HOOFDSTUK 7:
Aristoteles' Natuurfilosofie
"... eine Denkriese
wie Aristoteles" (Karl Marx)
|

|
Inhoud:
I. Aristoteles' Leven:
1.
Jeugd en Eerste Atheense Periode
2. Periode van
Reizen
3. Tweede Atheense
Periode: het "Lyceum"
4. Levenseinde.
II. Aristoteles' Natuurfilosofie:
"theoretisch" en "praktisch"
1.
Inleiding
2. De
Aristotelische Phusikè
3. Natuur als Kínèsis
4. Phúsis
en Téchnè
5. Kínèsis
en Enérgeia
6. Natuur als Enérgeia
7. Natuur en Ethiek
Literatuur.
I. ARISTOTELES' LEVEN*:
PS 1 Over Aristoteles' leven werd in de (latere)
oudheid een uitgebreide literatuur bijeengeschreven, die voor een klein
deel bewaard is. Dat betekent nochtans niet dat we goed
geïnformeerd zouden zijn - bijna integendeel: de gegevens die
de antieke bronnen verstrekken, zijn al te vaak dubieus en/of
tegenstrijdig.
Onder het overgeleverde biografische materiaal
tekenen zich twee tegenstrijdige tradities af:
één die hem vijandig gezind was, en een andere,
van apologetische strekking. De manifeste tegenspraken tussen beide
tradities creëren op tal van punten onzekerheid. Sommige
historici, daarom, aarzelen niet, van een "Aristoteleslegende"
te gewagen. Onvermijdelijk, ook, zijn ze het vaak oneens over wat, in
de overgeleverde berichten, tot de "legende" moet worden gerekend en
wat als historisch mag worden beschouwd.
PS 2 Aristoteles'
beeltenissen: De antieke bronnen gewagen van vier
verschillende, oorspronkelijke bustes. De negentien bewaarde, echter,
zijn allemaal Romeinse kopieën en gaan klaarblijkelijk terug
op één en hetzelfde origineel. Dat origineel is
wellicht vervaardigd in het laatste kwart van de 4de eeuw vK, mogelijk
door de bekende Lusippos en mogelijk in opdracht van Alexander. De
afbeelding hierboven reproduceert de versie van het Romeinse Museum van
de Terme (inv. 8575); de (albasten) buste, nochtans, waarop het hoofd
gemonteerd is, is van moderne datum. Voor een foto van het hoofd, zie op deze site.
1. Jeugd en Eerste Atheense Periode:
Aristoteles is geboren in 384, in een kleine
polis in de N.O.-hoek van het schiereiland Chalkidike (N-Griekenland),
namelijk Stag(e)iros, of Stag(e)ira (nu: Stavró) - vandaar
dat hij soms "de Stagiriet" wordt genoemd.
Zijn vader, Nikomachos, was geneesheer en
lijfarts van de Macedonische koning. Al vrij vroeg, weliswaar, heeft
Aristoteles zijn beide ouders verloren. Mocht zijn vader in leven zijn
gebleven, was Aristoteles zelf ook arts geworden.
Op 17-jarige leeftijd, dus in 367, kwam hij naar
Athene en trad er toe tot de "Akademie" van Platoon. Hij zou twintig
jaar lang deel uitmaken van deze filosofische gemeenschap; dank zij
zijn grote intellectuele gaven (Platoon zou hem "Ons Verstand"
hebben genoemd), werd hij vrij snel betrokken bij de onderzoeks- en
onderwijsactiviteiten ervan (hij werd bv. belast met onderricht in de
retorica). Het is niet toevallig, daarom, dat reeds ca 360 door een
leerling van Platoons "concurrent" Isokrates, een geschrift met als
titel "Tegen Aristoteles" werd gepubliceerd.
Aristoteles was een vreemdeling (een
"metoik") in Athene en bezat er bijgevolg geen burgerrechten
(hij kon bv. ook geen grondeigendom verwerven). Bovendien was het al
vlug geen publiek geheim dat hij nauwe persoonlijke banden onderhield
met de Macedonische hofkringen. Hij werd er, al dan niet terecht, van
verdacht, de rol van "informant" te spelen voor de vijand van Athene.
2. Periode van de Reizen:
In 348/7 verliet Aristoteles Athene. Mogelijke
aanleiding was de dood van Platoon in datzelfde jaar (maar eventueel
hield zijn vertrek verband met het aan de macht komen van Demosthenes
en diens anti-macedonische partij). Samen met een ander schoollid,
Xenokrates, trok hij naar Assos (Klein-Azië) waar zich, onder
de bescherming van een lokale, verlichte despoot, Hermias (mogelijk een
ex-Akademielid), een kleine "akademische" gemeenschap had gevestigd.
Deze Hermias, waarmee Aristoteles nauwe vriendschapsbanden smeedde (hij
huwde met diens geadopteerde dochter), zou in 341 om het leven worden
gebracht door de Perzen, op verdenking van samenwerking met de
Macedoniërs.
Aristoteles maakte in Assos ook kennis met
Theophrastos (van Eresos, op Lesbos, geb. tussen 372 en 369). Voor de
rest van zijn leven zou deze laatste zijn meest naaste gezel en
medewerker worden (later ook opvolger). Van 345 tot 343 vestigden zij
zich samen in Mutilene (op Lesbos), om er zich toe te leggen op de
natuurstudie, d.w.z. zoölogie en botanica. Aristoteles legde
er een uitgebreide verzameling aan van natuurwaarnemingen en
-getuigenissen (van jagers, vissers...), die hij later zou gebruiken
voor zijn bio- en zoölogische studies (zie zijn latere Historia Animalium,
"Onderzoekingen omtrent de dieren").
In 343 werd Aristoteles door koning Philippos
naar Macedonië geroepen om er te fungeren als "opvoeder" voor
de 13-jarige Alexander. Die onderwijsactiviteiten (toegespitst op de
dichters, vooral Homeros; maar Aristoteles schreef ook een traktaatje
"Over het koningschap") duurden hoogstens drie jaar: in 340
reeds werd Alexander door zijn vader aangesteld als regent. Als dank
zou Aristoteles verkregen hebben dat zijn geboortestad, Stagiros, die
door de Macedoniërs verwoest was, mocht heropgebouwd worden;
hij zou er, als "nomotheet", de nieuwe constitutie
voor hebben opgesteld.
3. Tweede Atheense Periode: het "Lyceum"
In 339 stierf Speusippos, neef en opvolger van
Platoon. Bij de verkiezing van een opvolger als schoolhoofd, zou ook
Aristoteles' naam gecirculeerd hebben, maar uiteindelijk niet
weerhouden zijn wegens zijn afwezigheid uit Athene.
In 338 had de veldslag bij Chaironeia plaats: de
geallieerde Griekse stadstaten, onder de leiding van Athene, leden er
een beslissende nederlaag tegen Alexander. Kort erna, trok Aristoteles,
samen met zijn neef Kallisthenes, naar Delphi om er, in opdracht van de
Amphiktyonen, op basis van de archieven de lijsten samen te stellen van
de overwinnaars in de Pythische Spelen; voor dit archivariswerk werden
ze gehuldigd met een eredecreet.
Pas na de dramatische verwoesting van Thebe, door
Alexander, ca 335-334, keerde Aristoteles terug naar Athene, in het
gezelschap van Theophrastos. Bijzonder opvallend hierbij is dat hij
zich niét opnieuw aansloot bij de Akademie, maar zich voor
zijn onderwijs en onderzoek in een ànder publiek gymnasium
vestigde: namelijk dat welke behoorde tot het heiligdom van Apolloon
Lukeios, en daarom het "Lukeion" werd genoemd (in
het Latijn, later: "Lyceum"); het was eveneens
buiten de stadsmuren gelegen, maar vermoedelijk ten N.O. van Athene
(zie het plannetje op
deze site). Welke ook Aristoteles' motieven mogen geweest
zijn, het is onbetwistbaar dat zijn "school" een
ander karakter kreeg dan Platoons "dialectische" gemeenschap, want meer
gericht op systematische, wetenschappelijke arbeid en onderzoek. Pas
Theophrastos, echter, zou, dank zij een bijzondere gunstmaatregel van
de toenmalige verlichte despoot, Demetrios van Phaleron (een
ex-leerling), een aantal eigen schoolgebouwen kunnen verwerven
(waaronder een "perípatos", of
wandelgalerij - vandaar de latere naam voor de aristotelische,
filosofische school: de Peripatos; de leden ervan zijn dan
"peripatetici").
4. Levenseinde
In 323, volkomen onverwacht, stierf Alexander,
amper 32 jaar oud, in Azië. Voor Aristoteles kwam er daardoor
een bruusk einde aan een periode van intense wetenschappelijke arbeid
en samenwerking. Zodra het nieuws van Alexanders dood bekend geraakte,
inderdaad, laaide in Athene en de rest van Griekenland de
anti-macedonische stemming opnieuw fel op (Demosthenes kwam terug uit
ballingschap om het verzet te leiden). Door de maatregelen die tegen
hem werden genomen (waaronder mogelijk een aanklacht wegens
asebie), voelde Aristoteles zich niet langer veilig en
besloot hij Athene weerom te verlaten ("ik zal de Atheners
geen tweede maal laten zondigen tegen de filosofie", schreef
hij, doelend op de terechtstelling van Sokrates). Terwijl Theophrastos
achterbleef (met ook Aristoteles' bibliotheek) om de school alleszins
voorlopig verder te leiden, vertrok Aristoteles, samen met zijn tweede
vrouw, naar Chalkis (op Euboia); hij bezat daar een eigendom van
moederszijde.
Minder dan een jaar later, in de late zomer of de
herfst van 322, op 63-jarige leeftijd, stierf hij er. Doodsoorzaak was
wellicht een maagkwaal. In een (bij Diogenes Laërtios bewaard)
testament gaf hij gedetailleerde aanwijzingen m.b.t. zijn erven,
slaven, enz. Het "Lyceum", echter, komt er niét in ter
sprake - wat erop wijst dat de school op dat ogenblik nog niet
beschikte over een eigen, juridisch statuut.
II.
ARISTOTELES' NATUURFILOSOFIE:
"theoretisch"
en "praktisch"
1.
Inleiding
"Alle mensen hunkeren van nature naar
het weten"[1].
Met deze bekende zin opent Aristoteles in Metaphysica Alpha
zijn onderzoek naar het soort van kennis dat er waarlijk aanspraak kan
op maken, "sophía", "wijsheid", genoemd
te worden - wat de hoogste kwalificatie was die kennis voor Grieken
überhaupt kón hebben. Naar de overtuiging van
filosoof Aristoteles, vanzelfsprekend, was dat de kennis waar het de
filosoof om te doen was. Zijn antwoord, bijgevolg, op de vraag, "wat
is sophía?", leert ons wat hij
verstond onder "filosofie"[2].
Dat afsluitend antwoord luidt dat de gezochte
kennis kennis moet zijn die "aan (theoretische) beschouwing
doet van de eerste beginselen en oorzaken", sc. van de
natuurlijke werkelijkheid[3].
Anders gezegd, de filosoof zoekt naar de theoretische verklaring - het
algemene antwoord op de "waarom?"-vraag - voor de
(natuurlijke) fenomenen:
"dàn alleen, immers, zeggen
we voor elk ding dat we wéten (eidénai),
wanneer we menen de eerste oorzaak achterhaald te hebben".[4]
Dergelijk onderzoek moet vanzelfsprekend gebeuren
op basis van de vereiste, wetenschappelijke methodes (alleen
dàn, immers, kan er sprake zijn van "philosophía"),
maar over dat methodologische aspect willen we het hier niet hebben[5]. Wat de "primaire
oorzaken" zelf betreft waarover de filosoof wetenschappelijke
kennis moet zoeken, zij zijn de bekende, zogenaamde "vier oorzaken":
vorm, stof, bewegingsgrond en doel, en "daaromtrent", aldus
Aristoteles, "is voldoende getheoretiseerd in de (lezingen)
over de natuur (phúsis)".
We komen aldus tot de, voor ons op het eerste
gezicht misschien wat bevreemdende vaststelling dat filosofie lijkt
samen te vallen met natuurfilosofie, of
zelfs natuurwetenschap; of dat de phusikè
alleszins het "oorspronkelijke" project was van
Aristoteles' filosofische vraagstelling [6].
Voor een goed historisch begrip van dit gegeven
kan, zeer algemeen, worden uitgegaan van de basiskenmerken van de
"antieke productiewijze" [7].
Het beeld dat bij ons wordt opgeroepen door de
Griekse civilisatie en haar cultuurproducten - architectuur, sculptuur,
literatuur, filosofie, politiek... -, is uitgesproken
stedelijk. En inderdaad, hetgeen aan de antieke wereld haar
specifiek karakter verleent, ís die
aanwezigheid en uitstraling van de stad, met een permanentie en een
eigen, aparte identiteit. De antieke stad staat dan ook centraal in de
conceptualisering van de antieke samenleving, zoals Karl Marx haar in
zijn Grundrisse geschetst heeft. Toch mogen we ons
niet blindstaren op wat, in zekere zin, de "stedelijke schijn" moet
worden genoemd van de antieke Griekse wereld: aan die hoog ontwikkelde,
stedelijke cultuur beantwoordde géén naar
verhouding ontwikkelde stedelijke economie. Zoals àlle
pre-industriële samenlevingen, integendeel, was ook de antieke
op elk moment van haar bestaan fundamenteel agrarisch.
Dat houdt o.m. in dat (agrarisch bebouwbare) grond
het belangrijkste productiemiddel was; óók: dat
de maatschappelijke rijkdom die werd voortgebracht en
toegeëigend - en die het onmisbare, maar steeds wankele
materiële draagvlak leverde voor de gehele Grieks-Romeinse
civilisatie -, in absoluut overwegende mate afkomstig was uit de
landbouw (binnen én buiten de eigen gemeenschap). De drie
economische hoofdproducten, de gehele oudheid door, waren: graan,
olijfolie en wijn.
Een agrarische samenleving zoals de antieke er
dus fundamenteel een was, wordt gekenmerkt door de algemene
"dominantie van de natuurrelatie"[8]. Die dominantie manifesteert
zich niet enkel op het materiële vlak, i.e. op dat van de
productie[9],
maar ook op dat van de ideologie: d.w.z. ze gaat onvermijdelijk gepaard
met een vorm van "natuuridolatrie", zoals Marx het
noemt[10].
Behalve een vorm van zgn. "paganisme", daarom, met
zijn sacralisering van allerlei particuliere natuurfenomenen, treffen
we in een agrarische samenleving, impliciet of expliciet, ook een
algemeen natuurbegrip aan, dat onvermijdelijk een sterk normatieve
geladenheid bezit. Zoals Hans Sachsse het formuleert (weliswaar in
termen van een verondersteld contrast met een eraan voorafgaande,
pre-agrarische samenleving)[11]:
"De natuur, zoals de landbouwer haar
voor ogen heeft, is in verregaande mate tot voorbeeld en
interpretatiemodel geworden... De natuur is ook het domein van de orde,
harmonie en schoonheid. Het woord ‘natuurlijk’
heeft even zeer een esthetische als een ethische klankkleur
verworven”.
