GESCHIEDENIS VAN DE ANTIEKE WIJSBEGEERTE:

EEN  AANLOOP
 

 

1. Wat is "filosofie"?
 

1.1. De bekende boutade, "de vraag stellen, is ze beantwoorden", is hier letterlijk van toepassing. De paradox inderdaad van de filosofische activiteit bestaat erin dat de vraag naar de definitie ervan voluit deel uitmaakt van de activiteit zelf (vergelijk daarentegen met bijvoorbeeld de biologie: het definiëren ervan is zelf nog geen biologische activiteit, want géén studie van levende wezens). Anders gezegd: hoe je de vraag naar de zin of de onzin van de filosofie ook beantwoordt, in beide gevallen doé je al aan filosofie. Dat paradoxale van filosofie werd al in de oudheid aangestipt. Zo op naam van Aristoteles :

"Zowel indien we moéten filosoferen, moeten we filosoferen, als indien we niét moeten filosoferen, moeten we filosoferen... Want als de filosofie er is, behoren we in alle geval te filosoferen, aangezien ze er is; maar als ze er niet is, behoren we ook in dàt geval te zoeken hoé ze er niet is: al zoekende, echter, filosoferen we, aangezien het zoeken oorzaak van de filosofie is".

De paradox verklaart waarom er a.h.w. net zoveel antwoorden zijn op de definitievraag als er filosofieën, of misschien zelfs filosofen, zijn. Dat heeft alles te maken met het essentieel  zelfreflectieve karakter van filosofie. Een louter formele omschrijving ervan dient dan ook precies die reflectiviteit centraal te plaatsen. Bijvoorbeeld aldus:

filosofie is de geestelijke activiteit waarin de mens op systematische wijze (a) reflecteert over zichzelf, de wereld en de relatie tussen beide, en (b) door en in deze reflectie zichzelf én de wereld coördineert tot eenheden van zin (cf. "ziel"/"zelf" en "kosmos"); die activiteit is van theoretische en verbale aard: niet alleen gebeurt ze  bij middel van taaluitingen, maar ze heeft ook  betrekking op taaluitingen (termen, proposities, teksten, vertogen/discours...), sc. van voorgangers zowel als van tijdgenoten.

In een dergelijke omschrijving van filosofie liggen enkele belangrijke implicaties vervat. Zo bijvoorbeeld dat een aantal  psychologische voorwaarden vervuld moeten zijn opdat een dergelijke activiteit überhaupt zou kúnnen plaats hebben: vooreerst het vermogen tot (verbale) zelfreflectie zelf, en dus het vermogen om abstract te redeneren. Filosofie daarom moet beschouwd worden als uitdrukking van een welbepaalde  bewustzijnsvorm, namelijk van wat bestempeld wordt als de "rationele/ formele/ conceptuele/ abstracte" vorm van zelfbewustzijn. Ze wordt gekenmerkt door een aantal formele kwaliteiten zoals: reversibiliteit of omkeerbaarheid en het vermogen om logisch-formeel, d.w.z. hypothetisch-deductief te redeneren. Die bewustzijnsvorm is, pace Aristoteles,  niét "gegeven" aan de menselijke soort, maar is een historisch-maatschappelijk  construct. De zelfreflectie, die het wezen zelf uitmaakt van de filosofie, heeft bijgevolg een belangrijke  historische dimensie; een correct historisch begrip is een conditio sine qua non voor een echt zelfbegrip. Dat houdt in dat filosofie en geschiedenis van de filosofie in zekere mate samenvallen. Of om het met Hegel te formuleren: de meest recente filosofie "moet zelf een spiegel zijn van de ganse geschiedenis (van de filosofie)".

Die historische dimensie is in de eerste plaats relevant voor onze uitgangsvraag naar een (inhoudelijke) definitie van filosofie. Elk antwoord dat een reële bijdrage wil leveren tot het zelfbegrip van de hedendaagse filosoof moet inderdaad vertrekken vanuit een onderzoek naar de historische genese en ontwikkeling van de filosofische bedrijvigheid als zodanig.

