 |
HOOFDSTUK
8 :
Filosofie
in de
Hellenistische Periode:
"DE
TUIN" & "DE STOA"
|
 |
Inhoud
1. Filosofie in de
Hellenistische Periode:
1.1.
Algemene Ontwikkelingen
1.2. De
Hellenistische Filosofie:
1.2.1.
Epicureïsme en Stoïcisme
1.2.2. Dogmatisch
Rationalisme
1.2.3.
Verinnerlijking
1.2.4. Skepsis
Epiloog.
2. Epikouros en het
Epicureïsme:
2.1. Filosofie
als "Therapie"
2.2. Epikouros'
Filosofisch Systeem:
2.2.1.
Kanoniek
2.2.2. Fysica
2.2.3.
Ethica:
2.2.3.1.
De Goden
2.2.3.2.
Hèdonè: tussen
Phúsis en Lógos
2.3.
De Epicureïsche bíos
philósophos
2.4. Epikouros
als "Heiland"
3. Zenoon en het
Stoïcisme
3.1. Inleiding
3.2. Fysica
3.2.4.
Teleologie, Theologie en Determinisme
3.3. Kennis
& Taal
3.4. Ethiek
Literatuur.
1. Filosofie in de Hellenistische Periode
Φιλοσοφία,
Philosophía -
het zoeken naar de waarheid met behulp van de menselijke rede of
lógos - wordt in de hedendaagse literatuur wel
eens "het meest indrukwekkende intellectuele monument van het
Hellenisme" genoemd (1).
Het begrip, echter, zou na Aristoteles een geleidelijke transformatie
ondergaan, in overeenstemming met de zich sterk wijzigende,
maatschappelijke en politieke verhoudingen, eerst in de hellenistische
periode en nadien onder het Romeinse keizerrijk. Wat
blééf was de nauwe koppeling tussen het (vanuit
onze, moderne benadering) "eigenlijke", filosofische discours, als het
theoretische geheel van geargumenteerde doctrines, en een specifieke,
"filosofische bíos" of levensvoering. Anders
gezegd, van de voor de moderne filosofie typische
vrijblijvendheid was ook in de latere oudheid geen sprake (de
ontkoppeling zou er pas komen met de recuperatie van de "heidense"
filosofie door het christendom).
1.1. In de tweede helft van
de 4de eeuw en vooral met de aanvang van de hellenistische periode (2), ging de Griekse wereld
geleidelijk aan diepgaande, politieke, maatschappelijke en ideologische
verschuivingen kennen. De kleinschalige polisstaatjes, dragers van alle
politieke en culturele tradities, werden, na hun militaire nederlaag
tegen de Macedoniërs, opgenomen in de territoriale staten van
de hellenistische monarchen, generaals en opvolgers van Alexander (die heersers
worden daarom gewoonlijk "Diadochen"
genoemd). Dat proces ging gepaard met quasi onophoudelijke oorlogen en,
intern, met scherpe sociale conflicten (ook in het voorheen
democratische Athene), als gevolg van een toenemende polarisatie tussen
arm en rijk. De middenklasse, traditioneel de maatschappelijke basis
van de polisorde, verpauperde en er ging een politiek klimaat heersen
van onzekerheid en onveiligheid.
Op het vlak van het geestelijke klimaat was de
post-klassieke periode een tijd van tegenstrijdige ontwikkelingen (3).
Vooreerst waren zeker de eerste honderd jaar van
de hellenistische periode een tijd van intellectueel-wetenschappelijke
hoogconjunctuur. Met de stichting, door Aristoteles, van het Lyceum
(334) en nadien, in ptolemeïsch Egypte, de oprichting van het Mouseîon
van Alexandrië (begin van de 3de eeuw), leek men de
definitieve triomf te zullen beleven van het helleense rationalisme. We
hoeven slechts te verwijzen naar de belangrijke ontwikkelingen op het
vlak van de verschillende wetenschappen: wiskunde, astronomie,
geografie, zoölogie, botanica, geneeskunde, filologie,
geschiedenis; ook mechanica, optica, enz., enz. De grote geleerden van
Alexandrië gingen model staan voor een quasi universele,
rationele kennis (de grootste wetenschapper van hen allemaal was
ongetwijfeld Eratosthenes van Cyrene, ca 276-194 vK, leerling van de
stoïcijn Aristoon van Chios).
Dat is echter voor een deel schijn. De helleense
taal en cultuur werden weliswaar "uitgedragen", manu militari
zeg maar, over de mediterrane wereld en tot in
Indië, maar ze vormden er een oppervlaktefenomeen, beperkt tot
een stedelijke élite; of anders gezegd: ze vormden een
belangrijk aspect van de "kolonisering" van het Midden-Oosten door
Grieken en Macedoniërs (de onderworpen, autochtone
bevolkingen, in hun dorpen, bléven hun oude talen spreken:
in ptolemeïsch Egypte bv. het Egyptisch). In werkelijkheid,
daarom, kan men, vanaf de 2de en vooral de 1e eeuw vK, in de
Grieks-sprekende wereld een soort van "terugkeer van het
irrationele" (Dodds, 1951:244) vaststellen. Ook de heersende
klassen - in de klassieke periode nog het "bastion" van het
rationalisme - werden in toenemende mate ontvankelijk voor de
"irrationele" bewegingen en aspiraties die, in de klassieke periode,
eerder beperkt waren gebleven tot de lagere klassen. In de klassieke
polisstaat, zo zou je veralgemenend kunnen zeggen, was de enkeling een
sociaal geïntegreerd, en dus "gelukkig",
burger geweest; nu werd de enkeling een vervreemd en machteloos
onderdaan van een despotisch rijk dat de aspiratie had een wereldrijk
te worden. In die omstandigheden beantwoordde de civiele, Olympische
religie steeds minder aan de spirituele behoeften van het individu (de
officieel gepropageerde koningscultus, later keizerscultus, bracht al
evenmin veel soelaas). Mysteriecultussen en -religies, die in de
klassieke periode nog in de marge functioneerden of politiek
geïntegreerd waren (denken we bv. aan de mysteriën
van Eleusis, voor Athene), alsook, later, gnostische sekten zouden een
groeiend succes kennen omdat zij wél tegemoet kwamen aan de
vraag naar een nieuwe, meer individuele spiritualiteit. Ook occulte
praktijken en technieken, oude zowel als nieuwe, zoals magie en
tovenarij, demonologie, astrologie (in haar klassieke vorm
gecreëerd tegen het einde van de 2de eeuw vK), alchemie
(wellicht een creatie van Demokritos Bolos, rond 200 vK), e.d., kregen
een sociale en wetenschappelijke respectabiliteit.
Een omvattende verklaring voor dit complexe
fenomeen is niet in een handomdraai gegeven. De al vermelde, politieke
overgang naar grote, traditie-arme rijken, die vervolgens vanaf het
midden van de 2de eeuw geleidelijk aan opgeslokt werden door het
Romeinse rijk, speelde zeker een rol. Belangrijk was ongetwijfeld ook
het versnelde tempo waarmee, na Alexander, het Midden-Oosten
gehelleniseerd werd, althans wat de steden betreft (heel wat Grieken
verlieten hun land om hun fortuin te zoeken in de nieuwe wereldcentra).
Er ontstond op die manier een "New World", een
enorm imperium of althans "commonwealth", met
Grieks als algemene voertaal (de zogenaamde Koinè)
en het hellenisme als algemene cultuur, waarvoor de oudere, regionale
tradities in eerste instantie moesten wijken. Een beslissende factor in
de nieuwe, psychologische en ideologische ontwikkelingen zouden vooral
de grote, te snel groeiende (naar antieke maatstaven) "mammoetsteden"
worden, zoals Efese, Pergamon, Antiochië en, vooral,
Alexandrië en Rome. De inwoners ervan, vaak ontworteld uit hun
oorspronkelijke milieu, levend temidden van een bonte, multiculturele
mengeling van tradities, religies en culturen, én niet
betrokken bij een sociaal-integrerende, politieke praxis, gingen lijden
aan de typische, stedelijke kwalen van vervreemding en eenzaamheid.
[E.R.Dodds, in: Pagan and Christian in an Age of Anxiety,
1965:137, heeft het over
"de verschrikkelijke eenzaamheid die
een mens kon overvallen temidden van zijn medemensen. Zulke eenzaamheid
moet gevoeld zijn door miljoenen - het verstedelijkte stamlid, de boer
naar de stad gekomen op zoek naar werk, de gedemobiliseerde soldaat, de
rentenier geruïneerd door de inflatie, en de vrijgelaten slaaf"].
Het was daarom onder de inwoners van die nieuwe
grootsteden dat zich op langere termijn een nieuwsoortige religiositeit
zou manifesteren. Het zou ook onder hen zijn dat het latere
christendom, met zijn sterk gemeenschapsleven, zijn vroegste en meest
spectaculaire vorderingen maakte.
1.2. Laten we terugkeren naar
de
filosofie, bij de aanvang van de nieuwe periode. In
eerste instantie trachtte zij, vooral aansluitend bij de sokratische
tradities (waaronder het cynisme, de Megarische school en het
cyrenaïsch hedonisme), een, wat ik zou noemen, immanent
of naturalistisch antwoord te geven op de levens- en zingevingsvragen
waarmee mensen geconfronteerd werden. Dat geldt dan vooral, in contrast
met de oudere Akademie en het Lyceum (die vanuit filosofisch oogpunt
geen voortrekkersrol meer zouden spelen), voor de éigenlijke
"hellenistische" scholen, die elkaars voornaamste concurrenten waren,
namelijk het epicureïsme ("de
Tuin") en het stoïcisme ("de
Stoa"). Bijzonder opvallend, in dit verband, is dat beide,
weliswaar op een erg verschillende wijze, vertrokken vanuit een
"materialistische" optiek qua zijnsleer (alleen het stoffelijke of
lichamelijke "is") en een "empiristisch" uitgangspunt voor hun
kennisleer (anders gezegd, voor het "criterium van de
waarheid" grepen beide terug naar de zintuiglijke
perceptie).
Wat de geografische locatie betreft,
niettegenstaande de herhaalde "lokroepen" uitgaande van de koninklijke
hoven (een aantal filosofen bezweken ervoor) geldt voor de
viér scholen dat de hellenistische filosofie essentieel een
Atheense aangelegenheid was, althans tot aan het einde van de 2de eeuw
vK. Dat is des te merkwaardiger omdat, met uitzondering van Epikouros,
bitter weinig leidende filosofen zelf Athener waren: tal van hen, zoals
Zenoon en Chrusippos, waren niet eens van "Griekse" origine. Dus, wie
in deze periode op een ernstige wijze aan filosofie wou doen, kwam
nààr Athene; en wie naam maakte als filosoof,
blééf in Athene. Athene zelf behield ook geruime
tijd een vorm van economische zelfstandigheid en een zekere politieke
betekenis. Eén van de belangrijke keerpunten kwam er in 155
vK: Athene was toen verplicht een gezantschap naar Rome sturen om te
pleiten voor een reductie of kwijtschelding van een zware boete die ze
had opgelopen (interessant: het gezantschap bestond uit drie
filosofen-scholarchen: de akademicus Karneades, de stoïcijn
Diogenes van Babylon en de peripateticus Kritolaos).
1.2.1. Wat Epikouros en de Stoa betreft,
ze ontwikkelden twee radicaal verschillende visies op mens en wereld.
Toch zijn er een aantal punten van overeenkomst aan te stippen.
Vooreerst stemden ze in zo verre met elkaar overeen, dat ze allebei een
omvattende en min of meer systematische
levensfilosofie aanboden - wat verklaart waarom ze beide een
dominante positie verwierven in de verdere ethiek (waarbij de Stoa
weliswaar de concurrentieslag zou winnen). Maar ook inzake hun
filosofische oriëntaties kunnen we enkele gemeenschappelijke
vaststellingen maken (cf. ook hun al vermeld, gezamenlijk
"materialistisch" en "empiristisch" uitgangspunt):
In vergelijking met Aristoteles' nog breed
filosofie- en wetenschapsbegrip ("philosophía"
stond bij hem nog voor filosofie én wetenschap), gingen een
groot aantal wetenschappen zich na hem verzelfstandigen t.o.v. de
filosofie (cf. supra). Daarmee overeenkomstig, ging de filosofie zich
toespitsen op ethiek en morele levenskunst: in zoverre de natuurstudie
erkend werd als een onderdeel van de filosofie (maar bv. Zenoons
"dissidente" volgeling, Aristoon van Chios, wees naar cynisch voorbeeld
de fysica af), verloor zij de geprivilegieerde positie die ze had bij
Aristoteles en werd zij a.h.w. geïnstrumentaliseerd of
(ideologisch) ten dienste gesteld van de ethische doelstellingen. Om
die reden, zo lijkt het althans, konden zowel Epikouros als Zenoon zich
"tevreden" stellen met het heropnemen van, of aanknopen bij oudere
natuurtheorieën (respectievelijk het atomisme van Demokritos
en de vuurleer van Herakleitos).
Tegelijkertijd richtte de hellenistische
filosofie zich tot een breder publiek. De nieuwe scholen ontstonden
inderdaad gedeeltelijk uit reactie tégen Platoon en
Aristoteles en hun onmiddellijke opvolgers. Akademie en Lyceum hadden,
met hun vaak erg abstracte en speculatieve theorieën, slechts
een kleine élite van intellectuelen aangesproken. De nieuwe
hellenistische filosofie, daarentegen, nam het "missionerende" karakter
weer op van Sokrates' optreden. Ze poogde een veel ruimere en meer
heterogene, maatschappelijke groep aan te trekken: d.w.z. ook mensen
uit de lagere klassen, armen, slaven en vrouwen (van Kleanthes, bv.,
leerling en opvolger van Zenoon, is geweten dat hij geen eigen middelen
van bestaan had; hij moest zijn brood verdienen door 's nachts te
werken als waterdrager voor een tuinman - hij wordt daarom wel eens de
eerste "werkstudent" genoemd). Ze wou ook voor dat bredere publiek een
antwoord bieden op de centrale vraag, hoé de mens zijn leven
moest voeren om, ondanks alles, toch de eudaimonía
te realiseren. Om echt overtuigend te zijn, nochtans, en stand te
kunnen houden onder de kritiek van de concurrenten, moest dat antwoord
gekaderd worden in een ruimere filosofische visie; tegelijkertijd
weliswaar moest ze aansluiting zoeken bij de niet-filosofische
intuïties. Vandaar, allicht, in radicaal onderscheid met het
"idealisme" van Akademie en (meer genuanceerd) Lyceum, het al vermelde
materialisme en empirisme van zowel epicureïsme als
stoïcisme. Tenslotte, zo lijkt het, zou de filosofie zich
inspannen om een rationeel "Ersatz" te verschaffen
voor een (polis)religie die, zeker in de gehelleniseerde gebieden,
sterk aan zingevende en sociaal-integrerende betekenis verloor. Bij dat
alles en ten einde het ruimere publiek gemakkelijker te bereiken,
werden naast technisch-wetenschappelijke schoolliteratuur ook allerlei
vormen van vulgariserende literatuur geproduceerd: maximes en
aforismen, brieven, preken of sermoenen, poëzie, verzamelingen
van exempla of anekdotes (chreîai), enz.
1.2.2. De hellenistische filosofen
waren overtuigde (weliswaar empiristische en materialistische)
rationalisten: d.w.z. epicureërs en (nog radicaler)
stoïcijnen waren de overtuiging toegedaan dat de mens het "goede",
en dùs de beoogde "eudaimonía",
of het "geluk", kon en moest realiseren
ín deze wereld met behulp van zijn rede of
verstand. Morele perfectie, of deugd(zaamheid), en "eudaimonie" werden
inderdaad nauw met elkaar verbonden, zo al niet gewoon vereenzelvigd.
In onderscheid met het grotendeels
"common sense" standpunt van Aristoteles, die een complexe
psychologie ontwikkeld had, waarin er ook voor niet-rationele factoren
een positieve plaats was (onder de vorm van de verschillende
èthikaí aretaí, of morele
deugden), grepen de hellenistische filosofen terug naar het morele
intellectualisme van Sokrates (cf. "deugd is kennis").
Zeker bij de stoïcijnen werd de psyche zo goed als herleid tot
haar redelijke of verstandelijke functies (in de literatuur spreekt men
van psychologisch monisme). Morele goedheid en rationaliteit vielen
derhalve letterlijk samen, namelijk in de "wijsheid"
(sophía, sapientia). Als "dogmatische
rationalisten" (Dodds), spitsten zij zich toe, ook wat hun
ethische normen betreft, op "het glorieuze beeld van de mens
zoals hij zou kùnnen zijn, namelijk de ideale Wijze"
(Dodds, 1951:239). Ethiek was in die zin ook voor hen een "exacte
wetenschap" (vergelijk en contrasteer met Platoon). Voor de
epicureërs, anderzijds, was Epikouros de quasi goddelijke
belichaming van alle (filosofische én praktische) wijsheid
en gelukzaligheid (zie verder).
Concreet betekende dit alvast
dat er geen "heil" was buiten de filosofie: een
mens kon enkel verhopen "goed", en dus
"gelukkig" (eudaímoon), te worden door toe te
treden tot de filosofische school, ten einde er de vereiste inzichten
te verwerven. Die wetenschappelijke studie, nochtans, was functioneel
dienstbaar en gekoppeld aan een praktische doelstelling: de realisatie
van het "goed-leven". Ten behoeve, trouwens, van
(het appél aan) een breed publiek, konden de
gespecialiseerde doctrines (eventueel tijdelijk) op de achtergrond
worden gehouden, en de klemtoon eerder gelegd worden op praktische
ethiek: d.w.z. het aanbieden van voorschriften of precepten (weliswaar
niet in de verplichtende vorm van bv. de Tien Geboden). Zij dienden als
leidraad, namelijk bij ons overleggen over wélke handeling
in een concrete context de "passende handeling" was (zie ook verder, bij
de Stoa). Sommige latere
stoïcijnen zouden zich inlaten met een heuse
casuïstiek, d.w.z. het bespreken en beantwoorden van
"moeilijke gevallen": bv. "mag je je slaven laten sterven van honger,
wanneer de voedselprijs zeer hoog is?", of: "wanneer je schip in nood
is, mag je je slaven dan over boord gooien, ten voordele van je meer
kostbare paarden?" enz.). Tegelijkertijd, echter, konden dergelijke
precepten - via de dril van het herhalen en memoriseren ervan
én de eraan gekoppelde oefeningen en meditatiestonden -
therapeutisch werken, d.w.z. mensen helpen genezen van hun páthè,
of passies: een puur intellectuele kennisname van
abstracte "waarheden" volstond daartoe niet; filosofie moest actief
opgenomen worden, als een echte "bíos"
of levensvoering.
Béide onderdelen,
d.w.z. doctrines én voorschriften-met-oefeningen, waren
nochtans wezenlijk met elkaar verbonden: de regels zegden
hoé we ons leven moesten voeren en de theorie
legde uit waaróm - wat een voorwaarde
was om ook in onverwachte situaties "gepast" of
beter nog: deugdzaam, te kunnen handelen (vgl. daarentegen Aristoteles,
voor wie morele opvoeding een kwestie was van gewoontevorming,
zónder de vereiste van filosofische kennis; Zenoons jongere
schoolgenoot, Aristoon van Chios, dan weer, meende dat kennis
alléén, dus zonder voorschriften, volstond).
Zoals de stoïcijn Seneca (ca 1-65 nK) later de noodzakelijke
interactie tussen beide onderdelen in beeldspraak vatte:
"zonder wortels zijn takken nutteloos, en de wortels zelf worden
geholpen door wat ze voortbrengen" (Brief
95.64-64). Lógos en áskèsis
- theoretisch discours en praktische oefeningen -
gingen samen in een filosofische vorming die tegelijkertijd ook een
morele opvoeding wou zijn (cf. de stoïcijnse notie van "prokopè",
"vooruitgang", sc. op de weg naar wijsheid en
deugdzaamheid). Pierre Hadot, 1995:21-22, wijst in het bijzonder ook op
het belang van "geestelijke oefeningen" ("exercices
spirituels"), zoals meditatie en introspectie, en merkt in
dat verband op:
"Het discours van de filosofiemeester
kon daarbij zélf de vorm aannemen van een spirituele
oefening, in de mate dat dat discours gepresenteerd werd onder een
dusdanige vorm dat de leerling, als toehoorder, lezer of
gesprekspartner, spirituele voortgang kon maken en zich innerlijk kon
transformeren".(3bis)
1.2.3. Er is inderdaad nóg
een belangrijk aspect aan dat hellenistische rationalisme: namelijk dat
van verinnerlijking. Eerder al, namelijk met Sokrates, waren
de morele doelstellingen, met de eraan gekoppelde waarden zoals
autarkie en vrijheid, afhankelijk gemaakt van de toestand van de
menselijke psuchè of het geestelijke
zelf: cf. Sokrates' oproep, "zorg te dragen voor je
psuchè", sc. in plaats van voor wereldlijke zaken (cf.
Apol., 29E, 30B). Daarbij aansluitend, diende ook voor
epicureërs en stoïci de kwestie van het
"goed-leven" zoveel als mogelijk teruggevoerd te worden tot
onze innerlijke houding of dispositie (diáthesis)
- d.w.z. gebaseerd te worden op onze overtuigingen, oordelen, impulsen
en verlangens, die, in onderscheid met uitwendige,
lichamelijke en materiële factoren, op
één of andere wijze wél "in
onze macht" (eph' hèmîn) lagen, of
moesten liggen [PS let wel: psychische fenomenen, staten en processen
waren voor beide scholen per definitie lichamelijk].
De mens moest aldus zo veel als
mogelijk autarkisch worden (de late stoïcijn en ex-slaaf,
Epiktetos, 50-130 o.t., zou vooral gebruik maken van de notie "vrijheid"):
zowel ten aanzien van andere personen als ten aanzien van alles wat hem
of haar aan materiële voordelen (zoals macht, bezittingen en
rijkdom) en, vooral, van alles wat hem of haar aan onheil kon overkomen
vanuit de vijandige, onveilige, onzekere buitenwereld. Niet het
welslagen daarom van een onzekere, publieke praxis
in de externe wereld vormde voortaan de toetssteen of bevestiging van eudaimonía,
maar de innerlijke zielerust.
Het is opvallend dat het beoogde resultaat in de eerste plaats werd
aangeduid bij middel van negatieve uitdrukkingen:
-
De Stoa ging het om de
ἀπάθεια, apàtheia,
d.w.z. het vrij-zijn van πάθη, pàthè
(enkv. páthos),
lees: van alle mogelijke, irrationele emoties of
passies (zie daarover verder).
-
Epikouros,
anderzijds, zag als grootste hinderpaal voor menselijk geluk
de vele angsten waardoor mensen zichzelf kwelden. Als opperste oogmerk,
daarom, van de filosofiebeoefening stelde hij de realisatie van de ἀταραξία,
ataraxía, of "onverstoordheid".
Weliswaar kon hij dat psychische streefdoel ook koppelen aan
afwezigheid van fysieke pijn of onlust (aponía).
Anders gezegd, de filosofen gingen "geluk"
vereenzelvigen met datgene wat hun tijd misschien nog het meest van al
ontbeerde, namelijk gemoedsrust. (4)
1.2.4. De Skepsis,
het weze hier opgemerkt, als derde belangrijke hellenistische stroming,
déélde die fundamentele, bekommernis. Purrhoon
(Pyrrho) van Elis (ca 365/0 - ca 275/0), de grondlegger ervan, was
zelfs de éérste om zielerust
tot opperste betrachting te maken (cf. zijn data; hij heeft echter
niets op schrift gesteld): aangezien mensen niét bij machte
waren, achter de fenomenale oppervlakte, door te dringen tot de ware
natuur der dingen, kwam het erop aan zich van elk bindend oordeel te
onthouden. In de Akademie, vervolgens, greep Arkesilaos
(ca 315 - 240), het zesde schoolhoofd, terug naar Sokrates' belijdenis
van onwetendheid en diens stelselmatige weerlegging (b.m.v. de
elenchus) van alle pretenties van kennis, om te concluderen dat we
moesten verzaken aan alle "dogmatische"
oordelen over de werkelijkheid (cf. de onvermijdelijke
tegenstrijdigheden). Hij zag het daarom als zijn opdracht de doctrines
van de andere filosofen te ontmaskeren als louter subjectieve "opinies"
(dóxai): de mens, immers, bezat
géén "criterium van de waarheid"
om tot een objectief en onbetwistbaar onderscheid te komen tussen ware
en onware impressies, en dus tot objectieve kennis van de werkelijkheid
(waarvan het bestaan zelf niet geloochend werd). De skeptische Wijze
stelde zich daarom tevreden met het kritisch afwegen, in elke
keuzesituatie, van wat het meest "redelijke" (eúlogon)
leek. De latere Karneades (geb. 214/3 of 219/8;
gest. 129/8) zou in datzelfde verband pleiten voor het principe van het
"geloofwaardige" of "waarschijnlijke"
(pithanón): mits een toetsing gebeurde van elke
concrete situatie, was het bekomen pithanón
z.i. wel degelijk een werkbare gids bij het praktische menselijke
kiezen en handelen; een metafysische onderbouwing ervan bij middel van
de Waarheid was, behalve onmogelijk, ook overbodig, of meer nog: als
onvervulbaar streefdoel, zelfs een bron van onrust. Het voornaamste
mikpunt van de systematische kritiek vanwege de akademische skeptici
was de Stoa, in het bijzonder haar kenleer (zie verder, onder kap. 3.3).
De algemene houding van de Skepsis werd
samengevat in het bekende principe (telos)
van de ἐποχή, "epochè",
of "opschorting", namelijk
van elk dogmatisch oordeel. Die houding was huns inziens
niét strijdig met het voeren van een rationeel leven (cf. de
stoïcijnse kritiek, dat de skeptische houding onvermijdelijk
leidde tot apraxía,d.w.z.
"onvermogen te handelen"), maar was er juist een voorwaarde
voor. Voor de filosofische rol van de Skepsis, zie ook nog verder.
Epiloog. Het is erg
verleidelijk om in die filosofische ontwikkelingen een simpele
reflectie te zien op de gewijzigde politieke omstandigheden: waar
politieke vrijheid en burgerlijke participatie zo goed als onbestaande
werden in de despotische rijken, zou menig filosoof zich terugplooien
op zijn innerlijke vrijheid; de sociale en
emotionele geborgenheid binnen de eigen schoolgemeenschap was daartoe
een belangrijke steun. De beste raad die Epikouros in dat verband aan
zijn volgelingen kon geven, was: "leef in het verborgene!" En
voor wie desalniettemin toch politiek vervolgd werd of in onleefbare
omstandigheden verkeerde, aanvaardden stoïcijnen en
epicureërs als ultieme, "redelijke uitweg"
de zelfmoord (waarbij vaak verwezen werd naar het heldhaftig voorbeeld
van Sokrates).
