HOOFDSTUK
9:
Filosofie in de Late Oudheid (1):
van Philoon tot Plotinos
Inhoud:
1.
Inleiding: Mysterie- en verlossingsgodsdiensten
2.
Filosofische Ontwikkelingen in de 1e
eeuw vK:
2.1.
Eclecticisme
2.2. Oude Wijsheid
2.3. Filosofische
Diaspora
2.4. Hermetica
3.
Philoon de Jood:
3.1.
Mozes en Platoon
3.2. De dubbele
schepping
3.3. De Logosleer
4.
Het Platonisme:
4.1.
Platoon als "auctoritas"
4.2. Doctrinale
Ontwikkelingen
5.
Het Gnosticisme
6.
Plotinos:
6.1.
Leven en Werk
6.2. Algemeen
6.3. Praxis
en Theoría
6.4.
Subjectiviteit en Bewustzijn
6.5. Metafysica
6.6. De
Plotiniaanse Dialectiek
6.7. Plotinos'
Kunstfilosofie
6.8.
Innerlijkheidsmethode en Extase
7.
Epiloog
Literatuur.
1. Inleiding:
Mysterie- en verlossingsgodsdiensten
in het (Late) Hellenisme.
De "immanente" antwoorden, die door de
hellenistische filosofieën op het "tijdsgewricht" werden
geboden, zouden finaal onbevredigend blijken. De enkeling zou zich, samen met de
politieke verwikkelingen, steeds verder afkeren van een werkelijkheid
die hem of haar ontsnapte en ongelukkig maakte, om nog dieper weg te
vluchten in de droomwereld van de geest. Hij voelde zich van langsom
meer gekweld door een soort van bestaansnood: "waartoe zijn
wij geboren?", is een steeds vaker terugkerende vraag in de
literatuur van de tijd - en, zoals Dodds (1965:21) terecht opmerkt, dat
is geen vraag die door gelukkige mensen wordt
gesteld. Zelfs Marcus Aurelius (121-180), keizer en
stoïcijn, die nochtans afkerig stond ten aanzien van alle
bijgeloof, astrologie, enz., en niet geloofde in een persoonlijke
onsterfelijkheid, drukt in zijn Zelfoverpeinzingen
dat gevoelen uit van vervreemding: "'s mensen bestaan is een
oorlog, een verblijf in den vreemde" (2.27). Of: "Hoelang
nog, dan?", vraagt ook hij, 6.46.
De mens ging zich niet langer tevreden stellen
met een "aristocratische" zielerust (ataraxía),
die moeizaam moest bevochten worden in de dagelijkse confrontatie met
wat Sigmund Freud (14) "de
druk van de realiteit" heeft genoemd. De zich als maar
méér aan hem of haar opdringende ervaring van het
kwaad en het lijden in de wereld, het groeiend "onbehagen"
over de concrete werkelijkheid, maakte dat men ging hunkeren naar een
spirituele "verlossing" (sotèría)
weg uit dit aardse "tranendal", naar een gelukzalig, goddelijk "hiernamaals"
(in het Duits: "Jenseits", in
oppositie met "Diesseits").
Die spirituele nood, die toenemende behoefte aan
een veeleer "transcendent" antwoord, zou, vooral
vanaf de 1ste eeuw vK en vervolgens in de Keizertijd, in de eerste
plaats gelenigd worden door de vele mysterie- en
verlossingsgodsdiensten, veelal van oosterse origine, die zich in de
mediterrane steden van het Rijk vestigden, alsook, door gnostische
sekten, in wier voorstellingen religieus-mythologische thema's en
filosofische noties en begrippen met elkaar verweven werden (zie
verder, § 5).
De oosterse mysteriegodsdiensten waren in
oorsprong lokale, "tribale" religies. In het Westen
geïntroduceerd door slaven, handelaars, soldaten, enz.,
ontwikkelden ze binnen het Romeinse wereldrijk meer universele trekken
en aspiraties. In de belangrijkste steden werden gemeentes opgericht;
ook in het Romeinse leger werden ze verspreid. De belangrijkste ervan
waren de cultus van (Moeder) Kubele (Cybele) en Attis
(Klein-Azië), de Egyptische Isiscultus, en de Syrische
Adoniscultus. Ook de belangrijke Mithrascultus is hierbij te rekenen
(maar wel met verschillen: het mithraïsme was een typische
soldatenreligie, die niet zozeer op verlossing was gericht als wel op
morele en militaire voortreffelijkheid). Vermeldenswaard is dat in de
lokale gemeentes van deze culten verschillen inzake klasse,
nationaliteit, ras, geslacht, enz. genegeerd werden; wel was elke
gemeente hiërarchisch gestructureerd, rond een priester(es) of
mystagoge. Hoewel de riten en ceremoniën deels geheim waren,
waren deze culten, in onderscheid met het christendom, niet
exclusief: d.w.z. men kon van verschillende erediensten gelijktijdig
lid zijn, en het lidmaatschap ervan was ook niet strijdig met deelname
aan de officiële (keizer)cultus. Bovendien waren de lokale
gemeentes niet geünifieerd in overkoepelende "kerken".
De mysteriegodsdiensten deelden enkele
gemeenschappelijke kenmerken:
-- toetreding door middel van
een initiatieritueel (inwijding in "het geheim",
vandaar het woord "mysteriën", afgeleid van het Griekse werkwoord
voor het sluiten der ogen), dat werd
voorafgegaan door een aantal zuiveringsriten (vasten, doop,
kastijding...). Na de bekendmaking van de heilige formule, volgde, in
een door licht overstraald visioen, de visio Dei
(Grieks: de epopteía). De mystieke
eenwording met de godheid (ze kon eventueel een seksuele vorm aannemen,
in een soort van Hiëros Gamos, of "Heilig
Huwelijk") garandeerde onsterfelijkheid. Daarnaast ware er
nog andere symbolische riten (bv. het aantrekken van de mantel van de
godheid; rituele eetmalen, ...).
-- De algemene zin van de
mysteriën was het realiseren van de sotèría,
of verlossing (de godheid werd daarom vereerd
als de "sotèr" of heiland). Daaronder
waren alle mogelijke zegeningen te verstaan (vrijwaring tegen alle
gevaren, bescherming tegen ziektes, enz.), maar vooral: de redding van
de ziel en de garantie op onsterfelijkheid.
-- De centrale figuur in de cultus (met
uitzondering van het mithraïsme) was de jonge god
(oorspronkelijk een vegetatie- of vruchtbaarheidsgod), die stierf en
weerom verrees; de cultische eenwording ermee liet de ingewijde
participeren in diens dood én heropstanding - de inwijding
liep daarmee uit op een wedergeboorte; die consecratie kon echter
herhaald worden. Tenslotte moet ook de belangrijke rol van de Grote
Moeder (Cybele, Demeter, Artemis, Aphrodite, Isis...) aangestipt
worden. (15)
In deze verlossingsgodsdiensten werd een (ziels-
en) godsbegrip ontwikkeld, waarin niet langer de concrete
machtsuitoefening centraal stond; het was integendeel vooral
dààrdoor geconstitueerd, "dat het
principieel onttrokken was aan de druk van de realiteit" (16); of, zoals Jezus de
Nazareër zou gezegd hebben: "mijn rijk is niet van
deze wereld!". Daarbij aansluitend werd dan een hele canon
ontwikkeld aan goddelijke "volmaaktheden" (zoals het verheven zijn
boven alle behoeftigheid en boven alle lijden, de complete
gelukzaligheid, enz.), die slechts daarom als volmaaktheden verschenen,
omdat de mens in zijn of haar feitelijke bestaan aan hun tekortkomingen
onderworpen was.
De onvermijdelijke spanning
(zo niet tegenstrijdigheid) tussen de féitelijke
irrationaliteit van de leefwereld en de goddelijke tegenpool ervan werd
opgelost in een typisch
driefasig verlossingsschema:
1°) de paradijselijke
oerfase,
2°) de fase van de "val" in de wereld van het kwaad, en
3°) die van de definitieve terugkeer en
"verlossing".
Dank zij dit
schema kon een zin en rechtvaardiging worden gegeven aan het
reële kwaad en het lijden: namelijk als een noodzakelijk, maar
tijdelijk tussenstadium op de weg naar
de definitieve realisatie van het "heil".
Ook de overwegend joodse, apocalyptische
en eschatologische stromingen kunnen hierbij
betrokken worden. In tegenstelling echter tot de soteriologische,
waren ze niet gericht op een individuele
wereldvlucht, maar juist op een transformatie van deze wereld. Ze waren
daarom dikwijls verbonden met zeer actieve, religieus-politieke
bewegingen: cf. de strijd van de joden, eerst tegen de (Griekse)
Seleuciden, daarna tegen de Romeinen. "Hoe meer de feitelijke
situatie in de ongelijke strijd verslechterde, hoe dringender de
behoefte werd aan hoop en aan wraak op de zegevierende tegenstrever" (Topitsch,
1966:270). Het toenemende kwaad in de wereld werd daarbij niet zozeer
geïnterpreteerd als een goddelijke vermaning om tot zelfinkeer
te komen, maar als een soort van garantie dàt de heersende
wereldperiode (saeculum, in het Latijn) inderdaad op
haar einde liep, zodat het goddelijk Eindgericht naderbij kwam (17).
Beide stromingen, de soteriologische en de
apocalyptisch-eschatologische, dienden dezelfde ideologisch-spirituele
doelstelling, met behulp van hetzelfde driefasige schema, namelijk: ze
verlichtten voor de mens de confrontatie met de druk van de realiteit,
doordat ze hem of haar ervan overtuigden dat het negatieve
onvermijdelijk en noodzakelijk was in het kader van een heilsgebeuren,
maar dat het evenzo noodzakelijk overwonnen zou worden. De eenvoud van
dat schema en de onmiddellijke bevrediging die het garandeert voor de
mens die worstelt met de druk van de realiteit, maken het begrijpelijk
dat het zich handhaafde als grondmotief van een eeuwenlange
overlevering, en dat het zich opnieuw opdrong aan de zoekende
menselijke geest, wanneer die overleveringen van hun kracht verloren
hadden (denken we bv. aan het vulgair-marxisme, met zijn drie fasen:
het oercommunisme, de klassenstrijd en het finale communisme).
[Topitsch, o.c., pp. 271-272]
2. Filosofische Ontwikkelingen in de 1e
Eeuw voor onze Tijdrekening:
In de context van de toenemende spirituele behoeften van de mensen zou,
onvermijdelijk, ook de
filosofie een verdere "bocht" maken. Het klassieke,
wetenschappelijke ideaal van de kennis-om-de-kennis (Aristoteles),
evenals de (iet of wat naïeve) overtuiging van de
hellenistische filosofieën, dat de mens (althans de "Wijze")
door middel van de rede alléén de morele
perfectie, en dus het (aardse) geluk, kon realiseren (Epikouros, Stoa
en Skepsis), werden langzamerhand verlaten. De "Diesseitigkeit"
van de gevestigde filosofenscholen zou steeds
minder aftrek hebben. In plaats daarvan werd de tendens naar een
filosofische religiositeit (waarvan we de aanzet reeds bij Epikouros
aantroffen) als maar sterker. Althans ten aanzien van de betere klassen
met een intellectuele cultuur, ging de filosofie zich opwerpen als een
concurrente van de mysterie- en verlossingsgodsdiensten. Daartoe moest
de filosoof, behalve therapeut (nogmaals reeds bij Epikouros), ook een
beetje wonderdoener, profeet en zelfs "priester" worden, en vandaar ook
de behoeder van een eeuwenoude
waarheid. De karikaturale belichaming daarvan zou ene
Apollonios van Tyana zijn, neopythagorisch "filosoof" en
magiër uit de 1e eeuw nK. Zijn biografie, geschreven door
Philostratos, ca 220 nK, zou later een concurrente worden voor de
Jezusevangelies.
De filosofie zelf zou finaal tot een
(intellectuele) mystiek
moeten worden, d.w.z. de mens door bekering,
ascese en studie (onder meer van de wiskunde, maar ook en vooral van de
klassieke meesters en van oeroude wijsheidsbronnen) moeten helpen
opklimmen naar het supra-rationele, en hem of haar zo de unio
mystica met de transcendente zijnsgrond, de visio
Dei, helpen realiseren. Zoals het geformuleerd wordt in een
ouder handboek van de geschiedenis van de filosofie (17bis):
"Niet meer de zedelijke bevrijding,
maar de religieuze verlossing is het doel van de filosofie; niet meer
de Wijze (sapiens) van de hellenistische, wereldlijke vroomheid is het
karakteristieke type van haar sekten, maar de verlichte, de profeet,
die bericht geeft over het bovenaardse".
2.1. Voor de filosofie is
een betekenisvol "keerpunt" te situeren op het einde van de 2de en de
start van de 1e eeuw
vK. Het voor de verdere toekomst belangrijkste fenomeen
zou de opkomst zijn van een nieuwsoortig "platonisme",
los van en zelfs in oppositie met
de geleerde, Akademische schooltraditie. Op het eerste gezicht
enigszins paradoxaal, zou de eclectische integratie van elementen uit
stoa en aristotelisme gecombineerd worden met de verheffing van Platoon
tot een onaantastbare en absolute autoriteit. Op kortere termijn,
echter, zou het stoïcisme er nog een tijd in slagen de nieuwe
tendensen te integreren (tot en met de 2de eeuw van onze tijdrekening).
Een belangrijke aanzet tot de nieuwe
ontwikkelingen was ongetwijfeld eerder al geleverd door de Skepsis. In
de hellenistische periode had zij de Akademie "veroverd" (cf. de "aporetische" Sokrates, in Platoons
dialogen), met de belangrijke schoolhoofden Arkesilaos, ca 315-240, en Karneades,
214-129, die in het vorige hoofdstuk al even aan bod kwamen. Met haar
dialectisch onderbouwde visie op de principiële onkenbaarheid
van de waarheid-werkelijkheid en haar oproep tot "epochè"
(zie hoger),
had zij het inzicht versterkt dat het geluk veeleer te vinden was in
een zich onthechten van de werkelijkheid én van haar
(speculatieve) studie. Haar scherpe kritiek op de zogenaamde
"dogmatische" richtingen (voornamelijk de Stoa, maar ook het
aristotelisme, het epicureïsme, enz.) stelde
ook de vele meningsverschillen tussen de scholen in een kwalijk
daglicht. Eén van de skeptische standaardargumenten,
daaromtrent, was het Argument
vanuit de Onenigheid (diaphonía),
d.w.z. uitgaande van de manifeste tegenspraken en tegenstellingen
tussen de "dogmatische" scholen en systemen:
wanneer we abstractie maken van onze eigen
meningen en we vervolgens nagaan welke objectieve redenen we zouden
kunnen hebben om de voorkeur te geven aan één van
de divergerende, dogmatische posities, ten nadele van alle andere, dan
stellen we vast dat de redenen die de dogmatici zelf aanvoeren om in
hùn systeem te geloven, onvermijdelijk altijd reeds een
beroep doen op de waarheid van hun systeem in
sommige andere punten. We worden anders gezegd geconfronteerd met een petitio
principii. Ten aanzien, dus, van de veelheid
aan uiteenlopende systemen, zijn er geen echt objectieve argumenten om
te kunnen concluderen dat eender welk filosofisch systeem bij machte
zou zijn de waarheid te vinden.
De skeptische kritiek was ongetwijfeld een
belangrijke factor in de groeiende tendens naar een filosofisch eclecticisme, of
althans filosofische
convergentie (in de meest recente literatuur wordt het
traditionele gebruik van het negatieve etiket "eclectisch", voor de
laat-hellenistische en keizertijdfilosofie, met terughoudendheid
benaderd). De gevestigde scheidingslijnen tussen de scholen vervaagden,
maar zonder daarom echt te verdwijnen. Tegelijkertijd was er een
groeiende tendens om de oude, klassieke meesters, bovenal Platoon en
Aristoteles (maar ook iemand als Puthagoras), als gezaghebbend te
beschouwen over de schoolgrenzen heen, en om de tijd nà hen
veeleer als een periode van verval te gaan zien.
In de stoïcijnse traditie leidde dat tot
de zogenaamde
"Midden-Stoa" (de verschillen, weliswaar, tussen de drie
historische fasen van de geschiedenis van de Stoa moeten gerelativeerd
worden). De belangrijkste vertegenwoordigers ervan waren Panaitios
(van Rhodos,
185-109; scholarch 129-110) en zijn leerling, Poseidonios
(van Apameia, ca 135-51), beiden uitgesproken bewonderaars van Platoon
(volgens Cicero zouden ze allebei voor Platoon het woordje
"goddelijk" hebben gebruikt) en met een positieve houding t.a.v. Aristoteles - weliswaar zonder zich, "als puntje bij paaltje
kwam", echt buiten de stoïcijnse traditie
te plaatsen.
Panaitios deed (vermoedelijk) afstand van het
model van de Wijze als absolute gedragsnorm; hij verwierp ook de (al
eerder betwiste) stoïcijnse leer van de wereldbrand (ekpúrosis)
t.g.v. Aristoteles' leer van de eeuwigheid van de wereld; zijn aandacht
ging in hoofdzaak naar de praktische ethiek, d.w.z. de problemen van de
(morele en politieke) praxis. Nauw bevriend als hij was met een aantal
Romeinse aristocraten, was het in grote mate aan hem te danken dat het
stoïcisme een bijzonder positief onthaal vond in Rome (het zou
er enkele eeuwen lang de dominante filosofie zijn). Poseidonios,
anderzijds, was de eerste stoïcijn om, in aansluiting bij
Aristoteles, op een ernstige wijze aandacht te schenken aan
(natuur)wetenschappelijke studies: astronomie, geografie (met
bijzondere aandacht voor klimaatzones), mineralogie, seismologie,
antropologie, geschiedenis... (bv. zijn verloren werk "Over
de Oceaan"; hij schreef ook een bespreking, mogelijk een
commentaar, bij Platoons Timaeus). Hij ondernam
daartoe ook uitgebreide reizen (naar Gallië, Spanje:
bestudeerde in Cadiz de getijden van de Atlantische Oceaan en het
verband met de maancyclus). Tevens verving hij de stoïcijnse,
monistische zielsleer door een platoons "tripartite" model (weliswaar
met enige aanpassingen); maar hij had ook aandacht voor magie,
astrologie (was door Panaitios afgewezen), profetie (hij schreef een
werk in 5 boeken, om een theoretische basis te geven aan profetie),
e.d. Vooral Poseidonios, klaarblijkelijk, heeft de nodige nieuwe
oriëntatie helpen geven aan het stoïcisme, zodanig
dat het kon beantwoorden aan de nieuwe interesses en behoeftes (cf. ook
de vorming van een Romeins wereldrijk). Noch van Poseidonios noch van
Panaitios, helaas, zijn er teksten bewaard gebleven.
In de Akademie zelf, anderzijds, was het
skepticisme op het einde van de 2de eeuw steeds meer onder vuur komen
te liggen, niet in geringe mate als gevolg van de vermelde
ontwikkelingen binnen de Stoa. Het moest de plaats ruimen voor een
nieuw dogmatisme; de Skepsis zou echter verder bestaan, onder de vorm
van het (neo)pyrrhonisme. Een actieve rol in dogmatische ontwikkeling zou, vanaf 90 vK,
vooral gespeeld worden door Antiochos van Askalon
(Palestina, ca 130/20-68vK): als scholarch van de Akademie, brak hij
met de Skepsis en riep hij op voor een "terugkeer" naar Platoon en de
"Oude Akademie" (de skeptische Akademie bestempelde hij als "Nieuwe
Akademie", met een pejoratieve connotatie van "nieuw").
In de praktijk nochtans kwam zijn filosofische bijdrage neer op een
verregaand syncretisme van platonisch, aristotelisch en, vooral,
stoïcijns gedachtegoed (bv. het "leven in
overeenstemming met de natuur", als menselijke finaliteit;
aanvaarding van de "phantasía
katalèptikè"...). Van groot belang voor
de toekomst was zijn overtuiging dat Aristoteles' en Zenoons
filosofieën weinig meer waren dan adaptaties van die van Platoon. Hoewel hijzelf wel degelijk op zijn platonische "strepen"
stond, werd Antiochos vaak eerder als een stoïcijn dan als een
platonicus beschouwd. Werkzaam en bijzonder invloedrijk in het nog
republikeinse Rome, speelde hij in elk geval een actieve rol in de
verbreiding aldaar van het stoïcisme (bv. bij Cicero).
