Antieke Wijsbegeerte: van Thales tot Augustinus.
Een syllabus
door Herman De Ley (© 2009)

• 1ba-INDEX • Syllabi-Index • CIE-INDEX •

 EROS en POLIS

Homo-erotiek en socio-seksueel systeem in Athene

Inhoud:
 

1. De maatschappelijke constructie van seksualiteit

1.1. Inleiding
1.2. Seksualiteit
1.3. De Oude Grieken
1.4. Bronnen voor de klassieke homo-erotiek

2. Homo-erotiek als Atheense "institutie"

3. De "Mannenstaat": het Atheense socio-seksuele systeem

3.1. Patriarchaat en Phallocratie
3.2. Gendersysteem
3.3. Seksuele protocols.

4. De Atheense Knapenliefde

5. Socialisatie en Sumposioncultuur

5.1. Pederastie en pedagogiek
5.2. Oorsprong
5.3. Homo-erotiek

Lexicologisch Addendum

Literatuurlijst.

De hierna volgende schets van het Atheense "socio-seksuele systeem" werd oorspronkelijk opgesteld (in 1992) als onderdeel van een universitaire inleiding bij de lectuur van Platoons Symposium - sedert de Renaissance allicht Platoons meest gevierde dialoog. Het gespreksonderwerp van dat "drinkgelag" betreft, zoals bekend, eros. Een goed begrip van de verschillende interpretaties van "eros", die erin ontwikkeld worden, vereist dat de lezer(es) van de dialoog enig inzicht heeft in de historisch-maatschappelijke en culturele context. D.w.z. dat hij of zij geïnformeerd is over de wijze waarop erotiek en seks in de Atheense samenleving van de 5de en de 4de eeuw  maatschappelijk geduid en genormeerd werden. In het bijzonder het beruchte (wat niet wil zeggen: gekende) fenomeen van de zgn. "Griekse homoseksualiteit" of "pederastie" behoeft historisch-kritische toelichting.

Ten einde de uiteenzetting toegankelijker te maken voor het niet-academisch publiek, heb ik alle vreemdtalige citaten in de hoofdtekst (dus niet in de noten) naar best vermogen omgezet in het Nederlands. De lezer(es) zij wel gewaarschuwd dat de hedendaagse vakliteratuur - die vooral op het gebied van de algemene problematiek (seksualiteit, gender, homoseksualiteit, enz.) bijzonder uitgebreid én gediversifieerd is - slechts partieel geraadpleegd werd.*

PS Afbeelding hierboven: Attische roodfigurige keramiek, van de hand van de zgn. Hegesiboulos schilder, einde 6de eeuw; New York 07.286.47; overgenomen uit Dover, 1978, nr. R295, die het volgende commentaar geeft: "Op R295* zien we een man bij een symposium, die door een naakte jongen een krans op zijn hoofd gedrukt krijgt en zijn kans waarneemt om de penis van de jongen te betasten. De jongen zal wel een slaaf zijn en de sfeer van de afbeelding lijkt er, hoe dan ook, één van kwajongensachtige humor" (p. 106 van de Nederlandse vertaling); zie ook M.Kilmer, 1993:68".


1. De maatschappelijke constructie van seksualiteit

Het Symposium is één van Platoons drie dialogen die thematisch toegespitst zijn op de intermenselijke relatie die wij gewoonlijk met de term "liefde" plegen aan te duiden:

--  de ("vroege") Lysis doet dat middels een discussie over φιλία, philía (traditioneel vertaald door "vriendschap", maar zie het lexicologisch addendum);

--  Symposium en Phaedrus handelen over betekenis en natuur van ἔρως (eroos).

Een correct begrip van de (vaak misbegrepen)  "platonische liefde" vereist o.m. dat we voorafgaandelijk de historisch-maatschappelijke context schetsen binnen dewelke Platoon zijn opvattingen daaromtrent ontwikkeld heeft.  Vooreerst nochtans enkele algemene, theoretische beschouwingen, o.m. bedoeld voor wie de noodzaak zou betwisten van een dergelijke historische situering m.b.t. wat dan toch een universeel menselijk gegeven lijkt te zijn: namelijk liefde en seksualiteit.

 

1.1. Inleiding. Laten we, voor de "toonzetting", starten met de publieke belijdenis van een 4de-eeuwse redenaar-politicus:

"Ik, voor mijn part, heb geen kritiek op een legitieme liefde (díkaios eroos). Evenmin zou ik willen beweren dat al wie van een opvallende schoonheid is, zich daarom ook geprostitueerd heeft; of zou ik willen loochenen zélf een man-van-eros (erotikós) geweest te zijn én het ook nú nog altijd te zijn. Neen, ik ontken niet dat ik mijn part heb gehad in de onderlinge naijver en ruzies die daarmee altijd gepaard gaan.

Wat de liefdesgedichten betreft, waarvan mijn opponenten beweren dat ik ze geschreven heb, wel, dat van die gedichten geef ik toe, maar ik ontken dat ze het karakter hadden dat zij er, door verdraaiing, willen aan geven.

In mijn definitie, is het liefhebben van mooie en verstandige (knapen) een hartstocht die eigen is aan een sociaal voelende en genereuze inborst; zich daarentegen overgeven aan uitspattingen met iemand die men voor geld heeft gehuurd, is het gedrag van een geweldenaar en een man zonder educatie. Verder is het in mijn ogen eervol zich (als knaap) te laten liefhebben zonder zich te laten corrumperen, maar is het schandelijk, het hoofd op hol gebracht door geld, zich geprostitueerd te hebben".
 

Aldus Demosthenes' opponent, Aischines, in zijn redevoering, Tegen Timarchos (136-137). Uitgesproken in 346 vK, is de rede de enige bewaarde, substantiële tekst uit de klassieke periode, die handelt over homoseksuele relaties en gedragingen. Aischines zelf was in 346 ongeveer vijfenveertig jaar oud en was op dat ogenblik nog altijd een overtuigd, enthousiast én praktiserend "pederast". Het feit dát hij dat zo openlijk belijdt, in de geciteerde passus, is een kapitale aanwijzing voor de status en de positieve waardering die een bepaalde vorm van gelijkslachtige liefde in klassiek Athene genoot - niet alléén in aristocratische middens, maar ook onder de (betere) leden van de dèmos, of burgerij.

Voor wie zich vragen mocht stellen bij de getuigeniswaarde die hiermee aan Aischines' tekst gegeven wordt, kan gewezen worden op de juridische context waarin zulke redes werden uitgesproken. Zoals bekend, fungeerden er in de Attische rechtspraak geen beroepsrechters, maar lag het oordeel onmiddellijk in handen van een soort van volkstribunaal, bestaande uit vele honderden (door loting aangestelde) burgers. Elke pleiter, bijgevolg, was erop bedacht, het juiste èthos, of morele karakter, van zichzelf te creëren. D.w.z. hij diende deze "gewone" burgers ervan te overtuigen dat hij, en niet zijn opponent, een goede en respectabele persoon was; alleen al zijn levenswandel moest het positieve vooroordeel doen ontstaan dat hij in het gelijk was. Een spreker kon het zich eenvoudig niet permitteren, in die omstandigheden, gevoelens of waardeoordelen uit te drukken waarvan hij kon vermoeden dat ze bij het doorsnee-jurylid verdacht zouden klinken, of afkeer zouden opwekken.

In dat licht mag Aischines' Tegen Timarchos wel degelijk beschouwd worden als een tekst die ons toegang verleent tot de gevoelens inzake homoseksualiteit, die een politicus in klassiek Athene  publiekelijk nog het veiligst kon uiten - in onderscheid dan met bv. de dialogen van Platoon, die zich enkel tot (filosofisch geïnteresseerde) lezers richtten.

Gelijkslachtige liefde wàs dus respectabel in Athene, tenminste in haar "legitieme" vorm (Aischines spreekt van "legitieme eros"). En deze uitspraak mag allicht veralgemeend worden tot de oud-Griekse cultuur in het algemeen (pas het christendom lijkt daarin een definitieve ommekeer te hebben gebracht. Homoseksualiteit wordt door sommige historici zelfs bestempeld als de differentia specifica van de oud-Griekse cultuur, in vergelijking met de rest van de (oostelijke) mediterrane wereld: niét in de zin van het plaatsvinden van mannelijke, gelijkslachtige relaties (zij kwamen zonder de minste twijfel ook elders regelmatig voor), maar in de zin van een openlijke en algemeen aanvaarde praktijk [1] .


1.2. Seksualiteit.
In aansluiting bij het algemene taboe dat in het christelijke Westen eeuwenlang gegolden heeft tegen homoseksualiteit (vereenzelvigd met de zonde van "sodomie"), werd ook binnen de moderne klassieke filologie[2] de "Griekse homoseksualiteit" lange tijd vrij algemeen veroordeeld, verdrongen en/of verhuld (bv. onder de vage formulering van "Griekse liefde"). De laatste decennia, nogmaals in aansluiting bij bredere maatschappelijke ontwikkelingen, is die situatie gelukkig veranderd. Sommige auteurs gewagen nu zelfs van een "ware explosie van publicaties" (Cartledge). De wetenschappelijk meest waardevolle "fall-out" hiervan was zonder de minste twijfel de nu al klassieke studie van Kenneth Dover: Greek Homosexuality, van 1978[3].

Tegelijkertijd hebben die publicaties ook de  grote kloof duidelijk gemaakt, die de moderne opvattingen en praktijken inzake (homo)seksualiteit scheidt van die van de oude Grieken. Zoals de Franse historicus Paul Veyne het onomwonden formuleerde:

"de antieke seksualiteit en de onze zijn twee structuren die geen enkel verband hebben met elkaar; de begrippen dekken elkaar zelfs niet" [4].

De methodologische problemen die zich stellen voor wie een historische schets wil geven van de "Griekse homoseksualiteit", beginnen inderdaad al op het vlak van de meest algemene termen en begrippen die wij gewend zijn daaromtrent te hanteren: namelijk "seksualiteit", "homoseksualiteit", "heteroseksualiteit", "homoseksueel", enz. De plaats ontbreekt om, in het kader van deze bespreking, diep op deze theoretische discussies in te gaan. De volgende, notities moeten volstaan.

Seksualiteit wordt, in de westerse ideologie van alledag, beschouwd als een onveranderlijk, "natuurlijk" - en dus ook universeel - gegeven in het menselijke bestaan. Zij is een instinctieve kracht of aandrift, waarvan de kenmerken zijn ingebouwd in de menselijke anatomie en biologie (de genen), en ze zoekt constant een uitweg - hetzij in een direct seksuele gedaante hetzij, wanneer ze onderdrukt wordt, in de vorm van perversie of neurose. Als een soort van autonome, psycho-fysische eenheid, ligt ze ten grondslag aan onze individuele "seksuele identiteit", en dus aan onze persoonlijke, seksuele voorkeur en verlangens. Iedere mens m.a.w. heeft zijn of haar seksuele natuur of persoonlijkheid en als zodanig is alle seksueel gedrag de uitdrukking van een vaste, innerlijke habitus of dispositie.

Volgens Freud wordt die exclusieve dispositie, na een puberale periode van aarzeling en onbepaaldheid in de keuze van het seksuele object, uiteindelijk door elk "normaal" individu eens-en-voor-goed verworven. De moderne visie, daarom, op het menselijke gedrag is typisch gefundeerd, niet alleen op de categorie van de seksualiteit, maar ook op de onherleidbare oppositie, dichotomie zelfs, tussen "heteroseksueel" en "homoseksueel":

--  heteroseksueel gedrag is kenmerkend voor één bepaald persoonlijkheidstype: dat van "de heteroseksueel"; het wordt als "normaal" of "natuurlijk" gekwalificeerd. De heteroseksuele persoonlijkheid, die kenmerkend wordt geacht voor de overgrote meerderheid der mensen, leidt - zo luidt de communis opinio - tot exclusief heteroseksueel gedrag.

--  homoseksueel gedrag, anderzijds, is de manifestatie van het tegenovergestelde - "abnormale", "onnatuurlijke", "perverse", zo niet "ziekelijke" [5] - type: dat van "de homoseksueel", "de homo", "de holebi"... De homoseksuele persoonlijkheid leidt noodzakelijk tot exclusief homoseksueel gedrag[6].

Deze "essentialistische" kijk op seksualiteit heeft vanwege de geneeskunde, psychiatrie en psychologie een wetenschappelijke (genetische, hormonale, neurohormonale...) onderbouw gekregen. Zij is niet enkel courant in conservatieve en religieuze middens ("'s mensen lusten moeten beteugeld worden!"), maar ook in de 20ste-eeuwse emancipatiebewegingen ("'s mensen seksualiteit moet bevrijd worden!"). [7]

In contrast met deze ingeburgerde opvatting werd, tijdens de voorbije decennia, in de sociale wetenschappen, de etnologie, de psychoanalye en de filosofie een gans verschillende visie op de seksualiteit ontwikkeld; zij wordt gemeenlijk samengevat, in oppositie met de term "essentialisme", onder de noemer van "constructionisme"[8]. De meest baanbrekende bijdrage hieromtrent kwam wellicht van de Franse filosoof, Michel Foucault, met zijn baanbrekend historisch-filosofisch project, "Histoire de la sexualité" [9].

Seksualiteit - die als categorie onderscheiden wordt (maar zie n. 16)

(a) zowel van het biologische "geslacht" ("kunne") of de "sekse", i.e. het geheel van de geslachtsfuncties en erogene vermogens van het menselijke lichaam, zoals (weliswaar niet altijd eenduidig) bepaald door de complexe relatie tussen genetische, hormonale, biochemische, anatomische e.a. kenmerken;

(b) als van het maatschappelijke "geslacht", of het "gender"[10], i.e. het geheel van gedragingen, persoonlijkheidskenmerken, normen en algemene (rol)verwachtingen die in een particuliere samenleving conventioneel vereenzelvigd worden met respectievelijk "mannelijkheid" en "vrouwelijkheid", en die aldus de basis vormen voor de genderidentiteit (het zich "man-" of "vrouw-voelen" of "-weten") van de leden van die samenleving -

is in deze visie geen louter "natuurlijk", maar integendeel een bij uitstek cultureel of maatschappelijk fenomeen: ze betreft namelijk de (inter)menselijke zingeving of toeëigening van de (biologisch gegeven) erogene zones en seksuele vermogens, zoals zij eigen is aan, en dominant is in een particuliere cultuur. 's Mensen seksualiteit is bijgevolg in verregaande mate het product van een historisch-maatschappelijke "constructie". Zoals geformuleerd door J.Henderson, Greek Attitudes toward Sex (mijn vertaling)[11]:

"Seksualiteit is dat complex van reacties, interpretaties, definities, verboden en normen, dat door een bepaalde cultuur gecreëerd en gehandhaafd wordt in antwoord op het feit van de twee biologische seksen".

Op de (bijzonder complexe) vraag, hoé die maatschappelijke "constructie" precies in haar werk gaat, en hoe zij daadwerkelijk vorm geeft aan de verlangens van het individu zowel als aan zijn of haar ervaringen en zelfbegrip, hoeven we hier (gelukkig) niet nader in te gaan. Zij wordt, niet toevallig, uitvoerig bediscussieerd in de sociologische en filosofische literatuur die geproduceerd is binnen de 20ste-eeuwse homobeweging. Een belangrijke gevolgtrekking van deze constructionistische visie is natuurlijk wel dat

"de normen, de praktijken, tot de definities toe van wat geldt als seksuele activiteit, van cultuur tot cultuur betekenisvolle variaties hebben vertoond"[12].

Alle "seksualiteit" is dus onvermijdelijk historisch-cultureel bepaald - wat een waarschuwing moet zijn, bij een tekst als Platoons Symposium, voor het gevaar van een anachronistische lectuur. Maar dat gevaar situeert zich op een nog veel fundamenteler niveau. Volgens de hedendaagse theorievorming - die ook op dit punt zeer veel te danken heeft aan Foucault - stelt het probleem zich niet enkel, of zelfs niet zozeer in termen van de historische verschillen tussen, bv., de oud-Griekse en de moderne "seksualiteiten". De categorie "seksualiteit" als zodanig, zo luidt het, is een specifiek product van de moderniteit:

"Seksualiteit... is een specifiek moderne productie, een wijze van begrijpen van ervaring (en daarom een wijze van ervaren) die geëigend is voor een hoog gedifferentieerde, geïndustrialiseerde en gemoderniseerde samenleving"[13].

De term zélf van "seksualiteit" wordt pas aangetroffen vanaf het begin van de 19de eeuw; de (barbaarse) samenstelling "homoseksualiteit" is, zoals bekend, pas gecreëerd rond 1868[14]. De historische wortels echter van deze categorievorming liggen in de 16de en 17de eeuw. Volgens Foucault had dat vooral te maken met de ontwikkeling, bij de aanvang van de moderniteit, van nieuwe machtsmechanismen[15]. Zijns inziens ís seksualiteit een dergelijk, zogenaamd "biopolitiek" machtsmechanisme, dat als maar dieper doordringt in de relaties tussen mensen, in hun geesten en lichamen. Vandaar heeft hij het ook over het "seksualiteitsdispositief" (De Wil tot Weten, p. 77 e.v.) [16]. De genese ervan geschiedde via de verzelfstandiging en interiorisering van het geslachtelijke.

"Verzelfstandiging", want het menselijk seksueel gedrag werd, via de "uitzaaiing van de (biecht- en) bekentenisprocedures" (ibid., p. 65), een apart onderzoeksdomein, in de eerste plaats van geneeskunde en psychiatrie. Seksualiteit geldt daarom als een quasi-zelfstandig werkzaam domein van de maatschappelijke werkelijkheid, waarbij het zo goed als identiek is aan de sfeer van het privé-leven.

De "interiorisering", anderzijds, van het geslachtelijke viel samen met de constitutie van de moderne subjectiviteit, d.w.z. de moderne cultuur van het  zélf. Het moderne individu ging zich constitueren en herkennen als "subject", precies doordat het zichzelf leerde ervaren als seksueel subject, als "subject van een 'seksualiteit'"(Foucault, L'usage des plaisirs, p. 11). De verschillende aspecten van het zelf, m.a.w., zoals verlangens, morele idealen, goed gedrag, geslachtsattitudes, persoonlijke relaties, mentale beelden, fysische gewaarwordingen, enz., enz., plegen dusdanig met elkaar verbonden te worden dat een welbepaald seksueel karakter wordt gevormd (Halperin, 1990a:162 n.48). Seksualiteit vormt als zodanig "het meest innerlijke deel van een individuele menselijke natuur" (ibid., p. 26). In het moderne zelfbewustzijn, daarom, is zij het die de sleutel levert voor het ontraadselen van de "geheimen" van de menselijke persoonlijkheid (cf. Freud, natuurlijk). Anders gezegd, "seksualiteit ligt in het centrum van de hermeneutiek van het zelf (ibid.). Zoals D. Bos het samenvat[17]:

"Vanuit die... seksuele identiteit kunnen allerlei gedragingen, ervaringen en verlangens worden verklaard: alles is te herleiden tot de conditie van het 'libido'. Dit libido maakt - als meest interne element in de mens, als causaal principe - een nieuw waarheidsvertoog van het individu over zichzelf mogelijk, een nieuwe 'egologie'".

Eens het "zelf" aldus seksueel gedefinieerd is, is alle seksueel gedrag "vanzelfsprekend" de uitdrukking van een vaste innerlijke habitus of dispositie. "Seksualiteit" vooronderstelt dus het moderne "zelf"-begrip. Dat geldt ook voor de "siamese tweeling": "homoseksueel" en "heteroseksueel". Het gaat hier niet enkel om nieuwe seksuele types, maar ook om "nieuwe types van verlangen, nieuwe soorten van verlangende menselijke wezens".[17bis] 


1.3. De oude Grieken.
Vergeleken met de moderne wereld, was de antieke een wereld "vóór de seksualiteit" - zoals de titel luidt van de belangrijke bundel Before Sexuality (1990; ondertitel, in vertaling: "de constructie van de erotische ervaring in de oud-Griekse wereld"). Seksualiteit m.a.w. vormde er géén apart domein, quasi samenvallend met het privé-leven, zoals bij ons, maar ze was integendeel nog verregaand  geïntegreerd in de vele, verschillende aspecten van het maatschappelijke leven van de polisburger: politieke, sociale, economische, culturele, religieuze... Dat geldt trouwens voor de gehéle "premoderniteit". Zoals Robert Padgug het formuleerde:

"wat wij als 'seksualiteit' beschouwen, was, in de pre-bourgeois wereld, een groep van handelingen en instituties die niet noodzakelijk aan elkaar gekoppeld waren, of, als zij gekoppeld waren, op vele manieren gecombineerd werden die erg verschilden van de onze. Geslachtsgemeenschap, verwantschap, familie en 'gender' vormden niet zoiets als een 'veld' van seksualiteit. Veeleer was elke groep van seksuele handelingen direct of indirect verbonden met, d.w.z. maakte deel uit van, instituties en denkpatronen die wij geneigd zijn te beschouwen als politiek, economisch of sociaal van aard, en de verbanden doorkruisten ons idee van seksualiteit als een ding dat kan worden losgemaakt van andere dingen, en als een aparte sfeer van het privé-leven".[18]

Een naïef toepassen, dus, van de moderne categorie "seksualiteit" op de antieke wereld brengt het reële risico met zich mee dat we de betekenissen van de seksuele ervaring die eigen waren aan die wereld, geweld zouden aandoen. Vanzelfsprekend waren de Ouden zich bewust van het spectrum van mogelijke variaties in menselijk seksueel gedrag, maar het algemene uitgangspunt was toch "dat wij allen deelgenoot zijn in dezelfde fundamentele set van seksuele verlangens, (dus) in dezelfde 'seksualiteit'" (Halperin, o.c., p. 27). Zoals dat ook geldt voor andere premoderne samenlevingen, werden in het oud-Griekse betekenissensysteem in de eerste plaats gedragingen, géén personen geclassificeerd - het weze dan dat de geldende maatschappelijke normen a.h.w. ideaal-typisch gepersonifieerd werden: op een positieve manier in de figuur van de "hopliet", d.w.z. de burger-krijger; negatief in de "kínaidos", als stereotype belichaming van extreme (gender)deviantie, d.w.z. gedrag dat flagrant indruiste tegen de dominante definitie van "mannelijkheid" [18bis]. Het gaat hier niét om een "seksuele", maar om een maatschappelijke of politieke typologie; iemands seksuele identiteit én (geëigend) seksueel gedrag, zou je kunnen zeggen, werden bepaald door zijn maatschappelijke status (Halperin, 1990c:33).

Zo moet in de eerste plaats op het vlak van de taal worden vastgesteld dat het Grieks géén woorden bezat die ook maar minimaal zouden overeenstemmen met moderne uitdrukkingen als: "een homoseksueel", "een heteroseksueel", of met de begrippen "homoseksualiteit" en "heteroseksualiteit". Belangrijker nog is dat er op het vlak van het gedrag en de psychologie géén plaats was voor de opvatting dat iemands seksuele smaak of voorkeur een constitutief aspect zou zijn van zijn of haar persoonlijkheid. In de Griekse context, anders gezegd, impliceerde homoseksueel gedrag geenszins noodzakelijk een "homoseksuele" dispositie of persoonlijkheid. De Grieken - d.w.z. de Griekse mannen - voelden zich in hun eigen ervaring dus niet geconfronteerd met een hetzij/hetzij keuze, tussen een "hetero" dan wel een "homo" te zijn. Integendeel, zoals Dover schrijft (1978:1):

"De Griekse cultuur verschilde van de onze in haar bereidheid het alterneren te erkennen van homoseksuele en heteroseksuele voorkeur in hetzelfde individu, en in haar impliciet ontkennen dat een dergelijke alternering of coëxistentie bijzondere problemen schiep voor het individu of de samenleving".

