Antieke Wijsbegeerte: van Thales tot Augustinus.
Een syllabus
door Herman De Ley (© 2009)

• 1ba-INDEX • Syllabi-Index • CIE-INDEX •

HOOFDSTUK 5:

Introductie tot Platoon (1)*

Leven en Werk



 

Inhoud:
 

Hoofdstuk 1: Platoons Leven

1. Bronnen
2. De "mythe" van Platoons leven
Noot over de antieke Platoonportretten

Hoofdstuk 2: Platoons Werken

1. De Dialoog.
2. Overlevering
3. Chronologie
4. Personages

Literatuur

 


 

Hoofdstuk 1: Platoons Leven

 

1. Bronnen[1].

Zoals het een auteur van "Sokratische dialogen" betaamt, confronteert Platoon de hedendaagse onderzoeker met een paradox:

-- enerzijds is hij te allen tijde - zowel in de latere oudheid, middeleeuwen en renaissance als in de moderne tijd - de Griekse filosoof geweest waarmee de Europese intellectueel het meest vertrouwd was (of: dacht vertrouwd te zijn); hij is trouwens één van de weinige Griekse filosofen waarvan we alle geschriften bezitten, die hijzelf ooit "gepubliceerd" heeft;

-- anderzijds weten we omtrent zijn leven en persoonlijkheid omzeggens niets dat vanuit strikt historisch oogpunt als volledig betrouwbaar mag gelden.

In de moderne literatuur is de situatie zelfs vergeleken met die van Shakespeare. Zoals J.H. Randall, Plato, dramatist of the life of reason (1970), p. 7, het formuleert:

"In terms of actual facts, we know as much - and as little - about the life of Plato as we know about the life of Shakespeare - enough to write long accounts of his times, but not enough to understand a single force that made him what he was"[2].

1.1. Allusies op Platoon bij zijn tijdgenoten zijn opvallend zeldzaam. Bij zijn grote opponent en concurrent, de rhetor Isokrates, worden noch Platoon noch de "Akademie" ergens uitdrukkelijk vermeld. Bij Xenophoon gebeurt dat slechts éénmaal[3], bij de jongere Demosthenes tweemaal, maar met bijzonder weinig informatorische waarde[4]. Uit de schaars bewaarde fragmenten, evenwel, van de Midden-Komedie blijkt dat Platoon, vooral in zijn latere jaren, een geliefkoosd mikpunt was van de komedieschrijvers[5].

Wat Platoons eigen teksten betreft, zoals bekend zijn zij in dialoogvorm geschreven maar de auteur laat er zichzelf nooit aan het woord komen. Ook verwijzingen naar zichzelf zijn uiterst zeldzaam (ze suggereren wel dat Platoon aanwezig was op Sokrates' proces[6], maar niet bij diens dood[7]).

Weliswaar werden er door vrienden en volgelingen tal van geschriften óver hem geproduceerd: bv. door Aristoteles, Speusippos, Xenokrates, Philippos van Opous, Hermodoros, Erastos, e.a.; ook door leerlingen van Aristoteles, zoals Aristoxenos, Dikaiarchos, Klearchos... Maar daarbij ging het in de eerste plaats om "eulogieën", of lofschriften, die niet terugschrokken voor een hyperbool meer of minder. Zo maakte onder meer Platoons neef en opvolger, Speusippos, in zijn geschrift, "Platoons Begrafenismaal", melding van de "mare" (logos) die in Athene de rond deed, dat Platoon eigenlijk de zoon was van... god Apolloon[8].

In het algemeen, zoals bekend, was wat de Grieken onder "biografie" verstonden (bios, in het Latijn vita), nogal afwijkend van onze ideeën daaromtrent: niet de historische waarheid stond, al was het maar als betrachting, vooraan, maar het zedelijk stichten (m.b.v. een positief, of een negatief "model") en/of literair "amuseren" van de lezer: "entertainment", dus, bv. met behulp van de "chronique scandaleuse" die omtrent het onderwerp in omloop was, of die zonder gewetensproblemen door de biograaf zelf verzonnen werd[9]. Hoe dan ook, alle vroege vitae over Platoon zijn voor ons verloren gegaan. Degene die wel bewaard bleven, zijn pas vele eeuwen later geschreven, wanneer hij definitief een mythische, quasi bovennatuurlijke status had verworven - het type van de "goddelijke man" (theîos anèr) -, en de laat-antieke, met name "platonische" filosofie een (semi-)religieuze richting was ingeslagen, gericht op de visio Dei. Daarin gold Platoon voortaan als onfeilbare autoriteit voor de Waarheid (d.w.z. wat zijn filosofie verkondigde was niet louter altijd waar, maar was noodzakelijk waar)[10]. De vitae zijn daarom "infected by gossip, legend, and fiction", zoals Irwin het formuleert[11]. Laten we het materiaal even overlopen:

(1) de oudst bewaarde vita is het De Platone et eius dogmate ("Over Platoon en zijn leer"), van Apuleius (2de eeuw nK), een auteur die filosofisch gerekend wordt tot het zgn. midden-platonisme, maar die vooral bekend is gebleven voor zijn Latijnse "ezelroman", Metamorfosen, of De Gouden Ezel[13].

(2) Van niet veel later, namelijk uit de 3de eeuw (waarschijnlijk), dateert de verzameling Filosofenlevens, in 10 "boeken", van Diogenes Laertios[14]. Het 3de boek ervan is volledig gewijd aan Platoon. Hoewel behept met alle gebreken van de antieke biografie, verwijst D.L. naar tal van bronnen uit Platoons tijd (hij geeft ook Platoons testament) - wat zijn werk voor ons toch waardevol maakt[15].

(3) Uit de 6de eeuw is er dan nog de vita van de hand van de neoplatonische commentarenschrijver, Olumpiodoros en, nauw daarbij aansluitend, de biografische noot in een anonieme inleiding tot Platoons filosofie (Prolegomena). Mythologisering en het beroep op het bovennatuurlijke zijn hier zo mogelijk nog sterker aanwezig. Platoon verschijnt als tegelijkertijd filosoof, theoloog, priester en magiër.

Maar naast een "hagiografische", zijn er in de overlevering ook sporen aan te treffen van een Platoonvijandige traditie, in de oudheid. Daarin werd Platoon beschuldigd van allerlei lelijks: trots, hebzucht, plagiaat, jaloersheid, leugenachtigheid, gevlei van tirannen, enz. Athenaios (ca 200 nK), in zijn Deipnosophistae, of "Banketgeleerden"[16], vermeldt in dat opzicht o.m. Theopompos, historiograaf en leerling van Platoons opponent, Isokrates; hij schreef een werk "Tegen de School van Platoon".

Naast dat alles zijn er nog enkele Platoonanekdotes te vinden bij latere auteurs zoals Cicero, Cornelius Nepos, Ploutarchos, Ailianos, e.a. Chronologische gegevens tenslotte zijn ons bewaard bij D.L., uit Apollodoros' Chronica[17].

1.2. Onvermeld gebleven, bij dit alles, zijn de Brieven, 13 in getal, die ons op Platoons naam overgeleverd zijn in het platoonse Corpus. Op het eerste gezicht, althans, vormen zij "one great piece of good fortune"[18]. Vooral de Zevende Brief, waarin door de oude Platoon een soort van balans wordt gemaakt van zijn leven, is altijd een ware goudmijn geweest voor "Platoonjagers". Bijna alles wat we denken te weten over Platoons leven, aldus J.E.Raven[19], ook het grootste deel van de laat-antieke informatie, is op directe of indirecte wijze afkomstig uit deze brief. In (veel) mindere mate geldt dat ook voor de 8e Brief. De Zevende en Achtste zijn uiteindelijk onze enige bron voor Platoons beruchte Sicilië-reizen.

