DE BRONNEN VAN DE ANTIEKE WIJSBEGEERTE
A. DE
DIRECTE BRONNEN
1. Onder
"directe bronnen" worden de eigen teksten verstaan van de filosofische
auteurs: zoals voor gelijk welke filosoof vandaag, vormen zij ook voor
de studie van de antieke denkers de hoofdbron en het methodologische
uitgangspunt. Het kunnen beschikken evenwel over het volledige oeuvre
van een auteur, of zelfs maar over één of meer
integrale teksten, is een voorrecht dat ons voor de studie van de
antieke wijsbegeerte meestal ontzegd is.
De
enige belangrijke Griekse filosoof wiens "gepubliceerd" werk we
integraal bezitten, is Platoon
(nl. een 30-tal dialogen, alsmede brieven waarvan er enkele mogelijk
authentiek zijn). Het feit dat we aldus het gehéle
platonische literaire oeuvre overgeleverd hebben gekregen, moet
verbazingwekkend worden genoemd, zeker als we deze situatie vergelijken
met het veel minder gunstige lot dat andere bekende auteurs, uit
dezelfde periode, te beurt viel: bijvoorbeeld
-
Sophokles: van 130 tragedies slechts 7 bewaard;
-
Euripides: van 92 tragedies 19 bewaard;
-
Aristophanes: van 44 komedies 11 bewaard;
-
Demokritos: van 60 filosofische teksten 0 (nul)
bewaard.
Een ander merkwaardig punt
i.v.m. de Platoonoverlevering is dat onze oudste handschriften, van het
einde van de 9de eeuw, een bétere tekst bieden dan
papyrusfragmenten uit... de 3de eeuw vóór onze
tijdrekening. De verklaring voor deze toestand moet allicht vooral
gezocht worden in de bijzonder gunstige, maatschappelijke en
institutionele omstandigheden, vooreerst waarin Platoon zijn teksten
schreef: hij leefde en werkte in zijn eigen geboorteland en stichtte er
een school, de zgn. "Akademie", waarvan de fysieke
continuïteit door hemzelf gewaarborgd werd (cf. met eigen
gebouwen). Ook in de latere oudheid, met de ontwikkeling van het
platonisme tot een brede, half-filosofische, half-religieuze beweging
en, vooral, de verregaande integratie ervan in het christendom konden
de Dialogen rekenen op een welwillende omgeving - met name ook na de
verwoesting van de Akademie, als school, door de Romeinse soldaten van
Sulla, in 86 vK.
Voor
Aristoteles,
daarentegen, Platoons belangrijkste leerling en later hoofd van een
eigen school, het zgn. "Lyceum", waren de
omstandigheden heel wat ongunstiger. Hij was een vreemdeling (metoik)
in Athene en stond bovendien bekend als een persoonlijke vriend van de
Macedonische machthebbers; ook de meeste leerlingen waren
niet-Atheners. Na de val van (Aristoteles' oudleerling) Demetrios van
Phaleron (307 vK), zagen de peripatetici, onder de leiding van
Theophrastos, zich zelfs verplicht voor een korte periode Athene te
verlaten. De school geraakte bovendien ook spoedig (vanaf ca 270 vK) in
verval. Het is dan ook maar dank zij een quasi miraculeuze samenloop
van omstandigheden (verhaald door Straboon, Geographia,
XIII,1.54)[1], dat we het overgrote deel bezitten,
niét van Aristoteles' "gepubliceerde" werken - de zgn. logoi
exoterikoí (d.w.z. "bestemd voor
buiten") -, waaronder ook dialogen: die zijn alle verloren
gegaan (behoudens zgn. fragmenten), maar wél van de
werkteksten, cursusnotities e.d., die Aristoteles heeft opgesteld in
het kader van zijn onderzoek en onderwijs: de zgn. logoi
peri philosophían (i.e. "wetenschappelijke"),
zoals hij ze zelf noemt, of de logoi
esoterikoí ("bestemd voor
binnen", sc. de school), zoals ze later ook genoemd werden[2].
Naast
de dialogen van Platoon en de werkteksten van Aristoteles
bezitten we nog enkele traktaten van Aristoteles' medewerker en
opvolger Theophrastos,
enkele brieven van Epikouros
(bewaard bij Diogenes Laertios), en colleges van
Plotinos
(204-270 nK), de zgn. "Enneaden", opgeschreven en
uitgegeven door diens leerling Porphurios). En daarmee hebben we het
ver gehad, althans wat de belangrijkste denkers betreft.
Voor de zgn. "secundaire"
auteurs kan het volgende lijstje worden gemaakt:
Kleine Socratici: Xenophoon;
Epicureïsme:
Lucretius;
Eclecticisme: Cicero, Philoon
van Alexandrie;
Midden-Platonisme:
Ploutarchos, Albinos, Maximos van Tyr, Apuleius;
Late Stoa: Epiktetos, Seneca,
Musonius Rufus, Marcus Aurelius;
Late Skepsis: Sextos
Empeirikos (Sextus Empiricus);
Neoplatonisme: Porphurios,
Iamblichos, Proklos, Saloustios, Damaskios, Macrobius.
2. Hoger
werd, in verband met Platoon, al gewezen op het bestaan
papyrusfragmenten. Het is belangrijk om weten dat, terwijl alle
vermelde teksten tot ons zijn gekomen via handschriftelijke
overlevering (d.w.z. in manuscripten die vanaf de vroege middeleeuwen,
in de eerste plaats in het Byzantijnse rijk, door kloosterlingen en
geleerden werden gekopiëerd op perkamenten codices), wij,
sedert het einde van de 19de eeuw, dank zij de papyrologie,
inderdaad ook beschikken over een massa aan papyrusfragmenten, die nog
altijd aangroeit. Wat de lokatie van dergelijke vondsten betreft, het
gaat, omwille van de vereiste klimatologische omstandigheden (papyrus
verdraagt geen vocht), bovenal om Egypte (in ruïnes, op
antieke vuilnisbelten, in het karton van sarcofagen,
mummiewikkelingen...). Ook Herculaneum in Italië, echter, dat
samen met Pompeï in 79 nK getroffen werd door een uitbarsting
van de Vesuvius, heeft al heel wat vondsten opgeleverd (vooral uit de
bibliotheek van de epicureër Philodemos, in de zgn. Villa
Pisonis, waaronder dan ook fragmenten van Epikouros); het betreft hier
dan wel materiaal dat, als gevolg van de vermelde natuurramp, in veraste
staat is teruggevonden.
Eerder zeldzaam betreft het
(bijna) integrale teksten (bv. de Atheense Constitutie,
van Aristoteles), maar ook fragmentarische vondsten kunnen belangrijk
zijn (bv. de papyrus die nog in 1999 is teruggevonden en die een
belangrijk, onbekend fragment van Empedokles bevat). De als maar hogere
kostprijs, weliswaar, voor het inzetten van de meest geavanceerde
technieken (bv. voor het ontrollen en lezen van veraste papyrusrollen,
in Herculaneum) legt een grote hypotheek op verdere ontdekkingen:
recentelijk werd door een aantal academici zelfs een oproep gericht aan
"mecenassen" en "filantropen" om de opgraving en ontcijfering te helpen
bekostigen van de boeken in de twee nog bedolven verdiepingen van
Philodemos' bibliotheek, in Herculaneum. Vermoed wordt dat o.m.
verdwenen werken van Aristoteles zouden kunnen worden teruggevonden.