Toch is dat beeld wat eenzijdig. In het kader
immers van de nieuwe (soms wisselvallige) politieke constellaties kwam
in de hellenistische centra een "hofcultuur" tot ontwikkeling waaraan
ook sommige filosofen (graag) mee luister gaven. Met name
stoïcijnen werden door vele monarchen gegeerd (bv. Zenoon werd
door Antigonos Gonatas uitgenodigd naar Macedonië; hij wou
zelf niet gaan maar stuurde twee volgelingen, waaronder Persaios; deze
laatste werd door de vorst later aangesteld als gouverneur van
Korinthe; toen de stad in 243 werd ingenomen, zou hij volgens sommige
bronnen gesneuveld zijn; een andere stoïcijn, Sphairos,
vervoegde op hoge leeftijd de Spartaanse koning Kleomenes; volgens
Chrusippos, die zelf nochtans niet inging op de uitnodiging van
Ptolemaios III van Egypte, vormde zulke "dienst" bij een vorst een
passende bron van inkomen voor een wijze; enz.). Vanaf de 2de helft van
de 2de eeuw vK zouden Romeinse aristocraten steeds meer in trek komen
als patroon voor (Griekstalige) filosofen: naast bekende figuren zoals
de stoïcijn Panaitios, de akademicus Antiochos, de
epicureër Philodemos, enz., zouden er heel wat filosofen van
tweede of derde rang in Rome hun diensten aanbieden. Dat bleef ook het
geval in de keizertijd, hoewel het "Romeinse leven" onder bepaalde
keizers wel eens erg riskant kon zijn. Voor creatieve filosofie, hoe
dan ook, was er aan het keizerlijke hof weinig ruimte: filosofie ging
eerder functioneren als een hofspiritualiteit, d.w.z. als een
mogelijkheid om zich terug te trekken uit de soms harde realiteit van
het politieke leven van elke dag.
2. Epikouros*
& het Epicureïsme.
Epikouros (Epicurus, 341-270) is ongetwijfeld
één van de boeiendste figuren van deze periode.
De filosofische stroming die hij creëerde, was de enige die
niet in een of andere zin door Platoon werd geïnspireerd (het
epicureïsme zou in de oudheid altijd een buitenbeentje
blijven, de andere scholen verketterend en zelf door hen
verketterd). Tegelijkertijd
leverde ze een belangrijke bijdrage tot een nieuwsoortige, filosofische
spiritualiteit: enerzijds door de traditionele, olympische
godencultus a.h.w. filosofisch te sublimeren; anderzijds, door aan de
epicureïsche bíos en praxis
zelf een opvallende, religieuze kleuring te geven. In wat volgt, wil ik
pogen dat te kaderen in Epikouros' algemeen, filosofisch discours en
zijn visie op filosofie.
2.1.
Filosofie als "Therapie".
Epikouros' ouders waren Atheners maar leefden als
zgn. "klerouchen" (kolonisten) op het door Athene militair bezette
eiland Samos (tot ze in 322 verdreven werden door de
Macedoniërs); zijn vader was onderwijzer. Epikouros bracht
de eerste dertig jaar van zijn leven daardoor grotendeels door in de
klein-aziatische regio. Hij volgde filosofisch onderricht o.m. bij
een leerling van de atomist Demokritos (ook bij een platonicus en
wellicht
bij aristotelici), maar hij zou zichzelf later uitdrukkelijk als een
filosofische "autodidact" bestempelen, die niémands leerling
was geweest, en zou niet aarzelen andere filosofen met de grootste
vijandigheid te bejegenen. In 311 vestigde hij een school in
Mutilene (op Lesbos) en vervolgens een in Lampsakos (in het huidige
Turkije). Vooral in deze stad verwierf hij de steun van een aantal
prominente burgers.
In 306, dus rond zijn 35 jaar, kwam hij voor goed
naar Athene (de "democratie" was er net hersteld, na de verdrijving van
de aristotelische despoot, Demetrios van Phaleron). Hij kocht er een
(groenten)tuin, even buiten de stadsmuren (ook een huisje, binnen de
muren). Zijn school kreeg vandaar de naam van "de Tuin" (ho
kêpos) - zie het plannetje van Athene, op
deze site. De filosofische gemeenschap die hij stichtte,
samen met een aantal volgelingen uit Mutilene en Lampsakos,
onderscheidde zich op tal van punten van de (platonische) Akademie en
de (aristotelische) Peripatos. Dat was bovenal het gevolg van de erg
verschillende filosofieconceptie die Epikouros erop nahield. Volgens
Sextus Empiricus (Tegen de Ethici, 169), bestond
"filosofie"
voor Epikouros in
"de activiteit om bij middel van
argumenten (lógoi) en discussies (dialogismoí)
het gelukzalige leven tot stand te brengen".
De filosofie, anders gezegd, is niet langer een
in de eerste plaats speculatieve en theoretische activiteit gericht op
de "kennis van de waarheid" (epistèmè
tês alètheías), zoals voor
Platoon en vooral Aristoteles, maar ze heeft de eudaimonie
als directe finaliteit. Voor Aristoteles, bv., was het
"goed-leven" het oogmerk van louter de "praktische
filosofie"; weliswaar had de filosofische theoría
een soort van supreme, geestelijke eudaimonie als
névenverschijnsel. Daarmee vergeleken, was voor Epikouros
(en de andere hellenistische filosofen) filosoferen toegespitst op het
(individuele) geluk, direct en als zodanig - en dus niet meer op de
schoonheid van de kosmos, de creatie van de ideaalstaat of de structuur
van het geldige discours. Weliswaar konden de wetenschappen verbonden
met deze laatste thema's fungeren als hulpdisciplines voor het ethische
project.
De gehele epicureïsche filosofie is dus
gericht op het geluk, maar niet als een (ver) toekomstperspectief: het
beoefenen van de filosofie zélf realiseert hic et
nunc die eudaimonie (het objectief, anders gezegd, en dat wat
het objectief hielp realiseren, werden met elkaar vereenzelvigd).
Vandaar de bekende parenese, of aansporing, waarmee Epikouros zijn Brief
aan Menoikeus opent (bij Diogenes Laërtios, X, 122):
"Laat noch de jongere uitstellen te
filosoferen, noch de oudere het moe worden te filosoferen. Want niemand
komt te vroeg, en niemand komt te laat, met het oog op de gezondheid
van de ziel. Wie zegt dat het uur nog niet is aangebroken om te
filosoferen, of dat het al voorbij is, gelijkt op iemand die zegt dat
het uur voor de eudaimonie er ofwel nog niet is ofwel niet meer is.
Bijgevolg moet gefilosofeerd worden door jong én oud: door
de ene (sc. de oude) opdat hij, bij het ouder worden, jong zou zijn in
weldaden door de dankbare herinnering aan het verleden; door de andere,
opdat hij jong en oud tegelijkertijd zou zijn, door afwezigheid van
vrees voor de toekomst. We moeten ons dus toeleggen op de zaken die de
eudaimonie bewerkstelligen; want wanneer zij er is, bezitten we alles;
wanneer zij afwezig is, doen we alles om haar in ons bezit te krijgen".
In deze tekst wordt ook op een andere typische trek
gealludeerd van de hellenistische filosofieconceptie, namelijk de
exemplarische rol die de geneeskunde speelde als model voor de
(moraal)filosofie, en vandaar het opvallend gebruik van medische
metaforen (zie daarover Martha C.Nussbaum, The
Therapy of Desire. Theory and Practice in Hellenistic ethos,
1994): sophía, of "wijsheid",
bij Aristoteles nog verheven tot de optimale
habitus van het louter cognitieve zielsvermogen, gericht op het
weten-om-het-weten, levert nu (weerom) "alles dat nodig is
voor de gelukzaligheid (makariótès)
van het ganse leven" (Ratae Sententiae, XXVII),
én wordt vereenzelvigd met "psychische
gezondheid". Naar analogie, daarom, met de geneeskunst die
gericht is op de lichamelijke gezondheid, betekent
"filosoferen" zich constant bekommeren om het in stand
houden, of herstellen van de psychische gezondheid, vgl. Sententiae
Vaticanae, LIV:
"we moeten niet
vóórwenden te filosoferen, maar
wààrlijk filosoferen; immers, wat we nodig
hebben, is niet: de indruk wekken van gezond te zijn, maar
wérkelijk gezond zijn".
Ten aanzien van de volgelingen wordt de filosofie
vanuit deze optiek een (psychische) "geneeskunst"
(iatrikè) of "therapie"
(therápeia), en wordt de filosoof een "therapeut"
of een psychiater; diens teksten moeten, als
"voorschriften", zo correct mogelijk begrepen en zo strikt mogelijk ter
harte worden genomen (vgl. voor de Stoa, Epictetus' uitspraak, III
24.30: "de leszaal van de filosoof is een hospitaal"). De
"ziektes" die het voorwerp uitmaken van
diens therapie, of Seelenheilung, zijn de hoger al
vermelde páthè, of
zielsaffecten, die de ataraxie van de mens verstoren of onmogelijk
maken, cf. fr. 54 Bailey (Porphurios, Ad Marcellam,
31):
"Ijdel is het betoog van die filosoof
door dewelke geen enkele páthos genezen
wordt; zoals er immers geen enkel nut is van een geneeskunde die er
niet in slaagt de ziektes uit het lichaam te verdrijven, zo is er ook
geen enkel nut van filosofie als ze niet de páthos
van de ziel uitdrijft".
En fr. 66 B. (ibidem):
"door de liefde (éroos)
voor de ware filosofie wordt er een eind gesteld aan elke verstorende
en lastveroorzakende begeerte".
Vanuit deze zelfde
"psycho-medische" optiek gaf Epikouros aan de vier meest algemene
principes, die de essentie samenvatten van zijn "heilsleer", de
naam van ἡ
τετραφάρμακος
, "hè
tetraphármakos", d.w.z. het "viervoudige
medicijn" (4bis).
Het luidt (Philodemos, in de Papyrus Herculaneum 1005 col. 4; een meer
uitgewerkte versie in de Ratae Sententiae, I-IV):
"de godheid is niet te vrezen, de
dood is onverdacht, en het goede is makkelijk te verwerven, het
verschrikkelijke makkelijk te verdragen".
P.S.
Vermeldenswaard in verband met zijn volgehouden voorkeur voor medische
beeldspraak, is dat Epikouros gedurende zijn gehele leven zelf een erg
zwakke lichamelijke gezondheid had. Hij leed vele jaren aan stenen in
de nieren (of de blaas) en zou daaraan ook gestorven zijn.
2.2.
Epikouros' filosofisch systeem.
De inhoud van de epicureïsche
tetraphármakos maakt voldoende duidelijk dat het
in deze "therapie" wel degelijk ging om de
verwerving van - het weze dan elemenaire - rationele inzichten, en niet
zozeer om een of andere fysieke behandeling of religieuze praxis.
Weliswaar dienden spirituele oefeningen (zoals meditatie, biecht, e.d.)
en een ascetisch gemeenschapsleven ervoor te zorgen dat de leerling
zich die principes ook daadwerkelijk "eigen"
maakte, maar het ging dus wel degelijk om "filosofie", in de antieke
zin van het woord: namelijk een (nauw) samengaan van discours (lógos) én
bíos. Epikouros' praktische heilsleer werd dan ook
geschraagd door een omvattende filosofische theorie - waarbij de
uitdrukking "geschraagd" aldus moet worden begrepen
dat de theorie ten dienste stond van het moreel-praktische opzet. Dat
gold trouwens voor elke soort van kennis of intellectuele bezigheid:
zij was maar zinvol indien ze daadwerkelijk bijdroeg tot de realisatie
van de eudaimonie. Allicht is het van hieruit dat Epikouros' wat
vreemde oproep moet begrepen worden, in de Brief aan Puthokles
(D.L., X.6), namelijk: "ontvlucht, gelukzalige, alle cultuur (paideía)";
d.w.z. als vermoedelijk vooral een aanval op het
platonische ideaal van de mathematische en intellectuele onderlegdheid.(5) Vanzelfsprekend werd ook
Aristoteles' ideaal van de bíos
theorètikós door Epikouros afgewezen.
Sociaal belangrijk, was dat ook aan "gewone" mensen, dus zonder
paideía of ontwikkeling, het realiseren van de
eudaimonie kon worden toegezegd.
Het
epicureïsch filosofisch systeem bevat drie onderdelen, die
worden opgesomd door Diogenes Laërtios, in zijn
Vitae, X.30, namelijk:
(1) to
kanonikón, of de "Kanoniek": geeft "toegang"
tot de wetenschappelijke arbeid;
(2) to
phusikón: omvat "de ganse theoría
omtrent de natuur";
(3) to
èthikón: heeft betrekking op "wat
moet gekozen worden en wat uit de weg moet worden gegaan".
2.2.1.
Kanoniek.
Kwam aan bod in het werk "Kanoon",
dat helaas verloren is (maar een korte samenvatting is te vinden in de
Brief aan Herodotos (bij D.L.).Het Griekse woordje "kanoon"
betekent letterlijk: "lineaal", "regel"; vandaar
ook "richtsnoer" of "criterium"
(een alternatieve titel voor het verloren werk was "Over het
criterium"). In de kanoniek
wordt dus gezocht naar de "criteria van de waarheid/
werkelijkheid"; d.w.z. ze behandelt zowel de vraag met welke
middelen wij inderdaad vat krijgen op wat "waar" of
"evident" is, als de vraag hoe we het "evidente"
kunnen gebruiken als een richtsnoer om tot kennis te komen van het "niet-evidente".
In moderne terminologie: ze betreft zowel epistemologie als
methodologie (zie hierover bv. E.Asmis, Epicurus' Scientific
Method, 1984; ook: in Algra, 1999:260 e.v.). Logica behoort
er niét toe: Epikouros wees de "dialectiek" af als zijnde
overbodig (D.L., X.31).
Volgens de
samenvatting bij Diogenes Laërtios (X.31), erkende Epikouros drie
soorten van criteria - die dus samen maakten dat we wel degelijk het
recht hadden te spreken van kennis van de
alètheia:
- de "gewaarwordingen"
(aisthèseis), of impressies, die niet enkel de
eigenlijke zintuigen (fysisch) beroeren, maar ook de menselijke ziel of
geest (die zelf bestaat uit een bijzonder soort van atomen), bv. in de
slaap;
- de "anticipaties"
(prolèpseis), d.w.z. onze empirische begrippen:
hoé wij ze precies verwerven, is
niet erg duidelijk (vermoedelijk: door accumulatie van impressies),
maar ze hoeven geen bewijs; ook zij zijn dus "evident";
- de "affecties" of
"gevoelens" (páthè, hier in een
algemene betekenis), vooral "vreugde" of "lust"
(hèdonè) en "pijn"
(algèdoon), die net zoals onze gewaarwordingen
een vorm van besef zijn inzake de werkelijkheid. PS het "evidente" feit
dat het in ons hart is dat we vreugde, lust, smart, enz. menen te
voelen, gold als een argument om de menselijke geest, als de zetel van
die gevoelens, voornamelijk aldaar te lokaliseren (hoewel de
zielsatomen over het gehele lichaam verspreid liggen).
Op de details ervan
kunnen we hier niet ingaan. Wel kan worden aangestipt:
(1) dat Epikouros, aangezien hij
"criteria" aanvaardde, een tegenstander was van de Skepsis
(die argumenteerde dat er géén "criterium
van de waarheid/werkelijkheid" was, en we ons derhalve
dienden te onthouden van elk oordeel). Zijns inziens was de
werkelijkheid dus wel degelijk kenbaar. Vandaar zijn uitspraak: "de
wijze zal 'dogmatiseren', d.w.z. stellingen onderwijzen, en zal geen
aporie zaaien" (D.L., X.121b) - waarmee dus ook de
aporetische aanpak van Sokrates werd afgewezen; hij maakte daartoe ook
een onderscheid tussen gewone en wetenschappelijke begrippen en tussen
veronderstellingen of conjecturen en wetenschappelijke conclusies;
(2) dat in de
kanoniek een doorslaggevende rol wordt gespeeld door de
gewaarwordingen. Epikouros kwalificeerde gewaarwordingen (die een vorm
van páthè, of
"aandoening", zijn) en de phantasíai, of
voorstellingen, die er dank zij onze actieve "aandacht"
uit resulteren, als noodzakelijk "waar/werkelijk" (een
stelling waarmee hij dus verder ging dan de stoïci, voor wie
onze "instemming" ermee een supplementaire
vereiste was om van waarheid of onwaarheid te kunnen spreken):
wanneer ik bv. een gewaarwording van "warmte" heb, dan is zij,
àls mijn evidente impressie, "waar":
middels de atoomconfiguraties die bestendig van alle objecten afstromen
(cf. Demokritos), is er inderdaad een soort van fysische
continuïteit tussen een extern object en onze voorstelling
ervan (onzuivere of gemengde objectbeelden, nochtans, kunnen tot foute
impressies leiden). Vergissingen, en dus onwaarheden, ontstaan pas door
het, intern, "toevoegen van een opinie (doxa),
sc. aan een impressie" (prosdoxázein). De
waarheid "voor ons" moet weliswaar onderscheiden
worden van de waarheid "op zich": bv. de grootte
van de zon. Het is aan de menselijke ratio (logos) om
uit te maken of fenomenen werkelijk zijn zoals ze aan ons verschijnen.
Finaal, echter, is ook ons denken afhankelijk van
onze waarnemingen (niet enkel onze zintuigelijke organen, trouwens,
maar ook onze geest kent zintuiglijke percepties: bv. dromen,
herinneringen, hallucinaties...). Als een principieel "empirist",
anders gezegd, ging Epikouros de strijd aan met het klassieke
"rationalisme" van Platoon en Aristoteles, voor wie de eigenlijke alètheia
zich situeerde op het niveau van het intelligibele of geestelijke.
Nochtans ontwierp hij geen methode ten einde fysische waarheden (bv.
inzake het atomisme) en ethische waarheden uitsluitend af te leiden op
basis van empirische vaststellingen.
2.2.2.
Fysica:
Zoals al gezegd, is de fysica bij de
epicureërs geen kennis om de kennis (maar evenmin een kennis
die, zoals bij ons, de menselijke macht over de natuur moet vergroten).
Zij staat integendeel volledig ten dienste van het ethische project:
namelijk de ataraxie van de menselijke ziel, en dus de eudaimonie. Als
we óngelukkig zijn, inderdaad, is dat niet zozeer het gevolg
van externe factoren, als wel van onze interne voorstellingen.(6) Anders gezegd, de oorzaak ervan
ligt in onze psuchè, en dan bovenal in
onze "onware en ijdele opinies" (pseudê kai
kenaí dóxai). Zij geven onjuiste
verklaringen voor de natuurverschijnselen, zodat we nodeloze angsten
lijden (bv. wanneer het dondert); anderzijds maken ze dat we ons
vergissen in onze appreciatie van wat "goed" is,
d.w.z. lustvol, of "slecht", d.w.z. pijnlijk, met
als gevolg dat we verkeerde behoeftes trachten te bevredigen. Precies
deze vaststelling rechtvaardigt de studie van de natuur (wat Epikouros phusiología
noemt), cf. Ratae Sententiae, XI:
"indien
wij niet zouden gekweld worden door onze bange vermoedens omtrent de
hemelverschijnselen en door die omtrent de dood, (met de vrees) dat hij
iets zou betekenen voor ons, en wij tevens (niet zouden te lijden
hebben van) ons falen om de limieten te vatten van pijnen en begeertes,
dan zouden wij er de natuurkunde niet bij hoeven".
Het is dit instrumentaliseren van de fysica ten
gerieve van de ethica dat allicht mede verklaart waarom Epikouros
(zoals ook Zenoon) niet de behoefte voelde, een eigen fysische theorie
te ontwikkelen, maar ermee kon volstaan een oudere theorie a.h.w. weer
"op te poetsen", namelijk het atomisme van Demokritos van Abdera (2de
helft van de 5de eeuw, zie het hoofdstuk, "Het
Archaïsche Natuurdenken", kap. 3.4), weliswaar
rekening houdend met kritieken erop vanwege Platoon en vooral
Aristoteles. Het zou nochtans fout zijn, daaruit te
concluderen dat Epikouros géén ernstige aandacht
zou hebben besteed aan de fysica. Van zijn omvangrijke, systematische
studie daaromtrent, namelijk het werk Perí
phúseoos, in 37 boeken, zijn helaas slechts
papyrusfragmenten (snippers) bewaard; we hebben echter een samenvatting
in bewaarde brieven, zoals de Brief aan Herodotos
(bij Diogenes Laërtios), evenals het epicureïsch
leerdicht, De rerum natura (vooral boek V), van de
grote Romeinse dichter, Lucretius (1e eeuw vK). Daarmee vergeleken, is
de situatie voor onze kennis van de fysica van de Oude
Stoa heel wat slechter: alle oorspronkelijk tekstmateriaal is
verloren gegaan (voor een selectie van het belangrijkste doxografische
materiaal voor de hellenistische scholen, in vertaling en met een
beperkt filosofisch commentaar, zie A.A.Long & D.N.Sedley,
1987).
Zeer algemeen, kunnen we stellen
dat Epikouros' overname van het atomisme verantwoordelijk was voor de
fundamentele tegenstelling tussen het epicureïsche
wereldbeeld, enerzijds, en dat van de andere, filosofische
hoofdstromingen, anderzijds. Zowel Platoon, Aristoteles als (zeer
uitdrukkelijk) de stoïcijnen, inderdaad, hielden er een teleologische
visie op na: volgens de laatstgenoemden, meer in het bijzonder, was de
wereld op elk ogenblik het product van goddelijke, intelligente
planning, m.a.w. van de Voorzienigheid (prónoia, Lat.:
providentia, zie hierover verder). Het
epicureïsme zou dergelijke visie te allen tijde krachtig
bestrijden. Met name ontkenden de epicureërs dat uit het
bestaan van een "mooie", kosmische en natuurlijke
orde, met de opvallende adaptatie van levende wezens (inclusief hun
organen, zoals bv. het oog) aan hun omgeving en behoeftes, enigerlei
(externe of interne) voorbedachtheid moest of mocht worden afgeleid -
d.w.z. de werking van zoiets als wat vandaag in sommige kringen
"intelligent design" wordt genoemd ("intelligent
ontwerp"), als zogenaamd wetenschappelijk alternatief voor
Darwins evolutieleer. Eén van de argumenten waarvan de
epicureërs gebruik maakten om hun "mechanistische" visie te
verdedigen, was dat, gegeven een oneindige tijd en een oneindige
voorraad aan atomen die voortdurend onderlinge verbindingen aangingen,
redelijkerwijze kon verwacht worden dat zij eventueel alles zouden
voortbrengen wat zij kónden voortbrengen (zo Lucretius,
o.c., V, vv. 419-431, en elders). Een ander argument was dat van de
"survival of the fit", d.w.z. dat functionele of goed
aangepaste combinaties bleven voortbestaan, terwijl onwerkzame
("monster") formaties verdwenen waren (zoals reeds veel vroeger
geargumenteerd was door Empedokles; cf. Lucretius, V, vv. 837-848).
Tenslotte, kon er worden van uitgegaan dat dezelfde oorzaken dezelfde
effecten voortbrachten: d.w.z. dat eens de prototypes waren ontstaan
van de huidige species, de regelmatige reproductie ervan nadien
volkomen begrijpelijk werd (PS van een evolutie binnen de
species is in de epicureïsche theorie dus
géén sprake). (6bis)
Laten we terugkeren naar het
atomisme. Eén van de theoretische verfijningen die Epikouros
aanbracht, was het onderscheid tussen "fysische" ondeelbaarheid (de
atomen) en "logische", namelijk met zijn leer van de zgn. "minima"
(Grieks: eláchista), "kleinste (deeltjes)":
er was, anders gezegd, ook een grens aan het aantal "delen" waarin
gelijk welk lichaam, met name ook een atoom, logisch of
mathematisch kon worden geanalyseerd (cf. Aristoteles'
kritiek op het atomisme, in Phys. VI, namelijk dat
absoluut deelloze eenheden nooit een groter
aggregaat konden vormen). De opvallendste wijziging, anderzijds, die
Epikouros aanbracht aan de demokritische uitgangspunten, was
klaarblijkelijk (onze enige getuigen ervoor zijn làtere,
epicureïsche teksten) de introductie van een zgn. "declinatie"
(parénklisis, Lat.: clinamen):
d.w.z. terwijl de atomen, in de oneindige lege ruimte, in principe
allemaal, parallel met elkaar, dezelfde valbeweging maken (Epikouros
verwees in dat verband naar het schietlood), alle met dezelfde snelheid
(PS bij Demokritos was er geen sprake van een dergelijke uniforme
"regen"), kennen zij, volkomen willekeurig, spontaan en onverwacht,
plotse afwijkingen van hun baan, wat aanleiding geeft tot botsingen,
vervlechtingen, en dus combinaties en... werelden. In contrast met de
Stoa, die vasthield aan de complete rationaliteit en dus
voorbeschiktheid van de werkelijkheid, maar ook met het ogenschijnlijk
naïeve determinisme van de eerste atomisten, voerde Epikouros
op die wijze in zijn wereldbeeld een toevalsfactor
in. Belangwekkend zijn vooral de implicaties ervan voor de ethiek: de parénklisis
moest, op een materialistische wijze, de menselijke vrijheid
funderen (maar over de precieze rol daarin van de
parénklisis wordt in de bewaarde teksten nergens
uitleg gegeven). Vergelijk Lucretius, in zijn De rerum natura,
II, vv. 251-260:
"maar
dat de geest zelf geen innerlijke noodzaak kwelt bij het uitvoeren van
alle zaken, en er niet toe gedwongen wordt, overmeesterd als het ware,
te dulden en te lijden [sc. zoals volgens de
stoïcijnen], daarvoor zorgt de kleine afwijking (clinamen)
van de elementen op een onbepaalde plaats in de ruimte zowel als op een
onbepaald ogenblik".
Een belangrijk onderdeel van de
epicureïsche fysica vormden kosmologie en astronomie.
Epikouros bekampte energiek de astrale theologie van Platoon en
Aristoteles, die wetenschappelijk ondersteund werd door speculatieve en
complexe mathematische modellen. Vanuit de vaststelling dat "de
voornaamste onrust" voor de menselijke ziel precies haar
oorsprong vond in het geloof dat de hemellichamen
"gelukzalig en onvergankelijk" waren, en dat ze beschikten
over een eigen geest en streven, enz., ontkende Epikouros uitdrukkelijk
de goddelijkheid ervan, alsook, vanuit gelijklopende ideologische
motieven, de uniciteit en onvergankelijkheid van de kosmos waarin wij
leven (kósmoi werden "geboren",
"groeiden en bloeiden", en "stierven",
in de oneindige ruimte). Tegelijkertijd wees hij
de puur theoretische en speculatieve aanpak af van de
platonisch-aristotelische astronomie. De met het oog zichtbare,
onregelmatige bewegingen van de planeten, bv. - vanuit een geocentrisch
wereldbeeld bekeken, lijken zij létterlijk "dwaalsterren",
wat de oorspronkelijke betekenis is van het
Griekse woord "planètès" -
werden daarin teruggevoerd tot combinaties van volmaakte
cirkelbewegingen van in elkaar grijpende sferen. Ook voor dit onderdeel
van de fysica moest men zich volgens Epikouros steunen op direct
empirische gegevens. Zoals hij schrijft in de Brief aan
Puthokles, § 86:
"niet volgens ongefundeerde axioma's
of (willekeurige) apriorismen moet aan natuurstudie worden gedaan, maar
op de wijze waarop de verschijnselen het vragen".
