Antieke Wijsbegeerte: van Thales tot Augustinus.
Een syllabus
door Herman De Ley (© 2009)

• 1ba-INDEX • Syllabi-Index • CIE-INDEX •


DE  BRONNEN  VAN  DE  ANTIEKE  WIJSBEGEERTE



 

A. DE  DIRECTE  BRONNEN
 

1. Onder "directe bronnen" worden de eigen teksten verstaan van de filosofische auteurs: zoals voor gelijk welke filosoof vandaag, vormen zij ook voor de studie van de antieke denkers de hoofdbron en het methodologische uitgangspunt. Het kunnen beschikken evenwel over het volledige oeuvre van een auteur, of zelfs maar over één of meer integrale teksten, is een voorrecht dat ons voor de studie van de antieke wijsbegeerte meestal ontzegd is.

De enige belangrijke Griekse filosoof wiens "gepubliceerd" werk we integraal bezitten, is Platoon (nl. een 30-tal dialogen, alsmede brieven waarvan er enkele mogelijk authentiek zijn). Het feit dat we aldus het gehéle platonische literaire oeuvre overgeleverd hebben gekregen, moet verbazingwekkend worden genoemd, zeker als we deze situatie vergelijken met het veel minder gunstige lot dat andere bekende auteurs, uit dezelfde periode, te beurt viel: bijvoorbeeld

  • Sophokles: van 130 tragedies slechts 7 bewaard;

  • Euripides: van 92 tragedies 19 bewaard; 

  • Aristophanes: van 44 komedies 11 bewaard;

  • Demokritos: van 60 filosofische teksten 0 (nul) bewaard.

Een ander merkwaardig punt i.v.m. de Platoonoverlevering is dat onze oudste handschriften, van het einde van de 9de eeuw, een bétere tekst bieden dan papyrusfragmenten uit... de 3de eeuw vóór onze tijdrekening. De verklaring voor deze toestand moet allicht vooral gezocht worden in de bijzonder gunstige, maatschappelijke en institutionele omstandigheden, vooreerst waarin Platoon zijn teksten schreef: hij leefde en werkte in zijn eigen geboorteland en stichtte er een school, de zgn. "Akademie", waarvan de fysieke continuïteit door hemzelf gewaarborgd werd (cf. met eigen gebouwen). Ook in de latere oudheid, met de ontwikkeling van het platonisme tot een brede, half-filosofische, half-religieuze beweging en, vooral, de verregaande integratie ervan in het christendom konden de Dialogen rekenen op een welwillende omgeving - met name ook na de verwoesting van de Akademie, als school, door de Romeinse soldaten van Sulla, in 86 vK.

Voor Aristoteles, daarentegen, Platoons belangrijkste leerling en later hoofd van een eigen school, het zgn. "Lyceum", waren de omstandigheden heel wat ongunstiger. Hij was een vreemdeling (metoik) in Athene en stond bovendien bekend als een persoonlijke vriend van de Macedonische machthebbers; ook de meeste leerlingen waren niet-Atheners. Na de val van (Aristoteles' oudleerling) Demetrios van Phaleron (307 vK), zagen de peripatetici, onder de leiding van Theophrastos, zich zelfs verplicht voor een korte periode Athene te verlaten. De school geraakte bovendien ook spoedig (vanaf ca 270 vK) in verval. Het is dan ook maar dank zij een quasi miraculeuze samenloop van omstandigheden (verhaald door Straboon, Geographia, XIII,1.54)[1], dat we het overgrote deel bezitten, niét van Aristoteles' "gepubliceerde" werken - de zgn. logoi exoterikoí (d.w.z. "bestemd voor buiten") -, waaronder ook dialogen: die zijn alle verloren gegaan (behoudens zgn. fragmenten), maar wél van de werkteksten, cursusnotities e.d., die Aristoteles heeft opgesteld in het kader van zijn onderzoek en onderwijs: de zgn. logoi peri philosophían (i.e. "wetenschappelijke"), zoals hij ze zelf noemt, of de logoi esoterikoí ("bestemd voor binnen", sc. de school), zoals ze later ook genoemd werden[2].

Naast de dialogen van Platoon en de werkteksten van Aristoteles bezitten we nog enkele traktaten van Aristoteles' medewerker en opvolger Theophrastos, enkele brieven van Epikouros (bewaard bij Diogenes Laertios), en colleges van Plotinos (204-270 nK), de zgn. "Enneaden", opgeschreven en uitgegeven door diens leerling Porphurios). En daarmee hebben we het ver gehad, althans wat de belangrijkste denkers betreft.

Voor de zgn. "secundaire" auteurs kan het volgende lijstje worden gemaakt:

Kleine Socratici: Xenophoon;
Epicureïsme: Lucretius;
Eclecticisme: Cicero, Philoon van Alexandrie;
Midden-Platonisme: Ploutarchos, Albinos, Maximos van Tyr, Apuleius;
Late Stoa: Epiktetos, Seneca, Musonius Rufus, Marcus Aurelius;
Late Skepsis: Sextos Empeirikos (Sextus Empiricus);
Neoplatonisme: Porphurios, Iamblichos, Proklos, Saloustios, Damaskios, Macrobius.


2. Hoger werd, in verband met Platoon, al gewezen op het bestaan papyrusfragmenten. Het is belangrijk om weten dat, terwijl alle vermelde teksten tot ons zijn gekomen via handschriftelijke overlevering (d.w.z. in manuscripten die vanaf de vroege middeleeuwen, in de eerste plaats in het Byzantijnse rijk, door kloosterlingen en geleerden werden gekopiëerd op perkamenten codices), wij, sedert het einde van de 19de eeuw, dank zij de papyrologie, inderdaad ook beschikken over een massa aan papyrusfragmenten, die nog altijd aangroeit. Wat de lokatie van dergelijke vondsten betreft, het gaat, omwille van de vereiste klimatologische omstandigheden (papyrus verdraagt geen vocht), bovenal om Egypte (in ruïnes, op antieke vuilnisbelten, in het karton van sarcofagen, mummiewikkelingen...). Ook Herculaneum in Italië, echter, dat samen met Pompeï in 79 nK getroffen werd door een uitbarsting van de Vesuvius, heeft al heel wat vondsten opgeleverd (vooral uit de bibliotheek van de epicureër Philodemos, in de zgn. Villa Pisonis, waaronder dan ook fragmenten van Epikouros); het betreft hier dan wel materiaal dat, als gevolg van de vermelde natuurramp, in veraste staat is teruggevonden.