Maar in de 19de eeuw zijn deze "Brieven", net zoals de gehele antieke epistolografie, onderworpen aan een strenge authenticiteitskritiek. Terecht, want in de latere oudheid is er ongetwijfeld, deels uit commerciële motieven, deels in het kader van het retorica-onderwijs (in het kader van "oefeningen"), aan "schriftvervalsing" op grote schaal gedaan. Zo kregen Herakleitos, Demokritos, Hippokrates, Sokrates, Aristoteles en vele andere bekende personaliteiten uitvoerige "correspondenties" in de pen geschoven[20]. Wat de zgn. Platoonbrieven betreft, is de vraag dan ook niet, of het wel zeker is dat ze allemààl van zijn hand zijn, als wel, of er überhaupt één brief authentiek is. In de ("hyperkritische") 19de eeuw was de grote meerderheid van de historici geneigd, de meeste, zoniet àlle brieven van "Platoon" als niet-authentiek te verwerpen[21].

Om me hier te beperken tot die Zevende, kan vastgesteld worden dat - enkele belangrijke "dissenters" niet te na gesproken (zoals Ludwig Edelstein) - de meeste historici vandaag geneigd zijn de authenticiteit ervan te aanvaarden; of althans dat

"zelfs door de sceptici erkend wordt dat de tekst geschreven en gepubliceerd moet zijn door iemand uit Platoons onmiddellijke omgeving, kort voor of na zijn dood"[22].

Ook al werd de brief ongetwijfeld opgesteld met apologetische doeleinden (in de eerste plaats: het justifiëren van Platoons "Sicilische avonturen"), dan nog moet de inhoud ervan wellicht grotendeels correct zijn, aangezien flagrante onjuistheden wellicht (?) onmiddellijk aan de kaak zouden zijn gesteld.

Mócht de Zevende Brief inderdaad authentiek zijn, dan zouden we vanzelfsprekend het, voor een schrijver en filosoof van Platoons tijd en statuut, uitzonderlijke voorrecht genieten,

"een autobiografisch document te bezitten, dat de fazen schetst van zijn ontwikkeling en zich toespitst op zijn aandeel in een historische periode, namelijk de gewelddadige koers die de Syrakusaanse politiek insloeg in de 4de eeuw"[23].


2. De "mythe" van Platoons leven[24].

Het chronologische stramien dat ons door de antieke traditie is overgeleverd in verband met Platoons leven (D.L., III.2), maakt een bijzonder aprioristische indruk:

-- geboren in 427[25], leerde Platoon op 20-jarige leeftijd, in 407, Sokrates kennen;

-- stichtte hij in 387, d.w.z. op 40-jarige leeftijd (leeftijd door Apollodoros steeds vereenzelvigd met iemands akmè, of "bloei"), kort na zijn terugkeer uit Sicilië, de Akademie;

-- keerde hij 20 jaar later, in 367, naar Syracuse terug;

-- en stierf hij nog eens 20 jaar later, op 80-jarige leeftijd, in 347.

De conclusie van Randall[26], dat de chronologie in haar geheel sterk de indruk wekt dat ze het resultaat is van Apollodoros' apriori schema's, lijkt dan ook niet onredelijk.

Niet eens Platoons geboortejaar kennen we met zekerheid: zoals gezegd, plaatste Apollodoros het in (mei) 427 - wat thans algemeen aanvaard wordt -, maar sommige bronnen vervroegen het met twee of drie jaar[27]. Heel belangrijk is dat meningsverschil natuurlijk niet: vast staat dat Platoons jeugd en jonge volwassenheid samenviel met de Peloponnesische Oorlog(en) (d.w.z. de oorlog tussen Athene en Sparta, die, met rustpauzen, geduurd heeft van 431 tot 404, en eindigde met de nederlaag van Athene). Wat zijn naam betreft, volgens de traditie zou "Platoon", wat zoveel betekent als "de Brede", eigenlijk een latere bijnaam zijn (D.L. III.4).

Over zijn familie en sociaal milieu zijn we beter geïnformeerd: zijn vader, Aristoon, voerde zijn afstamming terug op Kodros, de laatste koning van Athene; zijn moeder, Periktione, de hare op Soloon. Beiden behoorden dus tot de hoge Atheense aristocratie (de zgn. Eupatriden). Platoon had twee oudere broers, Glaukoon en Adeimantos (die beiden optreden in de Politeia), en een zuster, Potone, moeder van Platoons leerling en opvolger, Speusippos. Uit een tweede huwelijk van zijn moeder had Platoon nog een halfbroer, Antiphoon (die fungeert als verteller in de Parmenides). Uit het feit dat twee naaste familieleden, namelijk Kritias, kozijn van zijn moeder, en Charmides, haar broer, een vooraanstaande rol hebben gespeeld in de "witte terreur" van de zgn. "Dertig Tirannen"[28], onmiddellijk volgend op Athene's nederlaag, mogen we afleiden dat Platoon al in zijn adolescentie getekend werd door sterke anti-democratische gevoelens (ook al hadden die aristocratische kringen oorspronkelijk tot het kamp van Perikles behoord). Merkwaardig is wel dat Platoon zelf afzijdig is gebleven van het politieke avontuur van zijn oudere verwanten.

Nog wat Platoons adolescentie en jonge volwassenheid betreft, weet de traditie te vertellen dat hij poëzie zou hebben geschreven: epos, lyriek, zowel als dithyramben (koorlyriek). Hij zou zelfs een tragedie hebben gecomponeerd, met het oog op het Atheense theaterfestival. Na zijn ontmoeting met Sokrates, evenwel, zou hij al zijn poëzie verbrand hebben[29]. Waarover niets verteld wordt, maar wat we als een zekerheid kunnen poneren, is dat hij vanaf zijn 18 jaar tot het einde van de oorlog, ongeveer 5 jaar later, nogal continu moet geëngageerd geweest zijn met het vervullen van zijn militaire dienst - allicht, gezien zijn sociale status, in de cavalerie. In de laatste jaren van de oorlog had zij de opdracht de Spartaanse strooptochten vanuit het fort van Dekeleia af te slaan. Op làtere militaire prestaties van Platoon, wanneer Athene rond 395 opnieuw in een oorlog verwikkeld was, wordt gezinspeeld in D.L. III.8, op gezag van Aristoxenos. Althans deze, voor een Griek uitermate belangrijke soort van maatschappelijke "praxis" was Platoon dus niet vreemd.

Toen Sokrates de gifbeker dronk, in 399, was Platoon 28 jaar oud. Volgens onze bron, namelijk Platoons leerling Hermodoros[30], zou hij zich in die periode, samen met enkele andere volgelingen, teruggetrokken hebben in Megara, waar Eukleides, een andere leerling van Sokrates, een school had opgericht[31]. Nadien zou Platoon een reis naar Kurene (Cyrene, kust van het huidige Lybië) gemaakt hebben om er de befaamde wiskundige, Theodoros, te bezoeken[32]; hij zou ook een bezoek hebben gebracht aan Egypte, "bij de profeten"[33]. Iets sterker betuigd lijkt de reis, "rond mijn veertigste"[34], naar Groot-Griekenland (i.e. Zuid-Italië en Sicilië). In Zuid-Italië legde hij contacten met pythagoreïsche middens (vooral met de politicus-geleerde Archutas van Tarente). Vervolgens trok hij naar Syracuse, waar de tiran Dionusios de Oude aan de macht was. Hij smeedde er nauwe vriendschapsbanden met Dionusios' zwager, Dioon[35]. Volgens een laat-antieke traditie zou Dionusios Platoon hebben laten deporteren naar Aigina (eiland ten Z. van Athene), om daar als slaaf te worden verkocht; hij zou er vrijgekocht zijn - voor 20 of 30 Minen - door Annikeris van Kurene[36].