Op basis van
zijn atomistische (meta)fysica verwierp Epikouros o.m. de in zijn tijd
wetenschappelijk al sterk ingeburgerde visie inzake de sfeervormige
aarde en bleef hij vasthouden aan de oudere voorstelling van een platte
schijf (wat hem voor een aantal problemen plaatste). Ook Aristoteles'
verregaande, "dualistische" tegenstelling tussen de bovenmaanse
hemelsferen (waar sprake was van een bijzonder, "vijfde
element", de ether, met een eigen, cirkelvormige beweging) en
de ondermaanse "natuur", met de klassieke vier
elementen (met een rechtlijnige beweging), wees hij af: hemel en aarde
bestonden uit hetzelfde "materiaal", namelijk atomen die overal
dezélfde bewegingen uitvoerden; uit wat zich op aarde
afspeelde, mochten we bijgevolg conclusies trekken voor het verklaren
van de hemelverschijnselen (Brief aan Puthokles,
87). Tenslotte moest ook elk dogmatisme geweerd worden bij het
verklaren van die hemelverschijnselen: voor eenzelfde fenomeen (bv. de
maancyclus, het verschil tussen dag en nacht, of meer algemeen de
beweging van de hemellichamen) waren er verschillende, fysische
verklaringen denkbaar (ibid., §§ 86-87). Epikouros,
in voornoemde brief, gééft een aantal dergelijke,
mogelijkheden. Typerend voor zijn wetenschappelijk "pragmatisme" is dat
hij niet geïnteresseerd (of althans: geobsedeerd) lijkt inzake
de vraag, wélke onder de verschillende mogelijkheden de
éne, wàre verklaring zou kunnen zijn: het
volstond z.i. dat de mens besefte dat er voldoende plausibele
verklaringen mogelijk waren om te kunnen
concluderen dat het om natuurlijke fenomenen ging,
en niét om de "wil en de gril" van de traditionele goden
(bv. Zeus en diens bliksem) of om het optreden van enig ander,
goddelijk principe (zoals volgens Platoon en Aristoteles). Er was
bijgevolg geen enkele reden voor bijgelovige angst ten aanzien van
dergelijke verschijnselen. Eén van de
grote zwakheden van de epicureïsche astronomie was
ongetwijfeld dat zij de verwezenlijkingen van de wetenschappelijke
astronomie compleet negeerde en nauwelijks of geen raad wist met de
voorspelbaarheid van de hemelfenomenen.
2.2.3.
Ethica.
2.2.3.1. De Goden. Het
epicureïsche materialisme, inderdaad, wou de mensen in de
eerste plaats bevrijden van hun onredelijke angst voor de goden (cf.
het eerste principe van het tetraphármakos).
Het bestààn nochtans van die goden werd door
Epikouros niet ontkend (kort vóór Epikouros'
komst naar Athene, in 307, was de cyrenaïcus, Theodoros, uit
Athene verbannen voor zijn radicaal loochening van dat bestaan, in zijn
boek "Over de goden"): het feit dat ze overal
vereerd werden, en dat alle mensen er dus een "begrip"
of preconceptie van hadden, maakte dat bestaan materialistisch
"evident". Wel heeft Epikouros ze als het ware "met pensioen"
gestuurd (zoals geformuleerd door Karl Kautsky, in zijn Ethiek
en Materialistische Geschiedenisbeschouwing, vert. door
H.Gorter, Rotterdam 1907, p. 7). Zoals reeds de aristotelische godheid
in volmaakte "zelfgenoegzaamheid" (autárkeia)
louter op zichzelf betrokken was ("hij denkt zichzelf"),
zo leefden ook Epikouros' goden in volmaakte gelukzaligheid in de
"tussenwerelden" (Lat.: intermundia),
zonder zich ook maar iets aan te trekken van menselijke of aardse
bekommernissen. Zij stonden daarmee model voor de absolute ataraxía
(zie de Brief aan Menoikeus, §§
123-124). De traditionele cultus of verering van die goden, met alle
soorten offers, smeekbeden, enz. om hun tussenkomst te vragen of de
gevolgen van hun toorn te vermijden, was dus volkomen zinloos.
Enigszins vergelijkbaar met de dichterkritiek in
Platoons Politeia, die ook wezenlijk betrekking had
op de "leugenachtige" wijze waarop dichters zoals Homeros en Hesiodos
z.i. de goden hadden gepresenteerd, stond ook Epikouros vijandig t.a.v.
de poëzie, die met haar soms gruwelijke godenverhalen de
menselijke angsten alleen maar aanwakkerde. Wél schreef hij
aan zijn volgelingen voor om, conform aan de bestaande wetten, toch
actief deel te nemen aan de vele, publieke cultussen en zelfs te bidden
tot de goden - mits zij zich daarbij het
wàre godsbeeld voor de geest brachten en niet ten prooi
vielen aan de superstities van de massamensen (deze laatsten waren z.i.
de echte "ongelovigen"). Zijn motivering daarvoor was niet louter van
opportunistische aard (d.w.z. om geen "last" te krijgen, zoals
Theodoros "de atheïst"), en evenmin was hij beducht, dat
spreekt, voor enige goddelijke toorn. Hij beriep zich daarentegen op "fysische
gronden" - aldus althans de latere epicureër,
Philodemos (1e eeuw vK, werkzaam in Rome), in zijn werk Over
vroomheid, fr. 134 Arrighetti:
"Het zal duidelijk zijn dat Epikouros
zowel (zelf) alle (religieuze voorschriften) heeft nageleefd, als aan
zijn vrienden heeft aanbevolen ze na te leven, niet enkel om wille van
de wetten, maar op fysische gronden. Inderdaad, in zijn werk, 'Over de
levenswijzen', zegt hij dat het bidden eigen is aan de wijsheid (sophía),
niet omdat de goden vertoornd zouden zijn als we dat niet deden, maar
voor de gedachte (die we ons vormen) van hun in macht en belangrijkheid
superieure naturen".
Vanuit een materialistische psychologie,
inderdaad, impliceert een ("ware") mentale voorstelling van de
goddelijke natuur - bij het offeren, bidden, enz. - een daadwerkelijk contact,
d.w.z. een "beroeren en samenzijn"
(Philodemos, in zijn werk Over de goden, III, col.
I, 14, p. 16 Diels), namelijk mét de goddelijke "natuur
en dispositie". Anders gezegd, de platoonse en
aristotelische theoría theoû, of
contemplatio dei, kreeg in het
epicureïsme op die wijze een materialistische interpretatie.
Reeds Aristoteles bestempelde de filosoof als "gods-beste-vriend"
(theophiléstatos), en dùs ook "gelukkigste"
(eudaimonéstatos) mens (Nikomachische
Ethiek, X.9, 1179a22-32). Evenzo is de epicureër
ervan overtuigd dat de theophilía, of "vriendschap-met-god",
en meer nog de "gelijkwording aan god"
(homoíosis theôi), die samengaan met
dergelijke "contemplatie" en "kennis"
(gnôsis) van het goddelijke, aan de Wijze een
eudaimonie schenken die eigenlijk nauwelijks of niet moet onderdoen
voor die van de goden zelf. Op die manier, aldus W.Schmid, heeft
Epikouros, hoewel hij elk feitelijk ingrijpen van de goden
uitdrukkelijk loochende, toch de traditionele voorstelling van "alle
zegen komt van boven", weliswaar in een vergeestelijkte vorm,
behouden.(7) Schmid gaat nog
verder: hij ziet in de epicureïsche theologie een "filosofie
van de Olympische religie" - zij het dat alle mythologische
aspecten ervan, in verband met de Onderwereld, de hellestraffen, enz.,
eruit weggezuiverd werden (ibid., pp. 91-92), cf. de Brief
aan Menoikeus, § 124:
"de grootste onheilen én
de grootste weldaden komen voort van de goden. Want doordat zij altijd
vertrouwd zijn met hun eigen voortreffelijkheden, nemen ze hun gelijken
(sc. de Wijzen) op, terwijl ze alles wat niét van zulke aard
is, als vreemd beschouwen".
Je zou ook
kunnen zeggen dat de perfecte gelukzaligheid van Epikouros' goden er
borg voor staat dat ook de (epicureïsche) Wijze de opperste
eudaimonie kan beleven (zoals bij Aristoteles de absolute theoría
van diens godheid de "objectieve" mogelijkheidsvoorwaarde was voor de bíos
theorètikós van de aristotelische
filosoof).
2.2.3.2.
Hèdonè: tussen
"phúsis" en
"lógos". Net zo min als straffen, mag
de mens in zijn dagelijkse bestaan een directe hulp of gunst van de
goden verwachten. Dat hoeft echter geen probleem te zijn (vergelijk
reeds Aristoteles: in diens Nikomachische Ethiek
wordt nooit een beroep gedaan op goddelijke hulp). Wat wij
écht, d.w.z. volgens onze "natuur"
(phúsis), nodig hebben, is "gemakkelijk
te verwerven" (cf. tetraphármakos
en R.S. XV en XXI). Zoals de Sententia Vaticana,
§ 33, het vanuit een primaire levenservaring formuleert:
"de stem van het vlees (sarkós
phonè): 'geen honger hebben, geen dorst hebben,
geen kou hebben!' Wie daarover beschikt en er vertrouwen in heeft er
ook in de toekomst over te beschikken, kan zelfs met (oppergod) Zeus
wedijveren in eudaimonie".
Het toeval of lot
(túchè) heeft bovendien weinig impact
op de Wijze: het écht belangrijke heeft hij zélf
in handen en heeft hij georganiseerd, met zijn verstand (logismós),
cf. R.S., XVI. Uitwendige omstandigheden (ten
overstaan van dewelke de hellenistische mens zich meer dan ooit
onmachtig ging voelen) hebben op het geluk van de Wijze dus weinig of
geen invloed. Zoals Aristoteles het reeds had gedaan, claimde ook
Epikouros daarom voor zijn "Wijze" een verregaande,
zo niet complete autarkie (autárkeia) -
zij was zo wat de hoofdwaarde in de Griekse cultuur. Vergelijk bv.
S.V., XLIV:
"de wijze, ook wanneer hij tot het
allernoodzakelijkste gereduceerd is, weet beter te géven dan
te ontvangen: zo groot is de schat aan autarkie die hij heeft gevonden".
En, zoals hij bevestigt
in S.V., LXXVII: "de grootste vrucht van de autarkie is
vrijheid (eleuthería)".
Een belangrijk hulpmiddel om ook onder de
pijnlijkste omstandigheden toch vreugdevol gestemd te blijven, was voor
Epikouros de "dankbare herinnering aan het verleden"
(cf. de opening van de Brief aan Menoikeus,
geciteerd hoger, onder § 2.1). De meest "pakkende" uiting
ervan vinden we in de regels die Epikouros op zijn sterfbed, midden de
felste pijnen, schreef aan zijn vriend en volgeling Idomeneus (fr. 30
Bailey; D.L., X.22):
"we schrijven jullie deze (woorden)
terwijl we deze gelukzalige en tegelijk ook laatste dag van ons leven
doormaken: blaasaandoening en dysenterie bereikten zulke hoge graad
(van pijn) dat het niet erger meer kan worden. Maar tegenover dat alles
staat de vreugde in mijn hart om de herinnering aan de gesprekken die
wij gevoerd hebben. Toon jij je verknochtheid, sedert je knaap-zijn,
jegens mij en de filosofie waardig en neem de kinderen van Metrodoros
onder je hoede".
De epicureïsche Wijze moest zich
vanzelfsprekend ook verzoenen met de dood (cf. het
tetraphármakos). Niét dat voor
Epikouros, zoals eertijds voor de "Sokrates" in de Phaedo,
"filosoferen" moest beschouwd worden
als een "leren sterven", en dat de Wijze moest
leven in de verwachting van een zaligheid nà het leven. Wel
integendeel: de fysica leert dat met de dood alle bewustzijn ophoudt;
van een onsterfelijkheid, een "hiernamaals", enz. is dus geen sprake.
Maar vanuit Epikouros' perspectief kan dat alleen maar positief zijn:
de mens hoefde zich niet langer geterroriseerd te voelen door de vrees
voor de hellestraffen. De dood is, letterlijk, "niets voor
ons", of: we hebben er niets mee te maken (oudén
pros hèmâs). Zoals Epikouros het puntig
formuleert in de Brief aan Menoikeus, §
125:
"wanneer wij er zijn, is de dood er
niet; wanneer de dood er is, zijn wij er niet".
De basis voor de epicureïsche ethiek,
d.w.z. haar visie op de mens en het geluk, werd dus geleverd door een
(kritische) verbinding tussen phúsis, "natuur of
instinct", en lógos, "rede". Nog
uitdrukkelijker dan voor Aristoteles, gold daarbij voor Epikouros dat
het "natuurlijke"= het "goede"=
het "nuttige"= het "lustvolle".
Principieel, inderdaad, is het goede gemakkelijk
te realiseren voor de mens want het stemt overeen met "de
finaliteit van (onze) natuur" (to tês phúseoos
télos). Ten einde dat "natuurlijke
telos" te (er)kennen, aldus Epikouros, volstaat het dat we
de wezens observeren die nog het minst van al vervreemd
zijn van hun natuur, namelijk dieren en zuigelingen:
allemààl kiezen zij van bij hun geboorte, dus "natuurlijkerwijs"
(phusikôs) en "zonder nadenken" (letterlijk:
"zonder lógos", wij zouden
zeggen: instinctmatig), voor de lustervaring en gaan ze pijnervaring
uit de weg (cf. D.L. X.137). Lust, immers, houdt hun natuur in stand,
pijn vernietigt haar (S.V., XXXVII). Daaruit moeten we concluderen dat hèdonè,
ἡδονή,
"genot" of "lust(ervaring)",
het gezochte "goede" is voor de mens - en het gaat
hier wel degelijk om het lustgevoelen als zodanig, en niét,
zoals bij de stoïcijnen, om een (al dan niet foute) "opinie".
Bij Diogenes Laërtios, o.c., wordt het geobserveerde gedrag
van pasgeboren wezens als een "bewijs" bestempeld
voor de juistheid van dit lustprincipe. In de literatuur wordt daarom
doorgaans gesproken van het "wiegargument" [PS De
stoïci wezen dat argument af: de vereenzelviging door het kind
van het lustvolle met "goed" en van het pijnlijke met "kwaad" was huns
inziens een gevolg van de sociale pervertering waarvan het kind al
vroeg het slachtoffer werd. Daartegenover argumenteerden zij dat alle
levende wezens een primaire gerichtheid hadden op zelfbehoud; het feit
dat de eerste levenshandelingen eventueel gepaard gingen met genot, was
een nevenverschijnsel en zeker geen primaire of motiverende factor.
T.a.v. lichamelijke lustgevoelens stonden de stoïcijnen hoe
dan ook eerder wantrouwig].
Het voorgaande, nochtans, volstaat niet: in
onderscheid met de dieren, beschikken mensen over rede of lógos,
en vanuit epicureïsch opzicht is dat een
eerder dubbelzinnig gegeven. In eerste instantie,
inderdaad, vormt die lógos een
hinderpaal voor het realiseren van de eudaimonie. Doorgaans immers
gebruiken mensen hun lógos
verkeerdelijk, namelijk om zich te "vervreemden"
van hun natuur en allerlei overbodige of onnatuurlijke behoeftes na te
streven; ook, en vooral, om allerlei dwaalmeningen (dóxai)te
vormen en te koesteren, die hen vervolgens verpletteren onder de angst:
angst voor de goden, voor de dood, voor de toekomst, voor de donder en
de bliksem, enz. Dat kan en dat moet anders: de
lógos, inderdaad, stelt ons, bij correct
gebruik, in staat - met behulp van de epicureïsche
filosofie - een beter, d.w.z. juist inzicht te
krijgen, in de natuur in haar geheel en in het bijzonder in ons
natuurlijke telos én de voorwaarden om
het metterdaad te realiseren. In dat geval is onze lógos
géén handicap maar, in
vergelijking met de dieren, een bijzonder waardevol
plúspunt.
Dergelijke rangorde tussen natuurlijke
gegevenheid en menselijke lógos werd
door de epicureërs ook gebruikt om m.b.t. de menselijke
beschavingsgeschiedenis de ontwikkeling te verklaren inzake sociale
organisatie, het ontstaan van de kunsten, de religie, enz.. In
onderscheid immers met de stoïcijnse "idealisering" van de
menselijke begintijd, vertrok de epicureïsche, naturalistische
visie op de oorsprong van de cultuur van een veeleer "dierlijk" stadium
bij de eerste mensen. De taal bv. was noch onmiddellijk gegeven noch de
"uitvinding" van één of andere Wijze of godheid
die optrad als "onomatotheet", of naamgever, maar
was in eerste instantie het product van spontane of instinctieve,
vocale reacties vanwege mensen, verschillend van streek tot streek, in
antwoord op, en in verbinding met particuliere ervaringen (páthè)
en voorstellingen (phantásmata) - tot op
zekere hoogte vergelijkbaar met de kreten en geluiden van dieren. Pas
in een volgende, tweede fase waren mensen tot een bewuste,
verstandelijke uitwerking en verfijning gekomen van dat gegeven, met de
bedoeling dubbelzinnigheden te voorkomen, woordvormen af te leiden,
enz. (zie Epikouros, Brief aan Herodotos,
§§ 75-76; Lucretius, V, 1056-1090). Die spontane
koppeling, in de eerste fase, van klankcombinaties en (pre)woorden aan
welbepaalde fenomenen als hun "betekenis" (d.w.z. referentie), maakte
taal voor Epikouros noodzakelijk tot een "natuurlijk"
gegeven (phúsei), en
géén kwestie van "conventie",
of "thésis", zoals sommigen (w.o.
Aristoteles) dat eerder hadden geargumenteerd (cf. het debat tussen de
twee posities in Platoons Cratylus). De betekenis
(referentie), daarom, van de (meeste) woorden uit de omgangstaal was
zijns inziens onmiddellijk toegankelijk en vereiste geen voorafgaande,
gespecialiseerde studies. Zie hierover Verlinsky (2005).
Onder de vele, positieve bijdragen die de lógos
(in de vorm van filosofie) kàn leveren tot het menselijk
geluk (bv. óók het inzicht dat alle pijn beperkt
is in de tijd, R.S., IV), is één van de
belangrijkste het inzicht in onze behoeftenstructuur; anders gezegd:
het onderscheid tussen "natuurlijke" en "onnatuurlijke"
behoeftes en, meer in het bijzonder, de kennis
van de behoeftes die moéten vervuld worden om de ware hèdonè
te realiseren en nodeloze onlust te vermijden. Tussen haakjes, "ware
lust" wordt door Epikouros soms gespecificeerd als "katastamatische",
d.w.z. "statische" lust, in
contrast met "kinetische" lust. Die katastamatische
hèdonè bestaat dan
uit ataraxía, of "geestelijke
onverstoordheid", én aponía,
"(lichamelijke) pijnloosheid", die samen het hoogste goed
vormen (D.L., X.136). Vandaar de noodzaak aan een "trefzekere
studie" (aplanès theoría), cf.
Brief aan Menoikeus, § 127:
"we moeten overdenken dat van de
begeertes de ene natuurlijk zijn, de andere ongefundeerd, en dat van de
natuurlijke de ene noodzakelijk, de andere louter natuurlijk zijn; van
de noodzakelijke zijn de ene noodzakelijk voor de eudaimonie, de andere
voor de rust van het lichaam, nog andere voor het leven zelf. De
trefzekere theorie daarvan stelt ons in staat om elke keuze en
afwijzing terug te voeren op de gezondheid van het lichaam en de
onverstoordheid van de ziel, want dat is de finaliteit (telos)
van het gelukzalige leven".
Wat de "deugden" (aretaí)
betreft, aangezien voor Epikouros de lust het enige is dat goed is op
zich, worden zij niet zozeer beschouwd als elementen van,
dan wel als middelen voor de (ware) hèdonè;
d.w.z. ze zijn prijzenswaardig omdat ze de ware hèdonè
helpen teweegbrengen (zie Cicero, De finibus bonorum et
malorum, I, 42-43). Als zodanig zijn ze echter wel
noodzakelijk voor de eudaimonie. Dat ging dan in de eerste plaats om de
vier zgn. "kardinale deugden", vanuit de
sokratisch-platonische traditie: (praktische) wijsheid (phrónèsis,
Lat.: prudentia),
zelfbeheersing (sophrosúnè,
Lat.: temperantia), moed (andreía,
Lat.: fortitudo) en rechtvaardigheid (dikaiosúnè,
Lat.: iustitia). Vooral de phrónèsis,
d.w.z. het "praktische inzicht"
in wat goed en wat slecht is, in wat "waar" en wat "onwaar" is met het
oog op de praxis, is de belangrijkste gids voor de mens naar de hèdonè,
cf. nog de Brief aan Menoikeus,
§ 132, waar phrónèsis
zelfs "waardevoller dan filosofie" wordt genoemd.
Dat laat zich begrijpen vanuit de overweging dat voor de realisatie van
de hèdonè vereist zijn:
(1°) een beredeneerde calculus van de betrekkelijke voor- en
nadelen van elke concrete daad; (2°) het vermogen om
dié begeertes onder controle te houden waarvan de
bevrediging pijn met zich meebrengt; (3°) het vrij-zijn van
vrees voor bestraffing. Het resultaat is bijgevolg een
gematigd-ascetische, sobere levenshouding. Zo lezen we nog altijd in de
Brief aan Menoikeus, § 132:
"Want geen reeks van drinkgelagen of
festijnen, noch omgang met knapen en vrouwen, noch keur van vissen en
al het andere dat een overvloedige tafel kan aanbieden, brengen het
lustvolle leven tot stand, maar een nuchter nadenken, dat het
veroorzaken onderzoekt van elk nastreven en ontvluchten en dat de
waanvoorstellingen verjaagt, waardoor de zielen het meeste onrust
overweldigt".
Epikouros was dus geenszins een "fysiek-hedonist"
à la Aristippos van Cyrene(7bis).
Desondanks verloor hij de lichamelijke component
van de eudaimonie zeker niet uit het oog. Hij wees integendeel ook -
soms wellicht wat provocerend - op het belang van het lichamelijke
lustgevoelen of welbehagen, als basis voor de geestelijke. Zo bv. in
fr. 409 Us. (= 227 Arr.): "principe en wortel van alle goed
is het lustgevoelen van de buik". En ook hoger citeerden we
al "de stem van het vlees: 'geen honger te hebben, geen
dorst, geen kou!'" (S.V. XXXIII). Met "het vlees"
wordt hier natuurlijk niet naar een anatomisch onderdeel verwezen van
het lichaam, maar het gaat hier, "in een bijna
fenomenologische en in de filosofie, zo schijnt het, gans nieuwe
betekenis, (om) het onderwerp van de pijn en het plezier, d.w.z. het
individu" (zo P.Hadot, 1995:179). In een brief aan Idomeneus
kan Epikouros het zelfs, in direct religieuze termen, hebben over "de
cultus [of therapie] van het heilige lichaam", fr. 130 Us.
(= 54 Arr.).(8) Dit soort van
uitspraken, zeker wanneer ze uit hun context werden gelicht, zou mee
bijdragen tot de populaire reductie van het epicureïsme, in de
verdere geschiedenis, tot een vulgair, louter lichamelijk hedonisme
(vgl. de bekende, ironische zelfbeschrijving vanwege de Romeinse
dichter Horatius als "een echt varkentje van Epicurus' kudde",
Epistulae, I.4.16).
Geestelijke (of: psychische) hèdonè
is in het kader van het epicureïsche
materialisme in principe niets anders dan een soort van reflectie in
het verstand van lichamelijke lusten (zo Schmid, o.c., p. 67). Maar dat
uitgangspunt gegeven zijnde, kon Epikouros (eventueel naargelang van de
opponent waarmee hij aan het polemiseren was) zeer ver gaan in zijn
appreciatie van de geestelijke geneugtes, als voorwaarde voor de
eudaimonie. Met name hechtte hij groot belang, zoals reeds gebleken is,
aan het koesteren van goede herinneringen: het zich
terug-voor-de-geest-brengen van vroegere gelukkige ogenblikken kan
zelfs de meest acute fysieke pijn (die wel degelijk gevoéld
wordt) overwinnen. Maar minstens even essentieel zijn hoopvolle
verwachtingen; anders gezegd, het feit van vol vertrouwen te
zijn in de toekomst (cf. nogmaals de openingspassus
in de Brief aan Menoikeus).
Wellicht was het die laatste overweging die
Epikouros, in de nieuwe politieke en sociale context waarin hij leefde,
een bijzonder groot gewicht deed geven aan de
φιλία,
philía, of de
vriendschap. Zij was het, bovenal, die
aan de enkeling, in roerige tijden, toch de nodige geborgenheid en
bescherming, en dus "vertrouwen" (pistis), kon
geven. Zie bv. S.V., XXXIV: "wàt ons helpt, is
niet zozeer de hulp vanwege onze vrienden, als wel het vertrouwen in
die hulp". In een ander aforisme, R.S. XXVII, wordt
vriendschap zonder meer als het hoogste goed van sophía
bestempeld:
"van alles wat de wijsheid
beschikbaar stelt voor de gelukzaligheid (makariótès)
van het ganse leven, is de verwerving van vriendschap veruit het
belangrijkste".
Vermelden we ook nog het
beroemde S.V., LII:
"de vriendschap gaat al dansend de
wereld rond, ons allen oproepend te ontwaken voor (elkaars)
zaligprijzing" (makarismós).
De blijheid
en dankbaarheid voor het leven, die uit deze en andere teksten spreken
- vgl. bv. ook fr. 469 Us. (= 240 Arr.):
"dank
(charis) aan de gelukzalige natuur omdat zij het noodzakelijke
gemakkelijk verstrekbaar heeft gemaakt, en daarentegen wat moeilijk
verstrekbaar is, niet-noodzakelijk!" -,
hebben te allen tijde de grote
aantrekkingskracht uitgemaakt van het epicureïsme.
2.3. De
epicureïsche "bíos
philósophos".
In een veel intensere mate nog dan zulks het
geval was voor Platoon en Aristoteles, is het epicureïsme een bíos,
d.w.z. een filosofie die zich in de allereerste plaats realiseert in de
gevoerde levenspraktijk (vgl. de uitdrukking, "volgens
de filosofie leven", endiatríbein
katà philosophían, bij D.L., X.17).
Met zijn afwijzing van het levensvreemde, abstracte ideaal van de
aristotelische bíos
theorètikós lijkt Epikouros zich uit te
spreken voor wat we een "inclusieve" benadering van
het menselijke geluk kunnen noemen, gebaseerd op een harmonieuze
beleving van àlle menselijke vermogens, vgl. S.V., XLI:
"We moeten tegelijkertijd
én lachen én filosoferen, én ons
huishouden beheren én al onze overige begaafdheden
aanwenden...".