Eerder zeldzaam betreft het (bijna) integrale teksten (bv. de Atheense Constitutie, van Aristoteles), maar ook fragmentarische vondsten kunnen belangrijk zijn (bv. de papyrus die nog in 1999 is teruggevonden en die een belangrijk, onbekend fragment van Empedokles bevat). De als maar hogere kostprijs, weliswaar, voor het inzetten van de meest geavanceerde technieken (bv. voor het ontrollen en lezen van veraste papyrusrollen, in Herculaneum) legt een grote hypotheek op verdere ontdekkingen: recentelijk werd door een aantal academici zelfs een oproep gericht aan "mecenassen" en "filantropen" om de opgraving en ontcijfering te helpen bekostigen van de boeken in de twee nog bedolven verdiepingen van Philodemos' bibliotheek, in Herculaneum. Vermoed wordt dat o.m. verdwenen werken van Aristoteles zouden kunnen worden teruggevonden.

In elk geval gaat het ook hier om een vorm van "directe" bronnen, het zij dan dat ze maar uiterst zelden integraal zijn en dat ze, omwille van de staat van het materiaal, op een erg technische en specialistische wijze gepubliceerd worden.


3.
Natuurlijk stellen zich ook n.a.v. deze "directe bronnen", waar we dus het voorrecht genieten, de auteur zélf te kunnen lezen, allerlei problemen die een correcte, d.w.z. historisch adequate interpretatie bemoeilijken. Ik som er enkele op:

1) Er is onze doorgaans zeer fragmentarische kennis over het leven en het historisch-maatschappelijk milieu van de auteur;

2) er stellen zich de normale interpretatieproblemen voor werken van niet meer levende schrijvers (bv. vanaf welke dialoog alluderen de Griekse woordjes "idéa" en "eîdos"  naar Platoons zgn. Ideeën-, of beter: Vormentheorie?); uiteraard zijn er ook regelmatig hinderpalen van taalkundige en semantische aard (bv. de problemen gesteld door de veelduidigheid van het Griekse woord "logos");

3) er is het belangrijke feit dat deze teksten hoe dan ook tot ons zijn gekomen via een handschriftelijke traditie van tien eeuwen en meer, tijdens dewelke ze onvermijdelijk vele corrupties hebben ondergaan: kopieerfouten, arbitraire correcties en aanvullingen, omissies, enz. (vgl. daarentegen de situatie van moderne auteurs wier persoonlijke handschriften vaak zijn overgeleverd, zodat zelden twijfel kan bestaan althans over de te lezen tekst);

4) er stellen zich voor sommige teksten authenticiteitsproblemen die zelden definitief kunnen beslecht worden (vgl. sommige dialogen en brieven van Platoon, de Categoriae van Aristoteles, enz.);

5) in vele gevallen is het onmogelijk om met zekerheid de precieze chronologische volgorde te bepalen tussen de verschillende werken van eenzelfde auteur, en dus de eventuele evolutie van zijn visie en opvattingen met zekerheid te kennen. Terwijl in het geval van Platoon het zgn. stylometrisch onderzoek van de taal en de vorm van de (latere) dialogen een althans globaal, objectief chronologisch kader heeft helpen construeren, is zulks voor het teksten van Aristoteles onmogelijk gebleken.

 




B. DE  INDIRECTE  BRONNEN
 

Voor alle andere belangrijke namen in de geschiedenis van de antieke filosofie - zoals alle archaïsche denkers (de zgn. Voorsocratici), alle Sofisten, alle Stoïcijnen (Oude en Midden-Stoa), de Akademische Skepsis, e.a. - moeten we genoegen nemen met "citaten" en uittreksels (zgn. fragmenta), van afwisselende lengte en betrouwbaarheid bij latere auteurs, en/of, in de meeste gevallen, met geherformuleerde verwijzingen, parafrases, besprekingen, enz. (zgn. testimonia). Het onderscheid tussen "fragmenta" en "testimonia" mag hierbij niet verabsoluteerd worden (de antieken waren niet vertrouwd met de moderne praktijk van het correct en objectief citeren). Deze zgn. indirecte overlevering kan globaal in een zestal hoofdrubrieken worden onderverdeeld: 


1. Uitweidingen, terloopse verwijzingen, e.d.

Treffen we vooral aan bij Platoon en Aristoteles. Platoon is in zekere zin onze eerste "commentator" van de archaïsche natuurdenkers, maar zijn opmerkingen lijken meestal ironisch of zelfs spottend bedoeld. Zie bv. zijn verwijzinqen naar Herakleitos, Parmenides en Empedokles, in de Sofist, 242Cv.; of de typering van de zgn. "Herakliteërs" als "de vlietenden" (in Theaetetus, 181A4), in wier visie, aldus Platoon, de bestaande dingen zouden te vergelijken zijn met mensen die... aan een neusverkoudheid lijden (in Cratylus, 440C-D). Van ernstige, filosofische of historische beschouwingen kan hierbij moeilijk gesproken worden.

Bij Aristoteles ligt dat gans anders. Hij besteedt wél op een stelselmatige wijze aandacht aan de opinies (doxai) van zijn voorgangers. Verschillende van zijn onderzoekingen leidt hij zelfs in met een uitgebreid en kritisch "doxografisch" overzicht van hun opvattingen terzake (vgl. Boek Alpha van de Metaphysica; het eerste boek van De anima; Boek II van de Politica, enz.). Deze praktijk kadert in een algemene, ook methodologische en epistemologische opstelling van de Stagiriet (Aristoteles was afkomstig van Stagira), die hem opponeert aan zijn leermeester Platoon: enerzijds is hij doordrongen van een groot respect voor de tradities (vandaar bv. zijn kritiek, in Politica II, op het voorstel in Platoons Politeia, om, voor de hoogste klassen, eigendom en gezin af te schaffen); anderzijds, en bovenal, huldigt Aristoteles een "empiristisch" standpunt m.b.t. kennis en wetenschap. In tegenstelling tot Platoons epistemologisch dualisme, beschouwt de aristotelische kennisleer de zintuigelijke gewaarwording (aísthèsis) als een organisch moment van het kenproces, en dus als een noodzakelijke voorwaarde om tot (wetenschappelijke) kennis te komen (zie de aanvangsregels van Metaphysica Alpha). Wetenschap (epistèmè) is voor Aristoteles dus gebaseerd op niet-wetenschappelijke vóórkennis en alle wetenschappelijk onderzoek krijgt haar grenzen gesteld door de menselijke ervaring (empeiría) en de zgn. phainómena, of "verschijnselen"[3]. Die menselijke ervaringsgegevens liggen geaccumuleerd in de natuurlijke taal, de tradities en gebruiken en, in het algemeen, in de gangbare opvattingen van de mensen. Deze gangbare "opinies", in de brede zin van het woord, vormen bijgevolg het heuristische uitgangspunt voor elk wetenschappelijk onderzoek.