In elk geval gaat het ook
hier om een vorm van "directe" bronnen, het zij
dan dat ze maar uiterst zelden integraal zijn en dat ze, omwille van de
staat van het materiaal, op een erg technische en specialistische wijze
gepubliceerd worden.
3.
Natuurlijk
stellen zich ook n.a.v. deze "directe bronnen", waar we dus
het voorrecht genieten, de auteur zélf te kunnen lezen,
allerlei problemen die een correcte, d.w.z. historisch adequate
interpretatie bemoeilijken. Ik som er enkele op:
1) Er is onze doorgaans zeer
fragmentarische kennis over het leven en het historisch-maatschappelijk
milieu van de auteur;
2) er stellen zich de normale
interpretatieproblemen voor werken van niet meer levende schrijvers
(bv. vanaf welke dialoog alluderen de Griekse woordjes "idéa"
en
"eîdos"
naar Platoons zgn.
Ideeën-, of beter: Vormentheorie?); uiteraard zijn er ook
regelmatig hinderpalen van taalkundige en semantische aard (bv. de
problemen gesteld door de veelduidigheid van het Griekse woord "logos");
3) er is het belangrijke feit
dat deze teksten hoe dan ook tot ons zijn gekomen via een
handschriftelijke traditie van tien eeuwen en meer, tijdens dewelke ze
onvermijdelijk vele corrupties hebben ondergaan: kopieerfouten,
arbitraire correcties en aanvullingen, omissies, enz. (vgl. daarentegen
de situatie van moderne auteurs wier persoonlijke handschriften vaak
zijn overgeleverd, zodat zelden twijfel kan bestaan althans over de te
lezen tekst);
4)
er stellen zich voor sommige teksten authenticiteitsproblemen die
zelden definitief kunnen beslecht worden (vgl. sommige dialogen en
brieven van Platoon, de Categoriae van Aristoteles,
enz.);
5) in vele gevallen is het
onmogelijk om met zekerheid de precieze chronologische volgorde te
bepalen tussen de verschillende werken van eenzelfde auteur, en dus de
eventuele evolutie van zijn visie en opvattingen met zekerheid te
kennen. Terwijl in het geval van Platoon het zgn. stylometrisch
onderzoek van de taal en de vorm van de (latere) dialogen een althans
globaal, objectief chronologisch kader heeft helpen construeren, is
zulks voor het teksten van Aristoteles onmogelijk gebleken.
B. DE
INDIRECTE BRONNEN
Voor alle
andere belangrijke namen in de geschiedenis van de antieke filosofie -
zoals alle archaïsche denkers (de zgn. Voorsocratici), alle
Sofisten, alle Stoïcijnen (Oude en Midden-Stoa), de
Akademische Skepsis, e.a. - moeten we genoegen nemen met "citaten" en
uittreksels (zgn. fragmenta),
van afwisselende lengte en betrouwbaarheid bij
latere auteurs, en/of, in de meeste gevallen, met geherformuleerde
verwijzingen, parafrases, besprekingen, enz. (zgn. testimonia).
Het onderscheid tussen "fragmenta"
en "testimonia" mag hierbij niet verabsoluteerd
worden (de antieken waren niet vertrouwd met de moderne praktijk van
het correct en objectief citeren). Deze zgn. indirecte overlevering kan
globaal in een zestal hoofdrubrieken worden onderverdeeld:
1.
Uitweidingen, terloopse verwijzingen, e.d.
Treffen
we vooral aan bij Platoon en Aristoteles. Platoon
is in zekere zin onze eerste "commentator" van de archaïsche
natuurdenkers, maar zijn opmerkingen lijken meestal ironisch of zelfs
spottend bedoeld. Zie bv. zijn verwijzinqen naar Herakleitos,
Parmenides en Empedokles, in de Sofist, 242Cv.; of
de typering van de zgn. "Herakliteërs" als "de
vlietenden" (in Theaetetus, 181A4), in
wier visie, aldus Platoon, de bestaande dingen zouden te vergelijken
zijn met mensen die... aan een neusverkoudheid lijden (in Cratylus,
440C-D). Van ernstige, filosofische of historische beschouwingen kan
hierbij moeilijk gesproken worden.
Bij Aristoteles
ligt dat gans anders. Hij besteedt wél op een stelselmatige
wijze aandacht aan de opinies (doxai) van zijn
voorgangers. Verschillende van zijn onderzoekingen leidt hij zelfs in
met een uitgebreid en kritisch "doxografisch" overzicht van hun
opvattingen terzake (vgl. Boek Alpha van de Metaphysica;
het eerste boek van De anima; Boek II van de Politica,
enz.). Deze praktijk kadert in een algemene, ook methodologische en
epistemologische opstelling van de Stagiriet (Aristoteles was afkomstig
van Stagira), die hem opponeert aan zijn leermeester Platoon: enerzijds
is hij doordrongen van een groot respect voor de tradities (vandaar bv.
zijn kritiek, in Politica II, op het voorstel in
Platoons Politeia, om, voor de hoogste klassen,
eigendom en gezin af te schaffen); anderzijds, en bovenal, huldigt
Aristoteles een "empiristisch" standpunt m.b.t. kennis en wetenschap.
In tegenstelling tot Platoons epistemologisch dualisme, beschouwt de
aristotelische kennisleer de zintuigelijke gewaarwording
(aísthèsis) als een organisch moment
van het kenproces, en dus als een noodzakelijke voorwaarde om tot
(wetenschappelijke) kennis te komen (zie de aanvangsregels van Metaphysica
Alpha). Wetenschap (epistèmè) is voor Aristoteles dus
gebaseerd op niet-wetenschappelijke vóórkennis en
alle wetenschappelijk onderzoek krijgt haar grenzen gesteld door de
menselijke ervaring (empeiría) en de
zgn. phainómena, of "verschijnselen"[3]. Die menselijke
ervaringsgegevens liggen geaccumuleerd in de natuurlijke taal, de
tradities en gebruiken en, in het algemeen, in de gangbare opvattingen
van de mensen. Deze gangbare "opinies", in de brede
zin van het woord, vormen bijgevolg het heuristische uitgangspunt voor
elk wetenschappelijk onderzoek.