Of denken we aan D.L.,
X.119-121b, waar van de Wijze gezegd wordt dat hij "zal huwen
en kinderen krijgen", "processen zal aanspannen", "zorg zal hebben voor
zijn bezit en voor de toekomst", "zijn land zal beminnen", "plezier zal
scheppen in spektakels", "geld zal verdienen, maar enkel met zijn sophía,
als hij het moeilijk heeft...".
Er was echter
één (oorspronkelijk) belangrijk aspect van de praktikós
bíos, waartegenover Epikouros zeer huiverachtig
stond en dat hem deed pleiten voor een zogenaamde
"scholastikós bíos", d.w.z.
(letterlijk) een "werkeloos leven", namelijk de
politiek. In verschillende bewaarde passussen,
inderdaad, raadt hij zijn volgelingen aan om de met de politiek gepaard
gaande "openbaarheid" te ontvluchten: cf. zijn bekende oproep van
λάθε
βιώσας, "láthe
bioosas", "leef in het verborgene!" (fr. 86 B.), d.w.z. leef
zodanig dat je onopgemerkt blijft. Hierbij aansluitend, S.V., LVIII: "we
moeten ons bevrijden uit de gevangenis van het zaken-doen (ta
enkúklia) en de politiek";
alsook R.S. VII en XIV; en D.L., X.119: "(de wijze) zal ook
niet aan politiek doen". Ook zijn afwijzing van de retoriek
(ibid., § 118) moet in verband worden gebracht met deze
voorkeur voor een politiek quiëtisme.
Toch past hier enige nuancering. Epikouros'
houding t.a.v. de politieke orde was niet principieel negatief. De
grote waarde die hij hechtte aan veiligheid (aspháleia),
als maatschappelijke voorwaarde opdat de mens zich "gerust"
zou kunnen voelen (tharreîn), deed hem het
optreden van de eerste wetgevers, in de menselijke begintijd, heel
positief waarderen (cf. de bespreking van de oorsprong van het recht
door zijn opvolger, Hermarchos, waarvan een fragment bewaard is bij
Porphurios, De abstinentia, I.10-11). De rationele
drijfveer tot die uitvinding van het recht was het inzicht geweest dat,
t.a.v. het gevaar uitgaande van wilde dieren en (nadien vooral) van
andere mensen, het in ieders belang was, binnen een
gemeenschap, af te spreken elkaar geen schade te zullen berokkenen
(m.i.v. een systeem van straffen voor overtreders). Dat sluit nauw aan
bij Epikouros' visie op de "natuur van het recht"
(KD, 38) en rechtvaardigheid, namelijk als een overeenkomst of afspraak
tussen mensen, gebaseerd op (het begrip van het) gemeenschappelijke
eigenbelang, cf. KD 33:
"De rechtvaardigheid (dikaiosúnè)
was nooit iets op zichzelf bestaande [in tegenspraak met
Platoon], maar iets dat ontstaat in 's mensen samenleven met
elkaar, wat ook de grootte moge zijn van de plaats, telkens er een
verdrag is over het niet schaden of geschaad worden".(8bis)
Dergelijk utilitaristisch standpunt (dat
duidelijk veel affiniteit heeft met dat van de Sofistiek) doet hem ook
verklaren (KD 34) dat "onrecht niet op zichzelf een kwaad is":
hét probleem, óók voor de
onrechtpleger, is veeleer de angst die er onvermijdelijk mee samengaat
en die alle gemoedsrust onmogelijk maakt. Evenzo konden de
omstandigheden ook de filosoof ertoe brengen, precies ter wille van de
veiligheid van hemzelf en de zijnen, toch deel te
nemen aan het politieke leven (dat wordt bv. bevestigd door Seneca, in
zijn De otio, 3.2). Eén van Epikouros'
naaste volgelingen (én weldoeners), in alle geval, was ene
Mithrès, minister-van-financiën van koning
Lusimachos. (9) Wanneer
Epikouros dan toch afraadde uit vrije wil een politieke
carrière te ambiëren (zo fr. 554 Us.= 145 Arr.),
mogen we veronderstellen dat zijn bezwaren vooral gemotiveerd waren
door de reële gevaren die een participant aan het politieke
bedrijf in zijn tijd bedreigden. Dat die gevaren
inderdaad reëel waren, onder de Macedoniërs, was al
heel vroeg duidelijk geworden met het lot van de Atheense
retoren-politici die zich hadden verzet tegen de Macedonische
annexatiepolitiek: Hupereides werd geëxecuteerd en Demosthenes
kon aan zijn executie enkel ontsnappen door... zelfmoord te plegen. Van
enige (politiek-)filosofische reflectie, nochtans, bij Epikouros
omtrent de nieuwe, hellenistische vormen van politieke organisatie (in
contrast met de kleinschalige polis) is geen spoor.
Hoe dan ook, Epikouros'
aanbeveling van een "scholastisch leven" (in het
Latijn: vita otiosa) sluit althans op dit punt aan
bij Aristoteles' ideaal van het contemplatieve leven: cf. reeds
Aristoteles, in zijn Nikomachische Ethiek,
1177b16-26, omschrijft zijn filosofische bíos
als "scholastikós", d.w.z. vrij van
politieke beslommeringen. Ook de epicureïsche bíos
verwijst dus in de eerste plaats naar een
teruggetrokken, apolitiek bestaan, gericht op het eigenbelang en gewijd
aan studie en filosofie; alleen zijn zij geen doel meer op zich, maar
staan ze ten dienste van de realisatie van de ataraxie. Bovendien,
"apolitiek" wil helemaal niét zeggen "asociaal", wel
integendeel.
Een onmisbare component,
inderdaad, van het epicureïsche filosofiebegrip zowel als van
de bíos die ermee samengaat, is de al
vermelde philía. Zoals reeds
aangestipt, achtte Epikouros vriendschap een onontbeerlijk bestanddeel
van een gelukkig leven (zij compenseerde, zou je kunnen zeggen, het
verdwijnen van de burgerlijke integratie die de oude polissamenleving
realiseerde). Dat inzicht, namelijk dat vriendschap werkelijk een conditio
sine qua non was voor de eudaimonie, deed hem zelfs
concluderen dat "(de wijze) in sommige omstandigheden zal
willen sterven voor zijn vriend" (D.L., X.121b). Dat is, of
lijkt, weliswaar strijdig met het principieel utilitaristisch
uitgangspunt van zijn filosofie, maar het laat zich verklaren vanuit
het grote belang van het "vertrouwen" dat we in
onze vrienden moeten kunnen hebben: alleen dàn, immers,
kunnen we echt "gerust-zijn" (tharreîn).
Het utilitarisme zelf vereist dus dat we... niet-utilitair zijn.
Er is echter ook een gans
bijzondere, intrinsieke band tussen philía
en philosophía: als het geluk bestaat in
het filosoferen, dan zal de philía ons
helpen om, àl filosoferend, gelukkig te zijn. Bevriend-zijn
is immers essentieel een kwestie van "samen te leven"
(suzên) en dingen samen te doen,
en met name samen te filosoferen. Daarop
was al gewezen door Aristoteles, in zijn Nikomachische Ethiek,
IX.12, 1172a1-5:
"wat het ook moge
zijn waarin voor ieder het bestaan gelegen is, of ter wille waarvan men
verkiest te leven, dààrin wil men samen met zijn
vrienden zijn leven doorbrengen. Dat is de reden waarom sommigen samen
drinken, anderen samen dobbelen, weer anderen samen aan gymnastiek doen
en samen op jacht gaan, of samen filosoferen".
Bij Epikouros krijgt dat sumphilosopheîn,
"samen filosoferen" (met varianten als "filosoferen
samen met", "met iemand samen oud worden in de filosofie"...),
een gans bijzondere, we zouden zeggen: existentiële dimensie. "Filosoferen"
en "samenleven" vallen voor hem als het ware samen.
Dat blijkt bijzonder duidelijk uit zijn Testament,
waarin het werkwoord philosopheîn
telkens weer verlaten wordt voor sumphilosopheîn,
een werkwoord "dat door de aard van zijn samenstelling aan
Epikouros toelaat de bedrijvigheid van de wijze in haar volheid aan te
wijzen". (10) Een
typische passus ervan, waarin ook Epikouros' philanthropía
wordt belicht, is D.L., X.20:
"En laten zij
behalve zichzelve ook Hermarchos tot medebeheerder der inkomsten maken,
opdat alles zou gebeuren in overleg met degene die samen met ons is oud
geworden in de filosofie en overgebleven is als hoofd van onze
gezellen-in-de-filosofie (sumphilosophoûntes)...
Laat ze ook zorgen voor Nikanoor, zoals ook wij dat gedaan hebben,
opdat van al degenen die met ons filosofeerden en die, terwijl ze ons
bijstand verleenden met hun eigen middelen en alle solidariteit (oikeiótès)
hebben betuigd, verkozen om samen met ons oud te worden in de
filosofie, (opdat) niemand (van hen) iets van het levensnoodzakelijke
zou ontberen, zo ver als in onze macht ligt".
Natuurlijk, ook bij Platoon en
Aristoteles was het "samen-leven" een belangrijk
aspect van het schoolleven (met bv. gemeenschappelijke maaltijden).
Toch lijkt, wat Platoon betreft, éroos (Symposium)
en philía hoofdzakelijk gewaardeerd als
"middelaar" (metaxú) voor iets
hogers: de (eenzame) theoría. Bij
Epikouros, daarentegen, kreeg de philía,
ondanks haar (theoretisch) utilitaristisch en hedonistisch
uitgangspunt, een absolute waarde, cf. S.V.,
§ XXIII:
"alle vriendschap is
verkieslijk om harentwille; haar aanzet, echter, heeft ze uit
nuttigheid(soverwegingen)".
Bijgevolg, als we hoger stelden,
dat "filosoferen" en "eudaimonie"
eigenlijk samenvielen, moeten we dat bijsturen: "sàmen-filosoferen"
betekent gelukkig te zijn (cf. ook de gelukzalige goden leven in
vriendschap met elkaar samen). Vanzelfsprekend betekende "samen
te filosoferen" niet langer dat men, zoals bij Platoon en
Aristoteles, samen zócht naar de
waarheid: die was al belichaamd in de Meester (zie ook verder) en werd
in de eerste plaats "geleefd", namelijk in de bíos.
Volgens sommige moderne historici, daarom, geleek
"de Tuin" eerder op een "kerk"
(J.M.Rist) of een "klooster" (R.W. Hibler), en
weinig of niet op een filosofisch-wetenschappelijk onderzoekscentrum.
Zo A.A.Long (1974:15):
"degenen die zich
engageerden voor Epikouros, waren niet zozeer studenten die 'colleges
liepen', als mannen en vrouwen die toegewijd waren aan een bepaalde
levensstijl".
Φιλία,
philía nam vandaar ook een
centrale plaats in het epicureïsche vormingsproject: zij was
het die de leerlingen effectief in staat stelde het filosofisch leven
aan te vatten en finaal de nodige filosofische maturiteit te verwerven.
De (heils)boodschap van de Meester moest, anders gezegd, ontvangen
worden in de begeestering van een collectieve
bewondering. Zoals R.W.Hibler (1984:45) schrijft (m.v.):
"In essentie, bekeek
de epicureïsche kring vriendschap als de techniek bij middel
waarvan inwonende leden van de school konden groeien in filosofische
maturiteit. Vanuit het besef dat enkel een uitzonderlijk iemand, zoals
Epikouros, op zichzelf tot de realisatie van de waarheid kan komen,
streefden de leden ernaar om sàmen het ware pad te vinden.
Opvoeding, daarom, was een coöperatieve onderneming. Door het
delen van elkaars sociale, emotionele en intellectuele ervaringen
groeiden de studenten in hun begrip van het schooldogma ('cult dogma'),
zowel als in het perfectioneren van hun eigen zelfverwezenlijking.
Vriendschap was méér dan een instrument om het
leren te bevorderen - ze werd een doel op zich. De verhouding die
gedeeld werd door de leden van de school bewees hun trouw aan elkaar en
hun totale inzet voor de epicureïsche 'way of life'".
Door die philía
kreeg filosofie in het epicureïsme dus een bijzondere,
affectieve geladenheid. In dat verband is het niet irrelevant te
vermelden dat, van bij de aanvang, ook vrouwen
volwaardig deel uitmaakten van de Tuin. Op zich was dat geen
nieuwigheid: ook de lessen in de platoonse Akademie zouden door enkele
vrouwen gevolgd zijn. Nieuw was wel hun actieve rol; minstens
één vrouw, Leontion, een ex-hetaire, had een
leidinggevende positie en verwierf een wetenschappelijke reputatie (ze
schreef o.m. een traktaat tegen Theophrastos). Ook al was er dan geen
sprake van de "orgieën" waarmee Epikouros'
vijanden de Tuin trachtten te discrediteren, zijn utilitaristisch
ascetisme sloot seksuele relaties niet principieel uit, vgl. S.V., LI:
"Je vertelt me dat
de prikkeling van het vlees je al te zeer doet uitzijn op seksuele
omgang. Op voorwaarde dat je noch de wetten overtreedt noch de
gevestigde goede gebruiken ondermijnt noch één
van je naasten pijn doet noch je lichaam schade berokkent noch je
bestaansmiddelen verkwist, mag je naar believen je inclinatie volgen.
Toch is het ondenkbaar dat je niet met één
daarvan in conflict zou geraken: de liefde (aphrodísia),
immers, heeft nog nooit (iemand) baat gebracht; men mag al blij zijn
als ze geen schade berokkent".
We kunnen dus niet zeggen dat
Epikouros seksuele relaties aanmoedigde. Toch is er geen reden om ze
uit te sluiten (de al vermelde Leontion, zo weten we, was de
levensgezellin van Metrodoros, Epikouros' belangrijkste medewerker).
Zoals Rist (1972:10) het formuleert: "er is geen enkele reden
om te veronderstellen dat de relaties tussen de mannelijke en de
vrouwelijke leden van de school platonisch van aard waren".
Tenslotte, kan er nog worden op
gewezen dat ook slaven en slavinnen lid waren van de school. Dat gold
in de eerste plaats voor Epikouros' eigen slaven, waarvan Mus de
bekendste is. Ze bléven weliswaar slaaf: d.w.z. zoals
gebruikelijk was, verwierven Epikouros' slaven hun vrijheid pas bij
zijn dood (cf. zijn testament). Van enige solidariteit t.a.v. de lagere
klassen of de armen was er hoe dan ook geen sprake. Eén van
Epikouros' geboden i.v.m. de Wijze luidt (D.L., X.199): "(de
wijze) zal ook niet bedelen" - wat allicht ook een
"sneer" is naar de Cynici.
PS De Tuin, als organisatie,
was sterk hiërarchisch gestructureerd: bovenaan stond
uiteraard Epikouros zelf, als de hègemoon, of
Meester; onder hem stonden de "geassocieerde leiders"
(kathègemónes), namelijk
leeftijdgenoten en volgelingen-van-het-eerste-uur, zoals Metrodoros,
Hermarchos en Poluainos (zij golden gewoonlijk als philósophoi,
niet als sophoí);
instructeurs van lagere rang kregen de titel van
kathègètès, "leraar" of "professor"
(ook de al genoemde Leontion behoorde hieronder). De "leerlingen"
(de Griekse uitdrukking, hoi kataskeuazómenoi,
betekent letterlijk zoveel als "degenen die voorbereid worden")
waren ingedeeld in "klassen", onder de leiding van een "leraar"
(het is allicht niet irrelevant te vermelden dat Epikouros' vader
een... schoolmeester was geweest). Zie hierover De Witt, 1954: 93-97).
Het onderwijs, stricto sensu,
bestond uit de bestuderen en memoriseren van de teksten van de Meester.
Epikouros, het dient gezegd (cf. zijn vader?) had een goed oog voor de
didactische aspecten van zijn verkondiging: onder de ca 300
(papyrus)rollen die hij bij elkaar heeft geschreven, kwamen ook
samenvattingen voor in allerhande formaat, die het memoriseren moesten
vergemakkelijken (bv. de drie brieven die bewaard zijn bij Diogenes
Laërtios), evenals een soort van "brevieren", d.w.z.
verzamelingen van aforismen of citaten: zo de bewaarde Kúriai
Dóxai (Latijn: Ratae Sententiae,
of "Hoofdgedachten") en de in 1888 in een
Vaticaanse codex ontdekte verzameling spreuken, nu gekend als de Sententiae
Vaticanae. Het uiterst beknopte tetraphármakos
kwam al ter sprake. De leerlingen moesten ook zélf zulke
samenvattingen en verzamelingen aanleggen, met het oog op het beter
memoriseren.
Globaal
genomen, mag gezegd worden dat Epikouros "zijn
filosofisch ideaal heeft weten te actualiseren in een maatschappelijk
experiment" (Schmid, 1984:72). Binnen de traditionele,
antieke context, vormde de Tuin een soort van nieuw samenlevingsmodel.
Vandaar dat Epikouros' school niet louter een "Akademie" was, maar in
belangrijke mate ook wat wij nu een "leefgroep"
zouden noemen, of, negatiever, een sekte, met haar
eigen leefregels. Die kwalificatie lijkt des te meer toepasselijk om
wille van de sterke ideologische geslotenheid van de school. Zij ging
gepaard met een grote animositeit en vijandigheid t.a.v. niet-leden en,
zeker, ex-leden (wat de gehele oudheid door vanwege de buitenwereld
beantwoord werd met een even grote vijandigheid). Dat ideologische
sektarisme echter had ongetwijfeld ook te maken met de "religieuze"
sfeer van dat epicureïsche gemeenschapsleven, in de eerste
plaats ten aanzien van Epikouros zelf.
2.4.
Epikouros als "Heiland".
Hoger, § 2.2.3.1, kwam
reeds de bijzondere relatie ter sprake waarop de epicureïsche sophós
aanspraak meende te mogen maken t.a.v. de goden. Het hoeft ons dus niet
te verwonderen dat Epikouros aan de bíos
die hij verkondigde, religieuze, d.w.z. "goddelijke" hoedanigheden
toekende. Zo schrijft hij aan het slot van de Brief aan
Menoikeus, § 135:
"Mediteer dus dag en
nacht over deze zaken en over wat ermee verwant is, bij jezelf zowel
als samen met je geestesgenoot, en nooit zul je, wakend of slapend,
door onrust gekweld worden, maar je zult leven zoals een god onder de
mensen. Een mens immers die leeft temidden van onsterfelijke weldaden,
lijkt in niets op een sterfelijk wezen".
Epikouros was ervan overtuigd
dat hijzelf alvast die toestand bereikt had. Dat blijkt bv. uit een
brief aan zijn moeder (bewaard in de latere inscriptie van Diogenes van
Oinoanda, fr. 125-126 Smith):
"Wat ik nastreef is
geen triviale aangelegenheid. Het gaat om zaken die mijn toestand doen
gelijken op die van de goden. Voor mij als mens, bewijzen ze dat ik,
ondanks mijn sterfelijkheid, niet onderdoe voor die natuur die
onsterfelijk en zalig is. Terwijl ik leef, immers, geniet ik in
dezelfde mate als de goden".
Alle kwaliteiten, daarom, van de
model-Wijze, met inbegrip van die van "goddelijkheid",
waren in de ogen van de epicureërs exemplarisch belichaamd in
de "Meester" of "Gids"
(hègemoon) zelf, en er zijn dan ook tal van
aanwijzingen voor een quasi-religieuze verering van Epikouros, tijdens
en na zijn leven. Opvallend daarbij was het gebruik van terminologie
uit de mysteriegodsdiensten (zoals ook de christenen dat later zouden
doen): Epikouros werd niet enkel (een) "god"
genoemd (cf. Lucretius, V, v.8: "deus ille fuit, deus,
inclyte Memmi"), maar ook "vader", "heiland"
(sotèr) of "verlosser"
(eleutherotès), "licht in de duisternis" (Lucr.,
III, vv. 1-2), enz.(10bis) In
een fragment uit een andere brief, gericht aan zijn leerling Kolotes,
bevestigt Epikouros die tendens naar een filosofische religiositeit
(fr. 31 Bailey= Ploutarchos, Adversus Colotem,
1117B):
"vanuit een gevoelen van verering
voor wat wij toen aan het zeggen waren, werd je gegrepen door een
onverklaarbaar verlangen om onze knieën te beroeren en te
omvatten, en ons vast te grijpen geheel op de wijze die men gewoon is
bij het vereren en aanbidden... Je hebt dus gemaakt dat ook wij jou op
onze beurt huldigen en vereren. Wandel rond als onsterfelijk, in mijn
ogen, en beschouw ook ons als onsterfelijk".
Hierbij dient te worden
aangestipt dat activiteiten van aanbidding, met prosternatie of
knieling t.o.v. een levende persoon, door de Grieken als erg ongewoon,
zelfs als ongrieks, werden beschouwd.
Die grote verering blijkt ook uit
de vele geproduceerde afbeeldingen van Epikouros: schilderijen, bustes,
beelden, medaillons, op bekers, ringen, enz. , die, ook nog in de
Romeinse tijd, in de huizen van zijn volgelingen te vinden waren. Zoals
R.W. Hibler (1984:17, m.v.) schrijft:
"De portretten, beelden, ringen en
kunstzinnige gemmen met het gelaat van Epikouros, die door zijn
volgelingen gebruikt werden in de Griekse en Romeinse periode, zijn
goed vergelijkbaar met de populariteit van de afbeeldingen van
religieuze leiders, zoals Jesus en de Boeddha" (zie ook
N.W.De Witt, Epicurus and his Philosophy,
1954:100).
Zij werden ook gebruikt,
vanzelfsprekend, als propagandamateriaal in de drukke missioneringsactiviteiten
van de school: Epikouros' "blijde boodschap" werd
over de gehele mediterrane wereld verspreid en overal werden
epicureïsche "gemeentes" gesticht; zoals later bij
Paulus, vormden de brieven van de Meester vermoedelijk een heel
belangrijk communicatiemiddel tussen die gemeentes. (11)
Epikouros zelf stimuleerde de vereenzelviging van
de filosofie met zijn persoon (cf. in zijn laatste brief aan Idomeneus,
geciteerd hoger, § 2.2.3.2, de uitdrukking "jouw
verknochtheid aan mij en de filosofie"). Exclusief voor
zichzelf (én Metrodoros) eiste hij de titel op van
"Wijze" (cf. Cicero, De finibus,
II.iii.7), en dat alleen al impliceerde een vorm van "verering",
vgl. S.V., XXXII: "de verering (sebasmós)
van de wijze is een groot goed voor de vereerders" (want ze
leidt tot actieve navolging van en participatie in diens zaligheid). In
zijn testament trof hij ook schikkingen voor de jaarlijkse viering van
zijn verjaardag alsook voor de organisatie van maandelijkse
bijeenkomsten, telkens op de 20ste, ter nagedachtenis van hemzelf en
van zijn medestander Metrodoros (D.L., X.18) - vandaar dat zijn
volgelingen wel eens spottend "de Twintigers"
werden genoemd.
Dat Epikouros zichzelf inderdaad als een bron van
(filosofische en spirituele) verlichting beschouwde, wordt bevestigd
door de wijze waarop hij, nogmaals in zijn testament, zijn volgelingen
aanduidt als "hoi philosophoûntes apo
hèmôn" (letterlijk: "degenen
die vanuit ons aan filosofie doen"); Malingrey (1961:65)
vertaalt de uitdrukking met: "ceux qui tirent de nous leur
vie spirituelle" (zie D.L., X.17). De notie "philosophía",
inderdaad, kreeg aldus een belangrijke, nieuwe oriëntatie. Om
nogmaals Malingrey (ibidem, m.v.) te citeren:
"het
betreft niet langer een objectief onderzoek van de wetenschap. Het gaat
om een existentiële ervaring waarvan de vruchten wezenlijk
toebehoren aan wie haar heeft doorgemaakt en haar overdraagt aan
anderen met de zekerheid dat hij hun het beste van hemzelf geeft".
In dit verband is het nuttig ook de belangrijke
rol te vermelden, binnen de epicureïsche "therapie",
van een authentieke biechtpraktijk.
Onze belangrijkste bron hierover is nogmaals een bewaard geschrift van
Philodemos, Over vrijmoedigheid, dat een
samenvatting blijkt te zijn van colleges voor de opleiding van wat men
epicureïsche "zieleherders" zou kunnen
noemen (in het Grieks: kathègoúmenoi, in
het Frans: "directeurs de conscience"). Daaruit
blijkt dat de leerlingen ertoe werden aangezet om zonder de minste
schroom hun meest intieme gedachten en gevoelens, meer in het bijzonder
ook hun schuldgevoelens en misstappen, bekend te maken aan de Meester.
Anders gezegd, vanuit het principe dat "het (be)kennen van de
zonde het begin is van de redding" (zo overgeleverd bij
Seneca, in Brief 28, 9= fr. 522 Us.), moesten ze
zichzelf vernederen en bekritiseren door het "opbiechten van
hun zonden". Een dergelijke praktijk bestond ook al in de
mysteriegodsdiensten, en zou nadien worden overgenomen door de
christenen, maar zoals Schmid (1984:95) opmerkt, had de
epicureïsche "biecht" geen echt religieuze (eschatologische),
maar een therapeutische functie.
Het spreekt vanzelf dat met een dergelijke
praktijk een zeer persoonlijke en intieme band werd gecreëerd
tussen Meester en leerling (vergelijk met praktijken in hedendaagse
sekten). Maar, zoals nogmaals Schmid opmerkt (1984:94), was zij
ongetwijfeld ook gemotiveerd door een besef van wat men ook vandaag nog
de "pastorale" mogelijkheden ervan zou noemen,
d.w.z. ten gunste van de spirituele en morele "heropvoeding"
(epanórthosis of diórthosis, in
het Grieks) van wie "gedwaald" had. Tegelijkertijd
ging de keuze voor een "filosofisch leven", in
plaats van voor een "wereldlijke" carrière, allicht dikwijls
gepaard, bij de beginneling, met een innerlijke tweestrijd
(vergelijkbaar met wie voor een "priesterroeping" kiest, of wie
toetreedt tot een sekte), eventueel ook crisis, en diende zoiets
opgevangen te worden, binnen de school, door een vorm van persoonlijke "zielszorg".
Relevant hierbij is dat de zo belangrijke notie
van het "geweten" (Grieks:
suneídèsis, Latijn: conscientia)
wellicht tot stand is gekomen binnen een epicureïsche,
therapeutische context, d.w.z. die van de zoekende of de zondaar
gekweld door wroeging omtrent eerdere misstappen. (12)
Vanuit het sokratische principe, dat immoreel gedrag terug te voeren is
tot "onwetendheid", golden bewustwording en
erkenning van de eigen tekortkomingen als een onmisbare voorwaarde voor
geestelijke "genezing"; tegelijkertijd, en wat
paradoxaal, kon de bereidheid om tot een gewetensonderzoek over te gaan
zelf reeds als een stap naar psychische "gezondheid"
worden beschouwd. De epicureïsche kathègoúmenoi
fungeerden in heel die context als "directeurs de
conscience".
Het hoeft niet herhaald dat dit soort van
praktijken aan de epicureïsche "gemeente(s)", in vergelijking
met Akademie en Lyceum, een ideologisch en psychologisch veel meer
gesloten, we mogen zelfs zeggen: sektarisch karakter gaven.