Na zijn terugkeer in Athene, in 387 of niet lang daarna, is Platoon met een eigen "school" gestart, in de Akademeia of het Akademos-gymnasium, een druk bezochte publieke ontmoetingsplaats, gelegen buiten (ten N.W. van) de stadsmuren - zie het plannetje op deze site [37]. Wat het statuut van deze school betreft, wordt in de moderne literatuur doorgaans geponeerd dat het om een cultusvereniging (thíasos) ging, die zoals andere scholen gewijd was aan de Muzen[38].

Platoons school had in elk geval een open karakter: iedereen was er welkom, op voorwaarde dat men zelf kon instaan voor zijn onderhoud. De eigenlijke "colleges" werden waarschijnlijk in de (publieke) lokalen van het gymnasium gegeven - zoals dat reeds ten tijde van de Sofisten gangbaar was. Naast filosofie, werd ook de studie aangemoedigd van astronomie en wiskunde. Grote wetenschappers maakten er deel van uit, niet als leerlingen maar als gelijkwaardige partners naast Platoon (bv. de astronoom en wiskundige Eudoxos van Knidos, die zijn eigen leerlingen zou hebben meegebracht)[39]. Trouw aan een gemeenschappelijk doctrinaal systeem, sc. dat van de "Meester" (zoals later bij Epikouros), werd duidelijk niét verwacht[40]. Maar Platoons bedoelingen waren wellicht in de eerste plaats politiek-ideologisch van aard[41]: d.w.z. hij beoogde een soort van "politieke hogeschool", waarin toekomstige politici of politieke adviseurs opgeleid werden; de latere traditie vermeldt alleszins een lange reeks namen van personen die nadien politiek of wetgevend actief zijn geweest[42].

Platoons Akademie moest opboksen tegen de concurrentie van de ongeveer acht jaar oudere Isokrates, die in zijn school (opgericht rond 490) óók een "philosophia" onderwees, maar dan wel gebaseerd op de principes van de retorica[43]. De tegenstellingen tussen beide scholen waren zowel filosofisch[44] als politiek-ideologisch van aard, en tal van leerlingen van Isokrates zouden zich ontpoppen als verbeten vijanden zowel van Platoons Akademie als van Aristoteles' latere school (het "Lyceum").

In 367 stierf Dionusios I, tiran van Syracuse. Zijn zoon, Dionusios de Jongere, die onvoorbereid heerser werd over het rijk dat zijn vader op Sicilië en in Italië had opgebouwd, werd er door zijn oom Dioon toe aangezet om Platoon opnieuw uit te nodigen (zo althans de 7e Brief, 327Bv.). Platoon, nu al 60 jaar oud, bezweek voor het aanbod (of voor de morele druk?) om zijn ideeën over de "koning-filosoof" alsnog in de praktijk te komen brengen. Hoewel ook dat bezoek op niets uitliep - in 365 was hij opnieuw in Athene -, zou hij zich enkele jaren later, in 361, nóg maar eens laten overhalen hebben. De jonge tiran had ondertussen enkele filosofen in zijn hofhouding opgenomen, o.m. Aristippos, en schakelde ook Archutas in, om Platoon te doen zwichten (cf. 338A-340A).

In tegenstelling tot wat Platoon hoopte, was "derde keer" géén "goede keer", en hij mocht zich gelukkig prijzen dat hij, dank zij de tussenkomst van zijn Tarentijnse vrienden, nog heelhuids kon terugkeren naar Athene (zijn goede vriend Dioon, daarentegen, zou zijn poging om met militaire middelen greep te krijgen op de situatie, kort nadien met de dood bekopen). Het minste, in elk geval, dat van Platoon mag gezegd worden i.v.m. zijn "Sicilische avonturen", is ongetwijfeld "that the years had brought him no increase in practical wisdom"[45].

Toch lijkt die negatieve ervaring zijn sporen te hebben nagelaten: uit zijn laatste (onvoltooid gebleven) werk, De Wetten, spreekt het pessimisme van iemand die definitief verzaakt heeft aan Sokrates' primaat van de kennis - "deugd is kennis" - maar integendeel de noodzaak heeft leren inzien om beperkingen en controles op te leggen aan de machthebber[46].

 




Noot over de antieke Platoonportretten
[47].

Volgens D.L., III, § 25 - onze enige betrouwbare verwijzing naar een Grieks origineel -, heeft een Pers, Mithridates, een Platoonbeeld dat gebeeldhouwd was door Silanioon, in de Akademie opgesteld en toegewijd aan de Muzen.

De moderne identificatie van Platoons portret is gebeurd op basis van de hermè, in 1884 verworven door het Berlijnse Museum (nr. 300: bij Richter afb. 903-5 en 908: zie de afbeelding hoger), en, in tweede instantie, de dubbelherme (samen met Sokrates) in het Vatikaan (inv. 128; Richter afb. 909-911). In totaal gaat het om een 20-tal kopieën die op hetzelfde origineel teruggaan (mogelijk maar niet zeker dat van Silanioon): zie Richter, afb. 915-959. Het hoofd was oorspronkelijk vermoedelijk een onderdeel van een sculptuur waarin Platoon gezeten was weergegeven (Richter afb. 960).

Platoon wordt met dit portret voorgesteld (met een aantal variaties) als

"a man of commanding personality..., with a broad forehead, a domed skull somewhat flat at the top, rather small eyes set close together, protruding lower lip, protruding rounded chin, and finely curved nose"[48].

Het portret stemt overeen met de trekken die door onze literaire bronnen aan Platoon toegeschreven worden: namelijk "his broad forehead and chest, his bent back, his sombre expression, and his aristocratic bearing" (ibid.). Het geeft hem weer op late leeftijd. Het origineel werd vermoedelijk vervaardigd rond het midden van de 4de eeuw, aan het eind van zijn leven, of kort na zijn dood.

 



Hoofdstuk 2: Platoons Werken.

 

1. De Dialoog.

Na zijn mislukte poëtische start, heeft Platoon - behoudens eventuele brieven en epigrammen - nog bijna uitsluitend filosofische dialogen geschreven[49].

Formeel gezien, behoren zijn geschriften meer bepaald tot het bijzondere genre van de "Sokratische gesprekken", dat ook door andere Sokratesvolgelingen met groot succes beoefend werd[50], en dat tot ver in de hellenistische periode populair bleef, zij het als een vulgariserende vorm van filosofiebeoefening. Kenmerkend voor het genre was dat de auteur in kwestie volledig op de achtergrond trad, ten gunste van de "Sokrates" in de gesprekken: de literaire teksten golden m.a.w. - in de fictie van het genre - als, letterlijk, sokratikoí logoi[51]. Een aantal dergelijke, korte, niet-platoonse "gesprekken" zijn ons overgeleverd als behorende tot het Corpus Platonicum.

Wat de mogelijke beweegredenen van Platoon betreft om juist déze literaire vorm te kiezen voor zijn filosofische beschouwingen - "te kiezen", zo al niet als kunstvorm te creëren[52] -, verwijs ik naar het tweede deel van deze Platoonbespreking. Ter aanvulling, nochtans, wil ik de aandacht vestigen op de belangrijke bijdrage die m.b.t. deze vraagstelling geleverd is door Martha C.Nussbaum, in haar bekend werk, The fragility of goodness[54]. In het onderdeel ervan, "Interlude I: Plato's anti-tragic theater"[55], interpreteert zij Platoons dialoogvorm vanuit diens "haat-liefde" verhouding tot de Attische tragedie. De dialogen zijn inderdaad toneel, of "theater", maar tegelijkertijd verschillen ze compleet van eender welk Grieks theaterstuk dat wij kennen.