De afwezigheid van de moderne categorieën  (vergelijk ook met de moderne differentiatie tussen: economie, politiek, religie, enz.)  betekende, zoals gezegd, zeker niet dat de Grieken zich niet bewust waren van verschillen in seksuele voorkeur bij personen van hetzelfde geslacht; of dat ze niet erkenden dat een kleine minderheid overwegend, eventueel zelfs uitsluitend, "gelijkslachtig" gericht was (zie verwijzingen bij Dover, 1978:62, en Halperin, 1990a:163 n.53). Wél blijkt uit tal van teksten dat, ter bevrediging van (mannelijk) seksueel verlangen, mannelijke en vrouwelijke partners perfect  omwisselbaar werden geacht. Eén voorbeeld uit de vele geeft een passus uit Theokritos' Bereiding van de Liefdesdrank, v. 44v. (vert. E.A.Leemans), een afgewezen minnares is aan het woord:

"Driemaal pleng ik dit vocht, en driemaal, Machtige, roep ik: | Weze 't een vrouw die nu bij hem ligt, of weze 't een man, | moge hij zó vergeten, als Theseus, zegt men, op Naxos | eenmaal schone Ariadne vergat, met haar sierlijke vlechten".

De antieke wereld beschouwde geslachtelijk verkeer tussen mannelijke partners dus als een integraal bestanddeel van een "seksualiteit" die relaties met vrouwen niet alleen niet uitsloot, maar zelfs als noodzakelijk en verplicht (ook als wenselijk) beschouwde, namelijk ter wille van een nageslacht. In die context was het dus geen probleem, in Athene, de intensiteit van je "homoseksuele" gevoelens openlijk te belijden - zoals Aischines dat doet in zijn Tegen Timarchos.

Maar het ging dan wel om een "homoseksualiteit" die door de band (d.w.z. niet exclusief) beoefend werd in een relatie tussen een volwassen man en een jonge adolescent. Onder "homoseksualiteit" in het oude Griekenland wordt daarom normaal "pederastie" begrepen - hoewel het Griekse woord παιδεραστία zeker géén equivalent is voor ons woord "homoseksualiteit" [19]. Omwille van de "dispositionele" connotatie die dit laatste woord voor óns onvermijdelijk met zich meedraagt, lijkt het zelfs verkieslijk om deze terminologie m.b.t. de oudheid zoveel mogelijk te vermijden. Vandaar dat we, in de rest van deze uiteenzetting, systematisch de uitdrukking "homo-erotiek" zullen gebruiken: zij biedt en plus het voordeel dat ze tenminste een samenstelling is van twéé Griekse woorden.[19bis]


1.4. Bronnen.
Het hoeft geen betoog dat de studie van de Griekse homo-erotiek en pederastie - zij is ongeveer anderhalve eeuw oud - een permanente strijd heeft moeten leveren tegen historisch-externe, morele en moraliserende noties en vooroordelen levend in de westerse samenleving. In lijnrecht contrast daarmee, formuleerde Kenneth Dover (1978), in zijn Preface, een verregaand amorele beginselverklaring, wat het menselijk seksueel gedrag betreft. In de Nederlandse vertaling ervan (1989:6):

 "Geen enkel betoog dat beweert aan te tonen dat het verschijnsel homoseksualiteit natuurlijk is of onnatuurlijk, gezond of ziekelijk, legaal of illegaal, in overeenstemming met de wil van God of ermee in strijd, vertelt me of een bepaalde homoseksuele handeling goed is of fout. Ik verkeer in de gelukkige omstandigheid dat ik door geen enkele geslachtelijke daad moreel geschokt word of er weerzin tegen voel, mits die daad voor de betrokkenen plezierig en aangenaam is. Iedere daad kan - voor mij of voor enig ander individu - esthetisch aantrekkelijk of esthetisch weerzinwekkend zijn. Iedere daad kan worden verricht ter bevordering van een moreel goed of een moreel slecht doel. Iedere daad kan goede of slechte gevolgen hebben. Geen enkele daad is heilig, of anderzijds schandelijk, louter en alleen omdat zij iets met seks te maken heeft".

Een tweede hoofdobstakel voor een historische studie vormt de beperktheid en gebrekkige staat van het bronnenmateriaal dat ons uit de klassieke oudheid ter beschikking staat (het heeft bovendien overwegend betrekking op Athene). De belangrijkste literaire bronnen zijn vlug opgesomd:

--  de (fragmentarische) laat-archaïsche en vroeg-klassieke lyriek (Ibukos, Theognis, Anakreoon, e.a.);

--  de Attische Oude Komedie (Aristophanes en fragmenten);

--  de dialogen van Platoon (vooral het Symposium en de Phaedrus); Xenophoons Symposium;

--  de al vaak vermelde rede van Aischines Tegen Timarchos (in mindere mate de Apologie tegen Simoon, van de logograaf Lusias, en de Erotikos van Ps-Demosthenes);

--  de weliswaar hellenistische, of zelfs laat-antieke, homo-erotische of pederotische poëzie: vooral boek XII van de Anthologia Palatina, met de verzameling van meer dan 200 epigrammen, getiteld, "Paidikè Moûsa", overwegend van de hand van Stratoon van Sardeis (ca 130 nK); in het Nederlands vertaald door Ch. Vergeer (1979).

Een belangrijke, figuratieve bron vormen vanzelfsprekend de vele honderden Attische vazen en keramieken met homo-erotische motieven en scènes. Een uitvoerige lijst hiervan is te vinden achteraan bij Dover (1978), pp. 205-225; maar zie nu vooral de systematische presentatie en interpretatie van het pictografisch materiaal (i.e. "the corpus of Attic red-figure erotica of the late Archaic period"), in M.Kilmer (1993).

Wel dient opgemerkt dat de interpretatie van dit plastische materiaal zo mogelijk nog méér problemen stelt dan die van de literaire testimonia. Bovendien is er een belangrijke chronologische décalage tussen de vazen, enerzijds, en de literaire testimonia, anderzijds: de meeste afbeeldingen stammen van tussen 570 en 470. Anders gezegd, aan de grote periode van de erotische vaasschilderingen kwam een einde een halve eeuw vóór de geboorte van Platoon en de vroegste stukken van Aristophanes. Het gaat dus niet op, strikt genomen, de vaasschilderingen als illustraties te beschouwen bij de literatuur (of omgekeerd, de literatuur als een soort van "commentaar" bij de vaasschilderingen).

Zoals gezegd, stond seksualiteit in de oudheid niet los van de rest van het (inter)menselijke leven en denken. Dat geldt bovenal voor de klassieke homo-erotiek, die haar weg vond in de Griekse mythologie, kunst, poëzie, geschiedenis, opvoeding en filosofie; op het vlak van de socio-seksuele verhoudingen moet o.m. gewezen worden op het belang van de antieke slavernij (Siems, 1988:14, stipt aan dat de invloed ervan op het antieke geslachtsleven nog onvoldoende in beschouwing is genomen). Een bespreking die zich te veel toespitst op de "seksuele" en lichamelijke aspecten ervan - zoals wij hier noodgedwongen moeten te werk gaan -, roept bijgevolg vanuit historisch-wetenschappelijk oogpunt bedenkingen op. Bovendien riskeert zij de homo-erotische ervaring en expressie in de Griekse oudheid al te zeer te trivialiseren. "Maar", zoals Sappho schreef (fr. 31), "alles moet gewaagd, want (dat doet) ook de armoezaaier...".

 



2. Homo-erotiek als Atheense "institutie".

Aischines' belijdenis leerde ons dat homo-erotiek politiek respectabel was in klassiek Athene - althans in haar "legitieme" gedaante, wat zoveel wil zeggen als: wanneer ze zich hield aan de geldende regels.

Uit het overgeleverde materiaal kunnen inderdaad een aantal conventionele spelregels worden afgeleid - van fatsoenlijkheidsnormen tot juridische bepalingen -, die samen a.h.w. het "seksuele script" vormden van deze homo-erotiek. Dat script organiseerde de wijze waarop de partners participeerden in een geheel van gedragingen die wederzijdse afhankelijkheid meebrachten; tegelijkertijd gaf het aan gedragsvormen en lichamelijke contacten de nodige symbolische betekenis om de betrokkenen inderdaad seksueel te motiveren[20]. Het "officiële" karakter van dat homo-erotische script laat ons toe te zeggen dat homo-erotiek noch min noch meer een maatschappelijke  institutie was in klassiek Athene.

Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat in Athene - waar "iedereen leefde zoals het hem beliefde" (dixit Platoon) - die institutionalisering niét het formele peil bereikte van het dirigistische Sparta. Net zoals op Kreta, vormde de pederastie daar een onderdeel van de verplichte zgn. "agogiek", i.e. een militaristisch, semi-ritueel opleidingsprogramma, dat iedere jonge Spartaan moest doorlopen, wou hij later deel uitmaken van het korps van de "Homoîoi", of "Gelijken"[21].

Tenslotte moeten we ons, bij de hierna volgende bespreking van die "regels", vanzelfsprekend constant bewust zijn van de onvermijdelijke "kloof tussen werkelijkheid en conventie" (Dover). Anders gezegd, zoals voor maatschappelijke, religieuze of morele normen in het algemeen geldt, was er ook hier geen sprake van een causale relatie tussen norm en concreet gedrag.

Vooreerst, zoals geïmpliceerd door de Griekse terminologie, was deze homo-erotiek (nogmaals: in haar "legitieme" vorm) gelimiteerd tot relaties tussen, enerzijds, volwassen mannen (gewoonlijk jonge volwassenen) en, anderzijds, "knapen" of jonge adolescenten. De maatschappelijke terminologie liegt er niet om: de "geliefde" wordt - in proza vaak, in poëzie bijna altijd - παῖς ("paîs") genoemd, een woord dat ook gebruikt werd met de betekenis van "kind", "zoon", alsook "slaaf"[22]. Dat gegeven had twee belangrijke gevolgen, namelijk:

1)  de Griekse homo-erotiek betrof "normalerwijze" een in de tijd omschreven en voorbijgaande fase in de mannelijke levenscyclus;

2)  ze was gebaseerd op een ongelijkheid of ongelijkwaardigheid tussen de partners, en met name op het principe van (seksuele) niet-wederkerigheid.

De leeftijdsomgrenzing gold bovenal voor de  jongere partner in de relatie, d.w.z. voor de "geliefde". Steeds weer wordt in antieke verwijzingen naar de pederastie beklemtoond dat de paîs de "passende" leeftijd moet hebben. Helaas, zegt geen getuige wát precies die passende leeftijd was. Uit het bronnenmateriaal vormt zich wel een globaal beeld, namelijk van een leeftijdsperiode tussen, grosso modo, 12 jaar en 17 à 18 jaar.

Het belang van de leeftijd, in dit script, met name voor de seksuele motivatie van de minnaar (erastès), vormt het thema van een epigram van Stratoon, namelijk nr. 4 [23]:

"De leeftijd van twaalf geeft me vreugde, maar
veel verlokkender is me de dertienjarige.

Wie tweemaal zeven jaren telt, heeft de zoetere liefdesbloei,
maar wie aan driemaal vijf begint, is verrukkelijker.

Zestien, dan, is der goden leeftijd, maar met zeventien
zoek ik ze niet langer: zij behoren toe aan Zeus.
Wie 'n nog oudere begeert, die is 't niet meer om 't knapenspel
te doen, maar zoekt al een repliek"
.

De leeftijdsgrens  naar boven, voor de paîs, stelde nog het minst problemen, want ze was a.h.w. fysiologisch gegeven: het schieten van de baard en van de lichaamsbeharing betekende onherroepelijk het einde van het paîs-zijn, én van de erotische en seksuele aantrekkelijkheid van de adolescent[24]. De vele pederotische epigrammen, in A.P. XII, die dit fysiologische fenomeen als thema hebben, wijzen erop dat die opkomende baard  en beharing een ware obsessie konden vormen voor de "knapen" - want het definitieve einde van hun "succes" -, en dus ook een constant pressiemiddel waren vanwege hun minnaars, voor het snel bekomen van seksuele "gunsten". Vergelijk bv. de slotversen van nr. 186 (Stratoon):

"Komen zál je baard, het laatste maar ook het grootste onheil,
en dan zal je wéten wat het is, zónder vrienden te zijn!"
.[25]

Toch zijn er enkele voorbeelden bekend, in de literatuur, van relaties die deze grens van de volwassenwording, bij de paîs, overleefd hebben. Zo het koppel Pausanias (de minnaar) en Agathoon (de paîs): reeds in Platoons Protagoras (dramatische datum: ca 335) komt de "tiener" Agathoon ter sprake als "het lief" van Pausanias. In het Symposium, d.w.z. een twintig jaar later (dramatische datum: 416, Agathoon heeft net zijn eerste tragedieprijs behaald), zijn ze nog altijd "samen"; en toen Agathoon, een kleine tien jaar later, ca 408/7, uitgenodigd werd naar het Macedonische hof, is Pausanias hem klaarblijkelijk gevolgd.[26]

De grens naar boven, voor de paîs, was dus vrij probleemloos, althans vanuit het oogpunt van de minnaar: zij was in feite een kwestie van diens persoonlijke smaak of voorkeur. Daartegenover lag die naar onderen, d.w.z. de minimumleeftijd, veel delicater. Alles wijst erop dat het liefhebben van een "te jonge" paîs in veel sterkere mate aanleiding gaf tot sociale afkeuring, dan het liefhebben van een "te oude" paîs. Vergelijk nogmaals Stratoon hieromtrent, in twee epigrammen. Vooreerst nr. 205:

"Het zoontje van de buur, nog gans teer, prikkelt mij geen klein beetje;
als iemand die van wanten weet, lacht hij me toe: hij wíl wel.
Maar hij is niet ouder dan twaalf jaar. Nog onbewaakt zijn
de druiven. Maar eens ze rijp zijn, dàn komen er wachten en hekkens".

Nog duidelijker is nr. 228:

"Dat een onvoldragen knaap, in z'n verstandloze leeftijd, zondigt,
brengt wie hem als vriend verleid heeft, nog de grootste blaam.
Dat iemand voor liefdesknaap speelt, als zijn jeugd al vervlogen is,
is dan weer tweemaal zo schandelijk voor wie zich daartoe leent.
Maar er is een tijd waarin 't voor geen van beiden onbetamelijk is,
voor d' een niet meer, voor d' and're nog niet: zo nu ik en jij"
.

In Athene bestond er zelfs een wetgeving (toegeschreven aan Soloon, ca 600, maar vermoedelijk jonger) die jongens moest beschermen tegen seksuele attenties van ongewenste vrijers. De samenvatting ervan (allicht met enkele tendentieuze verdraaiingen), bij Aischines (§§ 9-11), leert ons dat de bepalingen ervan zich richtten tot: onderwijzers, gymnastiekleraars en -trainers en choregen. Ze stipuleerden o.m.:

--  het uur waarop de scholen mochten opengaan (niet vóór zonsopgang) en moesten sluiten (vóór zonsondergang);

--  wélke jongelui deze plaatsen mochten frequenteren; hun leeftijd; de autoriteit die op de uitvoering van het reglement moest toekijken;

--  de organisatie van het "Muzenfeest", op school, en het "Hermesfeest", in de palaistra;

--  de deelname aan kooropvoeringen: de choreeg moest ouder dan 40 jaar zijn, enz.

Er waren ook strafbepalingen tegen vaders of voogden die een zoon of kind tegen geld prostitueerden (ibid., § 13).

Algemeen, lijkt in Athene zowel als in de rest van Griekenland dezelfde minimum leeftijdsgrens te hebben gegolden, namelijk 12 jaar. Zo werden ook in Sparta de knapen, in het kader van de agogè, op 12-jarige leeftijd toevertrouwd aan hun minnaars. Hierbij is opgemerkt dat voor de oude Grieken deze leeftijd allicht minder "kinderlijk" was dan voor ons: men denke bv. ook aan het feit dat meisjes konden uitgehuwelijkt worden zodra ze de puberteit hadden bereikt, d.w.z. eventueel op 12- à 13-jarige leeftijd, vaker op 14- à 15-jarige leeftijd. Of dit laatste een deugdelijk argument is, nochtans, kan betwijfeld worden. Er gingen wel degelijk stemmen op tegen die vroege leeftijd voor meisjes: zoals Aristoteles opmerkt (Politica, 1335a17), was het aantal "kindvrouwen" die hun eerste kraambed niet overleefden, erg groot (in Sparta, waar de situatie van de vrouw gunstiger was dan in Athene, was 18 jaar de normale leeftijd voor meisjes om te huwen).

Wat anderzijds de leeftijd van de minnaar betreft, vinden we in de moderne literatuur geargumenteerd dat de Griekse mannen gewoonlijk slechts de eerste jaren van hun volwassenheid, d.w.z. tot aan hun huwelijk, pederastische relaties zochten. Dat moge dan al in de regel het geval zijn geweest, er waren daarop toch heel wat bekende "uitzonderingen": zo onze redenaar, Aischines, natuurlijk, maar ook een gelauwerd burger-poëet als Sophokles: behalve een actief "heteroseksueel" (hij had een relatie met meer dan één vrouw, cf. de Vita), was Sophokles tot op hoge ouderdom ook een "minnaar van mooie knapen" [27]. De Italiaanse historica Eva Cantarella (1992:24), concludeert daarom dat er, voor de minnaar, in werkelijkheid slechts één onoverkomelijke grens was: die naar beneden, namelijk de overgang van adolescentie naar volwassenheid. In vergelijking met de eraan voorafgaande periode als paîs, vergde de nieuwe rol van pederast onvermijdelijk enkele aanpassingsjaren, grosso modo tussen de leeftijd van 18 en van 25 jaar. Tijdens deze "moeilijke jaren" werd de jongeman aangeduid als neanískos, en we mogen veronderstellen dat de hoger vermelde, wettelijke maatregelen ter bescherming van de jonge knapen bovenal tegen deze, nog labiele jong-volwassenen gericht waren.

De regels van de Griekse "seksuele moraal" - die als zodanig enkel golden voor de betere klassen - kunnen op het vlak van de leeftijd als volgt worden samengevat:

--  tussen 12de en 17 à 18de jaar speelde de adolescent de rol van paîs, in een relatie met een volwassen minnaar;

--  eens de meerderjarigheid bereikt (officieel op 18 jaar, als efeeb) én de "moeilijke jaren" gepasseerd, d.w.z. vanaf 25 jaar ongeveer, nam hij een actieve seksuele rol op, eerst (tot aan zijn huwelijk) met "knapen", nadien (ca 30 jaar) met "knapen" én vrouwen.

Een wederkerige en gelijkwaardige, homo-erotische relatie tussen partners die tot dezelfde, brede leeftijdscategorie behoorden, zoals dat in de moderne homoseksualiteit een vrij courante gang van zaken is, werd in de Griekse oudheid juist als  "abnormaal" ervaren - wat natuurlijk niét betekent dat ze niet voorkwam: bijzonder revelerend, in dat opzicht, is de "mythe van Aristophanes", in het Symposium. Volgens dat op het eerste gezicht wat groteske verhaal zijn de huidige mensen in feite slechts "helften" van oorspronkelijke dubbelwezens die geslachtelijk niet in twee, maar in drie categorieën uiteenvielen: namelijk man-man, vrouw-vrouw en man-vrouw. Ter beteugeling van hun hoogmoed werden ze eertijds door de goden in twee helften gekliefd. Eros, sedertdien, beoogt daarom geen louter seksuele gratificatie maar veeleer het (onmogelijke) "herstel" van de verloren eenheid of "heelheid" van de oorspronkelijke "bolmens". Aristophanes' "sprookje" beoogt vooral een aitiologische verklaring te geven voor de aanwijsbare verschillen in seksuele voorkeur, namelijk (in moderne terminologie):

--  "hetero-":  man voor vrouw, vrouw voor man;
--  "homo-":   vrouw voor vrouw;
--  "homo-":   man voor man.

Wat de laatstgenoemde voorkeur betreft van de mannelijke homo-erotiek, logischerwijze moest uit de mythe het bestaan worden geconcludeerd van (gelijkwaardige en wederkerige, eventueel levenslange) relaties tussen mannelijke  leeftijdgenoten: beide "helften", immers, van het oorspronkelijke man-man "geheel" waren per definitie even oud. De komediedichter, echter, leidt er de  - ongelijktijdige - pederastie uit af, die, naargelang van de leeftijd, een totaal verschillende, zelfs tegengestelde vorm aanneemt, cf. Symposium, 191E-192B:

"Maar allen die een stuk zijn van een mannelijk geheel, zoeken het mannelijke op, en zolang ze nog paîs zijn..., zijn ze mannen genegen en vinden ze het prettig, met mannen samen te liggen en hen te omhelzen... Zodra ze evenwel de mannenleeftijd bereikt hebben, gaan ze de knapenliefde bedrijven... Al wie dan tot die klasse behoort, wordt in elk geval een knapenminnaar (paiderastès) en erastenvriend (philerastès)" -

mààr..., zo moet de laatste zin vervolledigd worden, dan wel  in verschillende periodes van diens leven: namelijk in zijn jeugd "filerast", en in zijn volwassenheid "pederast"!

Bovendien (en dat verklààrt tevens dat principiële leeftijdsverschil in de Griekse homo-erotiek) was de overgang, voor een Atheense jongeling, van de "sekserol" van paîs naar die van pederast géén simpele overgang tussen vormen van seksueel gedrag die in elkaars verlengde lagen, wel integendeel. Van de ex-adolescent werd verwacht dat hij een complete  omslag  realiseerde tussen wat in de oudheid gold als dé twee, absoluut fundamentele tegenstellingen in seksueel gedrag. Die dichotomie betrof niet, zoals bij ons, de tegenstelling tussen "homo-" en "heteroseksueel" gedrag, maar die tussen de "actieve" en de "passieve" rol in een seksuele relatie.

Het feit dat de Griekse homo-erotiek in haar "legitieme" gedaante de vorm aannam van pederastie - d.w.z. een relatie was tussen een volwassen man en een jonge adolescent -, moet precies begrepen worden vanuit deze polaire tegenstelling: de pederast, of minnaar, was per definitie de "actieve" partner, de paîs (het woord zegt het zelf, a.h.w., cf. het gebruik ervan voor de slaaf) per definitie de "passieve". Denken we ook aan de alternatieve uitdrukking voor paîs: de passiefvorm "eroomenos", "geliefde", zonder enige implicatie, zoals bij ons, van (erotische) wederkerigheid. Van de pederast wordt gezegd: "hij bemint"; van de paîs: "hij wordt bemind".