2.2. Een tweede belangrijk gegeven in de
filosofische ontwikkelingen, betrof de sterk toenemende belangstelling
voor de menselijke
begin- of oertijd. De oud-stoïcijnse visie
daaromtrent (zie de begintekst, "Een Aanloop", kap. 2.2) luidde
dat, in de huidige wereldcyclus, de primitieve mensheid - de "uit-de-aarde-geborenen",
gègeneîs - een harmonieus,
natuurlijk-rationeel leven leidde maar géén
filosofie kende (d.w.z. geen filosofie nodig had). Die visie werd nu
door Poseidonios herzien, vanuit een meer platonische kijk op de
menselijke ziel (namelijk als zelf een complex van rationele
én niet-rationele krachten), zodanig dat ook de eerste
mensen reeds nood hadden aan rationele leiding. Hij concludeerde dat er
in die "gouden" begintijd wel degelijk Wijzen
waren die op een voorzienige wijze de andere mensen hadden geleid en
aldus de grondleggers waren van de menselijke civilisatie; zij
beschikten daarom ook over een oorspronkelijke filosofie of wijsheid.
Die wijsheid was noodzakelijk superieur aan de latere, "moderne"
filosofieën, want deze laatste waren ontstaan in een
verregaand gecorrumpeerde samenleving.
De al langer bestaande, filosofische
belangstelling voor en studie van mythologie en oude poëzie,
met name in de Stoa (cf. de vele overgeleverde titels van werken i.v.m.
de poëzie), kreeg van hieruit een nieuwe, krachtige impuls: de
Ouden, althans de Wijzen onder hen, hadden wel degelijk een
(superieure) kennis over de goden, de natuur van de kosmos, enz., en ze
hadden die, opzettelijk, op een verdoken, want allegorische wijze
weergegeven, d.w.z. "bij middel van symbolen en raadsels".
Door de latere dichters en theologen (Orpheus, Mousaios, Homeros,
Hesiodos...) was die "allegorische" kennis op een vaak kinderlijke
wijze verwerkt in poëtische en mythologische ficties. Het
moest bijgevolg mogelijk zijn, bij middel van een geëigende
allegorese ervan(18), in de
poëtische en theologische teksten "fragmenten" te herontdekken
van die oeroude Wijsheid; de filosoof kon zich die dan
toeëigenen, als een bevestiging of "backup" voor
de juistheid van de eigen opvattingen.
Dat was alvast de overtuiging, in aansluiting bij
Poseidonios, van stoïcijnen zoals Cornutus
en Chairemoon (beiden onder Nero, midden 1e eeuw nK). Cornutus heeft
die methode van
allegorese toegepast in zijn Samenvatting van
de Overleveringen omtrent de Griekse Theologie. Hij geeft
daarin blijk van een grote voorliefde voor etymologie, zoals
ook de oudere stoïcijnen die al beoefenden
(geïnspireerd, ongetwijfeld, door de lectuur van Platoons Cratylus):
cf. tot de stoïcijnse idealisering van de "Ouden" behoorde ook
de overtuiging dat de nog "jonge" taal in die menselijke begintijd, als
veruitwendiging van de menselijke rationaliteit, op een of andere wijze
de natuur der dingen "nabootste"; zij kon en
mocht derhalve gebruikt worden, zodra herontdekt, als een
"natuurlijke" standaard van correctheid. Het terugvinden of
blootleggen van de "oerwoorden" (prôtai
phonaí en prôta
onómata), als de "étuma" waarvan
de gangbare woorden en namen (in de eerste plaats de namen van de
goden) op een minder of meer vervormde wijze waren afgeleid, maakte het
daarom mogelijk de "ware" betekenis terug te
vinden van deze laatste, én op die manier de oude wijsheid,
en dus een juistere kijk op de werkelijkheid, te helpen (re)construeren
[PS: om de zaken niet nog ingewikkelder te maken, gaan we hier niet in
op het stoïcijnse onderscheid tussen woorden, zinnen, enz.,
als concrete taaluitingen, en de zgn. "lektá"
(letterlijk: "zegbaarheden") of betekenissen, die
door concrete woorden, enz. werden uitgedrukt].
Het Griekse woord "etumología"
- "étumos" betekent "waar, werkelijk"
- , is vermoedelijk zelfs een stoïcijnse creatie (namelijk van
Chrusippos: de term komt voor het eerst voor in boektitels van hem).
Die visie kon in de praktijk weliswaar leiden tot de meest
fantaisistische verklaringen (die door hun tegenstanders ook aan de
kaak werden gesteld): bv. de naam van godin Hèra (partner
van oppergod Zeus) werd teruggevoerd tot het woord "aèr",
"lucht" (zie reeds Cratylus, 404C) en
dat moest dan aantonen dat achter die mythologische figuur in
werkelijkheid een verwijzing schuil ging naar één
van de natuurelementen - wat dan op zijn beurt bevestigde dat de Oude
Wijzen al aan natuurfilosofie deden (tussen haakjes zij opgemerkt dat
theologie in het stoïcisme deel uitmaakte van de fysica). Een
ander voorbeeld levert het Griekse woord voor "volk",
namelijk "laós": volgens Chrusippos was
dat afgeleid van het werkwoord voor "spreken", namelijk
"laleîn" - dat dus precies de
rationele én sociale activiteit aanduidde die
natuurlijkerwijs de mensen onderscheidde van de dieren, enz. PS: let
wel, ook etymologie diende voor de stoïcijnen enkel als een "backup",
o.m. voor hun theologie, en niét als basismethode om de
fundamenten van het stoïcijnse systeem zelf te leggen.
Bovenal, echter, pleitte Cornutus voor een soort
van vergelijkende mythologie
en theologie: in de mythologieën, religieuze teksten en
overleveringen van andere, oude volkeren en culturen - de Magi, de
Phrygiërs, de Egyptenaren, de Kelten, de Feniciërs,
enz., enz., - gingen z.i. gelijkaardige brokstukken schuil van de oude
Wijsheid; door ze te bestuderen en met elkaar te vergelijken was het
mogelijk de oorspronkelijke en gemeenschappelijke, filosofische kern
ervan te reconstrueren. (18bis)
Zowel Griekse, als joodse (zie Philoon) en christelijke denkers (in de
eerste plaats Origenes, ca 185-254) zouden verder bouwen op die
zienswijze en vooral op de eraan gekoppelde methode van allegorische
interpretatie van oude teksten (bv. de Bijbel). Het belangrijkste
effect van die focus op een "cross-culturele", oorspronkelijke of
primitieve Wijsheid zou zijn dat, in tegenstelling met het voorheen
heersende geloof in een filosofische vooruitgang (zie
bv. Aristoteles, maar ook later), de appreciatie van filosofische
doctrines, maar ook van religies en culturen in het algemeen, a.h.w.
een functie zou worden van hun (al dan niet vermeende) "anciënniteit",
respectievelijk van de mate waarin ze konden worden teruggekoppeld aan
de oorspronkelijke, oude Wijsheid, dan wel moesten worden ontmaskerd
als latere deviaties of corrupties. Zo bv. de platonist, Kelsos
(Celsus), 2de eeuw nK, in zijn kritiek op het
jonge christendom, het werk getiteld "De Ware
Lógos": het christendom was z.i. een recente
vervorming van het judaïsme, dat op zijn beurt het resultaat
was van een afsplitsing van de oorspronkelijke, Egyptische religie.
2.3. Een belangrijke, externe gebeurtenis,
in deze periode, was de militaire inname en plundering van Athene door de
Romeinse troepen onder Sulla, in 86 vK (een beetje ironisch, gelet op
de gevolgen, kende Athene toen net de alleenheerschappij van een...
filosoof, de peripateticus Athenioon; hij werd nadien, kort, opgevolgd
door een andere filosoof, de epicureër, Aristioon). Onder meer
de Akademie, mogelijk met inbegrip van de schoolbibliotheek, werd
verwoest en geplunderd. (19)
De akademische schooltraditie kreeg daarmee een zware klap en het
gebeuren betekende het einde van de Atheense school als zelfstandig
instituut. Iets gelijkaardigs gold ook voor de Stoa, de Tuin (de
epicureïsche schoolbibliotheek werd rond deze tijd door
Philodemos van Athene naar Rome verhuisd), alsook voor de Peripatos:
samen met andere oorlogsbuit, werd Aristoteles' bibliotheek door Sulla
naar Rome versleept. Aristoteles' wetenschappelijk oeuvre (dat enkele eeuwen grotendeels ontoegankelijk was geweest) zou
er o.m. worden uitgegeven door Andronikos van
Rhodos. De heropbloei van het aristotelisme (of althans van de
interesse in Aristoteles' eigen teksten) die ermee gepaard ging, zou
zich voortaan buiten Athene afspelen. Athene,
inderdaad, verloor met de oorlogsgebeurtenissen definitief het
monopolie op de filosofische bedrijvigheid, dat zo kenmerkend was
geweest voor de hellenistische scholen. Pas in de latere oudheid, 2de
helft van de 2de eeuw, met de oprichting door Marcus Aurelius (keizer
van 161 tot 180) van vier Atheense filosofische leerstoelen -
één voor de platonici, één
voor de aristotelici, één voor de stoïci
en één voor de epicureërs -, zou de stad
weer een filosofische rol gaan spelen.
Weliswaar was een dergelijke ontwikkeling al
eerder gestart, ten voordele van andere grootsteden, vooral Rome (cf.
Panaitos) en Alexandrië, alsook (het onafhankelijke eiland)
Rhodos (cf. Poseidonios ging er zich vestigen, hoewel hij Panaitios was
opgevolgd als scholarch), Pergamon, Smyrna, Antiochië en
nadien ook tal van regionale centra (bv. Tarsos). De "filosofische diaspora" die
gepaard ging met de teloorgang van Athene, leidde tot een proliferatie
van de filosofische bedrijvigheid én onvermijdelijk ook tot
toenemende, regionale differentiaties binnen de
schooltradities. Het verklaart voor een groot deel waarom de
geschiedenis van de filosofie tussen 125 vK tot ca 250 nK niet langer
dezelfde duidelijke contouren vertoont als die in de eigenlijke
hellenistische periode. Scholen werden veeleer brede
"bewegingen". Dat vervagen van de filosofische identiteit van een
school ging (sociaal-psychologisch) onvermijdelijk gepaard met het
idealiseren en vergroten van de autoriteit en betekenis van de
stichter(s) ervan en hun basisteksten: de filosofische activiteit zou
in toenemende mate evolueren naar een vorm van commentaar- en
interpretatiearbeid, en dus van van classicisme en scholastiek (met
de ontwikkeling van allerlei didactische genres, zoals inleidingen,
samenvattingen, doxografische overzichten, enz., om de "oude" teksten
onderwijs- en assimileerbaar te maken). (19bis)
Op (langere) termijn zou aldus een volledig
nieuw, a.h.w. "naïef" platonisme ontstaan, gebaseerd op een
directe lectuur en studie van Platoons dialogen. Vooral diens Timaeus,
met zijn scheppingsmythe en buitenwereldse demiurg - de dialoog wordt
wel eens een "filosofische
Genesis"
genoemd -, zou het basisboek, zeg maar: de "bijbel", worden voor die
nieuwe, half-filosofische, half-religieuze beweging. Het boek ging
gelezen worden als een soort van goddelijke openbaringstekst, en zou
model staan voor de latere, "heilige boeken" van gnosis en hermetica (20). De Timaeus zou
deze status eeuwenlang behouden, ook in de christelijke middeleeuwen.
In zijn aanvangsfase was dat platonisme veeleer
een brede stroming, die noch strikt filosofisch noch strikt platonisch
was. Heinrich Dörrie spreekt van "een religieuze
beweging die haar oriëntatie had gekregen van de Timaeus van
Platoon" (1974:28). Die Timaeus
werd trouwens ook opgeëist door het heroplevende pythagorisme
(het zogenaamde neopythagorisme), als een in
oorsprong "pythagorisch" scheppingsverhaal. De "mathematiserende"
lectuur die de neopythagoreërs brachten van de platonische
filosofie (met een belangrijke inbreng van de getallenmystiek), zou een
grote invloed hebben op de verdere ontwikkeling van het platonisme. De
grens, bijgevolg, tussen "platonisme" en "(neo)pythagorisme" is in de
erop volgende eeuwen zeer moeilijk te trekken. Een typisch voorbeeld
van die grensvervaging was Noumenios van Apameia
(2de eeuw nK), die nu eens bij het ene, dan weer bij het andere kamp
wordt geplaatst. Plotinos zou zich achteraf moeten verdedigen tegen
beschuldigingen als zou hij Noumenios geplagieerd hebben.
2.4. De zoektocht naar "oude" en
gezaghebbende teksten en materialen leidde tot de fabricatie van een
ganse reeks van apocriefe,
pseudo-antieke teksten: pseudo-pythagorische
(o.m. een parafrase in het Dorisch van de Timaeus,
die zogezegd het pythagorisch model zou geweest zijn dat Platoon benut
had; een kosmologie toegeschreven aan Okellos; "Gouden Verzen",
op naam van Puthagoras zelf; de "Tabula" op naam
van Kebes, enz.), pseudo-orfische (hymnen, theogonieën), een
pseudo-aristotelische Over
de wereld, een pseudo-hippokratische Over de Zeventallen,
enz., enz. De zoektocht naar oude Wijsheid wakkerde bovendien de
belangstelling aan voor niet-Griekse, oosterse mythologieën, culten
en profeten (bv. Zoroaster, Mozes, e.a.), met hun orakels, heilige
schriften (zoals de joodse Bijbel), en dergelijke. Volgens tal van legendes
trouwens waren de oude filosofen - Puthagoras, Empedokles, Platoon... -
hun wijsheid gaan zoeken en vinden in het (Nabije) Oosten. De confrontatie en coëxistentie, in de gehelleniseerde mediterrane wereld, tussen
het hellenisme en de vele oosterse religieuze en culturele tradities
was in dat opzicht uiteraard bijzonder vruchtbaar.
Tot de pseudepigrafische, semi-religieuze,
semi-filosofische literatuur die daaruit resulteerde, mogen we in de
eerste plaats de verzameling van teksten rekenen, die tussen ca 50 en
250 nK geschreven werden in Egypte, en die openbaringen pretenderen te
geven vanwege de Grieks-Egyptische god, Hermes Trismegistos (letterlijk:
"Hermes de driemaal grootste"), product
van de vereenzelviging (in het ptolemeïsche Egypte) van de
Griekse Hermes met de Egyptische Thoth (21).
Het bekendste traktaat van het Corpus Hermeticum is
de Poimandres.
Poimandres, of het universele Intellect
(Grieks: de noûs), verschijnt hierin aan
Hermes (die zelf een particuliere manifestatie is van dat Intellect) en
openbaart hem de waarheid over de goddelijke schepping van de wereld en
de mens.
De eerste God, noûs
of Intellect, is androgyn, d.w.z. mannelijk en vrouwelijk, licht en
leven. Zijn goedheid zelf doet hem een tweede God scheppen, de mooie
Anthropos (Grieks voor: mens). Hij wordt op Anthropos verliefd en
vertrouwt hem al zijn schepselen toe. Bij die schepping van de kosmos,
die gebeurt op basis van goddelijke (platonische) ideeën en
wordt toevertrouwd aan de Lógos en de demiurg, komt via een
reeks splitsingen ook de materie tot ontstaan, als een afschrikwekkende
en duistere slang die sissend en krijsend de laagste regionen bezet. De
schepping van de mens is het resultaat van de val van Anthropos (als
gevolg van zijn verlangen de demiurg te imiteren), doorheen de hemelse
sferen naar omlaag, in de verleidelijke, maar dodelijke omarmingen van Phúsis,
of de lagere Natuur (22).
Volgens John
Ferguson (1970:108-109), hebben we te doen met de teksten van een sekte
die aan de ingewijden, via contemplatie, ascetisme, en rituele en
morele zuivering, de religieuze extase en, als resultaat daarvan, de
wedergeboorte en finale redding beloofde. Voorwaarde was wel dat men
vooraf tot inkeer kwam. Vandaar de oproep:
"Komt tot inkeer, gij die in dwaling
gereisd hebt en het gezelschap hebt gezocht van onwetendheid; bevrijdt
jullie van de duisternis en grijpt het licht; verzaakt aan het bederf
en hebt deel aan de onsterfelijkheid!"
Aan het slot
van de Poimandres
krijgen we een krachtig gebed aan (de eerste) God:
"Heilig is God, de Vader van al!
Heilig is God, wiens wil wordt voltrokken door zijn eigen Machten!
Heilig is God, die gekend wil worden, en gekend wordt door degenen die
tot hem behoren!
Heilig zijt Gij, die door het Woord al het bestaande hebt geschapen!
Heilig zijt Gij, van wie de gehele Natuur het beeld heeft vervaardigd!
Heilig zijt Gij, die niet gevormd zijt door Natuur!
Heilig zijt Gij, die machtiger zijt dan alle kracht!
Heilig zijt Gij, die elke voortreffelijkheid overtreft!
Heilig zijt Gij, die boven elke lofprijzing verheven zijt!
Aanvaard onze geestelijke en zuivere offerandes, die U aangeboden
worden vanuit ons hart en ziel die naar U verlangen".
Tenslotte mag, behalve naar de vele gnostische
teksten, die vooral in de 2de eeuw nK ontstaan zijn (zie verder, kap.
5), ook nog verwezen worden naar de verzameling van de zogenaamde Oracula
Chaldaïca. Ze werden onder keizer Marcus Aurelius
(2de helft van de 2de eeuw) gefabriceerd door een zekere Joulianos,
bijgenaamd "de Theürg".
Naast een flinke dosis occultisme, magie,
astrologie, alchemie e.d., bevatten al deze teksten een mengeling van
(geschematiseerd en gevulgariseerd) platonisch en aristotelisch, alsook
pythagorisch en stoïcijns gedachtegoed. Het gaat hier om a.h.w.
subfilosofische fenomenen, behorend tot wat John Dillon (23) de "Platonische
Onderwereld" heeft genoemd (24).
Vooral vanaf de 2de eeuw nK, nochtans, zouden ze door de platonici
doodernstig worden genomen: zo zou Plotinos' leerling, de zeer geleerde
Porphurios (3de eeuw), een ganse commentaar wijden aan de "Chaldeïsche
Orakels".
Toch mag de invloed van al dat soort van
pseudo-teksten op de verdere filosofische ontwikkeling wellicht niet
overschat worden. Zoals Olof Gigon schrijft (25):
"In de ontwikkeling van de
(filosofische) problemen als zodanig hebben de
pseudo-pythagoreïsche, hermetische, chaldeïsche en
orfische boeken niet ingegrepen".
3. Philoon de Jood.
De belangrijkste plaats waar nieuwe filosofische en religieuze
ontwikkelingen hun ontstaan en vaak ook hun grootste bloei kenden, was
ongetwijfeld het Egyptische
Alexandrië. Dit
wereldcentrum van de hellenistische cultuur (met zijn beroemde
Bibliotheek) was, als het eindpunt van handelswegen (over zee en over
land) die tot diep in Azië doordrongen, een draaischijf tussen
Oost en West. Met name ook de vele religies en ideologieën
ontmoetten en bevruchtten er elkaar. Zo herbergde de stad, sedert haar
stichting, ook een belangrijke, verregaand gehelleniseerde joodse gemeenschap.
Weliswaar kwam het regelmatig tot spanningen of zelfs conflicten: de
beslistheid waarmee die joodse gemeenschap toch vasthield aan de eigen
geloofsopvattingen en -praktijken, en dus weigerde volledig op te gaan
in het Grieks-Egyptisch syncretisme, had immers onvermijdelijk ook
politieke implicaties. Bij de Griekse elite leidde dat tot een vorm van
cultureel anti-judaïsme (niet raciaal, want joden die zich
inderdaad assimileerden, kregen onbeperkte toegang tot het openbare en
politieke leven). Dat manifesteerde zich bij tal van Griekse auteurs in
een of andere "historische" theorie volgens dewelke de Joden
oorspronkelijk... Egyptenaren waren en het judaïsme derhalve
een vervorming van de oeroude Egyptische religie (cf. de Bijbelverhalen
over Mozes); de joodse theologie kon bijgevolg geen aanspraak maken op
enige oorspronkelijke waarheid (zo bv. de Alexandrijnse filoloog en
historicus, Apioon, ca 30-25 vK tot 50 nK).