In de praktijk leidde zulke
opstelling er natuurlijkerwijze toe dat Aristoteles bij zijn
voorgangers en in de gangbare meningen voorafbeeldingen/bevestigingen
zocht van de eigen concepten en leerstellingen. Zoals Susanne Mansion
het formuleert, in Le rôle de l'exposé
et de la critique des philosophies antérieures chez Aristote
(1960), p.38:
"Wat
hij bij (zijn voorgangers) zoekt, is een bevestiging van zijn eigen
opvattingen, hetzij in de positieve zin, doordat
hij ontdekt dat zijn opvatting overeenstemt met die van de Ouden
[wat
aan zijn theorie dan het aureool van de traditie geeft, HdL],
of, nog eerder, dat zijn
theorie uiteenzet wat zij al vermoed hadden, maar dat dan doet op een
meer volledige, duidelijke of genuanceerde manier dan zij het deden;
hetzij in de neqatieve zin, doordat hij aantoont
tot welke impasse de denkers kwamen die de oplossing die hij aan dit of
dat probleem geeft, nog niet gevonden hadden".
Aristoteles'
testimonia zijn dus altijd functioneel t.o.v. de "Sachfrage"
die hij behandelt; d.w.z. de doxografische overzichten zijn nooit een
doel op zich, maar vormen een integrerend moment van zijn eigen
filosofische uiteenzetting. Dat zoiets tot een heel kritisch gebruik
noopt van zijn getuigenissen (terminologie, conceptueel niveau, enz.)
is ten overvloede aangetoond door Harold Cherniss,
in zijn baanbrekend werk: Aristotle's Criticism of
Presocratic Philosophy (1935)[4]. W.K.C.Guthrie, nochtans, in Aristotle
as a Historian of Philosophy, waarschuwt voor een al te
negatieve beoordeling: Aristoteles heeft inderdaad zijn tekortkomingen,
maar zijn besprekingen zijn desalniettemin van vitaal belang voor een
studie van het archaïsche denken.
2.
Themawerken gewijd aan een denker, school, enz.
Vanzelfsprekend
oefenen ook in dit soort van besprekingen de eigen
opvattingen van de auteur een actieve invloed uit. Toch staan we hier
voor de werkelijke oorsprong van de "geschiedenis van de filosofie".
Ook hier is Aristoteles
als de archegeet te beschouwen (hoewel: historische eerlijkheid gebiedt
ons aan te stippen dat daartoe reeds in de Sofistiek een aanzet was
gegeven; met name door Hippias: diens Sunagogè,
of "Verzameling", is
wellicht de bron geweest voor Aristoteles' kennis van Thales). In het
kader van de hoger besproken algemene methodologische opstelling, liet
hij in zijn school systematische materiaalverzamelingen alsook
"geschiedenissen" samenstellen m.b.t. de uiteenlopende
onderzoeksdomeinen van de school: biologie, politiek (bekend is de
verzameling van 158 zgn. "politeîai", of
constituties, waarvan er één, de Constitutie
der Atheners, aan het einde van de vorige eeuw op papyrus is
teruggevonden), geneeskunde, wiskunde, muziek en ook filosofie. In de
catalogen van Aristoteles' eigen werken treffen we titels aan als: "Over de Pythagorëers", "Over
Demokritos", "Over de Vormen (sc. van Platoon)",
e.a., maar van die teksten bezitten we slechts een heel beperkt aantal
zgn. fragmenten. Vermeldenswaard in dit verband is ook het
peripatetische traktaatje, "Over Melissos, Xenophanes en
Gorgias", van een onbekend auteur, dat althans in een
samenvatting is bewaard. Ook Aristoteles' medewerker en opvolger,
Theophrastos, was op dit vlak erg actief (zie verder).
3.
Commentaren.
Vanaf
de 1e eeuw gingen de werken van Platoon en, vooral, Aristoteles
(na de uitgave van diens teruggevonden werkteksten door Andronikos van
Rhodos) systematisch gecommentarieerd en uitgelegd worden door
professoren filosofie in de vele stedelijke scholen. Bij die
exegetische arbeid ging men ook regelmatig gebruik maken, ter verdere
verduidelijking van de gecommentarieerde tekst, van nog bewaarde
teksten van in de brontekst vermelde of besproken, oudere filosofen -,
zodat deze commentaren vandaag een belangrijke bron vormen voor bv. de
verloren geschriften van de zgn. Voorsocratici. Vooral de laat-antieke
Aristotelescommentaren zijn hier van uitzonderlijk belang, met als
voorname auteurs o.m. Alexander
van Aphrodisias
(einde 2de, begin 3de eeuw) en de neoplatonicus
Simplikios
(Simplicius, einde 6de eeuw: van laatstgenoemde bv. stammen bijna al
onze substantiële fragmenten van de archaïsche
denkers: bv. van Parmenides' leerdicht). Alle bewaarde commentaren
werden eind vorige en begin deze eeuw (in Griekse tekst) uitgegeven
door de zgn. Pruissische Akademie, in de reeks Commentaria in
Aristotelem Graeca (CAG): voor Simplikios zie bv. de banden
VII t.e.m. XI (onder de algemene leiding van Richard Sorabji worden de
teksten sedert enkele jaren systematisch vertaald in het Engels, in The
Ancient Commentators of Aristotle).
Onder
de bewaarde Platooncommentaren, anderzijds, zijn vooral die van Proklos,
bijgenaamd "de Diadoch" (i.e. "opvolger"),
geb. 410 en gest. 485 en schoolhoofd van de laat-antieke, zgn. Atheense
school, belangrijk om hun informatie over het Neopythagorisme en het
Neoplatonisme.
4.
Vulgarisatiewerken van eclectische,
apologetische of polemische strekking
4.1.
De "philosophica", d.w.z. filosofische geschriften,
van de Romein
Cicero
(106-43 vK), geschreven in een periode dat deze redenaar-politicus
tegen wil en dank politiek op non-actief was geplaatst en hij zich tot
taak had gesteld de Griekse filosofie in het Latijn te reproduceren;
zij vormen een zeer belangrijke bron, ook al werden ze met een zekere
haast en oppervlakkigheid opgesteld. Ze bevatten vertalingen,
samenvattingen of parafrases van tal van verloren werken uit de Stoa,
de Nieuwe Akademie (Skepsis) en het Epicureïsme.
4.2.
Ook de zgn. Moralia van de Griekse
gentleman-literator, Ploutarchos
van Chaironeia (ca 45-125 nK) leveren ons belangrijke informatie over
bv. Stoïcisme en Epicureïsme.
4.3.
De
skepticus (en arts)
Sextos Empeirikos
(Sextus Empiricus, einde 2de eeuw nK) citeert in zijn hoofdwerk,
gericht tegen de zgn. dogmatische filosofen: het zgn. Adversus
Mathematicos (de titel betekent zoveel als "Tegen
de Professoren")[5], tal van fragmenten, o.m. i.v.m. de kennistheorie
(bv. van Demokritos).
4.4.
De
bloemlezingen, het Florilegium en de Eclogae
physicae et ethicae van Johannes van Stobi, kortweg Stobaios
(5de
eeuw nK) bieden een verzameling educatieve uittreksels uit de gehele
Griekse literatuur, vnl. op het vlak van de ethiek (bv. de zgn.
"ethische fragmenten" van Demokritos).
4.5.