Dat was zelfs zodanig "ingebakken" in de institutie dat die rolverdeling - actief-passief - óók speelde wanneer het, zoals wel degelijk voorkwam, om een verhouding ging tussen jongelui van ongeveer dezelfde leeftijd (cf. wat hoger gezegd is over de "moeilijke jaren" of "schemerzone"). In dat geval gold één van beiden steevast als de passieve partner, die de rol van paîs speelde. Een voorbeeld hiervan vinden we in Platoons Euthydemus, 273A: Ktesippos is net zoals zijn paidiká een neanískos, of jongvolwassene. Ook de "courting scenes" op de Attische vazen beelden regelmatig jongeren af die ongeveer dezelfde leeftijd lijken te bezitten. Anderzijds kon eenzelfde jongeman, in de overgangsjaren, "alterneren" tussen een actieve en een passieve rol, maar dan wel t.o.v.  verschillende partners. Een bekend voorbeeld hiervan is de mooie Kritoboulos, in Xenophoons Symposium (8.2): hij was onlangs gehuwd (cf. 2.3), was de paîs van vele oudere mannen én zelf de minnaar van de jongere Kleinias, allemaal tegelijkertijd.
 



3. De "Mannenstaat": het Atheense socio-seksuele systeem.


3.1. Patriarchaat en phallocratie.
Om ten volle de betekenis en de implicaties te begrijpen van die oppositie, actief-passief, voor wat men de Atheense "seksuele protocols" heeft genoemd, moet ze gesitueerd worden in het algemene, socio-seksuele systeem waarop deze samenleving gebaseerd was. Uiteraard moet ik ook daaromtrent in het kader van deze bespreking heel summier zijn.

Zoals elke polis, of stadstaat, identificeerde ook de Atheense zich als "gemeenschap van de (mannelijke) burgers" (koinonía tôn politôn). Haar radicaal democratisch karakter was daarmee niet in tegenspraak, wel integendeel: één van de ogenschijnlijke paradoxen van de Griekse geschiedenis, was dat de positie van de vrouw versléchterde naarmate de democratie radicaliseerde. Zoals Thoukudides het formuleerde (Historiën, VII, 77.7): "'t zijn immers mànnen die de polis vormen". Vandaar het courante gebruik van de uitdrukking, "de Atheners", of "mannen van Athene", om naar de Atheense polis als politieke entiteit te verwijzen. Concreet kwam het erop neer dat het korps van volwassen, mannelijke burgers (polîtai) het monopolie bezat van alle politieke en sociale macht. Alle andere bevolkingscategorieën - (burger)vrouwen, (burger)kinderen, vreemdelingen (of metoiken) en slaven (mannen, vrouwen en kinderen) - bevonden zich daartegenover in een situatie van ondergeschiktheid en zelfs rechteloosheid (de ene natuurlijk al méér dan de andere). Bovendien waren ze allen (ook de metoiken, die zich een burger als "voogd" moesten kiezen), als reële of virtuele leden van "huishoudens",  ook nog eens onderworpen aan het patriarchale gezag van dezélfde burgers, namelijk in hun hoedanigheid van "huisheer" (oikodespótès, oikonómos; in het Latijn: pater familias): "elk huishouden staat onder het koninklijk gezag van de oudste" (Aristoteles, Politica I, 1252b20-21).

Net zo min als de slavernij, dus, was de onderdrukking van de vrouw een toevallige onvolkomenheid, of een "schoonheidsvlek", van de Griekse democratie. De vestiging en consolidatie van een "politiek" of burgerlijk regime, gebaseerd op o.m. een vrije boerenstand, en dus op het (kleine) particuliere grondeigendom, ging historisch nauw sàmen met de uitbouw van een radicaal  "patriarchaat" (bv. met afbouw van vrouwelijke eigendomsrechten, ter bescherming van de integriteit van het landeigendom). In het meer archaïsche, "conservatieve" Sparta, daarentegen, was de maatschappelijke positie van de vrouw, zoals bekend, béter dan in het "progressieve" Athene. Precies de geprivilegieerde (maar tegelijkertijd ook erg kwetsbare, zie verder) politieke status van de man - het fysieke voortbestaan van de polis was volledig afhankelijk van de "mannelijke" weerbaarheid van de burger-krijger (hopliet) -, samen met de uitbreiding van het burgerschap tot de lagere klassen, heeft in Athene de traditionele kloof tussen mannen en vrouwen allicht nog aanzienlijk vergroot; zoals ook het nog resterend exclusiviteitsprincipe erdoor verhard werd[28]. Halperin schrijft dan ook terecht [29]:

"De Atheense democratie, bijgevolg, was niet wat wij een zuiver 'politiek' systeem zouden noemen: het was evenzeer een systeem van sekse en 'gender'. De maatschappelijke legislatie, die aan alle vrije volwassen mannen uit Atheense ouders in principe hun zeg gaf in het bestuur van de stadstaat, bracht een duidelijker articulatie met zich van de 'gender' categorieën en een striktere controle op de seksuele rollen (althans voor de hoofdrolspelers in het politieke spel) - waardoor een ideaal van mannelijkheid gecreëerd werd met tegelijkertijd seksuele en politieke draagwijdte".

De mannelijke zelfassertiviteit en "nieuwe fierheid in het mannelijke egalitarisme" (Halperin), die gepaard gingen met deze democratische ontwikkeling, vinden we in het antieke Athene a.h.w. materieel en plastisch uitgedrukt in de zgn. ithyphallische "hermen" (d.w.z. palen met bovenop een ruw gesculpteerde mannenkop-met-baard, en op de schacht voorzien van een phallus in erectie). Zowel archeologische vondsten als andere testimonia verwijzen de "uitvinding" ervan, misschien beter: de politieke aanwending van een gebruik dat ongetwijfeld veel ouder was (ze hadden ook een apotropaïsche functie: het verjagen van inbrekers en andere ongewensten), naar het einde van de 6de eeuw. Ten tijde van Kleisthenes' verregaande hervormingen werden ze gedemocratiseerd en "geprivatiseerd", d.w.z. op grote schaal opgesteld vóór de buitendeur van de individuele huishoudens, als een soort van "huisbewaarders". Met hun (agressieve) phallus-in-erectie, moesten ze mee gestalte geven aan, en garant staan voor, de democratische mannelijkheids- en gelijkheidsideologie:[30]

"In een politieke gemeenschap waarvan de eenheden vertegenwoordigers zijn van familiale groepen, drukt de herme de principiële gelijkheid uit van elk huishouden, vertegenwoordigd in de persoon van zijn patriarch en gesymboliseerd door een vereenvoudigd beeld van de man - een bebaard hoofd en een phallus in erectie"[31].

Maar de hermen waren slechts één uiting, naast vele andere, van wat we kunnen bestempelen als één van de fundamentele "protocols" van de Atheense democratie: nl. het "phallocentrisme"[32]. Zoals Halperin het geestig formuleerde[32bis]:

"Als onder de Kabyliërs een volwassen man zijn gevoelen van onvervreemdbare en onaantastbare mannelijkheid (d.w.z. zijn fundamentele sociale en seksuele identiteit) kan uitdrukken door te zeggen: 'Ik ook heb een snor', dan proclameerde in Athene, zo schijnt het, de symbolische taal van de democratie ten gerieve van elke burger: 'Ik óók heb een phallus'"[33].

Combineren we dit phallocentrisme met de maatschappelijke onderdrukking van de vrouwen - hun positie vertoonde op een aantal punten wel degelijk gelijkenis met die van de slaven -, dan lijkt het gerechtvaardigd de Atheense staat te typeren als een "phallocratie"[34].


3.2. Gendersysteem. De relatie tussen de geslachten, in een polis als Athene, werd gereguleerd door een normenstelsel waarvan de belangrijkste aspecten kenmerkend waren, en het zouden blijven, voor gemeenschappen en culturen behorend tot de "mediterrane wereld" [35]. De constructie ervan berustte op een aantal uitgesproken dichotomieën, o.m. op het vlak van de maatschappelijke ruimte: namelijk "binnen" versus "buiten". Het dagelijkse leven, anders gezegd, werd - althans op het niveau van het dominante, androcentrische discours - gekenmerkt door de afbakening van een publieke ruimte, of openbaarheid, versus een private ruimte, zijnde het huis, met dorpel en huisdeur als de fysieke scheiding tussen beide; de verhouding tussen de geslachten speelde daarin een constitutieve rol: [36]

De "publieke" ruimte gold als het geheel van plaatsen waar mannen bijeenkwamen of zich ophielden: de straat, de agorá of marktplaats, de stoa's, de publieke vergader- en gespreksruimtes, de gymnasia, enz.; ze was aldus geassocieerd met de publieke (politieke) activiteiten waarin mannen, d.w.z. burgers, ijverden voor hun eer en prestige. Daarmee in contrast, was de "private" ruimte, namelijk van de oikía of het oîkos (het "huis"), een vrouwelijke ruimte, d.w.z. "omsloten, verborgen, bewaakt, duister".[37]

De "deftige" burgervrouw werd geacht "de deur niet uit te komen", tenzij om redenen die door de alziende buurtgemeenschap (die hoofdzakelijk uit... vrouwen bestond!) als legitiem werden beschouwd: bezoek aan een zieke buurvrouw, deelname aan bepaalde religieuze feesten, e.d.  Wanneer ze dat dan om zulke legitieme redenen toch deed, gebeurde dat met de nodige ingetogenheid en modestie, onder meer wat haar kleding betreft: d.w.z. met hoofddoek of sluier, enz. Vrouwen die zich niét stoorden aan die regels, waren in principe prostituees (cf. nog onze uitdrukking "publieke vrouwen"), of in elk geval vrouwen waarvan aangenomen werd, of kón worden, dat ze seksueel "beschikbaar" waren voor mannen [38]. Een burgervrouw, derhalve, die zich toch buitenshuis waagde zonder goede redenen en/of beschermende "chaperonne", riskeerde in principe het slachtoffer te worden van seksuele geweldpleging of agressie (hubris). Wat ze dus doende in élk geval op het spel zette, was haar "eer", of beter gezegd: de eer en reputatie, en dus de (erg kwetsbare) maatschappelijke status, van haar "heer"[39]. De eer (timè) van elke burger - en vandaar de morele integriteit van het burgerkorps in zijn geheel - vereiste inderdaad dat "zijn vrouwen" (moeder, echtgenote, dochters, zusters) onzichtbaar waren of leken (cf. ook de kleding), d.w.z. zoveel mogelijk binnenshuis bleven, of... dat ze althans die reputatie hadden[40]. Binnen, in het huis zelf, verbleven ze in het "binnenste" deel, d.w.z. de speciale, tegen mannelijke bezoekers afgeschermde (dus zo ver mogelijk van de straatdeur en de mannelijke vertrekken verwijderde) ruimte van het "vrouwenvertrek" (gunaikeía of gunaikoon) - let wel: "binnen" hadden ze wél te maken met mannelijke slaven. Daartegenover vormde het androon het mannenvertrek, waarin dus ook de symposia plaatsvonden. Naar het voorbeeld van de Indische situatie, wordt zulke ruimtelijke segregatie van de vrouw in het Engels vaak aangeduid met de (Indische) term "purdah".

In het maatschappelijk discours werd aldus een ganse "topografie" ontwikkeld, waarin de man normatief verbonden was met "buiten", d.w.z. met de openbaarheid[41]; de vrouw, omgekeerd, met "binnen". De weinige momenten waarop burgervrouwen effectief deelnamen aan het gemeenschapsleven, waren overwegend religieus van aard, bv. tijdens de grote, exclusief vrouwelijke festivals, zoals de Thesmophorieën (uit de Oude Komedie blijkt dat de mannelijke "fantasie" daaromtrent wel eens op hol kon slaan).

In de vakliteratuur wordt weliswaar gediscussieerd over de vraag in hoeverre de Atheense vrouwen-van-stand daadwerkelijk "achter slot en grendel" zaten [42]. Winklers hoger geciteerde opmerking, over het "bluf" karakter zelfs van officiële bepalingen en wetten, lijkt hier relevant. In de praktijk, zullen burgervrouwen m.b.t. de "oikonomía", i.e. het beheer van hun huishouden, ongetwijfeld wel over een zekere mate aan zelfstandigheid hebben beschikt - maar voor mannen was het, in het kader van een "politics of reputation", maatschappelijk aangewezen dat feit te loochenen. Juist de constante uithuizigheid, trouwens, van de man maakte de "monarchie" (Aristoteles) van de pater familias in de praktijk allicht tot een lachertje[43], én... voedde de obsessieve mannelijke vrees voor overspel vanwege de eigen echtgenote[44].

3.3. "Seksuele protocols".  Hoger (§ 3.1.) werd reeds even gealludeerd op de "erg kwetsbare" sociale status van de burger-huisheer. Het fysieke (voort)bestaan van de polis in de confrontatie met een vijandige buitenwereld berustte in sterke mate op het patriottische samenhorigheidsgevoel tussen de burgers-krijgers ("hoplieten"), cf. Platoon (Wetten, 626A): "in feite is de natuurlijke toestand van alle staten tegenover alle andere staten een voortdurende, niet officieel verklaarde oorlog". Binnen de polis, echter, op het publieke forum, bestond er tussen de burgers-huisheren onderling - althans wat de zgn. prominenten en de politiek ambitieuze jongeren betreft,  een scherpe onderlinge wedijver: cf. dezelfde Platoon vervolgt wat verder met de opmerking dat diezelfde, "natuurlijke" staat-van-oorlog óók geldt "voor huishouden tegen huishouden..., en voor man tegen man, de ene tegen de andere".

Die politieke wedijver had, niet als enige, maar als uitverkoren forum de samenkomsten van de volksvergadering (ekklèsía), op de Pnyx, met enkele duizenden aanwezigen. De confrontaties verliepen volgens wat in de sociologie getypeerd wordt als "zero-som calculus", d.w.z. wat de winnaar won aan prijzen en eerbetuigingen, moest de verliezer in dezelfde verhouding "betalen" in schande, prestigeverlies en eventuele straffen: "winnaars wonnen volledig op kosten van de verliezers" (Winkler, 1990:47). Dat leidde tot een klimaat van permanente krachtmeting, waarbij de zenuwen regelmatig hoog gespannen en erg op de proef werden gesteld en het risico van geweld en agressie was altijd reëel - zonder dat er een doeltreffend apparaat voor ordehandhaving was (de zogenaamde "politie" bestond uit Skythische boogschutters, d.w.z. slaven). In de praktijk moesten de burgers (die hun wapens thuis hadden) zelf instaan voor de ordehandhaving, bv. in hun wijk.

Daarom de heel strenge regels, in de opvoeding zowel als in het strafrecht, ter vrijwaring van de lichamelijke integriteit der burgers.  Zo lezen we bv. bij de redenaar Demosthenes (Tegen Androtioon, §§ 53-55), dat, in onderscheid met een slaaf, het lichaam van een burger onschendbaar is: strafrechtelijk konden weliswaar diens bezittingen in beslag worden genomen, maar zijn fysieke persoon moest gerespecteerd blijven. Zoals Winkler schrijft (1990:48):

"onschendbaarheid van de persoon is een merkteken dat slaven scheidt van burgers: slaven mogen op gelijk welke manier mishandeld worden [bv. de getuigenis van een slaaf bij een proces diende verplicht 'onder foltering' te worden afgenomen], maar burgers zijn letterlijk onaanraakbaar (untouchable)".

Onaanraakbaarheid gold, vandaar, zowat als hét statussymbool van de burger - in onderscheid met slaven en vreemdelingen. Alleen al het feit, ongepast je hand te leggen op de schouder van een (mede)burger, verre van hem een duwtje of een klap te geven, werd ervaren als diep krenkend en een regelrechte aanslag op diens eer en status, en dus op de eer van het burgerkorps in zijn geheel. Het Attisch recht voorzag strenge straffen tegen dit soort van agressie, onder de algemene noemer van "hubris"[45]. Dat woord, "hubris", en aanverwante woorden (zoals het werkwoord ervan afgeleid) bezat daardoor een "hoge emotionele geladenheid" (Dover). Heel vaak - maar zéker als het onderwerp van de handeling een volwassen man was, en het lijdend voorwerp ervan een vrouw of een knaap - had het ook de implicatie van seksuele aanranding. De mogelijkheid van seksuele agressie was daarbij een wezenlijke component van maatschappelijke dominantie (cf. Winkler, ibid.: "seksuele overheersing is vervat in de lichaamstaal van de maatschappelijke positie"). Behalve ten aanzien van slav(inn)en, was zij bv. ook gegeven bij het onrechtmatig tot-slaaf-maken van vrijgeboren vrouwen of jongeren - iets waarop de doodstraf stond.

Welnu, ook het "script" van de seksuele activiteiten was opgesteld op basis van die algemene principes. Ook seksueel gedrag, anders gezegd, gold als een vorm van "zero-som" wedijver, van confrontatie tussen winnaar en verliezer. Seks was fundamenteel een middel voor (volwassen) mannen om, binnen die competitieve sociale context, hun maatschappelijke identiteit, positie en prestige te (be)vestigen. Zoals Halperin (1990:266) schrijft:

"Seks, in dit systeem, was geen privé-zoektocht naar wederzijds plezier dat, al was het maar tijdelijk, de maatschappelijke identiteit opslorpte van wie eraan deelnam; seks was veeleer een declaratie van je maatschappelijke identiteit, een expressie van je publieke status: hij strekte ertoe, maatschappelijke actoren te positioneren op plaatsen die hen (op basis van hun politieke standing) waren toegewezen in de hiërarchische structuur van de Atheense politieke samenleving".

De maatschappelijke betekenisgeving, daarom, van seksueel gedrag stelde zich, op het niveau van het dominante discours, in termen van overheersing-en-onderwerping. Elke geslachtsdaad impliceerde en reproduceerde een hiërarchische, en dus: machtsverhouding tussen een "meerdere" en een "mindere" [45bis]. De concrete expressie ervan was in klassiek Athene bovendien gekenmerkt door een in het oog springend "phallicisme" (cf. supra). Zoals Halperin het nogmaals formuleert (1990e:102):

"Seks was phallische actie, althans in de ogen van Atheense mannen: seks draaide rond wie de phallus bezat, werd gedefinieerd door wat gedaan werd met de phallus, en werd gepolariseerd door de verdeling van phallisch genot. Seksuele geneugtes die geen phallische geneugtes waren, telden niet mee in de articulatie van seksuele rollen of seksuele categorieën: strelingen en andere gebaren die niet pasten in het penetratiemodel, kwamen niet aan bod in de evaluatie of classificatie van seksueel gedrag" (m.o.).

"Penetratiemodel", schrijft Halperin: in de heersende ideologie was seks inderdaad een kwestie van ofwel te "penetreren" (περαίvειv) ofwel "gepenetreerd-te-worden" (περαίvεσθαι) - vaginaal, anaal of oraal.[46]

Geslachtelijk verkeer, hoewel (ook) in het Grieks vaak "gemeenschap" (sunousía) genoemd, werd, vandaar, niet beschouwd als gemeenschap in de échte zin van het woord - d.w.z. als een handeling waar twee personen gezamenlijk bij betrokken waren, op basis van wederkerigheid -, maar integendeel als een actie die door één persoon werd  "verricht", en door de andere werd  "ondergaan" (zie Halperin, 1990a:30-33). Seks werkte bijgevolg

a) polariserend, d.w.z. wees de participanten toe aan twee verschillende, radicaal tegengestelde categorieën - "penetreerder" versus "gepenetreerde";

b) hiërarchisch: de binnendringende werd geconstrueerd als de seksueel "actieve" partner; zijn binnendringen in andermans lichaam drukte seksuele "activiteit" uit. De binnengedrongene gold daartegenover als de "passieve" partner; zijn/haar binnengedrongen-worden was een manifestatie van "passiviteit".

c) Seks werd tevens gethematiseerd als dominantie: d.w.z. de relatie tussen de "actieve" en de "passieve" partner werd vereenzelvigd met de soort van machtsrelatie die van kracht was tussen een maatschappelijke "meerdere" en een maatschappelijke "mindere".

De som, tenslotte, van al deze congruente functies, dus respectievelijk van

-- penetratie, activiteit en dominantie, en
-- gepenetreerd-worden, passiviteit en onderwerping,

werd geconstrueerd als "mannelijkheid" en "vrouwelijkheid". Dit Griekse gendersysteem wees aan mannen en vrouwen niet enkel een verschillende maatschappelijke rol en status toe, maar ook verschillende seksuele verlangens. Tevens bracht het mee dat verschillen in seksuele voorkeur niet gekoppeld werden aan verschillen in seksuele "identiteit", maar aan graden van "mannelijkheid" of "vrouwelijkheid". De criteria, anders gezegd, voor het categoriseren van seksueel gedrag werden niet afgeleid van de sekse maar van het gender: het onderscheid tussen "normaal" gedrag en "deviant" gedrag was een kwestie van het je al dan niet conformeren aan je conventioneel gedefinieerde genderrol. Een "man" werd per definitie geacht de actieve rol te spelen, onafhankelijk van de sekse van zijn partner. In de Atheense mannenstaat, die ideologisch in belangrijke mate  gebaseerd was op de verheerlijking van de "mannelijkheid" (machismo, zou men dat nu noemen), stond de vrouw daartegenover model voor de passieve rol, in de socio-seksuele relatie. Vanuit dit genderperspectief, nochtans, woedde de strijd tussen "mannelijkheid" en "vrouwelijkheid"  ook binnen het biologische mannelijke geslacht.

Een belangrijk visueel of somatisch aspect van de oud-Griekse gendersemiotiek was de lichaamshouding en -positie die door de partners tijdens de copulatie werd aangenomen. De karakteristieke configuratie in de vazenschilderingen toont de vrouw in voorovergebogen houding, de handen op de grond of geklemd rond een of ander voorwerp, terwijl de man achter haar rechtop staat en bij haar binnendringt (eventueel anaal) [46bis]. Soms ligt de vrouw op haar rug, onder de man, maar ook dan is de maatschappelijke betekenis van de houding duidelijk:

"De vrouw bevindt zich bijna onveranderlijk in een 'ondergeschikte' positie, de man 'dominant'; de vrouw voorovergebogen of achteruit liggend of ondersteund, de man rechtop of boven" (Dover, 1978:101).

Sommige afbeeldingen, nochtans, van neukpartijen laten weinig of geen twijfel bestaan over het (mee)genieten door de vrouw. De geldende ethiek, inderdaad, van seksuele dominantie "gunde" de vrouw althans een  erotische wederkerigheid. Anders gezegd, men aanvaardde dat vrouwen in staat waren om, tegelijkertijd en met betrekking tot dezelfde persoon, seksueel plezier te géven én zelf te ervaren; méér nog - maar dan zitten we al vlug in de Griekse misogynie -, men meende te weten dat de vrouwelijke seksuele lust veel intenser en groter kon zijn dan die van de man[47]. Maar die erotische "respons" vanwege de vrouw - de Griekse woorden voor "wederliefde" en "beantwoorden van de eros" (antéroos, anterân) werden normalerwijze enkel voor vrouwen gebruikt - deed géén afbreuk aan de fundamentele asymmetrie van de relatie, wel integendeel. De vaststelling, dat vrouwen seksueel plezier beleefden aan hun "passieve" rol, rechtvaardigde juist, in de ogen van de mannen, hun sociaal en seksueel ondergeschikte positie,

"want hun genieten van de passieve rol betekende voor Griekse mannen dat vrouwen van nature dusdanig geconstitueerd zijn dat zij in feite verlangen, de oorlog tussen de seksen te verliezen",

zoals Halperin het formuleerde[48].

