phaedrus-dialoog, Kritias voor de
Critias, Kritoon voor de Crito, enz.).
[63].
De dialogen Sisyphus, Demodocus,
I-IV, De iusto en De virtute
worden grondig besproken bij Müller (1975).
[64].
G.R.Ledger (1989), argumenteert op basis van zijn statistische gegevens
ten gunste van de authenticiteit van Alcibiades I, Io,
Menexenus, het Epinomis
en een viertal van de Brieven.
[65].
Zie nu de recente, kritische status quaestionis
omtrent dit onderzoek van de hand van Leonard Brandwood (1990); ook
zijn samenvatting, Stylometry and chronology, in:
Kraut (1992), pp. 90-120.
[66].
Guthrie, o.c., p. 50.
[67].
Zie Brandwood (1990), pp. 251-2.
[68].
Graeser (1983), p. 126.
[69].
Zie hierover De Ley (1994)= de Sokratestekst op deze site.
[70].
Zie F.H.Sandbach (1985), p. 484. Op de beruchte "Sokratische
kwestie", meer bepaald de vraag, welke van de drie:
Aristophanes (De Wolken), Platoon of Xenophoon, in
zijn geschriften het meeste recht doet aan de historische Sokrates, zal
hier niet worden ingegaan. De boeiendste Nederlandstalige introductie
wat de betekenis van Sokrates betreft voor de platoonse dialoog, blijft
E.De Strycker (1976).
[71].
Zie De Ley (1994)= Sokrates, op deze site.
[72].
Sandbach, o.c., p. 485 (mijn vertaling).
[73].
O.m. Appianos (2de eeuw nK), Romeinse Geschiedenis,
11.7.41, Maximos van Tyr (2de eeuw nK), Oratio
3.1-8 ("Had Sokrates gelijk met zich niet te verdedigen?")
en Philostratos (einde 2de, 1e helft 3de eeuw), Leven van
Apollonios van Tyana, 4.46, vermelden als een algemeen gekend
feit, dat Sokrates zou geweigerd hebben zich te verdedigen. In het Leven
van Lusias van de Ps-Ploutarchos (Levens van de 10
Redenaars), 4.3, p. 826b, lezen we dat de logograaf Lusias
een verdedigingsrede voor Sokrates zou hebben geschreven (zoals dat
gebruikelijk was), maar dat Sokrates zou geweigerd hebben ze te
gebruiken. Voor een "dossier" met alle bewaarde historische en
apocriefe gegevens over Sokrates (in vertaling) zie J. Ferguson, Sokrates.
A source book, London 1970.
[74].
Zie nogmaals De Ley (1994)= Sokrates, op deze site.
[76].
Zie hierover De Ley (1994)= Sokrates, op deze site.
GEBRUIKTE
LITERATUUR:
BRANDWOOD, L. (1990), The Chronology of
Plato's
Dialogues, Cambridge 1990.
BRANDWOOD, L. (1992), Stylometry and
chronology,
in: Kraut (1992), pp. 90-120.
BRUNT, P.A. (1993), Plato's Academy and
Politics,
in: P.A.Brunt, Studies in Greek History and Thought, Oxford 1993, pp.
282-342.
CHERNISS,
H. (1945), The Riddle of the Early Academy, Los Angeles 1945.
DE LEY, H. (1986), De Late Oudheid. Syllabus
RUG
1986.
DE LEY, H. (1988),
ΦΙΛΟΣΟΦΟΣ:
van "wereldwijs" naar "wereldvreemd"?,
Syllabus RUGent 1988.
DE LEY, H. (1994), Sokrates: Leven en Sterven
voor
de Filosofie. RUGent 1994.
DE LEY, H. (1996a), Wijsbegeerte van de
Oudheid:
Bronnen & Encyklopedie, Partim I: Van Thales tot Cicero. RUGent
1996.
DE LEY, H. (1996b), Phusis & Polis.
Aristoteles' Praktische Filosofie. RUGent 1996.
DE STRYCKER, E. (1976), De kunst van het
gesprek.
Wat waren de dialogen van Plato?, Antwerpen 1976.
DE VRIES, G.J. (1986), Plato's Stijl, in:
Id., De
zang der Sirenen, Baarn 1986, pp.107-136.
ELLIS, W.M. (1989), Alcibiades, London 1989.
FIELD, G.C. (1930), Plato and his
Contemporaries,
London 1930 (herdr.).
GENETTE, G. (1981), Theorieën van
literaire genres: inleiding in de architekst, in: Mieke Bal (ed.),
Literaire genres en hun gebruik. Muiderberg 1981.
GOLDHILL, S. (1986), Reading Greek Tragedy,
Cambridge 1986.
GRAESER, A. (1983), Die Philosophie der
Antike 2:
Sophistik und Sokratik, Plato und Aristoteles, in: Gesch.der
Philosophie, hrsg. v. W.Röd, II, München 1983.
GUTHRIE, W.K.C. (1975), A History of Greek
Philosophy, vol. 4: Plato, the Man and his Dialogues, Earlier Period,
Cambridge 1975.
HALPERIN, D.M. (1992), Plato and the Erotics
of
Narrativity, in: Innovations of Antiquity, ed. by R.Hexter &
D.Selden (New York & London 1992), pp. 95-126.
IRWIN, T.H. (1992), Plato: The Intellectual
Background, in: Kraut (1992), pp. 71-89.
KRAUT, R., ed. (1992), The Cambridge
Companion to
Plato. Cambridge 1992.
LEDGER,
G.R. (1989), Re-counting Plato. A Computer Analysis of Plato's Style,
Oxford 1989.
LEISEGANG, H. (1950), "Platon"
in: Pauly-Wissowa, Real-Encyclopädie, XX.2 (1950), kk.
2342-2537.
LYNCH, J.P. (1972), Aristotle's School,
Berkeley
1972.
MÜLLER, C.M. (1975), Die Kurzdialoge
der
Appendix Platonica, München 1975.
NIGHTINGALE, Andrea Wilson (1995), Genres in
dialogue. Plato and the construct of philosophy. Cambridge 1995.
NUSSBAUM, Martha C. (1986), The fragility of
goodness. Luck and ethics in Greek tragedy and philosophy, Cambridge
1986.
NUSSBAUM, Martha C. (1991), Politieke
Dieren. Aristoteles over de natuur en het menselijk bedrijf (vert.
G.van Donselaer), Stichting Pierre Bayle-lezing 1991
PRAECHTER, K. (1926), Die Philosophie des
Altertums, in: F.Ueberwegs Grundriss der Geschichte der Philosophie,
1.Bd, Basel/Stuttgart 1926.
RANDALL, J.H., Jr. (1970), Plato, Dramatist
of the
Life of Reason. New York 1970.
RAVEN, J.E. (1965), Plato's thought in the
making,
Cambridge 1965.
RYLE, G. (1972), "Plato"
in:
Encyclopaedia of Philosophy, VI, p. 314v.
SANDBACH, F.H. (1985), Plato and the Socratic
Work
of Xenophon, in: The Cambridge History of Greek Literature, ed.
P.E.Easterling & B.M.W. Knox, Cambridge 1985, pp. 478-497.
ZELLER, E. (1922), Die Philosophie der
Griechen in
ihrer geschichtlichen Entwicklung dargestellt, 2.1., 5. Aufl., Leipzig
1922
|