Een
ganse reeks van christelijke auteurs hebben in hun polemieken tegen het
"hellenisme" (of: "heidendom") - vaak huns ondanks - belangrijke
gegevens, soms zelfs substantiële fragmenten bewaard van hun
tegenstanders. De eerste die hier moet vermeld worden, is
Clemens van Alexandrië
(2de helft van de 2de eeuw): als bekeerling gebruikte hij zijn grote
eruditie om zijn vergelijkingen tussen het hellenisme en het
christendom te stofferen met citaten uit filosofen en dichters (cf.
zijn Protrepticus en Stromateis,
dwz "miscellanea"). Verder zijn er:
Origenes
(185-253), met bv. zijn Contra Celsum;
Hippolutos
(3de eeuw, één van de twee bisschoppen van Rome),
die een Refutatio omnium haeresium ("Weerlegging
van alle ketterijen") schreef, met de bedoeling aan te tonen
dat alle christelijke ketterijen konden teruggevoerd worden op Griekse
filosofische richtingen (dat levert ons heel wat informatie over bv. de
archaïsche kosmogonische theorieën, tal van
fragmenten van Herakleitos, e.d.);
Eusebios
van Kaisareia (ca 340), met vooral zijn Praeparatio Evangelica
(bv. fragmenten van Noumenios en Porphurios).
Onder de Latijnse kerkvaders, anderzijds, kunnen we
Arnobius, Marius Victorinus, Augustinus,
e.a. vermelden. De Griekse auteurs worden uitgegeven in de reeks
Die griechischen
christlichen Schriftsteller der ersten Jahrhunderte.
Onder het impuls van historici
als Jaap Mansfeld en Catherine Osborne, wordt in de meer recente
literatuur meer aandacht geschonken aan de (ver)vormende rol die de
eigen (polemische, ideologische, e.a.) doelstellingen van deze
laat-antieke auteurs gespeeld hebben bij de weergave ook van zgn.
"fragmenten": voor een correcte appreciatie en interpretatie van
ogenschijnlijke "citaten" moet de context binnen dewelke ze "geciteerd"
worden, in rekening worden gebracht.
5.
Doxografen
Het betreft late auteurs die
zich toelegden op het systematisch en overzichtelijk verzamelen van de "meningen"
(in het Grieks: hai
doxai of
ta
areskonta,
Latijn: Placita) van de oude filosofen,
gerangschikt naar thema of inhoud. Bv.: "Over de principes: Thales van Milete zegt dat de
archè water is. Anaximander
van Milete zegt...
Anaximenes
zegt...",
enz.
5.1.
De archegeet van dit genre was blijkbaar
Theophrastos
van Eresos (ca 372-288), met zijn
Phusikôn Doxai
(Physicorum Opiniones),
in 18 boeken, allicht geschreven in het kader van de
materiaalverzamelingen die Aristoteles door zijn leerlingen liet
aanleggen. Slechts één afdeling ervan bleef
bewaard, nl. die over de zintuigen (in de traditionele Latijnse
benaming: De Sensu of De Sensibus).
Voor de rest zijn er belangrijke fragmenten bewaard gebleven uit het
eerste boek, "Over de principes", in de latere
Aristotelescommentaren, vooral die van Simplikios. Daarnaast zijn er de
bewaarde werken van de latere, eigenlijke "doxografen", die hun
materiaal in laatste instantie, maar zeker niet altijd direct, uit
Theophrastos haalden (zie verder). Wat de structuur van Theophrastos'
werk betreft, veronderstelde Hermann Diels (zie verder) dat reeds
Theophrastos, in plaats van a.h.w. monografieën te hebben
opgesteld over de theorieën van de verschillende denkers, zijn
stof thematisch had ingedeeld volgens de "topics"
die in de Peripatos in omloop waren; onder elke hoofding werden de
opvattingen opgesomd van de verschillende filosofen, min of meer in
chronologische volgorde, soms in hun eigen bewoordingen.
Wat
Theophrastos' aanpak van de archaïsche natuurdenkers
betreft, krijgt men de indruk dat hij in hogere mate "historisch"
gemotiveerd was dan zijn leermeester, Aristoteles; zo lijkt hij hier en
daar fouten bij Aristoteles
te willen corrigeren: bv. voor Anaximander vervangt hij (i.v.m. de
"afscheiding, ejaculatie" van een kosmisch semen uit het
Apeiron) Aristoteles' werkwoord ekkrínesthai,
een samenstelling die blijkbaar niet voorkwam
vóór het midden of het einde van de 5de eeuw,
door het historisch wellicht authentieke
apokrínesthai. Vanzelfsprekend is er ook bij hem sprake van een
rationaliseren van het archaïsche denken bij middel van het
peripatetische conceptuele instrumentarium. Enkele jaren terug,
trouwens, is o.m. door J.B. McDiarmid geargumenteerd dat Theophrastos
regelmatig gewoon Aristoteles' presentatie en interpretatie als
uitgangspunt nam, en niét de oorspronkelijke teksten.
Volgens McDiarmid dient, alleszins wat de weergegeven visie betreft van
Presocratici over de "oorzaken", zelfs geconcludeerd te worden dat
Theophrastos een "volledig bevooroordeeld getuige is, die
nog minder betrouwbaar is dan Aristoteles". Dat lijkt echter
overdreven: zoals gezegd, Theophrastos wijkt regelmatig af van
Aristoteles, en bijna altijd terecht, wat suggereert dat hij toch een
zekere mate van zelfstandigheid en "objectiviteit" heeft weten te
bewaren. Wanneer dan Aristoteles' en Theophrastos' versies onderling
overeenstemmen, zou dat eerder ten gunste van de authenticiteit kunnen
pleiten dan ertegen. Concluderend scharen we ons achter de opinie van
Charles Kahn, in Anaximander and the Origin of Greek Cosmology
(1960), p.22, nl. dat Theophrastos hoe dan ook onmisbaar is als "the
groundwork" voor elke geschiedschrijving van het
archaïsche denken; wel moet er rekening mee worden gehouden
dat we, in de overlevering doorgaans twee trappen van hem verwijderd
zijn: veelal moeten we ons tevreden stellen met latere excerpten en
parafrasen, zelfs parafrasen van parafrasen.
5.2.
Direct bewaarde doxografische teksten zijn:
-- de Epitomè,
of Placita, van de zgn. Pseudo-Ploutarchos,
-- de Historia Philosopha van Pseudo-Galenos,
-- de Philosophoùmena van Hippolutos,
i.e het eerste boek van diens al vermelde Refutatio,
-- het traktaat De natura hominis, van bisschop
Nemesios (einde 4de eeuw),
-- het Graecarum affectionum curatio, van bisschop
Theodoretos (le helft 5de eeuw).
Verder
vermelen we nog de satire tegen de "heidense filosofen",
Irrisio gentilium philosophorum, van Hermeias
(2de of 3de eeuw), en sommige delen van het "Tegen de Sekten"
van Epiphanios (2de helft van de 4de eeuw).
Uit een
vergelijking tussen de Ps-Ploutarchos, de Eclogae physicae
van Stobaios en het 4de boek van Theodoretos kwam de Duitse filoloog Hermann
Diels tot de conclusie dat ze alle drie uit eenzelfde,
verloren bron hadden geput, nl. de (verloren) Placita
van een zekere Aetios (vermoedelijk einde 1ste,
begin 2de eeuw nK), vermeld bij Theodoretos.