Iets van zulke strekking kunnen we alleszins
onmiddellijk vaststellen bij de lectuur van het eerste boek van
Aristoteles' Politica, alleen al wat het
gehanteerde vocabularium betreft: de woordgroep die we op omzeggens
elke bladzijde van deze "politieke" tekst steeds weer ontmoeten, is
niét in de eerste plaats "polis" (en
afgeleiden), maar... "phúsis"[12].
Algemeen vinden we er een antropologie die in belangrijke mate
beïnvloed is door de methodes en resultaten van Aristoteles'
biologie: denken we maar aan zijn beroemde definitie van de mens als "van
nature een polisdier"
(phusei politikón zoion)[13]. Het
is er Aristoteles met die tekst inderdaad om te doen, het
maatschappelijke - polis, oikos/huishouden,
slavernij, eigendom, enz. - zoveel mogelijk te "naturaliseren"
d.w.z. de maatschappelijke instituties, nà en
tégen de Sofisten (met hun tegenstelling tussen "nomos"
en "phúsis"), te
herintegreren, en dus ideologisch te legitimeren, binnen de
overkoepelende categorie van "de natuur" (phúsis).
"Het maatschappelijke is natuurlijk", of
alleszins: "moet natuurlijk zijn" - dàt,
zouden we kunnen zeggen, is de centrale (ideologische) boodschap van
deze tekst.
Niet enkel Aristoteles' "theoretische
filosofie", bijgevolg, zoals bij de aanvang gesteld,
óók zijn "praktische filosofie"
wordt beheerst door de "Naturbeziehung" (Marx); en
als zodanig doet ook zij een beroep op het conceptueel kader zowel als
op de methodologie van de phusikè
philosophía (met name zijn biologie en
psychologie). In zoverre die "phusikè",
zoals gezegd, het oorspronkelijke project is van de aristotelische
filosofie, zouden we, naar analogie met het Marxse begrip van de "Naturalwirtschaft",
bij Aristoteles in algemene zin kunnen spreken van een
"Naturalphilosophie".
2. De Aristotelische Phusikè
De phusikè
(philosophía) wordt door Aristoteles gerekend tot
de zgn. "theoretische wetenschappen". Dat betekent
dat het in zijn ogen om een puur "beschouwende"
kenactiviteit gaat, gericht op het "weten om het weten"[14], wars
van elk praktisch belang - en dus los van elke beoogde fysische ingreep
door de mens in het voorwerp ervan, de natuurlijke werkelijkheid.
Hierbij moet worden opgemerkt dat het gebied dat
door de aristotelische "fysica" wordt bestreken, zeer uitgestrekt is,
véél uitgestrekter met name dan dat van de
moderne fysica. Vanzelfsprekend, ook de fenomenen die nu door die
laatste worden bestudeerd, vallen er in principe onder, maar ze zijn
verre van de enige: niet enkel de "levenloze", maar ook, en zelfs
vooral, de levende natuur; niet enkel de strikt "fysische", maar ook de
"chemische" niet enkel de fysische, in het algemeen, maar ook de
psychische fenomenen vormen er het studieobject van. In feite mogen we
zeggen - en ik citeer nu Auguste Mansion[15] - dat
"àlle fenomenen van de
stoffelijke wereld, met inbegrip van de psychische in de mate dat ze
afhankelijk zijn van het lichaam, of verbonden zijn met een organisme,
in gelijke mate onder de fysica in de aristotelische betekenis van het
woord vallen".
Onze hedendaagse begrippen van zowel
"natuurfilosofie" als "natuurwetenschap" (of fysica) zijn ontoereikend
om de volledige betekenis te vatten van de aristotelische phusikè.
Aristoteles' theoretische positie, zou men kunnen zeggen, situeert zich
tùssen natuurfilosofie en
natuurwetenschap, d.w.z. in de spanwijdte tussen
filosofische wereldduiding en natuurwetenschappelijke detailkennis. De
verklaring ervoor moet in de eerste plaats gezocht worden in het
historische gegeven dat de conceptuele differentiatie tussen
"filosofie" en "wetenschap" van veel recentere (namelijk moderne) datum
is. Tegelijkertijd is het van belang te beseffen dat, net zoals bij
zijn voorgangers, ook het aristotelische wetenschapsbegrip gefocust is
op wat reeds in eerdere hoofdstukken als de "ware
werkelijkheid" werd aangeduid. In Aristoteles' geval betekent
zulks dat logische analyse (op basis van de Griekse taal) en fysische
analyse nog grotendeels samenvallen (pas de stoïcijnen zouden
beide van elkaar onderscheiden). Het algemene opzet, zo zou je kunnen
zeggen, van de aristotelische wetenschap (epistèmè,
philosophía) bestaat in de progressieve
constructie van een taal of een talig model. Dit talig model beoogt een
weergave bij middel van logische verbanden van de hiërarchie
van (ontologische) relaties die bestaan tussen de reële,
onveranderlijke structuren die ten grondslag liggen aan de empirische
werkelijkheid: namelijk de species en genera
(Grieks: eidè en génè,
εἴδη
en γένη). Eens
voltooid, zou de wetenschap dan een perfect (talig en conceptueel) replica vormen
van de wereld, althans in haar "ware werkelijkheid".
Het belangrijke gevolg van een dergelijk
wetenschapsbegrip is dat fenomenen die niét "passen" in
dergelijke, tegelijkertijd logische en ontologische hiërarchie
- en dat geldt met name voor het strikt individuele als
zodanig (bv. wat de mens Sokrates onderscheidt van de mens
Platoon, of van andere mensen) - géén voorwerp
vormen van wetenschappelijk onderzoek en kennis. Anders gezegd: de
wereld is slechts kenbaar in haar "algemeenheid";
de basisobjecten van wetenschappelijke kennis zijn de (eeuwige en
onveranderlijke) wezensvormen van de concrete,
natuurlijke wezens of substanties, in het Grieks: ta
átoma eídè, "de
(logisch) niet (verder, in andere vormen of species) opdeelbare
vormen". Wat tenslotte de de "psychologische" zijde van
kennis betreft: wanneer wij wetenschappelijke kennis hebben verworven
over bepaalde fenomenen, betekent zulks dat de (wezens)vormen ervan,
met inbegrip van hun interne verhoudingen of verhoudingen tot andere
vormen, metterdaad (ook) in onze geest bestaan (in aristotelisch
jargon: in onze geest geactualiseerd zijn). Aristoteles maakt daarbij
geen onderscheid tussen de vorm in de werkelijkheid en die in de geest.
Een vergelijking die hij soms maakt ter verduidelijking: tussen de
geneeskunst, als wetenschap, die geneeskunst in het hoofd van de arts
en de gerealiseerde vorm ervan in het lichaam van de genezen
patiënt bestaat er geen verschil.
PS Aristoteles' algemeen uitgangspunt wat de
verhouding betreft tussen (de inhouden van) onze psyche of geest en de
wereld der "dingen" (ta prágmata of
ónta), luidt dat er sprake is van een isomorfie, cf. De
Interpretatione, 16a4 e.v.: terwijl de talige tekens om
ernaar te verwijzen (als hun betekenis) van elkaar verschillen volgens
de betreffende talen, geldt er tussen de dingen en onze mentale
indrukken ervan (ta en têi psuchêi
pathèmata: de Griekse uitdrukking beklemtoont het
passieve karakter van de
totstandkoming ervan), d.w.z. onze gedachten, een verhouding van "gelijkenis"
(homoiómata); aangezien de
dingen voor alle mensen identiek zijn, geldt dat
onvermijdelijk ook voor de psychische of mentale projecties ervan.
Dat klinkt allicht erg "platonisch", en
ís het ook, ten gronde (Aristoteles was niet voor
niets een leerling van Platoon): ook de aristotelische
"eídè" zijn - eeuwig en onveranderlijk
- zowel zijns- als kenprincipe. Er is echter één
groot verschil: met de theologische uitzondering van de Godheid (of:
godheden), die een zuivere "vorm" is, bestaan Aristoteles' vormen
niét "op zich" (choristá,
"gescheiden", zoals hij van Platoons Vormen zegt).
"Belichaamd", of "geïncarneerd" in de natuurlijke
werkelijkheid, moeten zij daaruit eerst "geabstraheerd", misschien
beter: "geproduceerd" worden (cf. de rol van het
zgn. "producerende" of "actieve intellect"),
via de fazen van het kenproces, om tot eigenlijke ken- en denkobjecten
te worden. En hoe hoger de filosoof dan opklimt, in zijn logische
analyse van de hoger vermelde hiërarchie, hoe abstracter
deze species en genera worden (bij Platoon, in het kader van de
zijnsniveaus, is net het omgekeerde het
geval).
De aristotelische phusikè,
bijgevolg, bestudeert enkel de fenomenen die "noodzakelijk" het
geval zijn of die "meestendeels" het geval zijn:
voor het puur toevallige of het puur accidentele is er geen plaats. Zij
doet daarom bovenal aan studie van de algemene gronden van de
natuurlijke orde: d.w.z. van wat hij in Alpha (zie
hoger) "de eerste beginselen en oorzaken" noemt.
De reflectie betreft tegelijkertijd de fundamentele structuren, of
zijnsgronden, van de werkelijkheid én de begrippen die onze
kennis ervan funderen: zoals "beweging", "continuüm",
"eenheid", "ruimte", "tijd", enz.[16]
Ook de incorporatie van de (menselijke)
psychologie in de phusikè moet
in de eerste plaats historisch verklaard worden, namelijk vanuit het
ontbreken bij Aristoteles zowel van het moderne begrip van het fysische
of materiële, als van de moderne "subjectiviteit"[17] -
beide het complementaire product van het cartesiaanse dualisme tussen "materie"
en "geest"[18]. Weliswaar maakt ook
Aristoteles, in de inleiding van zijn De anima, een
distinctie tussen twee benaderingswijzen van de psychische aandoeningen
of gevoelens (páthè),
namelijk die van de "phusikós" en die
van de "dialektikós". In eerste
instantie worden door eerstgenoemde de lichamelijke omstandigheden
bestudeerd, die gepaard gaan met de páthè[19]; de
laatstgenoemde, daarentegen, maakt abstractie van die lichamelijke
factoren om zich toe te spitsen op de cognitieve, formele principes (lógoi),
namelijk de definities van gevoelens en intenties[20]. Maar de psychische
fenomenen zijn per definitie "psychosomatisch"[21], en de wetenschappelijke
verklaring ervan, wil ze compleet zijn, vraagt bijgevolg
béide soorten van gegevens. De theoretische studie daarom
van de psuchè en haar operaties[22]
vereist wel degelijk de taak van de phusikós[23].
De omvattende aristotelische "natuurleer", dan,
laat zich schematisch onderverdelen in de volgende deelgebieden:
- een fundamentele en algemene natuurleer:
Aristoteles heeft haar vóór alles behandeld in de
teksten van de Physica, maar ook in die van de
Metaphysica, bv. Boek Alpha; ook in de
gespecialiseerde werken treft men soms algemene beschouwingen aan: bv.
in De partibus animalium (sc. Over de delen van de
dieren) I, over methodologie en teleologie;
- kosmologie, elementenleer en meteorologie:
cf. De caelo, De generatione et
corruptione (GC) en Meteorologica (bv. in
boek IV: Aristoteles' "chemie");
- psychologie: cf. De anima,
evenals de teksten in de zgn. Parva Naturalia;
- biologie en zoölogie: cf. Historia
Animalium (HA), De partibus
animalium (PA), De generatione
animalium (GA), De incessu
animalium (sc. Over de gang van de dieren), De motu
animalium (MA, Over de beweging der
dieren). Niet minder dan 1/3 van alle bewaarde geschriften van
Aristoteles heeft betrekking op dit deelgebied.
3. Natuur als Kínèsis
(κίνησις)
3.1. Het basisfenomeen in de
natuurlijke werkelijkheid, althans zoals zij door mensen wordt ervaren,
is "kínèsis", d.w.z. "beweging": de
zichtbare phúsis, of natuur, ís het domein van de
kínèsis. Tegelijkertijd vormt die beweging (of
verandering) het basisprobleem waarmee de filosoof geconfronteerd
wordt: het (actuele) zijn, immers, in de strikte zin van het woord,
stelt voor Aristoteles geen echt probleem, want het is onmiddellijk
"denkbaar"[24];
het is a.h.w. onmiddellijk object voor contemplatie
(theoría). De hoofdopdracht, bijgevolg, waarvoor de
aristotelische filosoof zich geplaatst ziet, als erfgenaam van
Parmenides, is veeleer het intelligibel-, d.w.z. inzichtelijk- of
denkbaar-maken van de “beweging”[25].
Onder de notie "beweging", nochtans - in het
Grieks dus kínèsis, maar net
zo min als elders, houdt Aristoteles zich hier strikt aan
één term[26] -, moet
méér worden verstaan dan wat wij daar gewoonlijk
onder begrijpen (namelijk verandering-van-plaats). Behalve verplaatsing
in de ruimte (phorá) - voor Aristoteles
al bij al de fundamentele manifestatie van kínèsis
-, vallen ook kwalitatieve verandering (alloíosis)[27],
kwantitatieve verandering (toename en afname), en ontstaan/wording (génesis)
en vergaan (phtorá) onder het begrip.
Zoals Flashar het samenvat[28]:
"kínèsis,
'beweging', in de brede zin duidt alle natuurprocessen in het algemeen
aan. Zij is noch een fenomeen van het 'niet-zijn' (Parmenides en de
Eleaten), noch de louter onregelmatige 'nabootsing' van de eeuwige
hemelbewegingen (Platoon), maar (is integendeel) juist het
sleutelbegrip voor het begrijpen van de wetmatigheden in de natuur".
Verder moet worden aangestipt dat "beweging" zich
voor Aristoteles niet abstract en op zich voordoet, maar altijd
betrokken is op iets dat in-beweging-is: het gaat m.a.w. altijd om de
beweging van iets. Bovendien impliceert alle "in-beweging-zijn" de
aanwezigheid, naast het "bewogene", van een actieve “beweger"
alle beweging is dus een bewogen-worden. Zoals vele andere
aristotelische begrippen, bijgevolg, is "beweging" in feite een
"relationeel begrip", en niet iets algemeen of op zich staand, dat de
particuliere fenomenen zou overstijgen[29].
Keren we terug naar wat ik de hoofdopdracht heb
genoemd van de aristotelische phusikós:
namelijk het intelligibel-maken van bewegingsfenomenen. Die opdracht
moet, "ideengeschichtlich", begrepen worden in het licht van het
"beginsel van de intelligibiliteit", dat op naam staat van Parmenides
van Elea (wellicht geb. ca 540 vK)[30]. Dat beginsel proclameerde
de identiteit tussen wat "is" en wat "kan gedacht worden": anders
gezegd, alleen dát kon "wérkelijk/ waar" (alèthés)
zijn, dat ook kon "gedàcht" worden[31]. Het had Parmenides zelf tot
zijn bekende stelling gebracht van: "wat is, is"[32]. De "ondenkbaarheid" van
"wat niet is" impliceerde de "metafysische" ontkenning van
àlle beweging, ontstaan/vergaan en verandering[33] - in
paradoxale tegenspraak met zowel de dagelijkse ervaring als met het
gangbare taalgebruik[34].