Van directe betekenis voor de westerse moderniteit is ongetwijfeld de ontstaansgeschiedenis van het West-Europese denken sedert de vroege middeleeuwen: het is in dat middeleeuwse denken dat, mede onder inspiratie van het Arabische hellenisme, de grondslagen gelegd werden voor de huidige, moderne vorm van filosofiebeoefening en van de westerse rationaliteit als zodanig. Gelet, nochtans, op het essentieel classicistische en scholastische karakter van het middeleeuwse denken zélf (het christelijke zowel als het Arabische), en in overeenstemming met het zelfbegrip van de scholasticus, moet een historische "fenomenologie van de (westerse) geest" vérder terug in het verleden, namelijk tot in de Grieks-Romeinse oudheid. "Filosofie" - en dat wil zeggen zowel het woord zelf als de bezigheid die erdoor benoemd wordt -, was een  Griekse creatie. Die creatie is vrij precies lokaliseerbaar, in de tijd zowel als in de ruimte: namelijk tussen de 7de en de 4de eeuw v.o.t., in de oostelijk-mediterrane wereld, in de stadstaatjes binnen de Helleense of Griekse cultuursfeer.

1.2. Een dergelijk, historisch onderzoek heeft ook een actuele betekenis: het leert ons de  verschillen erkennen tussen ónze visie op filosofie en waarheid en de Griekse. Wat de eerstgenoemde betreft, zoals Hans Soetaert het formuleert in zijn Foucault-dissertatie:

"(wij, modernen) menen dat de waarheid iets is wat in een kennisgeheel vervat zit. We staan een afbeeldings- of een consistentie-theorie van waarheid voor. In het moderne Westen wordt de verhouding tot de waarheid vooral bepaald door (het voldoen aan) epistemologische voorwaarden".

Voor de Griekse filosofen daarentegen was dat niet het geval: de band tussen  waarheid en  êthos, zeg maar: ethiek, is bij hen nooit volkomen verloren gegaan. Filosofie, anders gezegd, was in de oudheid nooit louter een kennisgeheel, nooit louter een discours, als product van correcte argumentatietechnieken en onderzoeksprocedures; zij beoogde altijd, in één of andere zin, het daadwerkelijk "goed-leven" of de "eudaimonie", als vrucht van de voleindigde sophía, of "wijsheid".   "Philosophía", daarom, was er van bij de aanvang (cf. Sokrates) op gericht,"zich te presenteren als een specifieke wijze van leven, als een bíos onderscheiden van de andere". Zoals P.Hadot het schrijft, in Qu'est-ce que la philosophie antique? (p.19):

"het filosofische discours moet begrepen worden in het perspectief van de leefwijze waarvan het tegelijkertijd het middel en de uitdrukking is, en bijgevolg dat de filosofie vóór alles een manier van leven is, die nauw verbonden is met het filosofische discours. De filosofie is slechts de voorbereidende oefening voor de wijsheid".

 Vandaar ook dat, nogmaals in onderscheid met het moderne (vrijblijvende) waarheidsbegrip, voor de antieke filosoof de waarheid - onder de vorm van "waarheid-spreken" - een praktisch,  moreel dwingend karakter had. Dat wordt exemplarisch gedemonstreerd door Sokrates: vanuit de weigering zijn filosofische activiteit te staken - "zolang ik adem, zal ik niet ophouden te filosoferen", laat Platoon hem zeggen (Apologie van Sokrates, 29D4-5) -, was hij 'heroïsch' bereid, niet enkel te leven voor de filosofie, maar ook ervoor te sterven.