Hoewel schatplichtig aan de tragische modellen, dienen Platoons dialogen, in Nussbaums interpretatie, gezien te worden in het kader van diens "Kulturkampf" tégen de poëzie; d.w.z. ze moeten begrepen worden als (filosofisch) "theater" dat de tragedie - als gevestigd paradigma van ethische reflectie en onderricht - moest verdringen van haar geprivilegieerde plaats. Zoals Nussbaum schrijft[56]:

"wat we dus aantreffen, in (Platoons) middendialogen, is theater; maar theater dat gepurgeerd en gezuiverd is van het voor theater zo karakteristieke appel aan krachtige emoties, een zuiver, kristallijnen theater van het intellect (a pure crystalline theater of the intellect)".

Nussbaums kwalifikatie ervan, echter, namelijk als "anti-tragisch theater", slaat niet enkel op de formele verschillen tussen dialoog en tragedie, maar geeft ook uitdrukking aan de fundamentele "inhoudelijke" gerichtheid van de platoonse filosofie: namelijk op het uitwerken van een epistèmè, een "wetenschap", die de mens in staat moest stellen, zich te bevrijden van de tragiek van "la condition humaine".

De typische, morele conflicten die het menselijk leven een tragisch karakter (kunnen) geven, worden door Nussbaum, vanuit platonisch perspectief, samengevat onder drie hoofdingen:

1) er is het tragische feit dat het goede leven onderworpen is aan "de blinde gang van de wereld buiten ons" (de túchè, Fortuna of het lot);

2) de mens wordt dikwijls voor tragische dilemma's geplaatst, d.w.z. voor keuzes tussen waarden of loyauteiten die onderling onverzoenbaar of incommensurabel zijn (vgl. Antigone, in Sophokles' Antigone, die moet kiezen tussen de liefde voor haar broer en de loyauteit jegens haar land);

3) het menselijke leven wordt ook bedreigd van binnenuit, door de eigen emoties en passies (de páthè), die een rationele levensvoering onmogelijk kunnen maken:

"overrompeld door de eros of een andere spontane begeerte maken we ons niet alleen afhankelijk van een vergankelijk stukje buitenwereld, maar kunnen we bovendien geen weloverwogen oordeel meer vormen over onze situatie, worden we blind voor gevaren en alternatieven en drijven we misschien stuurloos naar onze eigen ondergang"[57].

Geconfronteerd met deze bronnen van het tragische, heeft Platoon o.m. in de Protagoras en de Politeia ("Staat" of "Republiek") twee "anti-tragische, levensreddende strategieën" ontwikkeld:

-- in de Protagoras, toegespitst op de (kwalitatieve) incommensurabiliteit van waarden, krijgen we een (hedonistische) "metriek" of calculus aangeboden, d.w.z. een rationele meet- en weegmethode die het mogelijk moet maken alles wat in onze ogen incommensurabel is, te herleiden tot één universele waarde.

-- In de Politeia, anderzijds, en aanverwante dialogen zoals het Symposium, concentreert Platoon zich op het risico van verlies (van het goede) en op de kracht van de irrationele zielsvermogens: de oplossing die daar aangeboden wordt, is de ascetische (alhoewel), puur intellectuele, contemplatieve levensvoering van de filosoof (de bíos philósophos), een levensvoering gewijd aan de studie en contemplatie van de eeuwige, onveranderlijke principes van Waarheid en Schoonheid (de "Ideeën" of "Vormen"), en als zodanig verregaand onttrokken aan de contingentie van het gewone, menselijke bestaan.

Platoon, zo zou men met Nussbaum kunnen zeggen, wou met zijn filosofie a.h.w. een nieuw, "tragiekloos" mensenras creëren. Van dat nieuwe ras, dan, verschijnt "Sokrates" - de Sokrates van de middendialogen - als de quasi bovenmenselijke belichaming (vgl. Alkibiades' lofzang of liefdesverklaring, in het slotdeel van het Symposium).


2. Overlevering.

Wat de latere overlevering van zijn oeuvre betreft, weten we van D.L. (III, § 56v.) dat Platoons geschriften door Thrasullos, een Alexandrijns geleerde (maar ook hofastroloog van keizer Tiberius, 1e eeuw nK), werden gerangschikt in negen tetralogieën. Nochtans is die indeling waarschijnlijk ouder, en mogelijk zelfs afkomstig uit Akademiekringen (er zijn ook sporen van een nog oudere indeling, in trilogieën, die waarschijnlijk het werk was van de grote Alexandrijnse geleerde, Aristophanes van Byzantium, 3de eeuw vK).

Opvallend aan Thrasullos' indeling is dat zij reeds een speciale (tiende) sectie van "apocrypha" bevatte - wat erop wijst dat déze, "onechte", sokratische gesprekken al héél vroeg opgenomen waren in de erkende verzameling van platoonse teksten (het zgn. corpus Platonicum), zodanig dat men zich achteraf genoopt voelde, ze in het corpus te behouden, d.w.z. ook toen men besefte dat ze niet-platoons waren[58].

Het "miraculeuze", nu, aan Platoons overlevering is dat, wanneer ongeveer 1500 jaar later, in 1513, in de "editio princeps" (d.w.z. de eerste gedrukte uitgave), de zgn. "Aldina"[59], de werken van Platoon voor het eerst sedert de oudheid opnieuw werden samengebracht, alle titels uit de antieke kanon erin terug te vinden waren[60].

Ziehier een overzicht van deze tetralogieën (de volgorde ervan werd overgenomen door John Burnet, in zijn nog altijd gangbare Oxford-uitgave, van 1899-1906, de Platonis Opera)[61]:

I: Euthyphro, Apologia Socratis, Crito, Phaedo[62].

II: Cratylus, Theaetetus, Sophista, Politicus.

III: Parmenides, Philebus, Symposium, Phaedrus.

IV: Alcibiades I, Alcibiades II, Hipparchus, Amatores.

V: Theages, Charmides, Laches, Lysis.

VI: Euthydemus, Protagoras, Gorgias, Meno.

VII: Hippias Maior, Hippias Minor, Io, Menexenus.

VIII: Clitopho, Respublica, Timaeus, Critias.

IX: Minos, Leges, Epinomis, Epistulae.

Tussen de 9de tetralogie en de "onechte" (De iusto, De virtute, Demodocus, Sisyphus, Eryxias, Axiochus)[63] werden nadien nog de (net zo apocriefe) Definitiones gevoegd.

Reeds in de Oudheid werd ook aan de echtheid getwijfeld van enkele in de kanon opgenomen werken: namelijk Alcibiades I, Amatores, Hipparchus en Epinomis (het laatste werd volgens D.L., III.37, toegeschreven aan Platoons leerling, Philippos van Opous - wat vandaag lange tijd als correct is aanvaard).

Na de verregaande echtheidskritiek van de 19de eeuw, waarin bv. ook belangrijke dialogen als Charmides, Meno, Parmenides, Sophista, Cratylus e.a. (ten onrechte) in vraag zijn gesteld, bestaat vandaag nog discussie over Alcibiades I, Io, Menexenus, Hippias Maior en Epinomis[64]. Over de onechtheid, daarentegen, van Alcibiades II, Hipparchus, Amatores, Minos, Theages en Clitophon bestaat in de hedendaagse literatuur een grote consensus.


3. Chronologie.

Behalve over de samenstelling van het corpus, is er sedert de vorige eeuw ook heel wat inkt gevloeid over de relatieve chronologie van Platoons geschriften, chronologie die natuurlijk belangrijk is voor de interpretatie, aangezien Platoons filosofische activiteit zich heeft uitgestrekt over een periode van ten minste 50 jaar.

Platoon zelf geeft in zijn teksten bitter weinig aanknopingspunten voor een absolute datering, sc. van compositie (niet te verwarren met de "dramatische datering", d.w.z. het fictieve ogenblik waarop het gesprek, volgens de dramatische enscenering in elke dialoog, geacht wordt plaats te hebben gehad). Een relatieve datering, anderzijds, die louter gebaseerd zou zijn op de inhoudelijke interpretatie van de teksten, is onvermijdelijk subjectief en voert tot een cirkelredenering.