De natuurdenkers na hem: Empedokles, Anaxagoras en Demokritos, hadden
Parmenides' wet aanvaard, met uitzondering nochtans van de ruimtelijke
beweging, die zij juist tot het fundament van hun theorie maakten, zij
het als vreemd aan het "zijnde" zélf. Alle verandering en
alle ontstaan/vergaan werd m.a.w. door hen herleid tot
veranderingen-van-plaats van op zich onveranderlijke elementen (bv.
Demokritos' "atomen"), die onderling bestendig nieuwe combinaties
aangaan. Zoals Empedokles het bv. uitdrukkelijk formuleerde[35]:
"... van niets van al dat sterfelijk
is,
is er geboorte (phúsis), evenmin enig
eind' in verwenste dood,
maar slechts menging (mixis) is er en wisseling van
't gemengde:
'geboorte' (phúsis) is maar de naam
daaraan door de mensen gegeven".
Voor Aristoteles, daartegenover, kon er, alleen
al op kennismethodologische gronden, geen sprake van zijn, de "gemene",
voorwetenschappelijke ervaring - zoals zij om te beginnen in de taal,
d.w.z. in ons spreken over het natuurgebeuren, tot uitdrukking komt -
zo maar terzijde te schuiven. Wel integendeel: ten einde tot een
filosofisch begrip te komen van de beweging diende z.i. juist te worden
vertrokken van een analyse van de wijze waarop wij mensen (Grieken)
bewegingen en veranderingen ervaren én, vooral, erover
spréken.
Het is voornamelijk vanuit een dergelijke
(logische) taalanalyse (sc.
van het Grieks) dat Aristoteles het filosofische, conceptuele kader
heeft ontwikkeld dat ten grondslag zou blijven liggen aan de
aristotelische stroming, in de verdere geschiedenis van de filosofie[36].
3.2. Dat geldt in de eerste plaats voor de bekende "categorieënleer",
die Aristoteles de mogelijkheid gaf de
platoonse vorm van dualisme (en dus ook Platoons Vormenleer) op een
bepaalde manier te overwinnen. Een min of meer systematische bespreking
ervan is te vinden in het overgeleverde logische werkje, de Categoriae.
Ons uitgangspunt kan nogmaals, zoals bij Parmenides (zie "Het
Archaïsche Natuurdenken", kap.
3.1.), de Griekse uitdrukking "ta ónta"
(τὰ ὄντα)
zijn, waarmee verwezen werd naar alle mogelijke fenomenen (wat wij
volledig neutraal "de dingen" noemen). D.w.z.:
alles waarvan op een of andere wijze, in een of andere context, kan
gezegd worden dat het "is" [PS de Griekse
uitdrukking is een verzelfstandigd deelwoord van het werkwoord "zijn",
εἶναι, geplaatst
in het onzijdig meervoud; ze betekent letterlijk: "de zijnden",
maar dat klinkt veel zwaarder dan het Grieks het bedoelt].
Goed vergelijkbaar met Parmenides, had Platoon
vanuit het éne werkwoord "zijn" een
absoluut zijnsbegrip ontwikkeld: d.w.z. er is maar
één genus van "zijn", in een
hiërarchische structuur van "eigenlijk-" naar
"oneigenlijk-zijn", onder het éne, opperste principe van de
Vorm van het Goede. Daartegenover stelde Aristoteles vast, vanuit zijn
taalanalyse, dat het werkwoord "zijn", zoals o.m.
gebruikt in de uitdrukking "ta ónta", in
feite "op een
méérvoudige wijze wordt gezegd",
modern uitgedrukt: in verschillende betekenissen wordt gebruikt (het
maken van semantische distincties is een typisch aristotelische vorm
van filosofische bespreking, die hij keer op keer hanteert wanneer hij
stellingen van zijn leermeester bekritiseert).
Het voerde hem tot een classificatie van alle
soorten predikatieve uitspraken (in de eenvoudige vorm "S is P"): bv.
"Sokrates is (een) mens", "S. is 1,52m, "S. is rood", "S. is vader",
enz. Alle dergelijke "is P" uitspraken - waarin dus met
behulp van het (koppel)werkwoord "zijn"
één of andere notie wordt toegeschreven aan, of
geprediceerd van een onderwerp of subject - laten zich herleiden tot een pluraliteit van
algemene genera of klassen van predikaties, of "katègoríai"
(PS de Griekse terminologie stamt uit de
juridische sfeer: het woord κατηγορία,
"katègoría", staat
oorspronkelijk voor "beschuldiging", d.w.z. wat iemand ten laste wordt
gelegd). Het langste lijstje ervan in de ons bewaarde teksten geeft een
reeks van tien dergelijke
klassen:
- "wezen(lijk)-zijn",
- "hoedanig?-zijn" (kwaliteit),
- "hoe groot?-zijn" (kwantiteit),
- "met betrekking tot iets-zijn" (relatie),
- "wààr?-zijn" (plaats),
- "wanneer?-zijn" (tijd),
- bv. gezeten-zijn (positie),
- bv. geschoeid-zijn (habitus),
- "doende-zijn" (actie) en
- "ondergaande-zijn" (passie).
0p basis, dus, van die verschillende (logische)
functies van het (koppel)werkwoord "zijn", die
aldus in het taalgebruik kunnen onderscheiden worden, kon Aristoteles
óók langs de zijde van de werkelijkheid de
totaliteit der fenomenen (dus: alles wat "is")
differentiëren in (tien) ontologische genera of zijnscategorieën: allereerst
die van de substantie of wezenheid (ousía),
als het meest algemene genus waaronder alle genera en species m.b.t. de
natuurlijke werkelijkheid hiërarchisch kunnen gestructureerd
worden; en vervolgens die van de kwaliteit, van de kwantiteit, van de
relatie, van de plaats, enz.
Bijvoorbeeld, aan de uitspraak, "Sokrates
is wit", beantwoordt het er-zijn van de kwaliteit "witheid":
de uitspraak geeft aan dat witheid realiter "inhereert"
in het onderwerp Sokrates (vergelijk met Platoons notie van
zijnsparticipatie). Elk fenomeen of elke entiteit (waarvan dus kan het
gezegd worden dat het "is") behoort tot
één en slechts tot één
enkele categorie (maar in één wezen kunnen
wél verscheidende, accidentele categorieën "inhereren").
Béide aspecten - de
talige of logische lijst van de (tien) klassen van
predikaten, enerzijds, en die van de meest algemene genera van wat er-is, anderzijds
- vormen sàmen de aristotelische categorieënleer
(cf. wat hoger al gezegd is, over het in verregaande mate samenvallen,
bij Aristoteles, van logische en fysische analyse).
3.3. Dit soort van analyse heeft Aristoteles, zijns inziens,
ook in staat gesteld om - mét respect voor Parmenides' "wet"
- kínèsis als zodanig
tóch "denkbaar" te maken en er aldus toch een zijnsstatuut
aan te verlenen. Lezenswaard zijn hier vooral de analyses in Physica,
I.7: we staan daar a.h.w. middenin Aristoteles' filosofische
"werkkamer".
De belangrijkste elementen van het aristotelische conceptuele apparaat hieromtrent
(dat, zoals gezegd, tegelijk van logische en van ontologische aard is)
zijn de volgende:
1) het onderscheid tussen, enerzijds, "wezenlijk"-
of "substantieel"- of "zelfstandig"-zijn,
en, anderzijds, "accidenteel"- of "bijkomstig"-zijn.
Binnen de categorieënleer, betreft dit het fundamentele
onderscheid tussen het "zijn" van de
éérste categorie en dat van de negen andere:
-
de eerste categorie, inderdaad, is die van
het subject of onderwerp van alle "S is P" uitspraken. Zij kan daarom
vereenzelvigd worden als de categorie van de "ousía",
d.i. van de "wezenheid", of: van de particuliere "wezens" (ousíai)
of substanties [PS het algemene begrip "ousía",
dat de centrale plaats bekleedt in de Griekse zijnsleer, is
rechtstreeks afgeleid van het Griekse werkwoord van "zijn"].
Dergelijke "primaire wezenheden" zijn ook concreet;
zij zijn, in Aristoteles' taal, een "dit-hier" (τόδε
τι), dat als zodanig aanwijsbaar of
identificeerbaar is. Bv. Sokrates, een particulier paard, een
particuliere plant, enz. [Let op: naast "primaire ousíai"
heeft Aristoteles het ook over "secundaire ousíai".
Het betreft dan wezensdefinities,
zoals bv. "Sokrates is (een)
mens": in deze propositie wordt de essentie of wezenheid
gedefinieerd vàn een concrete wezenheid, in dit geval
Sokrates: Sokrates ís essentieel (een) mens; welnu, het
woordje "ousía" wordt door Aristoteles
óók gebruikt voor die "wezenheid
vàn de wezenheid", zij het dat hij het dan heeft
over "secundaire ousía". De
wezenspropositie kan daarom in haar geheel tot de "eerste categorie"
worden gerekend] Tenslotte: de eerste categorie is voor het
er-zijn niét afhankelijk van het er-zijn van andere: een
concreet wezen "inhereert" niet in een ander
concreet wezen; het is ook niet afhankelijk van de overige
categorieën. De eerste categorie bestaat derhalve "op zich", is zelfstandig -
wat een vereiste is opdat een fenomeen er inderdaad aanspraak zou
kunnen op maken een "ousía" te zijn (zie
ook verder, kap. 6).
-
In het geval, daarentegen, van de negen
overige categorieën: kwaliteit (in het Grieks letterlijk: "hoedanig?"),
kwantiteit (letterlijk: "hoe groot?"), relatie ("met
betrekking tot iets"), plaats ("waar?"),
tijd ("wanneer?"), enz., geldt dat zij voor hun
bestaan wél afhankelijk zijn, namelijk van het zijn van een ousía,
en dus van de eerste categorie. Bv. in de uitspraak, "Sokrates
is vader", verwijst "Sokrates", als
subject van de uitspraak, naar een "ousía";
"is vader", daarentegen, als
predikaat, verwijst naar de categorie van de relatie (namelijk met een
zoon of een dochter). Anders gezegd, Sokrates, zoals elke andere mens,
bestaat op zich, d.w.z. Sokrates hoéft
geen "vader" te zijn, om te bestaan; de relatie "vader", echter, is
voor haar er-zijn afhankelijk van het bestaan van Sokrates (of een
andere, mannelijke mens), ten einde daarin te kunnen inhereren. De
negen overige categorieën, bijgevolg, betreffen
niét het wezen van het onderwerp (zoals wél het
geval is voor de wezensbepaling "mens": zónder die bepaling
is er geen Sokrates); ze hebben slechts een betrekkelijk (en vaak
tijdelijk) bestaan. Anders gezegd, hun statuut is er
één van "bijkomstigheid", in
het Grieks: ze zijn katá
sumbebèkós (ze "vallen te
beurt" aan een ousía); in
het latere, scholastische Latijn: ze zijn "accidentia".
PS De stelling dat de eerste categorie
onafhankelijk is van de negen overige, lijkt niet helemaal correct:
Sokrates moét inderdaad niet "rood", "1,52m", "vader",
"gezeten", enz. zijn: hij kàn bv. van kleur veranderen, hij
kàn groeien of krimpen, zijn zoons verliezen, opstaan van
zijn bank, enz., en tegelijkertijd tóch Sokrates blijven; mààr, zo
lijkt het, hij moet wél "een" kleur, "een" grootte, "een"
relatie, "een" positie, enz., hebben om überhaupt te
kúnnen bestaan als een concrete wezenheid.
2) Bij het vorige onderscheid aansluitend: het
onderscheid tussen "wezensverandering" en "accidentele
verandering". In laatstgenoemde, die betrekking heeft op
één van de negen "accidentele"
categorieën, bewaart de wezenheid die erbij betrokken is, haar
identiteit: bv. Sokrates wordt, in plaats van bleek, rood van opwinding
(in de Charmides), maar blijft
Sokrates; Sokrates bevindt zich 's nachts (categorie van "tijd")
op het symposium, bij Agathoon thuis (categorie van "plaats"),
en 's morgens begeeft hij zich naar het Lyceumgymnasium om er zich te
wassen: aan zijn identiteit wijzigt dat alles niets; enz. In
eerstgenoemde, daarentegen, die zich in de éérste
categorie afspeelt, betreft de "beweging" het wezen zélf van
de wezenheid, zodanig dat er een niéuwe ousía
ontstaat en/of een oude vergaat: bv. Sokrates sterft na het drinken van
de gifbeker. Idem voor de geboorte van een zuigeling, een puppy, enz.
In dat geval spreekt Aristoteles van génesis
haploos, d.w.z. van "ontstaan in absolute zin".
3) Het onderscheid tussen "dunámei"
en "energeíai", d.w.z. tussen "in
aanleg", of "potentieel" zijn en "in
act", of "actueel" zijn. Concreet bv. het
onderscheid tussen een eikel en een eik(enboom): de eikel ís
"in aanleg" reeds de boom die er, via
de kínèsis, nadien
(eventueel) uit groeit.
4) Het onderscheid tussen "stof"
en "(wezens)vorm", dat grotendeels parallel loopt
met het vorige. De Griekse termen zijn respectievelijk húlè,
"stof" (het Griekse woord werd voor het eerst door
Aristoteles als een filosofische technische term
geïntroduceerd) en eîdos of morphè,
"vorm". Traditioneel is men daarom gaan spreken van het
aristotelische
"hylemorfisme".
In zijn analyse, nu, vertrekt Aristoteles van de
accidentele verandering (i.e. van de wijze waarop ze in het Grieks werd
verwoord). Hij stelt daarin een structurele complexiteit vast:
vooreerst zijn er natuurlijk de twee - tegengestelde - hoedanigheden of
vormen "tussen" dewelke de kínèsis
zich altijd voltrekt: bv. "koud" & "warm", "ongeletterd"
& "geletterd", "onrijp" en "rijp", enz. Maar daarnaast is er
ook altijd, als "derde term", een substraat of "subject"
(hupokeímenon, letterlijk: "onderliggende"),
dat de drager is van de beweging maar dat zelf blijft wat het is (cf.
in ons spreken erover blijven we hetzelfde onderwerp gebruiken: "het
badwater is warm", "het badwater wordt koud").
Dat levert ons dus, wat die accidentele verandering betreft, drie
principes op, of beter: twéé, want aangezien de
"nieuwe" hoedanigheid volgens Aristoteles reeds
vóóraf, "in aanleg", aanwezig
is, heeft hij de neiging de oorsprónkelijke bepaaldheid die
in de kínèsis
verlóren gaat (bv. “wit” wanneer
Sokrates “rood” wordt), als een negatie of "(vorm)afwezigheid"
(stérèsis) buiten beschouwing
te laten. Dus: (1) "onderwerp/substraat" en (2) (de niet echt) nieuwe
"vorm".