2. De Griekse Visie op Mens en Natuur

2.1. Laat ik deze korte inleidende bespreking starten met drie fragmentjes. Ze behoren toe aan de oudste auteur die wij door het ruimere aantal bewaarde fragmenten inderdaad àls "filosoof" kunnen waarderen: Herakleitos van Efese. Hij was actief in de slotjaren van de 6de en de beginjaren van de 5de eeuw v.o.t.

fr. 30: "deze kosmos, dezelfde voor iedereen, werd noch door één der goden noch door één der mensen gemaakt, maar altijd was hij, is hij en zal hij zijn: vuur altijd-levend, ontvlammend in maten en uitdovend in maten";

fr. 112: "verstandig-zijn is de grootste voortreffelijkheid (aretè), en wijsheid (sophía) is te zeggen en doen wat waar/werkelijk (alèthéa) is, in overeenstemming met natuur (phúsis), gehoor gevend".

fr. 123: "natuur (phúsis) houdt ervan zich te verbergen".

Het drietal uitspraken brengt enkele belangrijke basispremissen tot uitdrukking van de oud-Griekse mens- en wereldvisie in het algemeen.

Die oud-Griekse visie, we mogen zelfs zeggen: de antieke visie in het algemeen, was gekarakteriseerd door een verhouding van verregaande harmonie tussen mens en natuur. Laat me dat verduidelijken door contrast met de moderniteit. In deze laatste (en ik citeer nu uit een boek van Wilhelm Luther, 1970) heeft

"de mens zich als veroorzaker of bewerker, als plannend of beheersend subject (...) losgemaakt van de natuurlijke gegevenheden, en verheft hij zich als handelend of scheppend persoon boven de wereld".

De natuur m.a.w. is door de moderne mens in verregaande mate geprofaniseerd en geïnstrumentaliseerd - met alle zowel positieve als negatieve gevolgen van dien.

Daarmee vergeleken stellen we vast dat er aan het actieve ingrijpen van de antieke mens in de natuur nog sterke, religieuze limieten waren. Met 'religieus' doel ik hier op wat traditioneel wordt samengevat onder de noemer van 'paganisme', met zijn sacralisering van de natuurverschijnselen. Om het wat simpel te formuleren: elke boom, elke bron, elke stroom, elke rots of heuvel, in de oudheid, had zijn eigen "genius loci", zijn lokale beschermgeest of godheid. Een goede illustratie voor de menselijke scrupules ten aanzien van die sacraliteit van de natuurlijke orde vinden we in een historische anekdote die verteld wordt door 'de vader van de geschiedschrijving', Herodotos, in zijn Historiën, I.174:

Onder de dreiging van de oprukkende Perzen (midden 6de eeuw) waren de burgers van Knidos gestart met het graven van een kanaal door de landengte van hun schiereiland (cf. het Perzische leger was een landleger). Tijdens de werken echter liep een groot aantal onder hen verwondingen op. Daarover verontrust raadpleegden de Knidiërs het orakel van Delphi. Apolloon gaf hen, bij monde van de Puthia, ten antwoord dat ze de landengte noch mochten afsluiten met een muur noch mochten doorgraven met een kanaal, "want had Zeus gewild dat Knidos een eiland was, hij zou er een geplaatst hebben". Daarop staakten de Knidiërs hun werkzaamheden en... ze lieten zich overrompelen door de Perzen.

Ook in de Griekse filosofie - hoeft het gezegd? - werkte dit 'paganisme' in sterke mate door. Zo resulteerde het in een kosmische natuurtheologie, die ons voor het eerst uitdrukkelijk betuigd is in de fragmenten van Xenophanes van Kolophoon (2de helft 6de en 1e helft 5de eeuw). bijvoorbeeld D-K frr. 23 & 24:

"Eén god, onder goden (!) en mensen de grootste, noch in gestalte, noch in geest gelijk aan de mensen".
"Hij ziet als geheel, denkt als geheel, hoort als geheel".

Van een vorm van creationisme, althans in de zin van een "creatio ex nihilo", is nergens sprake. Ook Platoons "Demiurg", in de vermoedelijk metaforisch bedoelde scheppingsmythe van de Timaeus, doet niets méér dan rationele structuren of vormen opleggen aan een voorgegeven, stoffelijke "ruimte".