Een echte doorbraak in het onderzoek is er daarom pas gekomen met de zgn. "stylometrische"  methode, een methode gebaseerd dus op een "objectieve" en minutieuze analyse van Platoons stijlontwikkeling (vocabularium zowel als ritme en eufonie: bv. het vermijden van hiaat tussen woorden). De resultaten van zulke analyse konden dan statistisch worden gepresenteerd. Die alternatieve methode werd aan het einde van de vorige eeuw ontwikkeld door o.m. Lewis Campbell (1867), W.Dittenberger (1881), Carl Ritter, die de eerste was om er een boek over te schrijven (1888), en W. Lutoslawski, wiens werk over Platoons logica (The Origin and Growth of Plato's Logic, London 1897) algemene bekendheid heeft gegeven aan het bestaan en de resultaten van de nieuwe methode, e.a.[65].

Mede op basis van de (nu niet langer betwiste) wetenschap dat De Wetten Platoons laatste werk vormde, is men kunnen overgaan tot een indeling van het corpus in drie chronologische groepen, namelijk "vroege", "midden-" en "late" dialogen, die vrij algemene instemming heeft gevonden. Guthrie[66] drukt ze, onder verwijzing naar Cornford, op de volgende manier af:

1) Vroege: Apologie, Crito, Laches, Lysis, Charmides, Euthyphro, Hippias Minor en (?) Maior, Protagoras, Gorgias, Io.

2) Midden-: Meno, Phaedo, Politeia, Symposium, Phaedrus, Euthydemus, Menexenus, Cratylus.

3) Late: Parmenides, Theaetetus, Sophista, Politicus, Timaeus, Critias, Philebus, De Wetten.

Wat de volgorde binnen elke groep betreft, schrijft Guthrie dat er een aanzienlijke mate van overeenstemming bestaat over de dialogen in de laatste twee groepen, maar een grote ónzekerheid i.v.m. de eerste groep van "vroege", of "jeugddialogen". De zwakte, inderdaad, van de stylometrische methode is dat de voortgebrachte statistieken gewoonlijk betrekking hebben op linguïstische kenmerken die in de eerste plaats kenmerkend zijn voor de werken behorend tot Platoons midden- en late periode[67].

Daarom moet, naast de stylometrische en linguïstische gegevens, vanzelfsprekend, waar mogelijk ook rekening worden gehouden met andere aanwijzingen: eventuele gegevens die worden aangebracht door de literatuurwetenschap (zoals de structuur en artistieke opbouw van de dialogen); externe aanwijzingen (bv. zinspelingen op historische gebeurtenissen: bv. in Wetten, 638B, wordt gealludeerd op de verovering van Lokris door Syracuse, ca 356); inhoudelijke en filosofische verbanden (maar dat is, zoals gezegd, een subjectief criterium) en eventuele "cross-references" tussen de dialogen onderling. Op basis van al die gezichtspunten stelt Graeser[68] dan weer een indeling voor in vier groepen:

1) Laches, Charmides, Protagoras, Euthyphro, Lysis, Politeia I, Io;

2) Apologie, Crito, Gorgias, Meno, Euthydemus, Cratylus, Hippias Maior, Hippias Minor;

3) Symposium, Phaedo, Politeia II-X, Phaedrus;

4) Theaetetus, Parmenides, Sophista, Politicus, Timaeus, Critias, Philebus, Wetten.

Gregory Vlastos, tenslotte, komt op grond van zijn studie van de Sokratesfiguur tot een differentiatie binnen de "vroege" dialogen, namelijk tussen "elenctische" en "overgangsdialogen"[69].


4. Personages.

Wat de personages betreft in Platoons dialogen, hoe "getrouw" Platoons artistieke genie hen ook moge uitgebeeld hebben - ook op het vlak van langere teksten, zoals speeches, mythes, e.d. die Platoon hen in de mond legt: Platoon was een meesterlijk pasticheur! -, dan moet vanuit het oogpunt van de literatuurwetenschap toch het primordiaal fictionele statuut ervan beklemtoond worden. Het gaat m.a.w. om literaire creaties, niét om de schriftelijke vastlegging van daadwerkelijke gesprekken.

Dat geldt met name voor de Sokratesfiguur, ook al zal die - vooral dan in de "vroege" of jeugddialogen - allicht heel wat trekken van het historische personage hebben bewaard[70]. Tot deze laatste behoren allicht zijn opvallende "Silenenuiterlijk" (namelijk brede, platte neus, uitstulpende ogen, hoge kalende schedel, dikke buik, "zoals een sater"...); zijn "ironie" (d.w.z. het beklemtonen van zijn eigen "onwetendheid"); zijn "elenchos" (techniek van het kruisverhoor om andermans evidenties te doorprikken); zijn "intellectualisme" (d.w.z. zijn geloof in morele normen die de mens slechts hoeft te kennen om ze ook te realiseren: m.a.w. "deugd is kennis")[71]. Ook enkele gebeurtenissen die in de dialogen ter sprake komen, zijn mogelijk historisch. Bv. dat Sokrates zou geweigerd hebben, uit de gevangenis te ontvluchten - ook al hoeft dat zeker niet het geval te zijn met de argumentatie die "Sokrates" daartoe ontwikkelt in de platoonse Crito (de zgn. "Prosopopee van de Wetten").

In de láte "vroege" dialogen, echter, treedt er een verandering op in dat beeld: in de plaats van de sokratische aporie, wordt in toenemende mate een "positieve" Sokrates geschilderd, d.w.z. een Sokrates die didactischer wordt, en doctrines ontwikkelt, doctrines waarvan het hoogst twijfelachtig is of de "historische Sokrates" ze ooit verkondigd heeft. Het beslissende "keerpunt" in dit verband is ongetwijfeld de "Vormentheorie" (leer van de idéai of eîdè) die voor het eerst uitdrukkelijk gehanteerd en geargumenteerd wordt in de Phaedo, een dialoog geschreven kort na Platoons eerste Sicilië-reis, en in de Politeia (we vinden wél al zinspelingen erop in vroegere dialogen: cf. de mythe van de "anamnèsis" in de Meno).

Het spreekt vanzelf dat indien Platoons "Sokrates" een literaire creatie is, dat dan ook geldt voor de andere sprekers; dat het m.a.w. fout zou zijn, te veronderstellen dat zij volledig "naar het leven" getekend zijn. Zoals Sandbach schrijft[72]:

"Ook zij moeten de rol spelen die Platoon in zijn filosofische drama's voor hen geschreven heeft. Het is mogelijk dat Ioon niet zo'n imbeciel was als in de Io, of dat Gorgias niet zo onwillig was om discussies te voeren als in de Gorgias. Poogde Alkibiades ooit wérkelijk Sokrates te verleiden, en heeft hij dat dan bekend aan anderen? Of heeft Platoon dit verhaal verzonnen om Sokrates' zelfbeheersing te illustreren en hem aldus te verdedigen tegen de lasterlijke aantijging, dat hij 'de jongeren gecorrumpeerd had'?"

Dergelijke twijfels zijn óók toepasselijk op Platoons Apologie van Sokrates. Net zoals dat voor het gelijknamige werk van Xenophoon geldt, valt niet uit te maken, in welke mate deze "zelfverdediging" gebaseerd is op wat Sokrates effectief gezegd zou hebben. Méér nog, er zijn redenen om te betwijfelen of Sokrates überhaupt een apologie hééft uitgesproken[73]. Ook de "kapstok" waaraan de moderne literatuur de authenticiteit van de Apologie altijd heeft opgehangen, namelijk het orakel dat Sokrates' trouwe volgeling Chairephoon over zijn meester in Delphi zou gekregen hebben[74], werd enkele jaren geleden omstandig in vraag gesteld, namelijk door Mario Montuori, Sokrates. Physiology of a Myth (Amsterdam 1981; Italiaans uitgave 1974). Er kan in alle geval niet de minste twijfel over bestaan dat althans de taal en de stijl, zo al niet de inhoud zelf, van de Apologie van Sokrates van de hand van Platoon zijn:

"de zinnen hebben een elegante eenvoud gecombineerd met een kunstvolle constructie en evenwichtigheid die de lezer aangrijpen en charmeren"[75].