Deze analyse wordt door Aristoteles overgedragen
op de wezensverandering, d.w.z. op het ontstaansproces als zodanig. Ook
hiér, anders gezegd, moeten we z.i. uitgaan van een
structurele complexiteit. Er moet ook hiér een
onveranderlijk "onderliggende" of subject zijn (cf.
het Latijnse woordje, "subiectum", is een vertaling
van hupokeímenon), dat zijn identiteit
bewaart tijdens de kínèsis
die tot de actualisering van een nieuwe (wezens)vorm leidt. In dit
geval, evenwel, kan dat niet de concrete ousía
zélf zijn: immers, het is zij juist die verdwijnt,
respectievelijk geboren wordt. In de plaats daarvan introduceert
Aristoteles daarom één van zijn belangrijkste
nieuwe begrippen, namelijk dat van de húlè,
of "stof": zij is het die tijdens het
ontstaansproces de "onderliggende natuur" vormt,
ín dewelke tijdens de kínèsis
een wezensvorm, niet: "ontstaat" in de strikte zin
van het woord, maar overgaat van een toestand in-aanleg naar een
toestand in-act.
Merken we op dat "vorm" en "stof" eveneens
"relationele begrippen" zijn: de vorm (die, als wezensvorm,
niét de zichtbare verschijningsvorm is!) is altijd de
vorm-van-iets, namelijk van een concrete ousía;
hij komt dus nooit an sich, op zichzelve voor - en
dat in duidelijke oppositie met Aristoteles' leermeester, Platoon en
diens Vormenleer. Wat de stof betreft, zij is enkel determineerbaar
door de relatie tot datgene waarvoor ze substraat is; ze laat zich als
zodanig vereenzelvigen met die aanleg (dùnamis).
Stof an sich - d.w.z. de absoluut kwaliteits- of
vormloze zgn. "prima materia" (in het Grieks: prootè
húlè), waaraan dus élke
bepaaldheid zou ontbreken - bestaat niet: ze is louter een abstractie
of gedachteconstructie gecreëerd door onze geest, als een
soort van grensbegrip. Alles wat daadwérkelijk de rol speelt
van "stof" in het natuurproces, ís hoe dan ook "gevormd",
d.w.z. is op zich beschouwd altijd een concrete (en dus aanwijsbare)
wezenheid, of een “dit-hier” (tóde
ti): vergelijk bv. een blok marmer, met die en die concrete
afmetingen, dat het materiaal vormt voor een toekomstige sculptuur, die
zich zelf nog in een toestand van aanleg bevindt[37]. Van
“dé” materie, bijgevolg, als een
universeel en eenvormig, reëel substraat, is er bij
Aristoteles geen sprake.
Dank zij de introductie dus van het stofbegrip,
in combinatie met het paar aanleg-act, kon (dat was althans
Aristoteles' eigen overtuiging) de aristotelische theorie én
recht doen aan de natuurlijke empirie én de "wet" van
Parmenides respecteren: ook in het geval van ontstaan en vergaan,
immers, bleek er nu een principe werkzaam te zijn dat
blééf wat het "was" (cf. Parmenides’ "wat
is, is"), zónder dat zulks de loochening
impliceerde van ontstaan als zodanig. Tegelijkertijd, was er geen
sprake van dat "wat is" (de nieuwe vorm) zou
ontstaan uit "wat niet-is": de nieuwe vorm, immers,
is (er) wel degelijk van bij de start van het proces, zij het (slechts)
"in aanleg".
Het filosofische, d.w.z.
niet-natuurwetenschappelijke, karakter van dit aristotelische
"hylemorfisme" is manifest. Zoals Van Melsen het formuleert[38]:
"De leer is bedoeld om de verandering
als zodanig intelligibel te maken. Zij is niét in staat om
iets ter zake te zeggen over de kenmerkende eigenschappen van
één of andere, bijzondere verandering. Op de
vraag, waarom ijzer roest en goud niet, moet het hylemorfisme het
antwoord schuldig blijven, omdat zijn probleemstelling uitsluitend is
afgestemd op de beschouwing van de algemene aard van de stof, d.w.z.
van datgene wat stof als stof kenmerkt... Het typische verschil tussen
hout en ijzer ontsnapt aan het hylemorfisme".
Kínèsis
wordt door Aristoteles derhalve gedefinieerd als "de
werkelijkheid (entelécheia) van wat in
aanleg is, in zoverre het (in aanleg) is"[39]. Wanneer uit een bepaalde
stof “x” een wezen “y”
ontstaat, dan is dat omdat de vorm y, die het wezen y maakt tot het
wezen dat het is, reeds vooràf "in aanleg"
(dunámei), in stof x, gegeven was. Zulks
impliceert dat elk bewegings- of veranderingsproces noodzakelijk
doelgericht is. Anders gezegd: alle "beweging" - en
dat wil zeggen: alle processen die zich voordoen binnen de natuur -
heeft voor Aristoteles een teleologische structuur. Immers, in zoverre
de vorm die in de kínèsis
verwerkelijkt wordt, reeds vooraf, weze het "in aanleg",
in de "stof" gegeven is, bepaalt die vorm de
richting van de beweging. De vorm (eîdos)
is m.a.w. ook het telos
- "einddoel-en-voleinding".
Dat telos maakt als zodanig ook het ware "wezen",
de ware "natuur" (phúsis)
uit van de nieuwe wezenheid. Zoals Aristoteles schrijft in Politica
I, 1252b32:
"(de staat) waarin elk (wezen) zich
bevindt, wanneer zijn onstaansproces (génesis)
voleindigd is, dàt zeggen we, is telkens de natuur ervan:
bv. van een mens, van een paard, van een huis".
Zoals Platoon vóór hem,
dus, had ook Aristoteles een fundamenteel teleologische of
finalistische visie op de natuur. Alle processen die er zich in
voordoen, zijn doelgericht, want verwerkelijkingen van een telkens
vooraf en immanent gegeven telos. De aanzet, evenwel, d.i. datgene "vanwaar
de aanzet (archè) van de beweging (komt)"
- zoals Aristoteles' technische formulering luidt -, is telkens een
particuliere wezenheid-in-act, die tot dezelfde species behoort en
waarin de betreffende vorm reeds geactualiseerd is. Het klassieke
voorbeeld van Aristoteles zelf luidt: "een mens genereert een
mens". Anders gezegd: het is de vader (niét de
moeder!) die, als mens-in-act, het voortplantingsproces in gang zet.
Hij is dus de "bewegingsaanzet" (archè
kinèseoos) of bewegingsoorzaak. In zoverre die
bewegingsoorzaak, in de levende natuur, tot het (species)subject
zélf behoort, kan Aristoteles het begrip "phúsis",
of "natuur", in zijn technische zin
definiëren als: de aangeboren, interne bewegingsgrond van een
natuurlijk wezen. Dus, wanneer van een werkelijkheid gezegd wordt dat
ze "van nature" (phúsei) is, dan wordt
daarmee de "natuur" ván die wezenheid
bedoeld, en niét een of andere geheimzinnige kracht achter
of "boven" de concrete wezenheid. Anders gezegd, we staan met "phúsis"
- in dit technische, of wetenschappelijke gebruik
- eens te meer voor een "relationeel begrip".
Deze immanentie zowel van bewegingsgrond als van
telos contrasteert met de platoonse visie waarin bewegingsgrond en
doelgerichtheid als
extern aan de natuur werden beschouwd[40]. Van een "wetenschap"
(epistèmè) van die natuur zelf kon er
voor Platoon bijgevolg geen sprake zijn; anderzijds situeerden ook de
causale modellen of paradeígmata, sc. de
Vormen of Ideeën, zich noodzakelijk buiten de natuur. Als
gevolg daarvan konden de natuurlijke wezens nooit "vol-eindigd"
zijn: zij bléven door de kloof van de transcendentie
onherroepelijk van hun ware natuur gescheiden of vervreemd, en schoten
in vergelijking daarmee onvermijdelijk altijd tekort (bv. zelfs een
Sokrates t.o.v. "de Mens"). Dit contrast tussen beide filosofen kan ons
doen spreken (cf. reeds het Platoonhoofdstuk) van respectievelijk "kosmisch
pessimisme", bij Platoon, en "kosmisch optimisme",
bij Aristoteles. Bij deze laatste, immers, is het volgroeide,
natuurlijke wezen zélf het telos dat in de beweging
daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Weliswaar gebeurt dat niet absoluut:
het betreffende wezen blijft immers stoffelijk, en
dus in zekere mate nog altijd "in aanleg" - in
contrast met de Godheid, die volledig "act" is, en
dus absoluut zuivere vorm.
Die autarkie van de natuurlijke wezens moet ook
vanuit een ander opzicht gerelativeerd worden: de natuur in haar
totaliteit vormt niét louter een (losse) verzameling van "bewegingen"
(en "acten"), maar is zelf een organisch en
georganiseerd "geheel"
(hólon) - wat zowel een
hiërarchische structuur of ordening veronderstelt onder de
delen ervan, als een algemeen of universeel telos, of "hoogste
goed"[41].
Met name in Physica VIII en Metaphysica
Lambda blijkt dat er, voor elk particulier wezen, naast de
interne wel degelijk ook
externe bewegingsgronden werkzaam zijn. Zo vinden we de
hoger geciteerde zegswijze over de mens soms uitgebreid tot: "een
mens en de zon genereren een mens"[42].
Weliswaar betreft de werking van deze externe factoren veeleer het feit
dàt de betreffende genese plaats vindt (en de particuliere
wezenheid dus ontstaat en bestaat) eerder dan de
ààrd ervan: m.a.w. de aard of natuur van de
particuliere wezenheid is wel degelijk een functie van de interne bewegingsgrond
ervan.
Hoe dan ook, het is die "externe"
bewegingssamenhang die de
"suntaxis", d.w.z. de
samenhang en eenheid, van de wereld fundeert - sc. ónder het
opperste beginsel van de zgn. "onbewogen beweger".
Anderzijds zijn de natuurlijke wezens, zoals gezegd, nooit
echt vollédig of definitief verwerkelijkt of "act(ueel)":
na hun "bloei" (akmè) vervallen ze
onvermijdelijk in een omgekeerd proces van vergaan (verouderen) en
sterven.
4. Phúsis
(φύσις)
en Téchnè (τέχνη).
In wat voorafgaat, zijn Aristoteles' fameuze
"vier oorzaken"[43]: stof,
vorm, beweging en doel, alle aan bod gekomen. Zoals Düring
opmerkt,[44]
zijn deze "oorzaken" weinig meer dan een thematisering van Aristoteles'
teleologische natuurvisie. Dat blijkt ook daaruit, dat - zoals
Aristoteles zelf uiteenzet in Physica II,
hét "boek van de phúsis" bij
uitstek - "natuur", of "phúsis",
in die viér betekenissen "oorzaak"
is: als stof, als vorm, als bewegingsgrond én als telos.[45]
De maatschappelijke oorsprong van die natuurvisie[46] is
gemakkelijk aanwijsbaar: ze stamt namelijk uit het artisanaal
productieproces van de téchnai, of
ambachten. Daarin treedt de handwerker met zijn werktuigen op als "bewegingsaanzet",
zijn materialen als "stof", zijn opdracht als "vorm"
en het afgewerkt product als "telos". In zijn
teleologische natuurconceptie, bijgevolg, construeert Aristoteles het
natuurproces àls een ambachtelijk productieproces[47],
d.w.z. realiseert hij een structuurgelijkheid tussen het natuurproces
en het productieproces, of tussen phúsis
en téchnè[48]. Dat wordt treffend
geïllustreerd door het citaat van daarnet, uit Pol.
I, waarin, náást "mens" en
"paard", ook "huis"
werd opgesomd. Zoals Aristoteles het zelf nog duidelijker formuleert in
Physica II[49]:
"als een huis (oikía)
één van de (dingen) zou zijn die door natuur (phúsei)
ontstaan, dan zou het op precies dezelfde manier ontstaan als het nu
(ontstaat) door de kunst (téchnè);
omgekeerd, als de natuurlijke fenomenen niet enkel door natuur maar ook
door kunst zouden ontstaan, dan zouden ze precies zo worden als ze van
nature zijn".
Maar tegelijkertijd is ook het contrast met téchnè
en de producten ervan (de artefacten) constitutief voor Aristoteles'
natuurconceptie. Het begrip "natuur" immers kan
enkel gevormd worden door contrast met wat géén
natuur is. In tegenstelling tot de menselijke artefacten, die in
verregaande mate afhankelijk zijn van externe oorzaken (de "technítès",
of in het Latijn: de "artifex", of "kunstenaar"),
bezitten de natuurlijke fenomenen een soortspecifieke, interne bewegingsgrond
- en dus autonomie -, námelijk "hun
phúsis". Zoals Aristoteles het nogmaals formuleert
in Physica II[50]:
"Alles [wat van nature bestaat,]
bezit in zich zelve een principe van beweging en stilstand - namelijk
sommige volgens plaats, andere volgens groei en afname, nog andere op
het gebied van anders-wording. Een ligbed, daarentegen, of een mantel,
of wat anders ook van zulke aard, in de mate waarin zij telkens aldus
gecategoriseerd worden, d.w.z. in zoverre zij het product zijn van
kunst, ontberen elke aangeboren impuls (hormè)
tot verandering... (D)e natuur is een soort van principe of oorzaak
voor het in-beweging- of in-rust-zijn in datgene waartoe het primair -
d.w.z. per se en niet per accidens - behoort".
Deze interne "oorzakelijkheid" van de natuur
houdt dus in
"dat een dergelijk proces, in
onderscheid met de vervaardiging van een kunstproduct, zonder
uitwendige menselijke ingreep 'vanzelf', 'uit zichzelf' plaats vindt,
hoewel het éven goed op een telos
gericht is als de productie"[51].
Hoe dan ook, wie de aristotelische
natuurfilosofie in haar historiciteit wil begrijpen, moet haar in
verbinding brengen met het ambachtelijke productieproces in klassiek
Griekenland. Niet met het productieproces zoals het zich materieel en
realiter voltrok, maar vooral (vanzelfsprekend) zoals het gepercipieerd
werd doorheen de "bril" van de heersende, aristocratische ideologie.
Deze laatste kan, vanuit historisch perspectief, worden vereenzelvigd
als een ideologie van de gebruikswaarde.
Een fundamenteel "denkschema", inderdaad, van de
heersende ideologie, dat we ook al ontmoetten bij Platoon, was de
tegenstelling tussen de "vervaardiging" (poíèsis)
en het "gebruik" (chrèsis)
van goederen; alsook, onvermijdelijk de maatschappelijke (en morele)
onderschikking van de maker (de handwerker) aan de gebruiker, scherp
gesteld: aan de geprivilegieerde burger-rentenier. Het is precies dit
denkschema dat ook aan Aristoteles' vier oorzaken hun eigenlijke
draagwijdte geeft, en dat hun onderlinge verhouding bepaalt. Ze worden
immers geduid vanuit het oogpunt van de chrèsis,
niét vanuit dat van de poíèsis.