Dat een "màn", daarentegen, plezier kon vinden in een dergelijke passieve rol - en dus kon genieten van het zich (anaal) laten penetreren -, was binnen dit socio-seksuele systeem "ondenkbaar", of beter: het gold als dé maatschappelijke deviantie bij uitstek, want het vormde een regelrechte inbreuk op het gendersysteem[49]. Een burger die zich toch daartoe leende (of van wie dat, in de politieke strijd, bewéérd werd), verzaakte door dit "tegennatuurlijke" gedrag aan zijn "mannelijkheid" ("hij verwijfde", cf. θηλύvεσθαι) - en dùs aan zijn burgerlijke waardigheid [50]. Illustratief hiervoor is bv. de openingsscène in Aristophanes' late komedie, De Kikkers, 52v.: god Dionusos, ondervraagd door Herakles, bekent dat hij verliefd is: niet op een vrouw, niet op een paîs, maar op een... man! Blijkt dat het nog wel om de politieker Kleisthenes ("zoon van Siburtios") gaat, die door Aristophanes in tal van stukken gehekeld wordt om zijn "verwijfdheid". In de Oude Komedie vinden we in dit verband ook een rits van typisch obscene scheldtermen, in de geest van het hedendaagse "fuck you" en "bugger you". De meest populaire waren:

-- "katapúgoon" ( πυγή betekent zoveel als "achterste", d.w.z. "kont"); het woord werd ook gebruikt om te verwijzen naar het ook nu nog bekende, obscene gebaar van de omhoog uitgestrekte middenvinger;

-- "euruprooktos" (en varianten), letterlijk: "met wijde aars".

Van belang zijn vooral de onmiddellijk  politieke implicaties: wie aan zijn "mannelijkheid" verzaakte, verzaakte ipso facto aan zijn politieke en militaire bekwaamheid; in plaats van het ideaaltype van de "hopliet", was het schandtype van de "kínaidos" op hem toepasselijk. Wanneer in Aristophanes' Wolken, in de strijdrede tussen de "Rechte Logos" en de "Kromme Logos", v. 1083v., wordt vastgesteld dat alle Atheners, zonder uitzondering, "euruprooktoi" zijn[51] en de "Rechte Logos" zich daarop gewonnen geeft, wou de dichter ongetwijfeld de boodschap kwijt dat de Atheners het verlies van hun politieke hegemonie en macht over de andere Grieken (cf. de datum van het stuk) te wijten hadden aan hun abdicatie van hun "mannelijkheid".

Met dat alles wil niet gezegd zijn dat volwassen "passieve" partners, in gelijkslachtige relaties, in Athene gerechtelijk vervolgd werden; wél dat er een maatschappelijke bestraffing speelde. Revelerend in dit opzicht is de wet die in Athene van kracht was i.v.m. mannelijke prostitutie. Burgers die zich geprostitueerd hadden, d.w.z. zich tegen geld seksueel hadden laten gebruiken (sc. door mannen) - hetzij met steeds wisselende klanten (zgn. πoρvεία, of prostitutie), hetzij als een soort van vaste "bijzit" -, riskeerden volgens deze wet weliswaar de doodstraf, maar uitsluitend als ze sedertdien nog politieke of civiele daden hadden gesteld. Zoals Aischines, Tegen Timarchos, §§ 19-20, de wet samenvat:

"Als een Athener zich prostitueert, is het hem verboden één der negen archonten te worden..., of een priesterambt waar te nemen, of als openbaar pleitbezorger te fungeren, of gelijk welke magistratuur uit te oefenen...; evenmin mag hij fungeren als heraut of gezant..., of ooit zijn standpunt vertolken, het weze in de raad of in de volksvergadering... Een overtreding van deze bepalingen, brengt een aanklacht mee wegens prostitutie, waarop de hoogste straf staat".

De Athener, dus, die zich prostitueerde, verloor zijn actieve politieke rechten[52]. Maar in de maatschappelijke praktijk gold die bepaling slechts voor een betrekkelijk kleine groep van vooraanstaanden die inderdaad een leidinggevende rol speelden of ambieerden - en zelfs dan nog niet automatisch, maar na aanklacht vanwege een politiek tegenstander (zoals door Aischines tegen Timarchos, en dan nog als verweer tegen zijn aartsvijand, Demosthenes). Een Athener, daarentegen, die vrijwillig afzag van alle politiek engagement, kon zich, althans vanuit juridisch oogpunt, straffeloos prostitueren [53]. Voor metoiken of vreemdelingen gold, a fortiori, hetzelfde. Νet zoals vrouwelijke prostituees (πόρvαι), weliswaar, waren ook mannelijke (πόρvoι) onderworpen aan een aantal administratieve en fiscale bepalingen: ze werden geregistreerd en dienden eveneens een "hoerenbelasting" te betalen (geïnd door een bijzondere categorie van belastinginners) - maar dat impliceerde natuurlijk juist dat het om een juridisch toegestane, "economische" activiteit ging. Tussen haakjes, en zoals Foucault terecht heeft beklemtoond [54], werpt dit gegeven een zeer bijzonder licht, niet enkel op de Griekse seksuele moraal maar op de Griekse moraliteit in het algemeen. In tegenstelling tot de latere, christelijke, was het er de Griekse moraal niét om te doen, middels gebods- en verbodsbepalingen volledige bevolkingsgroepen te "normaliseren" of disciplineren. Zij hield géén gedragspatroon voor dat bestemd was voor iederéén, maar behelsde enkel een persoonlijke keuze, voor een maatschappelijke (vooral aristocratische) elite. Zoals Foucault (l.c.) schrijft:

"De morele reflectie van de Grieken over het seksueel gedrag heeft er niet naar gestreefd, verbodsbepalingen te justifiëren, maar wel een vrijheid de styliseren: de vrijheid namelijk die de 'vrije man', in zijn activiteiten, uitoefent".

Samenvattend mogen we dus zeggen dat in het Atheense socio-seksuele systeem alle geslachtelijke relaties noodzakelijk hiërarchisch waren. "Actieve" en "passieve" seksuele rollen stemden overeen met "mannelijke" en "vrouwelijke" genderrollen, die gebaseerd waren op, respectievelijk, sociale superioriteit en sociale inferioriteit. Van hieruit was seks tussen leden van de heersende groep onderling - d.w.z. tussen volwassen, mannelijke burgers - principieel uitgesloten. Een Atheens burger kon daarentegen sociaal aanvaarde seksuele betrekkingen hebben met gelijk wie in een ondergeschikte status, namelijk vrouwen, minderjarigen, vreemdelingen, slaven en slavinnen. De feitelijke sekse van het voorwerp van zijn seksuele activiteit was hierbij van geen enkel belang - zolang de burger maar de "actieve" rol speelde, d.w.z. penetreerde, en niét: gepenetreerd werd.

 



4. De Atheense Knapenliefde.

Laten we terugkeren naar de homo-erotiek. Overeenkomstig de heersende seksuele protocols, was zij in haar "legitieme" vorm[55] beperkt tot relaties tussen burgers en (vrije) "knapen". Elk mannelijk koppel, anders gezegd, werd geacht te bestaan uit een partner die maatschappelijk superieur, want volwassen, en een partner die maatschappelijk inferieur, want onvolwassen, was.

Dat hiërarchische principe gold evenzo voor de seksuele  handelingen die dergelijk koppel stelde. Anders gezegd, de afwezigheid van maatschappelijke wederkerigheid in de relatie werd weerspiegeld door de afwezigheid van seksuele wederkerigheid. De dominante partner, de "erast", genoot dus seksuele voorrang: hij alleen mocht seksueel initiatief nemen; hij alleen mocht eventueel penetreren, en hij alleen mocht... seksueel genot kennen.

De verregaande analogie, inderdaad, op het vlak van het hiërarchisch principe, tussen de man-vrouwrelatie en de pederastische relatie moet op één essentieel punt genuanceerd worden: in het dominante discours werd antéroos, "wederliefde" - bij de vrouw als normaal, eventueel zelfs als gewenst bevonden - vanwege de paîs als onbestaande of in alle geval als ongepast beschouwd. Zoals Xenophoon het formuleert in zijn Symposium (8.21-22) [55bis]:

"(in de knapenliefde) heeft de knaap geen gemeenschap met de man zoals een vrouw, namelijk door plezier te scheppen in het vrijen; integendeel, hij bekijkt doodnuchter de andere die dronken is van seksueel verlangen. Het is vandaar ook niet verwonderlijk dat het de knaap zelfs overkomt, geringschattend op de erast neer te kijken".

En ook in het late Amores (Ἔρωτες) van Ps-Loukianos, gewijd aan een vergelijking tussen de pederastie en de heteroseksuele liefde, wordt ten gunste van de laatste opgemerkt, § 27:

"(in tegenstelling tot seksueel verkeer tussen man en vrouw, waar er een perfecte wederkerigheid is in het genieten), is dat bij de knapen niet het geval - alleen een gek zou het tegendeel beweren. Neen, de actieve partner... gaat ervan door nadat hij, zijns inziens, een uitgelezen genot heeft bekomen; de andere, die geweld werd aangedaan, blijft achter, aanvankelijk met de pijn [sc. veroorzaakt door de anale penetratie] en de tranen. Weliswaar neemt die pijn nadien mettertijd wat af..., maar van lust (hédonè) is er hoegenaamd geen sprake".

De knaap, daarentegen, die wél publiekelijk blijk gaf van lichamelijke opwinding en lustbeleving, riskeerde gebrandmerkt te worden als verwijfd en zelfs als "pornos". Ook hier is de gehanteerde terminologie nogmaals verhelderend:

--  voor de de actieve partner gelden woorden als: eroos, (werkwoord) erân, erastès;
--  voor de passieve partner, de paîs, gelden: philía, (werkwoord) phileîn, "dienstig zijn", e.a., maar nooit: eroos of erân.

Bijzonder illustratief is ook de wijze waarop het contact of de omgang tussen man en knaap - doorgaans, dan toch - wordt weergegeven op de vaasschilderingen. Dover geeft hierbij het volgende commentaar (1978:96):

"De penis van de erast is soms in erectie nog vóórdat enig lichamelijk contact is tot stand gekomen, maar die van de eromenos blijft passief zélfs in omstandigheden waarin men van de penis van eender welke gezonde adolescent zou verwachten dat hij willens-nillens reageert".

Met de laatste opmerking alludeert Dover op de karakteristieke configuratie, op deze vaasschilderingen, voor dergelijke pederastische hofmakerij, namelijk de "up and down position": de ene hand van de erast raakt het gelaat van de knaap, terwijl de andere in de richting gaat van diens genitaliën, of ze zelfs beroert[56].

Deze pederastische gedragscode stelde zich ook in hoofde van de verwachtingen van de erast: hij had klaarblijkelijk geen behoefte aan een erotische respons (cf. het slot van het hoger geciteerde epigram van Stratoon, nr. 4) - wat vandaag vanuit psychologische hoek geïnterpreteerd wordt als een uiting van seksuele "immaturiteit". Hoe dan ook, een gedeeltelijke verklaring voor deze stelregel (de praktijk, nogmaals, zal daar zeker niet altijd aan beantwoord hebben) moet gezocht worden in een wezenstrek van de "Griekse liefde", die haar onderscheidde van de Romeinse vorm: zij betrof namelijk per definitie vrije adolescenten, d.w.z. burgerzonen, geen slaven.

Dat feit gaf aan de "passieve" partner, in de Griekse pederastische relatie, een nogal dubbelzinnig statuut: als onvolwassene, was hij statutair de mindere van de erast (en moést dat ook zijn), maar tegelijkertijd was hij wel degelijk een burger in spe. Daarom, wou de paîs later ten volle de politieke rol kunnen spelen waartoe zijn (meestal gegoede) afkomst hem voorbestemde, dan diende hij zich ook in zijn adolescentie verre te houden van elke verdenking van prostitutie (zoals Timarchos, tegen wie Aischines' aanklacht gericht was, tot zijn scha en schande moest ondervinden). Hij kon het zich derhalve niet permitteren blijk te geven van enige gretigheid om in seksuele relaties de "passieve" rol te spelen.

Voor de paîs, "achternagezeten" en "gejaagd" door een vrijer, gold daarom als gedragsregel, dat hij moest "vluchten". [56bis] D.w.z. hij moest de avances afweren en mocht zich in geen geval te vlug of te gemakkelijk laten "veroveren" - wat uiteraard ook voor de "jager" interessant was: het verhoogde de waarde van de "prooi", en dus, bij succes, zijn gevoel van eigenwaarde. Bovendien moest de paîs in zijn houding en gedrag alle uitdagendheid vermijden; hij diende integendeel, als een Victoriaanse freule, ingetogen en gereserveerd te zijn, de ogen steeds, preuts, naar omlaag gericht[57].

Een gelijkaardige terughoudendheid en pudeur werd van de eromenos ook binnen de pederastische relatie verwacht. Dat de erast uiting gaf aan zijn seksuele verlangens en aandrong op bevrediging ervan, werd als volkomen normaal beschouwd. De paîs, echter, moest zolang mogelijk "de boot afhouden". Te langen leste kon hij dan zwichten, d.w.z. beslissen, zijn minnaar "ter wille te zijn" (χαρίζεσθαι, als een eufemisme voor: "laten klaarkomen") - niét uit enige eigen erotische of seksuele motivatie, maar uit gevoelens van genegenheid, dankbaarheid, bewondering, enz., kortom: uit philía [58]. Zoals Pausanias het formuleert in Platoons Symposium, 184D3v.:

"Wanneer minnaar en beminde bij elkaar komen, en ieder zich daarbij aan de eigen wet (nomos) houdt - de ene aan de regel om zijn geliefde, die hem zijn gunsten verleende, te dienen in elk opzicht waarin dienen gerechtvaardigd kàn worden; de andere aan de regel om zijn minnaar, die hem wijs en goed maakt, bij te staan in de mate waarin dat legitiem (dikaíoos) kan geschieden,... dàn, maar dan alléén, is het schoon (kalón) dat de knaap (paidiká) zijn minnaar ter wille is, maar anders nooit".

Maar ook die "geslachtsdaad" zelf was normatief onderworpen aan maatschappelijke "constraints". Immers, wegens de verregaande sociale connotaties van het hoger vermelde "penetratiemodel", werd de respectabele paîs geacht de penetratie van gelijk welke lichaamsopening te weigeren. Vandaar de voor de ("legitieme") pederastie heel typische vorm van copuleren of vrijen, namelijk "tussen de benen", of "intercruraal" [59]. Daarmee ging ook een specifieke lichaamshouding gepaard, die de gemeenschap tussen erast en paîs zo sterk mogelijk moest onderscheiden van de gebruikelijke houdingen bij heteroseksuele copulatie: beiden stonden face à face, de paîs rechtop, terwijl integendeel de erast de knieën en eventueel ook het hoofd moest buigen. Tevens diende de eromenos ook hier elke manifestatie van seksuele opwinding (zoals erectie) achterwege te laten[60].

Zoveel dient, althans volgens Dover, te worden afgeleid uit de weergave ervan in het figuratief bronnenmateriaal. In de meer recente literatuur, nochtans, zijn op deze conclusies van Dover een aantal nuances aangebracht, eventueel werden ze zelfs regelrecht verworpen (bv. door Ungaretti en Cantarella). We moeten er hoe dan ook van uitgaan dat het vermijden van anale gemeenschap, in de pederastie, hoogstens het  normatieve ideaal was en geenszins altijd de dagelijkse praktijk (Halperin 1990d:55). Zo wordt in een deel van de antieke literatuur, met name de Oude Komedie en de Anthologia Palatina, de anale copulatie wel degelijk als de normale gang van zaken voorgesteld (zie bv. de epigrammen waarin het "kontje", bezongen wordt van de geliefde knaap: bv. XII, nr. 6, 7, 38, e.a.). En anderzijds zijn er in de Spartaanse pederastie géén aanwijzingen voor "intercrurale" copulatie. Cantarella (1992:24-25) concludeert dat anale copulatie doorheen de gehele Griekse geschiedenis als "absoluut normaal" werd beschouwd, zonder eerverlies voor de paîs.




5. Socialisatie en Sumposion-cultuur.


5.1. Pederastie en pedagogiek.
De vrije status van de paîs had voor de minnaar belangrijke implicaties. Aangezien hij niet met een slaaf te doen had, waarover hij naar believen kon beschikken, moest hij zich, als vrijer, engageren in een ingewikkeld, intellectueel zowel als psychologisch en seksueel "minnespel"[61]. M.a.w. wou hij zijn geliefde inderdààd voor zich winnen, dan diende hij hem het hof te maken, met "alles erop en eraan", zoals

"die knievallen en smekingen bij het aanzoek, dat zweren van eden, dat doorbrengen van nachten op de drempel, die bereidheid om een slavernij te verdragen zoals geen enkele slaaf ze verdraagt",

naar de woorden van Pausanias, in Platoons Symposium (183A, vert. De Win).

Bovenal moest hij de paîs ervan overtuigen, dat hij hem als minnaar iets te "bieden" had: sociaal, sportief, martiaal, moreel, intellectueel, enz. (niét: geldelijk, natuurlijk, in principe). Dat brengt ons bij een zoveelste differentia specifica van de Griekse knapenliefde, in onderscheid met de Romeinse: namelijk de maatschappelijke, meer bepaald  educatieve functie die er algemeen werd aan toegekend. Van de erast werd verwacht - het vormde a.h.w. zijn "alibi" - dat hij de paîs vertrouwd maakte met de waarden en normen, de sociale vaardigheden (de "deugden") nodig om later een gentleman-burger (kalóskagathós) te zijn. D.w.z. dat hij hem initieerde en socialiseerde in de rol die de knaap als volwassene zou moeten spelen, in de status en stand waartoe hij door afkomst behoorde (zie ook verder, onder §5.2). Terwijl de Romeinse homo-erotiek jonge slaven gold en vandaar alle pedagogische betekenis of motivatie ontbeerde, was het voor een Griek, omgekeerd, compleet onzinnig een slaaf "lief te hebben", juist omwille van die educatieve en culturele functie van de pederastie.

Ook voor de  filosofie is dit aspect van bijzonder groot belang geweest: Platoons dialogen bevatten genoeg aanwijzingen om te concluderen dat de filosofische relatie tussen meester en leerling een soort van afgeleide was van de pederastische relatie tussen minnaar en knaap. Vooral het Symposium, natuurlijk, neemt hierin een centrale plaats in: middels een soort van stilering van het erotische verlangen en een idealisering (verabsolutering) van het object ervan, zo leert ons de dialoog, wou de platoonse filosofie de fysieke en levendige relatie van de liefdeskunst transformeren in een geestelijke relatie tot de Ware Werkelijkheid (de alètheia)[62].

Die pedagogische en socialiserende functie van de Griekse pederastie verleent enige overtuigingskracht aan de hypothese dat zij haar oorsprong vond in een ouder initiatieritueel. Wat ons dus bij het probleem brengt van de mogelijke historische oorsprong van de Griekse pederastie.


5.2. Oorsprong.
 
De klassieke filologie, wanneer ze de Griekse pederastie al niet, moraliserend, heeft "doodgezwegen"[63] of verhuld (bv. onder de vage benaming "Griekse liefde"), heeft zich vooral toegelegd op het probleem van de oorsprong van dit "bizarre" fenomeen (zie de kritische besprekingen in H.Patzer, 1983, en Halperin, 1990a). De thesis die daaromtrent lang het meeste succes heeft gekend (mede omwille van het grote gezag van de belangrijkste verdediger ervan: Ulrich von Wilamowitz-Moellendorf), is die van de zgn. "noodhomoseksualiteit": de beperkingen, anders gezegd, van het krijgers- en kampleven, aanvankelijk tijdens de invallen van de "Dorische" stammen (einde 2de millennium) en nadien in het kader van de jarenlange Spartaanse militaire opvoeding, zouden als een "pis aller" dit soort van gedrag hebben uitgelokt en vervolgens geïnstitutionaliseerd, in de vorm van de zogenaamde "Dorische knapenliefde" [64]. Men vergelijke dat met hedendaagse toestanden in mannengevangenissen, kasernes, internaten, e.d.

Wat ook de wetenschappelijke waarde moge zijn van de historische vertrekbasis van deze thesis, lijkt ze slechts een heel beperkte verklaringskracht te hebben voor de grote bloei van de knapenliefde, in totaal verschillende omstandigheden, in Athenes klassieke periode. Een variant erop, die wél betrokken is op die klassieke vorm, werd geformuleerd door Dover (1978:88) - weliswaar via een wat anachronistisch aandoende vergelijking met heteroseksuele minnejacht "in (zeg maar) de Britse samenleving". Weliswaar, zo schrijft hij, zorgden slavinnen en prostituees ervoor dat een jonge Athener, zeker als hij gegoed was, seksueel "aan zijn trekken kwam"; alleen,

"betaalde seks... kon hem nooit geven wat hij emotioneel nodig had: namelijk de ervaring van gewaardeerd en verwelkomd te worden om zijnentwille. (...)  Sinds meisjes van burgerlijke huize door hun familie beschermd werden tegen contact met mannen, werd de versierder noodzakelijkerwijze op zijn eigen seksegenoten gericht".[64bis]

Nog afgezien van historische bezwaren tegen de verschillende versies ervan, lijdt het verklaringsmodel van de "nood-" of "Ersatzhomoseksualiteit" aan een principiële tekortkoming (cf. Patzer, 1983:17): het vertrekt van een louter negatieve impuls die, zo lijkt het, slechts had kunnen leiden tot uitzonderingsgevallen, die onder bijzondere omstandigheden hoogstens gedoogd werden. De klassieke knapenliefde, echter, manifesteerde zich "open en bloot", zij het dan binnen de fatsoenlijkheidsregels die de Atheense etiquette vereiste. Alleszins onder haar "legitieme" vorm, genoot ze van een vrij algemene, positieve waardering - wat zich nog het gemakkelijkst laat begrijpen indien ze in de ogen van de Grieken zelf op een positieve impuls berustte.

Aansluitend bij vroegere, historisch-wetenschappelijke aanzetten (w.o. E.Bethe, 1907), en vooral met gebruikmaking van hedendaags etnologisch onderzoek, werd een dergelijke, "positieve" verklaring ontwikkeld door H.Patzer (1983). Zijns inziens was de klassieke pederastie de erfgename van een meer primitieve, tribale vorm van jongereninitiatie, d.w.z. van inwijding van een adolescent in zijn toekomstige rol van volwassen krijger. Het bestaan van een dergelijk initiatieritueel in de oudheid, met inbegrip van een erotische relatie tussen een volwassen man en een knaap, wordt ons althans voor Kreta betuigd door een antiek historiograaf, Ephoros (4de eeuw vK) [65]. Anderzijds heeft het etnologisch onderzoek bij enkele tribale culturen op Nieuw-Guinea en in Melanesië het bestaan aan het licht gebracht van rituele pederastie, als vast onderdeel van een knapeninitiatie. [66]Voor de details (zoals een vorm van fellatio, "numinose Spermaübertragung", voor de overdracht van mannelijke kracht) verwijs ik naar de literatuur. [67]

In Patzers visie dient de klassieke vorm van de Griekse pederastie dan begrepen te worden als het resultaat, niét van een morele ontaarding (zoals Wilamowitz en anderen het wilden), maar van een culturele adaptatie, namelijk vanwege de aristocratie, aan het nieuwe, maatschappelijke kader van de burgerlijke polis. De adel had zich in eerste instantie nog geconstitueerd als een krijgsadel, maar met de verdere stap naar een volwaardige burgerpolis, verloor zij haar militaire functie van krijgersstand: de burgerlijke polis, inderdaad, steunde militair vooral op de hoplietenfalanx, d.w.z. op een burgerleger.