Wat de inhoud betreft, tenslotte, worden we getroffen door het feit dat Sokrates nauwelijks aandacht schenkt aan het daadwerkelijk weerleggen van de concrete aanklachten, laat staan aan het winnen van het proces. Hoewel niet uit te sluiten is dat hij deze provocerende en suicidaire houding inderdaad heeft aangenomen, lijkt het toch waarschijnlijker dat Platoon hem aldus doet spreken, ten einde, post factum, een zo scherp mogelijk beeld te creëren van zijn leermeester en diens houding t.a.v. de Atheense (democratische) samenleving. Als zodanig maakt ze een wezenlijk element uit van de betekenis van de Apologie als "scheppingsmythe van de filosofie"[76].

____________________
 

_______________________________ 
 

NOTEN:

* Overgenomen uit: H.De Ley, "Eros en Filosofie. Inleiding bij Platoons Symposium". Syllabus, RUG 1996.

[1]. Voor een bespreking van de antieke bronnen die ons over Platoons leven berichten, zie het Platoonartikel van H.Leisegang, in RE 20.1(1950), k. 2342-7.

[2]. Vgl. T.H.Irwin (1992), p. 51: "We lack the materials for a proper biography of Plato".

[3]. Memorabilia, III.vi.1 (naar aanleiding van een gesprek van Sokrates met Platoons broer, Glaukoon).

[4]. Zie G.Ryle (1972), pp. 314-5.

[5]. Geciteerd in Diogenes Laertios (voortaan: D.L.), III, §§ 27-28.

[6]. Apologie, 34A1.

[7]. Phaedo, 59B10: "Platoon, meen ik, was ziek".

[8]. Bij D.L., III, § 2 (= fr. 27 Lang): "Speusippos, in zijn geschrift Platoons Begrafenismaal, Klearchos, in zijn Enkomion op Platoon, en Anaxilaïdes, in het tweede boek van zijn Over Filosofen, vertellen dat in Athene de mare de ronde deed dat Aristoon [Platoons vader, HdL] Periktione [Platoons moeder] met geweld had pogen te winnen maar geen succes had; dat, toen hij van geweld had afgezien, Apolloon hem in een droom verschenen was; waarna hij haar ongemoeid had gelaten tot de geboorte van het kind".

[9]. Zie De Ley (1996a), pp. xxiv-xxvi. Zie ook de tekst "bronnen" op deze site.

[10]. Zie het syllabusdeel, "Filosofie in de Late Oudheid (1): Van Epikouros tot Plotinos", kap. 6.2.

[11]. Irwin (1992), l.c.

[12]. Vgl. ook zijn tekst Over de 'daimoon' van Sokrates.

[13]. Verdere gegevens in De Ley (1985-86), p. 87. Zie ook in "Encyclopedie vd Antieke Wijsbegeerte, 1" (EAW), op deze site.

[14]. Cf. De Ley (1996a), p. 14; = EAW.

[15]. Maar zoals Irwin, l.c., opmerkt: "We cannot trust Diogenes even when he cites an early and well-informed source, for he cites Plato's own nephew Speusippus..., as a source for the story (which Speusippus is not said to endorse) that Plato was the son of Apollo" (cf. supra).

[16]. Vooral: V.215Cv. en XI.506Av.

[17]. Zie hierover De Ley (1996a), p. xxiv (= "bronnen").

[18]. Zoals G.C. Field (1930), p. 2, het formuleerde.

[19]. J.E.Raven (1965), p. 19.

[20]. Verzameld in R.Hercher, Epistolographi Graeci, Paris 1871.

[21]. Bv. ook Eduard Zeller, die zelfs de Zevende verwierp, hoewel hij erkende dat hij onze belangrijkste bron is voor onze kennis van Platoons leven, i.t.t. de overige die hij zo goed als waardeloos achtte als historisch bewijsmateriaal, 2.1. (5. Aufl Leipzig 1922), p. 389 n.1.

[22]. W.K.C.Guthrie (1975), p. 8; zie ook Raven, o.c., p. 25. Irwin, l.c., daarentegen, neemt opnieuw het kritische standpunt in: "the ostensibly autobiographical Seventh is probably spurious", maar in een voetnoot (n. 4, p. 79) erkent ook hij: "even if it is spurious, it was probably written by somenone who knew Plato well and who wanted his forgery to be undetected; hence many of the more straightforward and (for contemporaries) easily verifiable historical claims may be accurate. But we should not assume that the author must be telling the truth about Plato's motives, attitudes, or aims on political or philosophical questions".

[23]. Guthrie, o.c., p. 8.

[24]. Randall, o.c.

[25]. Strikt genomen: 428/7, aangezien de Griekse jaartelling "te paard" zit op de onze.

[26]. Randall, o.c., p. 11.

[27]. Cf. D.L. III, §§2-3: terwijl Diogenes Apollodoros citeert voor Platoons geboortejaar, beroept hij zich voor diens sterfjaar - "het eerste jaar van de 108ste Olympiade", sc. 348/7 - op Platoons leerling, Hermippos, die hem 81 jaar oud deed worden. Diogenes laat dit volgen door de bewering van een zekere Neanthes, historiograaf, dat Platoon zou gestorven zijn op 84-jarige leeftijd. Athenaios, V. 17A, geeft 429 (het jaar van Perikles' dood) als geboortejaar, enz. Zie voor een uitvoerige bespreking van de bronnen: Zeller, o.c., p. 390 n. 1.

[28]. Tussen 404 en 403. Op 8 maanden tijd werden 1.500 burgers geëxecuteerd en werden er 5.000 verbannen.

[29]. D.L. III, § 5. Met uitzondering van een episch fragment, zijn enkel epigrammen op zijn naam overgeleverd. De authenticiteit ervan is hoogst twijfelachtig.

[30]. Geciteerd door D.L., III, § 6, en II, § 106.

[31]. Dat Platoon niet aanwezig was tijdens Sokrates' laatste uren, "weten" we uit zijn eigen Phaedo, 59B10. Over Eukleides en zijn "Megarische school", zie EAW.

[32]. Cf. de Theaetetus. Ook Aristippos, de "hedonist" en stichter van de Cyrenaïsche school, was afkomstig van Kurene. De wiskundige Theodoros mag niet verward worden met (de jongere) Theodoros "de atheïst", die tot de Cyrenaïsche school behoorde, zie De Ley (1996a), p. 48.

[33]. D.L., III.6.

[34]. 7e Brief, 324A6.

[35]. Zo althans 7e Brief, 327A. In de traditie is ook sprake van een liefdesrelatie tussen beiden: zie Platoons epigram op Dioons dood (volgens W.Ludwig, Plato's Love Epigrams, in: Gr. & Rom. Stud., 1963, p. 63, het enige "zeker echte"), bij D.L. III.30. Het laatste vers luidt, zinspelend op hun eerste ontmoeting (Dioon was toen 20, Platoon ca 40j oud): "Dioon, die mijn hart gek van verlangen (eros) maakte".

[36]. D.L. III, §§ 19-20. Volgens K.Praechter (1926), p. 184, gaat het niet om de Cyrenaïsche filosoof van die naam (school van Aristippos), cf. De Ley (1996a).