In de ideologische benadering van de
ambachtelijke, of "demiurgische", arbeid, zoals we
die ook bij Aristoteles aantreffen[52], ligt de wàre
causaliteit, of beter: de wàre "act(iviteit)"
(enérgeia), niét bij de arbeid van de
handwerker. Ze ligt zelfs in het geheel niét bij handwerker,
maar ligt buiten hem,
namelijk in eerste instantie bij het voltooide product van
zijn arbeid (in tweede instantie: bij de gebruiker van dat product).
Zoals Aristoteles het zelf formuleert in zijn Metaphysica 2[53]:
"van alle (vermogens) waar nog iets
anders van voortkomt dan het gebruik (chrèsis),
huist de enérgeia
in wat geproduceerd wordt (zoals het bouwen: in wat gebouwd wordt, het
weven: in wat geweven wordt...)".
De producent kan zelfs geen intellectuele
aanspraken laten gelden op zijn product. Vanzelfsprekend moet hij een
"idee" hebben van wat hij zal maken. Maar daarvan mag de subjectieve
betekenis niet overdreven worden[54]. In Aristoteles' visie,
inderdaad, valt zulk "idee", als een mentale vorm, eigenlijk samen
met de objectief gerealiseerde vorm: bv. de
geneeskunde, als "vorm" in de geest van de arts, wordt vereenzelvigd
met de gerealiseerde gezondheid, in het lichaam van de
patiënt. Hoe dan ook, de eisen waaraan het product moet
voldoen - en zij zijn het toch die te samen er de
"vorm" of gebruikswaarde van uitmaken -, zijn maar echt gekend door de
opdrachtgever, d.w.z. de (toekomstige) gebruiker
ervan, niét door de maker ervan; alleen de gebruiker,
immers, beschikt over de nodige gebruikskennis, en
dus over kennis tout court. [55] Als zodanig is de consument
de éigenlijke "(vorm)oorzaak" van het
scheppingsproces. De directe "bewegingsoorzaak",
namelijk de technítès of
vakman, is in deze ideologische context niet echt "actief" of creatief:
hij is louter instrumenteel, louter een middel voor
de verwerkelijking van een "vorm" die al
vooraf gegeven is, "in hoofde" van de consument.
De éigenlijke "activiteit", m.a.w.,
komt maar nà de vervaardiging van het
product. Zij situeert zich op het niveau van de chrèsis,
de "consumptie", en dat wil zeggen: op het niveau
van het "handelen" (praxis) van de
gentleman-burger. Zoals Aristoteles schrijft in de Eudemische
Ethiek[56]:
"het handelende (praktikè)
leven impliceert inderdaad het gebruik (chrèsis)
van de dingen: de bronssmid mààkt weliswaar het
paardentuig, maar de ruiter gebruikt het".
In dit maatschappelijke en mentale systeem,
anders gezegd, “handelt” de mens wanneer hij de
dingen gebruikt, niét wanneer hij ze
vervaardigt.
5. Kínèsis
versus Enérgeia
(ἐνέργεια).
Het besproken ideologische denkschema m.b.t. het
productieproces, namelijk poíèsis
versus chrèsis, vinden we bij
Aristoteles vooreerst getheoretiseerd in de antithese poíèsis-praxis.
Daarin staat poíèsis voor een
menselijke (dus "redelijke") activiteit die gericht is op een doel dat extern is aan de
handeling; deze laatste zelf is bijgevolg geen doel op zich, maar is
louter instrumenteel (sc. voor het product ervan). Praxis,
daarentegen, staat voor een werkzaamheid die "autotelisch" is (de
uitdrukking komt van Kant), d.w.z. beoefend wordt ter wille van haar
zelve (bv. het "goed-leven").
Maar de vermelde gebruiks(waarde)-ideologie heeft
bij Aristoteles ook een meer algemene, filosofische uitdrukking
gekregen in het kader van zijn phusikè,
namelijk met het fundamentele onderscheid tussen kínèsis,
"beweging", en enérgeia,
"act(iviteit)", of, letterlijk, "werkelijkheid".
[57]
-- Kínèsis,
zoals gezegd,[58]
is "de werkelijkheid van wat in aanleg is, in zoverre het in
aanleg is". Dat houdt in dat elke beweging, àls
beweging, principieel en onherroepelijk "onaf" is.[59] Aristoteles spreekt ook van "onvoltooide
werkelijkheid" (enérgeia atelès),
waarvan de werkelijkheid erin bestaat, àls beweging nooit
vollédig "werkelijk" te zijn. Kínèsis
is ook "in de tijd", [60] d.w.z. is een duur - een
negatieve duur, want een wachttijd, namelijk m.b.t. de actualisering -
en dus een continuüm dat oneindig deelbaar is, en waarvan elk
ogenblik ("nu") verschilt van elk volgend ogenblik; ze is m.a.w.
onomkeerbaar.
Als verwerkelijking van aanleg - van wat
kàn zijn, maar nog niet is -, is kínèsis
dus per definitie uitdrukking van onvolmaaktheid. Wat verklaart waarom
de Godheid, als de volmaaktheid zelve, "ónbewogen"
is. Kínèsis heeft haar télos
buiten zich, namelijk in het product of "werk"
(érgon). Wannéér dat telos
dan effectief gerealiseerd is, d.w.z. de aanleg werkelijkheid is
geworden, is de beweging voorbij. In haar plaats is dan, plots, de enérgeia
getreden, d.w.z. de "act(ualiteit)-en-activiteit" van
het gerealiseerde telos.
-- Enérgeia is, in
tegenstelling tot kínèsis,
uitdrukking van volmaaktheid, d.w.z. impliceert "entelechie".[61] Enérgeia
is dus op elk ogenblik "af" (téleia) -
daarom is ze de zijnswijze van de Godheid. Ze is bijgevolg
niét "in de tijd", maar is een
aaneenschakeling van identieke, tijdloze en ondeelbare "nu's" - zodat
ze reversiebel is. De enérgeia
àls enérgeia is bijgevolg
verbonden met "bewegingloosheid"
(akinèsía) - waaronder iets anders te
verstaan is dan "rust" (als gestopte beweging, die zelf onder de
categorie van de "beweging" valt).
Als concreet, a.h.w. banaal voorbeeld voor zulke enérgeia
gebruikt Aristoteles graag de zintuiglijke activiteit van het "zien" (hórasis)
- in onderscheid met het kijken (we kijken omhoog, in de lucht, en,
plots, zién we de buizerd):
"het zien (bv.), zo blijkt, is op elk
tijdstip af: het komt m.a.w. niets te kort, dat, door er later bij te
komen, de vorm (eîdos) ervan zou voltooien"[62].
Elders schrijft hij dat men tijdens het zien op
elk ogenblik "tegelijkertijd ziet en gezien
hééft"[63]. Andere voorbeelden die hij,
in dezelfde passus, geeft van zulke act(iviteit)en zijn: "inzien",
"geestelijk vatten/denken", "aan theoría doen", en
"goed-leven", of wat op hetzelfde
neerkomt, "gelukkig-zijn".
Terwijl de kínèsis
louter middel is voor een telos dat erbuiten ligt, namelijk het érgon
("werk/product"), ís
de enérgeia dat érgon.
"Vandaar ook", schrijft Aristoteles[64],
"dat het woord enérgeia
is afgeleid van érgon, en tendeert naar
de betekenis van entelécheia
(volmaaktheid)".
In
tegenstelling tot de kínèsis,
is de enérgeia dus louter chrèsis,
"gebruik", van een (geactualiseerd) vermogen - d.w.z. zonder
dat er daarnààst nog iets ànders (sc.
een "product/werk") uit voortkomt. Anders gezegd,
"het ultieme dat ervan voortkomt, is
chrèsis (zoals van het zicht [opsis]
het zien [hórasis], zonder dat er
daarnaast nog een ànder werk van het zicht voortkomt)"[65].
Daarmee, mogen we zeggen, is enérgeia
dan inderdaad onherroepelijk "ontmaskerd", namelijk als een
filosofisch-ideologische sublimering van de praxis, d.w.z. van het
consumerend handelen van de gentleman (ho kalós
kagathós), dat, als "vrij" handelen, louter zich
zelve als doel heeft; en kínèsis
als het dito van de poíèsis:
het vervaardigend handelen van de bánausos,
de (ordinaire) "werkman", dat "onvrij"
is, want dienstig aan een extern doel, namelijk (de consumptie door de
gentleman van) het product of werk. Niet verwonderlijk, daarom,
kwalificeert Aristoteles het (maatschappelijke) statuut van de "artisanale
werkman" als er een van "begrensde slavernij"
(Politica I.13, 1260a36 e.v.).
Tenslotte, hoe fundamenteel dit ideologische
schema wel is voor Aristoteles' wereldbeeld, blijkt uit zijn theologie:
het opperste beginsel, de Godheid, wordt daarin door hem geconstrueerd
als een "onbewogen beweger", wat wil zeggen dat hij
pure enérgeia, pure "act"
is, die de wereld slechts in beweging brengt, of beter: houdt, als haar
doeloorzaak[66]:
"(de Godheid is) iets wat in beweging
brengt zonder in beweging gebracht te worden, iets wat eeuwig is, wat
wezenheid (ousía) en act(ualiteit) is. Op
deze manier brengt dat wat verlangd wordt en wat gedacht wordt, in
beweging: het brengt in beweging zonder in beweging gebracht te worden"[67].
De
scholè, i.e.
het maatschappelijke ideaal van de arbeidsvrije consumptie, in het
Engels: "leisure", die hét statussymbool
vormde van de "rijken" in de klassiek-Griekse
samenleving, werd daarmee door Aristoteles verabsoluteerd tot een
universeel metafysisch beginsel.
6. Natuur als Enérgeia.
De antithese kínèsis-enérgeia
wijst er ons op dat de benadering van de natuur waarmee ik hoger startte[68],
namelijk de phúsis als het domein van de
"beweging", slechts één aspect is van de
aristotelische natuurvisie. In onderscheid met Platoon, inderdaad, is
de natuur voor Aristoteles niét uitsluitend het "rijk van
het worden": ze is óók het "rijk van de
act(ualiteit)", i.e. van de actieve werkzaamheid (enérgeia)
van gerealiseerde télè, doel-
of vormoorzaken.
Vanuit dit oogpunt van de enérgeia
presenteert de natuur zich, niet als de som van alle "bewegingen"
(kinèseis), maar als de verzameling, of beter: het
georganiseerde "geheel" (hólon) van alle
actueel bestaande - en dus (betrekkelijk) "volmaakte"
en zelfstandige - "wezenheden" of ousíai
(sedert de late oudheid, met Boëthius, wordt het Griekse woord
gemeenlijk door "substantie" vertaald). Kenmerkend
voor die natuurlijke wezens is, zoals gezegd, dat ze zowel een interne
(soortspecifieke) bewegingsgrond bezitten, als een interne
(soortspecifieke) finaliteit; ze zijn dus (betrekkelijk) autotelisch,
d.w.z. niet direct afleidbaar uit, of herleidbaar tot een hogere
finaliteit (zoals het geval is bij Platoon). In de mate dat alle
hoedanigheden ervan geordend worden vanuit de (immanente) wezensvorm
ervan, vormt elke ousía een authentieke
eenheid. Het zijn dus deze wezenheden of substanties die, samen met de
voorwaarden voor hun "substantialiteit", in het centrum staan van de
aristotelische metafysica én phusikè.
Het verklarend schema dat hij hanteert - dat van de zgn. vier "oorzaken":
vorm, stof, bewegingsgrond en doel -, is gefocust op de verklaring van
wat typisch is voor die wezenheden, hun eigenschappen en specifieke
activiteiten; en dus niét, zoals, nadien, de Stoa de natuur
zal benaderen, op de causale interacties ertussen, en als zodanig op de
oorzaken van gebeurtenissen (b.m.v. het schema van "oorzaak"-"gevolg")
en de onderlinge verbanden ertussen.
Sterk vereenvoudigd (en daarom niet
helemààl correct), zou je kunnen zeggen dat de
wereldbeelden van het "aristotelisme" en het "platonisme" onderling het
volgende, wezenlijke verschil vertonen: in Platoons visie zijn het de
universele, geestelijke Vormen die, elk op zich, ten volle aanspraak
kunnen maken op het statuut van zelfstandige "ousía",
en dus van fundamentele werkelijkheid of realiteit; in de
aristotelische optiek, daarentegen, zijn het in de eerste plaats de
particuliere, concrete en stoffelijke wezens die als "ousíai"
worden beschouwd, en dus als "reëel" in de primaire zin van
het woord; als zodanig vormen ze ook het - empirische - uitgangspunt
voor het menselijke kenproces. Weliswaar zijn de concrete
wezens wàt ze zijn slechts dank zij hun (onveranderlijke)
wezensvorm. Ook hun aanspraak op de kwalificatie "goed"
is een functie van hun relatie tot die wezensvorm [PS: net zoals "zijnde"
en "één", heeft het predikaat
"goed" een bijzonder statuut, bij
Aristoteles, d.w.z. in tegenstelling tot andere hoedanigheden, vallen
ze niet onder één bepaalde categorie, maar kunnen
ze van verschillende categorieën worden gezegd; het "goed-zijn",
nochtans, van een kwaliteit, bv. van een kleur, hangt af van de mate
waarop zij op één of andere wijze gerelateerd is
aan het "goed-zijn" van een wezenheid]. Anders
gezegd, een wezenheid is "goed" indien, en enkel
indien, ze alle potentialiteiten van haar wezensvorm gerealiseerd heeft
én deze optimaal "aan het werk stelt"
(cf. de betekenis van enérgeia). Wat
houdt dat in?
Essentieel aan Aristoteles' teleologische visie
is dat elke natuurlijke ousía, of
wezen-in-act, een zin, d.w.z.
een "werk" (érgon), of taak bezit, want:
"de natuur maakt niets onaf (áteles)
of zonder zin"[69].
Wélke die taak of functie is, is een kwestie van de vermogens waarover
het wezen "van nature" (phúsei)
beschikt. Dat komt erop neer dat de (soortspecifieke) eîdos,
of "(wezens)vorm", aan elk volgroeid wezen
tegelijkertijd zijn identiteit geeft én zijn zin of functie.
Beide, inderdaad, d.w.z. de identiteit, essentie of natuur, enerzijds,
en het "werk" of "vermogen"
(dúnamis) [70], anderzijds, vallen voor
Aristoteles sàmen, want "alles... wordt
gedefinieerd door zijn érgon en zijn dúnamis"[71].
Vandaar dat de "lógos",
of definitie, van de "vorm" precies dát
(soortspecifieke) érgon als voornaamste
inhoud heeft, en niét de uitwendige verschijningsvorm ervan.[72]
Terwijl het actueel verwerkelijkt-zijn van de (wezens)vorm door
Aristoteles kan bestempeld worden als de "eerste volmaaktheid
(entelechia)", bestaat de "tweede entelechie"
- d.w.z. de zin én het zijn van actueel levende wezens - in
het daadwerkelijk “energeîn”,
het "in-het-werk-stellen", van de vorm; m.a.w. ze
bestaat uit enérgeia, in de zin van
(soortspecifieke) "werkzaamheid".
Laten we het bovenstaande concretiseren naar levende wezens toe.