In de bij de aanvang geciteerde fragmentjes van Herakleitos vinden we bondig de filosofische interpretatie uitgedrukt van het paganisme, wat de visie op de natuurlijke werkelijkheid betreft: de wereld, in haar orde en regelmaat ("ontvlammend in maten, en uitdovend in maten"), is een ongeschapen en onvergankelijke ("altijd-levende") "kosmos", d.w.z. een eeuwige, "mooie orde". Die zijnsorde - de ware "natuur" (phúsis) van al het bestaande - ligt weliswaar ten grondslag aan de tegengestelde fenomenen, maar is zelf "verborgen" of "onzichtbaar", cf. ook fr. 54: "de onzichtbare verbinding (harmoníè) is sterker dan de zichtbare". Ze moet dus "ontborgen" worden - en dat wordt gedaan door de filosoof.

De belangrijke vraag is dan: wààrom is het belangrijk dat wij zouden weten wélke rationele zijnsorde verscholen gaat achter de chaotische, voortdurend veranderende, empirische fenomenen? Gaat het hier louter om "eruditie"? Een louter "weten om het weten", zoals Aristoteles het zou formuleren m.b.t. de "theoretische" wetenschappen? Het antwoord hierop is alvast: néén.

2.2. Voor een dieper gaand antwoord moeten we ons wenden tot de Griekse visie op de mens en de relatie tot de werkelijkheid in het algemeen. De fundamentele uitgangspunten daarvan waren, merkwaardig genoeg, reeds in de Griekse taal gegeven.

Laten we, ter verhelderend contrast, vertrekken van de voor ons, vanuit de westers-christelijke traditie, evidente visie op de mens(elijke psyche): namelijk als een drie­ëenheid van rede, emoties en wil. Weliswaar met een evolutie in eerst theologische en vervolgens filosofische perspectieven (vanaf Augustinus, over Thomas, en vervolgens Descartes tot bij Kant), geldt de derde, volitieve zielsfunctie als een onmisbaar en doorslaggevend referentiepunt bij beschrijving én morele evaluatie van menselijke handelingen.

Dat vanzelfsprekend wilsbegrip werd en wordt vaak ook in-gelezen in Griekse literaire en filosofische teksten. Uit een meer aandachtige studie, echter, van het tekstmateriaal blijkt dat het betreffende concept in werkelijkheid onbekend was aan de oude Grieken. Noch in het niet-filosofische noch in het filosofische oud-Grieks is er een woord of concept te vinden dat volledig correspondeert met onze "wil" ("volonté", "will", "Wille", ...).

Een literatuurstudie toont aan dat vanaf het oudste tekstmateriaal (de heldengedichten van Homeros) eigenlijk een tweevoudige basispsychologie domineert ter beschrijving van menselijk handelen. Anders gezegd, het menselijke gedrag wordt verklaard vanuit de interactie tussen twee basisvermogens of krachten: de redelijke of verstandelijke, enerzijds, en de irrationele van emoties en passies, anderzijds (de laatste konden eventueel, zoals bij Platoon, in De Staat, onderverdeeld worden in twee subvermogens).  Meer bepaald wat wij, met één term, als "willen" aanduiden (vanuit de Latijnse oorsprong ervan: "velle", substantief: "voluntas", waarin voornoemde twee aspecten dus verenigd zijn), werd in de Griekse taal opgesplitst tussen twéé woordgroepen (die wij, gemakshalve, beide met "willen" vertalen):

(1°) de eerste, ethéloo ("ik wil") wordt in de literatuur aangewend voor de veeleer passieve en spontane ontvankelijkheid voor, overgave aan externe invloeden, prikkels of stimuli; vandaar de betekenis: "geneigd, bereid, gedisponeerd zijn te", "zich laten overhalen te", enz. (bijvoorbeeld van goden, nadat hen offers zijn gebracht); als zodanig verwijst deze woordgroep naar het irrationele en emotieve, of de gevoelsfunctie;