Het was desalniettemin binnen dat
gehelleniseerd-joodse milieu dat de "nieuwe filosofie" haar eerste
grootschalige poging tot synthese kreeg: namelijk in het werk van
Philoon (bijgenaamd "van
Alexandrië", of "de Jood"), een
telg uit één van de rijkste en invloedrijkste
families aldaar (zijn broer bekleedde een officieel ambt; zijn neef,
Tiberius Julius Alexander, bracht het zelfs tot gouverneur over het
Romeinse Egypte). Over zijn leven is niet zoveel bekend; hij is
vermoedelijk geboren tussen 20 en 10 vK. (26)
Zijn geschriften vormen tevens het eerste omvangrijke
post-aristotelische corpus van filosofische teksten dat tot ons is
gekomen. Philoon toont er zich "één van
de veelzijdigste syncretisten van de eerste twee eeuwen nK". (27)
3.1. Zoals velen,
ongetwijfeld, van zijn geloofsgenoten (volgens Philoon zelf leefden er
in zijn tijd meer dan een miljoen joden in Alexandrië, wat
allicht wel wat overdreven was), was Philoon cultureel verregaand
gehelleniseerd. Als zodanig was hij goed thuis in de Griekse
literatuur en filosofie. Anderzijds, hoewel hij op wat losse woorden na
het Hebreeuws niet machtig was, was hij als jood vertrouwd met
de joods-hellenistische Bijbelexegese. De basis daarvoor zou vanaf de 3de eeuw de Griekse Bijbelvertaling, de zgn. Septuaginta,
vormen:
volgens de legende was zij het werk van 70 (of 72) joodse
geleerden, in Alexandrië, die het werk in
tweeënzeventig dagen zouden geklaard hebben. Hoewel mogelijk
in de eerste plaats ontstaan ten behoeve van het niet-joodse publiek,
was de Septuagint vrijwel onmiddellijk het voorwerp geworden van
rationaliserende interpretaties vanwege gehelleniseerde joden. (28) Een aantal làte
boeken van de Bijbelverzameling, zoals bekend, werden, eveneens in
Alexandrië, rechtstreeks in het Grieks geschreven.
Philoon ging in zijn filosofische
interpretatie van de Bijbel verder dan zijn joodse voorgangers (de
bekendste ervan is de filosoof Aristoboulos, midden
van de 2de eeuw vK: reeds hij argumenteerde dat de werken van Homeros,
Orpheus, Puthagoras, Platoon, Aristoteles, e.a. hun inspiratie gehaald
hadden uit de joodse Bijbel). Hoewel Philoon, als gelovige jood, alle
wijsheid en waarheid in de Bijbel wist te vinden, was hij overtuigd van
de fundamentele eenheid van het joodse wetsdenken en de Griekse
filosofie. Hij zag die eenheid gedocumenteerd in de diepgaande
overeenkomsten die zijns inziens (zie verder) konden vastgesteld worden
tussen, enerzijds, de Torah, of de "Boeken van Mozes"
(in hun Griekse benaming: de "Pentateuch"), d.w.z. Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium,
en het "platonisme", anderzijds. Anders gezegd, "Mozes"
en "Platoon" vertegenwoordigden z.i. twee vormen
van één en dezelfde spiritualiteit. Daarbij was
het voor hem (zoals reeds voor Aristoboulos) vanzelfsprekend en evident
dat de heidense Platoon zich, zoals Puthagoras
vóór hem, had laten inspireren door de Torah, en
niet omgekeerd. (29)
Die "eenheid" is - hoeft het gezegd? - alles
behalve manifest. Philoon zag zich daarom voor de intellectuele
opdracht geplaatst, haar zichtbaar te maken, d.w.z. judaïsme
en Griekse filosofie metterdaad met elkaar te harmoniseren. Die
opdracht voerde hij uit in een reeks van filosofische commentaren op de
Pentateuch, gebruik makend van een verregaande vorm van allegorische
interpretatie, waarvan hij de methode wellicht ontleende aan de
stoïcijnen (cf. hierboven). Naar analogie met de verhouding
tussen lichaam en ziel, en die tussen opinie en waarheid, dienden z.i.
de externe betekenis en de verborgen betekenis van elkaar onderscheiden
te worden. Die externe, of letterlijke betekenis moest weliswaar
gevrijwaard blijven, aangezien de Bijbel goddelijk
geïnspireerd was, maar dank zij de allegorese werd het
mogelijk vooral het antropomorfisme in de bijbelse godsvoorstelling bij
te sturen (andere voorbeelden: de Ark van Noah was een symbool voor het
lichaam; de Tempel van Jeruzalem werd geïnterpreteerd als een
symbool voor de kosmos, of, elders, voor de rationele ziel; de exodus
van het joodse volk uit Egypte naar het Beloofde Land stond voor de
moeizame weg van de vooruitgang van de ziel naar deugd en kennis, enz.).
Tegelijkertijd, en daarin verschilde hij van
andere joodse auteurs als Aristoboulos, was Philoon bereid ook aan de
"heidense", Griekse mythologie een filosofische waarde toe te kennen.
Anders gezegd, ook zij had zijns inziens haar wortels in een oeroude
wijsheid. Nogmaals naar het voorbeeld van de stoïcijnen, dus,
kon de allegorische methode ook toegepast worden op de Griekse oude
dichters (vanuit zijn opvoeding, zoals gezegd, was hij vertrouwd met de
Griekse poëzie). Op die manier kon de Griekse cultuur, ondanks
het polytheïsme, "gered" worden voor ontwikkelde joden; en kon
zelfs aan de Griekse polytheïstische religie een zekere
waarheidswaarde worden toegekend. De goden waren bv. oorspronkelijk
belangrijke mensen die nadien vergoddelijkt waren; of ze konden
teruggebracht worden tot belangrijke natuurfenomenen: Hephaistos tot
het vuur, Hera tot de lucht, Demeter tot de aarde, enz. Dat stemde
overeen, zoals gezien, met de wijze waarop reeds de stoïcijnen
(oeroude) natuurfilosofische inzichten hadden menen terug te vinden in
bv. de epische gedichten van Homeros.(30)
Alhoewel ook hij ervan overtuigd was dat de
Griekse filosofen (hij vernoemt bv. ook Puthagoras, Herakleitos,
Aristoteles en Zenoon van Kition) "hun mosterd" hadden gehaald bij de
joden, was het toch die jongere Griekse filosofie die voor Philoon dé
weg bood voor een correct begrip van de Bijbel.
Dus doende, rationaliseerde hij zijn religie. Tegelijkertijd, echter,
werd dat joodse wetsdenken door hem ook gespiritualiseerd, met behulp
van de Griekse mystiek. Ook voor deze joodse filosoof werd aldus de
spirituele visio Dei het einddoel voor de mens.
Philoon werd daarmee, aldus Peters (1972:302),
"de eerste denker om de principes en
de geldigheid van de Griekse filosofie te aanvaarden, én
haar tegelijkertijd te onderwerpen aan een hogere waarheidsbron, een
filosofie afgeleid van een goddelijke openbaring".
De vorm,
echter, waarin die Griekse filosofie Philoon ter beschikking stond, was
die van de eigentijdse eclecticismen. In zijn interpretaties kunnen de
verschillende componenten ervan, op een weliswaar niet volledig
geïntegreerde wijze, teruggevonden worden (hij verdedigt vaak
verschillende filosofische posities in verschillende contexten):
platonisme, aristotelisme, stoïcisme, cynisme,
neopythagorisme, skepsis... (maar niét het
epicureïsme: zoals eerder al de stoïcijnen,
aristotelici, enz., was ook Philoon er een fervent tegenstander van).
Platonisme en stoïcisme waren weliswaar de dominante
invloeden. Geffcken (1920:34) vat Philoons filosofisch "pluralisme" op
de volgende wijze samen (m.v.):
"Hij is stoïcijn
wanneer hij het over natuurkunde heeft, het kosmologisch godsbewijs
argumenteert, wanneer hij de leer van de goddelijke voorzienigheid
verdedigt, de vrijheid van de Wijze bewijst, ontkent dat de dieren over
verstand beschikken; met de peripatetici
bestrijdt hij de vergankelijkheid van het universum; met Platoon
prijst hij onophoudelijk de geestelijke fenomenen boven de
zintuiglijke, met hem spreekt hij over de demiurg, en de Timaeus in
het algemeen (...) volgt hem de gehele tijd. De invloed van de neopythagoreërs
nemen we waar in de ascese, de mystieke
waardering van de getallen, in de leer van de elementen, in de lof voor
de Monade; skeptisch
denken, tenslotte, bevestigt hij wanneer hij eigenlijk elk
schoolsysteem van de Grieken verwerpt...".
3.2. Een sluitsteen in Philoons
programma van unificatie van judaïsme en hellenisme vormt zijn
allegorische commentaar op
Genesis, §§ 1-2, namelijk zijn geschrift, (in zijn traditioneel Latijnse titel) het De opificio mundi
("Over de fabricatie van de wereld"). Het is een
werk waarin hij dikwijls zeer nauw aansluit bij Platoons Timaeus en
tevens zijn grote voorliefde laat blijken voor de
pythagoreïsche getallenspeculaties.
Zoals
bekend, laat het overgeleverde bijbelse boek Genesis twéé
versies van het scheppingsverhaal onbemiddeld op elkaar volgen:
1°) Gen
1,1 - 2,4a: verhaalt de schepping van het gehele universum ("hemel
en aarde") uit het niets, middels zes scheppingsdagen; de
mens ("man én vrouw") wordt als laatste
geschapen, op de zesde dag [in de wetenschappelijke literatuur wordt
van de "priesterlijke traditie" gesproken, als de jongste
laag, namelijk uit de joodse periode die was ingeleid door de
Ballingschap];
2°) Gen
2, 4b-25: is veel minder kosmisch en wordt toegeschreven aan de "jahwist",
m.a.w. deze versie behoort tot het oudste gedeelte
van de Pentateuch, uit de oudere koningstijd; uitgangspunt hier is het "niets"
van een grote droogte, en de schepping van de
(man)mens komt hier éérst (het ganse verhaal is
daarop geconcentreerd); de schepping echter van de vrouw (hier uit
Adams rib) volgt pas op §2, 21-22.
Philoon doet
zijn profijt met dat redactionele gegeven om twéé
"scheppingen" van elkaar te onderscheiden:
1°)
een eerste, immateriële schepping, namelijk van de
geestelijke of "intelligibele wereld" (Grieks:
kosmos noètós - denk aan Platoons
ideeënwereld); daartoe behoort ook de "eerste"
of "hemelse Adam", d.i. het intelligibele oerbeeld
of de oervorm van de mens - de "échte" mens, anders gezegd;
2°) een tweede schepping, van de
zintuiglijke wereld en de empirische mens, door het opleggen van de
oervormen aan de materie (cf. de Timaeus).
De aardse
mens is bijgevolg een mengwezen, bestaande uit ziel en lichaam. Die
ziel is op aarde een "pelgrim", die via ascese,
wetenschappelijke studie en contemplatie moet trachten op te klimmen
van het zintuiglijke naar het geestelijke om, via de extase, de visio
Dei te realiseren.
Zoals alle hellenistische filosofen, zag ook
Philoon zijn ethiek exemplarisch belichaamd in de Wijze (de sophós).
Deze Wijze, echter, beschouwt enkel God als het voorwerp van zijn
kennis, want God staat voor alle volmaaktheden (het goede, het
werkelijke...), en bijgevolg is de eudaimonie enkel in God te vinden.
Het godsbegrip staat daarom centraal in het philonisch filosoferen, als
grond van alle zijn, en als doel van de ethische en theoretische
inspanningen van de mens. Wel lijdt Philoons godsvoorstelling aan een
interne tegenstrijdigheid, of alleszins spanning:
-
enerzijds is God absoluut transcendent en, door zijn volmaaktheid,
oneindig; bijgevolg kan er niets positiefs over gezegd worden, d.w.z.
kan hij enkel bij middel van negaties benaderd
worden (Philoon is de grondlegger van de zgn. negatieve theologie);
- anderzijds
is God het absoluut werkelijke; hij is dus in het bezit van alle
(positieve) eigenschappen die afleidbaar zijn uit zijn volmaaktheid, en
die gecommuniceerd zijn in de schepping.
3.3. Vooral Philoons Logosleer zou
zeer belangrijk zijn voor de latere filosofie. Voor een zo goed
mogelijk begrip ervan (Philoon zelf was niet echt een systematische
denker), kunnen we best vertrekken van zijn (stoïcijnse)
visie op de menselijke lógos als taal (zie het
vorige hoofdstuk).
De taal bemiddelt immers tussen onze gedachten en de werkelijkheid, en
ze kan dat dank zij haar dubbele natuur: er is enerzijds de innerlijke
gedachtetaal (Grieks: de lógos
endiàthetos) in
ons, namelijk van het denken, en anderzijds de uitwendige of "uitgebrachte"
taal van het spreken (Grieks: de lógos prophorikós).
In combinatie met de joodse wijsheidstheologie, vond Philoon hier de
sleutel voor het probleem van de relatie of bemiddeling tussen
God en de materiële wereld, tussen eenheid en veelheid, tussen
geest en materie. In elke wereldvisie die aan het opperste beginsel een
transcendente status toewijst, is dat inderdaad het centrale,
rationeel-discursief quasi onoplosbare probleem. De bemiddeling, die
door Philoons logosleer gerealiseerd werd, was ook een voorwaarde wou
de mens de mogelijkheid hebben om vanuit zijn aanvankelijke, nederige
positie tot het allerhoogste gevoerd te worden.
De philonische Logos neemt
dan a.h.w. drie
"vormen" aan:
a) vooreerst is hij het geheel van
(platonische) "idéai", of intelligibele
Vormen, maar dan als gedachten - dus:
"ideeën" -
in
Gods geest;
als zodanig fungeren ze als ideële modellen voor de schepping.
(31)
b) Vervolgens worden die gedachten Gods in een
eerste schepping veruitwendigd ("uitgesproken"), namelijk tot de
intelligibele kosmos (kosmos noètós),
als de wereld van een onbeperkt aantal, hiërarchisch
gestructureerde, spirituele wezens of krachten (in de Bijbeltaal: de
Engelen). Ook dít is de Logos, maar nu gepersonifieerd als
een wezen buiten God, en eraan ondergeschikt (in
bijbelse taal: hij is leider der Engelen, als Aartsengel). Hij is "Gods
Eerstgeboren Zoon", of de "Tweede God".
Als zodanig fungeert deze Logos ook als model en bemiddelaar tussen God
en de materiële schepping. Hij is bovendien het archetype van
de menselijke geest, d.w.z. de "eerste" of
"hemelse Adam".
c) Uiteindelijk neemt de Logos zijn
stoïcijnse, d.i. materiële gedaante aan en fungeert
hij als de Wereldrede, de immanente levenskracht én
rationaliteit van het zichtbare universum - van wat de Grieken dus de kosmos
noemden, d.w.z. de wereld als georganiseerde en gestructureerde eenheid
(het begrip was vreemd aan het judaïsme), zie in het vorige
hoofdstuk, over de stoïcijnse fysica (bv. kap. 3.2.2).
Door middel van deze immanente Logos openbaart (de transcendente) God
zich stap voor stap doorheen de menselijke (heils)geschiedenis (cf. de
bijbelse Jahwe).
Philoons Logosleer moest dus de kloof overbruggen
tussen God en de wereld. De overgang van eenheid naar veelheid, van
onveranderlijk naar veranderlijk, van immaterieel naar materieel, van
geestelijk naar zintuiglijk, enz. werd "denkbaar" gemaakt met behulp
van een ganse hiërarchie van middenwezens. Doordat die
verschillende niveaus in een causale, onderlinge relatie stonden, van
boven naar beneden, kon de zintuiglijke wereld verklaard worden als
voortgekomen uit God, zónder nochtans God rechtstreeks in
contact te brengen met de "onreine" materie.
Philoons
filosofisch-theologische constructie, met vooral zijn Logosleer, vormde
een belangrijke fase in de ontwikkeling van het platonisme: eerst van
het zgn. "midden-platonisme", daarna van het zgn. "neoplatonisme" (de
differentiatie tussen beide is weliswaar nogal artificieel).
Tegelijkertijd, echter, zou ze een sleutelrol spelen in het
toekomstige, christelijke
denken (cf. het Johannesevangelie,
Clemens, Origenes...), dermate zelfs dat Chadwick (1967:137) kan
schrijven dat "de geschiedenis van de christelijke filosofie
niet begint met een christen, maar met een jood". Philoon
heeft de latere christelijke auteurs vooral de weg getoond hoe een
monotheïstische religie en de Griekse "heidense" filosofie met
elkaar konden verenigd worden. Op de verdere ontwikkeling, daarentegen,
van het "eigen" joodse denken zou deze gehelleniseerde jood zo goed als
geen invloed uitoefenen (tenzij dan indirect, via het neoplatonisme en
de latere Arabische receptie ervan, op de middeleeuwse, joodse
filosofie).(32)
4. Het Platonisme.
Zoals hoger al aangestipt, kan in de 1e eeuw vK
de aanzet worden gevonden tot de vorming van een nieuwsoortig
"platonisme", als een half-religieuze, half-filosofische beweging, los
van en buiten de "akademische" traditie. Volgens de oudere visie,
weliswaar, zou deze ontwikkeling vrij snel, vanaf het einde van die
eeuw, op haar beurt een schools karakter hebben aangenomen, met de uitbouw van
een dogmatische doctrine. In de moderne literatuur wordt voor de
periode van de eerste twee eeuwen van onze tijdrekening traditioneel
gesproken van
"midden-platonisme", waarbij die uitdrukking te kennen
wil geven dat het om een doctrinale overgangsperiode zou gaan tussen de
eigenlijke hellenistische scholen (epicureïsme en
stoïcisme) en het latere, zogenaamde "neoplatonisme". In de
meer recente literatuur, daartegenover, wordt opgemerkt,
(a) dat het stoïcisme de dominante
school blééf tot in de 2de eeuw nK (de
theoretische productie ervan werd in de latere, platonische en
christelijke traditie geïntegreerd maar de teksten werden niet
bewaard, in onderscheid met de "praktische" geschriften van een Seneca,
Epiktetos en Marcus Aurelius); en
(b) dat de ontwikkeling van het platonisme
opvallend langzaam gebeurde: na Eudoros (zie
hieronder) en enkele tijdgenoten, rond de eeuwwisseling, is er in de
eerste helft van de 1e eeuw nK een opvallende "gap", wat
gekende namen betreft. In de 2de helft van die eeuw wijzigt zich die
situatie met figuren zoals Ploutarchos en Ammonios, maar pas vanaf de
2de eeuw worden we met een ruim aantal "platonici"
geconfronteerd, zoals: Albinos, Apuleius, Attikos, Kelsos (Celsus),
Gaius, Harpokratioon, e.a., maar ook een "neopythagoreër" als
Noumenios. (33)
De eerste naam die historisch opduikt na
Antiochos, is die van Eudoros van
Alexandrië, een generatie jonger dan Cicero (floruit
ca 25 vK). Hij vormde a.h.w. de "filologische fase"
van het nieuwe platonisme (dixit H.Dörrie),
d.w.z. hij greep terug naar (een aantal) dialogen van Platoon en stelde
doxografische, vereenvoudigende en schematiserende handboeken samen.
Van daaruit zou de overtuiging post vatten dat Platoon in zijn dialogen
inderdaad een samenhangende en systematische doctrine ontwikkeld had;
en dat het mogelijk was om, bij middel van een aangepaste selectie en
bespreking van sleutelpassages, de centrale dógmata
van diens leer op een min of meer toegankelijke
manier weer te geven: cf. de twee latere handboeken, bestemd voor het
onderwijs van beginnende studenten, die bewaard zijn op naam van
Alkinoös (in het Grieks) en Apuleius (in het Latijn). Er kwam
ook spoedig aandacht voor het uitgeven van Platoons teksten (cf.
Thrasullos, ook hofastroloog van keizer Tiberius), en de studie ervan
zou leiden tot het opstellen van commentaren. Op het
inhoudelijk-filosofische vlak werd daarbij onvermijdelijk ook heel wat
ander materiaal geïntegreerd, maar er werd wel enige afstand
genomen van de verregaande "stoïcisering" van Platoon door
Antiochos. Dat gold in de eerste plaats voor Eudoros: onder
pythagorische invloed (hij beschouwde Platoon als een erfgenaam van
Puthagoras) gaf hij een meer abstracte en speculatieve draai aan het
platonisme. Daarbij maakte hij het tot platonische standaarddoctrine
dat de menselijke finaliteit (telos) bestond in de
(mystieke) "gelijkwording aan God" (ὁμοίωσις
θεῷ).(34)
De latere gentleman-filosoof, Ploutarchos
van Chaironeia (geb. 45 nK), daartegenover, die een immens en
gevarieerd oeuvre bijeenschreef (waarvan het grootste deel verloren is
gegaan), besteedde heel wat energie aan een filosofische polemiek met
onder meer het stoïcisme (een 4-tal teksten daaromtrent zijn
geheel of gedeeltelijk bewaard).
4.1. Wat de algemene, filosofische
betekenis betreft van het nieuwe platonisme, zij moet niet enkel op het
doctrinale vlak worden gezocht (zie verder), maar ook op dat van de methodologie,
of de wijze waarop aan filosofie moest worden gedaan. In zijn al vermelde
studie, "Post-Hellenistic Philosophy"
(2001), argumenteert George R. Boys-Stones, dat het platonisme bovenal
een "shift" bracht inzake
filosofische methodologie, en dat de beslissende invloed die het gehad
heeft op de christelijke en latere, middeleeuwse filosofie, in de
eerste plaats dààraan moet worden toegeschreven.