Uitzondering gemaakt voor zijn naaste medewerkers, zoals Metrodoros,
duldde Epikouros klaarblijkelijk geen afwijkende meningen. Volgens
Philodemos (in de al vernoemde tekst, p. 45, 8-11 Ol.) was het zelfs de
regel dat de adepten een eed van gehoorzaamheid aflegden, namelijk: "wij
zullen gehoorzamen aan Epikouros, volgens wie wij gekozen hebben te
leven!"
Zoals hoger al aangestipt, nam in de
basisopleiding van de volgelingen de áskèsis,
of "(geestelijke) oefening",
een heel belangrijke plaats in: zij dienden voortdurend de
basisdoctrines te memoriseren en te herhalen, en ze aldus tot voorwerp
te maken van hun meditatie (melétè):
zie de al geciteerde slotpassus van de Brief aan Menoikeus.
Zo kon bv. het uit het geheugen herhalen van de stellingen inzake de
dood leiden tot een "meditatie over de goede dood"
(letterlijk: "het goed-sterven", D.L., X.126).
Opzet van al die oefeningen of trainingen was, behalve het effectief
assimileren van de "leidende ideeën"
(kúriai dóxai), met de eraan gekoppelde
"psycho-medische" effecten, óók: de leerlingen
a.h.w. te doordringen van de bestendige, geestelijke aanwezigheid van
de Meester. Een volgeling moest leren elk van zijn handelingen
zó te verrichten als vond ze plaats onder de ogen van
Epikouros zelf. Anders gezegd, de fundamentele, quasi devotionele
leefregel was: "doe alles op zo'n manier als keek Epikouros
toe" (fragment van een brief, bewaard bij Seneca, Brief
25, 5= fr. 211 Us.).(13) De
gedachtenisfeesten, waarover hoger al sprake, en de ook al vermelde
afbeeldingencultus van de Meester dienden vanzelfsprekend hetzelfde doel.
3. Zenoon*
en het Stoïcisme
3.1. Inleiding.
3.1.1. Onder een aantal
opzichten zouden we het stoïcisme de "meest hellenistische"
van de hellenistische scholen kunnen noemen, althans indien we onder
"hellenisme" het resultaat verstaan van de politieke en
culturele hellenisering van de (vooral oostelijke) mediterrane
wereld, na de militaire verovering ervan door Alexander en de
vestiging, na Alexanders vroegtijdige dood, van de "koloniale",
zogenaamde diadochenrijken (zie ook hoger, kap. 1.1).
Dat lijkt alleszins te gelden op het vlak van het
filosofisch "personeel". In opvallend contrast met Epikouros - die,
hoewel geboren op Samos, een "autochtoon" Atheens burger was en wiens
school nadien in Atheense handen bleef -, kunnen we vaststellen dat
vooreerst de oprichter van de Stoa, Zenoon van
Kition (vermoedelijk geboren in 333/332), zelfs niet van Griekse maar
van Fenicische (dus Semitische) afkomst was. Kition (Citium; vandaag:
Larnaca), op Cyprus, was, hoewel oorspronkelijk een Griekse vestiging,
in de tweede helft van de 4de eeuw een Fenicisch koninkrijkje, en
mogelijk was het precies de militaire verovering ervan (met
terechtstelling van de koning) door Ptolemaios, in 312/311, die de
rechtstreekse aanleiding was voor Zenoon, zoon van een rijk koopman, om
naar Athene te trekken. In Athene werd Zenoon, allicht wegens zijn
uiterlijk, regelmatig op zijn afkomst aangesproken (bv. door de oudere
Krates, met het verkleinwoord "Phoinikídios",
D.L. VII.3), en hoewel hij reeds in zijn jeugd Grieks leerde, was het
Fenicisch vermoedelijk zijn moedertaal (cf. de anekdote waarin
Polemoon, scholarch van de Akademie, hem al schertsend ervan
beschuldigt zijn ideeën te pikken en "in een
Fenicisch kleedje" te steken, D.L., VII.25). Ook Zenoons
leerling Persaios (geb. ca 305) was afkomstig uit
Kition en werd door Zenoon in Athene opgevangen; een ander lid van de
eerste generatie, Herillos, kwam van de Fenicische
stichting, Carthago (het huidige Tunesië). Vermeldenswaard is
verder dat ook de "tweede stichter van de Stoa", namelijk
Chrusippos
(tussen 281 en 277 geboren in
Soloi, in Kilikië, of Cilicië - niet te verwarren met
Sicilië), van niet-Griekse afkomst was: zijn moedertaal was
het Aramees, en door zijn tegenstanders werd hem verweten zelf de
Griekse taal onvoldoende te beheersen en toch de les te durven spellen
aan de Atheners. Terwijl ook nog andere stoïcijnen afkomstig
waren uit Kilikië (Tarsos), dient tenslotte nog Chrusippos'
tweede opvolger vermeld, Diogenes (geb. kort na
240), afkomstig van Seleukeia aan de Tigris, en vaak ook "van Babylon"
genoemd. Hij nam deel aan het beroemde filosofengezantschap, samen met
Karneades en Kritolaos, dat in 156/155 naar Rome werd gestuurd om er de
belangen van Athene te verdedigen.
Er was een tijd dat in de literatuur vanuit deze
gegevens wel eens de these werd geargumenteerd dat de specificiteit van
de stoïcijnse filosofie en wereldvisie mede moest verklaard
worden vanuit die "semitische" origine (cf. de belangrijke, structurele
verschillen tussen de semitische talen, enerzijds, en het Grieks,
anderzijds). Vandaag is die these verlaten en wordt beklemtoond dat de
filosofische wortels van de school volledig Grieks zijn. Wel kan men
nog de suggestie lezen dat de bijzondere aandacht vanwege de
stoïcijnen voor de taal, en met name voor de relatie tussen
taal en betekenis, in verband kan worden gebracht met de tweetaligheid
van leidinggevende stoïcijnen, zoals Zenoon en Chrusippos
(Watson, 1966:7).
3.1.2. Ook vanuit
inhoudelijk, intrinsiek filosofisch oogpunt lijkt de Stoa de meest
geslaagde, ideologische expressie te mogen genoemd worden van de
politieke en maatschappelijke verhoudingen in de post-klassieke,
Griekssprekende mediterrane wereld. Dat lijkt alvast bevestigd te
worden door de vaststelling dat het stoïcisme de
belangrijkste, of in elk geval toch de meest populaire, filosofische
stroming was in de latere oudheid, tot aan de 3de eeuw v.o.t.
(belangrijke thema's ervan zouden nadien, kritisch,
geïntegreerd worden in het neoplatonisme). In de moderne
literatuur is het traditie geworden om die geschiedenis van ruim vijf
eeuwen onder te verdelen in drie periodes: die van de "Oude Stoa", de
"Midden-Stoa" en de "Nieuwe Stoa". De mate waarin er daarbij, op het
gebied van de basisdoctrines, al dan niet mag gesproken van echt nieuwe
ontwikkelingen, gaf in de moderne literatuur aanleiding tot brede
discussies. In de publicaties van het laatste kwart eeuw overheerst de
tendens om veeleer de filosofische continuïteit te bevestigen.
De historische studie, weliswaar, van het
stoïcisme wordt gehinderd door een zware handicap: van geen
enkele stoïcijnse filosoof uit de eerste twee
periodes zijn er ons teksten bewaard gebleven (de enige uitzondering,
van erg beperkt gewicht, is het gebed of de "Hymne aan Zeus"
van Kleanthes). Vermoedelijk heeft het
stoïcijnse "materialisme" in de late oudheid geen genade
gevonden, zeker zodra het christendom definitief het pleit gewonnen
had. Enkel uit de derde periode (de eerste twee eeuwen van onze
tijdrekening) zijn een aantal integrale teksten tot ons gekomen
(voornamelijk van Seneca, Epiktetos en Marcus Aurelius). Niet
toevallig, betreffen zij bijna uitsluitend de ideologisch minder
problematische, praktische ethiek. Voor de uitwerking, dus, van het
stoïcijnse, filosofische systeem - zowel door de grondleggers,
zoals Zenoon en Chrusippos, als door latere vernieuwers, zoals
Panaitios en Poseidonios - moeten we het stellen met fragmentarische
(en vaak tegenstrijdige) aanwijzingen uit latere, eclectische en/of
polemische, indirecte bronnen - vaak teksten van "literatoren" eerder
dan filosofen, zoals de Romeinse politicus en redenaar Cicero (106-43
vK), met zijn philosophica, en de Griekse platonist
en gentleman-literator, Ploutarchos van Chaironeia (ca 45-125 nK), met
een aantal polemische teksten in de verzameling van zijn zogenaamde "Moralia";
een extra vermelding, hier, verdient de late skepticus en arts, Sextus
Empiricus (einde 2de eeuw v.o.t.): zie het hoofdstukje,
"Bronnen", kap. 4. Het
feit dat latere stoïcijnen, uit een vorm van "devotie", eigen
opvattingen plachten toe te schrijven aan de stichter (onder de vorm
"Zenoon zei dat...") maakt het extra moeilijk om op basis van
de bewaarde informatie een precies beeld te reconstrueren van de
theoretische discussies in de eerste periode: zoals dat ook voor de
andere scholen gold (met inbegrip van het epicureïsme),
bestond er precies onder de eerste generatie van de Stoa nog een grote
openheid en onafhankelijkheid van geest en werd Zenoon ook intern
geconfronteerd met kritiek en controverse (bv. vanwege Aristoon
van Chios, die op tal van punten bleef vasthouden aan het
cynisch radicalisme en in zijn tijd een grote faam genoot). Heel
algemeen mag gesteld worden dat de stoïcijnse leer zoals zij
in latere bronnen aan bod komt, veelal teruggaat op de uitwerking en
systematisering ervan door Chrusippos (hij zou meer dan 700 "boeken" -
d.w.z. papyrusrollen - hebben geschreven en "zonder
Chrusippos zou de Stoa niet bestaan", zo werd gezegd, D.L.
VII.183).
Het onvermijdelijk gevolg van de ongunstige
bronnensituatie is dat onze kennis over de constructie en elaboratie
van het stoïcisme erg betrekkelijk en voorwaardelijk is (wat
we dikwijls nog het meest van al missen zijn de argumentaties
die gevoerd werden ter ondersteuning van stellingen en doctrines). Niet
verwonderlijk daarom worden in de moderne publicaties op tal van punten
vaak uiteenlopende interpretaties verdedigd. In het kader van deze
inleidende bespreking zullen we slechts zelden op dergelijke
controverses kunnen ingaan. Gelet ook op de historische periodisering,
tenslotte, die we in deze syllabus moeten aanhouden, zullen we ons in
dit hoofdstuk concentreren op de zgn. "Oude Stoa", en dan nog
voornamelijk op Zenoon en Chrusippos.
3.1.3. Eén
van de interessante discussies in de hedendaagse studie van de Stoa
betreft de vraag of we haar algemene (meta)fysica - haar filosofische
wereldbeeld - nog het best kunnen benaderen en begrijpen vanuit een
'platonisch' dan wel vanuit een 'aristotelisch' vertrekpunt. De vraag betreft
vanzelfsprekend bovenal Zenoon, wanneer hij rond 300 startte met zijn
eigen onderricht. Behalve wellicht in zijn eigen woonst, deed hij dat
vooral op de Atheense agorà, in een
publieke ontmoetingsruimte: de zogenaamde "Beschilderde Stoa"
(stoá poikílè) - vandaar de
latere naam voor zijn school. Voor de lokatie ervan, zie nogmaals het
schematisch plannetje van Athene op
deze site.
[Een "stoa", in de Griekse steden, was een
publieke, overdekte galerij, aan één zijde open
en met zuilen afgeboord, die vaak gebruikt werd voor het opstellen van
allerlei stalletjes; zie de
foto van een volledig gerestaureerde, jongere stoa op de
Atheense agorà, namelijk "de
Stoa van Attalos"].
Na zijn komst naar Athene, rond zijn 20ste
levensjaar, in 312/311 (PS er is weliswaar ook een alternatieve
chronologie van zijn leven overgeleverd, maar zij heeft vandaag weinig
verdedigers), had Zenoon eerst een 10-tal jaar filosofie gestudeerd bij
meesters van verschillende scholen. Het feit dat Aristoteles' opvolger,
Theophrastos, niet uitdrukkelijk vermeld wordt in het lijstje van de
overlevering, hoewel hij Zenoons oudere tijdgenoot was (wél
de toenmalige scholarch van de Akademie, Polemoon: zie de anekdote,
hoger), is niet echt doorslaggevend in deze discussie. Precies uit die
anekdote in verband met Polemoon blijkt dat Zenoon nogal pragmatisch en
vrijelijk te werk ging in het volgen van het toenmalig beschikbare,
filosofische onderwijs. Wel ontbreken er in de bewaarde informatie
omtrent Zenoons doctrines echt expliciete sporen van vertrouwdheid met
(of kritiek op) typisch aristotelische doctrines (bv. het begrippenpaar
aanleg-act wordt niet gebruikt), maar er zijn toch voldoende
aanwijzingen dat Zenoon vertrouwd was met Aristoteles' filosofie.
Het bekendste voorbeeld, wellicht, van een
"aristotelische" interpretatie, is het bekende boek(je) van Johnny Christensen,
"An Essay on the Unity of Stoic Philosophy" (Kopenhagen
1962). Héél summier samengevat, luidt zijn thesis
dat de stoïcijnen, vanuit een doorgedreven monisme, de gehele,
kosmische werkelijkheid vereenzelvigd hebben als
één "ousía", of "wezenheid"
- in de zin van Aristoteles' gebruik van die notie met betrekking tot
de concrete wezens in de natuur, met hun "hylemorfische" combinatie van
wezensvorm en stof (zie het Aristoteleshoofdstuk, kap. 6). Voor de
stoïcijnen bijgevolg bestond de natuur niét, zoals
wél voor Aristoteles, uit een verzameling van zulke
zelfstandige wezens, elk gevat in een autotelisch proces van
zelfverwerkelijking, en vandaar in het bezit van zowel wezensspecifieke
als accidentele hoedanigheden (de zgn. "categorieën):
de Natuur of kosmos zélf was de énige,
universele, dergelijke ousía. Alleen de
Natuur, anders gezegd, bezat een substantiële eenheid
(gebaseerd, in haar ontwikkeling doorheen de tijd, op een universele
structuur: de Lógos) en zij was dus het
enige échte "subject", namelijk van alle
hoedanigheden en veranderingsprocessen. In linguïstische
termen vertaald, aldus Christensen, zou je daarom kunnen zeggen dat de
primitieve "ideaaltaal" van de stoïcijnse filosofie zou
bestaan uit
"één enkele, zeer
gecompliceerde zin, waarvan het onderwerp de eigennaam zou zijn van de
wereld, of misschien eerder een aanwijzende term verwijzend naar de
wereld, en het predicaat ervan referenties zou bevatten naar de
totaalstructuur van de wereld in de ruimte en de tijd. Van deze
éne zin van de primitieve taal (Lo)
zouden alle deeltalen (Li) kunnen afgeleid
worden" (Christensen, 1962:13).
Het onderscheid dat wij, mensen, binnen
die éne substantie maken tussen afzonderlijke entiteiten of
wezens is niét, ontologisch, gebaseerd op aristotelische
"wezensvormen" maar heeft in de eerste plaats te maken met de wijze
waarop onze menselijke, rationele geest in contact komt met de externe
wereld (namelijk via particularia); op zich vormen zij geen
echte "gehelen" (het gaat om lokale "spanningsvelden",
zie ook verder). Een bevestiging daarvan kan
gevonden worden in de vaststelling dat de stoïcijnse logica
een typische propositielogica is, en dat het objectieve basisgegeven
(het denotatum) in hun betekenis- en hun kenleer niet, zoals bij
Aristoteles, gevormd wordt door entiteiten, maar door "gebeurtenissen"
(ta tunchánonta, "wat zich voordoet", Engels: "events").
Christensens hoofdopzet om, op basis van het
fragmentarisch materiaal, de quasi perfecte, logische samenhang te
reconstrueren van het stoïcijnse systeem, werd in de meer
hedendaagse literatuur op veel skepsis onthaald (door
één van de auteurs wordt bv. gesteld dat
Christensens stoïcijns "systeem" door niet
één individuele stoïcijn actueel gedacht
is geworden). Wat de filosofische bronnen betreft voor Zenoons denken,
behalve de kapitale inbreng van de sokratische scholen (in de
allereerste plaats het cynisme, op het vlak van de praktische ethiek,
en ook de zgn. megarische school, voor hun logica en dialectiek maar
ook wat hun visie betreft op de eenheid van het goede én de
eenheid van het bestaande), wordt veelal de rol beklemtoond van de
Akademie (in Zenoons vormingsjaren was zij nog dogmatisch gericht; met
Polemoon werd wel een draai gemaakt naar de ethiek). Vooral Platoons Timaeus
zou van fundamentele betekenis zijn geweest voor de stoïcijnse
fysica (weliswaar "bijgestuurd" met behulp van de heraklitische
vuurleer). Wat echter de platoonse metafysica
betreft, is er sprake van een volledige breuk vanwege Zenoon met
Polemoon en diens school (zie David Sedley, 2003:9-13). Over het belang
van het aristotelisme blijft onenigheid bestaan.
3.2. Fysica.
3.2.1."The
Stoic philosopher is a man caught by the quest for unity"
(of: "de stoïcijnse filosoof is een man die gegrepen
is door de zoektocht naar eenheid"), aldus Christensen
(1962:11). Ook al ging Christensen wat te ver in zijn reconstructie,
het is onmiskenbaar dat in alle onderdelen van de stoïcijnse
filosofie de formele kwaliteiten van samenhang en coherentie als
belangrijke, zo al niet als de belangrijkste, waarden beklemtoond
worden.
Op het meest algemene vlak, reeds, blijkt het uit
hun visie op filosofie als zodanig: de stoïcijnen waren
vermoedelijk de eersten om (hun) filosofie uitdrukkelijk als een
systeem te beschouwen en presenteren, d.w.z. als een
samenhangend "sústèma
van technische wetenschappen (epistêmai
technikaí), dat over een intrinsieke stabiliteit beschikt"
(SVF, III.112). Binnen dat systematische geheel hanteerden ze een
driedeling van de filosofie, namelijk: logica, fysica en ethiek. Elk
daarvan kon, bij de behandeling, dan nog eens onderverdeeld worden in
in een aantal rubrieken, zowel vanuit een generisch als vanuit een
specifiek perspectief. Vanuit dezelfde bekommernis en in onderscheid
met de aristotelici, beschouwden de stoïci de logica, die dan
toch de (voorwaarden van de) rationele coherentie bestudeert op het
vlak van de lógos of het discours, niet
louter als een "instrument" (órganon)
voor de eigenlijke filosofie, maar als een volwaardig onderdeel ervan.
Ten einde die functionele en quasi organische samenhang tussen de drie
hoofddelen aanschouwelijk te maken, werden allerlei gelijkenissen
gebruikt: zoals tussen filosofie en een levend wezen (cf. beenderen en
pezen=logica; vlees=fysica; psyche=ethiek), tussen filosofie en een
akker (cf. afsluiting=logica; grond, planten, bomen=fysica;
vruchten=ethiek), tussen filosofie en een ei (schaal=logica;
eiwit=fysica; dooier=logica)... Waarover we in de overlevering
géén eenstemmigheid vinden, is de volgorde
tussen de drie delen, die best gevolgd wordt in studie en onderwijs:
bv. zou Chrusippos, in tegenstelling tot andere stoïcijnen, de
ethiek vóór de fysica hebben geplaatst - wat in
de gelijkenis van het ei bv. betekende dat de fysica, en niet de
ethiek, de rol kreeg van de "dooier"; inzake de "agroculturele"
gelijkenis, echter, was er eenstemmigheid dat de "vruchten" verwezen
naar de ethiek.
De filosofische relevantie van de
volgorde-discussie, in het kader van de hedendaagse
stoïcismestudie, heeft vooral betrekking op de (hoe dan ook
nauwe) relatie tussen ethiek en fysica: d.w.z. de vraag of en in welke
mate de stoïcijnse ethiek (zoals we dat in zékere
mate bij Aristoteles hebben geargumenteerd) als een soort van
"afgeleide" mag of moet beschouwd worden van de natuurfilosofie. Anders
gezegd: vindt de stoïcijnse ethische theorie inderdaad haar fundering
in de fysica en metafysica, als studie van de kosmische natuur?
Eén van de hedendaagse autoriteiten, Julia Annas (1993:160),
schrijft dat dergelijke visie "dikwijls de basis vormt van
populaire of vulgariserende vormen van stoïcisme, hoewel zij
ook verdedigd is als de correcte visie van de reflexieve
stoïcijnse theorie". Zijzelf, daarentegen, wijst
erop dat het kosmische perspectief vooral beklemtoond wordt bij de
latere auteurs (Marcus Aurelius en Epiktetos), die zelf, ironisch
genoeg, zo goed als niets te vertellen hebben op het vlak van de fysica
[PS van de oudere auteurs, weliswaar, zijn geen integrale teksten
overgeleverd]. De visie die zij verdedigt, daarom, is dat voor de
vroege Stoa de kosmische natuur niét de rol speelde van een
principe voor de ethische stellingen; de "natuur"
waar het de ethiek om te doen was, haars inziens, was in de eerste
plaats de menselijke natuur. Het is pas in tweede
orde, aldus nog Annas, namelijk bij de studie van de fysica (en
theologie), dat die menselijke, rationele natuur uitdrukkelijk in
samenhang wordt gebracht met de kosmische natuur en
de godheid - dus ter ondersteuning en justificatie
van de ethische stellingen, niét ter fundering ervan (Annas,
1993:164).
In het kader van dit historisch overzicht mag het
belang van die discussie misschien wat gerelativeerd worden. Van bij de
aanvang van deze syllabus over de Griekse filosofie (zie "Een
Aanloop", kap. 2.2), hebben wij het verband beklemtoond
tussen zijns- en natuurleer, enerzijds, en ethiek, anderzijds. We
hebben toen gesuggereerd dat de studie van de (kosmische) natuur
gemotiveerd werd vanuit een ethische bekommernis, namelijk het belang
van kennis van de zijnsorde voor het "goed-leven" of
de menselijke eudaimonie. De mate waarin de betrokken filosofen hun
ethische principes expliciet "fundeerden" in hun
zijns- of natuurleer, is wellicht eerder van een retorische of
ideologische orde, en dus van secundaire betekenis. Wat meer in het
bijzonder de hellenistische scholen betreft, verwijzen we naar onze
inleidende beschouwingen bij het huidige hoofdstuk (zie kap. 1.2.1) over
de "instrumentalisering" (hoewel dat misschien wat te sterk
geformuleerd is) van de natuurstudie ten gerieve van de ethiek. In wat
volgt, daarom, zal de stoïcijnse filosofie, weliswaar
selectief en erg onvolledig, vanuit haar systematische aanspraken
worden gepresenteerd, en dus in de volgorde: (meta)fysica - ethiek,
zonder dat daarmee wil geïmpliceerd worden dat de ethiek, wat
de oorspronkelijke constructie betreft, per se een filosofische
afgeleide was van de fysica.
3.2.2. In de inleiding van dit
hoofdstuk werd ook gewezen op de reële gelijklopendheid tussen
epicureïsme en stoïcisme wat hun algemeen objectief
betreft: een "naturalistische" aanpak van de ethische vraagstelling en
de vereenzelviging van de gezochte eudaimonie met een vorm van
zielerust of geestelijke onverstoordheid, respectievelijk ataraxía
en apátheia. Wat echter de concrete
filosofische "strategie" betreft die ontwikkeld werd om dat objectief
te realiseren, stonden beide scholen als het ware lijnrecht tegenover
elkaar. In de literatuur wordt met enige geloofwaardigheid gesuggereerd
dat Zenoon, die een 5-tal jaar nà Epikouros met zijn
onderricht begon, bewust een alternatief heeft willen bieden voor de
filosofie die in de Tuin werd onderwezen.
Om het in eerste instantie misschien wat simpel te
formuleren: terwijl Epikouros duidelijk in de eerste plaats de
betrachting had de mensen te bevrijden van hun angsten, was het Zenoon
er klaarblijkelijk vooral om te doen de mensen (gerust te stellen door
hen) te overtuigen van de perfecte zinvolheid
van hun bestaan. Epikouros, om zijn objectief te bereiken, had gekozen voor een fysisch
wereldbeeld waarin geen plaats was voor enigerlei (per definitie
bedreigende) intentionaliteit vanwege hogere machten: het atomisme,
als een materialisme dat gebaseerd was op een absolute
discontinuïteit en puur mechanische causaliteit, leverde
daartoe het meest geschikte theoretische kader. "De goden zijn niet te
vrezen, en de dood is onverdacht".
Ook Zenoon koos, goed anti-platonisch, voor een
vorm van "materialisme", maar dan wel gekoppeld aan een consequent
monistische positie. Anders gezegd, alleen van "lichamen"
(soomata) - gedefinieerd door driedimensionale uitgebreidheid
en een mate van soliditeit of weerstand (antitupía)
- kon gezegd worden dat ze "zijn",
in de ontologische zin van dat woord, en tegelijkertijd vormde de
werkelijkheid één, perfect samenhangend, zinvol
georganiseerd en interactief "geheel" (holon).
Hoewel we geen tekst hebben waarin de stoïcijnse visie ook
geargumenteerd wordt vanuit de eerste principes, mogen we ervan uitgaan
dat die twee punten voor Zenoon nauw samengingen: strikte samenhang, en
dus: volledige interactiviteit (sumpátheia),
vereiste dat al het bestaande, al wat "is",
het vermogen had iets te "doen" (of veroorzaken)
en/of iets te "ondergaan"; en hij was ervan
overtuigd - allicht in overeenstemming met de niet-filosofische
intuïtie - dat elke causaliteit van oorzaak en effect een
fysisch contact vereiste, dus tussen "lichamen" (in
oppositie met Platoon, die hem wellicht toch geïnspireerd had,
in de Sofist, 247D-E). Het "actieve" (to
poioûn) en het "passieve" (to
páschon) zijn vandaar de twee basisprincipes (archaí) in
de stoîcijnse (meta)fysica(14): het eerste werd vereenzelvigd met
de scheppende, d.w.z. formatieve en structurerende Lógos
of God (ook Zeus; ook: Natuur, Fatum), het tweede
met vormloze "stof" (húlè,
cf. Aristoteles). Als de twee fundamentele aspecten, nochtans, van de
éne en enige, kosmische substantie (ousía)
vormden zij een onverbrekelijke eenheid (vergelijk enigszins
met het zgn. hylemorfisme van Aristoteles). Het was slechts door
mentale abstractie dat materie of stof as such als
iets apart kon gedacht worden. God kon daarom ook met de fysische kosmos als zodanig
geïdentificeerd worden.
Anders gezegd: de twee principes vielen volledig met elkaar samen, tot in de kleinste details, en dat
betekent dat het stoïcijnse begrip van lichamelijkheid, materialiteit of stoffelijkheid niet mag (mis)verstaan worden in de zin
van het materialisme van de 17de- en 18de-eeuwse natuurfilosofie, met
een wereld die mechanisch is opgebouwd uit een totaal inerte materie.