[37] Strikt genomen, moet erkend worden dat er geen onweerlegbare, eigentijdse bewijzen zijn dat Platoon een echte "school" heeft gesticht - d.w.z. een min of meer "gesloten" instelling, met een min of meer vast groep van "leden" (daarvan is pas echt sprake bij de dood van Speusippos, in 339). Bij Platoons tijdgenoten ontbreekt elke allusie op een dergelijke school; zelfs Aristoteles gewaagt er niet van. In Platoons testament, tenslotte, zoals bewaard in D.L. (III. 41-43), wordt de school al evenmin vermeld. Zie Randall (1970), p. 11, met verwijzing naar H. Cherniss (1945); ook P.A.Brunt (1993), p. 284.

[38]. Vandaar dat een "Muzenkapel" (Mouseîon) een vast onderdeel vormde van de toenmalige scholen, zie Guthrie, o.c., p. 20. Maar gans deze theorie over het juridisch statuut van de Atheense scholen (die teruggaat op U. von Wilamowitz) is krachtig in vraag gesteld door J.P. Lynch (1972), pp. 108-127.

[39]. Cf. D.L., VIII.87.

[40]. Platoons belangrijkste medewerkers - Eudoxos, Speusippos, Aristoteles, e.a. - hielden er op wezenlijke punten andere opvattingen op na dan hijzelf. Cf. Brunt, o.c., p. 284: "even Plato's closest associates were united rather by a common zeal and aptitude for enquiry than by commitment to a common body of doctrine".

[41]. Cf. de Zevende Brief, 326A-B: "Zo kwam ik dan tenslotte tot het inzicht dat alle huidige staten, van de eerste tot de laatste, slecht bestuurd worden... En ik voelde me ook gedwongen tot lof van de filosofie te erkennen, dat zij het uitgangspunt is van waaruit men kan onderscheiden waar in elk opzicht de rechtvaardigheid ligt, zowel in openbare als in particuliere aangelegenheden. Ook zullen de menselijke geslachten hun kwalen niet zien ophouden voordat ofwel het ras der degelijke en echte filosofen toegang verkrijgt tot de politieke leidersposten, ofwel het ras der machthebbers, dank zij een goddelijke beschikking, werkelijk de wijsbegeerte gaat beoefenen".

[42]. Zie de lange lijst bij Zeller, o.c., p. 420 n. 1; zie ook Lynch, o.c., p. 59 en n. 32, met verwijzingen. Deze visie, nochtans, die door tal van historici wordt gehuldigd, namelijk dat Platoons Akademie als hoofdbedoeling had, politieke experten op te leiden, en dat zij als zodanig zelfs een reële invloed zou hebben uitgeoefend in de Griekse wereld (met uitzondering dan van Athene zelf), wordt door Brunt (1993), p. 282 en n. 1, afgewezen als "largely mistaken" (met verwijzingen naar de moderne literatuur).

[43]. Zie De Ley (1988), hfst. 1, pp. 24-26. Naast Isokrates en Platoon, waren er in Athene natuurlijk nog andere intellectuelen actief die in scherpe onderlinge wedijver leerlingen poogden aan te trekken (o.m. Aischines van Sphettos). Zie Lynch (1972), ch. 2, over de verschillende "scholen" die in deze periode werden opgericht. De strijd evenwel tussen Isokrates en Platoon om de toeëigening van de term "philosophía" plaatst hen in een wat aparte categorie. Zie hierover Nightingale (1995), ch. 1: "Plato, Isokrates, and the property of philosophy".

[44]. Isokrates loochende de grondslagen zelf van het "platonisme" door de mogelijkheid van een trefzekere "wetenschap" (epistèmè) van het moreel-politieke handelen zonder meer te verwerpen. Zoals hij in zijn late bilantekst Antidosis, § 271, schrijft: "Aangezien het niet in de menselijke natuur ligt epistèmè te verwerven, door het bezit waarvan wij zouden wéten wat moet gedaan of gezegd worden, beschouw ik voortaan als 'wijzen' (sophoí) degenen die door hun opinies (doxai) in staat zijn meestendeels de beste oplossing te treffen, en als 'wijsheidsvrienden' (philósophoi) degenen die zich met die zaken bezig houden, waaruit ze het vlugst zulk inzicht (phronèsis) kunnen opdoen". In radicale oppositie, dus, met vooral Platoon en diens geloof in (een absolute kennis van) absolute handelingskriteria, herwaardeerde Isokrates de "wereld van de doxa, of opinie". Deze "leer van de opinie" moet, zoals A. Graeser (1983), p.80, schrijft, "aanzien worden als een oorspronkelijke bijdrage van Isokrates tot de discussie over de opvoedingsidealen, en (ze) kan inhoudelijk model hebben gestaan voor de aristotelische conceptie van de praktische verstandigheid (phrónèsis)".

[45]. Guthrie, o.c., p. 29.

[46]. Zo Graeser, o.c., p. 125.

[47]. Zie G.M.A.Richter, The Portraits of the Greeks, vol.II, London 1965, pp. 164-170.

[48]. Richter, o.c., p. 169.

[49]. De Apologie is natuurlijk geen dialoog, maar een redevoering. Ook van een aantal andere, zgn. dialogen moet, vanuit formeel oogpunt, het dialoogkarakter gerelativeerd worden. Cf. Halperin (1992), p. 95: "One of the most curious and seldom-remarked facts about Plato's Dialogues is that many of them are not, in fact, dialogues".

[50]. D.L., II, § 121v., vermeldt er meer dan honderd op naam van Kritoon, Simoon ("de schoenlapper"), Glaukoon, Simmias en Kebes. Ook meer bekende figuren zoals Antisthenes, Aischines van Sphettos en Xenophoon beoefenden het genre.

[51]. Vgl. bv. bij Aristoteles, die de gewoonte heeft naar "Sokrates" te verwijzen, wanneer het eigenlijk om teksten van Platoon of Aischines gaat. Zie C.M.Müller (1975), p. 17v.

[52]. Ondanks precedenten (volgens Aristoteles zou een zekere Alexamenos, van Stura of Teos, de eerste dialogen hebben geschreven), kan volgens D.L., III, § 48, Platoon - "omdat hij deze vorm definitief heeft op punt gesteld" - met het meeste recht aanspraak maken op "de eerste prijs, niet alleen voor de schoonheid maar ook voor de uitvinding ervan".

[54]. (1986). Ondertitel: "Luck and ethics in Greek tragedy and philosophy".

[55]. Nussbaum, o.c., pp. 122-135.

[56]. O.c., p. 133 (mijn vertaling).

[57]. Ik citeer uit G. van Donselaar, Van 'the fragility of goodness' naar 'the goodness of fragility'. Martha Nussbaum over ethiek, een inleiding tot Nussbaums werk, afgedrukt in M.C. Nussbaum (1991), pp. 46-7.

[58]. Zie Müller, o.c., p. 22v.

[59]. Want het werk van de grote drukkerij van Aldus Manutius (1449-1515), in Venetië.

[60]. Strikt genomen betekent dat natuurlijk niet dat we àlle geschriften bezitten, die Platoon ooit geschreven heeft; enkel dat we alle teksten hebben, die in de oudheid als platoons werden beschouwd (Randall, o.c., p. 31). Vermelden we hier aanvullend nog dat het referentiesysteem dat conventioneel gebruikt wordt om passussen in Platoons dialogen precies aan te wijzen, teruggaat op de paginering in de latere tekstuitgave van de Franse filoloog-drukker Henri Étienne (Stephanus), van 1578.

[61]. Burnet's uitgave is in 5 volumes: vol. 1 bevat tetralogieën I en II; vol. 2 nrs. III en IV; vol. 3 de nrs. V, VI en VII; vol. 4 de achtste tetralogie; vol. 5 de negende en de apocriefen. Sedert enkele jaren, nochtans, is er in dezelfde reeks een nieuwe uitgave gelanceerd (onder een uitgeverscollectief).