Waaruit bestond die fundamentele "shift"? Kort
gezegd: in de terugkeer, "over" zo'n vierhonderd jaar filosofische
arbeid "heen", naar... Platoon. Dit was echter niet de "Platoon", die
in de eeuwen er voor bewonderd was als een groot of zelfs geniaal filosoof
("de Homeros onder de filosofen", had Panaitios hem
genoemd) en in wiens voetsporen men zelf aan filosofie wou doen - een
houding die gedeeld was door àlle laat-hellenistische
scholen: akademici, peripatetici, stoïci,
pythagoreërs... (met als uitzondering de epicureërs).
Neen, dit was "de goddelijke Platoon", wiens
geïnspireerde filosofie de Waarheid zélve
incorporeerde [reeds Panaitios en Poseidonios, zoals hoger vermeld, hadden het
woordje "goddelijk" gebruikt in verband met
Platoon, maar hadden dat allicht nog eerder overdrachtelijk bedoeld;
het algemeen kader van hun denken bleef wel degelijk
stoïcijns]. Anders gezegd: wat Platoon aan doctrines
verkondigde, was niet louter altijd waar, maar was noodzàkelijk
waar, als ging het om een geopenbaarde H.Schrift (cf. Origenes' kritiek
in die zin, in zijn repliek op diens aanval tegen het christendom, op
de platonist Kelsos). Het was bijgevolg mogelijk om filosofisch verder
te argumenteren vanuit Platoons uitspraken. Om het
met de technische term te formuleren, die precies voor die visie in de
latere, middeleeuwse Scholastiek zou worden gehanteerd: Platoon (zijn
filosofie, zijn teksten) gold voortaan als "auctoritas"
voor de Waarheid. Vanuit de klassieke visie op filosofie, als zoektocht
naar en "wetenschap van de waarheid" (cf.
Aristoteles, Metaphysica a, 993b20), kon nu gezegd
worden dat die waarheid al beschikbaar was,
namelijk in de teksten (dialogen) van Platoon. De kortste en zekerste
weg, daarom, naar het kennen en begrijpen van de waarheid - en dus: het
succesvol aan filosofie doen - lag in de studie en het onderwijs van
diens teksten.
Ten einde die visie te situeren, moeten we
vertrekken vanuit de hoger besproken stoïcijnse theorie van de
superieure, oude Wijsheid en de aanwezigheid ervan in mythologie en
poëzie (zie Poseidonios en Cornutus). De platonici namen die
theorie over, maar ze voegden er één premisse aan
toe, "which made all the difference in the world" (Boys-Stones,
2001:115): net zoals de stoïcijnen,
geloofden ze dat fragmenten van de oude Wijsheid inderdaad konden
herontdekt worden door een (allegorische) exegese van antieke
tradities, mythologieën, enz., maar en plus
geloofden ze dat die oude Wijsheid reeds in haar geheel gereconstrueerd
was door Platoon, in diens filosofie en teksten. Platoon zou
daartoe ook uitgebreide reizen hebben ondernomen en in de leer zijn
gegaan "bij de profeten": de Egyptenaren,
Indiërs, Magi, volgelingen van Zoroaster,
Feniciërs... Een tweede argument dat
hieromtrent een rol speelde, betrof het eveneens hoger vermelde,
skeptische Argument vanuit de Onenigheid (zie hoger). De platonici waren het
eens met de negatieve appreciatie van de meningsverschillen en
tegenstellingen tussen de bestaande, filosofische scholen (met hun vele
regionale varianten). Hùns inziens, echter, was die kwalijke
toestand pas ontstaan nà Platoon, en wel omdat latere
filosofen uit ijdelheid, twistziekte, enz. hadden gemeend te moeten
innoveren en dus doende Platoons filosofie verlaten hadden. Aangezien,
zoals gezegd, alle laat-hellenistische scholen (met uitzondering van de
epicureërs) zich inderdaad op Platoon beriepen, had dat
argument van de platonici een reële overtuigingskracht.
Tegelijkertijd vormde het - binnen de tijdscontext - een doeltreffend
antwoord op het skeptische stelling, dat de waarheid onvindbaar zou
zijn: er was nu wel degelijk een unifiërende, "objectieve"
standaard gegeven, die het mogelijk maakte de heersende, filosofische "diafonie"
te overstijgen, namelijk dank zij (de studie en interpretatie van) het corpus
Platonicum.
Het verklaart allicht mede (naast de ideologische
en religieuze ontwikkelingen, met de vraag naar een transcendente God,
het geloof in een wereld van geestelijke wezens, de drang naar
verlossing uit deze wereld en het geloof in een hiernamaals) waarom
vanaf de tweede helft van de 3de eeuw zo goed als àlle
filosofen voortaan een of andere vorm van platonisme zouden aanhangen:
aristotelisme, stoïcisme, epicureïsme en skepticisme
verdwenen als actieve bewegingen; wel werd aristotelisch en
stoïcijns gedachtegoed voor een deel geabsorbeerd binnen dat
platonisme, bv. bij Plotinos, ondanks de geformuleerde kritieken. De
groeiende dominantie van het christendom zou die ontwikkeling alleen
maar verder in de hand werken (M.Frede, in: Algra, 1999:793).
4.2. De zo net besproken methodologische
vernieuwing zou voortaan gelden voor alle volgende, platonische
filosofen: d.w.z. ook voor Plotinos, Porphurios, enz. (NB andere,
"oude" filosofen, zoals Aristoteles en Puthagoras, deelden in zekere
mate in die autoriteitsidee, op basis van hùn kennis van de
oude Wijsheid; vooral Aristoteles zou uitdrukkelijk
geïntegreerd worden in het latere platonisme, als een
autoriteit althans op het vlak van logica en fysica). Op dit punt lijkt
er dus inderdaad geen reden om een onderscheid te maken tussen
"midden-" en "neoplatonisme" (Boys-Stones). Op het inhoudelijke of doctrinale vlak,
daarentegen, lijkt er wél een evolutie merkbaar te zijn
(namelijk naar synthese toe), die pas haar volle beslag zou krijgen met
Plotinos.
Het programmatische "uithangbord" van de nieuwe,
platonische school was "de zoektocht naar God".
Illustratief hiervoor is het getuigenis van de christelijke apologeet,
Justinus (ter dood gebracht rond 165 nK), in zijn Dialoog met Truphoon.
Hij vertelt er hoe hij in zijn zoektocht naar God, na vergeefs
aangeklopt te hebben bij een stoïcijn, een peripateticus en
een neopythagoreër, tenslotte bij een platonist terecht kwam.
Die laatste deed hem eindelijk de verwachting koesteren, "spoedig
God te zullen zien, want dat is het doel van de platonische filosofie".
In het platonisme ten tijde van Justinus werd
precies voor het eerst de doctrine ontwikkeld van de "drie
wegen" om tot (kennis van) God te komen, die later zou worden
overgenomen door de christelijke middeleeuwers: (1) de weg van de
abstractie of "negatie" (in de eerste plaats van al het lichamelijke en
materiële), d.i. de via negationis; (2) de
weg van de analogie (bv. de analogie tussen God en zon: zie reeds de
platoonse
Politeia), d.i. de via analogiae; (3)
de weg van het opklimmen naar steeds volmaaktere vormen (zie reeds in
Platoons Symposium:
van de lichamelijke schoonheid van één jongeling,
naar die van vele jongelingen, vervolgens naar de geestelijke
schoonheid van de deugden, de wetenschappen, enz.), d.i. de via
eminentiae.
Meer inhoudelijk werd een belangrijke stap gezet
in de richting van het neoplatonisme. Met name door de integratie van
aristotelische elementen (bv. Aristoteles' opperste beginsel als
noûs of Intellect) evenals pythagorische (bv. de
leer van de Monade, of het supreme Ene), kwam men dichter bij de
constructie van een transcendent beginsel. Hoewel nog aan het hoofd van
de zijnshiërarchie (en dus niet volledig transcendent), was
het toch niet zelf betrokken bij de schepping van en het dagelijks
bestuur over de kosmos. Behalve "(eerste) God",
werd het ook "het Goede", "het Ene" en, vooral,
het "Eerste Intellect" (ho
prôtos noûs) genoemd. Die opperste geest
kreeg dan Platoons Vormen als denkinhouden, d.w.z. als "ideeën"
(cf. reeds Philoon). Van dat zuivere, "onbewogen"
Eerste Intellect werd vervolgens een "Tweede Intellect" of
"Tweede God" onderscheiden als de
eigenlijke demiurg. In onderscheid met de eenheid van de Eerste, is de
Tweede tweevoudig gericht:
naar "omhoog", ter contemplatie van de Eerste, en naar "omlaag", ter
besturing van de kosmos. In die laatste hoedanigheid kon hij als een "Derde
God" worden beschouwd, die, als zogenaamde Wereldziel, in
zekere zin samenviel met de kosmos.
Op basis van (vooral allegorische) interpretaties
van platoonse dialogen werden aldus tussen de opperste God en de
menselijke ziel de nodige bemiddelaars geconstrueerd en werd aan het
menselijke bestaan een bovenaardse zin en perspectief gegeven: de
ziel-in-bestaansnood kreeg een hemels vaderland toegewezen,
én tegelijkertijd kreeg ze een "kaart" voor de terugreis. De
belangrijkste etappes van die terugreis vielen samen met de "staties"
van de kosmische dialectiek, d.w.z. met het dynamisch proces van
neerdaling en opstijging waarmee het Opperste Beginsel zichzelf
realiseerde (vooral: via de planeten en hun sferen, in een geocentrisch
wereldbeeld). Het gegeven dat dat kosmische scheppings- en
structureringsproces eigenlijk geestelijk of
intellectueel van aard was (de voornaamste fasen ervan zijn de
verschillende vormen van het kenproces: de intuïtieve van de
geest of het intellect (noûs); de
discursieve van de rede (lógos); de
empirische of zintuiglijke (aísthèsis),
en terug), gaf aan de menselijke ziel a.h.w. de zekerheid dat
"verlossing" inderdààd mogelijk was voor haar.
Die verlossing was immers onderdeel van een kosmisch proces dat
zélf "psychisch" van aard was.
Die
wezenlijke samenhang tussen het kosmische proces en de lotgevallen van
de individuele ziel blijkt goed uit de volgende passus bij Noumenios
(fr. 12). In de passus wordt een allegorische interpretatie van
platoonse passages gecombineerd met mythologische en astrologische
voorstellingen (cf. de sterren in de Melkweg werden door Noumenios
beschouwd als even zovele zielen):(35)
"Laten we als onbetwistbaar doen
gelden dat de Eerste God [i.e. Ouranós, of het
sterrenfirmament] geheel en al werkeloos en koning is, maar
dat het de demiurgische god is die de leiding heeft, terwijl hij door
de hemel trekt [i.e. Zeus/Jupiter; cf. Platoons Phaedrus). Doorheen
die hemel gaat ook onze tocht, wanneer het intellect omlaag wordt
gezonden, in discursie [i.e. de discursieve rede], voor
al degenen die voorbestemd zijn om erin te participeren [i.e.
de lagere sferen en de mensen]. Wanneer de god dan (omlaag)
kijkt en gekeerd is naar ieder van ons, dan valt het de lichamen ten
deel om te leven en te herleven, terwijl de god er
zorg voor draagt met zijn bliksemschichten [cf. Zeus]. Maar
wanneer de god zich afwendt (omhoog) naar zijn observatiepost
[(i.e. Kronos/Saturnus; cf. Platoons Politicus],
dan dooft dat alles uit; het intellect, echter,
leeft en geniet van het gelukzalig leven".
5. Het Gnosticisme.
Met zijn belofte, de door bestaansnood gekwelde
mens naar zijn "verlossing", en dat wil zeggen, de gelukzaligheid van
de visio Dei te zullen voeren, oefende het
platonisme onmiskenbaar een religieuze aantrekkingskracht uit. In
tegenstelling echter tot de eigenlijke, religieuze sekten en culten,
die de klemtoon volledig legden op de magisch-religieuze praxis:
rituelen allerhande, sacramenten, bezweringsformules, exorcismen, enz.,
vergde de platonische weg naar God de theoría, de
filosofische contemplatie, en de "intellectuele
voortreffelijkheden", dus studie en wetenschap (zie Peters,
1972:676). Wie deze filosofisch-religieuze weg wou bewandelen, moest
zich onder meer ook een filosofisch-wetenschappelijk wereldbeeld en een
erg gespecialiseerde, filosofische taal eigen maken. Het gevolg was
onvermijdelijk dat de spirituele aantrekkingskracht van het platonisme
beperkt bleef tot een eerder kleine, gecultiveerde bovenlaag.
In dezelfde eeuwen, echter, als het
midden-platonisme en terwijl de andere scholen uit het gezichtsveld
verdwenen (dat geldt bv. voor de Stoa, als school, vanaf het midden van
de 3de eeuw), poogde ook een ander, meer complex en meer extreem,
religieus-filosofisch fenomeen een antwoord te bieden op "de
vertwijfeling over het eigen bestaan die zich vanaf het
begin van de hellenistische beschaving van de Grieks sprekende mensheid
meester was gaan maken":(36)
namelijk het gnosticisme.
Vooraleer de bespreking aan te vatten van de
laatste, dialectische systeemdenker van de (niet-christelijke) oudheid,
namelijk Plotinos, lijkt het nuttig even stil te staan bij dat fenomeen
- te meer omdat de gnostische "sirenezang" ook op
hem enige aantrekkingskracht lijkt te hebben uitgeoefend.
Het primum movens van het
"gnosticisme",(37) zo luidt
althans de hedendaagse communis opinio, was de christelijke
verkondiging. Gegrepen door een extreme vorm van bestaansnood - huns
inziens was er voor de gewone mens géén uitzicht,
noch in dit, noch in een later leven -, beoogden de gnostici het
christelijke geloof (pistis) om
te zetten in een christelijk "wéten", d.w.z.
een
"gnosis" die
als zodanig de verlossing uit dit bestaan zou realiseren.
In de literatuur, daarom, wordt het gnosticisme soms getypeerd als "de
eerste poging om tot een christelijke godsdienstfilosofie te komen".(38) Typisch voor heel wat
gnostische sekten is ook dat ze, in het verlengde van het
(ultra)paulinisme, de tegenstellingen tussen christendom en jodendom op
de spits gingen drijven. In de teksten van de gnosticus (tevens
briljant redenaar en dichter)
Valentinus bv. (ca
100-160; opgeleid in Alexandrië, kwam hij rond 140 nK naar
Rome), die wel eens "de
grootste gnosticus aller tijden" wordt genoemd, vinden we
tientallen citaten uit Bijbel en Evangelies. Zij worden op zo'n manier
geïnterpreteerd dat "ze tot voertuig van gnostische
overtuigingen worden gemaakt" (Sinnige, 1981:40). Kern van
zijn leer was dat in de mens een goddelijke vonk sluimerde, die door
Christus werd gewekt. Zie nu de publicatie van Gilles
Quispel: Valentinus, de gnosticus, en zijn Evangelie van de
Waarheid (uitg. In De Pelikaan, Amsterdam 2003, zie voor meer
info URL:
http://www.ritmanlibrary.nl/c/p/pub/av/av_14.html ).
Ondanks de judeo-christelijke oorsprong ervan,
was er vanzelfsprekend een wezenlijke inbreng, in het gnostische
project, van de Grieks-filosofische, meer in het bijzonder platonische
tradities.(39) Weliswaar betrof
het in de eerste plaats de ideeën en sentimenten van wat hoger
de "platonische Onderwereld" werd genoemd. In
onderscheid, daarom, met het eigenlijke platonisme, presenteerde de
gnostische systemen zich als een combinatie van filosofische en
mythologische religiositeit. Anders gezegd, de vorm die de gnostische
speculaties aannamen, was niet die van het zuivere (filosofische)
begrip of van de filosofische systematiek, maar die van een vaak
fantastische, al dan niet metaforisch bedoelde, mythologisering.
Vandaar dat het gnostisch emanatieproces
doorgaans bijvoorbeeld met paren van goddelijke personen werkt, alsook
met het schema van de biologische voortplanting.
De vervreemdingsproblematiek, anders gezegd, werd
niet gepresenteerd middels een onpersoonlijke, metafysische dialectiek,
maar in de gedaante van een reusachtig kosmisch drama
(Plotinos, in
zijn polemiek met de gnostiekers, Enneaden,
II.8, V.8, V.5 en II.9, zal het hebben over "deze tragedie
der verschrikkingen"). Hoe dan ook, binnen het kader van de
typisch gnostische religiositeit zijn enkele grote figuren, zoals de al
genoemde Valentinus alsook Basilides
(1e helft van
de 2de eeuw, eveneens Alexandrië; de oudste gnosticus die we op basis van
betrouwbare bronnen kennen), erin geslaagd een aantal, minder of meer samenhangende
systemen te ontwikkelen. Het gnosticisme oefende
een grote aantrekkingskracht uit, met name op de geletterde christenen
uit de
betere klassen, die aanstoot namen aan sommige delen van de Bijbel en
aan het simplisme van de ongeletterde gelovigen (deze laatsten vonden
wat ze "nodig" hadden, in de leer van de "katholieke" kerk; Chadwick,
1967:167). Tal van kerkelijke auteurs uit de
eerste generatie van de Patristiek (de zogeheten "Apologeten")
maakten van de strijd tegen de gnostiekers een
prioriteit. Typisch in die katholieke "Weerlegging en
onthulling van wat
valselijk 'gnosis' wordt genoemd" - zoals bv. de titel luidt
van het boek van Irenaios, 2de eeuw, bisschop van Lyon - was de bewering of
these dat "ketterse", gnostische sekten of kerken
terug te voeren waren op de "heidense", Griekse filosofie.
Het gemeenschappelijke stramien van de gnostische
systemen kan heel schematisch als volgt worden samengevat (vooral
vanuit het oogpunt van het zgn. valentinianisme). Uitgangspunt is de tegenstelling (eventueel: een fundamenteel dualisme)
tussen geest (pneûma) en stof (hulè),
tussen licht en duister. Het neemt typisch de vorm aan van een kloof
tussen God
en wereld, of beter: tussen het goddelijke Plèroma
(letterlijk: de "volheid" van het
geestelijke zijn) en het
Kénoma (letterlijk:
de "leegte"), d.w.z. de stoffelijke kosmos,
bestuurd door boze geesten (cf. de planetensferen). Bovenaan in het
Pleroma staat de volmaakte, alle begrip overstijgende Oergrond of "Vader"
(in het valentianisme wordt hij metaforisch daarom ook wel "Afgrond"
of "Diepte", Grieks:
Buthós, genoemd; Basilides heeft het over "de onzijnde God"). Ofwel wordt hij als androgyn, man-vrouw, beschouwd, ofwel wordt naast hem een vrouwelijke godheid
geplaatst, die o.m. "Moeder" en "Stilte"
(Sigè) wordt genoemd. Uit de seksuele eenwording
van dat eerste ouderpaar (alternatief: uit de tweeslachtigheid van de
ene oergod) wordt een tweede koppel geboren: "Intellect"
en "Waarheid"; daaruit dan weer "Lógos"
en "Leven"; daaruit "Mens" (Anthropos)
en "Kerk", enz. (Basilides heeft het over een drievoudige "filiatie",
die voortkomt uit het kosmische "zaad"). In het valentinianisme krijgt men
aldus 30 zogenaamde "Aionen" ("Eeuwigheden"),
waaronder ook Christus en de H.Geest, waarbij deze laatste vaak als
vrouwelijk werd begrepen (met dan eventueel een Drievuldigheid
bestaande uit: God de Vader, Godin Moeder en de Zoon). Ook tal van
andere begrippen
uit platonisme en Nieuw Testament konden in dit kader tot allegorie
worden gemaakt. Al
deze hypostasen samen vormen het al genoemde Plèroma,
d.w.z.
de "volheid (van god)".
De schepping van
de materiële of lichamelijke kosmos is dan
(gewoonlijk) niét het werk van de hoogste godheid, maar was
het gevolg van een crisis binnen het Pleroma: de laatstgeboren Aioon, Sophía,
of "Wijsheid" (in het
Hebreeuws: Hokma, cf. de Wijsheidsboeken in de
joodse Bijbel:), wou zich in haar overmoed (tolma)
incestueus verenigen met de Oervader (alternatief: wou uit zichzelf
alléén baren). Zij (of een lagere emanatie van
haar) stortte daardoor in de duisternis van het kenoma
en gaf geboorte aan de boosaardige demiurg of schepper. In
verschillende sekten (bv. die van de nikolaïeten, de ophieten
of naässeners, bij Basilides, Markioon, e.a.) werd die
kwaadaardige, jaloerse en "onwetende" (of "blinde")
demiurg - die zich in zijn verwaandheid als de
"énige God" presenteerde - vereenzelvigd met de
joodse
Jahwe, die met zijn Wet de wereld tiranniseerde.(39bis)
De schrik en verbijstering van Sophía, haar berouw en
terugkeer, vormen de oorzakelijke factoren in de kosmogonie:
"(haar)
emoties worden tot substanties; haar verbijstering en radeloosheid
condenseren tot de vier elementen, haar schrik en vrees worden tot het
levensbeginsel van mensen en dieren" (Sinnige,
1981:42).