(2°) daartegenover is er de woordgroep rond boúlomai ("ik wil"), e.d.: ze verwijst in de eerste plaats naar het plannen en overleggen dat voorafgaat aan bewust handelen (de woordgroep is etymologisch verwant met woorden die verwijzen naar "raad, beraad, overleg, beraadslaging", enz.); boúlomai kan, qua betekenis, omschreven worden met: "ik wens of verkies op grond van verstandelijk overleg".

Anders gezegd: in zoverre "willen" gezien werd (en benoemd werd) vanuit het perspectief van een actief vermogen, leidend naar minder of meer bewust, doelgericht handelen, werd het beschouwd als, respectievelijk herleid tot, een functie van het verstand, van de rede, en dus als ondergeschikt aan de kennis.  Morele waardeoordelen bijgevolg werden in de eerste plaats betrokken op de 'intellectuele' prestaties die geïmpliceerd leken in iemands gedragingen (vergelijk bijvoorbeeld het Oedipus-drama van Sophokles: kennis en onwetendheid spelen daarin een centrale rol: de vadermoord, de sfinx, het incest...). Ook het Griekse woord voor "zondigen", namelijk hamartánein (hamartía, fout, zonde) betekent letterlijk "zijn doel missen, ernaast zitten" - zoals men dat van een boogschutter zou zeggen, die de roos "mist".

Dat alles zette, wat je zou kunnen noemen: een 'intellectualistische' stempel op het Griekse ethische denken. In tegenstelling tot Kants moraalfilosofie bijvoorbeeld, die uitdrukkelijk gebaseerd is op de autonomie en vrijheid van de menselijke wil, was er in de Griekse ethica helemaal geen plaats voor een dergelijke zelfstandige wil (of dat soort van 'vrijheid'). De bekendste belichaming, natuurlijk, van dergelijke ethiek zou Sokrates zijn, met zijn grondstelling: "deugd is kennis" (d.w.z. het volstààt het goede - werkelijk - te 'kénnen' om het ook te kiezen, en dus te doen); of negatief geformuleerd: "niemand handelt vrijwillig fout". Immoreel gedrag is dus in laatste instantie te herleiden tot een vergissing (cf. hamartía), of tot onwetendheid - behalve, natuurlijk, wanneer men niét "gewild" heeft (in de actieve betekenis), maar zich heeft laten meeslepen door zijn passies, enz. (en dan gaat het om "ethéloo"). Daarmee overeenkomstig wil Platoon, in zijn dialoog Gorgias (467C-468E), het gebruik van het werkwoord boúlomai beperkt zien tot bewuste intenties die inderdaad gebaseerd zijn op kennis van "het goede".

Dat veronderstelt dat het goede, als het voorwerp van boúlomai, objectief (dus: buiten ons) gegeven is. En hier komen we dan met een omweg terug bij de rationele, kosmische of zijnsorde ('rationeel' wil zeggen dat zij congruent is aan de menselijke ratio): die rationele zijnsorde en het objectieve goede vallen inderdaad samen (zoals Aristoteles het formuleert in Boek Alpha van de Metaphysica, 982b7: "het hoogste goede in de natuur in haar geheel"). Moreel 'goed' is dan in principe elke gedachte of handeling die conform is aan, overeenstemt met de orde van het universum. Ik herhaal één van de drie frr. van Herakleitos, namelijk nr. 112: "verstandig-zijn is de grootste deugd, en wijsheid is zeggen en doen wat waar is, in overeenstemming met de natuur, gehoor gevend".  