In de praktijk leidde zulke opstelling er natuurlijkerwijze toe dat Aristoteles bij zijn voorgangers en in de gangbare meningen voorafbeeldingen/bevestigingen zocht van de eigen concepten en leerstellingen. Zoals Susanne Mansion het formuleert, in Le rôle de l'exposé et de la critique des philosophies antérieures chez Aristote (1960), p.38:

"Wat hij bij (zijn voorgangers) zoekt, is een bevestiging van zijn eigen opvattingen, hetzij in de positieve zin, doordat hij ontdekt dat zijn opvatting overeenstemt met die van de Ouden [wat aan zijn theorie dan het aureool van de traditie geeft, HdL], of, nog eerder, dat zijn theorie uiteenzet wat zij al vermoed hadden, maar dat dan doet op een meer volledige, duidelijke of genuanceerde manier dan zij het deden; hetzij in de neqatieve zin, doordat hij aantoont tot welke impasse de denkers kwamen die de oplossing die hij aan dit of dat probleem geeft, nog niet gevonden hadden".

Aristoteles' testimonia zijn dus altijd functioneel t.o.v. de "Sachfrage" die hij behandelt; d.w.z. de doxografische overzichten zijn nooit een doel op zich, maar vormen een integrerend moment van zijn eigen filosofische uiteenzetting. Dat zoiets tot een heel kritisch gebruik noopt van zijn getuigenissen (terminologie, conceptueel niveau, enz.) is ten overvloede aangetoond door Harold Cherniss, in zijn baanbrekend werk: Aristotle's Criticism of Presocratic Philosophy (1935)[4]. W.K.C.Guthrie, nochtans, in Aristotle as a Historian of Philosophy, waarschuwt voor een al te negatieve beoordeling: Aristoteles heeft inderdaad zijn tekortkomingen, maar zijn besprekingen zijn desalniettemin van vitaal belang voor een studie van het archaïsche denken.


2. Themawerken gewijd aan een denker, school, enz.

Vanzelfsprekend oefenen ook in dit soort van besprekingen de eigen opvattingen van de auteur een actieve invloed uit. Toch staan we hier voor de werkelijke oorsprong van de "geschiedenis van de filosofie". Ook hier is Aristoteles als de archegeet te beschouwen (hoewel: historische eerlijkheid gebiedt ons aan te stippen dat daartoe reeds in de Sofistiek een aanzet was gegeven; met name door Hippias: diens Sunagogè, of "Verzameling", is wellicht de bron geweest voor Aristoteles' kennis van Thales). In het kader van de hoger besproken algemene methodologische opstelling, liet hij in zijn school systematische materiaalverzamelingen alsook "geschiedenissen" samenstellen m.b.t. de uiteenlopende onderzoeksdomeinen van de school: biologie, politiek (bekend is de verzameling van 158 zgn. "politeîai", of constituties, waarvan er één, de Constitutie der Atheners, aan het einde van de vorige eeuw op papyrus is teruggevonden), geneeskunde, wiskunde, muziek en ook filosofie. In de catalogen van Aristoteles' eigen werken treffen we titels aan als: "Over de Pythagorëers", "Over Demokritos", "Over de Vormen (sc. van Platoon)", e.a., maar van die teksten bezitten we slechts een heel beperkt aantal zgn. fragmenten. Vermeldenswaard in dit verband is ook het peripatetische traktaatje, "Over Melissos, Xenophanes en Gorgias", van een onbekend auteur, dat althans in een samenvatting is bewaard. Ook Aristoteles' medewerker en opvolger, Theophrastos, was op dit vlak erg actief (zie verder).


3. Commentaren.

Vanaf de 1e eeuw gingen de werken van Platoon en, vooral, Aristoteles (na de uitgave van diens teruggevonden werkteksten door Andronikos van Rhodos) systematisch gecommentarieerd en uitgelegd worden door professoren filosofie in de vele stedelijke scholen. Bij die exegetische arbeid ging men ook regelmatig gebruik maken, ter verdere verduidelijking van de gecommentarieerde tekst, van nog bewaarde teksten van in de brontekst vermelde of besproken, oudere filosofen -, zodat deze commentaren vandaag een belangrijke bron vormen voor bv. de verloren geschriften van de zgn. Voorsocratici. Vooral de laat-antieke Aristotelescommentaren zijn hier van uitzonderlijk belang, met als voorname auteurs o.m. Alexander van Aphrodisias (einde 2de, begin 3de eeuw) en de neoplatonicus Simplikios (Simplicius, einde 6de eeuw: van laatstgenoemde bv. stammen bijna al onze substantiële fragmenten van de archaïsche denkers: bv. van Parmenides' leerdicht). Alle bewaarde commentaren werden eind vorige en begin deze eeuw (in Griekse tekst) uitgegeven door de zgn. Pruissische Akademie, in de reeks Commentaria in Aristotelem Graeca (CAG): voor Simplikios zie bv. de banden VII t.e.m. XI (onder de algemene leiding van Richard Sorabji worden de teksten sedert enkele jaren systematisch vertaald in het Engels, in The Ancient Commentators of Aristotle).

Onder de bewaarde Platooncommentaren, anderzijds, zijn vooral die van Proklos, bijgenaamd "de Diadoch" (i.e. "opvolger"), geb. 410 en gest. 485 en schoolhoofd van de laat-antieke, zgn. Atheense school, belangrijk om hun informatie over het Neopythagorisme en het Neoplatonisme.


4. Vulgarisatiewerken van eclectische, apologetische of polemische strekking

4.1. De "philosophica", d.w.z. filosofische geschriften, van de Romein Cicero (106-43 vK), geschreven in een periode dat deze redenaar-politicus tegen wil en dank politiek op non-actief was geplaatst en hij zich tot taak had gesteld de Griekse filosofie in het Latijn te reproduceren; zij vormen een zeer belangrijke bron, ook al werden ze met een zekere haast en oppervlakkigheid opgesteld. Ze bevatten vertalingen, samenvattingen of parafrases van tal van verloren werken uit de Stoa, de Nieuwe Akademie (Skepsis) en het Epicureïsme.

4.2. Ook de zgn. Moralia van de Griekse gentleman-literator, Ploutarchos van Chaironeia (ca 45-125 nK) leveren ons belangrijke informatie over bv. Stoïcisme en Epicureïsme.

4.3. De skepticus (en arts) Sextos Empeirikos (Sextus Empiricus, einde 2de eeuw nK) citeert in zijn hoofdwerk, gericht tegen de zgn. dogmatische filosofen: het zgn. Adversus Mathematicos (de titel betekent zoveel als "Tegen de Professoren")[5], tal van fragmenten, o.m. i.v.m. de kennistheorie (bv. van Demokritos).

4.4. De bloemlezingen, het Florilegium en de Eclogae physicae et ethicae van Johannes van Stobi, kortweg Stobaios (5de eeuw nK) bieden een verzameling educatieve uittreksels uit de gehele Griekse literatuur, vnl. op het vlak van de ethiek (bv. de zgn. "ethische fragmenten" van Demokritos).