Door de val en
de omzwervingen van Sophía
is een vonk van het Pleroma, het pneûma,
of de geest, opgesloten in de wereld van het kwaad, namelijk in de
mensen, of althans in sommige mensen (d.w.z. in hun lichamelijkheid,
geschapen door Jahwe): die mensen zijn daardoor zelf "geworpenen
in de wereld". Ten einde dat pneûma
te verlossen, en dus een eind te stellen aan de macht van Jahwe, is de
Aioon Jezus-Christus naar omlaag gezonden (hij is dus niet de zoon van
Jahwe). Hij heeft de verlossing in gang gezet door "schijnbaar"
de kruisdood te sterven.(40)
Het éigenlijke verlossingswerk, nochtans, resulteert uit de "gnosis" die
door J-C aan enkele uitverkorenen geopenbaard is. Als een
intuïtief weten van een
hogere orde, wekt zij in de geïnitieerde mens het besef op van
zijn pneumatische natuur (via het inwijdingsritueel, heeft hij het
charisma verworven van directe inspiratie door de Heilige Geest). Zij stelt hem
aldus in staat zich op
eigen kracht - d.w.z. zónder de bemiddeling van
priesters en bisschoppen (die in feite slechts de kwalijke demiurg
vertegenwoordigen) - te bevrijden van de macht van die demiurg en terug
te keren naar de Vader, d.w.z. zijn geestelijke thuis, "waar
hij vandaan kwam". Hier - in het sacrament van de "verlossing"
(Lat.: redemptio, Grieks: apolútrosis,
letterlijk: het
zich vrijkopen) - lag allicht het meest bedreigende aspect, vanuit
kerkelijk oogpunt, van alle gnostiek.(40bis)
Verschillende sekten zouden in dat verband twee
of meer klassen van mensen onderscheiden, waarbij die van de zgn. pneumatikoí,
of "geestelijken", de
elite vormde. Voor Basilides vielen deze pneumatikoi, als de "Zonen
van God", samen met de derde "filiatie". De valentinianen onderscheidden drie
klassen: de
"pneumatische" mensen, die door Jesus-Christus de volmaakte
zaligheid verwerven; de "psychische" (psuchikoí)
die door hun "werken" (praxis) een partiële zaligheid zullen
kennen (zij blijven bij de demiurg, in het midden), en de "choïsche"
of "hylische", d.w.z. "aardse"
of "stoffelijke" mensen, die
géén geest bevatten en derhalve verdoemd zijn.
Op het vlak van levenswijze en moraal, gaven
sommige sekten vermoedelijk blijk van een verregaand libertinisme,
op seksueel en ander gebied (cf. de
beschuldigingen vanwege christelijke auteurs, maar ook vanwege
Plotinos). Dat werd geargumenteerd b.m.v. de strijd die moest gevoerd
worden tegen de Wet van de boosaardige Jahwe, die de mensen in een
toestand van slavernij wou houden. Sinnige (1981:38) merkt hierbij op:
"de verlossingsgedachte functioneert in een dergelijke context als een
rationalisatie van rebelse impulsen" (zie onmiddellijk
verder). Maar er dient te worden opgemerkt dat het extreme dualisme van
het gnosticisme - dat men niet aantreft in de platonische traditie -
nog vaker tot ascese, seksuele onthouding en wereldvlucht leidde.
Sterk vereenvoudigd, en zonder rekening te houden
met de vele verschillen tussen de (vele tientallen) sekten, mogen we
het "klassieke gnosticisme", zoals het zich vestigde in de eerste twee
eeuwen, samenvatten als "een anti-joodse, dualistische
interpretatie van het verlossingswerk van Jezus" (aldus
Peters, 1972:656).
Wat nog de mogelijke maatschappelijke origines
betreft van deze "intellectuelenreligie" (Max
Weber), en het verband dat wellicht bestaat met de politieke
onderdrukking van de elites in Klein-Azië, Egypte, enz., volg
ik de interpretatie van H. Kippenberg.(41)
Het fundamentele gegeven in de gnostische systemen was dat alle macht -
de macht van de demiurg, van de Engelen, de "Machten"
en "Heerschappijen" - negatief gewaardeerd
werd, namelijk als "geüsurpeerde, boze macht, die de
mens tot slaaf maakt". Volgens Kippenberg moet dat begrepen
worden als een projectie van de wijze waarop het Romeinse imperium door
deze gemarginaliseerde groepen ervaren werd (cf. ook de verwoesting van
Jeruzalem, met vele duizenden slachtoffers, door de Romeinen in 70 nK).
Samenvattend concludeert Kippenberg (ik vertaal):
"Macht
en heerschappij zijn voor de gnostici leidende begrippen om een
kosmisch dwangsysteem te creëren. Het wezen van de demiurg
bestaat er juist in dat hij de mens in afhankelijkheid houdt... Het
kosmische model dat de gnosticus ontwerpt, lijkt mij de projectie te
zijn van een welbepaalde, maatschappelijke beoordeling: de afwijzing
van het autoritaire, Romeinse bestuur".
6. Plotinos (Πλωτῖνος)
De traditie van het Griekse rationalisme - die,
weliswaar in aangepaste vorm, wel degelijk voortleefde in het
platonisme, met integratie ook van aristotelische, stoïcijnse
en pythagorische elementen - vond haar laatste, indrukwekkende
filosofische expressie in de 3de eeuwse figuur van Plotinos
[in het Grieks valt de klemtoon op de "i"], ca 204-270.
De 3de eeuw was een periode van
diepgaande crisis voor het Romeinse imperium. Bijna alle rijksgrenzen
gingen begeven onder de druk van de "barbaren". Er waren voortdurende
machtswisselingen aan de top (in de tweede helft van de eeuw tellen we
25 keizers in slechts 47 jaar, waarvan er slechts
één in zijn bed stierf). Ook economisch ging het
van kwaad naar erger: de geldeconomie stortte in elkaar, enz. Hoewel in
bevoorrechte gebieden en steden rond de Middellandse zee het leven zijn
normale gang ging, was het in het algemeen een periode van sociale
ellende, verarming en onveiligheid. Niet ten onrechte wordt in
Porphurios' gedicht op Plotinos' ziel, in zijn Plotinosbiografie
(§22), gesproken van "de bittere baren... van het
bloedige mensenbestaan". Terwijl het zogenaamde paganisme,
met zijn ontelbare lokale culten, een sterke achteruitgang te zien
gaf, hoofdzakelijk ten gevolge van het wegvallen van de overheidssteun,
kende het christendom een groeiende toeloop. Zoals
één van de gezaghebbende historici het formuleert:(42) "een christen te
zijn, in 250, bood meer bescherming vanwege je medemensen dan een civis Romanus
te zijn".
6.1.
"Plotinus, de
filosoof die in onze tijd leefde, leek zich te schamen in een lichaam
te zijn. Omdat hij zo'n instelling had, kon hij het niet verdragen over
zijn afkomst of zijn ouders of zijn vaderland te vertellen".
Aldus de opening van Porphurios'
Plotinosbiografie. Verderop
(§2) schrijft hij dat Plotinos
"noch de maand waarin
hij geboren is, noch zijn geboortedag... aan iemand heeft verteld,
omdat hij niet wilde dat iemand op zijn verjaardag zou offeren of
feestvieren".
Geen wonder, dus,
dat we niet erg omstandig geïnformeerd zijn over Plotinos'
leven (cf. de volledig tegenovergestelde houding bij een Epikouros!).
Gelukkig is er Porphurios' biografie.
Plotinos werd geboren in 204 (of 205) in Egypte,
vermoedelijk in de stad Lycopolis. Op latere leeftijd, hij was dan al
achtentwintig jaar, ging hij in Alexandrië filosofiecolleges
volgen bij Ammonios Sakkas. Deze Ammonios, die geen
geschriften heeft nagelaten, wordt soms de "Sokrates van het
neoplatonisme"genoemd; eerder had hij al de christelijke
kerkvader, Origenes, onder zijn leerlingen geteld. Plotinos, die
gedurende zijn gehele leven goede relaties onderhield met leden van de
Romeinse senatoriale adel (zijn naam is mogelijk een laat-Latijnse vorm
van de naam Plautinus), vergezelde in 243 zijn vriend, keizer
Gordianus, op diens veldtocht naar het Oosten, uit (de nu al
traditionele) belangstelling voor de "oude", Perzische en Indische
wijsheid (§3). De veldtocht werd een fiasco (ook deze, nog
jonge keizer verloor het leven in de strijd tegen de Perzen), en
Plotinos ontkwam, via Antiochië, naar Rome,waar hij rond zijn
veertigste jaar een bescheiden en eerder informele, filosofische school
opende. Opvallend is dat hij ook de zorg op zich nam van
(aristocratische) weeskinderen en dat zijn school, of filosofische
gemeenschap, ook (aristocratische) vrouwen aantrok (Leven,
§9). Een misschien wat naïeve poging om in
Campanië een filosofenstad, "Platonopolis", te
stichten, liep op niets uit, ten gevolge van intriges aan het
keizerlijke hof (§12). Nog altijd volgens Porphurios'
biografie (§2), tenslotte, had Plotinos vaak last van
ingewandsstoornissen, leidde hij een vegetarisch leven, en nam hij
nooit een bad (hij liet zich wel dagelijks masseren). Op het eind van
zijn leven leed hij aan acute difterie, had hij last van een
(astmatische?) aandoening van de luchtwegen, ging zijn zicht erg
achteruit en kwamen zijn handen en voeten onder de zweren te zitten
(§2).
Naar het voorbeeld van Sokrates en zijn eigen
leermeester Ammonios, zette ook Plotinos zijn filosofische opvattingen
in eerste instantie slechts mondeling en "interactief" uiteen (zoals
dat vandaag heet; Porphurios, in §3, is kritischer en gewaagt
van: "erg chaotisch"), voor een kleine en intieme
schare van leerlingen. Uitgangspunt, zoals algemeen voor het
laat-antieke filosofieonderricht, vormde de lectuur en bespreking van
de klassieke teksten, in de eerste plaats die van Platoon, als
filosofische "autoriteit" (zie hoger, kap. 6.1). Vragen en opmerkingen
van toehoorders gaven aanleiding tot minder of meer lange exposees. Pas
op latere leeftijd gaf Plotinos de toelating dat er notities werden
genomen, en zette hij zichzelf aan het uitschrijven. Dat gebeurde
echter niet met de bedoeling een systeem uiteen te zetten. Zijn
leerling en vertrouweling, de Feniciër Porphurios
(ca 232-304;
Plotinos, zo vertelt Porphurios zelf, wist hem af te brengen van
zelfmoordplannen), heeft, enkele tientallen jaren na Plotinos' dood, de
uitgave verzorgd van 54 dergelijke collegeteksten. Ze werden niet
chronologisch gerangschikt maar thematisch, en wel in zes groepen van
telkens negen teksten: vandaar de benaming ervan als "Enneaden" (enneàs
is het
Griekse woord negental). Porphurios schrijft dat hij zich liet
inspireren door de Andronikosuitgave van het werk van Aristoteles (1e
eeuw v.o.t.). Overeenkomstig dus de toenmalige indeling van de
filosofie (maar zonder de logische propedeuse), was de volgorde der
Enneaden die van de spirituele vooruitgang: de eerste Enneade
groepeert geschriften met een ethisch karakter; de tweede en de derde,
vervolgens, die welke betrekking hebben op de zintuiglijke wereld; de
vierde,
vijfde en zesde betreffen de goddelijke principes: de ziel, het
Intellect en het Ene. De vierde Enneade bv. bevat
alle traktaten over de ziel (psuchè). Ook
in de moderne uitgaven is die indeling bewaard; wel wordt bij het
citeren, na de overgeleverde nummering, ook vaak het cijfer van de
chronologische orde nog tussen haakjes toegevoegd: bv. III, 5 [50], "Over
(Eros, de god van de) liefde". De gehele verzameling van 54
traktaten, voorafgegaan door Porphurios' inleiding, "Over het
leven van Plotinos en de indeling van zijn traktaten", werd
voorbeeldig in het Nederlands vertaald door Rein Ferwerda
(Baarn-Amsterdam 1984).
6.2. Zoals reeds opgemerkt, ontwierp
Plotinos het laatste grote denksysteem van de oudheid, ook al was hij
dan zelf geen systematisch denker (vergelijk met Platoon). In de (hoge)
appreciatie ervan door de mediëvist, D.Knowles,(43) gaat het om een systeem dat
"vollediger is en logisch sterker
samenhangt dan om het even wat in het werk van zijn voorgangers; in
vele opzichten is het een diepzinniger en meer bevredigend antwoord op
de grote problemen van het denken dan gegeven wordt door gelijk welke
andere antieke filosoof".
Behalve de zelfevidente, platonische inbreng,
zijn ook Aristoteles (bv. het natuurbegrip, het hylemorfisme,...) en de
Stoa (Lógosleer en de goddelijke immanentie in de kosmos...)
op een prominente, zij het vaak ook kritische wijze
geïntegreerd in dat systeemontwerp.
Toch was ook Plotinos een kind van zijn tijd, en
kan van zijn filosofie gezegd worden dat ze "een -
intellectuele zowel als ethische - religie is" (Knowles,
ibidem). "Bekering", daarom, van zichzelf zowel als van de anderen, en
"prediking" lagen hem nauwer aan het hart dan het streng
analytisch-discursief uitwerken van zijn systeem.(44)
Het is (ook) hem, anders gezegd, niet louter te doen om het
intellectuele begrip van een gedachtegang, maar ook, zo niet vooral, om
de praktische toepassing, d.w.z. "om de vertaling van de
gedachte in een levenshouding, in een ethos".(45) Ik herinner aan wat al eerder
gezegd werd over het nauwe samengaan van filosofisch discours en
filosofische bíos. Vergeleken echter
met Platoon (en Aristoteles), bij wie we ook die praktische bekommernis
aantroffen, geeft Plotinos blijk van een filosofisch blikveld dat veel
beperkter is: de politiek-maatschappelijke aspecten van dat ethos
blijven buiten beschouwing, en de platoonse politieke filosofie
ontbreekt in haar geheel. Met enige overdrijving, zou je kunnen stellen
dat de gehele filosofische activiteit van Plotinos was toegespitst op
de (bekering van de) menselijke innerlijkheid (zie § 6.4).
De maatschappelijke verklaring voor die compleet
apolitieke houding moet in het geval van Plotinos ongetwijfeld gezocht
worden in de bureaucratische en verregaand militair-despotische
bestuursvorm van het laat-Romeinse imperium, die de politieke rol van
de (hoe langer hoe meer nominale) "burger" (civis
Romanus) sterk had ingeperkt.(46)
6.3. Welke diepgaande evolutie de
Griekse filosofie bij Plotinos had doorgemaakt, sedert Aristoteles, komt
duidelijk tot uiting wanneer we beider visie vergelijken op de relatie
tussen "theorie" en "praxis".
Voor de Stagiriet was "theoría" - d.w.z.
de "schouwende" activiteit van het verstandelijk
vermogen an sich, en als zodanig de specifieke
activiteit van de filosoof - al bij al nog steeds "een soort
van praxis" (Politica,
VII, 1325b21). Bij Plotinos, daarentegen, heeft de verhouding zich
omgedraaid: het menselijke handelen in het algemeen - d.w.z. praxis,
moreel handelen, zowel als poíèsis,
het (eventueel artistiek) "vervaardigen"
- "is theoría" (Enn III, 8,
3). Of nog extremer: praxis, voor Plotinos, is
slechts "een schaduw", "een verzwakte vorm" of "een
nevenverschijnsel van theoría", ibidem,
§4 (vertaling van Ferwerda):
"... mensen scheppen, wanneer zij
zwak zijn in het schouwen, een schaduw van schouwen en denken, namelijk
de handeling. Want omdat het schouwen hen vanwege de zwakte van hun
ziel niet bevredigt, en zij het voorwerp van het schouwen niet op
bevredigende wijze kunnen grijpen, en er daarom niet door vervuld
worden, nemen zij, daar ze wel begeren het te zien, hun toevlucht tot
handeling (praxis), opdat ze toch (zouden) zien wat ze met hun geest
niet vermogen te schouwen... Overal dus zullen we merken dat doen en
handelen óf een zwakte van het schouwen is óf een
nevenverschijnsel...".
M.a.w., bij Aristoteles was, ondanks zijn model
van contemplatieve of filosofische levenswijze (de bíos
theorètikós; soms heeft hij het in dat
verband ook over de bíos xenikós, de
"levensvoering van de vreemdeling":
Aristoteles wàs natuurlijk een vreemdeling, in Athene), toch
nog het besef aanwezig van een prioriteit van het maatschappelijk
handelen, van de praktijk: immers, "de mens is naar natuur
een poliswezen". Daartegenover kunnen op Plotinos de bekende
woorden van K.Marx en F.Engels, in Die deutsche Ideologie
(SUN-vertaling, p. 32), zonder enige restrictie toegepast worden,
namelijk dat in zijn filosofie
"het bewustzijn zich
wérkelijk (is gaan) inbeelden, iets ànders te
zijn dan het bewustzijn van de bestaande praktijk; wérkelijk
iets voor te stellen zonder iets wérkelijks voor te stellen".
Om het minder polemisch te formuleren: hoewel
Plotinos erkent dat de mens ook door zijn handelingen deel heeft aan
het beginsel van de werkelijkheid, loopt de weg naar de opheffing van
de menselijke vervreemding - in religieuze taal: de verlossing -
helemaal niet meer via een politiek-maatschappelijke praxis:
"De weg van de verlossing is
wezenlijk een weg van contemplatie, waarin de eenzame ziel door de
verschillende stadia van het zijnde te doorlopen opstijgt naar haar
thuisland en haar oorsprong" (Baumeister, 2001:78).
Voor een autonome "praktische filosofie"
à la Aristoteles was er bij Plotinos geen theoretische
ruimte meer. Bij Aristoteles beschikte de maatschappelijk-morele praxis
over een eigen finaliteit en rationaliteit, los van de theorie; bij
Plotinos is ze volledig ondergeschikt gemaakt aan de (mystieke)
hereniging met het goddelijke, en dus aan de theologie. Zoals hij zelf
schrijft in Enn
II, 9, 15 (Ferwerda, p. 238):
"Als de deugd in onze ziel wordt
geboren met bezonnenheid, en voor ons uit op weg gaat naar het hoogste
levensdoel, openbaart ze god".
Volledigheidshalve, nochtans, moet worden
opgemerkt dat het voorgaande ook impliceert dat theoría
bij Plotinos nooit louter "theorie" is: het
filosofisch discours is onverbrekelijk verbonden
met een filosofische levensvoering, d.w.z. een
morele en mystieke ervaring en praktijk. Zoals het laatste citaat
besluit:
"zonder waarachtige deugd, echter, is
de 'god' waarvan gesproken wordt, slechts een woord".
6.4. Een opvallend gegeven in Plotinos'
filosofie, vergeleken met de vroegere systemen, is de veel grotere
betekenis die hij hecht aan de menselijke subjectiviteit en
zelfervaring. Eigenlijk was hij de eerste filosoof om over het
menselijke bewustzijn te beginnen spreken - waarmee dus "een
geweldige stap voorwaarts(werd) gedaan in de ontdekking van de mens als
individueel wezen" (Ferwerda, 1984:26). Zo verwerpt hij het
stoïcijnse zowel als het gnostische, kosmische determinisme
(het fatum, of de goddelijke voorzienigheid), en
wel
"omdat wij (dan)
niet meer wij
zijn, en geen enkele daad ons eigen werk is. Wij denken niet meer zelf [autoí]
en onze eigen wilsbesluiten zijn de overleggingen van iemand of iets
anders... Welnu, iedereen moet zichzelf [letterlijk:
iedereen] kunnen blijven, en er moeten daden en
denkprocessen overblijven, die de onze kunnen
heten" (Enn,
III, 1, 4; ik verkies hier de vertaling van Sinnige, 1981:24).
Anderzijds moet toch beklemtoond worden dat
Plotinos nog veraf stond van de latere, christelijke (Augustinus), en
zeker van de moderne opvattingen. Zo beschikte hij nog niet over een
geëigende terminologie: om te verwijzen naar wat later met het
begrip "persoon" werd aangeduid, moet hij het nog
stellen met bv. het woordje "wij"
(hèmeîs, in het Grieks). Bovenal, heeft
bewustzijn of bewustwording bij hem doorgaans een negatieve
connotatie. Dat blijkt uit het onderscheid dat hij maakt - eveneens als
eerste - tussen zelf-bewustzijn en zelf-kennis, d.w.z. tussen het besef
dàt men is - met name een
individu (letterlijk: een "ieder", hékastos)
-, en het besef wàt men is. Het
individuele zelfbesef is gekoppeld aan ons "opgedeelde", lichamelijke
bestaan, en het "maakt de mens losser van zijn hoogste zelf
en geeft hem meer individualiteit" (Ferwerda, ibidem).