Concrete aanwijzingen, weliswaar, voor een historische continuïteit, in de Griekse wereld, tussen tribale initiatierituelen en de klassieke pederastie zijn er nauwelijks [68]. Wel wijzen vele sporen in de richting van de aristocratische hetairieën - zeg maar: krijgers- of mannenclubs - die in de archaïsche periode (7de eeuw) overal opdoken en een doorslaggevende rol speelden in de sociogenese van de Griekse stedelijke en politieke cultuur[69]. De voornaamste, nieuwe "institutie" waarbinnen die adellijke "mannencultuur" geproduceerd en gereproduceerd werd, waren de sumposia of drinkgelagen onder de leden van zulke "Männerbünde", zoals die clubs in de Duitstalige literatuur genoemd worden. In de homerische samenleving had het aristocratische feestmaal nog een eenheid gevormd van eten én drinken; de tafelgenoten zaten aan op stoelen en de aanwezigheid van (adellijke) vrouwen was normaal. Vanaf de 7de eeuw, daarentegen, werd het feestmaal opgedeeld in twee min of meer zelfstandige activiteiten: het eetmaal als zodanig en het drinkgelag. Dat laatste, meer in het bijzonder het "samen-drinken" (συμπίvειv) van wijn, was niet louter een "sociaal" gebeuren (in de banale zin van het woord) maar ook een ritueel of cultusgebeuren; en als zodanig moest het de cohesie en het samenhorigheidsgevoel onder de leden van de betreffende hetairie onderhouden en verstevigen. [70]

Hoe verliep een dergelijk drinkgelag? Vermoedelijk onder invloed van oosterse voorbeelden, lagen de deelnemers aan op een soort van ligbed (klínè), vaak per twee, en steunend op hun linkerarm; het gebeuren had plaats in het mannenvertrek, en vrije vrouwen waren ervan uitgesloten. Ritueel omkaderd (met plengoffers, e.d.), kende elk sumposion een "programmatie", met strikte drink- en andere regels (de vόμoι συμπoτικoί), die telkens werden vastgelegd door een verkozen συμπoσίαρχoς, of "koning" van het drinkgelag (zie Platoons Symposium, maar ook diens beschouwingen er rond in De Wetten, I, 648A-650B, en II, 671B-672D). Aldus bood het aan de deelnemers niet enkel de genoegens van de wijn (die steeds verdund werd gedronken), maar ook allerlei andere vormen van entertainment: bord- en behendigheidsspelen[71], poëzie en zang[72], welsprekendheidstornooien over allerlei onderwerpen (de zgn. λόγoι συμπoτικoί: bv. over eros, zoals in het Symposium), maar natuurlijk evenzeer muziek (met de aulós), dans én seks - waarbij een beroep werd gedaan, niet enkel op de slavinnen, schenkers en knapen van het eigen huishouden maar ook op ingehuurde musiciennes, danseressen en hetairen[73].

In het kader van deze mannelijke "sumposion-cultuur" - die ook tijdens de klassieke polis erg populair bleef in de betere kringen[74] - fungeerde, aldus Patzer, de knapenliefde als een soort van "ständische Initiationsform", dus een inwijding in de tradities en waarden van de adellijke stand [75]. Gecentreerd rond de adellijke cultus van de mannelijke, lichamelijke schoonheid (to kalón)[76], zorgde zij ervoor dat de jongeling door zijn volwassen minnaar - die zelf meestal "normaal" gehuwd was - werd ingewijd in de morele voortreffelijkheden (aretaí) waarvan de adel zich de belichaming wist: zelfbeheersing, moed, rechtschapenheid, gulheid, kennis en wijsheid (σoφία), enz.
 

5.3. Homo-erotiek.

Tot zo ver Patzers versie van de "initiatiethesis", die o.m. onder classici heel wat aanhang heeft gekregen [77]. De verklaring voor dat succes moet mogelijk niet enkel gezocht worden in de wetenschappelijke bewijskracht ervan: zoals gezegd, zijn er bitter weinig aanwijzingen voor enige historische continuïteit; en ook Patzers (niet-erotische) interpretatie van het hedendaags etnologisch materiaal heeft bezwaren uitgelokt. Mogelijk, daarom, spelen ook meer "modieuze", of zelfs ideologische factoren een rol in dit succes: de Atheense pederastie treedt er uit naar voren als een uiting van sociaal "plichtsbesef", veeleer dan als een expressie van (homo)erotische lust. Zoals Halperin kritisch schrijft (1990d: 60-61):

"(de thesis) geeft de historicus van de oudheid de mogelijkheid de Grieken vrij te pleiten van de beschuldiging daadwerkelijk homo-erotische gevoelens te hebben ervaren; ze stelt classici in staat, het Grieks (seksueel) verlangen te normaliseren en te recupereren voor de zaak van de exclusieve heteroseksualiteit".

We doen er, anders gezegd, verkeerd aan, het maatschappelijke belang van deze knapenliefde te overaccentueren ten koste van de seksuele verlangens bij de participanten: de aanwijzingen voor het bestaan van reële erotische gevoelens en verlangens, ook in de meest geritualiseerde vormen van initiatiepederastie, zijn inderdaad te talrijk om genegeerd te worden. Wat de Grieken betreft, behalve de vazenkunst, levert ook de poëzie talrijke voorbeelden van (dichterlijke uitdrukking van) homo-erotische passie. Denken we bv. aan het bekende gedicht van Ibukos (einde 6de eeuw), fr. 6 (PMG 287). Het werd door W.E.J.Kuiper (1923) wat vrij als volgt vertaald:

Eroos.

Alweer, alweer! Zijn blauwzwart wimperpaar
Ontfloerst het smeltend glanzen van zijn blik;
Hij ziet mij aan en door verlokking menigvoud
Drijft hij mij vast in Liefdes onontwarbren strik.

Ik sta en beef - Ik ril om zijne komst
Zoals een renpaard rilt, dat oud en loom
Zich weer het juk voelt vallen om den nek en zwenkt
Ter renbaan in, onwillig rukkend aan den toom
[78].

Het feit, anderzijds, dat de pederastie in klassiek Athene inderdààd een pedagogische functie had (of: geàcht werd te hebben), moet ook in verband worden gebracht met het algemene socio-seksuele systeem. Zoals hoger al aangegeven, was in de heersende gendertopografie de man/vader verbonden met het publieke domein, en dus met "uithuizigheid", de vrouw/moeder met het private, en dus met "binnenhuizigheid". Het Atheense familieleven werd, vandaar, gekenmerkt door een quasi permanente afwezigheid van het gezinshoofd: "vader" was voortdurend weg, eventueel of zelfs waarschijnlijk bezig met... àndermans zonen. De ouder wordende knaap werd bijgevolg gesocialiseerd, niét door vereenzelviging met de eigen vader, maar door middel van zijn pederastische relatie(s) met andere volwassenen. Een getuigenis hieromtrent levert de "beschuldiging" vanwege Lusimachos en zijn vrienden gericht aan hun vaders, bij het begin van Platoons Laches, 179C7-D2:

"Onze vaders, zo luidt onze beschuldiging, hebben ons, toen we groter werden, erop los laten leven, terwijl zijzelf zich met de zaken van anderen bezighielden".

Een typisch voorbeeld van zulk gebrek aan vaderlijke verantwoordelijkheid was ongetwijfeld... Sokrates.

Nog één laatste opmerking moet hier aan het slot gemaakt worden. In deze bondige bespreking hebben we het niet gehad over  vrouwelijke homo-erotiek. Dat is geen vergetelheid. Vrouwelijke homo-erotiek wàs er niet, of beter: werd, in het officiële, androcentrische discours, geàcht er niét te zijn. In de archaïsche periode was er vanzelfsprekend de poëzie van Sappho (zie vooral fr. 31, waar zij op een onnavolgbare manier uitdrukking geeft aan de "pathologie" van haar homo-erotische gevoelens). Maar Sappho was héél ver weg, in de klassieke periode.

Zeggen dat Athene een "mannenstaat" was, is ook zeggen dat ze een anti-vrouwenstaat was. De vrouw werd door mannen als bedreigend ervaren (cf. de tragedie). Zij moest daarom zo veel mogelijk gecontroleerd en gedisciplineerd worden: óók, of zelfs in de eerste plaats, haar seksualiteit (cf. de medische theorieën over de gezondheidsnadelen van seks, voor de man). Vandaar ook de voorkeur voor kindbruiden. Een autonome seksualiteit van de vrouw, d.w.z. los van haar "natuurlijke" voortplantingsfunctie en buiten haar dienstbaarheid aan de man, kon daarom niet geduld worden (wat vanzelfsprekend niet wil zeggen dat zij niet voorkwam). In de literatuur van de klassieke periode wordt, zoals bekend, slechts op één plaats naar vrouwelijke homo-erotiek verwezen, namelijk in de al vermelde mythe van Aristophanes, in Platoons Symposium (191E2-5); de benaming van "hetairistriai" ("tribaden"), die er daar aan gekoppeld wordt met betrekking tot de erbij betrokken vrouwen, dient als een scheldwoord begrepen te worden.

 

_______________________

 



Lexicologisch  Addendum.

Het Grieks telt een aantal woorden die, naargelang van de context, in het Nederlands kunnen vertaald worden door "liefde". De twee belangrijkste, evenwel, zijn φιλία (philía), en ἔρως (eroos) [79]:

 a) philía (werkwoord: phileîn): staat voor "liefde" in het algemeen. D.w.z., hoewel het niet exact hetzelfde betekent als ons woord, komt het toch dicht bij al hetgeen wij vandaag aanduiden met "liefde". Het adjectief φίλoς betekent zoveel als "dierbaar aan", "eigen", "vertrouwd", e.d. Als een zelfstandig nomen gebruikt, staat het voor "vriend" - gaande van een vluchtige, maar prettige kennis tot een intieme relatie van lange duur -, of "verwante", "geliefde", d.w.z.

"één van onze 'dierbaren' of 'naasten', met wie we, naar algemene opvatting, verbonden zijn in een netwerk van buitengewone verplichtingen of aanspraken" (Dover, 1978:49; vertaling 1989:61).

Zo wordt deze woordgroep aangewend voor de liefde tussen ouders en hun kinderen[80], maar óók in een erotische context (bv. Xenophoon, Symposium, 9.6).

 b) eroos (bij Homeros en Hesiodos "eros"; werkwoord: erân, ook erâsthai): wordt bij Homeros gebruikt voor "verlangen" zowel naar een vrouw, als naar eten en drinken, en in het algemeen alle zaken "waarvoor men een verlangen kan voelen dat kan bevredigd worden" (Dover, 1978:43). Het werkwoord, dat we aantreffen vanaf de 7de eeuw, staat voor "verlangen (te)", "verliefd zijn op" (aorist: "verliefd worden", Eng.: "fall in love"). Gedurende de klassieke periode, aldus Dover, is de connotatie van deze woordgroep dusdanig systematisch seksueel, dat een andere gebruikswijze ervan gerust mag beschouwd worden als een seksuele metafoor.

Wat de verhouding betreft tussen eroos en philía, hoewel de twee groepen als synoniemen konden gebruikt worden[81], dekken ze elkaar zeker niet volledig. Philía is de meer omvattende term van de twee. Volgens Vlastos verschilt eroos in ten minste drie belangrijke opzichten van philía:

1)  het is intenser, passioneler[82];

2)  het helt sterker over naar de zijde van verlangen dan naar die van affectie: terwijl "genegenheid" de primaire connotatie van philía kan worden genoemd, is dat voor eroos veeleer (seksueel) "verlangen", "hunkering", "lust";

3)  het is in sterkere mate verbonden met de seksuele aandrift: niet-incesteuze liefde tussen familieleden wordt normalerwijze aangeduid met philía, niet met eroos. Zoals Dover het formuleert, in de inleiding van zijn Symposium-uitgave (p.1):

"(eros is) een intens verlangen naar een welbepaald individu als een seksuele partner. Het woord wordt niet gebruikt, behalve retorisch of humoristisch, voor de relaties tussen ouders en kinderen, broers en zusters, meesters en dienaars of heersers en onderdanen".

De Grieken beschouwden eroos in de eerste plaats als een "response to the stimulus afforded by the sight of a person who is καλός (letterlijk: "mooi")" (ibid., p. 2). Hoewel het woordje καλός ook kon gebezigd worden voor handelingen, verwezenlijkingen, instituties e.d. (waar het dan "bewonderenswaardig, goed, eervol" betekende), verwees het, toegepast op menselijke personen (ook dieren, voorwerpen, plaatsen), altijd naar  visuele schoonheid, cf. Dover [83]:

"er moet benadrukt worden dat de Grieken iemand niet kalos noemden op grond van moraal, intelligentie, vaardigheden of temperament, maar uitsluitend op grond van verschijning, huidkleur, bouw en motoriek".

Vandaar dat Halperin concludeert:

"Kortom, erôs verwijst in het Grieks conventioneel naar gepassioneerd verlangen dat in ons opgewekt wordt door de aantrekkingskracht van fysieke schoonheid".

Het feit, nochtans, dat eroos het equivalent is voor ons woordje "liefde" in contexten waar seksueel verlangen op zijn plaats is, impliceert niet dat het daarom in àlle contexten gewoon gelijk is aan "seksueel verlangen"[84].

De Grieken hadden daarbij het gevoel dat, zoals de natuurelementen, ook eroos een kracht was die de mens van buitenaf overviel en waartegenover hij machteloos stond[85]. Vandaar dat eroos als een godheid, d.w.z. als Eros, kon worden ervaren en afgebeeld[86]. Aangezien het Griekse schrift geen onderscheid maakte tussen hoofd- en kleine letters, kan alleen de context uitmaken of de auteur het heeft over "Eros" dan wel over "eroos" (voor zover er al een onderscheid is, natuurlijk).

In Hesiodos' Theogonia (ca 700) treed Eros nog in twee vormen op: enerzijds, als een oerkracht, die, "in den beginne", de oerelementen (Duisternis, Aarde) geboorte deed geven aan nieuwe wezens die ze tot dan toe in zichzelf verborgen hadden (vv.116-7); anderzijds - eens Ouranos of Hemel gecastreerd is door Kronos en dientengevolge een "seksuele" relatie ingesteld is tussen Hemel en Aarde, en uit het in zee gevallen zaad van Hemel Aphrodite geboren is (vv.188-206) - fungeert Eros als "assistent" van de liefdesgodin[87]. Aphrodite en Eros verpersoonlijken beiden, ieder op zijn manier, de krachten die ons seksueel doen verlangen naar en ons doen verliefd worden op andere personen. Voor fysieke geslachtsgemeenschap werd in het Grieks (o.m.) de uitdrukking τὰ ἀφροδίσια gebruikt, letterlijk: "Aphrodite's zaken" (werkwoord: ἀφρoδισιάζειv, "neuken"). In zoverre zou men dus algemeen kunnen stellen dat seks als zodanig het domein van Aphrodite was, terwijl het passioneel verlangen naar een bepaalde persoon, dat wij "verliefdheid" of "passie" noemen, het domein van Eros vormde. Maar nergens in de Griekse literatuur wordt dit onderscheid expliciet gemaakt. Dat Aphrodite, tenslotte, als vrouwelijke godheid, heteroseksuele passie zou inspireren, Eros, daarentegen, als een mannelijke godheid, de homoseksuele, vinden we slechts éénmaal, als een "goede vondst", in een hellenistisch epigram. Aphrodisia kon trouwens heel goed homoseksuele geslachtsgemeenschap aanwijzen[88].

Een laatste woordgroep die hier dient vermeld te worden is ἐπιθυμία, epithumía, "verlangen, begeerte, behoefte" (werkwoord "epithumeîn"), een woord dat frequent gebruikt werd als een synoniem voor eroos. De vraag, in hoeverre, in het gewone taalgebruik, tussen beide enige betekenisnuance gold[89], is niet gemakkelijk te beantwoorden. Volgens Halperin[90] was het juist Platoon die als eerste een scherp onderscheid maakte, namelijk tussen appetitieve lust of begeerte ("appetite"), d.w.z. epithumía, enerzijds, en erotisch verlangen ("desire"), d.w.z. eroos[91], anderzijds. Terwijl eerstgenoemde énkel op behoeftebevrediging gericht is (zoals ook dorst niet zozeer een verlangen is naar goede drank als wel naar drinken zonder meer, vgl. Platoon, Politeia, 437D-439B), impliceert eroos ook liefde, d.w.z. een positieve  waardering van het voorwerp ervan; eroos is dus waardegeladen. Het doel van epithumía is het bereiken van hèdonè ("genot" als bevrediging van een elementaire behoefte), dat van eroos de verwerkelijking van een goed[92].

Het Grieks heeft, zoals gezegd in het begin, vele woorden om naar "liefde"  of "liefhebben" te verwijzen: zie bv. nog ἀγάπη, ἀσπάζειν, e.d. Belangrijk is wel te weten dat, i.t.t. wat soms beweerd is o.i.v. de christelijke traditie,

"er in de klassieke taal géén woord is voor 'liefde', dat seksualiteit uitsluit, in de gevallen waar een dergelijk seksueel element in een relatie maatschappelijk acceptabel is" (Dover, 1978:50).

 

______________________
 


NOTEN:

* Een eerste, uitgebreid geannoteerde versie van dit exposé verscheen als RUG-syllabus in 1992. Bij de "migratie", helaas, tussen verschillende pc's is het oorspronkelijke bestand verloren gegaan. Wel bewaard bleef de (ingekorte) tekst van een lezing die op 25 november '92 gegeven werd voor het Gentse Griekenlandcentrum, en nadien afgedrukt is in het tijdschrift ervan,  Tetradio, 2 (1993). Ter wille van de leesbaarheid werden in die versie de voetnoten beperkt; zij werd nadien ook opgenomen in de syllabus bij het Symposium. In deze internetversie heb ik beide versies met elkaar gecombineerd. 

 [1] Zo Dover, Greek Homosexuality, 1978:115. Ook t.a.v. de moderne samenleving moet de uniciteit van de Griekse homoseksualiteit sterk gerelativeerd worden. Onderzoeken die A.Kinsey en medewerkers in 1948 verricht hebben naar het seksueel gedrag bij de Noord-Amerikaanse man - het fameuze "Kinsey-Rapport" (Sexual Behavior in the Human Male) -, en gelijkaardige onderzoeken in Frankrijk en Nederland hielden de verrassende conclusie in dat de "exclusieve homoseksuelen" (d.w.z. zónder heteroseksuele ervaringen) slechts een zeer kleine fractie, namelijk amper een 4 à 5 %, uitmaakten van alle ondervraagden; omgekeerd kwamen de exclusieve "heteroseksuelen" niet boven de 50 % uit. "Daaruit moeten we dus afleiden dat een kleine helft van de mannen homoseksuele neigingen of min of meer regelmatige avontuurtjes met mannen toegeeft", Sartre, 1994:40; de Kinsey-tabellen bij Mary McIntosh, The Homosexual Role, in: Plummer (1981), p. 41; zie ook Patzer, 1983:23.

 [2] Die zich altijd al de rol van preutse zedenmeester heeft toegemeten, zeker op het vlak van het seksleven: blader er de "Liddell & Scott (& Jones)" maar eens op na, of vertalingen van Aristophanes.

 [3] Het boek werd ook in het Nederlands vertaald (Bakker, Amsterdam 1989). Weliswaar biedt deze studie geen systematische bespreking van de knapenliefde. De belangrijkste kenmerken ervan komen slechts zijdelings naar voor, namelijk via een uitvoerig commentaar bij een aantal documenten (in de eerste plaats Aischines' Tegen Timarchos). Zie de algemene appreciatie van het werk ("in many ways a maddening book to read"), door Halperin, 1990a:4-5.

 [4] In zijn artikel La famille et l'amour sous le Haut-Empire romain, in: Annales E.S.C., 33 (1978), p. 52.

 [5] Tot ca 1870 werden geslachtelijke relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht nog be-, d.w.z. veroordeeld als uitingen van "sodomie", en dus als een zonde waarin iédere mens, als zondaar, kon vervallen. Met de introductie, in medische en psychiatrische kringen, van het begrip "homoseksualiteit" werd overgestapt naar het concept van lichamelijke en/of psychische ziekte (vgl. de titel van een artikel van 1870 van een zekere C.Westphal: "Die conträre Sexualempfindung [deze formulering was een tijdje een terminologisch concurrent voor "homoseksualiteit"], Symptom eines neuropathischen (psychopathischen) Zustandes", verschenen in: Archiv für Psychiatrie und Nervenkrankheit, 2 (1870) - geciteerd bij Halperin, 1990a:153 n.2. Zie ook Weeks, 1981:82 e.v.; Greenberg, 1988, ch. 9: "The Medicalization of Homosexuality".  Eén voorbeeld tot wat zulks in de praktijk kon leiden: nog tot in 1968 (!) hebben Nederlandse rechtbanken castratie bevolen van homoseksuelen.

 [6] De creatie van het medisch-psychiatrisch begrip "homoseksualiteit", op het einde van de 19de eeuw, heeft ook meegebracht dat mensen zichzelf zijn gaan definiëren als "homo" ("gay", "nicht", "flikker", enz.) en hun zelfidentiteit daarrond hebben opgebouwd. Nochtans, ondanks de objectgerichtheid van de uitdrukking is "homoseksualiteit" nog lang geïnterpreteerd, óók door holebi's zelf, in termen van "inversie", d.w.z. als een deviantie op het vlak van de genderidentiteit: hoewel anatomisch/biologisch van het mannelijke, resp. vrouwelijke geslacht (sekse), gedroeg of voelde hij of zij zich als behorende tot het vrouwelijke, resp. mannelijke geslacht (gender). Zie J.Marschall, Pansies, perverts and macho men: changing conceptions of male homosexuality, in: Plummer (1981), p. 133 e.v.; z.i. is dat "inversie"-model pas recentelijk doorbroken. Zie ook Halperin, 1990a:15-16.

 [7] Zie bv. de "links-Freudianen": Reich, Fromm, Marcuse. Ook het eertijds bekende boek van J.M.W. Van Ussel, Geschiedenis van het seksuele probleem (Meppel 1968), waarin een historische argumentatie wordt gebracht voor de zgn. "repressie-hypothese" (op basis van Norbert Elias), huldigt een vorm van "seksueel essentialisme".

 [8] Het gaat onder meer om: (a) het "(symbolisch) interactionisme": het gaat ervan uit dat de seksuele betekenissen (bv. de homoseksuele identiteit) geconstrueerd worden in de maatschappelijke interactie, cf. J.H.Gagnon & S.S.Simon, Sexual Conduct: The Social Sources of Human Sexuality (Chicago 1973); (b) de Franse psychoanalyse, aansluitend bij de herinterpretatie van Freud door J.Lacan (vooral uitgaande van het zgn. "Oedipuscomplex"), cf. G.Deleuze & F.Guattari, L'Anti-Oedipe, en G.Hocquenghem, Le désir homosexuel, beide Paris 1972. Over deze kritieken op het "essentialisme" (m.i.v. Foucault), zie J.Weeks, 1981:86, evenals verschillende bijdragen in Van Lieshout, 1984. Wat de etnologie betreft, zie bv. de studie van C.S.Ford & F.A.Beach, Patterns of Sexual Behavior (London 1951; de titel van de Duitse vertaling, Berlin 1960, is explicieter: Das Sexualverhalten von Mensch und Tier); ook G.H.Herdt (ed.), Ritualized Homosexuality in Melanesia (Berkeley 1984): zie de Preface en Herdt's Introduction. - Het "essentialisme" (let op: de benaming komt van de opponenten ervan) heeft nochtans nog altijd zijn verdedigers. Eén van de bekendste is J.Boswell, cf. zijn Christianity, Social Tolerance, and Homosexuality: Gay People in Western Europe from the Beginning of the Christian Era to the Fourteenth Century, Chicago 1980. Zie hierover ook Halperin 1990a, pp. 41-53: "Homosexuality: A Cultural Construct. An Exchange with Richard Schneider". - Voor een evaluatie van de "constructionisme"-"essentialisme" controverse en haar relevantie voor het hedendaagse debat over de oud-Griekse "homoseksualiteit", zie ook Lambert & Szesnat (1994).