Voor de stoïcijnen, zoals voor de meeste van hun voorgangers
(cf. het hylezoïsme en cf. Platoons Timaeus),
vormde de stoffelijke kosmos een levend en denkend organisme (zôion).
Net zoals de mens, meer in het bijzonder, had hij een ziel en beschikte
hij over een hègemonikón, of
verstand (dat kon eventueel in de zon gelokaliseerd worden). In de
fysische gedaante van "scheppend vuur" of
"aithèr" (als de hemelse of meest "etherische"
vorm van vuur), of, vooral vanaf Chrusippos, als "pneûma"
("warme adem"), waren ziel en geest (nogmaals net zoals bij
de mens) tot in de kleinste onderdelen en ontwikkelingsfasen van de
kosmos actief en richtinggevend. Dergelijke visie staat dicht bij die
van de late Platoon (bv. in de Timaeus en De
Wetten), maar met dàt wezenlijke verschil, dat
voor Platoon wereldziel en -geest zuiver geestelijke substanties waren,
voor Zenoon, daarentegen, lichamelijke. In de moderne literatuur,
daarom, wordt ten einde de stoïcijnse metafysica algemeen te
karakteriseren soms de voorkeur gegeven aan de term "vitalisme",
veeleer dan "materialisme".
De visie op de wereld als een volledig cohesieve
of samenhangende eenheid is vanzelfsprekend volkomen strijdig met een
atomistische (of: corpusculaire) visie: elk atoom vormt een
zelfstandige eenheid op zich; van eigenlijke cohesie kan per definitie
geen sprake zijn. Ipso facto moest ook de aanwezigheid ontkend worden, binnen
die wereld, van "het lege" (to
kenón): dat zou immers afbreuk doen aan de
naadloze continuïteit van het kosmische lichaam (zoals gezien
bij Demokritos, zie hoger,
is het lege net een conditio sine qua non voor fysische
discontinuïteit). De kosmos is dus een plenum,
hij is vol. Wel moet opgemerkt worden dat, terwijl
de werkelijkheid één enkele, begrensde, sferische
(geocentrische) kosmos vormde (cf. Aristoteles; contrasteer nogmaals
met het atomisme dat het bestaan aanvaardde van een oneindig aantal
werelden), de stoïci wél de aanwezigheid
aanvaardden (en verdedigden, tegen het aristotelische standpunt in) van
leegte buiten en rondom die ene, lichamelijke
kosmos. Precies áls een levend wezen, immers, kende de
wereld zowel fasen van contractie als fasen van expansie. En opdat zo
iets mogelijk zou zijn, moest er rondom de kosmos vrije of onbezette
ruimte zijn; ook voor de stoïcijnen was die lege ruimte
onbegrensd of oneindig.
Het lege is, per definitie, onlichamelijk: mag er
dan van gezegd worden dat het "bestaat"? Merken we
vooreerst op dat de stoïcijnen, boven het algemene begrip "to
pân", letterlijk: "het al" of
het universum, dat gebruikt werd voor de gehele werkelijkheid (al dan
niet met inbegrip van de lege ruimte), nog een bredere logische
categorie hanteerden, namelijk die van het "iets"
(Grieks: tó ti). Tot het "iets"
behoorden: al wat (lichamelijk) "is",
maar tevens allerlei onlichamelijke entiteiten (ta
asoomata). Als zodanig golden: niet enkel het kenón
(dat al bij al een fysisch fenomeen is), maar ook
ruimte (of plaats) en tijd (als op zich abstracte noties), evenals in
het algemeen ta lektá, letterlijk: alle
"zegbaarheden", d.w.z. betekenissen
(die weliswaar een fysische gedaante krijgen, wanneer ze door iemand
gedacht of gezegd worden). Ten einde de specifieke "zijnsstatus" aan te
duiden van die onlichamelijke fenomenen, gebruikten de
stoïcijnen (voor wie correct taalgebruik heel belangrijk was)
niet het beladen werkwoordje "zijn" (eînai),
of ta ónta, maar een werkwoord dat in de
moderne talen, in deze context, algemeen als "subsisteren"
wordt vertaald,namelijk huphestánai: de
asoomata "zijn" niet, maar ze "subsisteren";
ze waren, anders gezegd, de "subsistentia"
(Grieks: ta huphestoota), of ze hadden "subsistentie"
(hupóstasis - we zullen die term opnieuw
ontmoeten, in een idealistische context, bij Plotinos). PS De
platoons-aristotelische "vormen" (eídè),
of, zoals men ze traditioneel zou noemen: de "universaliën"
(Mens, Paard, enz.) werden door de stoïcijnen niét
gerekend tot dit brede genus van het "iets"; zij
behoorden in tegendeel tot de klasse van het "niets" (de
oútina), vermoedelijk omdat ze geen particularia
waren.
3.2.3. "Eén",
"gehéél", "continu" of "samenhangend"
(sunechés), "vol"...: in de
parmenideïsche traditie volgde uit deze en soortgelijke
hoedanigheden logisch noodzakelijk dat de werkelijkheid in kwestie
intern compleet onbeweeglijk en onveranderlijk was (zie "Het
Archaïsche Natuurdenken", kap. 3.2). Gold dat
ook voor de stoïcijnen? Neen, wel integendeel: de kosmos,
zoals gezegd, was een levend wezen en was als zodanig onderhevig, in al
zijn onderdelen, aan voortdurende, causaal samenhangende en structureel
gerichte veranderingen en ontwikkelingen: hij was dus niet enkel
ruimtelijk-lichamelijk continu, maar ook in de tijd. Concreet betekende
dit: ooit geboren, zou deze wereld, finaal, opgaan in een kosmisch
formatief hoogtepunt (cf. het "scheppende vuur" als
formatieve kracht): de "wereldbrand"
(ekpúrosis)(15).
Uit de dan toch nog resterende, seminale ratio of rationele kiemkracht
(d.w.z. God als spermatikós lógos)
zou vervolgens, geleidelijk aan (eerst de vier elementen, enz.), weer
een nieuwe (gelijkaardige) kosmos geboren worden en zich ontwikkelen,
enz., enz. Tegelijkertijd werd elke vorm van verandering (kínèsis)
door de stoïcijnen herleid werd tot verandering van plaats. En
tenslotte golden, in het kader van de universele interactie, niet
alleen de bekende, actieve principes of oorzaken zoals ziel en geest
als stoffelijk, maar ook alle andere fenomenen die manifest een invloed
hadden op lichamen, zoals bv. alle kwaliteiten: niet enkel fysieke of
empirisch waarneembare kwaliteiten (zoals kleur, temperatuur, smaak,
enz.), maar ook, bij mensen, (negatieve of positieve) morele
kwaliteiten van de ziel, zoals rechtvaardigheid,
lafheid, enz., die het impuls (hormé)
leverden voor onze handelingen. Welnu, hoé was dat alles
mogelijk, binnen een louter lichamelijke, "volle"
en geünifieerde wereld (contrasteer met Aristoteles, voor wie
de natuur uit ontelbaar véle, aparte wezens bestond, gevat
in zelfstandige processen van actualisering van allerlei potenties, en
waarbij de wezensvormen weliswaar immanente maar op zich onlichamelijke
principes of "oorzaken" waren)?
De stoïcijnse oplossing voor dit probleem
(vermoedelijk uitgewerkt door Chrusippos) was even eenvoudig als
paradoxaal: namelijk hun doctrine van het totale "mengsel"
(krâsis). Twee (of meer)
stoffen of lichamen, volgens deze doctrine, konden zich dusdanig met
elkaar "vermengen" dat ze elkaar volledig
interpenetreerden en volledig co-extensief werden, terwijl de
ingrediënten toch hun eigen, onderscheidene hoedanigheden
behielden (zodat ze, althans in theorie, weer van elkaar konden
gescheiden worden).(16) Op die
manier konden twee (of meer) lichamen, gelijktijdig en volledig,
identiek dezelfde ruimte of plaats innemen en toch
zichzelf blijven (een voorbeeld dat in dit verband vaak werd
aangehaald, was dat van een rood-gloeiend ijzer: de ijzeren staaf en de
vurige hitte - twee lichamen: het ene "passief" (cf. ijzer als een vorm
van "aarde") en het andere "actief" (de hitte als "vuur") - doordringen
elkaar volledig, maar ieder behoudt toch zijn eigen natuur, zoals
evident wordt zodra het ijzer is afgekoeld). In het atomisme was iets
dergelijks vanzelfsprekend volledig uitgesloten; voor de aristotelici
was het in strijd met de wet van de niet-tegenstrijdigheid.
De voornaamste toepassing van het krâsis-principe
gold het pneûma, als drager van de
goddelijke Lógos of rede, doorheen de
gehele wereld. Het doordrong alles, vormde alles én hield
alles (minder of meer tijdelijk) samen. Als een
verbinding, inderdaad, van vuur - "warm", en dus expansief - en lucht -
"koud" en dus inkrimpend -, realiseerde het pneûma
een "spanning" (tónos), of
spanningsveld, zowel op het vlak van de kosmos (cf. de suntonía,
die hemelse en aardse fenomenen samenbond) als op dat van particuliere
fenomenen. Wat deze laatste betreft, verschillende gradaties van
pneûmatische tónos lagen ten
grondslag aan de verschillende niveaus van de zogenaamde "scala
naturae", of "trap van de natuur",
zodanig dat ieder hoger niveau het vorige vooronderstelde
(vgl. met Aristoteles' verschillende categorieën van psuchè).
Om de "trap" vanaf "beneden" te beklimmen:
-
levenloze dingen, zoals
bijvoorbeeld een steen of een rots: ook zij beschikken over een soort
van eenheidsprincipe (cf. de gehéle werkelijkheid wordt
doordrongen door de Logos of God), onder de vorm van de zwakste graad
van pneûma, het zogenaamde "samenhoudende
pneûma"; de technische term voor dat principe is "hexis"
(habitus);
-
planten beschikken over een
vegetatieve levenskracht, die hen samenhang, levensduur en allerlei
kenmerken geeft; hier gaat het om pneûma
in de gedaante van "phúsis" (natuur) -
die term wordt hier dus in een bijzondere, technische betekenis
gebruikt (cf. de etymologische verwantschap tussen het woordje "phúsis",
dat oorspronkelijk zoiets als "groeisel"
betekende, en het Griekse woord voor "plant":
"phutón");
-
bij dieren, vervolgens, met
hun animaal bewegings- en voorstellingsvermogen, neemt het
pneûma de vorm aan van psuchè,
of "ziel" (maar in een restrictieve zin van dat
woord, dus als levenskracht: dieren kunnen niet denken);
-
de mensen, tenslotte: zij beschikken over een
rationele ziel (psuchè) of geest (noûs),
d.w.z. het pneûma neemt de gedaante aan
van het hègemonikón, "leidinggevende
deel", of verstand (als pneûma staat
het in directe verbinding met de vijf zintuigen, de spraakorganen en de
voortplantingsorganen: de menselijk ziel bestaat dus in zekere zin uit
acht "delen").
De rol van het pneûma
bij natuurlijke fenomenen reikt nog verder: ook elke hoedanigheid of
kwaliteit (poiótès) van een
particulier gegeven (dat zijn betrekkelijke organische eenheid dus te
danken heeft aan een specifiek spanningsveld) is, zoals gezegd,
lichamelijk en dat betekent dat ze deel uitmaakt van dat pneûma:
d.w.z. de betreffende kwaliteit ís
het pneûma, dat zich dan in een bepaalde
(fysische) staat of dispositie bevindt. Dat geldt met name ook voor de
al vermelde "morele" kwaliteiten van mensen, d.w.z. hun deugden en
ondeugden: zij zijn (lichamelijk en dus) disposities zijn van hun
psychisch pneûma. Nog interessant om te
vermelden, wat mensen betreft, is dat de stoïcijnen een
onderscheid maakten tussen (a) "gemeenzame" kwalitatieve
gesteldheden, die in de taal worden uitgedrukt bij middel van algemene
termen of adjectieven: bv. "mens", "Griek", "wijs", "zwart",
enz., en die verschillende mensen dus met elkaar delen, en (b) de
strikt "individuele gesteldheid" (idíoos
poiós), die ieder van ons, voor de duur van zijn
of haar leven, op een unieke wijze kenmerkt en die
typisch wordt uitgedrukt bij middel van je eigennaam, bv. "Dioon".
Waaruit die unieke hoedanigheid of
individualiteit precies bestond, voor de stoïcijnen (een uniek
mengsel van gemeenschappelijke kwaliteiten?), is onduidelijk. Wel
moeten we vaststellen dat deze uniciteit van ieder mens ook van
wezenlijk belang was voor de kennisleer (zie verder).
Wat nog de kosmologische rol betreft van het pneûma,
kan summier gezegd worden dat de pneûmatikós
tónos ervoor zorgt dat de kosmos metterdaad
een enkelvoudige, samenhangende eenheid vormt, of dat het pneûma
de kosmos in een eenheid samenbindt. Weliswaar is
het verre van duidelijk, misschien wegens het al te fragmentarische en
diverse bronnenmateriaal (of ook wegens interne, theoretische
divergenties daaromtrent tussen de stoïcijnen zelf), hoe het
pneûma (dat dan toch een verbinding was van elementen,
namelijk "vuur" en "lucht") zich precies verhield tot het hoger
genoemde, actieve principe (het "scheppende
vuur", God of de Logos). Volgens Hunt (1976:49), werd het pneûma
door Chrusippos geïntroduceerd als "the agent"
van de Logos.
3.2.4. Teleologie, Theologie en Determinisme
Hoger suggereerden we (in navolging van
Christensen) dat Zenoon (resp. de Stoa) voornamelijk gedreven werd door
de betrachting de zinvolheid van het bestaan aan te tonen. De typische
wijze om dat aan te pakken bestond erin de organische samenhang en
eenheid van de gehele werkelijkheid te argumenteren. Vanuit dergelijk
ideologisch oogpunt, vanzelfsprekend, volstond het niet dat alles wat
zich voordeed aan gebeurtenissen het resultaat was van een causale
keten: een universele causaliteit gold ook binnen het atomisme.
Wàt nodig was, was dat alles wat zich voordeed in de wereld,
tevens, zoals in het eigen menselijke gedrag, gebeurde vanuit een
rationeel opzet en met een (goede) bedoeling. Vandaar dat de
wereld niet louter als een "zôion", "levend
wezen" of "dier", werd geconcipieerd: zij
beschikte ook over (een superieure) rede of verstand - d.w.z. had zelf
menselijke eigenschappen (cf. in de latere traditie kon de wereld als
"Grote Mens" worden beschouwd, naar analogie met de visie op de mens
als "kleine wereld" of mikrokosmos). Pas
dàn kon een mens echt het gevoel hebben "een zinvol
deel van het Universum te zijn" (Christensen, 1962:11).
Het stoïcijnse wereldbeeld, met andere
woorden, was noodzakelijk teleologisch van aard, in radicale
tegenstelling met het epicureïsche (zie hoger, kap. 2.2.2). De
Stoa deelde die visie vanzelfsprekend met Platoon en Aristoteles, maar
toch zijn er belangrijke nuances. In Platoons Timaeus
wordt de (levende) kosmos beschreven als het "handwerk" van een hogere,
zeg maar: transcendente, Demiurg of Ambachtsman, die de eeuwige Vormen
tracht op te leggen aan een weerspannige, materiële "ruimte"
(choora - nadien vereenzelvigd met Aristoteles' húlè).
Bij Aristoteles, anderzijds, is er een immanente
doelgerichtheid werkzaam in de natuur (cf. de vooraf, "in
aanleg", gegeven wezensvormen die verwerkelijkt worden in de
kínèsis); in
sommige van zijn teksten (zoals Politica A) wordt
ze verpersoonlijkt als Phúsis, of Natuur
(bv. "De natuur wil wel altijd [het beste], maar kan het niet
altijd", 1255b3). Tegelijkertijd echter functioneert er een
Onbewogen Beweger als ultieme "doeloorzaak" voor de gehele
werkelijkheid, en dat goddelijke principe is louter act en zuivere "vorm",
en dus onstoffelijk. Welnu, ook voor de stoïcijnen was "God"
(hij kreeg ook de naam van Zeus, de oppergod in de traditionele
mythologie: cf. de bewaarde Hymne aan Zeus, van
Kleanthes) de (eeuwige) schepper of demiurg van de wereld en was het
zijn bedoeling haar zo perfect mogelijk te maken. Hun God, echter,
zoals we gezien hebben, was compleet immanent: d.w.z. zowel in zijn
activiteit als wat het "plan" of de
"formule" betreft (allebei betekenissen van
"lógos"), volgens dewelke hij altijd tewerk ging
(vandaar, zoals gezegd, dat God ook identiek was aan de kosmos). Als
actief principe kon hij trouwens fysisch vereenzelvigd worden met
"scheppend vuur" (pûr technikón, te
onderscheiden van het gewone vuur, dat laatste als één van de
vier elementen).
De stoïcijnse studie van de kosmische
natuur had, in contrast met de aristotelische phusikè,
niet zozeer als doel tot een betere, wetenschappelijke kennis te komen
van planten en dieren, hun structuur, levenswijze, enz., dan wel het
ethische of ideologische opzet, beter de rationaliteit en kundigheid
(het "intelligent design") in het licht te stellen
van de godheid of de godheden die macht hadden over het kosmische
gebeuren (de eerste stoïcijn om aan eigenlijke natuurstudie te
doen, naar het voorbeeld van Aristoteles, zou pas Poseidonios zijn, in
de 1e eeuw voor onze tijdrekening). Teleologie staat hier dus heel
dicht bij theologie. Op elk ogenblik van haar levens- of
ontwikkelingsproces, volgens deze visie, is de wereld het product van
rationele, goddelijke leiding en planning. Naar de toekomst toe, kon
deze zinvolheid dan begrepen worden als de goddelijke Voorzienigheid of
Providentie (Grieks: prónoia, Lat.: providentia),
die altijd voor alles en iedereen het beste wou. Weliswaar roept die
notie het beeld op van een God die, in een superieure positie,
presideert óver de loop van de wereld,
wat niet klopt. Voorzienigheid en rationaliteit vielen samen in de
immanente Lógos, en van goddelijke
voorzienigheid spreken was dus slechts een andere manier om de loop van
de natuur zelf te beschrijven.
De overtuiging dat het goddelijke principe of de
Logos per definitie altijd het béste wou en dus het beste
kóós, had een opvallende consequentie, die reeds
door Zenoon getrokken werd: namelijk dat de elkaar opvolgende werelden
volkomen gelijk moesten zijn aan elkaar, tot in de
kleinste details van wat er zich voordeed, en tot en met het lot van
menselijke individuen: zo zou er bv. telkens opnieuw een Sokrates
optreden, die zich op dezélfde wijze zou gedragen en
wéérom door Anutos, Lukoon en Meletos zou worden
aangeklaagd en vervolgens ter dood worden gebracht (zie SVF
1, frr. 108-109; zie ook
verder, Augustinus die deze cyclische tijdsconceptie aan de
kaak stelt in zijn De civitate Dei). Immers, mocht
dat bv. niét het geval zijn in een volgende kosmische fase
van de eeuwige cyclus, zou dat betekenen dat de Logos in de huidige
wereld een verkeerde keuze had gemaakt, en dat kon dus niet. De
stoïcijnse visie over God die, als Voorzienigheid, de kosmos
volledig doordrong en dus werkzaam was via de (onverbrekelijke) keten
van de fysische causaliteit, voerde daarom noodzakelijk naar de even
stoïcijnse notie van het Fatum, of, in het Grieks, de Heimarménè:
alles gebeurde en zou nog gebeuren met een onontkoombare gerichtheid en
dus voorbeschiktheid, en dat was juist de wijze waarop de
samenhang-en-interactie (sumpátheia), en
dus de perfecte rationaliteit van de kosmos gegarandeerd bleef: "de
heimarménè is de lógos
van de kosmos", aldus Chrusippos.
Dit is dus het beruchte stoïcijnse
determinisme, dat begrijpelijkerwijze het voorwerp werd van zware
kritiek van hun tegenstanders. In hun ethiek, immers, benadrukten de
stoïcijnen juist de menselijke vrijheid en
verantwoordelijkheid en dat lijkt manifest in strijd met dergelijk
determinisme. Aan die tegenstrijdigheid poogden ze zelf een soort van
oplossing te geven, onder meer door een subtiel onderscheid te maken in
soorten van "oorzaken", zodanig dat de
"hoofdoorzaak" toch kwam bij te liggen bij de morele ingesteldheid van
de individuele mens (cf. de bekende vergelijking met een cilinder,
gebruikt door Chrusippos: een cilinder behoeft een "zetje", als "inleidende
oorzaak", maar eens in beweging rolt hij verder naar beneden
wegens zijn éigen, ronde vorm, SVF, II.974 & 1000). Probleem blijft natuurlijk
dat ook onze geestesgesteldheid een fysisch gegeven
was en dus onderworpen aan de causale keten. Finaal moesten de
stoïci een erg gereduceerd begrip van "vrijheid" formuleren:
namelijk van de Wijze die zich met kennis van zaken en bewust, dus
"vrijwillig", integreert in het kosmische gebeuren. Zenoon vergeleek de
menselijke situatie daarom met die van een hond die ingespannen was in
een stootkar en kon "kiezen", namelijk ofwel spontaan mee te lopen (en
het zich dus "gemakkelijk" te maken) ofwel tegen te stribbelen en
uiteindelijk tóch, met geweld, meegesleurd worden:
"zo gaat het ook met mensen: zelfs als ze het niet willen, zullen ze
toch gedwongen worden om wat voorbestemd is te volgen" (SVF,
II.975).
Slotcommentaar hierbij zou kunnen zijn dat het
ethisch uitgangpunt van de stoïcijnen, het aantonen van de
zinvolheid van het menselijke bestaan, via hun monisme tot een
paradoxale conclusie leidde, namelijk een wereldvisie die ethiek in
feite... onmogelijk maakte (vergelijk met een gelijklopende kritiek van
Aristoteles, in het tweede boek van zijn Politica,
op het extreme monisme dat Platoon, eveneens vanuit een ethische
bekommernis, aan de dag had gelegd in zijn politieke filosofie, in de Politeia
of Republiek).
3.3. Kennis & Taal
Fysica - als wetenschappelijke kennis van de
natuurlijke werkelijkheid - moge dan al geen op doel zich zijn geweest
voor de stoïci, ze was functioneel wel degelijk heel
belangrijk, zoals we hebben proberen duidelijk maken. Net zoals voor
Epikouros, daarom, was het voor hen evident om een positief antwoord te
geven op de vraag of de mens beschikte over het nodige "criterium
van de waarheid/werkelijkheid" (kritèrion tês
alètheías). Anders gezegd, zij dienden
zo overtuigend mogelijk aan te tonen dat de mens inderdaad bij machte
was, tot epistèmè, of ware
kennis, te komen van de werkelijkheid buiten hem en daaromtrent dus
ware uitspraken te doen. Vandaar, van bij de start, een grote aandacht
voor de kentheoretische grondslagen. Al vrij snel geconfronteerd met de
kritiek van de skeptische Akademie, zouden zij voortdurend pogen hun
begrippen en stellingen te verfijnen.
De stoïcijnse kenleer vertrok van een
beeld van de menselijke geest (fysisch vereenzelvigd, zoals gezegd, met
"vuur" en/of "pneûma")
als zijnde, bij de geboorte, een nog onbeschreven "blad",
d.w.z. "klaar om beschreven te worden". Dat laatste
kon enkel gebeuren vanuit de buitenwereld, en dus via de zintuiglijke
gewaarwordingen. Geen wonder, dus, dat voor het "criterium van
de waarheid" een empiristisch model werd gehanteerd. Anders
gezegd, er werd vertrokken van onze zintuiglijke
"voorstellingen" of impressies,in het Grieks: onze "phantasíai"
(en dus niet van zoiets als immateriële, "aangeboren
ideeën", zoals voor de platonici). Die voorstellingen waren in
de allereerste plaats het (causale) effect van de inwerking van externe
stimuli, via onze zintuiglijke organen, op onze
geest,d.i. op het "leidinggevende (deel)", to
hègemonikón, van onze psyche (dat, als pneûma,
in direct contact stond met de zintuigen). Vanuit de
stoïcijnse basisprincipes sprak het voor zich dat de
impressies zelf lichamelijk of fysisch van aard waren: het ging immers
om veranderingen in de dispositie of staat van ons psychisch pneûma.
Tegelijkertijd, en dat is belangrijk, bevatten ze een weergave van
datgene dat er de externe oorzaak van was.
Niet gelijk welke zintuiglijke
"voorstelling", echter, kwam in aanmerking als "criterium":
het was al te manifest dat mensen vaak misleid werden door hun
impressies en percepties - zodat zij, op basis van een "zwakke
en bedrieglijke instemming", zich dóxai
of "dwaalmeningen" vormden (die aanleiding konden
geven tot páthè, zie
verder). Zenoon had het daarom, als eerste, over de zogenaamde "katalèptikè
phantasía": in contrast met
banale, niet-kataleptische phantasíai
(die zowel waar als onwaar konden zijn) alsook met fictieve "phantásmata",
of "inbeeldingen" (zoals in dromen), vormden de
zogenaamde "kataleptische" zijns inziens een
bijzondere soort, namelijk van extra-duidelijke - "evidente" en
"heldere" - en, daarom, "cognitieve"
impressies; met hun krachtige veraciteit, drongen zij zich a.h.w. aan
de mens op.
Een kataleptische voorstelling, aldus de theorie,
wordt de mens a.h.w. "ingeprent" ("zoals
een zegel in was", aldus Zenoon; deze vergelijking werd
nadien genuanceerd door Chrusippos) vanuit een particulier, reëel
gegeven (het is ondenkbaar dat wij een impressie van
dezélfde aard zouden hebben omtrent iets dat niét
het geval is); tevens "grijpt" en reproduceert zij
getrouw, met een "artistieke" of
"technische" precisie, weliswaar niet echt àlle,
maar toch de belangrijkste, unieke kenmerken van het gegeven of het
feit in kwestie: cf. het adjectief "kataleptisch"
is afgeleid van het Griekse werkwoord voor "(be)grijpen".
Elke dergelijke voorstelling draagt daarom haar uniek,
eigen merkteken met zich (aangezien de werkelijkheid in beweging is,
zijn geen twee voorstellingen exact gelijk). Ons hègemonikón
is zich in dit proces bewust van de ondergane verandering én
van het externe gegeven. De lógos,
echter, waaraan wij als mensen participeren, is een actief (verbindend)
vermogen. De rol, daarom, van het verstand op het vlak van de perceptie
beperkt zich niét tot een louter registreren
van het zintuiglijke gegeven (van een "zuiver empiricisme" is daarom
geen sprake): de voorstelling in kwestie, hoe "dwingend" ook, wordt - om
zo te zeggen automatisch en zonder dat wij het gevoel hebben
dat zoiets tijd vergt - in onze geest onderworpen aan een beoordeling
of "instemming": de zogenaamde sunkatáthesis.