4.5. Een ganse reeks van christelijke auteurs hebben in hun polemieken tegen het "hellenisme" (of: "heidendom") - vaak huns ondanks - belangrijke gegevens, soms zelfs substantiële fragmenten bewaard van hun tegenstanders. De eerste die hier moet vermeld worden, is Clemens van Alexandrië (2de helft van de 2de eeuw): als bekeerling gebruikte hij zijn grote eruditie om zijn vergelijkingen tussen het hellenisme en het christendom te stofferen met citaten uit filosofen en dichters (cf. zijn Protrepticus en Stromateis, dwz "miscellanea"). Verder zijn er: Origenes (185-253), met bv. zijn Contra Celsum; Hippolutos (3de eeuw, één van de twee bisschoppen van Rome), die een Refutatio omnium haeresium ("Weerlegging van alle ketterijen") schreef, met de bedoeling aan te tonen dat alle christelijke ketterijen konden teruggevoerd worden op Griekse filosofische richtingen (dat levert ons heel wat informatie over bv. de archaïsche kosmogonische theorieën, tal van fragmenten van Herakleitos, e.d.); Eusebios van Kaisareia (ca 340), met vooral zijn Praeparatio Evangelica (bv. fragmenten van Noumenios en  Porphurios). Onder de Latijnse kerkvaders, anderzijds, kunnen we Arnobius, Marius Victorinus, Augustinus, e.a. vermelden. De Griekse auteurs worden uitgegeven in de reeks Die griechischen christlichen Schriftsteller der ersten Jahrhunderte.

Onder het impuls van historici als Jaap Mansfeld en Catherine Osborne, wordt in de meer recente literatuur meer aandacht geschonken aan de (ver)vormende rol die de eigen (polemische, ideologische, e.a.) doelstellingen van deze laat-antieke auteurs gespeeld hebben bij de weergave ook van zgn. "fragmenten": voor een correcte appreciatie en interpretatie van ogenschijnlijke "citaten" moet de context binnen dewelke ze "geciteerd" worden, in rekening worden gebracht.


5. Doxografen

Het betreft late auteurs die zich toelegden op het systematisch en overzichtelijk verzamelen van de "meningen" (in het Grieks: hai doxai of ta areskonta, Latijn: Placita) van de oude filosofen, gerangschikt naar thema of inhoud. Bv.: "Over de principes: Thales van Milete zegt dat de archè water is. Anaximander van Milete zegt...  Anaximenes zegt...", enz.

5.1. De archegeet van dit genre was blijkbaar Theophrastos van Eresos (ca 372-288), met zijn Phusikôn Doxai (Physicorum Opiniones), in 18 boeken, allicht geschreven in het kader van de materiaalverzamelingen die Aristoteles door zijn leerlingen liet aanleggen. Slechts één afdeling ervan bleef bewaard, nl. die over de zintuigen (in de traditionele Latijnse benaming: De Sensu of De Sensibus). Voor de rest zijn er belangrijke fragmenten bewaard gebleven uit het eerste boek, "Over de principes", in de latere Aristotelescommentaren, vooral die van Simplikios. Daarnaast zijn er de bewaarde werken van de latere, eigenlijke "doxografen", die hun materiaal in laatste instantie, maar zeker niet altijd direct, uit Theophrastos haalden (zie verder). Wat de structuur van Theophrastos' werk betreft, veronderstelde Hermann Diels (zie verder) dat reeds Theophrastos, in plaats van a.h.w. monografieën te hebben opgesteld over de theorieën van de verschillende denkers, zijn stof thematisch had ingedeeld volgens de "topics" die in de Peripatos in omloop waren; onder elke hoofding werden de opvattingen opgesomd van de verschillende filosofen, min of meer in chronologische volgorde, soms in hun eigen bewoordingen.

Wat Theophrastos' aanpak van de archaïsche natuurdenkers betreft, krijgt men de indruk dat hij in hogere mate "historisch" gemotiveerd was dan zijn leermeester, Aristoteles; zo lijkt hij hier en daar fouten bij  Aristoteles te willen corrigeren: bv. voor Anaximander vervangt hij (i.v.m. de "afscheiding, ejaculatie" van een kosmisch semen uit het Apeiron) Aristoteles' werkwoord ekkrínesthai, een samenstelling die blijkbaar niet voorkwam vóór het midden of het einde van de 5de eeuw, door het historisch wellicht authentieke  apokrínesthai. Vanzelfsprekend is er ook bij hem sprake van een rationaliseren van het archaïsche denken bij middel van het peripatetische conceptuele instrumentarium. Enkele jaren terug, trouwens, is o.m. door J.B. McDiarmid geargumenteerd dat  Theophrastos regelmatig gewoon Aristoteles' presentatie en interpretatie als uitgangspunt nam, en niét de oorspronkelijke teksten. Volgens McDiarmid dient, alleszins wat de weergegeven visie betreft van Presocratici over de "oorzaken", zelfs geconcludeerd te worden dat Theophrastos een "volledig bevooroordeeld getuige is, die nog minder betrouwbaar is dan Aristoteles". Dat lijkt echter overdreven: zoals gezegd, Theophrastos wijkt regelmatig af van Aristoteles, en bijna altijd terecht, wat suggereert dat hij toch een zekere mate van zelfstandigheid en "objectiviteit" heeft weten te bewaren. Wanneer dan Aristoteles' en Theophrastos' versies onderling overeenstemmen, zou dat eerder ten gunste van de authenticiteit kunnen pleiten dan ertegen. Concluderend scharen we ons achter de opinie van Charles Kahn, in Anaximander and the Origin of Greek Cosmology (1960), p.22, nl. dat Theophrastos hoe dan ook onmisbaar is als "the groundwork" voor elke geschiedschrijving van het archaïsche denken; wel moet er rekening mee worden gehouden dat we, in de overlevering doorgaans twee trappen van hem verwijderd zijn: veelal moeten we ons tevreden stellen met latere excerpten en parafrasen, zelfs parafrasen van parafrasen.

5.2. Direct bewaarde doxografische teksten zijn:

-- de Epitomè, of Placita, van de zgn. Pseudo-Ploutarchos,
-- de Historia Philosopha van Pseudo-Galenos,
-- de Philosophoùmena van Hippolutos, i.e het eerste boek van diens al vermelde Refutatio,
-- het traktaat De natura hominis, van bisschop Nemesios (einde 4de eeuw),
-- het Graecarum affectionum curatio, van bisschop Theodoretos (le helft 5de eeuw).

Verder vermelen we nog de satire tegen de "heidense filosofen", Irrisio gentilium philosophorum, van  Hermeias (2de of 3de eeuw), en sommige delen van het "Tegen de Sekten" van  Epiphanios (2de helft van de 4de eeuw).