En hier krijgen we dus het antwoord op de eerder gestelde vraag - namelijk "waarom" het zo belangrijk was, de ware werkelijkheid, de ware natuur, de zijnsorde, enz., die 'achter' of 'onder' de fenomenen verborgen ligt, te onthullen, en dus te kennen en te doen kennen -: het menselijke goede hing ervan af. Zoals ook de stoïcijnen het nadien zouden formuleren: goed-leven, eudaimonie en morele voortreffelijkheid (of deugd), die hoedanigheden zijn van de Wijze, zijn noodzakelijk het product van een "leven in overeenstemming met de natuur".

Vanzelfsprekend zou de vraag kunnen worden gesteld, vanuit het oogpunt van de harmonie tussen mens en natuur, waarom mensen niet spontààn "in overeenstemming" leven. Of, hoe het te verklaren is dat, "hoewel de lógos gemeenschappelijk is, de grote massa leeft alsof ze over een private verstandigheid beschikken"? (Herakleitos, fr. 2). Bij de Efesiër leidt dat tot veeleer moraliserende verwijten aan het adres van 'gewone' mensen zowel als prominenten (in de trant van: "ze slapen ook als ze wakker zijn", bv. in fr. 1). Bij anderen zou die vraag tot een filosofische adaptatie leiden van wat de mythologie vertelde over het paradijselijke leven van de eerste mensen, tijdens de "gouden eeuw onder Kronos". Anders gezegd, tot de visie dat de eerste mensen vanuit een primitieve onschuld inderdaad in een natuurlijke staat leefden, d.w.z. in een staat van harmonie met de natuur.

Voor de cynici kaderde dergelijk 'primitivisme' in een radicale afwijzing van de bestaande 'consumptiemaatschappij' en een (vaak provocerend) pleidooi voor een terugkeer naar de oorspronkelijke eenvoud en natuurlijkheid: alleen dergelijke 'natuurlijke' eenvoud maakte het mogelijk de volledige "autarkie" of onafhankelijkheid te realiseren, die huns inziens het ware "goed-leven" uitmaakte. Ook de stoïci (althans de leden van de Oude Stoa), vanuit hun doctrine over een rationaliteit die de gehele werkelijkheid doordrong (de Logos), deelden de mening dat de eerste generaties (bij de start van een kosmisch, nieuw Groot Jaar) over een natuurlijke, ongereflecteerde ratio beschikten, zodanig dat ze "goed leefden". Met de latere technieken en kunsten, echter, en door een als maar meer luxueuze levenswijze, was die natuurlijke dispositie verloren gegaan. De mensen hadden onware voorstellingen en opinies ontwikkeld, met de erbij horende passies (pathè), bv. de foute opinie dat lust (hèdonè) het goede zou zijn; reeds als kinderen werden mensen daarom geconfronteerd met het kwaad van de "ondeugden" (kakíai). Pas in zulke context van latere "corruptie" of "perversie" (diastrophè) was er nood en behoefte ontstaan aan filosofie: haar taak was het nu 's mensen gecorrumpeerde zienswijze, en dus ook zijn artificiële manier van leven, te reorganiseren en te herstellen in haar rationele staat. Voortaan, anders gezegd, kon de mens voortaan nog enkel "gelukkig" worden door middel van de filosofie.

Samengevat: om "goed" te leven (en dus: "gelukkig" te zijn), moet de mens trachten te leven "in overeenstemming" met de rationele zijnsorde. Voorwaarde daartoe is evident: die zijnsorde te kennen en op de een of andere wijze te assimileren. Vandaar werd ontologie of zijnsleer de basisdiscipline in de Griekse filosofische traditie. Vandaar ook neigt het Griekse denken, althans vanuit onze post-christelijke visie beschouwd, in mindere of meerdere mate (er zijn wel degelijk gradaties) steeds naar een vorm van determinisme.

 

_____________________________

HOOFDSTUK 1

* PS De bekende afbeelding van de Sfinx en Oidipous (Oedipus) dateert uit de vroege 5de eeuw (in A.N.Zadoks & J.Jitta, Antieke Cultuur in Beeld, Bussum 1958)