Zoals gezegd, wordt het érgon van elke
wezenheid bepaald door de soortspecifieke eîdos
of vorm. In het geval, nu, van de levende wezens: planten, dieren en
mensen, neemt de eîdos de gedaante aan
van de psuchè, "ziel", of beter: "levensbeginsel".
Zij zijn, anders gezegd, "bezield" (émpsucha). Hoe
sterk ook hiér de gebruiks(waarde)ideologie aanwezig is,
blijkt uit de wijze waarop Aristoteles in zijn De anima
de vraag beantwoordt, wat de psuchè voor
iets is.
Hij maakt daartoe twee vergelijkingen: met een
werktuig, de bijl, alsook met een lichaamsorgaan: het oog[73]. Stel,
schrijft hij, dat de bijl een "natuurlijk wezen"
was (zodat ze haar bewegingsgrond in zichzelf zou hebben). In dat geval
was "bijlheid", d.w.z. het kunnen-hakken, de "psuchè"
van de bijl. De bijl die dat vermogen verliest
(bv. door bot te worden), is geen bijl meer, tenzij homoniemisch:
d.w.z. ze heeft dan nog enkel de nààm van "bijl",
zoals een houten speelgoedbijl, maar niet langer de functie (en
bijgevolg ook niet langer de definitie) ervan. Idem voor het oog: mocht
dat een (zelfstandig) levend wezen zijn, dan was het zicht, d.w.z. het
kunnen-zien, de "psuchè" ervan. Een oog
dat het zicht verloren heeft (bv. bij een blinde) is nog enkel
homoniemisch een "oog".
Uit deze voorbeelden blijkt duidelijk dat
Aristoteles de vraag naar de psuchè
hanteert als de vraag naar het specifieke érgon,
d.w.z. de (soortspecifieke) functie of nuttigheid, zeg maar: de "gebruikswaarde",
van het levend wezen in kwestie. M.a.w. de psuchè
is in eerste instantie niet méér dan het kunnen-functioneren van
een levend lichaam. Aristoteles noemt de psuchè
daarom de "eerste entelechie". Het daadwerkelijk
functioneren van dat levende lichaam is de "tweede entelechie".
Wat dan de vraag betreft, wàt het "werk",
of de functie, is van levende of "bezielde" wezens (ta
zôia, ta émpsucha), algemeen kan gezegd
worden dat het - banaal weg - erin bestaat "te leven"
wat dus omgekeerd betekent dat "het leven (hè
zooè) een soort van enérgeia
is"[74].
Dat antwoord, evenwel, is te abstract, want te generaliserend: in
tegenspraak met wat Platoon ons voorhoudt, is er niet zoiets als
"dé" psuchè, die identiek zou
zijn voor de bezielde natuur in haar totaliteit (zodanig dat er
zielsverhuizing van mens naar dier en plant, en omgekeerd, mogelijk zou
zijn - zoals dat in Platoons Politeia, in de mythe
van Er, wordt verhaald). Het antwoord moet derhalve geconcretiseerd
worden, en wel op basis van de specifieke vermogens van elk wezen,
algemener: de vermogens van de drie hoofdcategorieën van "leven",
en dus van psuchaí, die Aristoteles
onderscheidt binnen wat later (in het Latijn) de "scala
naturae", of "trap van de natuur", zal
worden genoemd:
1) vooreerst is er de psuchè
van de planten (ta phutà): zij bezit
enkel het vegetatieve of nutritieve vermogen, d.w.z. het vermogen
voedsel tot zich te nemen en te groeien (to phutikón
of threptikón);
2) de psuchè van
de dieren (ta zôia) bezit, behalve het
voornoemde, ook het vermogen van gewaarwording en, dus, verplaatsing of
beweging (to aisthètikón);
immers, wie bv. pijn ervaart, moet, wegens de zinvolheid van de natuur,
de mogelijkheid hebben zich te verwijderen van de oorzaak van die pijn;
3) het "dier" mens,
tenslotte, bezit, behalve alle reeds vermelde (analoge) vermogens, als
specifiek menselijk vermogen de lógos,
d.w.z. het spreek-en-denkvermogen (to logikón).
Met het uitoefenen, nochtans, van de
(ziels)vermogens is nog niet alles gezegd, wat het "werk"
(érgon) betreft van levende wezens. Het telos
immers dat moet gerealiseerd worden, bestaat niet zozeer in het
(louter) be- of uitoefenen van je érgon,
als wel in het
goéd-uitoefenen ervan (vgl. nogmaals de bijl:
er wordt niet enkel van verwacht dat ze klieft, maar ook dat ze
goéd klieft). Het telos is immers "het beste"[75],
d.w.z. het beste dat voor elk (soort)wezen überhaupt mogelijk
is. Toegepast op de levende wezens in het algemeen zou dat dus
betekenen dat hun érgon erin bestaat, "goed
te leven", overeenkomstig hun soortspecifiek bepaalde
levensvorm (maar zie verder). Dat veronderstelt dat de betreffende
vermogens zich daartoe in een optimale "staat" bevinden (nogmaals de
bijl: dat ze schérp staat). Die "gesteldheid"
(diáthesis), nu, of "habitus" (hexis),
waarmee de specifieke vermogens van elk wezen
inderdààd optimaal functioneren, zodanig dat het
wezen in kwestie recht heeft op de positieve kwalificatie, "goed"
(agathós), wordt in het Grieks "aretè",
"(staat van) voortreffelijkheid" genoemd
(het woord is etymologisch verwant met "agathós";
in het Latijn vertaald met "virtus"; in het
Nederlands traditioneel door "deugd"). [76]. Zoals
Aristoteles het zelf heel algemeen formuleert in de Eudemische
Ethiek[77]:
"aretè
is de beste dispositie of habitus, of het beste vermogen van alles
waarvan er een of andere chrèsis of érgon
is"
- wat uitdrukkelijk betekent dat ook
gebruiksgoederen, bv. een mantel, zulke "aretè"
kunnen, en dus moeten bezitten. In de Nikomachische Ethiek[78],
anderzijds, legt hij de functie van aretè
als volgt uit:
"elke aretè
maakt dat datgene waarvan het de aretè
is, zich in een goede staat bevindt en zijn érgon
op een goede manier aflevert; zo maakt bv. de
aretè van het oog het oog goed evenals het érgon
van het oog: dank zij de aretè van het
oog zién we goed".
Anderzijds gaat elke uitoefening-van-het-érgon,
dus enérgeia, gepaard met een
bijzondere, eigen
hèdonè, "lust-", of "genotbeleving"[79]; en
dat genot verhoogt dan op zijn beurt de (intensiteit van de) enérgeia[80]. De
axiologische betekenis van het hoger besproken onderscheid kínèsis-enérgeia
komt in deze context duidelijk naar voor. In zijn discussie, inderdaad
(in boek X van de Nikomachische Ethiek), van het
"hedonisme" (in de brede betekenis van het woord) beklemtoont
Aristoteles dat de "wàre" hèdonè
- die dus als goed moet worden nagestreefd - de hèdonè
is die gepaard gaat met enérgeia,
aangezien enérgeia, zoals we gezien
hebben, volmaaktheid impliceert[81]. Minderwaardig, daarentegen,
is de hèdonè die de kínèsis
vergezelt: deze laatste is altijd uitdrukking (want leniging) van een
gebrek of tekort (bv. drinken: van dorst, eten: van honger, seks: van
eros of verlangen, enz.), en na verloop van tijd leidt ze noodzakelijk
tot (over)verzadiging en onlust.
Tenslotte moet er nog worden op gewezen dat de hèdonè
van de enérgeia, net zoals de enérgeia
zelf, soortspecifiek is:
"elk dier blijkt zijn eigen hèdonè
te hebben, zoals het ook zijn eigen érgon
heeft: de hèdonè namelijk die
de (eigen) enérgeia vergezelt"[82].
7. Natuur en Ethiek.
In de voorafgaande paragrafen zijn we, met termen als "goed", "deugd", "lust"...,
a.h.w. naadloos van de natuurfilosofische volop in de ethische
thematiek terechtgekomen, en dat is vanzelfsprekend geen toeval.
Weliswaar rekent Aristoteles de ethiek (zelf
spreekt hij van "politikè")
niét, zoals de phusikè, tot
de "theoretische" maar wel tot de "praktische"
filosofie: wààr het ons om te doen is, schrijft hij regelmatig in zijn ethisch-politieke werken, is niet (enkel) te "wéten"
wat het goede is, maar ook om
"goed te wórden". In
tegenstelling, dus, tot Sokrates, volstaat kennis voor Aristoteles
niét. Desondanks lijkt zijn ethische reflectie, op het vlak
van de basisprincipes en de doelstellingen ervan, wel degelijk een
verlengstuk van zijn natuurfilosofie. Zoals T.J.Saunders het formuleert[83]:
"(de aristotelische ethiek) is
gebaseerd op de verrassende assumptie dat het moreel juiste, het
nuttige en het natuurlijke identiek zijn, en dat het menselijke geluk
gelegen is in de conformiteit aan een natuurlijk patroon".
Deze
assumptie, nochtans, vind je op de een of andere wijze bij àlle Griekse filosofen terug (zie de openingstekst, "Een
Aanloop", kap. 2).
Het uitgangspunt van de aristotelische "Naturalethik"
is het gegeven dat, zoals alle andere natuurlijke wezens,
óók de mens een (soortspecifiek) érgon
bezit - dat we dan "to érgon toû
anthrópou",
"het werk van de mens", sc. àls mens (en dus niet als: landbouwer, pottenbakker, enz.),
kunnen noemen[84].
De vraag stellen, wàt dat "werk van de mens"
dan wel is - dus, waartoe dé mens "dient", wat zijn
"gebruikswaarde" is -, betekent vragen wat het beste, of "het
goede" (to agathón), is van, en dus: voor[85], de
mens. Het algemene (schijnbaar tautologische)[86] antwoord op die vraag naar
het menselijke "summum bonum" luidt: het "goed-leven",
en dat is hetzelfde als "eudaimonía", "geluk"
(of beter: "floreren") - want ook voor de mens gaat
de uitoefening van deze enérgeia gepaard
met "ware", want "natuurlijke", d.w.z. soortspecifieke
hèdonè. En, zoals we weten, bestaat de
soortspecificiteit van de mens uit zijn "redelijkheid".
Weliswaar zou de uitdrukking, "goed te
leven", strikt genomen ook als finaliteit voor de overige "zôia" of
levende wezens kunnen gebezigd worden[87]. Aristoteles evenwel merkt
hiertegen op[88]
dat "het goed-leven" in de éigenlijke
(wij zouden zeggen: "morele") zin van het woord moet worden
voorbehouden aan de mens, in ónderscheid met de dieren. Zoals hij ook
schrijft in de Eudemische Ethiek[89]:
"geen enkel van de dieren, die
allemaal een natuur (phúsis) bezitten die
inferieur is aan die van de mens, deelt in die benaming (sc. van de eudaimonía):
een paard is immers niet 'gelukkig', en evenmin een vogel of een vis".
In hetzelfde, naturalistische perspectief kan die
menselijke eudaimonie door hem dan gedefinieerd worden als: de enérgeia
van de (vermogens van de) menselijke psuchè
- waarbij die psuchè en haar vermogens
zich vanzelfsprekend niet in gelijk wélke staat mogen bevinden.
Het menselijke "werk" - en dùs het "menselijke
goede", en dùs de eudaimonie - kunnen vandaar
gedefinieerd worden als "de activiteit van de psuchè
overeenkomstig haar staat van voortreffelijkheid" [90]. Of
zoals Aristoteles eudaimonie definieert in Politica VII-VIII[91]: als "de
volmaakte activiteit... en het volmaakte gebruik (chrèsis)
van de voortreffelijkheid".
De morele vraagstelling voor de mens, namelijk
hoe "goed" te leven (en dus door zijn medemensen een "goed mens" te
worden genoemd), laat zich op die manier - althans in eerste instantie
- presenteren als een "simpele" toepassing van de algemene principes
die gelden voor de natuur in het algemeen: zoals alle andere
natuurlijke wezens, heeft ook de mens een natuurlijk érgon
- "natuurlijk" althans in de zin dat het bepaald wordt door 's mensen
soortspecifieke, natuurlijke vermogens. Zoals gezegd, "goed-leven"
of eudaimonie is dan niet méér dan de enérgeia,
i.e. het actueel functioneren - we zouden ook kunnen zeggen:
"consumeren" - van die natuurlijke vermogens in hun staat van
voortreffelijkheid. Wel dient onder die vermogens, en dus ook onder hun
"voortreffelijkheid" (of: deugden), een
rangorde te worden gemaakt. Aristoteles kan bijgevolg de eudaimonie
uiteindelijk definiëren als de enérgeia
van de psuchè "volgens de
beste en meest volmaakte aretè"[92].
Op ons, "(post-)modernen", die het historische
product zijn van een lange christelijke traditie, maakt de
aristotelische (zeg maar: oud-Griekse) benadering van het morele een
wat vreemde, om niet te zeggen: "amorele", indruk: het "goed"-zijn van
een mens lijkt in eerste instantie van dezelfde, puur naturalistische orde
te zijn als bv. het "goed"-zijn van een leeuw. Er is hier
klaarblijkelijk geen plaats voor zoiets als een eigenlijke, morele "verplichting"
(obligatio), uitgaande van een finaliteit die het
individuele, menselijke leven absoluut transcendeert ("God"), zoals in
het christendom, en die als zodanig bewust moet worden aanvaard en
gehoorzaamd, "tegen heug en meug", door de menselijke "wil" -
zodanig dat "goed" en "kwaad" essentieel een kwestie van volitie of intentie zijn
(denk ook aan Kants "morele imperatief").
Het aristotelische telos is integendeel
coëxtensief met het menselijke leven zélf: het
goede is per definitie het "ménselijke goede",
zoals Aristoteles beklemtoont; is m.a.w. "in ons belang"
(nog vanuit een gelijkaardige evidentie, zullen de stoïci
nadien argumenteren dat "alleen de deugd écht in
ons belang is"). Eens erkend is wat dat goede is, herleidt de
morele problematiek, in de aristotelische "deugdenethiek", zich
grotendeels tot een kwestie van "technisch", rationeel overleg over en
keuze tussen de juiste
"middelen" om dat goede effectief te
realiseren, onder verstaan: tijdens dit leven (maar let op, dat goede
kan eventueel de vorm aannemen van een heldendood, ter verdediging van
het vaderland: "pro patria mori dulce et decorum est!").
In een dergelijke afweging wordt de hoofdrol hoe dan ook niet gespeeld
door zoiets als de wil (die komt bij Aristoteles niet ter sprake als
een zelfstandige factor), maar door 's mensen praktische verstandigheid
(phrónèsis), ondersteund door
de "deugden" (aretaí) die zij heeft
weten aan te kweken. Zij bezorgt de mens het nodige morele besef
(Aristoteles' specifieke term daarvoor is prohaíresis,
waarin de connotatie "keuze"
nog doorklinkt), zodanig dat hij door de anderen ter verantwoording kan
worden geroepen.