Pas míts wij, met behulp van onze (op
een natuurlijke wijze verworven) rationele disposities of "preconcepties"
(prolèpseis) én door vergelijking met
al eerder verworven ervaringen, de betreffende kataleptische
voorstelling effectief "aanvaard" hebben,
resulteert zij in een eigenlijke "katálèpsis"
(κατάληψις),
i.e. een waarachtig, op zich niet voor twijfel vatbaar "begrip"
(Cicero's Latijn vertaalt katálèpsis
met "comprehensio"; in het Engels: "apprehension"),
of een cognitie, omtrent een gebeurtenis of een particuliere
"state of affairs" (in het Grieks: tunchánon,
"wat zich voordoet"). Elk nieuw "begrip"
dat aldus verworven is, vormt een dispositie in de ziel, namelijk om in
de toekomst op een bepaalde manier te handelen - minimaal op het vlak
van sunkatáthesis, d.w.z. het "instemmen"
of "afwijzen" van een gelijkaardige impressie.
Vermeldenswaard in verband met die
"instemming", is dat de (betekenis)inhoud van elke
voorstelling de logische vorm aanneemt van een propositie of stelling (axíoma).
Een banaal voorbeeld: de propositie "Dioon wandelt",
op het ogenblik dat (we zien, of geloven te zien, dat) het individu
Dioon daadwerkelijk aan het wandelen is (PS de waarheid van een
dergelijke propositie is dus noodzakelijk tijdsgebonden). In zoverre
die propositie, als betekenis (lektón),
actueel gedacht wordt, is ze
de mentale inhoud van de "inwendige lógos"
of "gedachtetaal" [PS: een lektón,
als "zegbaar", is op zich onlichamelijk; als
geïntendeerde betekenis van een reële gedachte en/of
uitspraak neemt ze een lichamelijke vorm aan]. De
eventuele veruitwendiging ervan geschiedt in een gearticuleerde
(klanken)uiting (lexis) - de stoïcijnen
hebben het dan over "lógos prophorikós"
of "uitgebrachte taal"; maar
een dergelijk uitgesproken "oordeel" of "lógos"
(in de meer strikte of technische zin van:
betekenende speech act die voortkomt uit het denken),
volgt pas nà het verwerven van de
katálèpsis [PS: een lógos
signifieert dus de conjunctie van een lexis,
als talige, betekenisvolle uitdrukking,
én het specifieke lektón dat
de spreker in gedachte neemt]. Het is precies de intrinsieke correlatie
tussen (interne) voorstelling en (interne) propositie die (1) de
voorstelling in kwestie "rationeel" (logikós)
maakt, en (2) algemeen, (volwassen) mensen tot "rationele"
wezens maakt, in onderscheid met dieren en kinderen wier
voorstellingen niét rationeel zijn: dieren en kinderen,
immers, reageren op een onbemiddelde wijze op hun
impressies, dus zónder sunkatáthesis [PS
de stoïcijnen gebruikten het woordje "rationeel" ook
in een éxclusieve zin, die enkel van
toepassing was op de volmaakte rede van de Wijze en van de Godheid].
Het onbetrouwbare en onstandvastige niveau van de
dóxai of opinies kon op die manier,
volgens de stoïcijnen, wel degelijk worden overstegen.
Particuliere katálèpseis situeerden
zich a.h.w. tússen "mening" en
"kennis" in (in hun singulariteit waren zij niet absoluut
maar konden eventueel achteraf, door andere overwegingen, aan het
wankelen worden gebracht). Anders gezegd,
katálèpseis legden een cognitieve basis
voor: (1) menselijke herinnering en ervaring (empeiría)
en tevens algemene begripsvorming, namelijk door accumulatie en
vergelijking van gelijkaardige voorstellingen; (2) de ambachtelijke
téchnai, of "kunsten" (een
téchnè werd door de stoïci
gedefinieerd als "een systeem van
gezamenlijk-in-de-praktijk-gebrachte cognities"); en (3)
wanneer zich, dank zij een hègemonikón
dat zich in een optimale staat bevond, een
compleet samenhangend systeem van begrippen had
gevormd, dat kon worden uitgedrukt in een systeem van ware proposities:
een definitieve en onwrikbare epistèmè
(als dispositie van de ziel viel zij samen met de Waarheid)(17). Zolang die volmaakte kennis
niét gerealiseerd was (in de vorm van een volmaakte theorie
die optimaal uitdrukking gaf aan het universum), konden mensen wel
"vorderingen" maken, maar bléven zij, globaal
gezien, toch gevangen in het rijk van de dóxa, d.w.z.
in een onstabiele en onsamenhangende configuratie van zowel correcte
begrippen als dwaalmeningen, met alle gevolgen van dien, ook voor hun
praktische levensvoering en morele karakter (cf. slechts "kennis" is
"deugd").
De bekwaamheid of gevoeligheid, onder onze vele
voorstellingen of impressies metterdaad de "kataleptische
impressies" te erkennen en er dus, terecht, "instemming"
mee te betuigen, kon
klaarblijkelijk aangeleerd of geoefend worden (vergissingen bleven
steeds mogelijk, behalve bij de Wijze). Opvallend optimistisch,
geloofden de stoïcijnen dat kinderen daartoe een soort van
natuurlijk vermogen hadden. Dat vermogen maakte tevens de
(nogmaals) "natuurlijke" vorming mogelijk - dus:
zonder bijzondere aandacht of opleiding - van algemene noties of "preconcepties"
("prolèpseis"), in onderscheid met de
eigenlijke concepties (of gedachteconstructies) - Grieks: énnoiai
of ennoèmata -, die een product waren
van een volwassen, menselijke rationaliteit (let wel: gebaseerd op al
dan niet kataleptische impressies, konden ze net zo goed foutief als
correct zijn). De geleidelijke verwerving, in onze kindsheid, van die "natuurlijke"
noties was juist een voorwaarde om daadwerkelijk
een rationeel wezen te worden. Wegens hun natuurlijkheid waren zij
voldoende betrouwbaar om althans als uitgangspunt te kunnen fungeren
voor filosofische reflectie (een voorbeeld van een dergelijke "algemene
notie" betrof de goddelijke voorzienigheid). Tussen haakjes,
ook ons algemeen begrip van goed en kwaad had een dergelijke "natuurlijke"
oorsprong (zie verder). [PS de bewaarde informatie omtrent Chrusippos'
theorie over preconcepties en concepties is helaas bijzonder beperkt en
onzeker, zie hierover uitvoerig: Ch.Brittain, 2005].
De skeptische kritiek op de stoïcijnse
notie van de phantasía
katalèptikè gold in de eerste plaats
de vraag óf er inderdaad mocht gesproken worden van een
gegarandeerd "cognitieve" impressie; dus een impressie van zulke unieke
aard dat er onmogelijk een twééde, identieke
impressie kon ontstaan die ónwaar was:
bv. omdat ze een onbestaand gegeven als bestaand weergaf, of zich
vergiste bij de identificatie: bv. "Platoon wandelt", in
plaats van "Dioon wandelt" (cf. wat hoger, kap.
3.2.3, gezegd is over de unieke, "individuele gesteldheid"
van ieder mens). Ook de integratie, in de doctrine, van de
verstandelijke "instemming" als een moment in het
eigenlijke perceptieproces werd als een tegenstrijdigheid aangevallen,
enz. De eerste akademische skepticus om de stoïcijnse kenleer
aldus aan te pakken was Zenoons jongere tijdgenoot, Arkesilaos
(akademisch scholarch vanaf 272; Zenoon stierf in 262). De kritiek
leidde tot interne discussies en theoretische bijsturingen. Zo ging
men, naast het "ideaal" van de perfecte kennis en waarheid, dat
gehandhaafd bleef, toch ook meer pragmatische principes aanvaarden: bv.
dat van "het redelijke" (eúlogon), d.w.z.
het zo goed mogelijk gefundeerde oordeel, als
pragmatische gids in het leven van elke dag; ook dat van een soort van
initiële, mentale "reserve" vanwege de
Wijze t.a.v. onverwachte gebeurtenissen, enz. Een essentiële
bijdrage in de bijsturing en verfijning van de theorie werd geleverd
door Chrusippos (geb. ca 281/277, gest. ca 207), het derde schoolhoofd
en bijgenaamd "de tweede stichter van de Stoa". Die
verdere ontwikkelingen zouden dan weer af te rekenen krijgen met de
kritiek van de meest invloedrijke akademische skepticus, Karneades
(geb. 214/3 of 219/8; gest. 129/8). Gedurende ongeveer 200
jaar was er op die manier een vruchtbare interactie tussen Stoa en
Akademie.
3.4. Ethiek
3.4.1. Van vroeg in de
Griekse filosofie, zoals we gezien hebben (cf. Herakleitos, fr. 112, zie hoger), werd
menselijke "goedheid" of "voortreffelijkheid"
beschouwd als een kwestie van het zich, op een of andere wijze, conformeren
aan de "natuur" (phúsis).
Dat principe vond in de klassieke periode, via Sokrates en diens
leerling Antisthenes, een radicale en quasi subversieve toepassing bij Diogenes
van Sinope, bijgenaamd "de Hond" (ho
kúoon, vandaar wellicht "kunisme",of
"cynisme"), actief midden 4de eeuw (gest. ca 323). Gekoppeld
aan een extreem sobere, ascetische levenswandel (naar het model van
Sokrates: cf. Platoon noemde Diogenes een "gek geworden
Sokrates"), werden de conventionele, "burgerlijke"
fatsoensregels, waarden en normen door Diogenes afgewezen - ze waren
z.i. moreel compleet "onverschillig" -
én op een provocerende wijze overtreden, met het woord (de
cynici waren verdedigers van een complete parrhèsía,
of vrijheid van spreken), maar vooral met
de daad, ten gunste van een "terugkeer naar de natuur". Wat
onder dat laatste moest verstaan worden, werd a.h.w. intuïtief
afgeleid uit het gedrag van dieren: honden, e.a., die in het Atheense
straatbeeld aanwezig waren (voor natuurstudie of theorie in
het algemeen had Diogenes nauwelijks of geen belangstelling). Vandaar
het "cynische" principe van de anaídeia, of
"schaamteloosheid", voornamelijk op het
gebied van alles wat met het lichaam en lichamelijke functies en
behoeftes te maken had: kleding, eten, seks, ontlasting, winderigheid,
e.d. Let wel: Diogenes' aanstootgevend, publiek gedrag in dat
verband: op straat, op de markt, enz., had ook een bewust didactisch of
zelfs missionerend oogmerk (en was dus niet écht volkomen
ongekunsteld), d.w.z. fungeerde als een vorm van niet-verbale,
communicatie of performance - met de polis als zijn
"theater" - van zijn ethische boodschap (zij werd eventueel aangevuld
met verbale "one-liners", cf. de overgeleverde
anekdotes, bv. bij D.L., VI, §§ 20-80):
namelijk dat de ware zelfsufficiëntie (autárkeia),
en dus het goed-leven, enkel middels een compromisloos "naturalisme"
kon worden gerealiseerd. [zie hierover Ineke Sluiter, 2005, die wijst
op een oud-Griekse, literaire traditie van "transgressie", o.m. in de
komedie en het saterspel]. Via Diogenes' leerling, Krates van Thebe (ca
360 - ca 280), vonden de principes van de cynische bíos,
of levensvoering, een breder gehoor, meer in het bijzonder bij Zenoon,
al spoedig na z'n aankomst in Athene (cf. de anekdotes daaromtrent bij
D.L., VII.3). Het ogenschijnlijk subversieve aspect ervan, echter, werd
gemakkelijk geïntegreerd binnen de bestaande
maatschappelijke orde: cf. de al vermelde, literaire genres van komedie
en saterspel, maar denken we ook aan de maatschappelijke rol van
carnaval, bv. (zie Sluiter, 2005:162-3). Heel illustratief daarvoor is
de anekdote dat toen een groep jonge herrieschoppers Diogenes' beroemde
ton hadden beschadigd, de Atheners de jongens bestraften en Diogenes
een nieuwe... ton gaven (in plaats van een normale woonst); verre van
dat zijzelf tot de conclusie kwamen dat zij Diogenes' voorbeeld moesten
volgen (D.L., VI, § 26).
Volgens de stoïcijnse basisfilosofie,
zoals we gezien hebben, vormde de natuurlijke werkelijkheid
één, levend, rationeel en intelligent, en dus
zich planmatig ontwikkelend, perfect samenhangend organisme of
"geheel" (to hólon). Als
zélf een rationeel deelwezen of een "mikrokosmos",
daarom, moest de mens leren zich bewust in te schakelen in, en zich te
conformeren aan die dynamische, makrokosmische rationaliteit of
Lógos. Vandaar vermoedelijk het bekende antwoord
op de vraag naar het menselijke télos of
finaliteit, namelijk: "het in overeenstemming met de natuur
leven" (to homologouménoos têi
phúsei zên). Het Griekse woordje, "phúsis",
of "natuur", echter, werd
(ook) in het stoïcijnse systeem op een meerduidige wijze
gebruikt: namelijk, zowel (a) ter verwijzing naar de particuliere natuur
van de mens, als een rationeel maar sterfelijk wezen, als (b) met betrekking
tot de alles beheersende, kosmische natuur, aan de volmaakte
rationaliteit waarvan de mens deelachtig was. Enkel wanneer een mens
die rationaliteit ook bewust assumeerde - wat maar ten volle
het geval was met de Wijze - was er géén
onderscheid tussen beide connotaties [PS over een derde, eerder
technische connotatie van het woord, namelijk om de pneumatische
gesteldheid van planten aan te duiden, hebben we het hoger gehad).
Zoals hoger, in de inleiding van dit hoofdstuk,
al kort aangestipt, situeerde de laat-klassieke (cf. de skepticus
Purrhoon) en hellenistische filosofie de beslissende voorwaarden voor
autarkie, moraliteit en geluk in het innerlijke van
de mens. In eerste instantie aansluitend bij de cynici, bevestigde
Zenoon, als stichter van de Stoa, daarvan een radicale interpretatie,
die typisch zou blijven voor de Stoa: "goed"
(agathón) was alléén de aretè
of morele deugd (en wat ertoe bijdroeg), en zij stond tegenover de ondeugd (kakía) of morele
slechtheid - tussen beide was er geen mediatie ("'n beetje goed en
'n beetje slecht"). Daarmee
werden "goed" en "kwaad" effectief herleid tot de sfeer van de ziel: deugd en
ondeugd, immers, waren sedert Sokrates
per definitie psychische disposities. Alle andere,
externe of "wereldlijke" zaken, daarentegen, die per definitie
niét "in onze macht" lagen maar die wel
in de omgangstaal door de mensen "goed" of "slecht"
werden genoémd, dienden vanuit moreel
opzicht als "onverschillig" (adiáphoron)
te worden beschouwd (cf. reeds Diogenes): zo leven en dood, gezondheid
en ziekte, rijkdom en armoede, schoonheid en lelijkheid, eer en
schande, eten en honger, enz. Alléén het
deugdzame leven was waardevol op zich en kon aanspraak maken op de
beslissende, morele kwalificatie "schoon" (kalón, Lat.:
honestum); het vond zijn belichaming uitsluitend in de Wijze.
Extreem gesteld: over de stoïcijnse
(ook, maar met toch enige nuance, de epicureïsche) Wijzen werd
als boutade gezegd dat ze "gelukkig zijn terwijl ze op de
pijnbank liggen" (een idee dat door Aristoteles nog als
complete "onzin" was afgedaan, cf. Nikomachische
Ethiek, 1153b19). Algemener geformuleerd: niet het welslagen
van een onzekere, publieke praxis in de externe
wereld vormde de toetssteen of bevestiging van eudaimonía
, maar veeleer het bezit van een onwankelbare, rationele (en
dus ook: morele) geesteshouding, met een zo perfect mogelijke samenhang
of coherentie tussen je opvattingen, je levenshouding en je "state
of mind", met inbegrip van een correct inzicht in, en
aanvaarding van het kosmische "Masterplan" of het
Fatum. Enkel daaruit resulteerden zelfvertrouwen en, bovenal,
innerlijke zielerust. Precies de koppeling ervan
aan volwaardige kennis (epistèmè) garandeerde
voor de stoïcijnen de standvastigheid van een dergelijke
dispositie, die zij tevens vereenzelvigden met de deugd als zodanig: cf. de stoïcijnse definitie van "aretè"
als "consistente, standvastige en onveranderlijke
rede".
3.4.2. Strikt genomen, dus, haddden de
"adiáphora", of (Latijn) "indifferentia", géén
effect op iemands gelukkig- of ongelukkig-zijn: de énige "oorzaak"
van eudaimonie, voor Zenoon, was de aretè, of
deugd, en alleen zij was onverkort een "waarde"
(axía) op zich - in contrast
met het meer pragmatische standpunt van Aristoteles zowel als Polemoon,
voor wie de zgn. "externe goederen" toch deel
uitmaakten van de eudaimonie (bv. om de deugd van de vrijgevigheid te
kunnen beoefenen, aldus Aristoteles, moest je vanzelfsprekend voldoende
bemiddeld zijn). Tegelijkertijd, echter, zo besefte Zenoon, werden
mensen in hun leven constant met adiáphora
geconfronteerd, eerder dan met het absolute "goede" of het absolute
"kwade", en dienden zij dááromtrent dus tot
verantwoorde, praktische beslissingen te komen. Vandaar dat hij, in
tweede instantie (allicht om toch enige aansluiting te vinden bij de
alledaagse intuïtie), tot een soort van compromis kwam tussen
het cynisch radicalisme (dat ook verdedigd was door zijn andere
leermeester, Stilpoon, van de megarische school) en het
platonisch-aristotelisch inclusivisme - niet al zijn leerlingen evenwel
waren het daarmee eens: cf. de "dissidente" Aristoon van Chios.
Het compromis kwam erop neer dat onder de adiáphora
zijns inziens toch wel een (zij het
betrekkelijke) rangorde kon worden gemaakt, naar gelang van hun grotere
of kleinere selectiewaarde (axía) of hun
onwaarde (apaxía). Ook al was dan
géén van alle "goed" (en dus
voorwerp van een éigenlijke, morele "keuze"),
dan moest in de praktijk toch een onderscheid worden gemaakt tussen:
(a) wat (in minder of meerdere mate) "verkozen" of
verkieslijk was, (b) wat integendeel een negatieve selectiewaarde had
en dus "afgewezen" of verwerpelijk was, en (c) wat
geen van beide was. Het doorslaggevende criterium hierbij was dat van
onze menselijke "natuur(lijkheid)", d.w.z. als
fysische en sterfelijke wezens (zie verder, over oikeíosis).
Van daaruit bekeken, was het voor mensen wel degelijk
"redelijk" (eúlogon) en
rationeel verdedigbaar, te gaan voor de "natuurlijke"
(katá phúsin) of "verkozen
indifferentia", zoals: het leven, gezondheid, eer,
schoonheid, welstand, enz., maar de tegengestelden ervan, zoals dood,
ziekte, armoede, enz., als "tegennatuurlijk" (pará
phúsin) af te wijzen of te vermijden (Chrusippos
zou mensen die helemaal niéts gaven om gezondheid, rijkdom,
enz., zelfs voor gek hebben verklaard).
Welnu -
en dat zou te allen tijde een specifiek stoïcijnse doctrine
zijn -, de handelingen die betrekking hadden op de eerste, "natuurlijke"
groep en met name gericht waren op de adiáphora
met de hoogste selectiewaarde, werden beschouwd als ethisch aanbevolen
handelingen. Zij kregen de technische benaming van "passende
(handelingen)" (ta kathèkonta, in het Latijn: officia):
de traditionele vertaling ervan door "plichten"
is misleidend: het is een kwestie van gepastheid
of geschiktheid, namelijk vanuit onze menselijke natuur, eerder dan van
een morele, eigenlijke verplichting. Hoewel niet zelf moreel "goed"
(want: niet waardevol op zich), konden dergelijke handelingen toch "nuttig"
zijn voor, of een bijdrage leveren tot 's mensen moraliteit, namelijk
in het kader van onze morele "vooruitgang"
(prokopè) naar de deugd (en tegenovergestelde
handelingen evenzo op het vlak van de immoraliteit). Elke keuze voor
bv. rijkdom impliceerde ook een keuze voor een bepaalde mate
aan rijkdom alsook een keuze omtrent de middelen om
ze te verwerven. Heel begrijpelijk, daarom, hadden de mensen in het
verleden hieromtrent regels en voorschriften opgesteld, onder de vorm
van een moraal en wetten. Als zodanig konden de
kathèkonta beschouwd worden als "materiaal" voor
de deugd. Algemeen beschouwd, is het interessant om vast te stellen,
hoe Zenoon (en dus het stoïcisme), ondanks zijn aanvankelijk
cynisch radicalisme (cf. de voorstellen in zijn verloren "Politeia",
of "Republiek"), op deze
manier gepoogd heeft toch een ethische rol te vrijwaren voor de
conventionele waarden en normen.
In sommige, uitzonderlijke omstandigheden,
nochtans, kon (moest) een juist inzicht tot de conclusie leiden dat het
de "tégennatuurlijke" handeling was die
diende geselecteerd te worden: bv. te sterven door zelfdoding; aan je
rijkdom te verzaken, enz. De aretè, of
deugd, precies, die beschouwd werd als een absolute
hoedanigheid of "kunde" (téchnè),
garandeerde ipso facto het juiste inzicht en de juiste motivatie inzake
elke ethische situatie, en dus de rationele en standvastige attitude
over en omgang met adiáphora. Bv. het
inzicht dat je huidige ziekte deel uitmaakte van het grotere "plan" van
de Natuur en daarom goedmoedig moest aanvaard worden; of dat je, als
ultiem verzet tegen tirannie, nù zelfmoord moest plegen
(zelfmoord gold als een "redelijke terugtocht", sc.
uit het leven). Élke handeling van de Wijze, daarom,
gebaseerd als ze was op die kennis of kundigheid, was
noodzakelijkerwijze een "katórthoma", of
"(moreel en rationeel) correcte
handeling" - in plaats van louter een "passende
handeling". Een kathèkon was
weliswaar gerechtvaardigd, zoals gezegd, vanuit het oogpunt van de
menselijke natuurlijkheid, en vaak was ze het beste waartoe mensen in
staat waren, maar vanuit stríkt oogpunt
mocht een dergelijke handeling, zoals gezegd, niet als moreel "goed"
worden beschouwd; of correcter: moest ze éigenlijk zelfs als
(nog) "slecht" worden gecatalogeerd. Zo
Chrusippos: al wie de deugd nog niét volwaardig verworven
had, hoe ver hij of zij ook al mocht "gevorderd"
zijn op de weg ernaar toe, was principieel nog altijd "slecht"
en een "dwaas" (het standpunt werd door hem
geargumenteerd met het voorbeeld van de drenkeling: die verdrinkt net
zo goed wanneer hij slechts een armlengte van het wateroppervlak
verwijderd is, als wanneer hij er 500 m van verwijderd is). Je leven,
dus, (alleen maar) wijden aan het verrichten van kathèkonta,
in gehoorzaamheid aan de geldende wetten en de voorschriften van de
conventionele moraal, volstond niét om echt deugdzaam
te leven (en dus de eudaimonie te realiseren).
Of eenzélfde, concrete handeling,
inderdaad, al dan niet recht had op de kwalificatie "goed"
en "schoon" (in het Grieks:
kalón, Latijn: honestum), was
een kwestie van de ingesteldheid of
dispositie, sc. van iemands
hègemonikón, waarmee ze gesteld was:
d.w.z. (a) of ze op basis van een perfect samenhangende, dus rationele
"kennis van zaken" gesteld was en (dus) ter wille van het schone en
goede zélf (PS: rationele consistentie impliceerde voor de
stoïcijnen ook rationele consensus, en daarom was het logisch
dat "schone op zich" te zien samenvallen met het gemeenschappelijke of
algemene belang, zie verder, over oikeíosis);
dan wel (b) of ze uit angst, uit conformisme en/of egoïstisch
gemotiveerd was, als zijnde nuttig of instrumenteel voor het
persoonlijke eigenbelang. We verwijzen naar wat hoger gezegd is over de
verinnerlijking.
3.4.3. De vereiste, bewust morele
én rationele ingesteldheid t.a.v. onze impulsen was per
definitie alleen bij de Wijze een definitieve
verworvenheid. Vanuit dít oogpunt konden
stoïcijnen - ondanks de morele stelregel van te "leven
overeenkomstig de natuur" - tóch een moreel
onderscheid maken tussen een "natuurlijk leven"
(sc. van de gewone mensen, maar in zekere zin ook bij dieren en
kinderen) en het (eigenlijke) "morele leven", sc.
van de Wijze: alleen het laatste berustte op kennis van het waarlijke "goede",
en dus op (volmaakte) rationaliteit en
moraliteit. Dat onderscheid, echter, was niet absoluut of vrij van
ambiguïteit. Immers, rationaliteit en moraliteit waren zelf
afhankelijk van een typisch menselijk, "natuurlijk"
groeiproces; anders gezegd, 's mensen algemene begrip van goed en kwaad
had wel degelijk een "natuurlijke" oorsprong. Dat
werd geargumenteerd vanuit de belangrijke, stoïcijnse notie
van de "oikeíosis",
letterlijk "toeëigening", of assimilatie ("oikeîos"
betekent "eigen", zoals in het beruchte "eigen
volk eerst").
In eerste instantie, ging het om de volkomen
spontane of impulsieve gerichtheid van élk levend wezen op
zichzelf, op zelfbehoud en, vandaar, de instinctieve drang, zich
datgene "toe te eigenen" wat nuttig was voor het
eigen fysieke voortbestaan of overleven (maar ook: dat van het eigen
nageslacht), en, omgekeerd, het schadelijke of levensbedreigende te
vermijden of ontvluchten. Bij de opgroeiende mens, evenwel, in
onderscheid met de dieren, leidde een proces van geleidelijke
rationalisering (zie hoger, kap 3.3, in verband met de
begripsontwikkeling bij het kind) finaal tot een even
"natuurlijke" gerichtheid op kennis van de waarheid zowel
als op morele deugd en het goede [PS ten gronde, begrepen ook de
stoïci de notie "goed" in de zin van "nuttig", sc.
voor de mens]. Vandaar dus ook de ontwikkeling van een vorm
van "geweten", d.w.z. een specifiek menselijke vermogen om morele
waardeoordelen, dus goedkeuring en afkeuring, te vellen. Tegelijkertijd
werd in de loop van die ontwikkeling de sfeer van het "eigene"
tot als maar wijdere cirkels
uitgebreid: ouders,
familie, lokale groep, gemeenschap, stad, natie en, idealiter (in het
geval van de Wijze), de gehéle mensheid (of althans de wereldgemeenschap
der Wijzen) en, finaal, de gehele wereld of kosmos (cf. de zogenoemde
kosmopoliet).