Uit de
overeenkomsten tussen
(a)
deze (gereconstrueerde) Placita van Aetios,
(b)
sommige stukken van Cicero's Academia Priora en De
Natura Deorum (de doxografie van dit laatste vertoont sterke
overeenkomsten met het De Pietate van de
epicureër Philodemos, ca 110-35 vK; beide gaan
wellicht terug op het "Over de Goden", van de
epicureër Phaidros, ca 140-70 vK, dat zelf zou
teruggaan op een stoïcijnse inkorting van Theophrastos),
(c) fragmenten van Terentius
Varro
(116-27 vK), die bewaard zijn in
(d) Censorinus' De Die Natali
(3de eeuw),
leidde Diels verder af dat
Aetios zelf gebruik had gemaakt van een nog oudere verzameling, door
hem de Vetusta Placita (i.e. de "Oudste
Placita") genoemd. Die "oerverzameling" zou afkomstig zijn
uit de school van Poseidonios (Midden-Stoa, ca 135-51 vK).
Tenslotte zou ze, zoals de doxografische traditie in haar geheel, mits
toevoegingen betreffende stoïcijnse,
epicureïsche en peripatetische leerstellingen, teruggaan op
Theophrastos.
Er dient
nochtans te worden opgemerkt dat Diels' reconstructie van de
doxografische traditie, te beginnen met die van Theophrastos' Phys.
Opiniones, tijdens de laatste decennia op verzet is gestuit.
Zo wordt met name zijn reconstructie van het werk van Theophrastos
vanuit de bewaarde doxografische literatuur fundamenteel in vraag
gesteld door P.Steinmetz, in Die Physik des Theophrastos von
Eresos (1964), pp. 334-350: volgens Steinmetz heeft
Theophrastos juist géén thematisch geordende
geschiedenis van de filosofie geschreven, maar wel degelijk een reeks
monografieën waarin
"de
leerstellingen van de afzonderlijke phusikoí
aangehaald werden, vanuit het standpunt van de aristotelische filosofie
geïnterpreteerd
werden, hun prestaties gekarakteriseerd en hun tekortkomingen
bekritiseerd werden. Resten van deze kritiek vindt men terug in de
notities bij Aetios. Deze monografieën, van dewelke de
geschriftenkataloog van Diogenes Laertios
enkele titels bewaard heeft, heeft Theophrastos samengevat onder de
verzameltitel Phusikôn Doxai" (p. 350).
Het
lange fragment De Sensibus - dat deze visie lijkt
te weerspreken - zou dan eventueel uit Theophrastos' Physica
afkomstig zijn.
Ook
Charles Kahn, in zijn al geciteerd werk over Anaximander, pp. 11-17,
komt tot de conclusie dat de theorie van Diels betreffende de filiatie:
Theophrastos ® Vetusta
Placita (o.i.v. Poseidonios)
®
Aetios, "niet
overtuigend" is. "Hoe dan ook, slechts voor een kleine minderheid zijn
de uiteenzettingen direct op Theophrastos
terug te voeren": er is niet enkel het vrije gebruik van latere
bronnen, maar in vele gevallen heeft ook een totale vervorming plaats
gevonden. Toch leveren Aetios' Placita ons de
uitvoerigste samenvatting van
Theophrastos; op tal van punten hébben we gewoon niets
anders. Bijgevolg moeten we Aetios' getuigenis dikwijls nemen voor wat
ze waard is: 1) in het algemeen zijn de eenvoudige punten zonder grote
vervorming weergegeven; 2) hoe complexer echter de thematiek, hoe
groter het gevaar voor verwarring, tot het onbegrijpelijke toe.
5.3.
In Eusebios en Stobaios vinden we sporen terug van een filosofisch
handboek samengesteld door Areios
Didumos, een alexandrijns filoloog, stoïcijn en
vriend van Augustus, 1ste eeuw vK. In zijn streven om de divergerende
leerstellingen van Akademie, Peripatos en Stoa met elkaar te verzoenen,
vooral op het vlak van natuurfilosofie en ethiek, stelde Areios een
omvangrijke doxografische materiaalverzameling samen. De bewaarde
fragmenten hebben enkel betrekking op Platoon, Aristoteles en de Stoa[6].
Tenslotte
zijn er nog de Stromateis (i.e. "miscellanea", niet
te verwarren met de Epitome) van
Ps-Ploutarchos, eveneens bewaard bij Eusebios. Ze zijn
toegespitst op de stof van de eerste boeken van Theophrastos (het
materiële principe, de kosmogonie en de hemellichamen - in
Diels' reconstructie).
Het
bewaarde doxografische materiaal is door Hermann Diels
bestudeerd en uitgegeven in zijn monumentale werk, Doxographi
Graeci (1e uitg. 1879). Het bevat met name de volgende
teksten: Aetios (d.w.z. Ps-Plout. Epitome en Stob.
Eclogae, in twee, "synoptische" kolommen naast elkaar);
Areios Didumos (frr.); Theophrastos (frr. en De Sens.);
Cicero (excerpta uit De Natura Deorum, I);
Hippolutos; Ps-Plout. Strom.; Epiphanios (exc.);
Ps-Galenos Hist. Phil.; Hermeias' Irr.
gent. phil.
Diels
heeft nadien de resultaten van zijn werk gebruikt voor zijn nog altijd
onvervangbare Fragmente der Vorsokratiker (1e uitg.
1903; later in samenwerking met Walter Kranz). Het
overgeleverde materiaal is dit keer geordend is per filosoof
(chronologisch gerangschikt, met een nummering die evolueert in de
latere edities): onder "A", zonder vertaling en in kleine font, de testimonia;
onder "B", met Duitse vertaling, de fragmenta;
onder "C" eventueel teksten die Diels als niet-authentiek beschouwde
(citeerwijze: bv. "D-K, 68 A 135", i.e. Diels-Kranz, Demokritos,
testimonium nr 135). Terwijl de nummering van de testimonia onder "A"
op thematische gronden is gebaseerd (eerst getuigenissen over het
leven; vervolgens over de algemene principes,enz.), is de nummering van
de fragmenten vaak louter mechanisch (dus niet: volgens vermeende
inhoudelijke samenhang). Bv. in het geval van Herakleitos -
zelf nummer "22" in de laatste uitgave - zijn, met uitzondering van het
langere fragment 1 (waarvan we weten dat het vooraan stond in
Herakleitos' boek), alle fragmenten louter alfabetisch
geordend naar de naam van de latere bronauteur.
6.
Literair-historische en biografische werken
6.1.
Bibliografieën
Hieraan
danken we de kennis van althans de titels van de ontzaglijke massa van
verloren werken. De totstandkoming van dergelijke bibliografische
lijsten of catalogi (pínakes) werd in
belangrijke mate bevorderd door de oprichting, in de hellenistische
periode, van grootschalige bibliotheken. De belangrijkste hiervan was
het Mouseîon van Alexandrië
(waarbij Demetrios van Phaleron, na zijn verdrijving uit Athene,
klaarblijkelijk voor de fysieke verbinding zorgde met de peripatetische
traditie).