 [9] Het eerste, inleidende deel, La volonté de savoir, verscheen in 1976 (Nederlandse vertaling: De Wil tot Weten, Nijmegen 1984). Het oorspronkelijke opzet van deze "geschiedenis", gepland in 6 delen, was: "comprendre comment, dans les société occidentales modernes, s'était constitué quelque chose comme une 'expérience' de la 'sexualité'". Foucault heeft het naderhand historisch bijgestuurd, vanuit het besef, zoals hij schrijft, "(que) parler de sexualité comme d'une expérience historiquement singulière supposait d'entreprendre la généalogie du sujet désirant et de remonter non seulement aux débuts de la tradition chrétienne mais à la philosophie ancienne". Ik citeer uit een losbladige noot toegevoegd aan delen 2 en 3, beide gepubliceerd in 1984 (Foucault is datzelfde jaar gestorven aan Aids). Deel 2 draagt de titel: L'usage des plaisirs, en is gewijd aan de klassieke oudheid; deel 3, met als titel, Le souci de soi, behandelt de latere oudheid. Het geplande deel 4, Les aveux de la chair, gewijd aan het vroege christendom is, behoudens een uittreksel, niet verschenen. - Voor een appreciatie van Foucaults betekenis, zie, behalve Plummer en Van Lieshout, in de eerste plaats de bundel van D.M.Halperin, One Hundred Years of Homosexuality and other essays on Greek Love (1990): de "Introduction", pp. 6-7, en vooral: Two Views of Greek Love: Harald Patzer and Michel Foucault, pp. 62-71 ("This unfinished masterpiece... may turn out to be, even in its truncated form, the most important contribution to the history of Western morality since the publication, a hundred years ago, of Nietzsche's On the Genealogy of Morals", p. 62 - wat hem er nochtans niet van weerhield een aantal belangrijke tekortkomingen aan te stippen. Ook nadien zijn er regelmatig "critical assessments" gepubliceerd over Foucault's bijdrage. Zie bv.: D.H.J.Larmour, P.Allen Miller & Ch. Platter (eds.), Rethinking Sexuality. Foucault and Classical Antiquity, Princeton 1998.   

 [10] De term "gender" (spreek uit: [djender]; het woord is de Engelse vertaling van het Latijnse "genus") stamt oorspronkelijk uit de taalkunde, en is van daaruit, althans in de Engelstalige literatuur, geïntroduceerd in de sociologie, als technische term voor het "maatschappelijke geslacht". In de Nederlandse sociologische literatuur is het gebruik ervan de laatste decennia min of meer ingeburgerd geraakt.

 [11] Verschenen in: Civilizations of the Ancient Mediterranean: Greece and Rome, edd. M.Grant & R.Kitzinger (New York 1988), p.1250, gecit. in Before Sexuality, 1990:3.

 [12] Before Sexuality, 1990:5. Ibidem, p. 3 n. 2, wordt dat vanuit de vermelde bijdrage van Henderson als volgt geïllustreerd: "A Manchu mother, for instance, would routinely suck her small son's penis in public but would never kiss his cheeck. For, among the Manchus, fellatio is a form of sexual behavior except in the context of mother and small son, whereas kissing of any kind is always sexual. We are perplexed because, in our culture, fellatio is always sexual, whereas cheek-kissing among kin never is".

 [13] Ibidem. Het zij voor alle duidelijkheid beklemtoond dat "seksualiteit" hier niet fungeert als een gewone verzamelnaam voor de veelheid van mogelijke, seksuele gedragingen, verlangens, enz., die onder een of andere vorm in alle culturen voorkomen, maar als een conceptuele of ideële (en dus: ideologische) categorie die die veelheid en verscheidenheid op een heel typische manier geünifieerd en verzelfstandigd heeft ten overstaan van de rest van de menselijke praxis.

 [14] Door de Austro-Hongaar K.Benkert. Hetzelfde geldt voor het "pendant" ervan, "heteroseksualiteit", zie Halperin, 1990a:155 n. 2 en 158 n. 17. Beide samenstellingen behoren tot die groep van typische, moderne neologismen waarin Griekse en Latijnse componenten met elkaar gecombineerd werden (vergelijk ook "televisie", "automobiel", enz.).

 [15] "(In de 16de en 17de eeuw) ontstond de 'wil om te weten'. De pastorale zorg begint in die tijd een bijzondere interesse aan de dag te leggen voor het vlees en deszelfs lusten. Door visitaties, biecht en gewetensonderzoek verlegt de aandacht zich van de middeleeuwse voorschriften en verboden omtrent seksueel gedrag naar wat men dàcht tijdens het neuken en naar de geheime begeertes die men in zijn/haar hart koesterde", zoals J.Sturm, 1984:18, Foucault samenvat. Wat de nieuwe machtsmechanismen betreft, "negatieve macht" - d.w.z. geweld, verbod, wet en straf - werd vervangen door "kennismacht", d.w.z. het bestuderen van lichaam en ziel van de mensen, van het menselijke leven - vandaar Foucault's term van "biopolitiek" -, en het toepassen van die kennis voor de betering van het menselijke lot, namelijk "met observatie, controle, training van bepaalde handelingen, bewaking, verbetering van efficiëntie en discipline van de lichamen, pogingen om misdadigers, zieken, geesteszieken en dergelijke zedelijk herop te voeden en te behandelen", ibidem,k p. 22. Zoals bekend, heeft Foucault ook een geschiedenis geschreven van de behandeling van krankzinnigen (Folie et déraison, 1961), van het kliniekwezen (Naissance de la clinique, 1963) en van het strafwezen (Surveiller et punir, 1975).

 [16] Foucault, zo moet hier opgemerkt worden, wijst het gangbare onderscheid tussen (culturele) "seksualiteit" en (biologische) "seks(e)" uitdrukkelijk af, zie Wil tot Weten, pp. 148-150 (PS in onderscheid met het Nederlands onderscheid tussen "seks" en "sekse", bezit de Franse taal slechts het éne woord, "le sexe"). De notie "seks(e)" is z.i. historisch afhankelijk van de creatie van het moderne "seksualiteitsdispositief". Zij maakte het mogelijk "anatomische elementen, biologische functies, gedragsvormen, gewaarwordingen en lustgevoelens (te hergroeperen) in een kunstmatige eenheid", zodat "deze fictieve eenheid (kon) gaan functioneren als oorzakelijk principe".

 [17] In: Als flikkers aan  het woord komen, in: Van Lieshout (1984), p. 94.

 [17bis] Halperin, 1990c:43. Met dit alles wil vanzelfsprekend niet ontkend worden dat in vele (alle?) samenlevingen personen seksueel contact hebben gezocht met andere personen van hetzelfde geslacht. Evenmin betekent het dat homoseksualiteit op het niveau van het individuele zelfbegrip slechts een zaak van inbeelding zou zijn: "particular cultures are contingent, but the personal identities and forms of erotic life that take shape within the horizons of those cultures are not", Halperin, 1990c:51-52.

 [18] "in a classic essay on sexuality in history" (Halperin), namelijk R.Padgug, Sexual Matters: On Conceptualizing Sexuality in History, in: Radical History Review, 20 (1979), pp. 47-73, geciteerd in Halperin, 1990c:25.

 [18bis] Zie J.J.Winkler, Laying Down the Law: The Oversight of Men's Sexual Behavior in Classical Athens, in Winkler (1990), pp. 45-46. P.S. Winklers bundel, zoals die van Halperin, One Hundred Years..., verscheen in de reeks, "The New Ancient World", die een deel van de opbrengst afstond aan de "AIDS Foundation", in San Francisco (ook Winkler was een AIDS-patiënt). Over de betekenis van de kínaidos (Latijn: cinaedus) in de antieke gendersemiotiek, zie ook Maud W.Gleason, The Semiotics of Gender: Physiognomy and Self-fashioning in the Second Century C.E., in: Before Sexuality, pp. 389-415.

 [19] En... evenmin voor het dezer dagen meer dan ooit zwaar beladen woord "pedofilie": ook hier betreft het een onweerstaanbare, innerlijke dispositie die iemand noodzakelijk tot "pedofiel" maakt, of hem tot "pedofilie" drijft. N.B. net zoals "homofiel" (zie volgende noot), was ook de term "pedofiel" oorspronkelijk vergoelijkend bedoeld: het seksuele aspect van de verhouding tussen volwassene en kind wordt erdoor verdoezeld. De Temmerman (1994), p. 115, geeft daarom de voorkeur aan de term "pedoseksualiteit" boven die van "pedofilie", want de eerste lijkt hem "eerlijker en juister".

 [19bis] De alternatieve, meer omfloerste term van "homofilie" lijkt evenmin geschikt, ook al gaat het ook hier om een samenstelling van twee Griekse elementen. Hoewel "philía" in het Grieks een zeer breed betekenisveld had en kón gebruikt worden als een synoniem voor "eroos" (zie het Lexicologisch Addendum), vinden we beide woordgroepen in de context van de Griekse pederastie toch gewoonlijk aan elkaar geopponeerd: de eerste gold dan voor de  aseksuele vriendschap en genegenheid die van de paîs verwacht werd t.a.v. zijn minnaar, los van eigenlijk "erotische" motieven, die enkel voor de minnaar mochten spelen (zie verder). P.S. Dover heeft zijn gebruik van de term "homoseksualiteit" nadien verdedigd door de klemtoon te leggen op de "letterlijke" betekenis van de samenstelling: "Homosexuality is a genus definable by the sex of the person participating (in reality or in fantasy) in action leading towards genital orgasm", in: JHS, 104 (1984), p. 240. [In de meer recente studie van Charles Hupperts (2002), gebaseerd op diens proefschrift, Eros Dikaios (Amsterdam 2000), wordt geargumenteerd - weliswaar op basis vooral van keramisch beeldmateriaal - dat “het algemeen aanvaarde beeld over dit onderwerp grondig (moet) herzien (worden)” (p. 15). Heel summier samengevat, komt die herziening erop neer dat homoseksualiteit in Athene z.i. geenszins mag herleid worden tot knapenliefde; anderzijds had de pedofiele omgang tussen volwassenen en adolescenten weinig van doen met opvoeding, maar veel zo niet alles met seks, en dus met lust. ]

 [20] Over het (ook emotionele) belang van het "seksuele script" voor erotiek en seksualiteit, zie in het algemeen, J.H.Gagnon & W.Simon, Sexual Conduct. The social sources of human sexuality (1973).

 [21] Over Sparta zijn we weliswaar minder goed geïnformeerd dan over Kreta. Zie nu vooral Cartledge (1981).

 [22] Ook een afgeleide vorm werd gebruikt, namelijk παιδικά: dit was in feite het onzijdig meervoud van παιδικός, maar het werd gebruikt als een mannelijk enkelvoud (enigszins vergelijkbaar met het Nederlandse "schandknaap").

 [23] Anthologia Palatina, Buch XII-XVI, 2. verb. Auflage, Griechisch-Deutsch ed. H. Beckby,  Tusculum, München 1958, p. 14. De Nederlandse vertaling is van mezelf.

 [24] Wie zich toch wou blijven vóórdoen als "paîs", was daarom verplicht zich te epileren, zoals... de vrouwen dat deden. Cf. de wijze waarop de tragediedichter Agathoon (cf. Platoons Symposium), "opgetut als een vrouw", door Aristophanes bespottelijk wordt gemaakt in de aanvangsscène van de Thesmophoriazusae.

 [25] Vgl. daarentegen het schoonheidsideaal in de Ilias, 24.347-348 (over Hermes): "... gelijkend op een jonge prins met zijn eerste baardharen, in de volle aantrekkelijkheid van zijn jeugd".

 [26] Volgens Ploutarchos, Erotikos, 770C, had Euripides in Macedonië, op 72-jarige leeftijd, een relatie met dezelfde, toen 40-jarige Agathoon. Een ander, illuster voorbeeld, in de klassieke periode, was het filosofische koppel, Parmenides en Zenoon, beiden van Elea: op het ogenblik dat zij in Platoons Parmenides "optreden", is Parmenides 65 jaar oud en Zenoon, die uitdrukkelijk zijn paidiká wordt genoemd, is er 40 (zie de Parmenides, 127 B).

 [27] Onder de pederotische anekdotes die over Sophokles bewaard zijn bij Athenaios (Deipnosophistae, 603C-E), is er het verhaal dat hij zich, op 65-jarige leeftijd (!), na een vrijpartij buiten de stadsmuren door de paîs in kwestie zijn mantel zou hebben laten pikken. Vgl. daarmee het gesprek dat Kephalos heeft met (de nu oude) Sophokles, over het einde van diens "seksleven", bij Platoon, Politeia, 329B-C.

 [28] Zie Wood, 1988:118. Het verlies van de politieke autonomie van de polis ten gunste van de hellenistische monarchieën, vanaf de 3e eeuw vK, leidde dan weer tot een opvallende verbetering van de maatschappelijke positie van de vrouw (van stand). - Dat we hier te doen hebben met een soort van historische "wetmatigheid", wordt m.i. bewezen door de parallelle ontwikkeling tijdens de middeleeuwen, bij de vestiging van een burgerlijke "commune" in de Noord- en Centraal-Italiaanse stadstaten. Zie J.Larner, Italy in the Age of Dante and Petrarch, 1216-1380 (1980), p.68-9, over "(the) powerful strengthening of the patrilineal family", met als verklaring: "In order not simply to gain preeminence but to survive within the world of government it was necessary for the great families of the town that a new power should be given to the father-husband". Ook de Franse Revolutie van 1789 heeft de vrouwen beroofd van alle politieke rechten, daar waar het Ancien Régime aanvaard had dat vrouwen een leengoed konden houden, met de eraan verbonden rechten. Deze samenhang tussen (democratische) "politiek" en vrouwenonderdrukking wordt door Clark (1982), p. 190, in een breder, antropologisch perspectief geplaatst: "From this perspective, politics is a particular effort by the male cohort isolated from the female lineage to provide its members with a sense of being and belonging. Patriarchalism involves a corresponding effort to break up female nexuses, to bring daughters to the husband's home, and create a new male lineage, the household".

 [29] In The Democratic Body: Prostitution and Citizenship in Democratic Athens, 1990e:104.

 [30] Vandaar dat de nachtelijke, massale desacratie en verminking ("castratie"?) van de hermen, in 415, vlak vóór de uitvaart van de rampzalige Sicilische expeditie, een algemene hysterie veroorzaakte: zij werd ervaren als een aanslag tegen het wezen zelf van de Atheense democratie. Omtrent deze politieke provocatie - waarvan de jonge democratische leider, Alkibiades, "the personification of phallicism", het voornaamste slachtoffer werd - ontwikkelt Keuls, 1993:381-403, de aantrekkelijke, maar puur speculatieve hypothese dat zij het werk was van... Atheense vrouwen, en gericht was zowel tegen de heersende phallocratie als tegen de agressieve Atheense oorlogspolitiek (cf. de wreedaardige uitroeiing van Melos, in 416; ook Euripides' anti-oorlogsstuk, Trojaanse Vrouwen, daterend van 415).

 [31] J.J.Winkler, Representing the Body Politic, in: Id., Rehearsals of Manhood (Martin Classical Lectures, Princeton), gecit. in Halperin, 1990a: 103. Wat het aspect agressiviteit/afweer betreft van de phallus-in-erectie, worden de hermen (cf. ook de god Priapos die later populair werd als bewaker van tuinen en boomgaarden) in de moderne zowel etno- als ethologisch literatuur gekoppeld aan soortgelijke uitingen van zgn. "agressieve homoseksualiteit" bij tal van volkeren en culturen (tot in de moderne reclame, popcultuur, enz. toe) zowel als bij primaten (bv. bij bavianen). Zie Detlev Fehling, Ethologische Überlegungen auf dem Gebiet der Altertumskunde (1974), I. "Phallische Demonstration".

 [32] Zie bv. ook de Komedie, in de 5de eeuw: tijdens de uitvoering ervan op de burgerlijk-religieuze festivals waren de acteurs (burgers) "uitgerust" met een grote lederen phallus. Ook op processies werd een groot phallusbeeld meegedragen ter ere van Dionusos en andere godheden, waaronder Phales, i.e. "the personification of tireless male sexuality" (Dover, 1978:132); vgl. de komische versie van het Phales- of phalluslied in Aristophanes, Acharniërs, 263-79. Ook de Attische vazenschilderingen manifesteren een bijzonder opvallende belangstelling, "obsessie" bijna, voor de penis (voor een uitvoerige bespreking van de esthetische criteria die daarbij golden, zie Dover, o.c., pp. 124-135, die uit het overgeleverde materiaal concludeert "that Greek art and cult were extremely interested in the penis" (p.134). Behalve om de mannelijke geslachtsorganen bij de afgebeelde personages - overwegend jongelingen, in een grote variatie aan poses (volgens Dover, o.c., p.6, mogen we ze als de antieke "pin-ups" beschouwen) -, gaat het ook om phallusobjecten in alle mogelijke vormen en situaties: bv. een vrouw die "phalloi" water geeft, als waren het planten, of een vrouw met een mand vol phalloi (NB onder de naam "olisbos" had de kunstpenis natuurlijk ook een direct seksuele functie), enz. Tal van phalloi worden typisch afgebeeld met een starend oog op de eikel ("it conveys the impression of great tension and has the effect of investing the penis with an impudent, aggressive personality of its own", Dover, o.c., p. 132). Een "surrealistisch" element, in dit kader, is de zgn. "phallusvogel", met de poten, het lijf en de vleugels van een vogel, maar met nek en kop in de vorm van een gekromde penis, met het al vermelde oog. - Een dergelijke "phalluscultus" is natuurlijk niet uniek, maar komt in tal van culturen voor (bv. bij de oude Germanen). Zie o.m. Th.Vanggaard, Phallos, Eros und Macht, Frankfurt 19795 (Nederlandse vert. Amsterdam 1971).

 [32bis] Halperin, o.c., p.103, met verwijzing - wat de Kabylen betreft - naar P.Bourdieu, Esquisse d'une théorie de la pratique, précédé de trois études d'ethnologie kabyle (Genève 1972), p. 19.

 [33] In de literatuur wordt het mannelijk orgaan nu eens "penis" (Dover) dan weer "phallus" genoemd. Halperin verkiest het laatste woord, met de argumentatie, 1990a:164 n. 67: "I say 'phallus' rather than 'penis' because (1) what qualifies as a phallus in this discursive system does not always turn out to be a penis (...) and (2) even when phallus and penis have the same extension, or reference, they still do not have the same intension, or meaning: 'phallus' betokens not a specific item of the male anatomy simpliciter but that same item taken under the prescription of a cultural signifier; (3) hence, the meaning of 'phallus' is ultimately determined by its function in the larger socio-sexual discourse: i.e. it is that which penetrates, that which enables its possessor to play an 'active' sexual role, etc.".

 [34] Slaven: wanneer Aristoteles, Pol. I, ' 4, de ("natuurlijke") slaaf definieert als een wezen "dat door natuur niet van-zichzelf is, maar mens-van-een-ander is", dan gold dat, in het ideologisch discours, ook voor de vrouw: cf. de algemene praktijk om een vrouw niet bij haar naam te noemen; in plaats daarvan werd ze geïdentificeerd d.m.v. haar relatie tot een mannelijk lid in het huishouden, d.w.z. als dochter/vrouw/moeder-van een (met name genoemde man). In tegenstelling tot jongetjes, werden de namen van meisjes zelfs niet genoteerd in de lijsten van fratrie of stam; en wanneer het burgerschap afhankelijk werd gesteld van het geboren-zijn uit twee Atheense ouders, dan diende daartoe de naam en geboorteplaats te worden opgegeven van de vader en... de grootvader langs moeders kant: "the name of the mother dit not appear. Thus, in public registration, the woman served as a nameless channel for the transmission of citizen standing from her father to her sons", Eva Keuls 1993:90. - "Phallocratie": cf. nogmaals Keuls, waarbij ze, p. 2, "phallocratie" omschrijft als "a cultural system symbolized by the image of the male reproductive organ in permanent erection, the phallus. It is marked by, but is far more particular than, the dominance of men over women in the public sphere... (T)he concept denotes a successful claim by a male elite to general power, buttressed by a display of the phallus less as an organ of union or of mutual pleasure than as a kind of weapon: a spear or war club, and a scepter of sovereignty". Wat die "display" betreft van de phallus, in Athene, schrijft ze, l.c.: "As foreigners were astonished to see, Athenian men habitually displayed their genitals" (wààrop Keuls zich hierbij baseert, is de opsteller dezes onbekend). Volgens Keuls is het verhaal van de phallische heerschappij die ten grondslag ligt aan de westerse civilisatie, onderdrukt geworden "as a result of the near-monopoly that men have held in the field of Classics" (ibid., p. 1).

 [35] Voor de studie van de mediterrane wereld, zie het bekende werk van Fernand Braudel, La Méditerranée et le Monde Méditerranéen à l'époque de Philippe II (Nederlandse vertaling: 1992; Engelse vert. en verkorte uitg.: 1992), maar ook de reeds omvangrijke literatuur inzake mediterrane antropologie en sociologie. Studies over lokale gemeenschappen (in Portugal, Spanje, Z-Frankrijk, Italië, Griekenland en Kreta, Turkije, Libanon, Cyprus, Malta, Egypte, Algerië, Kabylië, Tunesië, Marokko...) van de hand van gereputeerde sociologen en antropologen, zoals Bourdieu, Herzfeld, Peristiany, Pitt-Rivers en anderen, hebben aangetoond dat deze ruimte, ondanks reële verschillen, toch een significante eenheid vormt op het vlak van maatschappelijke praktijken: familiale structuren, man-vrouwverhoudingen (dus gendersysteem), eer, machismo, e.d.; ook in de (latere) "volkscultuur": op het religieuze vlak bv., tussen het "volkskatholicisme" en de "volksislam". Voor een overzicht, zie M.Arkoun, Islam in Discussie. 24 vragen over de islam (1992), "24. Wat is de actualiteit van de Mediterrane cultuur?", pp. 176-200. Voor een kritische bespreking van de methodologische aspecten van het werken met een "Mediterraan model", zie D.Cohen, Law, Sexuality, and Society. The enforcement of morals in classical Athens (Cambridge 1991).