Gestart dus in de kindertijd, vanuit onze (bijna
animale) "natuur(lijkheid)" en haar fysieke
dwangmatigheden, eindigde het menselijke ontwikkelingsproces (althans
idealiter) met, of culmineerde het in, de realisatie van onze "(wàre)
natuur": namelijk de rationaliteit (lógos),die
wij deelden met de andere mensen én met de kosmos. M.a.w. en
om terug te keren naar het gemaakte onderscheid tussen "natuurlijk"
en "moreel leven": "de
deugd wordt (hier) gecontrasteerd met wat natuurlijk is voor ons, maar
zij is ook zélf natuurlijk, als onze finaliteit"
(Annas 1993:172). Het "morele leven" was
bijgevolg het leven waarin leven overeenkomstig de rede (en dus:
overeenkomstig de deugd) finaal 's mensen échte "natuurlijke
leven" was geworden.
Helaas, kon iedereen vaststellen dat bij de overgrote meerderheid van
de mensen dat "groeiproces" onvoltooid bleef of vroegtijdig afbrak,
zodat ze er een minder of meer "onnatuurlijk" leven
op nahielden. Op de lastige vraag, waaróm
zulks het geval was (als het dan toch om een "natuurlijk"
ontwikkelingsproces ging en de mens "van nature" een
rationeel wezen was - nog gezwegen van het stoïcijnse geloof
in een alles bepalende Voorzienigheid), werd door de
stoïcijnen geen echt bevredigend antwoord gegeven (er werd bv.
gewezen op een vroegtijdige, sociale pervertering van kinderen, vanwege
ouders, omgeving, e.d.).
3.4.4. Zoals nogmaals al aangestipt in
de inleiding van dit hoofdstuk (kap. 1.2.3), formuleerden de
stoïcijnen het beoogde resultaat van hun filosofische
levensvoering met een negatieve term, namelijk
ἀπάθεια, apàtheia,
in de zin van het volledig vrij-zijn van πάθη, pàthè
(enkv. páthos),
lees: van alle mogelijke, irrationele emoties of
passies (contrasteer met het gematigde, peripatetische objectief van metriopátheia,
zeg maar: een "maatvol gevoelsleven").
Het uitgebreide en gevarieerde spectrum van alle mogelijke, dergelijke
gevoelens werd door hen gerangschikt binnen de vier, huns inziens
belangrijkste vormen, die als een soort van genera fungeerden: namelijk
(1) verlangen en (2) vrees, die betrekking hebben op iets toekomstig:
bv. komende welstand of armoede, en (3) lust, of plezier (hèdonè)
en (4) pijn of verdriet, die betrekking hebben op iets dat tegenwoordig
is: bv. seks of foltering. Zo werd woede gedefinieerd als een verlangen
naar wraak; medelijden, als verdriet om een ander, enz.
Let wel:
"páthè", in deze
context, mogen niet vereenzelvigd worden met wat wij
doorgaans neutraal onder "emoties" of
gevoelensverstaan: het gaat veeleer om psychische stoornissen of
ziektes, namelijk, voor de stoïci, van het rationele
hègemonikón (zij huizen dus niet in een
of ander apart, "irrationeel" zielsdeel: cf. het al aangestipte
psychologisch monisme van de Stoa). Evenmin was het de
stoïcijnen te doen om de psychologische of fysiologische
reacties die emoties gewoonlijk begeleiden, zoals: blozen, bleek
worden, rillen, hartkloppingen krijgen, het warm krijgen, opgewonden
geraken, genot, enz., die wij vooral met gevoelens
plegen te associëren. Voor de stoïcijnen waren
dergelijke reacties filosofisch niet-relevante epifenomenen, of
"propátheiai", "pre-emoties"; zij
induceerden immers zelf geen handelingen, in onderscheid met de
eigenlijke páthè.(18)
Passies
werden door de stoïcijnen typisch cognitivistisch geduid,
d.w.z. beschouwd als het resultaat van foute waardeoordelen, of nog
radicaler, bij Chrusippos, herleid tot zulke foute
opinies (dóxai) -
namelijk inzake adiáphora, die dan als
goed of slecht per se werden beschouwd (het
"pluspunt" van dergelijke visie was dat ze de mogelijkheid inhield dat
mensen die het slachtoffer waren van
páthè, door rationele argumenten konden
genezen worden). Vele dergelijke misvattingen, aldus de
stoïci, waren de mensen gewoonlijk al vroeg in hun leven
aangeleerd vanuit hun familie of sociale omgeving (wat moest helpen
verklaren, zoals gezegd, waarom de mensen, ondanks hun deelname aan een
zogenaamd almachtige Logos, toch niet spontaan "goed"
leefden). Elke páthos, dan, als een
bijzondere perversie van de rede (rationele argumenten volstonden,
helaas, meestal niét om iemand te genezen), vormde een
onmiddellijke en excessieve "impuls" (hormè)
tot irrationeel en dus immoreel gedrag (bv. tot stelen, vanuit de foute
overtuiging dat rijkdom een "goed" op zich was en daarom absoluut
verlangenswaard was). Een corréct moreel
oordeel, daartegenover, zeker in het geval van de Wijze, ging gepaard
met een "eupátheia", of "goed
gevoel", én, vanzelfsprekend, met moreel correct
gedrag. Het stoïcijnse streefdoel van de
apátheia mag dus niét herleid worden
tot een complete emotie- of gevoelsloosheid: de Wijze ervaart bv.
weliswaar geen (irrationele) "lust", of
hèdonè, die een páthos
is, maar wél
chará, of "vreugde". Andere
positieve gemoedstoestanden: omzichtigheid, als een rationeel
vermijden, en willen of wensen (boúlèsis),
als een rationeel streven.
Het
vrij-zijn van psychische stoornissen of passies garandeerde de mens ook
afwezigheid van innerlijke tweestrijd of conflict, bijvoorbeeld tussen
tegenstrijdige verlangens. Aldus zorgde het mede voor een harmonieus
leven, d.w.z. voor een toestand van "homología",
of "samenhang", of: een "leven in
overeenstemming [of: samenhang]",
d.w.z. met je lógos of rationele zelf,(19) allicht tevens met de
universele Logos of Natuur. De korte formulering, "leven in
overeenstemming" (homologouménoos zên),
is een overgeleverd alternatief (volgens sommige bronnen: de
oorspronkelijke formulering vanwege Zenoon, die pas nadien werd
uitgebreid) voor het al vermelde en meer bekende (en wat dubbelzinnige)
"leven in overeenstemming met de natuur", als
menselijke finaliteit. Een beeldspraak van Zenoon (ook bij Kleanthes en
Chrusippos) om datzelfde idee van een harmonieus en sereen leven uit te
drukken, was: "eúrrhoia bíou", het
"vlot-stromen van het leven". Hoe dan ook, dergelijke
rationele, innerlijke "samenhang" of
vrijheid-van-conflict (zowél intern als
met de buitenwereld) was voor stoïcijnen een essentieel aspect
van de eudaimonie.
_____________________
NOTEN:
*
Zie bovenaan een weergave van het
portret/de buste (Romeinse kopie) van Epikouros, Vaticaan, inv. 301;
Richter II, nrs. 1157-59. Voor een foto van de buste in het Museum van
het Capitool, in Rome,
klik hier. Beschrijving door W.Schmid, 1984:18 (mijn
vertaling): "In het origineel, gesculpteerd rond 270, is een
innerlijk bewogen denker afgebeeld, met een edel en aristocratisch
gelaat, omlijst door een baard en licht gegolfde haren. Het voorhoofd
met de diepe rimpels van een intens geestelijk leven; de naar binnen
gekeerde blik van de serene ogen; de bars gefronste wenkbrauwen, die
een ingehouden passie verraden; de ingevallen wangen van degene die
niet gespaard bleef van fysieke pijn, en de fijn gevormde mond bepalen
de adel van dit onvergetelijke gelaat". Het oorspronkelijke
beeld stelde Epikouros vermoedelijk gezeten neer: voor een
reconstructie,
klik hier. Zie voor meer info (ook over andere Griekse
filosofenportretten), het Virtuelles
Antiken Museum Göttingen.
*
Zenoon werd zowel door de Atheners als door de burgers van zijn
geboortestad geëerd met bronzen beelden. Het beeld in Kition,
dat Zenoon vermoedelijk eveneens neergezeten afbeeldde en met een
filosofenmantel (tríboon) om de
schouders, werd door de Romein Cato, bij zijn Cyprusexpeditie in 58 vK,
als buit mee naar Rome gebracht. Het vormde wellicht het model voor de
11 vandaag bewaarde portretten (hoofden). De bovenaan afgebeelde kopie
wordt bewaard in het Museo Nazionale in Napels (G 1089; A.Richter, The
Portraits of the Greeks, II 188 Nr. 2 Abb. 1086-1088). Zie
de volledige foto van de buste. Opvallend is de
karakteristieke, diepe frons in het voorhoofd (ook vermeld door D.L.,
VII.16), die op grote concentratie wijst. Tegelijkertijd worden Zenoons
ernst en strengheid uitgedrukt, zoals bevestigd door de antieke
bronnen. Zie voor meer info (ook over andere Griekse
filosofenportretten), het Virtuelles
Antiken Museum Göttingen.
1. F.E.Peters, 1972:647. PS Onder
"hellenisme" wordt hier de oud-Griekse cultuur en civilisatie in globo
bedoeld.
2. Ze gaat officieel van start met de
dood van Alexander de Grote, in 322, en eindigt met de zeeslag bij
Actium, d.w.z. de overwinning van Octavianus, de latere keizer
Augustus, op Antonius en Cleopatra, in 31 vK.
3. Zie E.R.Dodds,
1951:236.
3bis. Pierre
Hadot, Qu'est-ce que la philosophie antique? (Folio
Essais), 1995. PS De weinige (laat-)stoïcijnse
teksten die wél bewaard bleven, hebben vooral betrekking op
de praktische ethiek: cf. Seneca, Epictetus, Marcus Aurelius...
4. Zie A.Dihle,
1982:41. Vgl. daarmee het gematigde peripatetische objectief van,
slechts, metriopátheia, "maatvolheid"
van de affecties.
4bis. In de
geneeskunde gold het tetraphármakos als
een "all round" preparaat, bestaande uit was,
kaarsvet, hars en pek (!).
5. Zo J.M.Rist,
1972:2. Vgl. ook Cicero, De Finibus, I 21, 71-72:
de epicureër Torquatus bestempelt er de studie van de
dichters, de muziek, de geometrie, enz. als louter tijdverlies,
aangezien ze niet bijdraagt tot het geluk.
6. Toch zal de
epicureïsche Wijze, in tegenstelling tot de
stoïcijnse, wel degelijk pijn lijden wanneer hij op de
folterbank ligt; hij zal zelfs "kermen", maar
desondanks "gelukkig" zijn, cf. D.L., X.118:
"zelfs wanneer hij gefolterd wordt, zal de wijze gelukkig zijn...
Tijdens het folteren, nochtans, zal hij kermen en klagen"; en
verder, § 119: "de wijze zal ook pijn lijden".
6bis. Zie
D.Furley, "Cosmology", in: K.Algra, 1999:431-432.
7. Wolfgang Schmid,
1984:85.
7bis. De
Aristippos ("Senior") die een volgeling was van Sokrates, was ongeveer
een eeuw ouder dan Epikouros. Als de eigenlijke stichter van de zgn.
Cyrenaïsche school wordt doorgaans diens gelijknamige
kleinzoon, Aristippos de Jongere, beschouwd. Deze laatste heeft zijn
versie van hedonisme ontwikkeld enkele jaren voordat Epikouros
filosofisch actief werd. Het steunde hoofdzakelijk op het onmiddellijke
gevoelen, als een momentane lustervaring (páthos),
gevolg van een of andere beweging, die niet verder reikte dan de duur
van die ervaring; herinnering aan een lustervaring, bv., of
anticipatie, "telt niet mee" (D.L., II.89). De
school kende verschillende tendensen in reactie op de kritieken erop,
o.m. vanwege Epikouros (wiens reductie van geluk tot een staat van
ataraxie of pijnloosheid door de Cyrenaïci vergeleken werd met
de toestand van een lijk), maar midden 3de eeuw was ze zo goed als
"passé" (zie A.A.Long, "The Socratic Legacy", in:
K.Algra, 1999:632 e.v.).
8. Zie Schmid,
1984:66-67.
8bis. Zie
M.Schofield, "Social and political thought", in:
Algra, 1999:748 e.v.
9. Epikouros'
"politieke filosofie" vormt het onderwerp van de studie van James
H.Nichols Jr., Epicurean Political Philosophy,
Ithaca 1976; maar zoals blijkt uit de ondertitel ervan, is ze quasi
uitsluitend gebaseerd op Lucretius' De rerum natura.
10. A.-M. Malingrey,
1961:66.
10bis. Het met
elkaar in verband brengen van het filosofisch bedrijf en de
mysteriën vinden we reeds bij Platoon: cf. Phaedo,
69CD; Phaedrus, 249C en 250 B-C; en natuurlijk Symposium,
209E-210A.
11. Zie hierover
B.Frischer, The Sculpted Word. Epicureanism and Philosophical
Recruitment in Ancient Greece, 1982. Ook door deze
"missioneringsijver" laat het epicureïsme zich goed
vergelijken met het latere christendom. Zoals De Witt, 1954:100,
schrijft: "Epicureanism was the only missionary philosophy
produced by the Greeks". Een late, typische uiting van deze
"zendingsmentaliteit" was het initiatief van Diogenes van Oinoanda, een
begoede epicureër uit de 2de eeuw nK: ten behoeve van zijn
medeburgers (maar ook van bezoekers en latere generaties), liet hij in
zijn geboortestad (gelegen dicht bij het moderne Incealiler, in
Turkije) rond 130 nK een enorme inscriptie aanbrengen (op een muur die
tussen de 65 en de 80 m lang was!), als een "epicureïsch
manifest" in steen; meer dan 300 brokstukken (samen ongeveer een kwart
van de tekst) zijn al teruggevonden en uitgegeven. - Voor de verbanden
tussen epicureïsme en christendom, zie vooral W.Schmid (1984);
voor een zeer recente vergelijkende studie tussen de brieven van
Epikouros en die van Paulus, zie nu: P.Eckstein, Gemeinde,
Brief und Heilsbotschaft. Ein phänomenologischer Vergleich
zwischen Paulus und Epikur (Herders Biblische Studien, Bd
42), Freiburg 2004.
12. Cf. Seneca, Brief
97, 15. Zie Schmid, 1984:94, met verwijzingen (o.m. naar F.Zucker,
Syneidesis-Conscientia. Ein Versuch zur Geschichte des sittlichen
Bewusstseins im griechischen und im griechisch-römischen
Altertum, Jena 1928).
13. Ik kan niet
nalaten hier te verwijzen naar een belangrijk principe in de latere
islam, namelijk dat van "ihsân",
letterlijk "het-schone-doen". In een overlevering
van de profeet Mohammad wordt het gedefinieerd als:
"Het schone doen betekent dat je God vereert alsof
je Hem ziet, want zelfs als jij Hem niet ziet, ziet Hij jou". Maar
uit het oude Vlaamse katholicisme kennen we natuurlijk nog de
intimiderende afbeeldingen, in de huiskamers, met een groot, stralend
oog en het opschrift: "God ziet u!"
14. Eén
van de netelige discussies betreft de vraag of deze basisprincipes (archaí)
zélf door de stoîcijnen als "lichamelijke",
dan wel als "onlichamelijk"
werden gedacht. In de moderne literatuur worden allebei de standpunten
geargumenteerd. De handschriftelijke overlevering (zie D.L., VII.134)
is helaas tegenstrijdig. Hoe dan ook moeten deze onvergankelijke "principes"
onderscheiden worden van de fysische "elementen"
(stoicheîa): deze laatste, namelijk de bekende
vier, vanzelfsprekend lichamelijke, elementen (vuur, lucht, water en
aarde), waren onderworpen aan de kosmische cyclus en dus vergankelijk.
Gekenmerkt door telkens één hoedanigheid (in
plaats van twee, zoals bij Aristoteles): respectievelijk het warme, het
koude, het vochtige en het droge, werden zij in twee groepen geplaatst,
namelijk vuur en lucht samen, als "actief" (zij
golden blijkbaar ook als basiscomponenten van het
pneûma, of de adem); water en aarde, samen, als "passief".
15. Namelijk aan het
einde van het lopend Groot Jaar: d.w.z. wanneer niet enkel zon en maan,
maar ook de vijf planeten opnieuw alle in dezelfde, relatieve positie
zouden staan (zie Platoon, Timaeus, 39D). Volgens
één bron zou een dergelijk Groot Jaar 3.942.000
gewone jaren omvatten (Tieleman, p. 160).
16. De volledige
stoïcijnse mengleer maakte een onderscheid tussen: (a)
juxtapositie (súnthesis), namelijk van
aparte eenheden (zoals dat in het atomisme gold), bv. een mengsel van
verschillende graansoorten; (b) de krâsis, zoals
in de tekst besproken (Chrusippos' paradoxale voorbeeld was dat van
één druppel wijn die z.i. de gehele wereldzee kon
doordringen en er co-extensief mee worden); (c) de (chemische) fusie (súnchusis),
waarbij de ingrediënten wél irreversibel hun
oorspronkelijke kenmerken verliezen en een nieuwe stof wordt gevormd,
met nieuwe eigenschappen.
17. Zenoon gebruikte
het aanschouwelijke beeld van een hand ten einde de verschillende fasen
te verduidelijken: (1) een open hand= een kataleptische impressie; (2)
met de vingers licht geplooid= de instemming; (3) de hand
dichtgeknepen, in een vuist= de katálèpsis
(letterlijk "greep");(4) die vuist ferm omkneld
door de andere hand= kennis (cf. Cicero, Academica
II, 145). Vermeldenswaard is ook dat de stoïcijnen een
onderscheid maakten tussen de kwalificatie "waar"
en het substantief, "de waarheid": de eerste is een
(eventuele) hoedanigheid van proposities, en is als zodanig
onstoffelijk; de waarheid, daarentegen, valt samen met
wetenschappelijke kennis (namelijk van een groot aantal ware fenomenen)
en is als optimale dispositie van de geest, namelijk van de Wijze,
stoffelijk. - Zie voor deze parenthese vooral
Michael Frede, "Stoic epistemology", in: Algra K.,
e.a., 1999:295-322, alsook R.J.Hankinson, "Stoic
Epistemology", in: B.Inwood (ed.), The Cambridge
Companion to the Stoics, 2003:59 e.v.
18. Interessant om
te vermelden is dat in de hedendaagse psychoanalyse een onderscheid
wordt gemaakt tussen "affecten" en "emoties".
Ik citeer prof. Paul Verhaeghe, in De Morgen,
13/12/05, p.13: "Wat in de volksmond onder emoties valt, moet
eigenlijk worden onderverdeeld in affecten en emoties. Affecten zijn
onderliggende impulsen die onafhankelijk staan van het geheugen,
terwijl emoties bewuste ervaringen zijn van een onderliggend affect dat
gemanipulueerd en vervormd kan worden. Trauma's hebben te maken met
affecten, niet met emoties, wat niet betekent dat affecten steeds
traumatisch zijn, verre van".
19. Zoals Herakleitos
dat reeds gedaan had, in zijn fr. 50 (zie hoger, in het
hoofdstuk "Het Archaïsche Natuurdenken"), werd
ook door de stoïcijnen in de Griekse samenstelling, "homología",
"homologeîn" of "homologouménoos",
die in het dagelijkse taalgebruik gewoon "overeenstemming"
of "akkoord" betekenden, nog letterlijk het woordje
"lógos" gelezen.
LITERATUUR
ALGRA, K.
(1998), Epicurus, Over de Natuur en het Geluk.
Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien. Groningen.
ALGRA, K.,
& J.BARNES & J.MANSFELD & M.SCHOFIELD, eds.
(1999), The Cambridge History of Hellenistic Philosophy.
ALLEN, J.
(2005), The Stoics on the origin of language and the
foundations of etymology, in: Frede & Inwood (2005),
pp. 14-35.
ANNAS, Julia
(1993), The Morality of Happiness. Oxford.
ANNAS, J. & J.BARNES (2000), Outlines
of Scepticism. Cambridge 2000².
ARRIGHETTI, G. (1973), Epicuro.
Opere. Introduzione, testo critico, traduzione e note. Torino
1973².
BAILEY, C.
(1926), Epicurus. The Extant Remains. With short
critical apparatus, transl. & notes. Oxford.
BENN, A.W. (1912), History of
Ancient Philosophy, London.
BOBZIEN, S. (2003), (Stoic) Logic,
in: Inwood (2003), pp. 85-123.
BOYS-STONES,
G.R. (2001), Post-Hellenistic Philosophy. A Study of its
Development from the Stoics to Origen. Oxford.
BRENNAN, T.
(2003), Stoic Moral Psychology, in: Inwood (2003),
257-294.
BRITTAIN,
Charles (2005), Common sense: concepts, definition and
meaning in and out of the Stoa, in: Frede & Inwood
(2005), pp. 164-209.
BROWN, P. (1971), The World of Late
Antiquity. From Marcus Aurelius to Muhammad. London.
BRUNSCHWIG, J. (2003), Stoic
Metaphysics, in: Inwood (2003), pp. 207-232.
CHRISTENSEN, J. (1962), An Essay on
the Unity of Stoic Philosophy. Kopenhagen.
DESSOIR, M., ed. (1925), Die
Geschichte der Philosophie. Berlin.
DE WITT, N.W. (1954), Epicurus and
his Philosophy. Minneapolis.
DODDS, E.R. (1951), The Greeks and
the Irrational. Berkeley.
DODDS, E.R.
(1965), Pagan and Christian in an Age of Anxiety. Some
aspects of religious experience from Marcus Aurelius to Constantine.
Cambridge.
FERGUSON, John (1970), The
Religions of the Roman Empire, London.
FREDE, D. (2003), Stoic Determinism,
in: Inwood (2003), pp. 179-205.
FREDE,
Dorothea & Brad INWOOD, eds. (2005), Language and
Learning. Philosophy of Language in the Hellenistic Age.
Proceedings of the Ninth Symposium Hellenisticum. Cambridge.
FRISCHER, B.
(1982), The Sculpted Word. Epicureanism and Philosophical
Recruitment in Ancient Greece, Berkeley.
FURLEY, D.
(1999), "Cosmology", in: Algra e.a. (1999), pp.
412-451.
GILL, Chr.
(2003), The (Stoic) School in the Roman Imperial Period,
in: Inwood (2003), pp. 32-58.
HADOT, Pierre (1995), Qu'est-ce que
la philosophie antique? (Folio Essais).
HANKINSON, R.J. (2003), Stoic
Epistemology, in: Inwood (2003), pp. 59-84.
HIBLER, R.W. (1984), Happiness
through Tranquillity. The School of Epicurus. New York.
HOFFMANN, E.
(1925), Die antike Philosophie von Aristoteles bis zum
Ausgang des Altertums, in: Dessoir (1925), pp. 141-256.
HUNT, H.A.K.
(1976), A Physical Interpretation of the Universe. The
Doctrines of Zeno the Stoic. Melbourne.
INWOOD, Brad,
ed. (2003), The Cambridge Companion to the Stoics.
Cambridge.
IRWIN, T.H.
(2003), Stoic Naturalism and Its Critics, in:
Inwood (2003), pp. 345-364.
KLINKENBERG,
G.A. van (1970), De Levenskunst van de Epikureërs,
in: Id., Een tuin in de wildernis, Amsterdam, pp. 97-151.
LEOPOLD, J.H.
(1976), Uit de Tuin van Epicurus (1920). Herdruk
1976, met een essay van P.van Eeten over de actualiteit van Epikouros.
LONG, A.A. (1974), Hellenistic
Philosophy: Stoics, Epicureans, Sceptics. London.
LONG, A.A.
& D.N. SEDLEY (1987), The Hellenistic philosophers,
vol. 1: Translations of the principal sources with philosophical
commentary. Cambridge.
LONG, A.A.
(2003), Stoicism in the Philosophical Tradition: Spinoza,
Lipsius, Butler, in: Inwood (2003), pp. 365-392.
MALINGREY,
A.-M. (1961), "Philosophía". Etude d'un groupe de
mots dans la littérature grecque des
Présocratiques au IVème s. après J.C.,
Paris.
MITSIS, P.
(1987), Epicurus on Friendship and Altruism, in:
Oxford Studies in Ancient Philosophy, V(1987), pp. 127-153.
NUSSBAUM, Martha C. (1994), The
Therapy of Desire. Theory and Practice in Hellenistic ethos,
Princeton.
RIST, J.M. (1972), Epicurus. An
Introduction. Cambridge.
PETERS, F.E.
(1972), The Harvest of Hellenism. A History of the Near East
from Alexander the Great to the Triumph of Christianity.
London.
SANDBACH,
F.H. (1975), The Stoics. (Ancient Culture
and Society), London.
SCHMID,
Wolfgang (1984), Epicuro e l'epicureismo cristiano.
Ed. italiana a cura di Italo Ronca. Brescia (art. "Epikur",
in: Reallexikon für Antike u. Christentum, V, 1961, k.
681-819).
SCHOFIELD, M.
(2003), Stoic Ethics, in: Inwood (2003), pp.
233-256.
SEDLEY, D.
(1999), Hellenistic physics and metaphysics, in:
Algra e.a. (1999), pp. 355-411.
SEDLEY, D.
(2003), The (Stoic) School, from Zeno to Arius Didymus,
in: Inwood (2003), pp. 7-32.
SIMON, M.
(1974), Epikureismus und Epikureertum, in:
Hellenische Poleis (ed. E.Wellskopf), IV, Berlin, pp. 2017-2088.
SLUITER,
Ineke (2005), Communicating Cynicism: Diogenes' gangsta rap,
in: Frede & Inwood (2005), pp. 139-163.
STEINMETZ, P.
(1994), Die Stoa, in: Grundriss der Geschichte
der
Philosophie (begründet von F.Ueberweg),
völlig
neubearb. Ausgabe. Die
Philosophie der Antike, Band 4 (2ter Halbband):
Die Hellenistische Philosophie, 4tes Kapitel, pp. 491-716.
TIELEMAN,
Teun (2004), "De Stoa", in de E-syllabus: De
Antieke Wijsbegeerte. Een handboek onder redactie van
Prof.dr.F.A.J. de
Haas, Prof.dr. K.A.Algra, Dr J.M. van Ophuijsen, Prof.dr. C.G.Steel,
met bijdragen van Prof.dr.J.Mansfeld, Prof.Dr. G. van Riel, Prof.
D.T.Runia & Dr. T.Tieleman, 2de versie, september 2004 (deel
2), hfst. VII, "Hellenistische Filosofie en Wetenschap", door
K.A.Algra & T.Tieleman, pp. 154-167. URL:
http://www.phil.uu.nl/geschiedenis1/handboek_deel_ii_v3-1.pdf
USENER, Hermann (1887), Epicurea.
Leipzig 1887 (Roma 1963).
VERLINSKY,
Alexander (2005), Epicurus and his predecessors on the origin
of language, in: Frede & Inwood (2005), pp. 56-100.
VON ARNIM, J., Stoicorum
Veterum Fragmenta. 4 vols, Leipzig & Berlin 1921-24
(afk.: SVF).
WATSON, Gerard (1966), The Stoic
Theory of Knowledge. Belfast.
WHITE, M.J. (2003), Stoic Natural
Philosophy (Physics and Cosmology), in: Inwood (2003), pp.
124-152.
|