Bekend
zijn bv. de Pinakes van de dichter-geleerde, Kallimachos
van Kurene (Cyrene, ca 310-235), in 120 boeken, met een speciale
afdeling voor de filosofen; het bevatte ook biografische gegevens. Een
hoofdbekommernis van deze bibliothecarissen was verder de
systematische indeling
van de vaak omvangrijke corpora. Zo werd
althans een deel van de Platoonnalatenschap door Aristophanes
van Byzantium (ca 195 vK) in (vijf)
trilogieën ingedeeld, een indeling die nadien door
Thrasullos (onder
keizer Tiberius) door een meer omvattende, tetralogische indeling werd
vervangen - i.e. de vorm waaronder het Corpus Platonicum tot ons is
gekomen en die ook nog is overgenomen door J.Burnet voor zijn
standaarduitgave van Platoon, in de Oxford Classical Texts.
Opvallend aan deze antieke classificatie is dat er, naast 9
tetralogieën van zgn. goed-platoonse teksten, ook een 10de
sectie is van teksten die reeds in de oudheid als apocriefen werden
beschouwd. Thrasullos, een platonicus, die vermoedelijk een beroep
heeft kunnen doen op akademische precedenten[7], heeft ook Demokritos' geschriftencorpus in
tetralogieën geordend: zie de lijst bewaard bij Diogenes
Laertios, IX, §§45-49 (=D-K, 68A33). De meeste
lijsten, trouwens, zijn ons dank zij Diogenes Laertios bewaard (zie
verder, onder §6.4). Onder de moderne studies over dit
"lijsten-genre", zie bv. voor Aristoteles, Paul Moraux, Les
listes anciennes des ouvrages d'Aristote (Leuven 1951).
6.2.
Filosofenlijsten.
Tussen
de papyri van Herculaneum werden twee fragmenten gevonden van de hand
van de epicureër Philodemos
van Gadara (ca110-40/35). De ene ervan bevatte een lijst van de
filosofen van de Akademie (uitg. S.Mekler: Academicorum
philosophorum index herculanensis, Berlin 1902), de andere
van de Stoa (Index Stoicorum, uitg. A.Traversa,
Genua 1952). Dergelijke lijsten werden meestal chronologisch opgesteld
om de relatie meester-leerling vast te leggen (de zgn. diadochaí,
of "opvolgingen"). De eerste om filosofen van
verschillende tijd en richting aldus te groeperen op basis van
meester-leerlingverhoudingen was de peripateticus
Aristoon van Keos (ca 230vK). Uiteindelijk ging men alle
gekende filosofen op die manier opnemen in een alomvattend systeem van diadochaí,
zodat een apart literair genre ontstond. Schepper
van het genre was blijkbaar de Alexandrijnse filoloog Sotioon
(tussen 200 en 170). Ook hiervan vinden we een
neerslag bij Diogenes Laertios.
6.3. Chronologische werken
De
Chronographia, het grote chronologische
werk van de beroemde alexandrijnse geleerde (filoloog, astronoom,
geograaf, enz.) Eratosthenes
(3e eeuw vK), werd door Apollodoros
van Athene (midden 2de eeuw vK) verwerkt tot de meer populaire en
vulgariserende - want geschreven in iambische trimeters - Chronika.
Van dit laatste werk bleven een groot aantal fragmenten bewaard dank
zij, nogmaals, Diogenes Laertios. Ze zijn uitgegeven door F.Jacoby
(Berlin 1902).
Bij
Eratosthenes ontbrekende gegevens (niet enkel i.v.m. politieke
gebeurtenissen, maar ook m.b.t. kunst, literatuur en geestesleven)
werden door Apollodoros aangevuld op basis van een mechanische en vrij
arbitraire methode, voornamelijk bij middel van het principe van de
akmè of "bloei"
(Latijn: floruit) van elke persoon, die eenvormig
op de leeftijd van 40 jaar werd gefixeerd. De Chronika
begon vanaf de inname van Troje, gedateerd in 1184/1183 (het Atheense
jaar, zoals bekend, begon met het zomersolstitium, en zit dus "te
paard" op onze jaartelling). Maar de eigenlijke jaartelling begon met
de 1e Olympiade (776 vK), en het precieze jaar van een bepaalde
gebeurtenis - de Olympische Spelen, in Olympia, vonden immers slechts
om de vier jaar plaats - kon eventueel worden aangegeven door
vermelding van "het (zoveelste) jaar van de (zoveelste) Olympiade", bv.
Anaximander "was 64 jaar oud in het 2e jaar van de 58e
Olympiade", aangevuld door de vermelding van de naam van de
zogenaamde "eponieme" archont te Athene (die dus, letterlijk, "zijn
naam" aan het jaar waarin hij in functie was)[8]. Als externe
referentiepunten gebruikte Apollodoros de grote historische
gebeurtenissen (bv. de inname van Sardes door de Perzen, in 546/5; de
stichting van Thourioi, 444/3, enz.). Daarmee trachtte hij dan voor
elke figuur de akmè
te "dateren", ten minste wanneer precieze gegevens ontbraken (bv. van
Protagoras wordt de "bloei" verbonden met de
Olympiade van de stichting van Thourioi); ofwel deed hij de akmè
gewoon samenvallen met het belangrijkste feit dat van de figuur in
kwestie bekend was (bv. Thales' "bloei" valt in het
jaar dat hij de zonsverduistering voorspelde; Platoon stichtte de
Akademie op 40-jarige leeftijd, enz.). Ook voor de chronologische
relatie meester-leerling hanteerde Apollodoros een periode van 40 jaar.
6.4.
Biografische werken
Het
genre van de Bioi, d.w.z. Vitae
of Levens, stamt uit de peripatetische school: cf. vooral Aristoteles'
leerlingen, Aristoxenos
(ca375/6O-300) en Klearchos
(geb. ca 340). Het genre verwees in oorsprong niet naar
biografieën, maar naar (beschrijvingen van) types van
levensvoering[9]. Wel werd uitvoerig gebruik gemaakt - met
stichtende bedoelingen - van exempla uit de levens van bekende/beruchte
individuen, maar ook van poleis of volkeren; auteurs zoals Klearchos
hadden daarbij een grote voorliefde voor gruwelscènes
en de uitspattingen van Griekse en oosterse despoten[10].
Het
biografische genre bleef daarvan de sporen dragen: de klemtoon lag
vooral op de "chronique scandaleuse" inzake het
onderwerp, evenals op anekdotes, puntige gezegdes en maximes (zgn.
chreîai en apophthégmata).