[62]. Als erfenis van de humanistische traditie, waarvan de voertaal het Latijn was, worden zowel de namen van de Griekse auteurs als de titels van hun werken traditioneel in hun Latijnse vorm geciteerd. Ik volg deze traditie (gewoonlijk) althans wat de titels betreft, mede omdat aldus verwarring vermeden wordt tussen de dialoog en het historische personage wiens naam als titel fungeert (bv. Phaidros voor de Phaedrus-dialoog, Kritias voor de Critias, Kritoon voor de Crito, enz.).

[63]. De dialogen Sisyphus, Demodocus, I-IV, De iusto en De virtute worden grondig besproken bij Müller (1975).

[64]. G.R.Ledger (1989), argumenteert op basis van zijn statistische gegevens ten gunste van de authenticiteit van Alcibiades I, Io, Menexenus, het Epinomis en een viertal van de Brieven.

[65]. Zie nu de recente, kritische status quaestionis omtrent dit onderzoek van de hand van Leonard Brandwood (1990); ook zijn samenvatting, Stylometry and chronology, in: Kraut (1992), pp. 90-120.

[66]. Guthrie, o.c., p. 50.

[67]. Zie Brandwood (1990), pp. 251-2.

[68]. Graeser (1983), p. 126.

[69]. Zie hierover De Ley (1994)= de Sokratestekst op deze site.

[70]. Zie F.H.Sandbach (1985), p. 484. Op de beruchte "Sokratische kwestie", meer bepaald de vraag, welke van de drie: Aristophanes (De Wolken), Platoon of Xenophoon, in zijn geschriften het meeste recht doet aan de historische Sokrates, zal hier niet worden ingegaan. De boeiendste Nederlandstalige introductie wat de betekenis van Sokrates betreft voor de platoonse dialoog, blijft E.De Strycker (1976).

[71]. Zie De Ley (1994)= Sokrates, op deze site.

[72]. Sandbach, o.c., p. 485 (mijn vertaling).

[73]. O.m. Appianos (2de eeuw nK), Romeinse Geschiedenis, 11.7.41, Maximos van Tyr (2de eeuw nK), Oratio 3.1-8 ("Had Sokrates gelijk met zich niet te verdedigen?") en Philostratos (einde 2de, 1e helft 3de eeuw), Leven van Apollonios van Tyana, 4.46, vermelden als een algemeen gekend feit, dat Sokrates zou geweigerd hebben zich te verdedigen. In het Leven van Lusias van de Ps-Ploutarchos (Levens van de 10 Redenaars), 4.3, p. 826b, lezen we dat de logograaf Lusias een verdedigingsrede voor Sokrates zou hebben geschreven (zoals dat gebruikelijk was), maar dat Sokrates zou geweigerd hebben ze te gebruiken. Voor een "dossier" met alle bewaarde historische en apocriefe gegevens over Sokrates (in vertaling) zie J. Ferguson, Sokrates. A source book, London 1970.

[74]. Zie nogmaals De Ley (1994)= Sokrates, op deze site.

[75]. Sandbach, l.c.

[76]. Zie hierover De Ley (1994)= Sokrates, op deze site.

 


GEBRUIKTE LITERATUUR:

BRANDWOOD, L. (1990), The Chronology of Plato's Dialogues, Cambridge 1990.

BRANDWOOD, L. (1992), Stylometry and chronology, in: Kraut (1992), pp. 90-120.

BRUNT, P.A. (1993), Plato's Academy and Politics, in: P.A.Brunt, Studies in Greek History and Thought, Oxford 1993, pp. 282-342.

CHERNISS, H. (1945), The Riddle of the Early Academy, Los Angeles 1945.

DE LEY, H. (1986), De Late Oudheid. Syllabus RUG 1986.

DE LEY, H. (1988), ΦΙΛΟΣΟΦΟΣ: van "wereldwijs" naar "wereldvreemd"?, Syllabus RUGent 1988.

DE LEY, H. (1994), Sokrates: Leven en Sterven voor de Filosofie. RUGent 1994.

DE LEY, H. (1996a), Wijsbegeerte van de Oudheid: Bronnen & Encyklopedie, Partim I: Van Thales tot Cicero. RUGent 1996.

DE LEY, H. (1996b), Phusis & Polis. Aristoteles' Praktische Filosofie. RUGent 1996.

DE STRYCKER, E. (1976), De kunst van het gesprek. Wat waren de dialogen van Plato?, Antwerpen 1976.

DE VRIES, G.J. (1986), Plato's Stijl, in: Id., De zang der Sirenen, Baarn 1986, pp.107-136.

ELLIS, W.M. (1989), Alcibiades, London 1989.

FIELD, G.C. (1930), Plato and his Contemporaries, London 1930 (herdr.).

GENETTE, G. (1981), Theorieën van literaire genres: inleiding in de architekst, in: Mieke Bal (ed.), Literaire genres en hun gebruik. Muiderberg 1981.

GOLDHILL, S. (1986), Reading Greek Tragedy, Cambridge 1986.

GRAESER, A. (1983), Die Philosophie der Antike 2: Sophistik und Sokratik, Plato und Aristoteles, in: Gesch.der Philosophie, hrsg. v. W.Röd, II, München 1983.

GUTHRIE, W.K.C. (1975), A History of Greek Philosophy, vol. 4: Plato, the Man and his Dialogues, Earlier Period, Cambridge 1975.

HALPERIN, D.M. (1992), Plato and the Erotics of Narrativity, in: Innovations of Antiquity, ed. by R.Hexter & D.Selden (New York & London 1992), pp. 95-126.

IRWIN, T.H. (1992), Plato: The Intellectual Background, in: Kraut (1992), pp. 71-89.

KRAUT, R., ed. (1992), The Cambridge Companion to Plato. Cambridge 1992.

LEDGER, G.R. (1989), Re-counting Plato. A Computer Analysis of Plato's Style, Oxford 1989.

LEISEGANG, H. (1950), "Platon" in: Pauly-Wissowa, Real-Encyclopädie, XX.2 (1950), kk. 2342-2537.

LYNCH, J.P. (1972), Aristotle's School, Berkeley 1972.

MÜLLER, C.M. (1975), Die Kurzdialoge der Appendix Platonica, München 1975.

NIGHTINGALE, Andrea Wilson (1995), Genres in dialogue. Plato and the construct of philosophy. Cambridge 1995.

NUSSBAUM, Martha C. (1986), The fragility of goodness. Luck and ethics in Greek tragedy and philosophy, Cambridge 1986.

NUSSBAUM, Martha C. (1991), Politieke Dieren. Aristoteles over de natuur en het menselijk bedrijf (vert. G.van Donselaer), Stichting Pierre Bayle-lezing 1991

PRAECHTER, K. (1926), Die Philosophie des Altertums, in: F.Ueberwegs Grundriss der Geschichte der Philosophie, 1.Bd, Basel/Stuttgart 1926.

RANDALL, J.H., Jr. (1970), Plato, Dramatist of the Life of Reason. New York 1970.

RAVEN, J.E. (1965), Plato's thought in the making, Cambridge 1965.

RYLE, G. (1972), "Plato" in: Encyclopaedia of Philosophy, VI, p. 314v.

SANDBACH, F.H. (1985), Plato and the Socratic Work of Xenophon, in: The Cambridge History of Greek Literature, ed. P.E.Easterling & B.M.W. Knox, Cambridge 1985, pp. 478-497.

ZELLER, E. (1922), Die Philosophie der Griechen in ihrer geschichtlichen Entwicklung dargestellt, 2.1., 5. Aufl., Leipzig 1922

Herman De Ley (© 27/5/2010) • 1ba-INDEX • Syllabi-Index • CIE-INDEX •