Uit een vergelijking tussen de Ps-Ploutarchos, de Eclogae physicae van Stobaios en het 4de boek van Theodoretos kwam de Duitse filoloog Hermann Diels tot de conclusie dat ze alle drie uit eenzelfde, verloren bron hadden geput, nl. de (verloren) Placita van een zekere Aetios (vermoedelijk einde 1ste, begin 2de eeuw nK), vermeld bij Theodoretos.

Uit de overeenkomsten tussen

(a) deze (gereconstrueerde) Placita van Aetios,

(b) sommige stukken van Cicero's Academia Priora en De Natura Deorum (de doxografie van dit laatste vertoont sterke overeenkomsten met het De Pietate van de epicureër Philodemos, ca 110-35 vK; beide gaan wellicht terug op het "Over de Goden", van de epicureër Phaidros, ca 140-70 vK, dat zelf zou teruggaan op een stoïcijnse inkorting van Theophrastos),

(c) fragmenten van Terentius Varro (116-27 vK), die bewaard zijn in

(d) Censorinus' De Die Natali (3de eeuw),

leidde Diels verder af dat Aetios zelf gebruik had gemaakt van een nog oudere verzameling, door hem de Vetusta Placita (i.e. de "Oudste Placita") genoemd. Die "oerverzameling" zou afkomstig zijn uit de school van Poseidonios (Midden-Stoa, ca 135-51 vK). Tenslotte zou ze, zoals de doxografische traditie in haar geheel, mits toevoegingen betreffende stoïcijnse, epicureïsche en peripatetische leerstellingen, teruggaan op Theophrastos.

Er dient nochtans te worden opgemerkt dat Diels' reconstructie van de doxografische traditie, te beginnen met die van Theophrastos' Phys. Opiniones, tijdens de laatste decennia op verzet is gestuit. Zo wordt met name zijn reconstructie van het werk van Theophrastos vanuit de bewaarde doxografische literatuur fundamenteel in vraag gesteld door P.Steinmetz, in Die Physik des Theophrastos von Eresos (1964), pp. 334-350: volgens Steinmetz heeft Theophrastos juist géén thematisch geordende geschiedenis van de filosofie geschreven, maar wel degelijk een reeks monografieën waarin

"de leerstellingen van de afzonderlijke phusikoí aangehaald werden, vanuit het standpunt van de aristotelische filosofie geïnterpreteerd werden, hun prestaties gekarakteriseerd en hun tekortkomingen bekritiseerd werden. Resten van deze kritiek vindt men terug in de notities bij Aetios. Deze monografieën, van dewelke de geschriftenkataloog van Diogenes Laertios enkele titels bewaard heeft, heeft Theophrastos samengevat onder de verzameltitel Phusikôn Doxai" (p. 350).

Het lange fragment De Sensibus - dat deze visie lijkt te weerspreken - zou dan eventueel uit Theophrastos' Physica afkomstig zijn.

Ook Charles Kahn, in zijn al geciteerd werk over Anaximander, pp. 11-17, komt tot de conclusie dat de theorie van Diels betreffende de filiatie: Theophrastos ® Vetusta Placita (o.i.v. Poseidonios) ® Aetios, "niet overtuigend" is. "Hoe dan ook, slechts voor een kleine minderheid zijn de uiteenzettingen direct op Theophrastos terug te voeren": er is niet enkel het vrije gebruik van latere bronnen, maar in vele gevallen heeft ook een totale vervorming plaats gevonden. Toch leveren Aetios' Placita ons de uitvoerigste samenvatting van Theophrastos; op tal van punten hébben we gewoon niets anders. Bijgevolg moeten we Aetios' getuigenis dikwijls nemen voor wat ze waard is: 1) in het algemeen zijn de eenvoudige punten zonder grote vervorming weergegeven; 2) hoe complexer echter de thematiek, hoe groter het gevaar voor verwarring, tot het onbegrijpelijke toe.

5.3. In Eusebios en Stobaios vinden we sporen terug van een filosofisch handboek samengesteld door Areios Didumos, een alexandrijns filoloog, stoïcijn en vriend van Augustus, 1ste eeuw vK. In zijn streven om de divergerende leerstellingen van Akademie, Peripatos en Stoa met elkaar te verzoenen, vooral op het vlak van natuurfilosofie en ethiek, stelde Areios een omvangrijke doxografische materiaalverzameling samen. De bewaarde fragmenten hebben enkel betrekking op Platoon, Aristoteles en de Stoa[6].

Tenslotte zijn er nog de Stromateis (i.e. "miscellanea", niet te verwarren met de Epitome) van Ps-Ploutarchos, eveneens bewaard bij Eusebios. Ze zijn toegespitst op de stof van de eerste boeken van Theophrastos (het materiële principe, de kosmogonie en de hemellichamen - in Diels' reconstructie).

Het bewaarde doxografische materiaal is door Hermann Diels bestudeerd en uitgegeven in zijn monumentale werk, Doxographi Graeci (1e uitg. 1879). Het bevat met name de volgende teksten: Aetios (d.w.z. Ps-Plout. Epitome en Stob. Eclogae, in twee, "synoptische" kolommen naast elkaar); Areios Didumos (frr.); Theophrastos (frr. en De Sens.); Cicero (excerpta uit De Natura Deorum, I); Hippolutos; Ps-Plout. Strom.; Epiphanios (exc.); Ps-Galenos Hist. Phil.; Hermeias' Irr. gent. phil.

Diels heeft nadien de resultaten van zijn werk gebruikt voor zijn nog altijd onvervangbare Fragmente der Vorsokratiker (1e uitg. 1903; later in samenwerking met Walter Kranz). Het overgeleverde materiaal is dit keer geordend is per filosoof (chronologisch gerangschikt, met een nummering die evolueert in de latere edities): onder "A", zonder vertaling en in kleine font, de testimonia; onder "B", met Duitse vertaling, de fragmenta; onder "C" eventueel teksten die Diels als niet-authentiek beschouwde (citeerwijze: bv. "D-K, 68 A 135", i.e. Diels-Kranz, Demokritos, testimonium nr 135). Terwijl de nummering van de testimonia onder "A" op thematische gronden is gebaseerd (eerst getuigenissen over het leven; vervolgens over de algemene principes,enz.), is de nummering van de fragmenten vaak louter mechanisch (dus niet: volgens vermeende inhoudelijke samenhang). Bv.  in het geval van Herakleitos - zelf nummer "22" in de laatste uitgave - zijn, met uitzondering van het langere fragment 1 (waarvan we weten dat het vooraan stond in Herakleitos' boek), alle fragmenten louter alfabetisch geordend naar de naam van de latere bronauteur.

 

6. Literair-historische en biografische werken

6.1. Bibliografieën

Hieraan danken we de kennis van althans de titels van de ontzaglijke massa van verloren werken. De totstandkoming van dergelijke bibliografische lijsten of catalogi (pínakes) werd in belangrijke mate bevorderd door de oprichting, in de hellenistische periode, van grootschalige bibliotheken. De belangrijkste hiervan was het Mouseîon van Alexandrië (waarbij Demetrios van Phaleron, na zijn verdrijving uit Athene, klaarblijkelijk voor de fysieke verbinding zorgde met de peripatetische traditie).