Vaak ook worden leerstellige of literaire gegevens kwaadwillig
verdraaid tot pseudo-biografische (bv. uit fr. 36 van Herakleitos, dat
het "voor zielen dood is om water te worden", werd
de "informatie" gedistilleerd dat Herakleitos aan het eind van zijn
leven aan... waterzucht zou hebben geleden). Het genre, dat in de
eerste plaats literair entertainment beoogde, werd
overgenomen door de Alexandrijnen: het voornaamste biografische werk
was hier de "Levens", van Kallimachos' leerling, Hermippos
van Smyrna (200 vK); het was bedoeld als een aanvulling bij
Kallimachos' Pinakes .
De
filosofenlevens meer in het bijzonder, met hun combinatie van biografie
en doxografie, vormen in het biografische genre een aparte groep. De
eerst peripateticus, zover we kunnen nagaan, om een groep filosofen in
een monografie te behandelen, was Theophrastos' land- en tijdgenoot,
Phainias van Eresos, nl. in zijn werk "Over de
Socratici". Hoe dan ook, door de wisselvalligheden van de
overlevering is het belangrijkste verzamelwerk voor ons dat
van een zekere DIOGENES LAERTIOS
(einde 2de, of eerste helft 3de eeuw nK, waarschijnlijk). De volledige
Latijnse titel ervan luidt: De vitis dogmatibus et
apophthegmatibus clarorum philosophorum ("Over de
levens, leerstellingen en gezegdes van de beroemde filosofen", verkort:
Vitae philosophorum)[11]. Het werk bestaat uit 10
boeken en is volledig bewaard. Het wordt gedomineerd door het
gezichtspunt van de diadochè
en door de klemtoon op "scholen" (in het Grieks: hairéseis) [12], in plaats van op de
individuele filosofen: vandaar dat er enkel een doxografisch overzicht
wordt gegeven bij de stichters, tenzij waar er afwijkingen zijn.
Diogenes integreert in zijn biografieën ook de gegevens van de
andere literair-historische genres - wat zijn werk er vanzelfsprekend
alleen maar belangrijker om maakt, voor ons.
De
behandelde filosofen zijn dus min of meer chronologisch gegroepeerd in
"scholen" die dan volgens twee afstammingen gegeven worden: de zgn.
"Ionische" (boeken I-VII) en de "Italische"[13]. Inzake biografie in de strikte zin biedt Diogenes
ons steevast de volgende rubrieken: (1) geboorteplaats en familie, (2)
kort fysiek en intellectueel portret, (3) meesters, (4) leerlingen, (5)
diverse episodes uit het leven, (6) omstandigheden van de dood. Naast
deze biografische gegevens (sommige uit Apollodoros, maar meestal
waardeloze gefantaseerde anekdotes), worden, naargelang van de persoon,
ook gegeven: apophthegmata of gezegdes, testament, werkencatalogus,
doxografie (althans bij de schoolstichters) en een homoniemenlijst. Het
boek bevat ook een aantal belangrijke fragmenten (bovenal: drie
integrale brieven van Epikouros).
Algemeen
kenmerkend voor Diogenes Laertios' berichtgeving zijn: (1) het
bijzonder groot aantal door hem vermelde bronnen (het werk bevat in
totaal 1186 verwijzingen naar 250 auteurs) - wat zeker niet wil zeggen
dat hij ze allemaal zelf heeft geconsulteerd; (2) de aanwezigheid in de
tekst van zgn. "dwaalblokken" die een uiteenzetting plots onderbreken,
en elders beter op hun plaats lijken.
6.5.
Lexica
De
bewaarde lexica stammen meestal uit de Byzantijnse periode. Het
belangrijkste is de zgn. Souda (vroeger
verkeerdelijk het "lexicon van Suidas" genoemd),
uit de 10e eeuw. Ondanks zijn vele zwakheden bevat het vaak onschatbare
informatie over verloren gegane geschriften. Voor de filosofen geeft
het, zeer beknopt, bio- en bibliografische en doctrinale gegevens.
Naast realia zijn er ook taalkundige particulariteiten in opgenomen
(bv. voor Herakleitos fr. 122).
Het
lexicon van Hesuchios
van Alexandrië (5de eeuw nK), daarentegen, was uitsluitend
gewijd aan de verklaring van moeilijke woorden en uitdrukkingen,
voornamelijk uit de dichters. Hij levert ons echter ook tal van
oorspronkelijke uitdrukkingen van de archaïsche
natuurfilosofen over (zie bv. voor Demokritos, D-K 68 B 130 t.e.m.
141). Van dit werk, een van de omvangrijkste uit de Oudheid, is ons, in
een handschrift uit de 15de eeuw, een tegelijkertijd aanzienlijk
ingekorte en uit latere werken aangevulde versie overgeleverd.
6.6.
Varia
Tenslotte
kunnen als indirecte bronnen nog vermeld worden: zgn.
homoniemenlijsten (de bekendste was de lijst opgesteld door
Demetrios van
Magnesia, 1ste eeuw vK, die ook biografisch en literair-historisch
materiaal bevatte; hij is systematisch aangewend door Diogenes
Laertios); literaire en historische mengelwerken (bv. de
Hypomnèmoneùmata en de Pantodapè
Histora van Favorinos
van Arelate, begin 2de eeuw nK); documenten, zoals brieven (meestal
apocrief) en testamenten (bv. van Aristoteles, overgeleverd in Diogenes
Laertios, V, 11-16, e.d.); monumenten en inscripties (de belangrijkste
is ongetwijfeld de inscriptie van de epicureër Diogenes
van Oinoanda, 2de eeuw nK, die de epicureïsche
"blijde boodschap" verkondigde; talrijke brokstukken ervan zijn reeds
teruggevonden).
_____________________________
Literatuurlijst
1.
Uitgaven van teksten en fragmenten:
Apollodors
Chronik.
Eine Sammlung der Fragmente, hrsg. von F.Jacoby. Berlin 1902.
Commentaria
in Aristotelem Graeca,
edidit Acad. Litt. Borussica, 23 volumes. Berlin 1882 e.v. (CAG).
The
Ancient Commentators on Aristotle,
general editor: Richard Sorabji (Engelse vertaling van de Griekse
teksten, reeds een 23-tal delen verschenen, 4 aangekondigd).
Diogenis
Laertii Vitae Philosophorum,
recogn. brevique adnot. critica instruxit H.S.Long. 2 volumes, Oxford
Classical Texts, 1964 (afkorting: DL).
Diogenes
Laërtius. Leven en leer van beroemde filosofen.
Vertaald door R.Ferwerda en J.Eyckman. (Ambo Klassiek),
Baarn
Doxographi
Graeci,
collegit recensuit prolegomenis indicibusque instruxit H.Diels. 4e
uitg., Berlin 1965 (= 2e uitg. van 1929) (Dox.).
Favorin
von Arelate. Die 1. Teil der Fragmente. Memorabilien und Omnigena
Historia,
hrsg. und kommentiert von E.Mensching. Berlin 1963.
Die
Fragmente der Vorsokratiker.
Griechisch und Deutsch von H.Diels. Hrsg. von W.Kranz. 12. Aufl.,
Dublin-Zürich 1966 (= 6.Aufl. 1952) (D-K).
Die
griechischen christlichen Schriftsteller der ersten drei Jahrhunderte.