Maar we moeten onszelf dus corrigeren: ook
zónder "obligatio" ten aanzien van een
hogere zijnsorde, is er wel degelijk sprake van een specifiek
menselijk, en dat wil zeggen: moreel, domein binnen de totale
werkelijkheid. De mens valt niét zo maar samen met de rest
van de natuur; hij is niét louter een natuurwezen (phúsei),
zoals de andere dieren (zôia).
Het centrale begrip, hier, is dat van de praxis (πρᾶξις).
De mens, inderdaad, precies omdàt hij een verstandelijk
wezen is, vormt in onderscheid met de dieren niét enkel een
principe van "beweging" (archè kinèseoos,
cf. de voortplanting), maar hij is óók een "principe
van praxis" (archè práxeoos) -
"want van geen enkel ander levend wezen zeggen we dat het handelt"
(Eudemische Ethiek, II.6, 1222b15v.). En wezenlijk
aan "handelingen" is dat zij "van onszelf"
afhangen, of "in onze macht" liggen (ze zijn "eph'
hèmîn"), zodat ze dus vatbaar zijn voor
moreel
"overleg" (boúleusis).
Binnen de totale, natuurlijke werkelijkheid
vormen handelingen aldus de
"menselijke wereld". Het feit dat de fenomenen binnen die
wereld - namelijk alle gestelde én (eventueel) te stellen
handelingen (ta praktà) -, een
éigen "oorzaak" of "principe"
hebben, te weten: het menselijke verstand (ho noûs),
geeft aan die wereld de nodige autonomie én rationaliteit om
haar tot onderwerp te maken van een aparte filosofie of wetenschap. Ook
op dit punt ging Aristoteles "in contramine" met zijn leermeester,
Platoon. Voor deze laatste kon er geen sprake zijn, zelfs van een
betrekkelijke autonomie van de mens in de totale zijnsorde. Zoals hij
het nogal kras formuleerde in zijn laatste werk, De Wetten,
VII, 803C4-8:
"De mens is uitgedacht om een soort
van speeltje (paígnion) te zijn van de
godheid, en dàt is waarlijk het beste dat er aan hem te
vinden is. Iedere man en iedere vrouw dient zijn of haar leven op die
wijze door te brengen, namelijk zich schikkend naar die rol, en
spelletjes spelend die zo mooi mogelijk zijn [sc. in de ogen van de
goddelijke toeschouwer]".
De mens, dus, als een "marionet"
van de godheid, en die godheid, dus, en niét Protagoras'
mens, als "de maat van alle dingen". Wat
daartegenover Aristoteles betreft, het is precies vanuit het oogpunt
van (rationeel) overleg en morele keuze (prohaíresis),
dat handelingen voor hem een typisch "menselijk" - wij zouden zeggen:
"moreel" - statuut krijgen. De verregaande contingentie die
ermee gepaard gaat - of een bepaalde handeling al dan niét
gesteld wordt, is volledig afhankelijk van de uitkomst van het morele
overleg van de persoon in kwestie -, maakt dat zij
inderdààd niet het voorwerp kunnen uitmaken van
een "theoretische" wetenschap, i.c. de phusikè
- hoewel zij wel degelijk tot het brede zijnsgebied van deze laatste
behoren. Zij vormen, zoals gezegd, integendeel het domein van een "praktische"
filosofie, of van wat hijzelf omschrijft als een "filosofie
omtrent de menselijke aangelegenheden" (hè perí
ta anthrópeia philosophía). Zij houdt
zich in de eerste plaats bezig met een onderzoek naar de - individuele
en maatschappelijke - voorwaarden waaronder de mens zijn "menselijk
werk" zo succesvol mogelijk kan realiseren. Inderdaad, tot de
typische contingentie van de menselijke wereld behoort
óók dat morele vermogens niét
"vanzelf", het zij godgegeven of natuurlijkerwijze, hun aretè
of "staat van voortreffelijkheid" bereiken of
bezitten: de menselijke psyche, immers, is niet louter rede maar bevat
in zich ook "irrationele" strevingen en tegenstrijdige gevoelens
(liefde en haat, vriendschap en vijandschap, enz.), die nodig onder de
controle van de praktische verstandigheid (phrónèsis)
moeten worden gebracht. Mensen moeten derhalve van kindsbeen af de
correcte opvoeding (paideia)
krijgen, willen ze (eventueel) metterdaad "goed"
worden.
In Aristoteles' tijd was weliswaar de visie
populair dat de eerste mensen - zoals geschapen door een voorzienige
godheid (cf. reeds in de mythologie, bv. over de "gouden eeuw
van Kronos"), of zoals ze na de laatste zondvloed of
wereldcatastrofe weerom te voorschijn waren gekomen - uit zich zelve
over een natuurlijke (ongereflecteerde en dus prefilosofische)
deugdzaamheid beschikten, en dus "goed" en "gelukkig"
waren. Dergelijk "primitivisme" werd in een radicale vorm verdedigd
door de cynici, in het kader van hun afwijzing van de eigentijdse,
"consumptiemaatschappij", maar in een genuanceerde vorm was ze ook
aanwezig bv. in sommige late dialogen van Platoon en bij Aristoteles'
leerling, Dikaiarchos; nadien ook in de Stoa (zie daarover de
begintekst, "Een Aanloop", onder kap.2.2).
Aristoteles echter was ze te enen male vreemd. Het idee dat de
mensheid bij de start van een kosmische cyclus béter af zou
geweest zijn dan naar het einde ervan, na de ontwikkeling van de vele
menselijke "kunsten", strookte niet met zijn
teleologische visie op de menselijke geschiedenis: hij zag daarin wel
degelijk een
vooruitgang aan het werk, met onder meer de volwaardige,
éigen filosofie als bekroning (zie bv. de beknopte allusies
daarop, in Boek Alpha, 981b20 e.v., en 982b22 e.v.,
vermoedelijk afkomstig uit zijn - verloren - dialoog, "Perí
philosophías").[93] Wel dient opgemerkt dat
Aristoteles aanvaardde dat "sporen" van filosofisch
inzicht uit de vórige cyclus, via de mensen die de
natuurramp overleefd hadden, in een soort collectief geheugen toch min
of meer bewaard waren gebleven, bijvoorbeeld onder de vorm van
mythologische en religieuze voorstellingen, spreekwoorden, enz. (zie Met.
Lambda, 1074a38-b14, en Fr. 13, Rose).
Morele en sociale opvoeding was dus een vereiste.
Voor Aristoteles was zij bovenal een kwestie van (goede) "gewoontevorming"
(ἔθος,
éthos; niet te verwarren met ἦθος,
êthos, hoewel er voor
Aristoteles een etymologische band was tussen beide noties). Een mens
(kind), anders gezegd, werd "goed" door áskèsis,
d.w.z. door getraind of geoefend te worden, in het goede te
doén. Onderwijs (didachè)
kwam z.i. slechts op de tweede plaats, wegens de beperkte kracht van de
lógos, of de lógoi
("betogen"), alleszins wat de overgrote meerderheid van de
mensen betreft[94].
De grootste rol daaromtrent werd, volgens Aristoteles, finaal niet
zozeer door de eigen vader gespeeld (die nochtans de "monarch" was in
het huishouden) als wel door het kader van de wetten (hoi
nómoi), want zij weten lógos
te combineren met (repressieve) afdwingbaarheid. Zoals hij schrijft aan
het einde van de Nikomachische Ethiek, X.9, 1180a14
e.v.:
"Indien men dus, zoals gezegd, ten
einde een goed mens te zijn, treffelijk dient opgevoed te zijn en goede
gewoontes dient aangeleerd te hebben, en vervolgens op die manier zijn
leven in fatsoenlijke bezigheden dient door te brengen, en men noch
onvrijwillig nog vrijwillig slechte handelingen mag stellen, en indien
zulks slechts het geval kan zijn voor wie leeft overeenkomstig een
zeker verstandelijk inzicht en een juiste ordening die over (de nodige)
kracht beschikt: welnu, dan (moet gezegd worden dat) de bevelvoering
van de vader niét de (vereiste) kracht en al evenmin
afdwingbaarheid bezit... De wet, daarentegen, bezit wél een
afdwingende macht, waarbij ze een betoog (lógos)
is dat uitgaat van een zekere verstandigheid (phrónèsis)
en inzicht (noûs)".
Die
"wet" verwijst ons naar de polis, als de "voleindigde
(menselijke) samenleving" (Pol. I.2). De
polis, immers, "ontstaat weliswaar ter wille van het leven
(zonder meer), maar ze béstaat ter wille van het goed-leven"
(1252b28). Het effectief realiseren van dat "goed-leven"
van de burgers is voor Aristoteles bij uitstek de taak van de politikós,
vooral in diens hoedanigheid van nomotheet of wetgever. De mens is niet
voor niets "van nature een poliswezen"[95] - in
de zin dat het actualiseringsproces van de specifiek menselijke
vermogens én de maatschappelijke ruimte om ze ook
daadwerkelijk "aan het werk te zetten" (energeîn),
pas in een polisgemeenschap tot hun optimale realisatie komen. Zoals
hij nogmaals in de Politica, I.2, 1253a29 e.v.,
schrijft:
"Zoals de mens in zijn voleindigde
staat de beste van alle dieren is, zo is hij ook de slechtste van
allemaal wanneer hij gescheiden is van wet (nómos)
en recht (díkè)...
Rechtvaardigheid, echter, is een polisfenomeen (politikón):
recht is de ordening van een polisgemeenschap...".
Dat verklaart ook waarom Aristoteles zelf de
"menselijke" of "praktische" filosofie, die nochtans zowel het domein
dekt van de ethiek als dat van de politiek, de omvattende benaming gaf
van "ἡ
πολιτική"
(hè politikè), "de politieke
wetenschap".
Een belangrijke implicatie weliswaar van zijn
geloof in de rationaliteit én autonomie van de menselijke
praxis is Aristoteles' (anti-platoonse) overtuiging dat de burger ook zónder
filosofische kennis "goed" kan leven
en dus de eudaimonie kan realiseren. Dat staat in onmiddellijk verband
met zijn verwerping van Platoons Vormentheorie: voorwaarde voor het
goed-leven is niet (langer) de (filosofische) kennis van transcendente
normen. Integendeel, ook op dit vlak werden de platoonse principes door
Aristoteles immanent
gemaakt; "Regel en maat (kanoon
kai métron)", zo schrijft hij, die "in
iedere situatie de (praktische) waarheid ziet", dat wil
zeggen: de juiste keuze maakt, is "de goede man (ho
spoudaîos anèr)" - anders gezegd, de "gentleman"
(ho kalós kagathós), die in zijn
dagelijks leven en handelen het levende model vormt waaraan de "gewone"
mens zich kan en moet oriënteren (zie: NE,
III.4, 1113a29 e.v.). Het gebruik van het Engelse woordje "gentleman",
in de vorige zin, wil aangeven dat de aristotelische notie van "goedheid"
nog een belangrijk maatschappelijk (zeg maar: klasse) karakter heeft:
het gaat om modelburgers die bv. ook over de nodige rijkdom beschikken
(zodat ze bv. de deugd van de gulheid in de praktijk kunnen brengen) en
over de nodige andere pluspunten (gezondheid, schoonheid, fysieke
kracht, prestige, politieke macht...) om in de samenleving
daadwerkelijk te "floreren" (zoals het werkwoord, "eudaimoneîn",
het best kan vertaald worden).
Maar er is méér, wat de
ontkoppeling betreft tussen "theoría" en
"praxis", bij Aristoteles: ervaring met
de burgerlijke praxis, waarin de (immanente) principes van het
goed-leven metterdaad verworven werden, is uitdrukkelijk een
vóórwaarde om met vrucht naar de filosofieschool
te komen en daar colleges te volgen in de "praktische
filosofie" (zie de inleiding van de Nikomachische
Ethiek, 1094b27 e.v.):
"Daarom is de jongere geen
geëigend toehoorder van (lezingen over) de politikè:
hij heeft immers geen ervaring met de handelingen van de levensvoering (bíos),
terwijl de lógoi juist daarvan
vertrekken en daarover handelen; en daar hij nog zijn gevoelens (páthè)
volgt, zal hij bovendien vergeefs en zonder nut luisteren, aangezien
het doel hier niet kennis (gnôsis) is maar
handelen (prâxis)".
______________________________
NOTEN:
* Grotendeels gebaseerd op hoofdstuk 5 van
de
syllabus, Phúsis &
Polis. Aristoteles’ “Praktische Filosofie”, Gent 1996³.
De eBook publicatie van de volledige syllabus is "under
construction", zie de gegevens
op deze site.
[1].
Πάντες
ἄνθρωποι τοῦ εἱδέναι ὀρέγονται φύσει (Pantes
ánthropoi toû eidénai
orégontai phúsei).
[2]. Over de
noties "sophía" en "philosophía",
zie de syllabus H.De Ley (1988).
[3]. Met.
A, 982b9. Zie De Ley, Aristoteles. Metaphysica A
(1977), p. 63.
[4]. Alpha,
983a25-26, vert. De Ley (1977), p. 71.
[5]. Zie over
de methodologische aspecten van Aristoteles' filosofiebegrip (filosofie
als "wetenschap") - met de combinatie van een
beweging van "inductie" (epagogè) en een
van "deductie" (apódeixis) - De Ley
(1988), pp. 151-156.
[6]. Boek Alpha
stamt vermoedelijk reeds uit Aristoteles' Akademietijd.
[7].Cf. de
syllabus, phúsis & Polis,
1996³, hfst. 3 & 4, over de “antieke
productiewijze”.
[8]. Cf. de
geciteerde syllabus, hfst. 3, § 3.
[9]. Cf.
Marx' "Naturalwirtschaft".
[10]. Cf.
de reeds gedeeltelijk geciteerde passus in Marx' Grundrisse,
p. 313: wat hij "the great civilising influence of capital"
noemt, wordt er in contrast wordt geplaatst met alle vroegere "Gesellschaftsstufe(n)".
In vergelijking met het kapitalisme verschijnen die laatste "nur
als lokale Entwicklungen der Menschheit und als Naturidolatrie"
(enkele regels verder hernomen als "Naturvergötterung").
[11]. In
zijn Ökologische Philosophie.
Natur-Technik-Gesellschaft (1984), p. 3.
[12]. "Phúsis"
en afgeleiden komen ongeveer 95 maal voor, "polis"
en afgeleiden 44 maal.
[14]. "De
wetenschap die om harentwille en ter wille van het weten verkozen
wordt, (is) eerder wijsheid (sophía) dan
de wetenschap die gekozen wordt voor haar resultaten", Met.
A, 982a14-16.
[15].
Aug.Mansion, Introduction à la Physique
Aristotélicienne (Leuven 1945²), p. 38.
[16].
Mansion, l.c., spreekt daarom van "une
métaphysique des corps ou une philosophie du monde
matériel". Zie ook infra, het citaat uit Van
Melsen (1955).