Bekend zijn bv. de Pinakes van de dichter-geleerde, Kallimachos van Kurene (Cyrene, ca 310-235), in 120 boeken, met een speciale afdeling voor de filosofen; het bevatte ook biografische gegevens. Een hoofdbekommernis van deze bibliothecarissen was verder de systematische  indeling van de vaak omvangrijke corpora. Zo werd althans een deel van de Platoonnalatenschap door Aristophanes van Byzantium (ca 195 vK) in (vijf) trilogieën ingedeeld, een indeling die nadien door Thrasullos (onder keizer Tiberius) door een meer omvattende, tetralogische indeling werd vervangen - i.e. de vorm waaronder het Corpus Platonicum tot ons is gekomen en die ook nog is overgenomen door J.Burnet voor zijn standaarduitgave van Platoon, in de Oxford Classical Texts. Opvallend aan deze antieke classificatie is dat er, naast 9 tetralogieën van zgn. goed-platoonse teksten, ook een 10de sectie is van teksten die reeds in de oudheid als apocriefen werden beschouwd. Thrasullos, een platonicus, die vermoedelijk een beroep heeft kunnen doen op akademische precedenten[7], heeft ook Demokritos' geschriftencorpus in tetralogieën geordend: zie de lijst bewaard bij Diogenes Laertios, IX, §§45-49 (=D-K, 68A33). De meeste lijsten, trouwens, zijn ons dank zij Diogenes Laertios bewaard (zie verder, onder §6.4). Onder de moderne studies over dit "lijsten-genre", zie bv. voor Aristoteles, Paul Moraux, Les listes anciennes des ouvrages d'Aristote (Leuven 1951).


6.2. Filosofenlijsten.

Tussen de papyri van Herculaneum werden twee fragmenten gevonden van de hand van de epicureër Philodemos van Gadara (ca110-40/35). De ene ervan bevatte een lijst van de filosofen van de Akademie (uitg. S.Mekler: Academicorum philosophorum index herculanensis, Berlin 1902), de andere van de Stoa (Index Stoicorum, uitg. A.Traversa, Genua 1952). Dergelijke lijsten werden meestal chronologisch opgesteld om de relatie meester-leerling vast te leggen (de zgn. diadochaí, of "opvolgingen"). De eerste om filosofen van verschillende tijd en richting aldus te groeperen op basis van meester-leerlingverhoudingen was de peripateticus Aristoon van Keos (ca 230vK). Uiteindelijk ging men alle gekende filosofen op die manier opnemen in een alomvattend systeem van diadochaí, zodat een apart literair genre ontstond. Schepper van het genre was blijkbaar de Alexandrijnse filoloog Sotioon (tussen 200 en 170). Ook hiervan vinden we een neerslag bij Diogenes Laertios.


6.3. Chronologische werken

De Chronographia, het grote chronologische werk van de beroemde alexandrijnse geleerde (filoloog, astronoom, geograaf, enz.) Eratosthenes (3e eeuw vK), werd door Apollodoros van Athene (midden 2de eeuw vK) verwerkt tot de meer populaire en vulgariserende - want geschreven in iambische trimeters - Chronika. Van dit laatste werk bleven een groot aantal fragmenten bewaard dank zij, nogmaals, Diogenes Laertios. Ze zijn uitgegeven door F.Jacoby (Berlin 1902).

Bij Eratosthenes ontbrekende gegevens (niet enkel i.v.m. politieke gebeurtenissen, maar ook m.b.t. kunst, literatuur en geestesleven) werden door Apollodoros aangevuld op basis van een mechanische en vrij arbitraire methode, voornamelijk bij middel van het principe van de akmè of "bloei" (Latijn: floruit) van elke persoon, die eenvormig op de leeftijd van 40 jaar werd gefixeerd. De Chronika begon vanaf de inname van Troje, gedateerd in 1184/1183 (het Atheense jaar, zoals bekend, begon met het zomersolstitium, en zit dus "te paard" op onze jaartelling). Maar de eigenlijke jaartelling begon met de 1e Olympiade (776 vK), en het precieze jaar van een bepaalde gebeurtenis - de Olympische Spelen, in Olympia, vonden immers slechts om de vier jaar plaats - kon eventueel worden aangegeven door vermelding van "het (zoveelste) jaar van de (zoveelste) Olympiade", bv. Anaximander "was 64 jaar oud in het 2e jaar van de 58e Olympiade", aangevuld door de vermelding van de naam van de zogenaamde "eponieme" archont te Athene (die dus, letterlijk, "zijn naam" aan het jaar waarin hij in functie was)[8]. Als externe referentiepunten gebruikte Apollodoros de grote historische gebeurtenissen (bv. de inname van Sardes door de Perzen, in 546/5; de stichting van Thourioi, 444/3, enz.). Daarmee trachtte hij dan voor elke figuur de akmè te "dateren", ten minste wanneer precieze gegevens ontbraken (bv. van Protagoras wordt de "bloei" verbonden met de Olympiade van de stichting van Thourioi); ofwel deed hij de akmè gewoon samenvallen met het belangrijkste feit dat van de figuur in kwestie bekend was (bv. Thales' "bloei" valt in het jaar dat hij de zonsverduistering voorspelde; Platoon stichtte de Akademie op 40-jarige leeftijd, enz.). Ook voor de chronologische relatie meester-leerling hanteerde Apollodoros een periode van 40 jaar.


6.4. Biografische werken

Het genre van de Bioi, d.w.z. Vitae of Levens, stamt uit de peripatetische school: cf. vooral Aristoteles' leerlingen, Aristoxenos (ca375/6O-300) en Klearchos (geb. ca 340). Het genre verwees in oorsprong niet naar biografieën, maar naar (beschrijvingen van) types van levensvoering[9]. Wel werd uitvoerig gebruik gemaakt - met stichtende bedoelingen - van exempla uit de levens van bekende/beruchte individuen, maar ook van poleis of volkeren; auteurs zoals Klearchos hadden daarbij een grote voorliefde voor gruwelscènes en de uitspattingen van Griekse en oosterse despoten[10].

Het biografische genre bleef daarvan de sporen dragen: de klemtoon lag vooral op de "chronique scandaleuse" inzake het onderwerp, evenals op anekdotes, puntige gezegdes en maximes (zgn. chreîai en apophthégmata). Vaak ook worden leerstellige of literaire gegevens kwaadwillig verdraaid tot pseudo-biografische (bv. uit fr. 36 van Herakleitos, dat het "voor zielen dood is om water te worden", werd de "informatie" gedistilleerd dat Herakleitos aan het eind van zijn leven aan... waterzucht zou hebben geleden). Het genre, dat in de eerste plaats literair entertainment beoogde, werd overgenomen door de Alexandrijnen: het voornaamste biografische werk was hier de "Levens", van Kallimachos' leerling, Hermippos van Smyrna (200 vK); het was bedoeld als een aanvulling bij Kallimachos' Pinakes .