Leipzig 1897 e.v. (na 1945 uitgebreid tot: Die griech.
christl. Schr. der ersten Jahrhunderte, Berlin).
Hesychii
Alexandrini Lexicon,
rec. M.Schmidt. 5 volumes, Jena 1858-68.
Ioannis
Stobaei Anthologium
recensuerunt C.Wachsmuth et O.Hense, vol.I-II: Eclogae
Physicae et Ethicae, libri I-II, rec. C.Wachsmuth vol.III-V: Anthologii
libri duo posteriores, ed.O.Hense. Berlin 1894 (1958).
Suidae
Lexicon, ed. A.Adler, 5 vols. Leipzig 1928.
2. Aristoteles als historicus
van de filosofie:
H.Cherniss, Aristotle's
Criticism of Presocratic Philosophy. Baltimore 1935 (New York
1964).
H.Cherniss, Aristotle's
Criticism of Plato and the Academy. Volume I. Baltimore 1944.
W.K.C.Guthrie, Aristotle
as a Historian of Philosophy: Some Preliminaries, in: JHS
LXXVII (1957), pp.35-41 (herdrukt in: D.J.Furley & R.E.Allen
(edd.), Studies in Presocratic Philosophy, I,
pp.239-254.
Suzanne Mansion, Le
rôle de l'exposé et de la critique des
philosophies antérieures chez Aristote, in: Aristote
et les problèmes de la méthode. Communications
présentées au Symposium Aristotelicum, Louvain
1960. Leuven 1961, pp.35-56.
3. Commentaria in
Aristotelem Graeca (CAG):
R. Sorabji (ed.), Aristotle
Transformed. The ancient commentators and their influence.
London 1990, met inleiding, pp. 1-30.
K.Praechter, recensie van de
reeks Commentaria in Aristotelem Graeca (1909), in
Engelse vertaling in Sorabji (1990), pp. 31-54.
4.
Theophrastos:
Ch.Kahn, Anaximander
and the Origin of Greek Cosmology. New York 1960.
J.B.McDiarmid, Theophrastus
on the Presocratic Causes, in: Harvard Studies in Class.
Philol., 61(1953), pp. 85-156 (uittreksels in: Furley & Allen,
I, pp.178-238).
P.Steinmetz, Die
Physik des Theophrastos von Eresos. Wiesbaden 1964.
5.
Doxografen, Polemisten, e.a.:
zie ook
J Burnet, Early
Greek Philosophy. 4th ed. London 1930 (Appendix).
K.Praechter, Die
Philosophie des Altertums. F.Ueberwegs Grundriss der
Geschichte der Philosophie, l.Teil. 13. Aufl., Basel 1953 (= 12. Auf
1926).
M.Giusta, I
Dossografi di Etica. 2 vols, Turijn 1964-67.
Catherine Osborne, Rethinking
Early Greek Philosophy: Hippolytus of Rome and the Presocratics.
Ithaca & London 1987.
6. Biografen:
"Diogene
Laerzio Storico del Pensiero Antico",
Convegno Napoli-Amalfi, 30 sett.-4 ott. 1985, in: Elenchos, VII (1986),
f. 1-2.
I.Gallo, Frammenti
biografici da papiri. Vol.2: La biografia dei
filosofi. Roma 1980.
R.Hope, The Book of
Diogenes Laertius. Its Spirit and Its Method. New York 1930.
J.Mansfeld, Diogenes
Laertius on Stoic Philosophy, in: Diogene
Laerzio... (1986), pp. 297-382.
J.Meier, Diogenes
Laertius and his Hellenistic Background, Hermes
Einzelschriften, 40, Wiesbaden 1978.
Noten:
[1]
Voor vertaling van de passus, zie de Aristotelessyllabus (1996), hfst.
2.
[2]
Voor het (licht geromantiseerde) verhaal over Aristoteles' bibliotheek
zie J.Bidez, Un singulier naufrage littéraire dans
l'antiquité, Brussel 1943; zie ook J.P.Lynch, Aristotle's
School. A Study of a Greek Educational Institution, Berkeley
1972. Zie verder de syllabus Aristoteles: Phusis &
Polis (1996), hfst. 2.
[3]
Wat ook impliceert dat er geen mogelijkheid is om de resultaten ervan
te bevestigen b.m.v. een werkelijkheid die deze menselijke ervaring
(empeiría) geheel zou te buiten gaan, à
la de Vormen of Ideeënwereld van Platoon.
[4]
p.352v. vat hij concluderend de zeven "sources of error" samen, in Aristoteles'
berichtgeving.
[5]
Het oorspronkelijke werk, "Tegen
de Professoren", handelde over de leraars in de zgn. Vrije
Kunsten en bestond uit de volgende zes boeken: I. de grammatici, II. de
rhetorici, III. de geometrici, IV. de arithmetici, V. de
astrologen/-nomen, VI. de musici. Nadien zijn daar, verkeerdelijk, aan
toegevoegd, als Adv. Mathematicos VII-XI, de vijf
boeken van het tegen de filosofen gerichte werk, "Tegen de
Dogmatici", nl.: "Tegen de Logici", I-II,
"Tegen de Physici", I-II, en "Tegen
de Ethici".
[6]
Zie over Areios Didumos uitvoerig: P.Moraux, Der
Aristotelismus bei den Griechen, von Andronikos bis Alexander v.
Aphrodisias, 1. Band: Die Renaissance des Aristotelismus im I. Jh.v.Chr.
Berlin 1973, pp. 259-443.
[7]
Zie daarover C.W.Müller, Die Kurzdialoge der
Appendix Platonica, München 1975, p. 27v.
[8]
Apollodoros zelf gaf enkel de naam van de eponieme archont ter
datering. De correspondentie tussen eponieme archont en Olympiade,
zoals we die bij Diogenes Laertios vinden, was te danken aan een latere
adaptatie.
[9]
vgl. (Platoons en) Aristoteles' schema van drie bíoi:
dat van de theoría, dat van de praxis
en dat van de hèdonè
(lust).
[10]
vgl. Aristoteles'
verwijzing, in Nikomachische Ethiek, I.V, 1095b22, naar de legendarische Sardanapallos.
[11]
Het boek werd enkele jaren geleden vertaald in het Nederlands (zie
literatuurlijst).
[12]
Binnen christelijke context zou het gebruikt worden voor
"ketterij", cf. in het Frans: "hérésie".
[13]
Inhoudsoverzicht van de 10
boeken: I. Proloog en de Zeven Wijzen (waaronder Thales); II.
Anaximander, Anaximenes, Anaxagoras,
Archelaos, Sokrates en de Socratici; III.
Platoon; IV. de Akademici; V. Aristoteles en de Peripatetici;
VI. De Cynici; VII. Zenoon en de Stoa (tot Chrusippos); VIII. De
Italici: Puthagoras, Empedokles, Archutas...; IX. Herakleitos (!),
Xenophanes, Parmenides, Melissos, Zenoon van Elea, Leukippos,
Demokritos, Protagoras, Anaxarchos, Purrhoon en Timoon; X. Epikouros.