 [36] De Griekse polis was hierin niet uitzonderlijk. Over de bijna universele draagwijdte van (maatschappelijke indelingen van) de ruimte voor de constructie van de gender-verhoudingen, zie o.m. de bundel Women and Space. Ground Rules and Social Maps, ed. Shirley Ardener (London 1981). Wat meer in het bijzonder de "mediterrane" culturen betreft, zie de bijdrage aldaar van Lidia Sciama, The Problem of Privacy in Mediterranean Anthropology, pp. 89-111. Deze auteur waarschuwt weliswaar voor de gevaren van een al te ongenuanceerd toepassen op andere culturen van de (moderne) oppositie: vrouwen=privaat=achtergesteld versus mannen=publiek=geprivilegieerd, cf. pp. 109-110. Cohen, 1991:74, anderzijds, wijst erop dat "publiek" en "privaat" in wezen relationele begrippen zijn, die in een "complementaire oppositie" staan tot elkaar (bv. een symposium dat binnenshuis plaats vindt, wordt als "privaat" gezien m.b.t. de agora of het badhuis, maar als "publiek" m.b.t. de vrije vrouwen in het huis). Voor een inleiding in de thematiek van de genderconstructie, zie Marie Scheirlinck, "Mannelijk"/"Vrouwelijk". De Maatschappelijke Constructie van Gender. Een Interculturele Verkenning, Diss. RUG 1993. - In de inleiding van The Constraints of Desire (1990) waarschuwt Winkler ervoor, dat het dominante mannelijke discours in het algemeen, en het oud-Griekse "androcentrisme" in het bijzonder, slechts een beperkte descriptieve waarde heeft. Als een ideologisch discours van mannen over vrouwen én over zichzelf was het veeleer een soort van "calculated bluff" (p. 4); het kan nog het best begrepen worden als "coffeehouse talk, addressed to men themselves" (p. 6). Zie ook Halperin, o.c., p. 30, met in n. 63 een verwijzing naar N.Abercrombie, S.Hill & B.S.Turner, The Dominant Ideology Thesis (London 1980). Cohen (1991), tenslotte, onder verwijzing naar P.Bourdieu en A.Giddens, waarschuwt voor een zich blind staren op de letter van de bewaarde teksten: veeleer dan bestaande normen gewoon te reproduceren, zijn zij het resultaat van "retorische strategieën" van de auteurs ervan, waarbij "de normatieve categorieën van hun cultuur gemanipuleerd worden om in particuliere situaties particuliere effecten te bekomen" (p. 32, m.o.). In de dagelijkse werkelijkheid, anders gezegd, beschikken vrouwen wel degelijk over een aantal "vluchtroutes", binnen dergelijke gendersystemen (o.m. via de religie). Zie hierover ook Sourvinou-Inwood (1995).

 [37] Cohen, 1991:72. Keuls, 1993:93-97, dan weer, in het onderdeel: "Inner and Outer Space in Greek Architecture", vestigt de aandacht op de architecturale uitdrukking, in Athene, van die tegenstelling: nl. het opvallende contrast tussen de prestigieuze, publieke gebouwen en ruimtes (tempels, raadshuizen, stoa's, galerijen, enz.), alle afgebakend met ("phallische"!) zuilencolonnades, enerzijds, en de bescheiden, gesloten-doosachtige, vensterloze en volledig naar binnen gekeerde privé-woningen, anderzijds. Cf. p. 97: "even architecture reflected the genital notions concerning the societal roles of men and women. Only this background can explain the contrast between the splendor of the public structures and the modesty of the private houses - a contrast unequaled in any known ancient city. For the 'respectable' classes of Attic society, the anatomical differences between men and women were translated into the shapes of their living spaces...".

 [38] Vrouwen uit de lagere klassen waren in de dagdagelijkse realiteit wél verplicht op straat te komen, namelijk om mee "de kost te winnen", bv. als kraamster op de markt. Sociale en seksuele status gingen hier in de heersende ideologie onvermijdelijk samen: vgl. de dichter Anakreoon, fr. 43.4-5 (PMG 388), waar broodverkoopsters geassocieerd worden met prostituees.

 [39] κύριoς, kurios - d.w.z. haar echtgenoot, vader, oom, broer, zoon of (mannelijke) voogd. De bepalingen van het Attische strafrecht inzake prostitutie, verkrachting, overspel e.d. hadden niet zozeer de belangen van de vrouw op het oog (persoonlijke veiligheid en lichamelijke integriteit), als wel die van haar "heer": d.w.z. diens sociale status, bescherming van diens eigendomsrecht, de wettigheid van diens kinderen, e.d. Zo waren de straffen voor verleiding van de echtgenote, en dus overspel (moicheía), zwaarder dan die voor verkrachting. Zie A.R.W.Harrison, The Law of Athens: Family and Property (Oxford 1968), die uit de bespreking van deze strafbepalingen o.m. concludeert: "the woman and her chastity are hardly protected in their own right, but only because she is the humble but necessary vehicle for carrying the oîκoς". Voor een bespreking in het kader van het "mediterrane" gendersysteem, zie Cohen (1991, cf. o.m. p. 82: "If honor is won in public it may also be lost in private: a man unable to protect his private sphere incurs dishonor... As in modern Greece, Morocco, Turkey, or Andalusia, in general, failure to preserve the sexual purity of one's wife, daughter, or sister brings dishonor". Voor het Atheense strafrecht inzake overspel, zie ibid., p. 98v.; zie ook infra.

 [40] Cf. Cohen, 1991:64: "Her honor depends upon the reputation the community is willing to concede, not upon the evidence of facts... As one would expect in a culture oriented toward shame, it follows from this sexual dynamic that reputation depends largely upon the appearance of honor as judged by others rather than the inner reality".

 [41] Zoals ook vandaag nog geldt in de mediterrane wereld, riskeerde de man die integendeel teveel tijd doorbracht binnen de... private ruimte (wij zouden zeggen: "in de keuken"), oneer (atimía): hij werd m.a.w. gerangschikt bij de bewoners van die private ruimte: de vrouwen, kinderen en slaven (net zoals een inbreuk op de maatschappelijke codes in de eerste plaats bestraft werd/wordt met een uitsluiting uit de publieke ruimte). Anders gezegd, "the politics of reputation required a man to lead a public life", Cohen, 1991:74. Vgl. Xenophoon, Oeconomicus, vii.30: "Voor de vrouw is het schoner binnen te blijven dan buiten te lopen, voor de man is het schandelijker binnen te blijven dan zich te bekommeren om de zaken buiten".

 [42] Zie J.Gould, Law, custom and myth: aspects of the social position of women in classical Athens, in: JHS, 100(1980), pp. 38-59; voor een synthesewerk over de positie van de vrouw in Athene zie R.Just, Women in Athenian Law and Life (London 1989), o.m. ch. 6, "Freedom and Seclusion". Cohen (1991) waarschuwt voor een al te letterlijke interpretatie van het "binnen/buiten" discours, cf. bv. p. 149: "there is a marked tendency (sc. in modern literature) to take the public/private dichotomy as an absolute ontological category and hence to confuse separation and seclusion. That is, it does not follow that because, generally speaking, the man's sphere is public/outside, and the woman's is private/inside, women live their lives in total isolation from all but their slaves and their family. Separation of spheres of activity does not imply physical sequestration, and consequently utter subjection, as does seclusion". Keuls (1993), daarentegen, spreekt onomwonden van het "opsluiten" van de vrouwen, als een aspect van het "phallocratisch" regime, cf. p. 1: "In the case of a society dominated by men who sequester their wives and daughters, denigrate the female role in reproduction, erect monuments to the male genitalia, have sex with the sons of their peers, sponsor public whorehouses, create a mythology of rape, and engage in rampant saber-rattling, it is not inappropriate to refer to a reign of the phallus. Classical Athens was such a society".

 [43] Zie Clark, 1982:185: "The most alarming feature of Greek domestic life is the failure of the Greek father". Cf. Cohen, 1991:157-158. Vgl.  Aristoteles die het, in het kader van zijn kritiek op de "extreme" (Atheense) democratie, het heeft, Politica, V, 1313b32, over: "de gunaikocratie over het huis".

 [44] Vgl. de wantrouwige echtgenoten die gekarikaturiseerd worden door Aristophanes (bv. in de Thesmophoriazusae 397, 410-414, 519): het eerste wat ze doen, wanneer ze thuiskomen, is... onder het bed kijken op zoek naar echtbrekers (moichoi) en vragen waar hun vrouwen die dag "gezeten" hebben. Op overspel (moicheía), zoals gezegd, stonden zware straffen: echtbrekers vielen onder het strafrecht op de zgn. kakourgoi, samen met dieven, rovers, moordenaars en inbrekers, en riskeerden de doodstraf; indien betrapt op heterdaad, in het huis, konden zij door de huisheer ter plekke gedood worden. Zie Cohen, 1991:110v. Deze laatste merkt nog op dat de bestraffing niet de morele verwerpelijkheid gold van de daad, met als bedoeling een moreel correct seksueel gedrag af te dwingen: "there are no 'sexual offenses', in the modern sense, in Athenian law" (p. 123). Wàt aanstoot gaf, was de "huisvredebreuk", gewoonlijk dan nog 's nachts, als een onduldbare aanslag op de eer van de huisheer (die geacht werd de kuisheid van vrouw, dochter of zuster te behoeden), met een bloedvete als mogelijk gevolg: "Athenian law, in short, focused on the public consequences of illicit sexuality, not on the private, moral transgression", ibid., n. 74.

 [45]  Cf. de speciale wetgeving, de zgn. graphè húbreoos. Een formulering van de wet vinden we bij Demosthenes, Tegen Meidias (21), § 47. Opvallend is dat hierbij geen privaatrechtelijke procedure (een díkè) maar een publiekrechterlijke procedure (graphè) voorzien werd (een aanklacht kon dus door gelijk welke burger worden ingediend, en niet enkel door het slachtoffer): een daad van hubris tastte immers de sociale status aan van een volwaardig gemeenschapslid en gold derhalve als een aanslag op de gemeenschap in haar geheel. Zie o.m. Dover, 1978:34.; Fisher (1995).

 [45bis] Als zodanig bevestigde zij natuurlijk ook de status van de burger, en dus de bestaande democratische orde. We verwijzen naar de antieke berichten (vooral Philemoon en Nikandros), volgens dewelke Soloon (ca 600), in het kader van zijn (proto-)democratische hervormingen, ook voorzien zou hebben in de instelling van... staatsbordelen, met goedkope slavinnen-prostituees. Op die manier waren ook minder begoede burgers verzekerd een een vorm van socio-seksuele beschikbaarheid (met de opbrengsten zou Soloon de tempel hebben opgericht van Aphrodite Pandemos", "Aphrodite van het Ganse Volk"). Voor verwijzingen zie Halperin, 1990e:100-101. Hij merkt op dat, ook al is de historiciteit van deze berichten problematisch, we in alle geval mogen concluderen dat althans sommige personen in klassiek Athene prostitutie als een intrinsiek element van de democratie beschouwden. Zie ook zijn "Appendix 2", bij deze tekst, handelend over de prijzen die prostituees in de oudheid aanrekenden.

 [46] Zie Winkler, 1990b:39: "In addition to its androcentric phocus, its orientation around male agency and concerns, sexual significance is both phallocentric and invasive. The privileged terms for sexual activity in the Oneirokritika are perainein and perainesthai, to penetrate and to be penetrated".

 [46bis] Zie Dover, 1978:100. We krijgen de positie ook beschreven in Aristophanes, Thesmophorieën, vv. 488-489.

 [47] Voor mannen was de vrouwelijke "sex drive" op een dubbele manier bedreigend: 1) het vervullen van zijn "echtelijke plicht" ging gepaard met verlies aan levenskracht (sperma= levensvocht), wat vooral 's zomers erg "gevaarlijk" of ongezond was (cf. Hesiodos, Werken & Dagen, 693-4, over de "hondsdagen": "in die tijd zijn de geiten het vetst, de wijn het best, de vrouwen het vurigst, maar - pas op - de mannen het zwakst"; zie ook de antieke medische literatuur, voor verwijzingen, Halperin, 1990a:270, nn. 46 en 47); 2) wegens de vereenzelviging, in het patriarchaal discours, van vrouwelijke seksualiteit en voortplantingsvermogen, bracht de seksuele "honger" van de vrouw het risico met zich van onwettig vaderschap bij de kinderen die ze ter wereld bracht.

 [48] Halperin, Why is Diotima a Woman?, 1990f:271.

 [49] Het is weliswaar typisch voor de Griekse cultuur dat het "ondenkbare" desalniettemin regelmatig althans religieus-artistiek "gedacht" werd, namelijk in mythe en tragedie: zie in dit geval de figuur van Herakles, de stralende held, die tegelijk ook de rol van slaaf, vrouw en waanzinnige speelt; cf. N.Loraux, Herakles: The Super-Male and the Feminine (1990), in: Before sexuality, pp. 21-52.

 [50] In zijn Nikomachische Ethiek, VII.6, in een bespreking van akrasía, of onbeheerstheid, klasseert Aristoteles dergelijke mannelijke voorkeur voor de passieve rol onder de disposities die "ziekelijk" van aard zijn, ofwel het resultaat van onvrijwillige gewenning (namelijk wanneer men als kind seksueel misbruikt werd). Zie Dover, 1978:168-169, met ook een verwijzing naar de ps-aristotelische Problemata, iv.26, en de bespreking in Winkler, 1990:67-69.

 [51] In de vertaling van M.D'Hane-Scheltema (1971), p. 150v., wordt dit preuts, maar ook totaal pointeloos, vertaald met "immoreel".

 [52] Vgl. reeds de demagoog Kleoon die er zich in 424, in Aristophanes' Ridders, v. 877, op beroemt dat hij de prostitutie van mannelijke burgers een halt heeft toegeroepen door in de burgerlijsten de namen te doen schrappen van burgers die zich prostitueerden. Cf. Sartre, 1994:47.

 [53] Zie Dover, 1978:27-34; Winkler, 1990:62: "There is no record that anyone was ever prosecuted simply for prostituting himself, nor even that such a legal action was even conceived. The cases we know of were framed not in terms of sexual behavior but in terms of political participation. The alleged crime was not that a citizen sold his body but that, having sold his body, he then presumed to act as a political manager for the polis".

 [54] L'usage des plaisirs, p. 111; zie ook Halperin, 1990d:69.

 [55] "legitiem", als vertaling voor het Griekse δίκαιoς, mag hier niet verward worden met "legaal", of wettelijk verplicht. Het (publiekelijk) overtreden van de fatsoenlijkheidsnormen leidde, zoals gezegd, meestal enkel tot een vorm van sociale afkeuring (waarvan het belang weliswaar niet mag geminimaliseerd worden).

 [55bis] Vergelijk daarentegen ibidem, § 8.3., waar Xenophoon het heeft over een jonge, verliefde echtgenoot en diens vrouw: "Hij bemint en wordt op zijn beurt bemind door zijn vrouw" (erôn tês gunaikós anterâtai). Zie ook het bekende verhaal over Alkestis (vermeld in Platoons Symposium, 179 B 5 e.v.), die "door haar eroos (dia ton éroota)" de ouders van haar man, Admetos, zozeer in "liefde" (philía) overtrof, dat zij wél bereid was in Admetos' plaats te sterven - wat die ouders geweigerd hadden. Cf. Euripides' tragedie, Alcestis.

 [56] In verbinding met enkele literaire testimonia, nochtans, zou dit laatste er kunnen op wijzen dat, in het geval van anale copulatie, een erast zijn paîs eventueel masturbeerde. Zo, aarzelend, Dover, o.c., in een addendum, p. 204; J.R. Ungaretti (1982), daarentegen, in zijn kritische bespreking van Dovers boek, p. 5, heeft daaromtrent weinig of geen twijfels. De citaten uit Xenophoon en, vooral, Ps-Loukianos zijn daarmee alleszins in tegenspraak. De uitdrukking, "'up and down' position", komt van J.D.Beazly, geciteerd bij Dover, 1978:94.

 [56bis] Vergelijk de openingsregels van Platoons Protagoras: "Waar komt gij vandaan, Sokrates? Och ja, van de jacht (kunègésion), natuurlijk... op de jeugdige schoonheid van Alkibiades". Zie Dover, 1978:81 ("Pursuit and flight"). Voor die nauwe samenhang, in de Griekse cultuur, tussen eros en de jacht, zie de verwijzingen bij Halperin, 1990d:172 n.21.

 [57] "Since the Greeks located the source of eros in the eyes (of the beloved, usually), and since they considered eye-contact between lover and beloved the erotic stimulus par excellence, the respectable youth's downcast eyes signify his refusal to engage in the opening pages of an erotic relationship", Halperin, 1990f:267. Voor het erotisch belang van de ogen en de blik (cf. ook de vele afbeeldingen van phalloi met ogen), zie Frontisi-Ducroux (1996).

 [58] Alkibiades' openlijke belijdenis, daarom, in het slotdeel van het Symposium, van zijn liefde voor Sokrates, met het verhaal hoe hij, hoewel oorspronkelijk zelf de eromenos, met allerlei vrijerstruukjes zijn zgn. minnaar Sokrates tevergeefs had proberen te verleiden (hij kreeg Sokrates uiteindelijk "in zijn bed", maar deze laatste had, als ware híj de "knaap", elk spoor van seksuele opwinding achterwege gelaten, 219B-D), is ongetwijfeld bedoeld om de lezer te "shockeren".

 [59] In het Grieks: διαμηρίζειv (cf. μηρoί, "dijen"). In de moderne literatuur wordt gewoonlijk, naar het Latijn, van "intercruraal" of "interfemuraal" vrijen gesproken.

 [60] Zie bv. de bekende kulix te bezichtigen in The Ashmolean Museum in Oxford (1967.304); afb. bij J.D.Beazly, Attic Red-Figure Vase Painters, Oxford 1963², p. 378 n. 137, Dover, 1978, afb. R520. De roodfigurige binnenzijde, werk van de Brygos-schilder, toont een παιδoτρίβης, of gymnastiekleraar, en een knaap die de "intercrurale" positie aannemen; datering: omstreeks 500-475 vK. Zie de (wit-zwart) foto op deze site.

 [61] In zoverre de Grieken, in de klassieke periode, een besef hadden van zoiets als "romantische liefde" en hartstocht, ook als bron van kwellingen en angst, dachten ze veelal aan paides, niét aan vrouwen, als het voorwerp ervan. Voor de Romein, daarentegen, die jonge slaven opzocht, was een dergelijke, echt erotische relatie zo goed als ondenkbaar (de introductie van het Griekse "model" bracht hierin enige verandering: cf. de poëzie).

 [62] Zie hierover o.m. W.Schmid (1987), vooral pp. 96-100, "Liebeskunst und Wahrheitsbezug: Die Ars erotica der Philosophie". Alkibiades' mislukking, zo leert ons het slotdeel van het Symposium, om deze transformatie van een fysieke naar een filosofische verhouding te maken, verklaart zijn uiteindelijk failliet (m.i.v. zijn tragisch einde). Voor Platoons "theorie van de liefde", zie Ferrari (1992) en andere titels in de literatuurlijst.

 [63] Een typisch staaltje hiervan is te vinden in de roman van E.M.Forster, Maurice (geschreven in 1913-14, maar pas uitgegeven na de dood van de schrijver, in 1970). Een student die zich, tijdens een les in een Cambridge "college", kwijt van zijn taak, een niet nader genoemde klassieke Griekse auteur te vertalen, wordt door de Decaan onderbroken met de woorden (gesproken in "a flat toneless voice"): "Omit: a reference to the unspeakable vice of the Greeks". Geciteerd door Halperin, 1990a, bij de aanvang van zijn inleiding.

 [64] Maar de zgn. "Dorische" vorm - waarvan de "klassieke" knapenliefde dan een "ontaarding" zou geweest zijn - is ook betuigd voor bv. het Eolische Thebe en het Ionische Chalkis. Anderzijds is de "klassieke" vorm betuigd voor Dorische gemeenschappen (bv. Megara). Vandaar de conclusie van Patzer, 1983:92: "Nach all diesem muss die 'dorische Knabenliebe' aus dem Repertoire historisch belegter Tatsachen getilgt werden".

 [64bis] Minder of meer banale varianten hierop zijn ook bij andere auteurs te vinden, bv. in A.Lesky, Vom Eros der Hellenen (Göttingen 1976); R.E.Allen, The Symposium, 1991:19: "Upper-class Athenian men turned for romance not to women, who were either unavailable or ineligible, but to boys of their own class". Halperin, 1990a:34, citeert daartegenover de visie van de latere (moraliserende) redenaar, Dioon Chrusostomos (einde 1e eeuw nK): verre van de pederastie te zien als een pis aller bij gebrek aan beschikbare vrouwen, waren zelfs respectabele vrouwen in zijn tijd zo gemakkelijk te verleiden dat de mannen hun interesse verloren en op knapen gingen jagen! Tenslotte, voor een wat freudiaans klinkende, psychologische verklaring, gebaseerd op de onbeschikbaarheid, niet van de vrouw, maar van de vaderfiguur, zie Clark, 1982:185.

 [65] Zie zijn getuigenis, dat bewaard is bij Straboon, Geographica, 10.483 (= FragmGrHist 70E, 149); kort excerpt ervan bij Athenaios, XI, 782C; allusie erop bij Ploutarchos, De liber. educ., 11F. Zie Bethe (1907). Etnologisch georiënteerd onderzoek heeft meer recent ook andere sporen aan het licht gebracht van mogelijke initiatierituelen in het oude Griekenland. Zie de verwijzingen bij Halperin, 1990d:172 n. 18.

 [66] Patzer, 1983:74 e.v. Patzer steunt zich hoofdzakelijk op de studies van Gisela Bleibtreu-Ehrenberg: o.m. Tabu Homosexualität, die Geschichte eines Vorurteils (Frankfurt 1978), en Mannbarkeitsriten, zur Institutionellen Päderastie bei Papuas und Melanesiern (Ff., 1990). Voor verdere verwijzingen naar de etnologie, zie Halperin, 1990d:171 n. 17 (cf. zijn bedenking, p. 54: "We are the ones, it seems, whose sexual norms and institutions require historical explanation"). Vermeldenswaard zijn vooral de werken van Gilbert Herdt ("perhaps the world's leading authority on ritualized paederasty", Halperin, p. 60): Guardians of the Flutes: Idioms of Masculinity (New York 1981); onder zijn editorship: Rituals of Manhood: Male Initiation in Papua New Guinea (Berkeley 1982), en Ritualized Homosexuality in Melanesia (Berkeley 1984).

 [67] Zie bv. Herdt, 1982:55 en 70, over "homosexual fellatio inseminations"; samenvatting bij Patzer, l.c.

 [68] Zoals omstandig geargumenteerd wordt door Dover (Greek homosexuality and initiation, 1988), die de "ritual hypothesis" daarom afwijst. Hij beklemtoont de totale afwezigheid van allusies op openlijke homo-erotiek in de Griekse literatuur vóór ca 600, niet enkel in het epos, maar ook bij Hesiodos, Turtaios en zelfs Archilochos (Patzer, 1983:93-100, argumenteert, daarentegen, dat Homeros wel degelijk vertrouwd was met de knapenliefde maar expliciete verwijzingen ernaar bewust achterwege heeft gelaten). Volgens Dover doen we er alleszins fout aan, naar een universele verklaring te zoeken voor homoseksueel gedrag in uiteenlopende pre-moderne culturen. Wat de Grieken betreft, kunnen we enkel vaststellen dat ca 600, om redenen die ons ontgaan, een "shift" heeft plaats gevonden in seksuele smaak en conventies, die zich vrij snel verspreid heeft over de Griekse wereld.