Zelfkennis, anderzijds, als een échte "zelf-bewustwording",
vereist een "omwending" (epistrophè) en
opstijging naar ons ware, intelligibele "zelf", en
uiteindelijk naar de opperste zijnsgrond. Dat laatste is in volmaakte
vorm inderdaad enkel weggelegd voor het intellect (de noûs).
Als intermediaire hypostase, echter, tussen het Ene en de Ziel (zie
verder), heeft dat intellect zelf niets individueels of persoonlijks
meer: (47) het is een absolute
geest die de totaliteit van alle zijn denkt.
Zoals zijn platonische (en gnostische)
voorgangers, dus, beklemtoont Plotinos dat de (aardse) menselijke ziel
van zichzelve vervreemd is, Enn VI, 4,
14.16-17:
"En wij (hèmeîs)
- maar wíe zijn wij? Zijn wij dat (hoge wezen), of (zijn
wij) wat (het gindse) tracht naderbij te komen, en dat geworden is in
de tijd?"
Ons wérkelijke ego,
dus, de ónvervreemde persoon, is niet hier, maar "ginds"
(Grieks: ekeî ),
d.w.z. daarboven, in de geestelijke of intelligibele kosmos (kosmos
noètós, vgl. reeds Philoon): "ginds
hebben wij ons vaderland (patrís), van waaruit we hier
gekomen zijn", en nààr ginds gaat "onze
tocht en onze vlucht (ho stolos kai hè phugè)"
(Enn
I, 6, 8). Die transcendente zijnsgrond, tegelijkertijd vorm en
intellect, is de wérkelijke mens. De vraag die Plotinos niet
eenduidig beantwoordt, is of er voor iéder van "ons"
inderdaad ook een aparte, intelligibele zijnsgrond is, dan wel of we
allemaal opgaan in één, universele ziel en geest:
"Plotinus laat in het midden of er
voor elk individueel wezen op deze aarde in de intelligibele wereld een
idee, een vorm is. Soms schijnt hij een beperkt aantal ideeën
aan te nemen, maar op andere plaatsen gaat hij van een oneindig aantal
uit" (Ferwerda, 1984:24).
Wat Plotinos echter beklemtoont - het is
één van de punten waarmee hij zich onderscheidt
van de gnostiekers -, is dat wij, ondànks onze
"vervreemding" hier, op aarde, ontologisch tóch met onze
intelligibele zijnsgrond verbonden blijven (de zgn.
"manentie", zie hieronder). We mogen dan al "verdwaald"
zijn in de stoffelijkheid en ons niet bewust zijn van die
(ontologische) band, we zijn niet écht
verloren: de "terugkeer" - eerst naar het Intellect
of de geest, en vervolgens nóg hoger, in de vorm van een
extatische en onuitsprekelijke eenwording met de ópperste
zijnsgrond, het Ene - is, onder bepaalde voorwaarden (door ascese,
rationele studie en meditatie), ook tijdens dit
leven, ook in dit aardse lichaam, mogelijk. Zo
beschrijft Plotinos in het begin van het traktaat IV, 8, "Over
de neerdaling van de ziel", het begin van en de terugkeer
uit een extase die hij zelf beleefd heeft (aangepaste vertaling van
Ferwerda,1984:516; mede op basis van Sinnige, 1981:28):
"Vaak wanneer ik tot mijzelf ontwaak
uit mijn lichaam, en mij buiten al de dingen en binnen mijzelf plaats,
zie ik een onbeschrijfelijke schoonheid. Vooral
dàn ben ik ervan overtuigd dat ik tot
het hogere behoor; met mijn activiteit bereik ik de hoogste vorm van
leven, ik ben met het goddelijke vereenzelvigd en daarin vind ik mijn
fundament... Wanneer ik echter, na dat stilstaan in het goddelijke, uit
geest (noûs) naar redeneren (logismós) ben
neergedaald, is het mij een volkomen raadsel hoe het toch komt dat ik
ook nu weer nederdaal, en hoe me ooit de ziel in mijn lichaam is
gekomen, terwijl ze (toch) dat (schitterende wezen) is, zoals ze zich
op zichzelf (aan mij) vertoonde, ofschoon ze (op dat moment) in een
lichaam verbleef".
Vandaar kan onze (belichaamde) ziel of geest toch
bestempeld worden als "de god ons" (ho en
hèmîn theós). Zo zou
Plotinos, op zijn sterfbed, gezegd hebben (Leven
§2):
"Ik poog [of: Poogt]
de god in ons terug te voeren naar het
goddelijke in het universum".
6.5. Plotinos' filosofie beperkt zich
natuurlijk niet tot het thema van het juiste leven en de terugkeer of
verlossing van het "zelf": zoals dat ook al het geval was met zijn
voorgangers in het "midden-platonisme" en (op een meer mythologische
manier) met de gnostiekers, bevat ze ook een theorie van de totale
werkelijkheid. Zij is (ook) metafysica en ontologie.
Om het te formuleren vanuit de menselijke
subjectiviteit: de bestaansnood, het gevoelen van de laat-antieke mens,
vervreemd te zijn van de wereld en van zijn ware zelf, wordt door
Plotinos' filosofie verabsoluteerd tot een universele, kosmische
wetmatigheid. De gehele werkelijkheid (to pân, "het
al"), m.a.w., heeft haar bestaan te danken aan een soort van kosmisch
vervreemdingsproces, namelijk vanuit de absolute, transcendente
zijnsgrond van het Ene. Bij de gnostiekers, zoals we zagen, was dat
proces het gevolg van een "fout", of zonde, en werd het
louter negatief gewaardeerd. Bij Plotinos, daarentegen, gaat het om een
noodzakelijk proces, namelijk van, in
beeldspraak, continue "emanatie". Ook staat hij er
niet louter negatief tegenover (dat gebeurt wel, en dan komt hij dicht
bij het gnosticisme), maar, overeenkomstig de traditie van het Griekse
rationalisme, ook positief. De wereld is voor
Plotinos nog altijd létterlijk een "kosmos", en
dùs (cf. de oorspronkelijke betekenis van dat woord) een "mooie
orde", die als zodanig doordrongen is van de vormgevende
kracht van de oergrond, het Ene. Zoals Baumeister (2001:79) het
formuleert:
"De lichamelijke wereld is dus niet
zonder meer voorwerp van afkeer, maar ook van bewondering en van
waardering in zoverre ze haar oorsprong op min of meer adequate wijze
tot uitdrukking brengt. De verschillende gebieden van de werkelijkheid
kunnen daarom ook als stadia beschouwd worden die de ziel op haar tocht
huiswaarts moet doorlopen".
Voortbouwend op de ontwikkelingen in het
midden-platonisme en het neopythagorisme - hij werd er, zoals gezegd,
van beschuldigd Noumenios geplagieerd te hebben (Leven,
§17) - ontwierp Plotinos een nieuwe structuur van de
metafysische zijnsgronden; de indeling van de werkelijkheid in een
intelligibele en een zintuiglijke "wereld" werd daarin overstegen. Hij
werd daarmee de "stichter" van het zogenaamde Neoplatonisme.
Bovenaan, als de oergrond van de gehele
werkelijkheid, staat niet langer het (eerste) Intellect, maar het
absoluut enkelvoudige en onzeglijke Ene (Grieks: τὸ Ἕν,
to Hen).(48)
Hoewel de bron van alle zijn en leven, van structuur en kennis, staat
het toch bóven (jenseits)
alle zijn en denken - er kan bijgevolg niets van geprediceerd worden,
zelfs niet dat het "is".(49)
Het is zijn eigen oorzaak (heeft dus geen, nog hogere zijnsgrond) en is
zelf voorwerp van zijn liefde, maar het bezit geen zelfkennis, want dat
zou een tweeheid of dualiteit (kenner-gekende) impliceren.
Het is aan de onuitputtelijke en
onbeschrijfelijke volheid en rijkdom van het Ene, in een eeuwig en
noodzakelijk proces en a.h.w. als een nevenproduct van zijn
zelfcontemplatie, dat alle zijn z'n bestaan te danken heeft, in een
reeks van achtereenvolgende, lagere "uitstromingen" of "verwerkelijkingen"
(hupostáseis) van steeds lagere zijnsgronden. Het
Ene zelf, echter, verliest niéts in dat proces; tevens "blijven"
alle "verwerkelijkingen" verbonden met hun (hogere)
zijnsgrond - wat verklaart waarom Plotinos de term (of de beeldspraak)
van "emanatie" (apórrhoia), waarmee men
zijn metafysica traditioneel is gaan benoemen, slechts met de grootste
terughoudendheid hanteert.(50)
De eerste "werkelijkheid"
waarin het Ene zich, als absolute zijnsgrond, a.h.w. "realiseert",
m.a.w. de eerste "hypostase" (hupóstasis),
is de Noûs (ὁ νοῦς
[spreek uit: noes], "intellect" of "geest"),
die tegelijkertijd ook het (intelligibele) Zijn als
zodanig is.(53) Met dit niveau,
waarmee alle activiteit en kennis een aanvang neemt, treedt de
oorspronkelijke Eenheid in een soort van tweeheid, namelijk tussen het
kennende en het gekende. Tegelijkertijd, echter, is de
éénheid tussen kennende en gekende, die
voorwaarde is voor optimale kennis, volledig gerealiseerd in het
Intellect. Langs zijn "objectieve" zijde presenteert het Intellect zich
als de platoonse kosmos noètós,
d.w.z. de Vormen- of Ideeënwereld. Die Ideeën zijn
zélf "levende intelligenties" (meervoud van noûs),
die élk de totaliteit van de Ideeënwereld in zich
bevatten. Zij zijn, platonisch, de archetypes van al wat bestaat, of
zal bestaan. Ook de menselijke individuen, zoals gezegd, hebben een
dergelijk metafysisch archetype als hun "ware zelf".
Ook het Intellect doet aan schouwing (theoría),
maar dan van het Ene. Als een "nevenproduct" daarvan geeft het het
ontstaan aan de volgende hypostase ("verwerkelijking"),
namelijk de Psuchè (ψυχή) of
Ziel. Over die relatie tussen Intellect en Ziel lezen we bv. in Enn
V, 1, 3.7-17 (let op de afwijzing van de emanatie-beeldspraak)(51):
"Zoals het woord (lógos)
dat wij uitspreken, een beeld is van het woord in de ziel (psuchè),
zo is ook de ziel zelf het woord (lógos)
van de geest (noûs), zowel de activiteit (enérgeia)
als het leven dat de geest van zich uit laat gaan voor de realisatie (hupóstasis)
van iets anders. Het is net zoals bij het vuur: het ene deel ervan is
de warmte die ermee samenblijft, het andere de warmte die het
verspreidt.(52)
Maar (bij de geest) moet men het niet zo opvatten dat de activiteit zou
uitstromen (ekréousan), maar zo dat die
weliswaar in hem blijft, terwijl de andere (eruit) tot realiteit komt.
Daar ze nu van de geest (noûs) afstamt,
behoort de ziel tot de geestelijke wereld... Niet alleen haar bestaan (hupóstasis)
dankt de ziel aan de geest, maar ook komt haar redeneervermogen (lógos)
tot actualiteit,als de geest door haar gezien wordt. Want wanneer zij
in de geest ziet (sc. schouwt), dan bezit ze in haar binnenste en als
haar onvervreemdbaar eigendom datgene wat ze denkt en doet" (Ferwerda,
gewijzigd).
De Ziel is de laagste graad van de intelligibele wereld, en is daarom
de laatste "volmaakte hypostase": beneden de Ziel "is" er als het ware
niéts meer; of anders uitgedrukt: alles wat er is, "is" maar
in zoverre het "ziel" is. De Ziel heeft inderdaad
een dubbele wending: enerzijds schouwt zij het geestelijke licht, als
haar zijnsgrond, anderzijds is ze, als Wereldziel, naar "beneden"
gericht.
De Ziel is dus de noodzakelijke "middelares"
tussen de zelfidentische wereld der Ideeën, enerzijds, en de
chaotische, voortdurend veranderende, in een oneindige veelheid
versnipperde en vervreemde, materiële werkelijkheid,
anderzijds. Wat de ongestructureerde en daarom niet-zijnde
Stof (hùlè)
betreft, zij is het allerdiepste en allerlaagste moment van het
emanatieproces (eigenlijk gaat het om niet meer dan een "schaduw"),
en àls "niet-zijnde" is zij ook verantwoordelijk voor het
kwaad (cf. de gnostiekers, natuurlijk, maar voor Plotinos is het kwade
strikt genomen geen echte substantie, maar een "niet-zijnde"). De stof
is echter ook potentialiteit of aanleg (cf. Aristoteles), en het is die
potentialiteit die dank zij de Ziel (de zielen) ontvankelijk wordt
gemaakt voor de verschillende (hiërarchische) graden van
vormgeving, of structuur, leven en bewustzijn, die samen de kosmos
vormen. De materiële, natuurlijke (ondermaanse) wereld is
geen deel van de Ziel, maar alles wat er "werkelijk" aan is,
behóórt aan de Ziel. Aansluitend bij de traditie, spreekt Plotinos in dat
verband van Phúsis of Natuur.
Opvallend hieraan is alvast dat er in dit systeem
geen plaats is voor een demiurg, als een afzonderlijke hypostase: "men
krijgt de indruk dat (Plotinos) de term bewust vermijdt..., om alle
associatie met gnostische mythologie te vermijden" (Sinnige,
1981:43). De Wereldziel, bij wie de scheppende functie wordt
ondergebracht, vertoont weliswaar sommige eigenschappen van de
gnostische Sophía, maar "tegelijk accentueert
Plotinos het verschil. Hij wil het scheppend werk niet laten
voortvloeien uit een val of een verdwaaldheid" (ibidem).
Van
"schepping" (creatio) in de christelijke zin
(d.w.z. in de tijd, door Gods Wil, enz.) is hoe dan ook geen sprake.
Elke suggestie in die richting wordt door Plotinos uitdrukkelijk
afgewezen, cf. Enn
V, 1, 6 (p. 539-40 Ferwerda):
"Nu mogen we
niet over het ontstaan in de tijd spreken, als we het hebben over het
altijd zijnde. Als we in ons betoog het ontstaan wel daarop toepassen
om er hun oorzaak en rangorde mee te beschrijven, moeten we dus zeggen
dat dat wat uit het Ene ontstaat, ontstaat zonder dat dat (Ene)
beweegt. Want als iets zou ontstaan door een beweging van het Ene, dan
zou dat wat daaruit ontstaat allicht als derde ontstaan na de beweging
en niet als tweede. Dus moet dat, als iets als tweede daarna ontstaat,
ontstaan zonder dat dat eerste beweegt of zich naar ons buigt of een
wilsuiting heeft of algemeen gesproken een beweging krijgt. Hoe dan? En
wat moeten we ons voorstellen dat er ontstaat rond dat Ene dat
onveranderlijk blijft? Men kan zich voorstellen een stralenkrans die
daaruit voortkomt, hoewel het zelf onveranderlijk blijft, zoals de
stralenkrans van de zon er als het ware omheen wentelt en steeds
opnieuw tot bestaan gebracht wordt, terwijl die zon zelf onveranderlijk
blijft".
6.6. De próodos,
of "processie", van het Intellect uit het Ene geeft
aldus op een permanente en continue wijze ontstaan, vorm en
bezieling aan het universum. Het Ene, het Intellect (of de Geest) en de
Ziel vormen daarmee de "drie hypostasen" in Plotinos' metafysisch
systeem, zoals men het gemeenlijk uitdrukt. In werkelijkheid gaat het
(enkel) om het Ene dat zich eerst integraal "realiseert"
in
het Intellect/Zijn, als zijn "volmaakte hypostase", en vervolgens,
doorheen het Intellect/Zijn, in de Ziel. Er zijn dus weliswaar drie
metafysische principes boven de wereld, maar er zijn slechts
twéé "hypostasen": het Ene
staat immers bóven elke "realisatie".(54) Op de problematische verhouding
tussen de Ziel, als "volmaakte hypostase", en de individuele zielen,
als "partiële hypostasen", komen we hier niet meer terug.
De filosofie zou natuurlijk in haar "religieuze"
taak te kort schieten, mocht zij het enkel houden bij de vaststelling
of beschrijving, hoe samen met de mens de gehele werkelijkheid "neergedaald"
is. De próodos, of voortgang, van de
wereld (en de ziel), in haar contingente staat en gekoppeld aan de tijd
(chronos), is dan ook slechts
één fase van een metafysische en kosmische
dialectiek. De andere, die er het noodzakelijke complement van vormt,
is die van de
epistrophè,
de "om-" of "terugwending"
(Latijn: conversio, "bekering"), namelijk van de
gehele werkelijkheid, in al haar graden en fenomenen en via de
hiërarchisch geordende zijnsgronden, naar de absolute
zijnsgrond. Het zijn beide sàmen (dus niét: eerst
de ene, en nadien de andere) die het plotiniaanse universum op een
dynamische wijze constitueren. d.w.z. (Knowles, 1962:22): "binnen
dit universum is er een ritme van uitgaan en terugvloei, van emanatie
en terugkeer".
In de plotiniaanse "Weltanschauung",
bijgevolg, verschijnt de werkelijkheid als het permanente resultaat van
een aanhoudend dialectisch proces van vervreemding én
(her)integratie. De belangrijkste stadia ervan zijn in
feite
objectiveringen van een psychologisch differentiatieproces, namelijk
tussen "subject" en "object", in de kennisrelatie, én de
overwinning ervan (55) -
althans, zoals de Grieken de kennisrelatie opvatten:
met de absolute Eenheid als vertrekpunt,
vertolkt het Intellect de volmaakte identiteit tussen kenner en
kenobject ("want in het geval van de onstoffelijke
werkelijkheden zijn het denkende en het gedachte identisch",
Aristoteles, De anima, 430a3). Voor de
(belichaamde) ziel, daarentegen, die met lichamen te maken heeft en het
moet stellen met (lichamelijke) zintuigen, is eenwording met het object
van perceptie uitgesloten: het kenobject (zeg maar: de wereld)
verschijnt voor haar onvermijdelijk als het "andere", het "vreemde".
Vanuit deze ideologische omkering (in werkelijkheid is het juist het
intellectuele of rationele bewustzijn dat de meest verregaande
differentiatie tussen subject en object teweegbrengt), verschijnt de
"opstijging" van het zintuiglijke naar het intelligibele niveau als het
"herstel" van de verloren eenheid.
Zoals hoger al opgemerkt i.v.m. het
midden-platonisme en Noumenios (zie kap. 4), was het precies die
verregaande vereenzelviging van het psychische en het kosmische proces
- bij Plotinos manifesteert zij zich onder de vorm van de eenheid van
het individuele en het universele bewustzijn - die de belofte inhield
dat de mens inderdààd zijn of haar
reïntegratie, zowel met "zichzelf" als met het opperste
beginsel, kon realiseren. Dàt de terugkeer, of verlossing,
überhaupt mogelijk is, is te danken aan het derde beginsel van
de plotiniaanse dialectiek, namelijk dat van de monè,
μονή,
letterlijk: het "blijven"; als neoplatonische
technische term sedert J.Trouillard vertaald met "manentie".
Het houdt het algemene principe in dat elke wezenheid die emaneert uit
een hogere grond, desalniettemin ontologisch in die hogere oorzaak
verankerd blijft, of erin "maneert".
De drie
hoofdfasen van de neoplatonische dialectiek, zoals zij na Plotinos
systematisch zullen gethematiseerd worden, zijn dus:
+ monè ("manentie"),
+ próodos ("emanatie"),
en
+ epistrophè ("terugkeer").
Met name voor de psuchè,
of ziel, wordt het belang van de "manentie"
regelmatig door Plotinos beklemtoond (zie ook hoger, § 6.4),
bv. Enn
III, 8, 5 (p. 365 Ferwerda):
"Het eerste, denkende deel dus van de
ziel, het bovenste dat naar boven gericht is, blijft daar
en wordt altijd gevuld (plèroùmenon)
en overstraald, maar dat deel dat door de eerste deelname van dat wat
deel heeft, deel heeft (aan wat boven is), komt tevoorschijn (próodos).
Want de ziel komt altijd te voorschijn, leven uit leven, want haar
activiteit komt overal en er is geen plaats waar ze het laat afweten.
Bij haar te voorschijn komen laat zij haar hogere deel (achter)blijven op
de plaats waar ze het heeft verlaten...".