De filosofenlevens meer in het bijzonder, met hun combinatie van biografie en doxografie, vormen in het biografische genre een aparte groep. De eerst peripateticus, zover we kunnen nagaan, om een groep filosofen in een monografie te behandelen, was Theophrastos' land- en tijdgenoot, Phainias van Eresos, nl. in zijn werk "Over de Socratici". Hoe dan ook, door de wisselvalligheden van de overlevering is het belangrijkste verzamelwerk voor ons dat van een zekere DIOGENES LAERTIOS (einde 2de, of eerste helft 3de eeuw nK, waarschijnlijk). De volledige Latijnse titel ervan luidt: De vitis dogmatibus et apophthegmatibus clarorum philosophorum ("Over de levens, leerstellingen en gezegdes van de beroemde filosofen", verkort: Vitae philosophorum)[11]. Het werk bestaat uit 10 boeken en is volledig bewaard. Het wordt gedomineerd door het gezichtspunt van de diadochè en door de klemtoon op "scholen" (in het Grieks: hairéseis) [12], in plaats van op de individuele filosofen: vandaar dat er enkel een doxografisch overzicht wordt gegeven bij de stichters, tenzij waar er afwijkingen zijn. Diogenes integreert in zijn biografieën ook de gegevens van de andere literair-historische genres - wat zijn werk er vanzelfsprekend alleen maar belangrijker om maakt, voor ons.

De behandelde filosofen zijn dus min of meer chronologisch gegroepeerd in "scholen" die dan volgens twee afstammingen gegeven worden: de zgn. "Ionische" (boeken I-VII) en de "Italische"[13]. Inzake biografie in de strikte zin biedt Diogenes ons steevast de volgende rubrieken: (1) geboorteplaats en familie, (2) kort fysiek en intellectueel portret, (3) meesters, (4) leerlingen, (5) diverse episodes uit het leven, (6) omstandigheden van de dood. Naast deze biografische gegevens (sommige uit Apollodoros, maar meestal waardeloze gefantaseerde anekdotes), worden, naargelang van de persoon, ook gegeven: apophthegmata of gezegdes, testament, werkencatalogus, doxografie (althans bij de schoolstichters) en een homoniemenlijst. Het boek bevat ook een aantal belangrijke fragmenten (bovenal: drie integrale brieven van Epikouros).

Algemeen kenmerkend voor Diogenes Laertios' berichtgeving zijn: (1) het bijzonder groot aantal door hem vermelde bronnen (het werk bevat in totaal 1186 verwijzingen naar 250 auteurs) - wat zeker niet wil zeggen dat hij ze allemaal zelf heeft geconsulteerd; (2) de aanwezigheid in de tekst van zgn. "dwaalblokken" die een uiteenzetting plots onderbreken, en elders beter op hun plaats lijken.


6.5. Lexica

De bewaarde lexica stammen meestal uit de Byzantijnse periode. Het belangrijkste is de zgn. Souda (vroeger verkeerdelijk het "lexicon van Suidas" genoemd), uit de 10e eeuw. Ondanks zijn vele zwakheden bevat het vaak onschatbare informatie over verloren gegane geschriften. Voor de filosofen geeft het, zeer beknopt, bio- en bibliografische en doctrinale gegevens. Naast realia zijn er ook taalkundige particulariteiten in opgenomen (bv. voor Herakleitos fr. 122).

Het lexicon van Hesuchios van Alexandrië (5de eeuw nK), daarentegen, was uitsluitend gewijd aan de verklaring van moeilijke woorden en uitdrukkingen, voornamelijk uit de dichters. Hij levert ons echter ook tal van oorspronkelijke uitdrukkingen van de archaïsche natuurfilosofen over (zie bv. voor Demokritos, D-K 68 B 130 t.e.m. 141). Van dit werk, een van de omvangrijkste uit de Oudheid, is ons, in een handschrift uit de 15de eeuw, een tegelijkertijd aanzienlijk ingekorte en uit latere werken aangevulde versie overgeleverd.


6.6. Varia

Tenslotte kunnen als indirecte bronnen nog vermeld worden: zgn. homoniemenlijsten (de bekendste was de lijst opgesteld door Demetrios van Magnesia, 1ste eeuw vK, die ook biografisch en literair-historisch materiaal bevatte; hij is systematisch aangewend door Diogenes Laertios); literaire en historische mengelwerken (bv. de Hypomnèmoneùmata en de Pantodapè Histora van Favorinos van Arelate, begin 2de eeuw nK); documenten, zoals brieven (meestal apocrief) en testamenten (bv. van Aristoteles, overgeleverd in Diogenes Laertios, V, 11-16, e.d.); monumenten en inscripties (de belangrijkste is ongetwijfeld de inscriptie van de epicureër Diogenes van Oinoanda, 2de eeuw nK, die de epicureïsche "blijde boodschap" verkondigde; talrijke brokstukken ervan zijn reeds teruggevonden).

 

_____________________________




Literatuurlijst


1. Uitgaven van teksten en fragmenten:

Apollodors Chronik. Eine Sammlung der Fragmente, hrsg. von F.Jacoby. Berlin 1902.

Commentaria in Aristotelem Graeca, edidit Acad. Litt. Borussica, 23 volumes. Berlin 1882 e.v. (CAG).

The Ancient Commentators on Aristotle, general editor: Richard Sorabji (Engelse vertaling van de Griekse teksten, reeds een 23-tal delen verschenen, 4 aangekondigd).

Diogenis Laertii Vitae Philosophorum, recogn. brevique adnot. critica instruxit H.S.Long. 2 volumes, Oxford Classical Texts, 1964 (afkorting: DL).

Diogenes Laërtius. Leven en leer van beroemde filosofen. Vertaald door R.Ferwerda en J.Eyckman. (Ambo Klassiek), Baarn

Doxographi Graeci, collegit recensuit prolegomenis indicibusque instruxit H.Diels. 4e uitg., Berlin 1965 (= 2e uitg. van 1929) (Dox.).

Favorin von Arelate. Die 1. Teil der Fragmente. Memorabilien und Omnigena Historia, hrsg. und kommentiert von E.Mensching. Berlin 1963.

Die Fragmente der Vorsokratiker. Griechisch und Deutsch von H.Diels. Hrsg. von W.Kranz. 12. Aufl., Dublin-Zürich 1966 (= 6.Aufl. 1952) (D-K).

Die griechischen christlichen Schriftsteller der ersten drei Jahrhunderte. Leipzig 1897 e.v. (na 1945 uitgebreid tot: Die griech. christl. Schr. der ersten Jahrhunderte, Berlin).