[17]. De
radicale differentiatie tussen een (autonoom) "zelf" en een (volledig
externe, objectieve) "buitenwereld", die kenmerkend is voor de moderne
rationaliteit, was Aristoteles nog onbekend. Vandaar is zijn
zielsbegrip niet echt subjectivistisch (in de kantiaanse zin van dat
woord). Het uitgangspunt voor de studie ervan is nooit zoiets als een
menselijk "zelfbewustzijn" (dat was Aristoteles eveneens vreemd,
ondanks het begrip van het "denken van het denken",
sc. i.v.m. de Godheid). Dat uitgangspunt wordt integendeel gevormd door
datgene wat door de menselijke geest effectief gekend,
of gedacht wordt, d.w.z. de actuele "denkobjecten" (noèmata),
die de inhoud van
de geest vormen en terugverwijzen naar de (structuur van de)
werkelijkheid: de menselijke geest, in deze visie, kent zichzelf maar
in zoverre hij die denkinhouden kent. Net zomin als bij
Platoons, m.a.w., is het menselijke subject hier een "epistemisch
subject" (cf. ook Aristoteles' beschrijving van de psyche als, in
aanvang, een "onbeschreven wassen tafeltje",
oftabula rasa).
[18].
Aangezien "materie" en "geest"
voor Descartes twee totaal verschillende substanties zijn, is het
onderwerp (in het Engels: "subject-matter") van de
cartesiaanse psychologie noodzakelijk totaal verschillend van dat van
de cartesiaanse fysica.
[19]. Bv.
het koken van het bloed in de hartstreek, bij het gevoelen van woede,
zie De anima, I.1, 403a31.
[20]. Woede
is dan het "verlangen naar vergelding" (sc.
in het besef onrechtvaardig behandeld te zijn), De anima,
l.c.
[21]. In
Aristoteles' terminologie: de páthè
zijn lógoi énhuloi, "gematerialiseerde
principes", cf. ibid., 403a25; vgl. ook 403b17-18: "we
zegden dus dat de zielsaandoeningen niet te scheiden zijn van de
fysische materie (tês phusikês
húlès) der levende wezens: het is aan haar in
alle geval dat zulke aandoeningen gebonden zijn als toorn en vrees".
[22]. Met
uitzondering dan van de strikt "noëtische" of
denkactiviteiten, die het lichamelijke transcenderen en het
studieobject vormen van de metafysicus (ho prôtos
philósophos), cf. 403b16.
[23]. De
an., 403a27-28. Een systematische, maar "dialectische"
beschrijving van de menselijke páthè
- dus zonder de lichamelijke factoren ervan in rekening te brengen - is
te vinden in Aristoteles' Rhetorica, II,
§§ 2-11; zij is, vandaar, niet theoretisch maar
"praktisch" gericht.
[24]. In de
traditie, dus, van Parmenides: zie verder.
[25]. Cf.
A.G.M.Van Melsen, Natuurfilosofie
(Antwerpen-Amsterdam1955), p. 61v.
[26]. Een
alternatief is metabolè, "verandering".
[27].
Letterlijk "anderswording".
[28].
Flashar, H. (1983), p. 391.
[29]. Cf. Physica,
III, 200b32.
[30]. Van
Melsen, o.c., p. 54. Zie hierover nu de E-syllabustekst, "Het
Archaïsch Natuurdenken", kap. 3.
[31]. Cf.
Parmenides, fragment D-K 28 B 3.
[32]. Cf.
D-K 28 B 6, v. 1.
[33]. Cf.
fragment D-K 28 B 7.
[34]. Cf.
Parmenides' kritiek op de "meningen" (doxai) en het
taalgebruik (onómata) van de "tweekoppige"
mensen, in frr. B 6 en 7. Parmenides' leerdicht, zoals bekend, bevatte
twéé onderdelen (wier onderlinge relatie echter
door hem niet geëxpliciteerd werd): de "Weg van de
Waarheid (Alètheia)" en de "Weg
van de (dwaal)mening (Doxa)". In het
tweede schetste hij een (vrij traditionele) kosmogonie (op basis van de
twee tegengestelde principes van licht en duister), waarin het "ondenkbare"
dan tóch "gedacht" werd. Zie het
hoofdstuk, "Het Archaïsche Natuurdenken", kap.
3.
[36]. Voor
hemzelf, weliswaar, was het méér dan louter
conceptueel.
[37]. De
meest elementaire, concrete stof (die a.h.w. de overgang vormt van de
puur ideële "oerstof" naar de particuliere, natuurlijke
wezens) verschijnt in de gedaante van de klassieke vier elementen:
vuur, lucht, aarde en water.
[38]. Van
Melsen (1955), p. 69.
[39]. Phys.,
III.1, 201a10.
[40]. In
Platoons laatste dialoog, De Wetten, boek X,
gebeurt dat middels de zgn. Wereldziel en het Intellect, die
respectievelijk de bewegingsgrond en de doelgerichtheid voor hun
rekening nemen.
[41]. Dat,
als object van de "eerste filosofie", of
metafysica, deze laatste juist tot de "meest gebiedende",
of meest supreme wetenschap maakt, vgl. Met. A,
982b4-7: "de meest gebiedende onder de wetenschappen, i.e.
die in hogere mate de dienende wetenschap gebiedt, is degene die weet
ter wille waarvan elke handeling moet verricht worden, d.w.z. het goede
in elk individueel geval; in het algemeen, echter, is dat het hoogste
goed in de natuur in haar totaliteit". De aristotelische
visie op de hiërarchische samenhang binnen de kosmische
totaliteit moet onderscheiden worden van de stoïcijnse: in
deze laatste is er binnen de natuur sprake van een allesomvattende, causale
interconnectie - de zgn. sumpátheia -
tussen àlle fenomenen en gebeurtenissen binnen de wereld
(zodanig dat zij astrologie als een wetenschap konden beschouwen).
[43].
Misschien beter: "gronden". We mogen ons inderdaad
niet laten misleiden door het woord "oorzaak"
(Latijn: causa), dat traditioneel gebruikt wordt om
aitía (of: aítion)
te vertalen: van een oorzakelijkheid in de zin van de moderne
causaliteitstheorie is bij Aristoteles alleszins nog geen sprake. Cf.
K.von Fritz, 1984, p. 126. Hij wijst erop "dat het antieke
causaliteitsdenken weliswaar niet uitsluitend maar toch voornamelijk op
structuurkennis gericht is; het moderne weliswaar niet uitsluitend maar
toch voornamelijk op het voorspellen van toekomstige gebeurtenissen en
in samenhang daarmee op het veroorzaken en bewerken van gebeurtenissen".
De Stoa zou weliswaar een stap zetten in de richting van een dergelijk
causaliteitsdenken (zij was ook de eerste om van "gevolg"
of "effect" te spreken, in het Grieks: apotélesma).
Maar ook zij legde nog een grote nadruk, wat particuliere
gebeurtenissen betreft, op de rol van de particuliere dispositie der
dingen (in het geval van mensen: het morele karakter) als "interne"
oorzaak, in onderscheid met externe factoren die weliswaar de
aanleiding kunnen geven tot een gebeuren.
[44].
Düring, I., Aristoteles. Darstellung und
Interpretation seines Denkens (1966), p. 27.
[45]. Maar
de "vier" laten zich gemakkelijk herleiden tot
twéé: namelijk "stof" en "vorm",
en daarin is het Aristoteles vooral om de "vorm" te
doen. Zie het ideologische gebruik dat Aristoteles
van deze meerduidigheid maakt in zijn "bewijs", in Pol.,
I.2, van de “natuurlijkheid”
van de polis.
[46]. Alle
denken vindt zijn oorsprong in de (interiorisatie van) maatschappelijke
praxis.
[47]. In
zijn bewustzijn, weliswaar, is de doelgerichte, menselijke productie (poíèsis)
een "nabootsing" (mímèsis)
van het natuurlijke scheppingsproces, cf. PA,
641b11v.
[48].
Platoon, in Wetten, X, 886B-899D, had beide nog aan
elkaar geopponeerd.
[49]. Phys.,
II.8, 199a12-15.
[50]. Phys.,
II.1, 192b13 e.v. De antithese
phúsis-téchnè zowel als de
autonomie van de ambachtsman blijven, in vergelijking met de moderne
visie, wel degelijk betrekkelijk, cf. de PA-passus,
hoger, en infra, over poíèsis.
[51]. K.Von
Fritz, o.c., p. 127, die nog opmerkt dat, bekeken vanuit het moderne
causaliteitsbegrip, de aristotelische definitie van natuur als
"bewegingsgrond" in feite "niets 'verklaart'".
[54]. Cf.
supra, over de afwezigheid van de moderne subjectiviteit bij
Aristoteles.
[55]. Zie
al Platoon, Politeia, 601A e.v. Cf. De Ley (1988),
p. 132v., waar aangestipt wordt dat Platoons kennisideaal van de
epistèmè dient begrepen te worden "als
een soort van 'gebruikskennis'" zie het
E-syllabusdeel,"Platoon (2): de 'dialogerende rede'", kap. 3.1.
[56]. E.E.,
II, 1219b3-4.
[57]. In
ons woord, "werkelijkheid",
en het Griekse "enérgeia"
zit hetzelfde woordje, "werk"=
"érgon". Zie bv. Metaphysica
Thèta.
[59]. atelès, Nikomachische
Ethiek, X, 1173a29.
[61]. Voor entelécheia
en de nuance met enérgeia, zie D.Ross, Aristotle,
De Anima (Oxford 1961), pp. 166-167: "it appears
that strictly speaking enérgeia
means 'activity' or 'actualisation', while entelécheia means
the resulting actuality or perfection. For the most part Aristotle
treats the two words as synonyms... There is no English word that
translates entelécheia exactly.
The traditional translation is 'actuality', but 'completion' perhaps
better expresses Aristotle's meaning". De samenstelling
betekent letterlijk zoveel als het "in-zich-hebben-van-het-telos".
[66]. Cf.
de relatie tussen de aristocratische opdrachtgever-klant en de
handwerker.
[67]. Metaphysica
Lambda, 1072a25-27, de Griekse tekst is weliswaar gebrekkig
overgeleverd. Ik heb de vertaling van Verhoeven (1989), p. 36, lichtjes
aangepast.
[69]. Pol.
I, 1256b20-21.
[70]. Dit
keer in een meer actieve betekenis, dan in de uitdrukking "in
aanleg".
[72]. Vgl.
reeds Platoon, Cratylus, 389A-C, over de "vorm"
van de schietspoel. Zie De Ley (1988), pp. 130-131.
[76]. Het
Griekse woord is etymologisch verwant met de overtreffende trap van agathós,
"goed", namelijk áristos, "best".
[81]. Vgl.
bv. het esthetisch genieten van een kunstvoorwerp.
[83]. In
zijn "Reviser's Introduction" van de Penguin-vertaling
(1981 e.v.) van de Politica, p. 39.
[84]. Cf. N.E.,
I, 1097b24.
[85]. Voor
Aristoteles staat er een gelijkheidsteken tussen "wat een wezen het
beste kàn" én "wat voor dat wezen het beste is".
[86]. De
schijn van tautologie verdwijnt zodra we deze immanente finaliteit van
de Griekse levensvisie contrasteren met de christelijke. Zie ook de
syllabus De Late Oudheid
[88]. De
partibus animalium, 656a3.
[90]. N.E.,
I, 1098a16. De traditionele vertaling luidt: "overeenkomstig
de deugd".
[91]. Pol.
VII, 1332a9. Ook in E.E., V, 1129b31v., wordt
gesproken van "gebruik van de voortreffelijkheid" (chrèsis
aretês).
[92]. N.E.,
I, 1098a16-18.
[93]. Zie
G.R.Boys-Stones, Post-Hellenistic Philosophy. A Study of its
Development from the Stoics to Origen (Oxford 2001), "Part
I. Ancient Wisdom: Stoic Exegesis", ch. 2.
[94]. De "macht
van de lógos", zoals die door de Sofistiek
beklemtoond werd, wordt door Aristoteles dus sterk gerelativeerd. Zie
zijn beschouwingen aan het slot van de Nikomachische Ethiek,
X.9, bv. 1179b4 e.v.: "Mochten lógoi
op zich volstaan voor het produceren van fatsoenlijke mensen, dan
zouden ze met recht, volgens Theognis, vele en grote beloningen
verdienen...; nu, echter, schijnen zij wel de kracht te hebben de
edelmoedigen onder de jongeren op te wekken en aan te sporen..., maar
schijnen ze niet bij machte te zijn de grote massa (hoi
polloí) op te wekken tot schoonmenselijkheid (kalokagathía)...
Dat soort van mensen, welke lógos zou
hén kunnen omvormen?"
[95]. ζῷον
πολιτικόν,
"zôion politikón".
Zie bv. Politica, I.2., 1253a3; voor andere
passussen en ruimere bespreking, zie H.De Ley (1996:191), en aldaar n.
56 met andere verwijzingen.
LITERATUUR:
BARNES, J.,
ed. (1984), The Complete Works of Aristotle: the Revised Oxford
Translation. 2 vols, Princeton.
BARNES, J.,
ed. (1995), The Cambridge Companion to Aristotle. Cambridge.
DE LEY, H.
(1977), Aristoteles' Metaphysica A. Ingeleid, vertaald en geannoteerd.
(Dixit), Baarn.
DE LEY, H.
(1988),
ΦΙΛΟΣΟΦΟΣ.
Van "wereldwijs" naar "wereldvreemd"? Sophía,
philosophía & theoría:
betekenisontwikkeling van Homeros tot Epikouros. Syllabus RUG
1988³.
DE LEY, H.
(1996), Phúsis & Polis.
Aristoteles’ “Praktische Filosofie”,
UGent 1996³ (omstandige bibl.)
DÜRING,
Ingmar (1966), Aristoteles. Darstellung und
Interpretation seines Denkens. Heidelberg.
FLASHAR,
Hellmut (1983), Aristoteles, in: H.Flashar (ed.), Grundriss der
Geschichte der Philosophie, begründet von F.Ueberweg,
völlig neubearbeitete Ausgabe: Die Philosophie der Antike, 3:
Ältere Akademie - Aristoteles - Peripatos, Basel/Stuttgart
1983, pp. 175-457 (met omstandige bibl.).
MANSION, Aug. (1945), Introduction
à la Physique Aristotélicienne. Leuven
1945².
MARX, Karl
(1974), Grundrisse der Kritik der politischen Oekonomie. (Rohentwurf)
1857-1858. Anhang 1850-1859. Berlin.
SACHSSE, Hans (1984), Ökologische
Philosophie. Natur-Technik-Gesellschaft. Darmstadt.
SAUNDERS,
Trevor J. (1981), Aristotle, The Politics, transl. by Sinclair. Revised
ed.: revised and represented by T.J.S. Penguin Classics, Harmondsworth,
1981 (herdr.).
STEEL, C.
(2002), Aristoteles, De Eerste Filosofie. Vertaald, ingeleid en van
aantekeningen voorzien. Groningen.
VON FRITZ,
Kurt (1984), Teleologie bei Aristoteles, in: K.v.F., Beiträge
zu Aristoteles, Berlin, pp. 125-131
VAN MELSEN, A.G.M. (1955), Natuurfilosofie.
Antwerpen-Amsterdam.
WIELAND,
Wolfgang (1970), Die aristotelische Physik. Untersuchungen
über die Grundlegung der Naturwissenschaft und die
sprachlichen Bedingungen der Prinzipienforschung bei Aristoteles.
Göttingen.
|