In radicale oppositie, dus, met de gnostiekers,
met hun onoverkomelijke tegenstelling tussen het plèroma
en het kénoma, kon Plotinos de
fundamentele eenheid van de totale werkelijkheid
beklemtonen: al het aardse blijft ontologisch "vervuld"
van (cf. "plèroùmenon", in
het citaat hierboven), d.w.z. verankerd in zijn metafysische
zijnsgrond, en omgekeerd, de geestelijke hypostasen van de oorsprong,
het Ene, de Noûs en de Wereldziel, "zijn
ter plaatse aanwezig, daar waar hun bestaan zich in materie
manifesteert", aldus Sinnige (1980:34). Deze laatste
beklemtoont weliswaar dat dit slechts één
mogelijke interpretatie is van Plotinos' wereldbeeld, namelijk de
"monistische".
6.7. In het kader van zijn dialectische
metafysica, heeft Plotinos ook de theoría,
het "schouwen" of "contempleren",
geobjectiveerd tot een universeel, kosmisch beginsel. Enerzijds heeft
alles wat bestaat, met inbegrip van de natuur, dat bestaan te danken
aan de schouwingsactiviteit van de zijnsgrond waarvan het de
"verwerkelijking" (hupóstasis) is,
schouwingsactiviteit die gericht is op de (hogere) zijnsgrond van die
zijnsgrond, cf. Enn
III, 8, 8 (p. 370 Ferw.): "dat al het zijnde een nevenproduct
(pàrergon) is van het schouwen".
Anderzijds, is elke vorm van leven, elke vorm van
activiteit van de natuurlijke wezens, m.a.w. de werkzaamheid van de
gehele natuur (phùsis), te begrijpen als
een streven tot zich-herenigen - elk op zijn niveau, elk met zijn
middelen - met de absolute oergrond, het Ene, als een soort van
"erotisch" verlangen. Maar aangezien die "terugkeer" de vorm aanneemt,
zoals reeds opgemerkt, van een keten van "kenacten", en dus van theoría,
kan Plotinos concluderen dat niet enkel de filosoof (die als enige
inderdààd, in de extase, kan opklimmen tot het
Ene), en zelfs niet enkel de mens (met inbegrip van zijn praktische en
scheppend-productieve activiteiten) in het algemeen, maar de
gehéle natuur: dieren, planten, tot de stenen toe, aan "theoría"
doen, élk naar de mate van zijn mogelijkheden (zo Enn III, 8,
1).
Een bijzondere vermelding, in dit opzicht,
verdient Plotinos' kunstfilosofie.(56) In contrast met de erg
depreciërende visie op kunst bij Platoon (althans in de Politeia) -
elk kunstobject is slechts een kopie van een kopie, en dus
twéé, in plaats van één,
trappen verwijderd van het ware zijn der Vormen -, ontwikkelde
Plotinos, hoewel "platonist", een opvallend positieve visie over kunst
en kunstenaar (zie vooral Enn V, 8, "Over
de intelligibele schoonheid"). Hij kon daartoe een beroep
doen op de ontwikkeling van de Griekse stijl- en kunstleer, in de
hellenistische en keizertijdperiode.
Kunst (téchnè)
is niét louter imitatief, maar is ook "emanatief", d.w.z.
creatief. Terwijl ook de natuur mooie wezens schept, maar dan op een
niet-reflectieve manier, creëert de mens-kunstenaar op een
bewùste wijze schoonheid, schoonheid die de natuurlijke
schoonheid vervolledigt, cf.
Enn V, 8, 1.32-38 (p. 603 Ferw.):
"Als iemand de kunsten geringschat,
omdat ze bij hun scheppend bezig-zijn de natuur nabootsen, dan moet ik
eerst opmerken dat ook de natuur andere dingen nabootst. Vervolgens
moet hij weten dat de kunsten niet zonder meer het waargenomene
nabootsen, maar dat ze opstijgen naar de vormende beginsels (tous
logous, d.w.z. de Ideeën) waaruit de natuur stamt.
Ten derde merk ik ook op dat (de kunsten) veel vanuit zichzelf scheppen
en bovendien iets toevoegen (aan die natuurlijke werkelijkheid) waaraan
iets ontbreekt, daar zij de schoonheid (to kàllos)
bezitten".
Zowel de natuur als de kunstenaar doen voor de
schoonheid die ze creëren, een beroep op de archetypische
Schoonheid die één van de intelligibele Vormen is
in de eerste hypostase, de Noûs; maar
artistieke schoonheid is superieur aan natuurlijke schoonheid. De mens,
die een tussenwezen is tussen Natuur (phúsis)
en Noûs, realiseert als kunstenaar, met
behulp van zijn artistiek voorstellingsvermogen (phantasía),
als het ware een supplementair emanatieproces, dat het kosmische
emanatieproces vervolledigt en perfectioneert. Aan zichzelf overgelaten
zou Natuur dat hogere niveau van schoonheid nooit kunnen bereiken.
Zoals bij elk (particulier) emanatieproces, echter, geldt ook hier de
wet dat de "oorzaak" (hier: de kunst) superieur is aan het "effect"
(het kunstvoorwerp), cf. Enn
V, 8, 1.18-21 (p. 602 Ferw.):
"In de kunst is die schoonheid in
veel hogere graad (dan in de gebeeldhouwde steen); want de schoonheid
in de kunst is niét in de steen overgegaan, maar blijft (menei)
waar ze is, want een àndere schoonheid, uit de kunst
afkomstig en minder fraai dan die schoonheid, (is erin overgegaan)"
(vgl. met het citaat, hoger, § 6.5, over de warmte van het
vuur).
Die kunst, echter, bevindt zich in de ziel van de
kunstenaar. Daarom zal de goede kunstenaar, vooraleer hij aan het
scheppen slaat, eerst de schoonheid in hemzelf realiseren. Dat houdt in
dat hij, weliswaar met zijn voorstellingsvermogen dat inferieur is aan
het intellect, tot een (esthetische) "contemplatie" (theoría)
moet komen, via de innerlijkheidsweg (zie verder), van de intelligibele
Schoonheid in de Noûs.
Anders gezegd (Anton, p. 98):
"het blijft een feit dat de
artistieke act waarlijk een act van emanatie is. Schoonheid stroomt pas
vanuit de kunstenaar in de zintuiglijke wereld, wanneer de kunstenaar
als mens reeds binnen zichzelf schoonheid gerealiseerd heeft".
Wat tenslotte onze schoonheidservaring betreft,
in Enn I, 6, "Over het schone", wordt ("aardse") schoonheid
teruggevoerd tot "vorm":
"we zeggen dat de aardse dingen
schoon zijn doordat ze deel hebben aan vorm" (§2).
Het zien of ervaren ervan lokt gevoelens uit van "bewondering
en zoete verbijstering en verlangen en liefde en verrukking vol genot".
Tegelijkertijd, echter, wordt onze ziel
geappelleerd op haar eigenheid en hogere zelf: "ze keert tot
zichzelf in en herinnert zich zichzelf en wat bij haar hoort".
Ze mag zich dan niet vastklampen aan het lichamelijke of
materiële aspect van de schoonheid, maar moet haar "verlangen"
volgen naar het hogere, d.w.z. het intelligibele Schone (cf. Platoons Symposium),
d.w.z. naar haar ware "vaderland" (§8),
en nog hoger, "aan gene zijde", d.w.z. het Goede of
het Ene, als de "bron en oorsprong van het schone"
(§9). Zij bereikt dat via een ascese en zuivering van al het
aardse (dat dan, in verhouding, als "lelijk" wordt
ervaren): d.w.z.
"Het valt ons ten deel als we
daarheen opstijgen en ons daarheen omwenden (epistrophè)
en de kleren afleggen die we hadden aangetrokken, toen we afdwaalden",
Enn
I, 6, 7.
6.8. Alle kosmische fenomenen en
processen, zoals gezegd, werden door Plotinos herleid tot schouwings-,
en dus denkprocessen: "elke vorm van leven is een vorm van
denken" (pâsa zooè
nóèsis tis), Enn
III, 8, 6.17. De gehele werkelijkheid, zo mogen we bijgevolg
concluderen, werd door hem vergeestelijkt:
"alle werkelijkheid, voor Plotinos,
is spirituele werkelijkheid, geest en het denken ervan" (Knowles,
1962:23).
Dat
samenvallen van het universele met het individuele bewustzijn had een
belangrijke implicatie wat de
methode betreft voor de menselijke terugkeer of
verlossing: hoewel zij start met de wetenschappelijke studie van de
natuur - die ons moet helpen ons te bevrijden en zuiveren van onze
gehechtheid aan het particuliere, zintuiglijke -, is de eigenlijke weg
"omhoog" een kwestie van innerlijkheid, van introspectie (hè
éndon ópsis, "het innerlijke oog", Enn I, 6,
9), van "omwending in zichzelve". Ons lichamelijke
zicht is daarbij "als het ware gesloten" (hoîon
mùsanta opsin - cfr het woordje "mystiek" is
afgeleid van het Griekse werkwoord múoo, "de ogen
sluiten"), einde § 6. De verklaring ervoor is
simpel: precies omdàt de gehele werkelijkheid vergeestelijkt
is, kan Plotinos stellen dat "alles", d.w.z. de gehele werkelijkheid, "binnen
in ons is" (panta eísoo, Enn III, 8,
6.40). De gehele, hiërarchische, kosmische en metafysische
structuur waarlangs wij moeten "opklimmen", vinden we dus in onszelve,
in ons binnenste. In het hoofdstuk over Augustinus zullen we hier
verder op ingaan.
De eigenlijke "eenwording"
(hénosis), de unio mystica,
niét louter met het intelligibele "zelf"
(zoals gold tot aan Plotinos), maar nóg hoger, met de
absolute zijnsgrond, het Ene - zij pas realiseert voor de mens de
ultieme "ver-één-zelviging" -, werd door Plotinos
dan voor het eerst aangeduid met het woord "extase"
(Grieks: ékstasis). Ze wordt door hem
beschreven (in de derde persoon), in Enn VI, 9,
11 (pp. 882-883 Ferw.):(57)
"... En hij was zelf ook
één en had geen enkel onderscheid meer in
zichzelf met zichzelf en ook niet ten aanzien van andere dingen - want
niets bewoog meer bij hem, er was geen emotie, geen begeerte naar iets
anders meer bij hem, toen hij opgestegen was - maar er was zelfs geen
rede en geen denken, ja, hij was zelfs helemaal niet 'zichzelf', als
men dat tenminste mag zeggen. Maar als het ware meegerukt of door een
godheid bezeten (enthousiàsas) is hij
daar, rustig, in eenzaamheid en in onbeweeglijke toestand, in zijn
eigen zijn, nergens afbuigend en ook niet om zichzelf wentelend, geheel
stilstaand en a.h.w. stilstand (stasis) geworden...
(Het) was misschien geen zaak van schouwen, maar een andere wijze van
zien, ontstijging-aan-zichzelf
(ékstasis) en eenwording en overgave van
zichzelf... (Wanneer de ziel omhoog snelt), dan zal zij niet in iets
ànders komen, maar in zichzelf en zo, niet in iets anders
zijnde, is ze niet in niets, maar in zichzelf... En dat is het leven
van goden en goddelijke en gelukkige mensen, een bevrijding uit de
andere dingen, de aardse, een leven (bíos)
dat niet meer behagen schept in de aardse zaken, een vlucht van (een
mens) alléén naar (het Ene)
alléén".
Ook voor Plotinos, dus, levend in het keizerrijk,
was (absolute) onverstoordheid het hoogste ideaal. We troffen het in
het begin van het vorige hoofdstuk (kap. 1) reeds aan bij Epikouros en
de Stoa. Hier echter is het gesublimeerd tot het absolute beginsel van
de gehele realiteit.
Dergelijke extatische eenwording is, zoals
gezegd, onder bijzondere omstandigheden en kortstondig, reeds tijdens
het aardse leven mogelijk. Zo zou Plotinos, aldus Porphurios (Leven
§23), in de zes jaar dat hij bij Plotinos was, vier maal
dergelijke persoonlijke, religieus-filosofische ervaring hebben gehad
(Porphurios zelf slechts éénmaal in zijn hele
leven). Wel dient erop gewezen te worden dat de plotiniaanse unio
mystica met het Ene geen vereniging is tussen twee personen,
de ene menselijk, de andere goddelijk (zoals dat wel het geval zal zijn
in de christelijke mystiek). Terwijl ook de mens, in het
opstijgingsproces, "aan zichzelf ontstegen is",
geldt voor het Ene, de Oergrond, in absolute zin dat het "buiten
elke persoonlijkheid staat" (zo Knowles, 1962:28).
7. Epiloog.
Wat de verdere, analytisch-discursieve, en dat
wil ook zeggen: scholastische, uitbouw betreft van het door Plotinos
ontworpen systeem, zij zou het werk zijn van zijn epigonen. Zij zullen
tevens de betrachting hebben om, naast de filosofische, ook de
verschillende religieuze en theosofische tradities te integreren in een
allesomvattende synthese. De bekendste ervan zijn, buiten Porphurios
(die de "verzoening" realiseerde tussen Platoon en Aristoteles):
Iamblichos, van Chalkis in Syrië (ca 245-325? ca
275-330?), en Proklos van Athene (ca 410-485).
Iamblichos, die grondig vertrouwd was met het werk van Plotinos en
Porphurios, werd een beroemd filosoof die zich wijdde aan de exegese
van Platoon en Aristoteles. Tegelijkertijd echter, zo lijkt het
althans, bracht hij een zware slag toe aan de rationalistische
traditie, namelijk door het integreren, vanuit de mysterieculten, de
astrologie, alchemie, magie, enz., van een magisch-religieuze praxis,
weliswaar binnen een globaal filosofisch project. Die praxis ging dan
gelden als een complementaire weg naar vereniging met het Opperwezen,
nààst de (moeilijke) intellectueel-filosofische
van de theoría en de introspectie. De
"pervertering" van Plotinos' mystieke ervaring, die daarvan het gevolg
was, kreeg vooral haar beslag in de zgn. "theürgie",
een geheel van magische riten, eertijds gecreëerd door de al
genoemde Ioulianos (2de helft van de 2de eeuw), en nu als legitiem
erkend door Iamblichos.(58) Bij
middel van deze fysische "sacramenten" kon de hulp worden ingeroepen
van goden en demonen om onze vereniging met het goddelijke te
bewerkstelligen. De "paster Iamblichos" (zo,
schamper, Geffcken, 1920:284) zou via een kwakzalver, Maximos genaamd,
een belangrijke invloed hebben op de kortstondige poging van de
tragische keizer Ioulianos, (door de christenen) bijgenaamd "de
Apostaat", keizer 361-363, om "de klok terug te draaien":
d.w.z. op basis van het neoplatonisme, een "heidense" staatskerk te
vestigen die de ideologische strijd kon aanbinden tegen de reeds 50
jaar eerder, door Constantijn geofficialiseerde christelijke Kerk.
Ioulianos, zelf filosofisch gevormd, sneuvelde in een veldtocht tegen
de Perzen.
Ondertussen, echter, werd het neoplatonisme zelf
geïntegreerd in het christianisme. Drie belangrijke namen
onder de zogenaamde Kerkvaders zijn: Origenes, van
Alexandrië, ca 185-254, tijdgenoot van Plotinos en, zoals hij,
leerling van Ammonios Sakkas; Gregorios van Nyssa,
"de eerste christelijke filosoof", ca 330-394, geïnspireerd
door Plotinos, en tenslotte een anonieme auteur, die de naam aannam van
de zgn. leerling van apostel Paulus, Dionusios van de Areopaag, vandaar
Ps-Dionusios Areopagitikos, wellicht
een Syrisch monnik, einde 5de, begin 6de eeuw. Zijn bewaarde teksten,
gegroepeerd o.m. onder de benaming van de "Pseudo-Areopagitica",
staan onder duidelijke inspiratie van het latere
neoplatonisme, met name dat van Proklos. Via Latijnse vertalingen
werden ze al vrij vroeg ook in het Westen bekend. Langs deze en andere
wegen zou het neoplatonisme het dominante systeem worden in de
middeleeuwen, niet enkel bij de christenen maar ook bij moslims en
joden.
_________________________
NOTEN:
14.
Das
Unbehagen in der
Kultur, 1920.
15.
Voor een goed overzicht van de
religieuze ontwikkelingen binnen het Romeinse keizerrijk, zie John
Ferguson, The
Religions of the Roman Empire, 1970.
16.
E.Topitsch, Marxismus und Gnosis,
1966:267.
17.
NB "Eschatologie" en
"apocalyptiek" mogen niet zonder meer met elkaar vereenzelvigd worden:
de eerste betreft hoofdzakelijk de "eindtijd" (het éschaton,
in het Grieks) en drukt verwachting en hoop uit; de tweede is vooral
geïnteresseerd in een mythisch-verbeeldende en "onthullende"
interpretatie van het heden.
17bis.
Ernst Hoffmann, 1925:237.
18.
A.A.Long, 2005:38, wijst erop dat
het gebruik van de technische term "allegorese"
m.b.t. de praktijk van de stoïci eigenlijk erg misleidend is:
het was hen er immers niet om te doen (zoals later wel het geval was
met Philoon) de verborgen boodschappen van de dichters (Homeros,
Hesiodos...) zelf aan het licht te brengen, als wel de oorspronkelijke
inzichten van de oude Wijzen, die door de dichters op een
gecorrumpeerde wijze waren opgenomen.
18bis.
Zie hierover Boys-Stones
(2001), Part 1, ch. 3. Vermeldenswaard is dat
Cornutus enkele grote Romeinse dichters onder zijn leerlingen telde,
zoals Persius en Lucanus.
19.
Zie H. Dörrie, Le renouveau du
platonisme à l'époque de Cicéron,
1974; en Von
Platon zum Platonismus. Ein Bruch in der Überlieferung und
seine Überwindung, 1976.
19bis.
Zo M.Frede, in: Algra,
1999:792.
20.
Zie daarover vooral
A.J.Festugière, La
Révélation d' Hermès
Trismégiste, vol. II: "Le Dieu
Cosmique", Paris 1949.
21.
De achttien bewaarde (Griekse en
Latijnse) teksten, waarvan een groot aantal heidens-gnostisch van aard
is, behandelen astrologische, kosmologische, alchemistische,
iatromathematische en filosofische thema's. Ze werden vermoedelijk op
het einde van de 3de eeuw verenigd in het zgn. Corpus
Hermeticum. Ontstaan gedurende de drie eraan voorafgaande
eeuwen, bevatten ze geen eenvormige of samenhangende leer. Deze
literatuur en haar filosofisch-religieuze context is diepgaand
bestudeerd door A.J.Festugière, in de vier volumes van zijn La
Révélation d'Hermès
Trismégiste, Paris 1949-54. Het CH zou ook in
de Renaissance een belangrijke rol spelen (o.m. in het Florentijnse
neoplatonisme). Een inleiding en (gedeeltelijke) Nederlandse vertaling
van de hand van Gilles Quispel en R. Van den Broek is nu beschikbaar, Corpus Hermeticum,
uitg. In De Pelikaan (A'dam 2003²); van de Latijnse tekst, Asclepius. De volkomen
openbaring van Hermes Trismegistus, verscheen bij dezelfde
uitgeverij een aparte inleiding en vertaling van de hand van G. Quispel
(1995). Voor nog ruimere informatie zie de website: The Library of Hermetic
Philosophy in Amsterdam.
22.
Voor een verdere bespreking, zie
G.Filoramo, A
History of Gnosticism, 1990:107-110.
23.
In zijn The
Middle Platonists,
1977:384.
24.
Reeds eerder was door Willy
Theiler, in Gott
und Seele im kaiserzeitlichen Denken, 1955:89, de
uitdrukking "Proletarierplatonismus" gelanceerd.
25.
Die
antike Kultur und
das Christentum, 1966:41.
26.
Voor wat volgt, zie vooral
H.Chadwick, Philo and the Beginnings of Christian Thought (1967). Ook
E.Hoffmann, 1925:242-243; H.Simon & M.Simon, Geschichte der
jüdischen Philosophie, 1984:26-36; Boys-Stones,
2001:90-95.
27.
J.Geffcken, Der Ausgang des
griechisch-römischen Heidentums, 1929:34.
28.
Over het belang van die
joods-hellenistische (of hellenistisch-joodse) cultuur, zie Erich
S.Gruen, Heritage
and Hellenism. The Reinvention of Jewish Tradition,
Berkeley 1998.
29.
Zoals ook de al vermelde
Noumenios - nochtans geen jood - het later zou formuleren (fr. 8, Des
Places): "Wat is Platoon anders dan een Attisch pratende
Mozes?"
30.
Zie Boys-Stones, 2001:92-94.
31.
Philoon is inderdaad de eerste
auteur bij wie we de platoonse Vormen herleid vinden tot inhouden
van een goddelijke geest. Dat betekent niet noodzakelijk dat hij ook
aan de oorsprong ligt van die doctrine (die typisch zou zijn voor het
zgn. "midden-platonisme", zie verder).