 [69] Denken we aan de Lesbische dichter, Alkaios (einde 7de eeuw, begin 6de), die actief geëngageerd in de strijd om de macht tussen dergelijke hetairieën op Lesbos en wiens poëzie in de eerste plaats bedoeld was om gezongen te worden op de bijeenkomsten van zijn hetairie, als drink- en strijdliederen.

 [70] Wijn was de gave van god Dionusos en had als zodanig een sacraal, en dus ook sociaal, karakter; het drinken ervan was in principe voorbehouden aan volwassen mannen. Zie K.Kircher, Die Sakrale Bedeutung des Weines im Altertum in seiner Beziehung zur Gottheid, Giessen 1910. - Wat de sociabiliteit betreft van het gebeuren, cf. de andere afgeleiden van het werkwoord: συμπότης, συμπόσιoς, συμπόσιov..., en andere samenstellingen met συμ- zoals ze met name in de fragmenten van Alkaios, maar ook Theognis e.a. terug te vinden zijn, en die de uitdrukking zijn van "a new sense of community", cf. Anne Pippin Burnett, Three Archaic Poets: Archilochus, Alcaeus, Sappho (London 1983), p. 121 v. (met verwijzingen). Zie ook Winterling, Symposion und Knabenliebe: Die Männergesellschaften im archaischen Griechenland (1990), p. 16, met verwijzing naar P.von der Mühll, Das griechische Symposion (1926), in: Id., Ausgewählte Kleine Schriften (Basel 1976), en O.Murray, The Symposion as Social Organisation, in: R.Hägg (ed.), The Greek Renaissance of the Eighth Century B.C. (Stockholm 1983).

 [71] Zoals het populaire kottabos-spel: het mikken van de laatste druppels wijn die in een drinkschaal zijn achtergebleven, naar een op een bepaalde afstand geplaatste schaal of vaas, terwijl men de naam noemde van de aanwezige vrouw of knaap die men wou neuken. Daarmee verdeelden de gasten meestal de hetairen of musiciennes onder elkaar. Zie Salles, 1995:100 e.v.

 [72] "Laat ons drinken! Waartoe wachten de lamp? Dag is een vinger breed. | Reik, slaaf, neêr van de plank kelken ons aan grillig gekleurd en groot. | Zeus' en Semele's zoon immers den mensenkinderen schonk den wijn, | Die de zorgen verdrinkt. Meng van hem twee deelen op één, en schenk | Bekers boordegevuld, de éene in de rij de' andren verdringen laat", Alkaios, fr. 346 (vert. Kuiper).

 [73] Zie de vele bewaarde afbeeldingen op vazen. Cf. Salles, 1995:90: "Het symposium volgt een heel nauwkeurig ritueel, waarvan de etappen dienen om bij de disgenoten een euforie teweeg te brengen, die hun amoureuze of intellectuele potentie opwekt".

 [74] Vgl. ook Aristophanes, De Wespen, 1208-1215, over de "society"-regels van de "sympotische" etiquette.

 [75] Patzer, 1983:0106; ook Winterling, 1990:19. Cf. nogmaals Platoon, Wetten, II, 652Av., over de "opvoedkundige rol van de drinkgelagen" (aldus de ondertitel in De Wins vertaling).

 [76] Vgl. ook de grote bloei, vanaf de 7de eeuw, van de panhelleense sportspelen: de mannelijke lichamelijke schoonheid en voortreffelijkheid, zowat het standsprivilegie van de aristocratie, kon er zich in al haar "glans" (cf. het Griekse woord καλός) publiekelijk manifesteren. Zie hierover (en de band met de pederastie) reeds W.Jaeger, Paideia. Die Formung des griechischen Menschen, I (Berlin-Leipzig 1934), p. 259 e.v.

 [77] Ze wordt ook verdedigd door o.m. Bremmer (1980); B.Sergent, L'Homosexualité initiatique dans l'Europe ancienne, Paris 1986; Sartre (1994). Ook deze laatste verwijst naar de rituele pederastie, als onderdeel van een knapeninitiatie, bij een aantal tribale culturen op Nieuw-Guinea en in Melanesië, cf. Sartre, o.c., pp. 45-46: "Verre van een zinnelijke toevalligheid is de homoseksuele relatie een opgelegde proef. De (eromenos) voltooit op deze manier de reis naar de andere sekse, een reis die altijd onderdeel van de rite is. De travestieten die optreden in talrijke Griekse overgangsriten van adolescentie naar volwassenheid, zowel bij jongeren als bij meisjes, bewijzen dat men alvorens als volwassen in zijn eigen sekse te worden erkend, ook in Griekenland een symbolische omweg moest maken in de gedaante van de tegengestelde sekse". Sartre stipt ook aan, ibid., p. 46, dat het opvallend leeftijdsverschil in de Griekse homo-erotiek precies vereist werd door het primitieve inwijdingskarakter. - De these heeft meer recent ook opponenten gevonden, bv. in de hoger (n. 19bis) reeds vermelde studie van Ch. Hupperts (2002; bevat ook een volledige vertaling en analyse van Platoons Symposium) Zoals in n. 19bis al vermeld, had volgens deze auteur de pedofiele omgang, in Athene, tussen volwassenen en adolescenten weinig van doen met opvoeding, maar veel zo niet alles met seks, en dus met lust.

 [78] Een ander bewaard gedicht van Ibukos (fr.5, PMG 286) eindigt met: "Zo vaart van Kupris' zijde gezonden | Eroos met zengenden waanzin, met vreesloze wildheid mij aan".

 [79] Zie Vlastos, 1969:3-4; Dover, 1978:43 en pp. 49-50; Halperin, 1985:163.

 [80] Vgl. de vraag, in Aristophanes' Wolken, vv. 82-83, van boer Strepsiades aan zijn zoon: "phileîs emé?", "Hou je van mij?".

 [81] Zo kan in pederastische poëzie zowel "paiderastès" als, metri causa, "paidophilès" worden gebruikt; Homeros en Hesiodos gebruiken (de oudere vorm) φιλότης ook om naar geslachtsverkeer te verwijzen (bv. "verenigd in philótès"). Zie Dover, 1978:50.

 [82] Vgl. Prodikos, D-K fr. B7: "verdubbeld verlangen (epithumían) is eros; verdubbelde eros wordt waanzin (manían)". Ook Platoon, Wetten, 837A8: "wanneer (philia) hevig wordt, geven we er de naam 'eros' aan".

 [83] (1978), p. 16 (vertaling, 1989:28).

 [84] Zo Ferrari, 1992: 269 n. 1, die erop wijst dat de ervaringen die beschreven worden in het Symposium en de Phaedrus manifest ervaringen zijn van verliefd-worden en verliefd-zijn. Ridderbos, 1988:11, alleszins, geeft de voorkeur aan de vertaling "liefdesdrift" boven "liefde": "de laatste weergave kan gemakkelijk misverstanden oproepen, omdat zeker sinds het christendom het woord 'liefde' zoveelzinnig is. Het gaat bij eros niet zozeer om een persoonlijke beslissing, maar om een gedreven-zijn, en een met-eros-vervulde wordt door Sokrates in de Phaedrus dan ook een 'bewogene' genoemd (245B)".

 [85] Vgl. Anakreoon, fr. 413 PMG: "Weerom heeft eros mij als een smid met zijn grote hamer neergeslagen en me in een winterse gracht gedumpt".

 [86] In tegenstelling tot de christen, voor wie het woord "God" een soort van (eigen)naam is, is het Griekse woordje θεός eigenlijk een predikaat. De Griek zegt dus niet: "God is liefde", maar: "Liefde is god(delijk)". Ferrari, 1992:249, merkt evenwel op dat in onderscheid met goddelijke personages als Aphrodite en Dionusos, wier naam enkel metonymisch of overdrachtelijk kon gebruikt worden met de betekenis van respectievelijk "liefde" en "wijn", het woord eroos zélf "liefde" betekent. Het statuut van "Eros" als een goddelijk persoon is dus veel minder duidelijk. Ook zijn er geen preplatoonse verhalen over Eros als een gevleugelde knaap-god. Tot in de klassieke periode, wordt Eros op vazenschilderingen gewoonlijk afgebeeld als een mooie, jonge athleet. Het is pas in het Hellenisme, met de opkomst in de literatuur van het idee van de romantische liefde, dat Eros getransformeerd werd tot het overbekende kleine kind-met-vleugeltjes, "gewapend" met pijl en boog (Latijn: Cupido).

 [87] Zie hierover J.-P.Vernant, 1990:467: "Eros no longer acts as that force inside the one provoking fission into two, but as an instrument which in the context of an already established sexual dimorphism permits two to unite to engender a third, and so on ad infinitum".

 [88] Zie Dover, 1978:63.

 [89] Zo D.A.Hyland, Ερως, Επιθυμία, and Φιλία in Plato (1968), op basis van Platoons Lysis; maar zie de afwijzende reactie van Dover, o.c., p. 43 n. 11.

 [90] O.c., p. 170.

 [91] Zie behalve de drie genoemde dialogen - Lysis, Symposium en Phaedrus - o.m. ook de passus 836E5 e.v., in de Wetten, waar het er uitdrukkelijk om gaat de "natuur" te vatten van respectievelijk philía, epithumía en eroos, en van laatstgenoemde gezegd wordt dat het gaat om een "vorm" of eidos samengesteld uit de andere twee.

 [92] Zie nu ook Osborne (1994).

LITERATUURLIJST*:

ALLEN, R.E., The Dialogues of Plato, vol.II: The Symposium. Transl. with commentary. Yale 1991.

ANTON, J.P. (1974), The Secret of Plato's Symposium, in: Diotima, 2 (1974), pp. 27-47.

ARIÈS, Ph. & BÉJIN, A., edd. (1986), Westerse Seksualiteit. Een bijdrage tot de geschiedenis en sociologie van de seksualiteit (1982), Kampen 1986.

ARMSTRONG, A.H. (1961), Platonic Eros and Christian Agape, in: Downside Review, 79 (1961), pp. 105-121.

ARMSTRONG, A.H. (1964), Platonic Love: A Reply to Professor Verdenius, in: Downside Review, 82 (1964), pp. 199-208.

Before Sexuality (1990). The Construction of Erotic Experience in the Ancient Greek World, ed. by D.M.Halperin, J.J.Winkler, & F.I.Zeitlin, Princeton 1990.

BETHE, E. (1988), Die Dorische Knabenliebe. Ihre Ethik und ihre Idee (1907), in: Siems (1988), pp. 17-57.

BREMMER, Jan (1980), An Enigmatic Indo-European Rite: Paederasty, in: Arethusa, 13.2 (1980), pp. 279-298.

BREMMER, J. (1988), Kenden de Grieken de homoseksualiteit?, in: J.Bremmer (ed.), Van Sappho to de Sade. Momenten in de geschiedenis van de seksualiteit, Amsterdam 1988, pp. 9-19.

BREMMER, J. (1994), Adolescents, Symposion and Pederasty, in: Murray (1994), pp. 135-148.

BUFFIÈRE, Félix (1980), Eros adolescent. La pédérastie dans la Grèce antique. Paris 1980.

CANTARELLA, Eva (1992), Bisexuality in the Ancient World (1988), New Haven 1992.

CARLIER, B. (1993), Het kinderlijke in de seksualiteit. Over kinderseksualiteit, pedofilie en seksueel misbruik van kinderen, in: B.Carlier, Diep en duizendvoudig leven. Bijdragen over seksualiteit, relaties en ethiek, red. W.De Temmerman, Brussel 1993, pp. 97-116.

CARSON, Anne (1986), Eros the Bittersweet. Princeton 1986.

CARTLEDGE, P. (1981), The Politics of Spartan Pederasty (Proc. Cambr. Philol. Soc., 207, N.S. 27, 1981), in: Siems, pp. 385-415.

CLARK, S.R.L. (1982), Aristotle's Woman, in: History of Political Thought, 3.2 (1982), pp. 177-191.

COHEN, D.J. (1991), Law, sexuality, and society: the enforcement of morals in classical Athens. Cambridge 1991.

CORNFORD, F.M. (1937), The Doctrine of Eros in Plato's Symposium (1937), in: Id., The Unwritten Philosophy and Other Essays, Cambridge 1967 (ook afgedrukt in: G.Vlastos, ed., Plato. A Collection of Critical Essays, vol. 2, New York 1971, pp. 119-131).

DE LEY, H. (1992), Eros en Polis. Het Socio-seksuele Systeem in Klassiek Athene. RUG 1992.

DE LEY, H. (1993), Homoërotiek in Klassiek Athene, in: Tetradio, 2 (1993), pp. 43-68.

DE TEMMERMAN, W. (1994), Twee vormen van seksueel misbruik van kinderen, in: Jaarboek Seksualiteit Relaties Geboortenbeperking 1994, Gent 1994, pp. 114-126.

DEVEREUX, G. (1968), Greek Pseudo-Homosexuality and the 'Greek Miracle' (Symb. Osloenses, 42, 1968), in: Siems, pp. 206-231.

DOVER, K.J. (1975), Greek Popular Morality in the Time of Plato and Aristotle, Oxford 1975.

DOVER, K.J. (1978), Greek Homosexuality, London 1978 (Nederl. vert.: Homoseksualiteit in het klassieke Griekenland, Amsterdam 1989).

DOVER, K., Plato. Symposium. (Cambridge Greek & Latin Classics) 1980.

DOVER, K.J. (1988), Greek homosexuality and initiation, in: K.J.Dover, The Greeks and their legacy, Collected Papers, 2 (London 1988), pp. 115-134.

DUBY, G., ed. (1994), 5000 jaar liefde en seksualiteit in het Westen (1991). Vertaald door A.Bolweg en I.Gay. Baarn 1994.

FEHLING, D. (1974), Ethologische Überlegungen auf dem Gebiet der Altertumskunde. Phallische Demonstration - Fernsicht - Steinigung, (Zetemata, 61), München 1974; het onderdeel, "Phallische Demonstration", pp. 7-38, met een "Nachtrag 1988", is opgenomen in: Siems (1988), pp. 282-323.

FERRARI, G.R.F. (1992), Platonic love, in: Kraut (1992), pp. 248-276.

FISHER, Nick (1995), Hybris, status and slavery, in: A.Powell (ed.), The Greek World (London & New York 1995), pp. 44-84.

FLACELIÈRE, R. (1960), L'Amour en Grèce. Paris 1960 (Ndl. vert.: Liefde in het oude Griekenland, Aula-boeken 111, Utrecht 1963).

FOUCAULT, M. (1984a), Geschiedenis van de seksualiteit, 1: De Wil tot Weten, Nijmegen 1984.

FOUCAULT, M. (1984b), Histoire de la sexualité, 2: L'usage des plaisirs, Paris 1984.

FOUCAULT, M. (1984c), Histoire de la sexualité, 3: Le souci de soi. Paris 1984.

FRONTISI-DUCROUX, Françoise (1996), Eros, Desire, and the Gaze, in: Kampen (1996), pp. 81-100.

GOULD, Thomas (1963), Platonic Love. New York 1963.

GREENBERG, D. F. (1988), The Construction of Homosexuality. Chicago & London 1988.

HALPERIN, D.M. (1985), Platonic Erôs and What Men Call Love, in: Ancient Philosophy, 5 (1985), pp.161-204 (met bibliografie).

HALPERIN, D.M. (1986), Plato and Erotic Reciprocity, in: Class. Antiquity, 5 (1986), pp. 60-80.

HALPERIN, D.M. (1990a), One Hundred Years of Homosexuality and other essays on Greek Love, New York-London 1990.

HALPERIN, D.M. (1990b), One Hundred Years of Homosexuality, in: Halperin (1990a), pp. 15-40.

HALPERIN, D.M. (1990c), "Homosexuality": A Cultural Construct (An Exchange with Richard Schneider), in: Halperin (1990a), pp. 41-53.

HALPERIN, D.M. (1990d), Two Views of Greek Love: Harald Patzer and Michel Foucault, in: Halperin (1990a), pp. 54-71.

HALPERIN, D.M. (1990e), The Democratic Body: Prostitution and Citizenship in Classical Athens, in: Halperin (1990a), pp. 88-112.

HALPERIN, D.M. (1990f), Why Is Diotima a Woman? Platonic Erôs and the Figuration of Gender, in: Before Sexuality, pp. 257-308 (ook opgenomen in: Halperin, 1990a).

HALPERIN, D.M. (1992), Plato and the Erotics of Narrativity, in: Innovations of Antiquity, ed. by R.Hexter & D.Selden (New York & London 1992), pp. 95-126.

HUPPERTS, Ch. (2002), De macht van Eros. Lust, liefde en moraal in Athene - Plato, Symposium. Een analyse. Amsterdam.

HYLAND, D.W. (1968), Ερως, Επιθυμία, and Φιλία in Plato, in: Phronesis, 13 (1968), pp.32-46.

JUST, R. (1989), Women in Athenian Law and Life, London 1989.

KAMPEN, Natalie Boymel (1996), Sexuality in Ancient Art: Near East, Egypt, Greece, and Italy. Cambridge.

KEULS, Eva C. (1993), The Reign of the Phallus. Sexual politics in ancient Athens. Berkeley 19935.

KILMER, M.F. (1993), Greek Erotica on Attic Red-Figure Vases. London 1993.

KOSMAN, L.A. (1976), Platonic Love, in: W.Wermeister (ed.), Facets of Plato's Philosophy, (Phronesis, Suppl., vol. 2), Assen 1976, pp. 53-69.

KRAUT, R., ed. (1992), The Cambridge Companion to Plato. Cambridge 1992.

LAMBERT, M. & H.SZESNAT (1994), Greek "Homosexuality": Whither the Debate?, in: Akroterion, XXXIX (1994), pp. 46-63 (met uitvoerige bibl.).

LICHT, Hans (= Brandt, Paul) (1953), Sexual Life in Ancient Greece (1928), New York 1953.

MURRAY, O. (1983), The Symposion as Social Organisation, in: R.Hägg (ed.), The Greek Renaissance of the Eighth Century B.C., Stockholm 1983.

MURRAY, O., ed. (1994), Sympotica, a Symposium on the Symposion. Oxford 1994.

OSBORNE, Catherine (1994), Eros Unveiled. Plato and the God of Love. Oxford 1994.

PATZER, H. (1983), Die griechische Knabenliebe, in: Sitz. Wiss. Ges. J.W.Goethe-Univ. Frankfurt/Main, Bd XIX, Nr.1, Wiesbaden 19835.

PLUMMER, K., ed. (1981), The Making of the Modern Homosexual, London 1981

REEDER, Ellen D., ed. (1995a), Pandora, Women in Classical Greece, Baltimore & Princeton 1995.

REEDER, Ellen D. (1995b), Women and Men in Classical Greece, in: Reeder (1995a), pp. 20-31.

REINSBERG, Carola (1993), Ehe, Hetärentum und Knabenliebe im antiken Griechenland. München 19935.

RICHLIN, Amy, ed. (1992), Pornography and Representation in Greece & Rome. New York & Oxford 1992.

RIDDERBOS, S.J. (1988), Eros bij Plato, naar zijn Symposium en Phaedrus. Kampen 1988 (met vert. van Symposium en Phaedrus, in aanhangsel).

ROBIN, L. (1964), La théorie platonicienne de l'amour (1908). Paris 1964;.

RUSE, M. (1988), Homosexuality. A Philosophical Inquiry. Oxford 1988.

SALLES, Catherine (1995), De zelfkant van de oudheid (1982). Vertaald door I.Gay. Baarn 1995.

SANTAS, G.X. (1988), Plato and Freud. Two Theories of Love. Oxford 1988.

SARTRE, M. (1994), Homoseksualiteit in het oude Griekenland, in: Duby (1994), pp. 40-50.

SAXONHOUSE, A.W. (1984), Eros and the Female in Greek Political Thought, in: Political Theory, 12 (1984).

SCHEIRLINCK, Marie (1993), "Mannelijk"/"Vrouwelijk". De Maatschappelijke Konstruktie van Gender. Een Interkulturele Verkenning. Diss. RUG 1993.

SCHMID, W. (1987),  Die Geburt der Philosophie im Garten der Lüste. Michel Foucaults Archäologie des platonischen Eros. Frankfurt/M. 1987.

SCHMITT-PANTEL, P. (1985), Banquet et cité grecque: quelques questions suscitées par les recherches récentes, in: Mélanges de l'Ecole Française de Rome, Antiquité, 97 (1985), pp. 135-158.

SERGENT, B. (1984), L'homosexualité dans la mythologie grecque. Paris 1984.

SERGENT, B. (1986), L'homosexualité initiatique dans l'Europe ancienne. Paris 1986.

SHAPIRO, H.A. (1992), Eros in Love: Pederasty and Pornography in Greece, in: Richlin (1992), pp. 53-72.

SIEMS, A.K., ed. (1988), Sexualität und Erotik in der Antike. (Wege der Forschung, 605), Darmstadt 1988.

SLATER, Ph.E. (1992), The Glory of Hera. Greek Mythology and the Greek Family (1968), Princeton 1992.

SOURVINOU-INWOOD, Christiane (1995), Male and Female, Public and Private, Ancient and Modern, in: Reeder (1995a), pp. 111-120.

STURM, J. (1984), Geschiedenis van de seksualiteit, in: Van Lieshout (1984).

SUTTON, R.F. Jr. (1992), Pornography and Persuasion on Attic Pottery, in: Richlin (1992), pp. 3-35.

UNGARETTI, J.R. (1982), De-moralizing morality: Where Dover's Greek Homosexuality leaves us, in: Journal of Homosexuality, 8 (1982), pp. 1-17.

VAN LIESHOUT, M., ed. (1984), Ontmaskering van de Homo-identiteit, Den Haag 1984.

VERGEER, Charles (1979), Strato van Sardeis, Knapenliedboek. Vertaald en van een nawoord voorzien. Amsterdam 1979.

VERNANT, J.-P. (1990), One... Two... Three: Erôs, in: Before Sexuality, pp. 465-478.

VLASTOS, G. (1969), The Individual as an Object of Love in Plato (1969), in: G.Vlastos, Platonic Studies, Princeton 1981², pp. 3-42.

VON DER MUEHLL, P. (1976), Das griechische Symposion (1926), in: P.v.d.M., Ausgewählte Kleine Schriften, Basel 1976.

WEEKS, J. (1981), Discourse, desire and sexual deviance; some problems in a history of homosexuality, in: Plummer (1981).

WINKLER, J.J. (1990a), The Constraints of Desire. The anthropology of sex and gender in ancient Greece, New York-London 1990.

WINKLER, J.J. (1990b), Unnatural Acts: Erotic Protocols in Artemidoros' Dream Analysis, in: Winkler (1990a), pp. 17-44.

WINKLER, J.J. (1990c), Laying Down the Law: The Oversight of Men's Sexual Behavior in Classical Athens, in: Winkler (1990a), pp. 45-70 (ook opgenomen in: Before Sexuality).

WINTERLING, A. (1990), Symposion und Knabenliebe: Die Männergesellschaften im archaïschen Griechenland, in: Männerbande, Männerbünde: Zur Rolle des Mannes im Kulturvergleich, in: Ethnologica, N.F. 15 (1990), Band 2, pp. 15-22.

WOOD, E.Meiksins (1988), Peasant-Citizen and Slave. The Foundations of Athenian Democracy. London & New York.

 

* De filologische en filosofische publicaties i.v.m. Platoons Symposium werden niet opgenomen.

Herman De Ley (© 27/5/2010) • 1ba-INDEX • Syllabi-Index • CIE-INDEX •