Hesychii Alexandrini Lexicon, rec. M.Schmidt. 5 volumes, Jena 1858-68.

Ioannis Stobaei Anthologium recensuerunt C.Wachsmuth et O.Hense, vol.I-II: Eclogae Physicae et Ethicae, libri I-II, rec. C.Wachsmuth vol.III-V: Anthologii libri duo posteriores, ed.O.Hense. Berlin 1894 (1958).

Suidae Lexicon, ed. A.Adler, 5 vols. Leipzig 1928.


2. Aristoteles als historicus van de filosofie:

H.Cherniss, Aristotle's Criticism of Presocratic Philosophy. Baltimore 1935 (New York 1964). 

H.Cherniss, Aristotle's Criticism of Plato and the Academy. Volume I. Baltimore 1944. 

W.K.C.Guthrie, Aristotle as a Historian of Philosophy: Some Preliminaries, in: JHS LXXVII (1957), pp.35-41 (herdrukt in: D.J.Furley & R.E.Allen (edd.), Studies in Presocratic Philosophy, I, pp.239-254. 

Suzanne Mansion, Le rôle de l'exposé et de la critique des philosophies antérieures chez Aristote, in: Aristote et les problèmes de la méthode. Communications présentées au Symposium Aristotelicum, Louvain 1960. Leuven 1961, pp.35-56.


3. Commentaria in Aristotelem Graeca (CAG):

R. Sorabji (ed.), Aristotle Transformed. The ancient commentators and their influence. London 1990, met inleiding, pp. 1-30.

K.Praechter, recensie van de reeks Commentaria in Aristotelem Graeca (1909), in Engelse vertaling in Sorabji (1990), pp. 31-54.


4. Theophrastos:

Ch.Kahn, Anaximander and the Origin of Greek Cosmology. New York 1960.

J.B.McDiarmid, Theophrastus on the Presocratic Causes, in: Harvard Studies in Class. Philol., 61(1953), pp. 85-156 (uittreksels in: Furley & Allen, I, pp.178-238).

P.Steinmetz, Die Physik des Theophrastos von Eresos. Wiesbaden 1964.


5. Doxografen, Polemisten, e.a.:
zie ook

J Burnet, Early Greek Philosophy. 4th ed. London 1930 (Appendix).

K.Praechter, Die Philosophie des Altertums. F.Ueberwegs Grundriss der Geschichte der Philosophie, l.Teil. 13. Aufl., Basel 1953 (= 12. Auf 1926).

M.Giusta, I Dossografi di Etica. 2 vols, Turijn 1964-67.

Catherine Osborne, Rethinking Early Greek Philosophy: Hippolytus of Rome and the Presocratics. Ithaca & London 1987.


6. Biografen:

"Diogene Laerzio Storico del Pensiero Antico", Convegno Napoli-Amalfi, 30 sett.-4 ott. 1985, in: Elenchos, VII (1986), f. 1-2. 

I.Gallo, Frammenti biografici da papiri. Vol.2: La biografia dei filosofi. Roma 1980.

R.Hope, The Book of Diogenes Laertius. Its Spirit and Its Method. New York 1930.

J.Mansfeld, Diogenes Laertius on Stoic Philosophy, in: Diogene Laerzio... (1986), pp. 297-382.

J.Meier, Diogenes Laertius and his Hellenistic Background, Hermes Einzelschriften, 40, Wiesbaden 1978.


  


Noten:

[1] Voor vertaling van de passus, zie de Aristotelessyllabus (1996), hfst. 2.

[2] Voor het (licht geromantiseerde) verhaal over Aristoteles' bibliotheek zie J.Bidez, Un singulier naufrage littéraire dans l'antiquité, Brussel 1943; zie ook J.P.Lynch, Aristotle's School. A Study of a Greek Educational Institution, Berkeley 1972. Zie verder de syllabus Aristoteles: Phusis & Polis (1996), hfst. 2.

[3] Wat ook impliceert dat er geen mogelijkheid is om de resultaten ervan te bevestigen b.m.v. een werkelijkheid die deze menselijke ervaring (empeiría) geheel zou te buiten gaan, à la de Vormen of Ideeënwereld van Platoon.

[4] p.352v. vat hij concluderend de zeven "sources of error" samen, in Aristoteles' berichtgeving.

[5]  Het oorspronkelijke werk, "Tegen de Professoren", handelde over de leraars in de zgn. Vrije Kunsten en bestond uit de volgende zes boeken: I. de grammatici, II. de rhetorici, III. de geometrici, IV. de arithmetici, V. de astrologen/-nomen, VI. de musici. Nadien zijn daar, verkeerdelijk, aan toegevoegd, als Adv. Mathematicos VII-XI, de vijf boeken van het tegen de filosofen gerichte werk, "Tegen de Dogmatici", nl.: "Tegen de Logici", I-II, "Tegen de Physici", I-II, en "Tegen de Ethici".

[6] Zie over Areios Didumos uitvoerig: P.Moraux, Der Aristotelismus bei den Griechen, von Andronikos bis Alexander v. Aphrodisias, 1. Band: Die Renaissance des Aristotelismus im I. Jh.v.Chr. Berlin 1973, pp. 259-443.

[7] Zie daarover C.W.Müller, Die Kurzdialoge der Appendix Platonica, München 1975, p. 27v.

[8] Apollodoros zelf gaf enkel de naam van de eponieme archont ter datering. De correspondentie tussen eponieme archont en Olympiade, zoals we die bij Diogenes Laertios vinden, was te danken aan een latere adaptatie.

[9] vgl. (Platoons en) Aristoteles' schema van drie bíoi: dat van de theoría, dat van de praxis en dat van de hèdonè (lust). 

[10] vgl. Aristoteles' verwijzing, in Nikomachische Ethiek, I.V, 1095b22, naar de legendarische Sardanapallos.

[11] Het boek werd enkele jaren geleden vertaald in het Nederlands (zie literatuurlijst).

[12] Binnen christelijke context zou het gebruikt worden voor "ketterij", cf. in het Frans: "hérésie".

[13]  Inhoudsoverzicht van de 10 boeken: I. Proloog en de Zeven Wijzen (waaronder  Thales); II.  Anaximander, Anaximenes,  Anaxagoras,  Archelaos,  Sokrates en de Socratici; III.  Platoon; IV. de Akademici; V. Aristoteles en de Peripatetici; VI. De Cynici; VII. Zenoon en de Stoa (tot Chrusippos); VIII. De Italici: Puthagoras, Empedokles, Archutas...; IX. Herakleitos (!), Xenophanes, Parmenides, Melissos, Zenoon van Elea, Leukippos, Demokritos, Protagoras, Anaxarchos, Purrhoon en Timoon; X. Epikouros.


Herman De Ley (© 27/5/2010) • 1ba-INDEX • Syllabi-Index • CIE-INDEX •