32.
Zie H.Simon & M.Simon,
1984:34: "De joods-Griekse symbiose, die zich ondanks alle
spanningen in Alexandrië ontwikkelde, bleef voor de joodse
geschiedenis een episode zonder verder werkende consequenties. In de
volgende eeuwen concentreerde het jodendom zijn geestelijke krachten op
de uitbouw van zijn godsdienstleer en op de reglementering van zijn
speciale levensvormen, die in de Palestijnse en Babylonische
Talmudische literatuur gecodificeerd werden". Die
ontwikkeling kan mede verklaard worden door het trauma van de
verwoesting door de Romeinen van de Tempel van Jeruzalem (eerst in 70
nK; een tweede maal in 130).
33.
Zie voor de oudere visie:
J.Dillon,The
Middle Platonists, 1977; ook Ph. Merlan, in: Armstrong,
1967:53-83. Voor de meer recente: Michael Frede, "Epilogue", in:
Algra, 1999:778; Boys-Stones, 2001:99 e.v., stelt de gangbare
zienswijze omtrent het ontstaan én het wezen van het
"platonisme" fundamenteel in vraag. Het eigenlijke "platonisme", als
onderscheiden van de "akademische" schooltraditie, komt z.i. inderdaad
pas in de tweede helft van de 1e eeuw nK echt op
gang (zie ook verder).
34.
De uitdrukking,
"gelijkwording aan God" (homoíosis theooi),
vond hij in Platoons Theaetetus
(176A-B). Voor Platoon, echter, ging het veeleer om een morele, niet om
een mystieke doctrine: "gelijk(end)" is niet
hetzelfde als "één";
bovendien liet Platoon er de relativerende woorden, "in de
mate van het mogelijke" (katà to dunatón),
op volgen: net die woorden worden in de latere citaten vaak weggelaten.
35.
Zie hierover H.De Ley, Macrobius and Numenius,
1972:56-57.
36.
Th.G.Sinnige, Plotinos: Over
schouwing & Tegen de Gnostici, 1981:37.
37.
We hanteren die term
overeenkomstig de wetenschappelijke literatuur, namelijk als
overkoepelende benaming voor een uitgebreide groep of "familie" van min
of meer onderling samenhangende systemen uit de 2de eeuw nK. De term
"gnosis",
daartegenover, wordt voorbehouden voor het
eigenlijk "weten" betreffende goddelijke geheimen,
een weten waarvan het bezit zelve de mens verlost, bevrijdt, namelijk
van een oerfout die verbonden is met het ontstaan van de wereld. Voor
een overzichtelijke bespreking, zie Serge Hutin, Les Gnostiques,
in de reeks Que-sais-je? Nr. 808, 1978; ook het al genoemde boek van
G.Filoramo (1990). In het Nederlandse taalgebied beschikken we nu over
de vertaling van de algemene bespreking van de hand van
één van de grote hedendaagse autoriteiten, Elaine
Pagels: De Gnostische Evangeliën. Met een
voorwoord van Gilles Quispel, Utrecht 2005. Zij baseert zich in de
eerste plaats op de (christelijk-gnostische geschriften in de) zgn. Nag
Hammadi Bibliotheek, een verzameling van een 50-tal (in het
Koptisch vertaalde) gnostische, christelijke, ook joodse e.a. teksten
(samengebracht in 13 codices), afkomstig uit de eerste eeuwen van onze
jaartelling (vermoedelijk werden ze verstopt n.a.v. de vervolgingen van
"ketters", eens het Romeinse rijk gekerstend was). Zij werd eind 1945
bij toeval teruggevonden door een boer, in Boven-Egypte, maar ze is pas
jaren later toegankelijk geworden (cf. J.M.Robinson, The Nag
Hammadi Library, Leiden 1977). De vondst van deze teksten
(w.o. het Evangelie van Thomas, het Evangelie
van Philippus, het Evangelie der Waarheid, het
Evangelie aan de Egyptenaren, de Apocalyps
van Petrus, e.a.) heeft een nieuw tijdperk ingeluid in het
onderzoek, niet enkel naar het gnosticisme, maar ook naar de
oorsprongen van het christendom, in het algemeen. Voor een Engelstalige versie
van de Nag Hammadi teksten op het web, zie URL:
http://www.gnosis.org/naghamm/nhl.html .
38.
Zo B.Geyer, Die
patristische und
scholastische Philosophie, 1956:26.
39.
De grote expert inzake de
Patristiek, Adolph von Harnack, definieerde het gnosticisme als "de
extreme hellenisering van het christianisme". Maar het
syncretisme dat aan de gnostische systemen ten grondslag ligt, reikt
veel verder: behalve joods-christelijke en Griekse
(stoïcijnse, philonische en
platonisch-pythagoreïsche), gaat het ook om oosterse: in het
bijzonder Babylonische, Perzische, Egyptische en Syrisch-Fenicische
voorstellingen. Ook met het boeddhisme zijn er belangrijke
overeenkomsten (van apostel Thomas wordt verteld dat hij naar India zou
gereisd zijn).
39bis.
Contrasteer daarmee de
Apostolische Geloofsbelijdenis: "Ik geloof in
één God, de Almachtige Vader, Schepper van hemel
en aarde", waarin de christelijke vader-god en de joodse
schepper-god met elkaar worden vereenzelvigd. Mogelijk
werd deze geloofsuitspraak precies geformuleerd om het "dualisme" van
Markioon en anderen uit te sluiten. Zie Pagels, 2005:66 e.v.
40.
Deze interpretatie van het
passieverhaal, die, in verschillende varianten, ook bij christenen kan
worden aangetroffen (later ook in de islam), wordt "docetisme" genoemd
(afgeleid van het Griekse werkwoord, dokeîn).
NB Ook de slang (in de oudheid dikwijls beschouwd als een symbool voor
wijsheid), in het Genesisverhaal, kreeg vanwege de gnostici een andere,
d.w.z. positieve interpretatie: via Eva, overtuigde ze Adam te eten van
de boom van de kennis van goed en kwaad, en opende zij dus de
menselijke geest (Eva zelf kon hierdoor het statuut krijgen van het
spirituele principe in de mensheid). De erop volgende verdrijving van
het eerste mensenpaar uit het Paradijs is de wraakoefening van de
afgunstige en kwaadaardige god.
40bis. Let wel:
In het valentiniaanse gnosticisme - "de invloedrijkste en
meest uitgewerkte vorm van de gnostische leer, en verreweg de meest
bedreigende voor de kerk" (Pagels, 2005:69) - was, blijkens
geschriften ervan die teruggevonden werden in Nag Hammadi, niet
écht sprake van een metafysisch dualisme. Zo beschrijft het Driedelige
Traktaat God als "enig Heer en God... Want hij is
onvoortgebracht... Eigenlijk is de enige Vader en God degene, dien
niemand voortbracht. Wat het universum (de kosmos) betreft, is hij
degene, die het voortbracht en schiep" (citaat bij Pagels,
l.c.); de demiurg of schepper, daarmee vergeleken, was van een lagere
rangorde en slechts een werktuig voor de hogere machten. Het feit dat
desondanks ook het valentinianisme als "ketters" bestreden werd (bv.
door Irenaios, bisschop van Lyon rond 180), had vermoedelijk te maken
met het feit dat het net zo goed (of zelfs nog
méér) een bedreiging vormde voor de autoriteit en
macht van de kerkelijke hiërarchie. Deze laatste beschouwde
zich als de enige erfgenaam, krachtens de apostolische opvolging, van
Jezus-Christus en dus als degene aan wie God "zijn
soevereiniteit gedelegeerd had". Zie reeds de brief van ene
Clemens, bisschop van Rome, ca 90-100, aan de gemeenschap van Korinthe:
degenen die niet gehoorzamen aan de door God aangestelde gezagsdragers,
worden er bedreigd met "de doodstraf". Cf. nogmaals
Pagels, 2005:72, die eraan toevoegt dat we in deze tekst "voor
het eerst een pleidooi (vinden) voor de verdeling van de christelijke
gemeenschap in 'clerus' en "leken'". In de
hiërarchische structuur die hiermee zou gepaard
gaan, gingen de bisschoppen zich, naar het voorbeeld van de ene God,
als "monarch" ontpoppen. In
gnostische gemeenten, daartegenover, werden de verschillende functies
bij elke samenkomst opnieuw en door loting toegewezen onder alle
ingewijden, mannen en vrouwen, op voet van gelijkheid (informatie bij
Irenaios en Tertullianus; zie Pagels, 2005:79-81).
41.
Versuche
einer
soziologischen Verortung des antiken Gnostizismus, in:
Numen, 17 (1970), p. 211v. Vgl. ook R.M. Grant, Gnosticism
and Early Christianity, New York 1966², pp. 27 e.v.
- PS ook de vestiging van een "katholieke"
orthodoxie, met de canonisering van een (beperkt) aantal teksten, moet
gekaderd worden in een "politieke" context,
namelijk van de maatschappelijke en politieke implicaties van de vele,
uiteenlopende opvattingen en visies voor de ontwikkeling van het
christendom als een geïnstitutionaliseerde godsdienst of kerk:
"Zo eenvoudig mogelijk gezegd: opvattingen, die
implicaties inhouden die op vijandige voet staan met die ontwikkeling,
worden van het etiket 'ketterij' voorzien; ideeën die er
impliciet steun aan geven [bv. de lichamelijke heropstanding], worden
'orthodox' genoemd", Nagels, 2005:39.
42.
Peter Brown, The World of Late
Antiquity, 1971:67. Zie ook Geffcken, 1920:20e.v.
43.
The
Evolution of
Medieval Thought, 1962:21.
44.
Alle vergelijkingen lopen
natuurlijk mank, maar de filosofische relatie tussen Plotinos en
Porphurios doet denken aan die tussen Platoon en Aristoteles. In beide
gevallen representeert de meester de "dialectische" fase van het
ontwerpen van een nieuwe denkwijze, en de leerling die van de
"discursieve" uitwerking ervan.
45.
Thomas Baumeister, De filosofie en de
kunsten. Van Plato tot Beuys, 2001:76.
46.
Plotinos onderhield, zoals
gezegd, weliswaar nauwe relaties met de hoge Romeinse aristocratie en
met enkele keizers, maar hij probeerde zijn vrienden en leerlingen
ervan af te houden in de politiek te gaan (Leven,
§7, in het geval van zijn vriend, de Arabier Zethos).
47.
Vgl. met Aristoteles' zogenaamde "actief
intellect", in De
anima,
III.5.
48.
"Met voortdurend de
visie van het Imperiale Rome voor de ogen, zo mogelijk, nog
waardevoller gemaakt door de anarchie van de 3de eeuw nK, heeft onze
filosoof eenheid, die slechts een middel is tot een doel, vermoedelijk
genomen als een doel op zich, als de finale oorzaak, en daarom de enige
ware oorzaak van al wat is" (A.W.Benn, History of Ancient
Philosophy, 1912:144).
49.
Plotinos kon hierbij een beroep
doen op formuleringen bij Platoon: in de Politeia-dialoog
wordt "de Vorm van het Goede" vergeleken met de
zon (oorzaak van het er-zijn en het zichtbaar-zijn van alle natuurlijke
dingen) en wordt ervan gezegd dat het, analoog met de zon t.a.v. de
natuurfenomenen, "aan gene zijde van het zijn"
(epékeina tès ousías) staat (Pol 509B9).
50.
Volgens H.Dörrie, Emanation. Ein
unphilosophisches Wort im spätantiken Denken,
1965:136-137, hebben Plotinos en de latere neoplatonici het woord zelfs
juist gemeden. Zie in het volgende citaat, Enn
V, 1, 3.7-17.
51.
We vinden hier ook Philoons
stoïcijns onderscheid terug tussen gedachte en gesproken taal
of lógos; tevens het gebruik van een
andere soort beeldspraak, namelijk warmte-uitstraling.
52.
Een andere, ook
vóór Plotinos al vaak gebruikte beeldspraak (cf.
reeds de zon, bij Platoon), is die van het licht, met het
emanatieproces als een illuminatie- of radiatieproces: zie het volgende
citaat (V, 1, 6).
53.
Plotinos, Enn
III, 8,
8, citeert in dat verband de bekende uitspraak van Parmenides, namelijk
"hetzelfde is er om te denken en om te zijn"
(D-K, 28B3), zie hoger, hfst. 1.
54.
Opmerking van H.Dörrie,
in La doctrine
de l'âme dans le néoplatonisme de Plotin
à Proclus, 1973:116 n. 1.
55.
Zie L.Kolakowsky,The Main Currents of
Marxism, I, 1976:16-17.
56.
Ik baseer me op J.P.Anton, Plotinus' Conception of
the Functions of the Artist (1967-68).
57.
Zie ook het citaat, hoger.
58.
O.m. door het maken van magische
godenbeeldjes, gevuld met "symbolen" van een god of demon (vanuit fauna
en flora, mineralen, enz.), ook door het schrijven en uitspreken van
hun onbegrijpelijke, geheime namen en allerlei andere ritualen, kon
gepoogd worden de tussenkomst te bekomen van een god of demon: d.w.z.
konden eventueel orakels bekomen worden, hulp verkregen worden bij de
hemelvaart, enz. In onderscheid dus met Plotinos, was de ziel niet
langer bij machte op eigen kracht de terugkeer te realiseren; ze was
voortaan afhankelijk van een vorm van goddelijke genade (vgl. met het
christendom). Zie Dodds, 1951, Appendix II. - In de meer recente
literatuur, echter, krijgt Iamblichos een meer positieve, "filosofische
pers".
LITERATUUR
ALGRA, K., & J.BARNES &
J.MANSFELD & M.SCHOFIELD, eds. (1999), The Cambridge History of
Hellenistic Philosophy.
ALLEN, J. (2005), The Stoics on the origin of
language and the foundations of etymology, in: Frede & Inwood
(2005), pp. 14-35.
ANTON, J.P. (1967-68), Plotinus' Conception
of the Functions of the Artist, in: The Journal of Aesthetics and Art
Criticism, XXVI.1 (1967-68), pp. 91-101.
ARMSTRONG, A.H., ed. (1967), The Cambridge
History of Later Greek and Early Medieval Philosophy. Cambridge.
ARMSTRONG,
A.H. (1967a), Greek Philosophy from Plato to Plotinus, in:
Armstrong (1967), pp. 14-132.
BAUMEISTER,
Thomas (2001), De filosofie en de kunsten. Van Plato tot
Beuys. Uitg. Damon.
BENN,
A.W. (1912), History of Ancient Philosophy, London.
BOYS-STONES, G.R. (2001), Post-Hellenistic
Philosophy. A Study of its Development from the Stoics to Origen.
Oxford.
BROWN,
P. (1971), The World of Late Antiquity. From Marcus Aurelius to
Muhammad. London.
CHADWICK,
H. (1967), Philo and the Beginnings of Christian Thought, in:
Armstrong (1967), pp. 133-192.
DE LEY, H. (1972), Macrobius and Numenius. A
Study of Macrobius, In Somn., I, c. 12. Coll.
Latomus, 1972.
DESSOIR,
M., ed. (1925), Die Geschichte der Philosophie. Berlin.
DIHLE,
A. (1982), The Theory of Will in Classical Antiquity. Berkeley.
DILLON,
J. (1977), The Middle Platonists. A Study of Platonism, 80 B.C.
to A.D. 220. London.
DODDS,
E.R. (1951), The Greeks and the Irrational. Berkeley.
DODDS, E.R. (1965), Pagan and Christian in an
Age of Anxiety. Some aspects of religious experience from Marcus
Aurelius to Constantine. Cambridge.
DÖRRIE, H. (1965), Emanation. Ein
unphilosophisches Wort im spätantiken Denken, in: Parusia.
Studien zur Philosophie Platons und zur Problemgeschichte des
Platonismus. Festgabe für J.Hirschberger, hrsg. v. K.Flasch,
Frankfurt, pp. 119-141.
DÖRRIE, H. (1973), La doctrine de
l'âme dans le néoplatonisme de Plotin à
Proclus, in: Revue de Théologie et de Philosophie, 1973, pp.
116-132.
DÖRRIE, H. (1974), Le renouveau du
platonisme à l'époque de Cicéron, in:
Revue de Théologie et de Philosophie, 1974, pp. 13-29.
DÖRRIE, H. (1976), Von Platon zum
Platonismus. Ein Bruch in der Überlieferung und seine
Überwindung. (Rhein.-Westfal. Akademie d. Wiss.,
Vortrage), Opladen.
FERGUSON,
John (1970), The Religions of the Roman Empire, London.
FERWERDA, R. (1984), Plotinus, Enneaden
(Porphyrius, Over het leven van Plotinus en de indeling van zijn
traktaten), vertaald en ingeleid. Baarn-Amsterdam. [PS: Ferwerda heeft zijn
vertaling nu grondig herzien en uitgebreid; Uitg. Damon, 2005,
www.damon.nl ].
FESTUGIÈRE,
A.J., La révélation
d'Hermès Trismégiste, 4 volumes, Paris 1949-54.
FILORAMO,
Giovanni (1990), A History of Gnosticism, Oxford.
FREDE, Dorothea & Brad INWOOD, eds.
(2005), Language and Learning. Philosophy of Language in the
Hellenistic Age. Proceedings of the Ninth Symposium Hellenisticum.
Cambridge.
GERSON,
L.P., ed. (1996), The Cambridge Companion to Plotinus.
Cambridge.
GEFFCKEN,
J. (1920), Der Ausgang des griechisch-römischen
Heidentums (mit Nachträge), Heidelberg.
GEYER, B. (1956), Die patristische und
scholastische Philosophie (in: F.Ueberwegs Grundrisse der Geschichte
der Philosophie, 2.Teil), 13. Aufl. (= 11. Aufl. 1927), Basel-Stuttgart.
GIGON,
O. (1966), Die antike Kultur und das Christentum.
Gütersloh.
HADOT,
Pierre (1995), Qu'est-ce que la philosophie antique? (Folio
Essais).
HOFFMANN, E. (1925), Die antike Philosophie
von Aristoteles bis zum Ausgang des Altertums, in: Dessoir (1925), pp.
141-256.
HUTIN, S. (1978), Les Gnostiques, in de reeks
Que-sais-je? Nr. 808, Paris.
JUFRESA, Montserrat (1981), Basilides, A Path to Plotinus, in: Vigiliae
Christianae 35 (1981), pp. 1-15.
KIPPENBERG, H. (1970), Versuche einer
soziologischen Verortung des antiken Gnostizismus, in: Numen, 17
(1970), p. 211v.
KNOWLES,
D. (1962), The Evolution of Medieval Thought. London.
KOLAKOWSKY,
Leszek (1976), The Main Currents of Marxism, I, The
Founders. Oxford.
LLOYD,
A.C. (1967), The Later Neoplatonists, in: Armstrong (1967), pp.
272-325.
LONG, A.A. (2005), Stoic linguistics, Plato's
Cratylus, and Augustine's De dialectica, in: Frede & Inwood
(2005), pp. 36-55.
MALINGREY, A.-M. (1961),
"Philosophía". Étude d'un groupe de mots dans la
littérature grecque des Présocratiques au
IVème s. après J.C., Paris.
PAGELS, Elaine (2005), De Gnostische
Evangeliën (vert. door E.Versepeut). Met een voorwoord van
Gilles Quispel, Utrecht.
PETERS, F.E. (1972), The Harvest of
Hellenism. A History of the Near East from Alexander the Great to the
Triumph of Christianity. London.
RIST, J.M. (1967), Plotinus, The Road to
Reality. Cambridge.
PRAECHTER, K. (1910), Richtungen und Schulen
im Neuplatonismus, in: Genethliakon, C.Robert zum 6.März 1910,
Berlin, pp. 105-156.
SIMON,
H. & M.SIMON (1984), Geschichte der jüdischen
Philosophie, München.
SINNIGE, Th.G. (1981), Plotinos. Over
Schouwing & Tegen de Gnostici. Ingeleid, vertaald en
geannoteerd. (Dixit), Bussum.
STUTZINGER, D (1983), Der Gnostizismus, in:
H.Beck & P.C.Boll (eds.), Spätantike und
frühes Christentum. Frankfurt, pp. 82-97.
TOPITSCH, E. (1966), Marxismus und Gnosis,
in: Id., Sozialphilosophie zwischen Ideologie und Wissenschaft.
(Soziologische Texte, Bd 10), 2. Aufl., Neuwied, pp. 261-296.
TROUILLARD, J. (1969), Le
Néoplatonisme, in: B.Parain (ed.), Histoire de la
Philosophie, I (Bibl. de la Pléiade),
Paris, pp. 886-935.
WALLIS,
R.T. (1972), Neoplatonism. London.
ZINTZEN, Cl., ed. (1977), Die Philosophie des
Neuplatonismus. (Wege der Forschung, 436), Darmstadt.
|